<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341752_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht, 25 november 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering :28 oktober 2014</al><al>Agendanummer: </al><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Berkelland van 6 oktober 2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste lid, tweede lid aanhef onder a,,
                        derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6,
                        eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                            2015<cursief>;</cursief></al><al>gehoord de Welzijnsraad; </al><al>gelet op het ‘Inspraakverslag 3D Beleidskader en concept verordeningen Wmo
                        2015 en Jeugdhulp’;</al><al>overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop
                                zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                            </al></li><li nr="-"><al>van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                                bijstaan; </al></li><li nr="-"><al>burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen; </al></li><li nr="-"><al>het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het
                                beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking
                                tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en
                                participatie van personen met een beperking of met chronische
                                psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en
                                dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al><al/></li></lijst><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland
                            2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1: Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                            speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                            algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is
                                            dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="b."><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of
                                            activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de
                                            behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de
                                            gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel
                                            2.1.4, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als
                                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>gespreksformulier: een papieren dan wel digitaal
                                            formulier van de gemeente Berkelland dat wordt gebruikt
                                            bij het onderzoek naar de hulpvraag van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
                                            als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                            wet;</al></li><li nr="g."><al>ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de
                                            gemeente Berkelland;</al></li><li nr="h."><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken
                                            en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van
                                            diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                            maatregelen:</al><lijst><li nr="1."><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder
                                                  begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter
                                                  ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                                                  noodzakelijk vervoer, alsmede hulpmiddelen,
                                                  woningaanpassingen en andere maatregelen,</al></li><li nr="2."><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen
                                                  het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede
                                                  hulpmiddelen en andere maatregelen,</al></li><li nr="3."><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college
                                            als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                            wet;</al></li><li nr="j."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                            eerste lid van de wet; </al></li><li nr="k."><al>persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de
                                            omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid,
                                            onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en
                                            aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn
                                            mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="l."><al>verslag: een schriftelijke weergave van de uitkomsten
                                            van het onderzoek;</al></li><li nr="m."><al>Voormekaar lijn: de telefoonlijn van de Voormekaar
                                            teams, de sociale wijkteams van Berkelland, die op ieder
                                            moment van de dag beschikbaar is voor een luisterend
                                            oor, advies of directe hulp;</al></li><li nr="n."><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de overige
                                    begrippen in deze verordening verstaan hetgeen de wet daaronder
                                    verstaat.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college
                                worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding en maakt zo
                                spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                treft het college na de melding zo spoedig mogelijk, doch in ieder
                                geval binnen drie werkdagen een tijdelijke maatwerkvoorziening in
                                afwachting van de uitkomst van het onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                gratis onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de
                                cliënt uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand aan het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de
                                mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>24 uurs Voormekaar lijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat voor ingezetenen op ieder moment van de
                                dag telefonisch of elektronisch anoniem een luisterend oor en advies
                                beschikbaar is, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand aan het
                                onderzoek op de Voormekaar lijn waar op ieder moment van de dag
                                telefonisch anoniem een luisterend oor en advies beschikbaar
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen
                                na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 7 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt of diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en stukken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7, stelt het college de
                                identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                                gevoerd met de cliënt, of zijn vertegenwoordiger, voor zover
                                mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te
                                verwerken en vraagt toestemming voor de verwerking en verstrekking
                                van de persoonsgegevens waarover de gemeente uit andere hoofde
                                beschikt of die de gemeente van de zorgverzekeraar of de
                                zorgaanbieder zou willen ontvangen en die noodzakelijk zijn voor de
                                uitvoering van de Wmo 2015. De factoren, genoemd in artikel 2.3.2,
                                vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het
                                onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke
                                mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget
                                en wat de gevolgen van die keuze zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg
                                met de cliënt afzien van een gesprek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek op het gespreksformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een
                                schriftelijk verslag van het onderzoek bestaande uit tenminste het
                                ingevulde gespreksformulier. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt
                                een ondertekend exemplaar naar het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                                maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem
                                ondertekende gespreksformulier.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het
