<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR342467_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Gezien, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014 / 13 / 7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, zorg en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt verordening langdurigheidstoeslag</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel> Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inkomen: totaal van inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet en de algemene bijstand; </al></li><li nr="b."><al>Peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>Referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de
                                peildatum;</al></li><li nr="d."><al>In deze verordening wordt verstaan onder het in aanmerking te nemen
                                vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.</al></li><li nr="e."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening
                                zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                en de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm op grond van de kostendelersnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op de individuele inkomenstoeslag op grond van de wet en deze
                            verordening heeft de belanghebbende die:</al><lijst><li nr="a."><al>langdurig een laag inkomen heeft;</al></li><li nr="b."><al>in de referteperiode voorafgaand aan de peildatum geen
                                    inaanmerking te nemen vermogen, zoals bedoeld in art 34 van de
                                    Participatiewet.</al></li><li nr="c."><al>geen zicht heeft op inkomensverbetering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt bij nadere regeling vast aan welke aanvullende
                            voorwaarden voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor de
                            individuele inkomenstoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€360 voor een alleenstaande</al></li><li nr="b."><al>€415 voor een alleenstaande ouder ;</al></li><li nr="c."><al>€255 voor een gehuwde;</al></li><li nr="d."><al>€220 in overige gevallen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De situatie op de peildatum is bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid kunnen jaarlijks worden
                            geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de
                            consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De
                            bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder
                                intrekking van de verordening langdurigheidstoeslag.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                inkomenstoeslag 2015.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad, gehouden
                        in Voerendaal d.d. 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in
                    aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een
                    schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan
                    personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><al/><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                    verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het
                    college kan in (wet interpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is
                    van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><al/><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><al/><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft
                    gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van
                    bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                    Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                    Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel
                    3 onder ‘Langdurig’.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op
                    aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al/><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><al/><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm op basis van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a van de
                    Participatiewet.</al><al/><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon
                    gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm
                    maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een
                    marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                    individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een
                    incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen
                    bedragen van enkele eurocenten. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Recht op individuele inkomenstoeslag </tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid (ad b)</tussenkop><al>Er wordt voor wat betreft de vermogensbepaling in het kader van het recht</al><al>op de individuele inkomenstoeslag altijd uitgegaan van de peildatum. </al><al/><tussenkop>Eerste lid (ad c)</tussenkop><al>De wettelijke toelichting geeft als voorbeeld van aanvragers die zicht
                    hebben</al><al>op inkomensverbetering: studenten met een uitkering op grond van de WSF. Deze
                    doelgroep heeft vanwege het volgen van hun studie zicht op inkomensverbetering
                    (zij kunnen in staat worden geacht na hun opleiding een zekere
                    inkomensverbetering te bereiken) en hebben derhalve geen recht op de individuele
                    inkomenstoeslag.</al><al/><al>Tweede lid </al><al>In de beleidsregel individuele inkomenstoeslag zijn aanvullende voorwaarden</al><al>opgenomen waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor</al><al>de individuele inkomenstoeslag. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Eerste lid onder d: Overige gevallen:</al><al>Bijvoorbeeld een persoon, niet zijnde een minderjarig kind of een gehuwde, die
                    deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden, bijv. een volwassen bij haar
                    ouders inwonende dochter.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>