<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341482_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Loonkostensubsidie Participatiewet Heerhugowaard 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Publicatie via www.officielebekendmakingen.nl d.d. 23-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Loonkostensubsidie</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2014134</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening loonkostensubsidie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Loonkostensubsidie Participatiewet Heerhugowaard
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2014134</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 november
                        2014</al><al/><al>gelet op het advies van de commissie Maatschappelijke ontwikkeling d.d. 4
                        december 2014;</al><al/><al>gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>overwegende dat de gemeente Heerhugowaard, met gebruikmaking van het
                        instrument loonkostensubsidie, wil bereiken dat meer mensen met een
                        arbeidsbeperking weer kunnen deelnemen aan de reguliere arbeidsmarkt ;</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Heerhugowaard
                            2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                    artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                    minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast of en zo ja welke externe organisatie adviseert
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie, met in achtneming van de in het tweede lid
                            neergelegde criteria. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast welke methode wordt gehanteerd om de loonwaarde
                            van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende minimumeisen in acht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de methode bevat richtlijnen op grond waarvan de prestatie van de
                            werknemer wordt bepaald;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de methode is transparant, betrouwbaar en inzichtelijk beschreven,
                            en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast of en zo ja welke externe organisatie adviseert
                            met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De
                            externe organisatie neemt daarbij de in artikel 2 lid 1 omschreven
                            methode in acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt het bepaalde in artikel 2, lid 1 tot en met 3, af met
                            de partners die betrokken zijn bij het Werkbedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening</al><al> loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Heerhugowaard
                                2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 16 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage bij artikel 2 - wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast over de methode van de loonwaarde meting.
                    De loonwaarde wordt door de gemeente in samenspraak met de werkgever op de
                    werkplek vastgesteld. Het college maakt bij bepaling van de loonwaarde gebruik
                    van een landelijk getoetst systeem waardoor transparantie over de totstandkoming
                    van de loonwaarde geborgd is. Het mag niet zo zijn dat de loonwaarde afhankelijk
                    is van degene die hem vaststelt.</al><al/><al>Binnen het regionale Werkbedrijf worden afspraken gemaakt over de minimumeisen
                    waaraan een methode ter bepaling van de loonwaarde moet voldoen. Als de
                    afspraken over minimumeisen binnen het Werkbedrijf niet of niet tijdig voor de
                    inwerkingtreding van de Participatiewet tot stand zijn gekomen, worden de
                    minimumeisen gevolgd die de regering in lagere regelgeving heeft
                    vastgelegd.</al><al/><al>Er komt een Algemene Maatregel van Bestuur (Amvb) waarin de minimumeisen van de
                    loonwaardebepaling staan beschreven (in lijn met hierboven weergegeven eisen).
                    In deze Amvb komt onder andere te staan dat de loonwaardebepaling op de werkplek
                    moet plaatsvinden en dat er ruimte moet zijn voor inbreng van de werkgever. De
                    afgegeven loonwaardebepaling is bindend.</al><al/><al>De te hanteren loonwaardemethodiek voldoet aan de volgende wettelijke
                    eisen:</al><lijst><li nr="-"><al>De loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde bepaalt;</al></li><li nr="-"><al>Het is transparant hoe de loonwaarde tot stand is gekomen;</al></li><li nr="-"><al>De methode is inzichtelijk beschreven; </al></li><li nr="-"><al>De methode is betrouwbaar;</al></li><li nr="-"><al>De methode bevat richtlijnen om te komen tot de loonwaarde van een
                            werknemer op een werkplek, die de prestatie van de werknemer weergeeft;
                        </al></li></lijst><al>De werkwijze van deze methodiek bestaat uit de volgende kenmerken:</al><lijst><li nr="-"><al>De loonwaarde wordt gemeten op de werkplek tijdens de proefplaatsing;
                        </al></li><li nr="-"><al>De loonwaardemeting wordt uitgevoerd door een onafhankelijk
                            deskundige;</al></li><li nr="-"><al>De loonwaardemeting analyseert de mogelijkheden van de betrokkene en de
                            vraag van de werkgever op basis van competenties, vaardigheden en
                            functiespecifieke activiteiten.</al></li><li nr="-"><al>Zowel de werkgever als de werknemer worden betrokken bij de
                            loonwaardemeting;</al></li><li nr="-"><al>De loonwaardemeting geeft zowel inzicht in de mate van productiviteit
                            van de betrokkene als de begeleidingsbehoefte;</al></li><li nr="-"><al>De uitkomst van de loonwaardemeting geeft een advies over de hoogte van
                            het percentage van de loonsom dat voor subsidie in aanmerking komt.
                        </al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort, en</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al><al/></li></lijst><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij
                    met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al/><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor
                    is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen.</al><al/><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al><al/><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan uitsluitend
                    worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                    loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor
                    een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente
                    werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken
                    II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet zijn vanzelfsprekend ook van
                    toepassing op deze verordening. Hiervan zijn in deze verordening daarom geen
                    begripsomschrijvingen opgenomen. Voor de duidelijkheid zijn een aantal
                    belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
                            Participatiewet): personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel a, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                            staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben;</al></li><li nr="-"><al>loonwaarde (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, Participatiewet):
                            vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een
                            persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                            arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die
                            functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                            ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al></li><li nr="-"><al>dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f Participatiewet):
                            een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking.</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35,
                            vierde lid, onderdeel b, en36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk
                            en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                    wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al/><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan
                    het college zich eventueel laten adviseren door een derde partij. Het college
                    draagt dan personen voor die zouden kunnen behoren tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie bij deze derde partij en neemt daarbij eveneens de in het
                    tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het
                    college of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. Het college kan
                    zich laten adviseren door een derde partij met betrekking tot de vaststelling
                    van de loonwaarde van een persoon (artikel 2, tweede lid, van deze verordening).
                    De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen
                    zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep
                    kunnen instellen. </al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie
                    aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>