                                verslag c.q. het gespreksformulier toegevoegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk of elektronisch bij het college worden
                                ingediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ondertekend ingevuld gespreksformulier wordt beschouwd als
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                verstrekt het college desgevraagd meteen een document als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, rekening houdend met de persoonlijke
                                omstandigheden van de cliënt en voor zover dit van belang kan zijn
                                voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of
                                aanvraag is ingediend of als sprake is van gebruikelijke hulp zijn
                                echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten: </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen.</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet
                                        eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder
                                        een gesprek als bedoeld in artikel 7 is gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel
                                        eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals
                                        bedoeld in artikel 7 heeft gevoerd, maar waarvan de medische
                                        omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde
                                        omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort
                                        van voorziening kunnen beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><al>1.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><al>a.ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of
                            psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in
                            staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt
                            deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen
                            of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;
                                    of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                            wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in
                            de eigen leefomgeving kan blijven, en/of</al><al>b.ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                            samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en
                            de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband
                            met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor
                            zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan
                            verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;
                                    of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                            wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                            in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te
                            handhaven in de samenleving.</al><al>2.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst compenserende voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                        gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                        ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                        wettelijke bepaling bestaat;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                        hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                        zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                        voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt voorafgaand
                                        aan het indienen van de aanvraag zelf heeft bekostigd en
                                        waarvan niet meer is na te gaan of de betreffende
                                        voorziening op dat moment noodzakelijk was;</al></li><li nr="f."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                        melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of
                                        geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk
                                        toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan
                                        worden vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                        die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel
                                        of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="h."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="i."><al> indien de cliënt tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid heeft betoond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie
                                wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                        Berkelland.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt
                                de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al></li><li nr="d."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening; en</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing: welke voorzieningen anders dan in het
                                        kader van de wet relevant zijn of kunnen zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarop het
                                        persoonsgebonden budget ziet;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget, en </al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming
                                met artikel 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tarief voor een persoonsgebonden budget:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het
                                persoonsgebonden budget gaat besteden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen;
                                en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een voorziening wordt
                                bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op
                                dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn
                                verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening
                                betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd
                                gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is
                                afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de
                                naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de
                                kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door
                                de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud
                                en verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening is
                                opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris,
                                vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden
                                na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat
                                waarvoor het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het
                                persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle
                                op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
                                binnen drie werkdagen uit eigen beweging mededeling van alle feiten
                                en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing
                                als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op grond van artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                beslissing zou hebben geleid; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het
                                persoonsgebonden budget is aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer
                                toereikend is te achten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet
                                of voor een ander doel gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot het verlenen van een persoonsgebonden budget kan
                                worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen
                                zes maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van
                                de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college de beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan (een gedeelte van) de kosten van de woonvoorziening
                                terugvorderen als de voorziening heeft geleid tot een aanzienlijke
                                waardevermeerdering van de woning en de woning binnen vijf jaren na
                                de gereedmelding is verkocht.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels met betrekking tot de aanzienlijke
                                waardevermeerdering en de afschrijving van een woonvoorziening bij
                                verkoop van een woning zoals bedoeld in lid 7. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                                budget, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of
