<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR342134_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Velsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Velsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Velsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad, De Jutter/Hofgeest 30-10-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Velsen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R14.069</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Velsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>VERORDENING VERREKENING BESTUURLIJKE BOETE BIJ RECIDIVE PARTICIPATIEWET 2015 GEMEENTE VELSEN</vet></al><al>De raad van de gemeente Velsen;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d van de Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening verrekening bestuurlijke boete
                        bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Velsen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van het college van de gemeente
                                        Velsen;</al></li><li nr="c."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering (90% van de bijstandsnorm);</al></li><li nr="d."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen waarover
                                        belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                        beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                        bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50,
                                        eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als bedoeld in
                                        artikel 60, vierde lid, van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet en in de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen zonder inachtneming van de beslagvrije voet bij
                                voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al> De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de wet, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente
                            Velsen wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                                bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente
                                Velsen.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        gemeente Velsen</titel></kop><tussenkop>Algemeen deel</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 trad de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking. Voor de wet betekent dat, dat het college verplicht
                    is een bestuurlijke boete op te leggen bij een schending van de
                    inlichtingenplicht en deze met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel
                    moet bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen
                    worden. Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het
                    college besluiten gedurende maximaal drie maanden de boete te verrekenen met de
                    uitkering zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet (artikel 60b
                    van de wet) In deze verordening is vastgelegd hoe het college invulling geeft
                    aan deze bevoegdheid.</al><al>De wet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. </al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. </al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de wet is geregeld dat het college die de uitkering
                    verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                    komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><al><cursief>Bezit</cursief>De verordening kent een definitie van het
                    begrip bezit. Het gaat daarbij om (de waarde van) alle bezittingen waarover een
                    belanghebbende of diens gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen
                    beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als uit op geld
                    waardeerbare goederen. </al><al> Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in
                    mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de wet
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig
                    moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><al>Het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt is dus ruimer dan
                    het begrip vermogen in artikel 34 Participatiewet. Dat komt omdat we bij de
                    bestuurlijke boete bij recidive alleen uitgaan van de positieve
                    vermogensbestanddelen. Eventuele schulden spelen geen rol bij de beoordeling van
                    het bezit en daarmee met de beoordeling of de belanghebbende zelf in staat is de
                    periode van drie maanden waarin de beslagvrije voet buiten werking is gesteld,
                    kan overbruggen.</al><al><cursief>Verrekenen</cursief>De wet kent een ruimer begrip van
                    verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de
                    duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling opgenomen in de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen zonder inachtneming van de beslagvrije voet bij
                    voldoende bezit</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van
                    drie maanden als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit
                    op te kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze
                    verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen
                    waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                    driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                    tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd
                    moeten kunnen worden.</al><al><cursief>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</cursief></al><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet te kunnen
                    overbruggen, dan verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van
                    de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening
                    met de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft
                    beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. Voor het percentage van 80 is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van de gemeente. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de wet worden vrijgelaten voor de algemene
                    bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm,
                    tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus
                    niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende
                    nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al> Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet af te zien.
                    Dat volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van
                    andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college
                    rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende
                    redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij
                    de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens gezinsleden
                    verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het
                    belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te
                    voorzien, is op zich geen voldoende reden om te kunnen spreken van dringende
                    redenen. <cursief>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</cursief></al><al>In artikel 60b, derde lid, van de wet is bepaald dat de bevoegdheid om te
                    verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet ook van toepassing is op
                    eerder opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening
                    van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het
                    college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel
                    5 dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing
                    zijn.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>