                                gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt
                                en zijn echtgenoot. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                bepaald:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door een aanbesteding;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>na een consultatie in de markt, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in overleg met de aanbieder. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                verstrekte bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten
                                van een maatwerkvoorziening zijn gelijk aan de bedragen en
                                percentages opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bijdragen in de kosten voor opvang worden door de instelling die
                                de opvang verleent vastgelegd en geïnd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bijdragen in de kosten voor beschermd wonen worden door het CAK
                                vastgelegd en geïnd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een
                                minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd
                                door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie
                                een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond
                                verzoek is toegewezen, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                uitoefent voor een cliënt.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn
                                ontheven of ontzet.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is;</al></li><li nr="c."><al>voor welke groep personen een korting op de bijdrage van
                                        toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                overeenstemming met de professionele standaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
                                en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>kosten voor bijscholing van personeel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de marktprijs van de voorziening, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                                leverancier worden gevraagd, zoals:</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>onderhoud van de voorziening, en </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle
                                voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van
                                alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland
                                2014 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Berkelland 2014, totdat het college een nieuw besluit heeft
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Berkelland 2014 en waarop nog niet is beslist
                                bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beslissen op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland 2014,
                                geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Berkelland 2014 die ten aanzien van de betreffende zaak
                                zijn rechtskracht behoudt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Berkelland 2015.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><al><vet>Raadsvergadering : </vet>28 oktober 2014 <vet> agendapunt :</vet></al><al><vet>Onderwerp : </vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Berkelland 2015</al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn
                    sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of
                    verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene
                    voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of
                    sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo
                    2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom
                    (in hoofdlijnen) vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de
                    ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht
                    op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke
                    procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist
                    eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, leden van het Voormekaar team of
                    bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’
                    staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten
                    dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.</al><al/><al/><al>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                    Berkelland 2015</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1: Begrippen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad. a. algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen </al></li><li nr="-"><al>gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad. b. algemene voorziening</al><al>Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                    voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van
                    de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van
                    zelfredzaamheid en participatie, of op opvang.</al><al>Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen in de markt,
                    waarmee de gemeente geen bemoeienis heeft en voorzieningen die geheel of
                    gedeeltelijk door de gemeente wordt bekostigd. Deze voorzieningen zijn
                    voorliggend aan de maatwerkvoorziening. Dit betekent dat de gemeente eerste
                    beoordeelt of het probleem van een persoon met een beperking kan worden opgelost
                    door middel van een algemene voorziening. De landelijke eigen bijdrageregeling
                    (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) is niet van toepassing op algemene voorzieningen.
                    Voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de
                    kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage is niet
                    inkomensafhankelijk.</al><al>De zin ‘zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk’ moet wel in de context worden
                    bekeken. Het betekent in dit verband dat de gemeente voor deze voorziening geen
                    beschikking afgeeft. De voorziening in kwestie zal wel een toegangstoets doen of
                    iemand tot de doelgroep van de voorziening behoort. Bijvoorbeeld: om gebruik te
                    maken van een passantenverblijf zal de cliënt moeten aantonen dat hij dakloos
                    is. </al><al>Het verwijzen van cliënten naar een algemene voorziening of het geven van
                    inzicht dat zij bepaalde zaken wellicht ook zelf zouden kunnen doen, is geen
                    besluit in de zin van de Awb. Van een besluit is pas sprake nadat er een
                    aanvraag is ingediend en daarop is beslist.</al><al>Aangenomen wordt echter wel dat voor het niet verlenen van toegang (lees
                    gebruik) tot een algemene voorziening wel een besluit moet worden
                    afgegeven.</al><al>Ad. c. bijdrage in de kosten</al><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten.</al><al>Artikel 2.1.4</al><tussenkop>1. Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de
                    kosten is verschuldigd: </tussenkop><tussenkop>a. voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                    cliëntondersteuning; </tussenkop><tussenkop>b. voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                    budget.</tussenkop><al>Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een
                    bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening
                    betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond
                    van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur
                    nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de
                    ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad)
                    heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een
                    algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten
                    worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan
                    die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><al>Ad. d. gesprek</al><al>Hiermee wordt ook het ‘keukentafelgesprek’ bedoeld.</al><al>Ad. e. gespreksformulier</al><al>Het gespreksformulier wordt in de gemeente Berkelland gebruikt bij het
                    keukentafelgesprek als leidraad, als formulier waar het verslag op wordt
                    verwerkt en ingevuld en ondertekend kan het als aanvraagformulier worden
                    beschouwd. </al><al>Ad. f. hulpvraag</al><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.3.2, lid 1 van de wet. </al><tussenkop>Artikel 2.3.2</tussenkop><tussenkop>1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan
                    maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door
                    of namens wie de melding is gedaan, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
                    zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid.
                    Het college bevestigt de ontvangst van de melding.</tussenkop><al>Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het
                    college</al><al>wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van
                    betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel
                    gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie
                    moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de
                    wet is noodzakelijk.</al><al>Ad. g. ingezetene</al><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1
                    Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in
                    aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn,
                    maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een
                    ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van
                    de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de
                    jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22‐09‐2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het
                    gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp
                    belangrijk is maar niet doorslaggevend.</al><al>Ad. h. maatwerkvoorziening</al><al>Het begrip ‘maatwerkvoorziening’ duidt beter dan het in de Wmo 2007
                    gebruikelijke begrip ‘individuele voorziening’ aan dat het niet alleen gaat om
                    een of meer concrete en herhaalbaar in te zetten vormen van een aanbod aan
                    activiteiten, maar onder omstandigheden ook om een op maat van de persoon
                    gesneden afgestemd geheel van maatregelen. Daarbij kan het gaan om vormen van
                    hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook
                    om op maat voor iemand bedachte oplossingen.</al><al>In de formulering is nadrukkelijk vastgelegd dat een maatwerkvoorziening voor
                    een cliënt ook omvat de toewijzing van een voorziening voor kortdurend verblijf
                    in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger. Hetzelfde geld voor het
                    (op zijn behoefte afgestemde) vervoer dat iemand nodig heeft om aan het
                    maatschappelijke verkeer te kunnen deelnemen of gebruik te kunnen maken van
                    algemene voorzieningen en van een maatwerkvoorziening.</al><al>Een belangrijk kenmerk van een maatwerkvoorziening is dat het specifiek en op
                    maat gericht is om een individu te ondersteunen bij zijn zelfredzaamheid of
                    participatie of hem beschermd wonen of opvang te bieden. En dat voor het
                    verkrijgen van een maatwerkvoorziening altijd een aanvraag vereist is waarop het
                    college binnen twee weken een beslissing moet nemen. Om voor een algemene
                    voorziening in aanmerking te komen is geen aanvraag en ook geen beslissing van
                    het college noodzakelijk.</al><al>Er moet, zoals de term ook weergeeft, sprake zijn van maatwerk: de beslissing
                    moet zijn afgestemd op individuele omstandigheden en mogelijkheden van de
                    aanvrager, ook op andere terreinen dan maatschappelijke ondersteuning. Door bij
                    de vormgeving van een maatwerkvoorziening voor zover mogelijk rekening te houden
                    met de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en onder meer
                    zijn daarmee samenhangende eigen kracht, is sprake van een passende bijdrage aan
                    het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                    zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan
                    blijven. De beperking van de cliënt wordt in deze situatie door een passende
                    bijdrage gecompenseerd voor zover het mogelijk is een beperking te compenseren.
                    Er is sprake van maatwerkcompensatie. Om maatwerk te kunnen leveren, is het van
                    belang niet alleen de omstandigheden van de aanvrager mee te wegen, maar ook de
                    omstandigheden van een mantelzorger. Daarbij wordt goed gekeken naar de
                    behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale
                    netwerk.</al><al>Ad. i. melding</al><al>Eenieder kan zich melden bij de gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding
                    zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek
                    (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de
                    beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen
                    maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te
                    stellen.</al><al>Ad. j. onderzoek</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. k. persoonlijk plan</al><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk ‐
                    de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van
                    de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst,
                    beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot
                    en met g Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent
                    voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan
                    overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm
                    wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen
                    zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen,
                    wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in
                    de Wmo versterkt.</al><tussenkop>Artikel 2.3.2</tussenkop><tussenkop>4. Het college onderzoekt:</tussenkop><tussenkop>a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de
                    cliënt;</tussenkop><tussenkop>b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                    zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn
                    behoefte aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit
                    zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                    participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                    opvang;</tussenkop><tussenkop>d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van
                    de cliënt;</tussenkop><tussenkop>e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of
                    door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de
                    mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in
                    zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars
                    en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het
                    gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                    inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het
                    oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie
                    of aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde
                    bij of krachtens artikel 2.1.4., verschuldigd zal zijn.</tussenkop><al>Ad. l. verslag</al><al>De definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad m. Voormekaar lijn</al><al>De Voormekaar lijn is 24 uur per dag, 7 dagen in de week bereikbaar voor een
                    luisterend oor, advies of directe hulp. Buiten kantooruren van de Voormekaar
                    teams kunnen inwoners dus ook altijd ergens terecht.</al><al>Ad. n. wet</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke
                    definities hieronder weergegeven.</al><tussenkop>- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college
                    gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te
                    leveren;</tussenkop><tussenkop>- begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid
                    en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen
                    leefomgeving kan blijven;</tussenkop><tussenkop>- cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan
                    wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of
                    namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </tussenkop><tussenkop>- cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie,
                    advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                    zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke
                    dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve
                    zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </tussenkop><tussenkop>- gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                    redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen
                    of andere huisgenoten; </tussenkop><tussenkop>- maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale
                    samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van
                    voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid
                    en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk
                    geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen
                    met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen
                    zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,3°. bieden van beschermd wonen en
                    opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en
                    zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks
                    voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt
                    verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen
                    aan het maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit
                    namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening
                    behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal netwerk:
                    personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een
                    sociale relatie onderhoudt; </tussenkop><al><cursief>- vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                        vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                        waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening
                        of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren
                        van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren
                        van een gestructureerd huishouden</cursief>.</al><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): <cursief>een verzoek van een belanghebbende
                        om een besluit te nemen</cursief>, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag</tussenkop><al>De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                    de hulpvraag. De melding kan elektronisch of telefonisch bij de Voormekaar lijn
                    worden gedaan. Ook kan de melding persoonlijk worden gedaan bij een lid van het
                    Voormekaar team. </al><al>In het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de melding het middel
                    is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen en dat deze
                    vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent
                    dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan
                    optreden.</al><al>In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de
                    ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet.
                    De gemeente streeft er naar om binnen twee werkdagen na ontvangst van de melding
                    de cliënt terug te bellen voor het maken van een afspraak. Uit de Memorie van
                    Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet
                    registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst
                    van de melding schriftelijk moet. De gemeente kan hier wel voor kiezen in
                    verband met de registratie en zorgvuldigheid. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de
                    artikelen 2.2.4, lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de wet. Met name het
                    wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan
                    innemen in de procedure na de melding. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in
                    artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning moet gratis en onafhankelijk
                    zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de kosten voor worden gevraagd.</al><al>Inwoners die niet in staat zijn om voor hun eigen belangen op te komen tijdens
                    het keukentafelgesprek, kunnen zich laten vertegenwoordigen. In de wet staat dat
                    gemeenten gratis cliëntondersteuning moeten kunnen bieden voor inwoners tijdens
                    het keukentafelgesprek. In de praktijk zit er in eerste instantie vaak een
                    vertrouwenspersoon van de inwoner aan tafel tijdens het gesprek in de vorm van
                    familie, vrienden of buren. Voor inwoners die dit niet hebben is er
                    cliëntondersteuning. Het Voormekaar team opereert onafhankelijk en biedt daarom
                    deze cliëntondersteuning. Ze bekijken de vraag van de inwoner onafhankelijk en
                    beschouwen deze als leidend. Als de inwoner geen vertrouwenspersoon heeft en
                    deze ook niet vindt in het teamlid van Voormekaar, zijn er andere
                    mogelijkheden:</al><lijst><li nr="Ø"><al>een ander teamlid van het Voormekaar team ondersteunt de inwoner,</al></li><li nr="Ø"><al>een teamlid van een ander Voormekaar team ondersteunt de inwoner,</al></li><li nr="Ø"><al>een medewerker van een andere organisatie (bijvoorbeeld MEE Oost
                            Gelderland).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 4. Voormekaar lijn</tussenkop><al>De Voormekaar lijn is 24 uur per dag, 7 dagen in de week bereikbaar voor een
                    luisterend oor, advies of directe hulp. Buiten kantooruren van de Voormekaar
                    teams kunnen inwoners dus ook altijd ergens terecht.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Persoonlijk plan</tussenkop><al>De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen
                    in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de
                    volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals
                    ingevoegd. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een
                    amendement (TK 2013‐2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het
                    onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college
                    direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn
                    persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te
                    participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Informatie en identificatie</tussenkop><al>Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                    concreet de artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb,
                    dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige
                    gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 4 geregeld dat de cliënt
                    daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van
                    Toelichting op artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven welke documenten onder
                    artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in lid 2 van
                    artikel 4.</al><al>Memorie van Toelichting, artikel 2.3.4. lid 1 Wmo</al><al>Om de identiteit vast te stellen van degene die zich bij het college meldt met
                    een hulpvraag, vraagt het college de betrokkene zich te legitimeren met een
                    geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Het
                    kan gaan om een reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet; dat zijn het
                    nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een
                    reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen en andere
                    reisdocumenten door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te stellen, en
                    een reisdocument van het Europese deel van Nederland, te weten een Nederlandse
                    identiteitskaart. Naast de genoemde documenten uit de Paspoortwet, kan een
                    vreemdeling zich legitimeren met een document waarover hij op grond van de
                    Vreemdelingenwet 2000 beschikt ter vaststelling van zijn identiteit,
                    nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Tot slot biedt een geldig
                    nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe
                    bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een
                    andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
                    Economische Ruimte, de mogelijkheid tot legitimatie van een betrokkene, voor
                    zover hij de nationaliteit van die andere lidstaat bezit.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Onderzoek</tussenkop><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2
                    lid 4 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt
                    in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat
                    persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 7 wordt
                    benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het
                    stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij
                    betrokken wordt. </al><tussenkop>Artikel 2.3.2. lid 4 Wmo 2015</tussenkop><tussenkop>4. Het college onderzoekt:</tussenkop><tussenkop>a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de
                    cliënt;</tussenkop><tussenkop>b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                    zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn
                    behoefte aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit
                    zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                    participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                    opvang;</tussenkop><tussenkop>d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van
                    de cliënt;</tussenkop><tussenkop>e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of
                    door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de
                    mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in
                    zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars
                    en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het
                    gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                    inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het
                    oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie
                    of aan beschermd wonen of opvang;</tussenkop><tussenkop>g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde
                    bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.</tussenkop><al>Lid 3 Tijdens het onderzoek zal de gemeente er goed aan doen betrokkene – mede
                    met het oog op de rechten die de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) hem
                    geeft – te wijzen op de consequentie dat voor het onderzoek en de behandeling
                    van zijn aanvraag, maar ook voor de verlening van de toe te wijzen ondersteuning
                    en de eventuele oplegging van eigen bijdragen persoonsgegevens over hem moeten
                    worden verwerkt. Als dat zorgvuldig gebeurt, wordt bewerkstelligd dat betrokkene
                    zich ervan bewust is dat zijn persoonsgegevens worden verwerkt en dat het van
                    belang is dat deze juist zijn. Daardoor is betrokkene ook in staat om eventueel
                    aan te geven dat hij niet instemt met de verwerking van bepaalde gegevens.</al><al>Overwegingen van proportionaliteit hebben ertoe geleid dat het college een
                    burger direct bij melding van een ondersteuningsbehoefte wijst op de integrale
                    werkwijze, hem verzoekt de nodige persoonsgegevens te verstrekken en hem ook
                    toestemming vraagt voor de verwerking en verstrekking van de persoonsgegevens
                    waarover de gemeente uit andere hoofde beschikt (persoonsgegevens die het
                    college heeft verkregen ten behoeve van de uitvoering van de Jeugdwet,
                    Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) of die de gemeente
                    van de zorgverzekeraar of de zorgaanbieder zou willen ontvangen en die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wmo 2015. E.e.a. overeenkomstig
                    artikel 5.1.1. van de wet.</al><al>Op deze wijze is gewaarborgd dat het college, waar relevant, voor de uitvoering
                    van deze wet over de vereiste gegevens kan beschikken. Door de Wmo 2015 ontstaat
                    een wettelijke basis voor de uitvoering van taken in het kader van de
                    maatschappelijke ondersteuning en de verwerking van persoonsgegevens, waaronder
                    bijzondere persoonsgegevens. Daarmee is de beperking van de persoonlijke
                    levenssfeer in overeenstemming met de Grondwet bij de wet voorzien.</al><al>Geen toestemming</al><al>Weigering van ondubbelzinnige toestemming brengt met zich dat de gemeente minder
                    goed in staat zal zijn te komen tot een integraal aanbod; het ontbreken van de
                    gegevens staat het toekennen van een maatwerkvoorziening niet per definitie in
                    de weg. Het spreekt vanzelf dat het gevolg van het weigeren van toestemming kan
                    zijn dat de maatwerkvoorziening niet of minder goed zal zijn afgestemd op andere
                    voorzieningen die hij ontvangt. Betrokkenen zullen het college in dat geval dan
                    ook niet daarop kunnen aanspreken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een
                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te
                    stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel
                    schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een
                    juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een
                    inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo
                    zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de
                    cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag
                    van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal
                    uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de
                    gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook
                    gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het
                    bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken
                    en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat
                    geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een
                    persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan
                    het verslag.</al><al>Als de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van de weergave
                    van het onderzoeksresultaat en/of het verslag kan verzending daarvan achterwege
                    blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te snel
                    vanuit te gaan. De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten verklaren
                    geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde bescheiden.</al><al>De wet bepaalt in artikel 2.3.2. dat het college uiterlijk binnen zes weken na
                    de melding een onderzoek dient uit te voeren. Het college streeft er naar het
                    onderzoek voortvarend af te handelen en daar waar mogelijk binnen 10 werkdagen
                    het schriftelijk verslag aan de cliënt te verstrekken. Factoren die hierbij
                    meespelen zijn bijvoorbeeld: het opvragen van een medisch advies, de cliënt
                    onderzoekt na een gesprek nog wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld
                    of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of de cliënt heeft nog
                    een aanvullende opmerking. </al><al>Lid 4 slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de
                    cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de
                    aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Aanvraag</tussenkop><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 9 in lid 1 de
                    wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken
                    van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, lid 1 van de wet maakt duidelijk dat de
                    aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot
                    tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. </al><al>De mogelijkheid is geopend dat ook een ondertekend verslag als aanvraagformulier
                    kan dienen. Met dit artikel wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in
                    artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald
                    dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt
                    vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Voor toelichting lid
                    4 zie toelichting bij artikel 6.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. </al><al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                    afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de
                    adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. </al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Bij uitnodigingen in
                    het kader van het onderzoek zal het college dit doen rekening houdend met de
                    persoonlijke omstandigheden van de cliënt. Dit is overeenkomstig de huidige
                    praktijk.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11.Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (TK 2013‐2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per
                    gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke</al><al>infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen
                    is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat
                    in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen
                    worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare
                    criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting
                    uitgewerkt.</al><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                    goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze
                    verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                    compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij
                    gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve
                    maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij de voorziening meer compenserend maken, zullen in principe niet voor
                    vergoeding in aanmerking komen.</al><al>Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst
                    compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen. </al><al/><tussenkop>Artikel 12.Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in
                    de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8‐11‐2013,
                    nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te
                    zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime
                    afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te
                    bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de
                    verplichting van artikel 2.1.3,</al><al>tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria
                    iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</al><al>Ad. a </al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben
                    met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen.
                    Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
                    aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
                    van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening
                    toegekend.</al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 09‐ 11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011,
                    nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk
                    moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een
                    voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien
                    vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr.
                    09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke
                    wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is
                    er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 WMO).
                    De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen
                    op de Wmo.</al><al>Ad. b</al><al>Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet
                    centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als
                    afwijzingsgrond.</al><al>Ad. c</al><al>Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening.
                    Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is
                    hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.</al><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al>Zie ook toelichting bij artikel 1 onder a.</al><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze al door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen
                    mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                    verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan
                    in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt
                    voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet
                    overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening
                    beschouwt.</al><al>Ad. f</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt zich meldt voor maatschappelijke
                    ondersteuning en de voorziening vervolgens zelf realiseert of aanschaft, voordat
                    het college een beslissing heeft kunnen nemen. Omdat het college dan geen
                    mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                    verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan
                    in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt
                    voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet
                    overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening
                    beschouwt. Deze bepaling ziet niet op de situatie waarin de cliënt al voor de
                    melding de voorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft, omdat er in dat geval
                    in het geheel geen te compenseren probleem (meer) is. </al><al>Ad. g</al><al>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het gaat
                    om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl
                    het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld
                    door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen
                    schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol
                    spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere
                    dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                    van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Ad. h</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet
                    om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en
                    algemene voorzieningen geschikte instrumenten.</al><al>Ad. i</al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de
                    Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21‐5‐2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel i is
                    optioneel opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven
                    in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings‐ en afwijzingsgrond. De
                    CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hier genoemde uitspraak)
                    geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol speelt,
                    zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.</al><al>De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op
                    maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en
                    participatie.</al><al>Onder ‘langdurig’ wordt een onomkeerbare aandoening verstaan. Door middel van
                    een medische onderbouwing kan worden bepaald of een aandoening langdurig is. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Beschikking</tussenkop><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor
                    is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit
                    artikel zijn de essentiële onderdelen opgenomen die in ieder geval in de
                    beschikking moeten staan. </al><al/><tussenkop>Artikel 14. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie‐eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald
                    op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de
                    hoogte toereikend moet zijn. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan
                    bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die
                    voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van compenserende ondersteuning
                    in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te
                    brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten</al><al>kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                    ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de Maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst compenserende door het college ingekochte maatwerkvoorziening in
                    natura.</al><al>In het vijfde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding
                    van het</al><al>persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie
                    waarin het recht oneindig open zou moeten staan.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Controle</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.1.3. vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen
                    of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het
                    gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de Memorie van Toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ </al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><al>In het zevende lid is een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid
                    geeft tot terugvordering van (een gedeelte van) de kosten van de woonvoorziening
                    als de woning binnen vijf jaren na de gereedmelding is verkocht en de
                    woonvoorziening heeft geleid tot een aanzienlijke waardevermeerdering van de
                    woning.</al><al>In het achtste lid wordt geregeld dat het college in nadere regels vastlegt wat
                    onder een aanzienlijke waardevermeerdering wordt verstaan en aan de hand van
                    welk afschrijvingsschema de hoogte van de terugvordering zal worden vastgesteld.
                    Hierbij wordt rekening gehouden met de eventueel betaalde eigen bijdrage.</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor
                    maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    alsmede voor algemene voorzieningen. In het tweede lid is het uitgangspunt
                    benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen:
                    de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het derde en vierde lid is
                    uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het vijfde lid zijn de bedragen
                    en percentages van het</al><al>Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaart. In lid 6
                    is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, waar is bepaald dat in de
                    verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor
                    opvang vaststelt en int. </al><al>In lid 7 is bepaald dat het CAK de bedragen in de kosten voor beschermd wonen
                    vastlegt en int. In lid 8 en lid 9 is de mogelijkheid van artikel 2.1.5, om de
                    bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut. </al><al>In lid 10 is bepaald dat het college nadere regels kan vaststellen met
                    betrekking tot een bijdrage in de kosten van een algemene voorziening.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 19.Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
                    In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming
                    meerkosten</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 22. Klachtenregeling</tussenkop><al/><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57‐58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die
                    zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende
                    aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de
                    klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de
                    afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen
                    van de klacht open. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het
                    college aangegeven om te zorgen dat de</al><al>verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd</al><al/><tussenkop>Artikel 23. Medezeggenschap</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist
                    is.</al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten.</al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor</al><al>medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de
                    verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te
                    stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat deverplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.</al><al> In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo‐beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning.</al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de</al><al>medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 25. Nadere regels </tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4. In dit artikel is het
                    overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk
                    gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft
                    plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die
                    nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening
                    beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben,
                    is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als
                    dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt</al><al>gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is
                    geweest en zijn rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. Dezelfde
                    regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al/><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te worden aangehaald.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>