<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341425_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening gemeente Oost Gelre</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-88905.html">www.officielebekendmakingen.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening gemeente Oost Gelre</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-10-2014/15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening gemeente Oost Gelre</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oost Gelre;</al><al>gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 9
                        september 2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op artikel artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente
                            Oost Gelre</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="2."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>verdienvermogen: de capaciteit om arbeid te verrichten en
                                    daarmee inkomsten te verwerven, uitgedrukt in een percentage van
                                    het Wettelijk Minimum Loon.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de in deze verordening opgenomen voorzieningen
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kiest bij het aanbieden van een voorziening voor
                                maatwerk: afhankelijk van het ‘verdienvermogen’ van de persoon wordt
                                het in te zetten instrumentarium bepaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening rekening met
                                de omstandigheden en eventuele functionele beperkingen van een
                                persoon. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in ieder geval
                                het oordeel van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen,
                                waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval
                                kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                werkervaringplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringplaats is het opdoen van werkervaring,
                                het leren functioneren in een arbeidsrelatie of het behouden van
                                arbeidsritme. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing van betaalde arbeid plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkervaringplaats, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als dit
                                naar het oordeel van het college bij kan dragen aan de
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Detacheringbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep toeleiden
                                naar een dienstverband gericht op detachering bij een derde
                                partij.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt vanuit dat dienstverband voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de
                                werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De scholing moet passen bij de capaciteiten van de persoon en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>duidelijk arbeidsmarktrelevant zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Taaltraject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan dit instument inzetten om een persoon uit de
                                    doelgroep te ondersteunen bij het behalen van de beheersing van
                                    de Nederlandse taal op minimaal het niveau als bedoeld in
                                    artikel 18b, lid 8 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, lid 3, onderdeel a, van de wet</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt voor welke personen uit de doelgroep advies
                                wordt ingewonnen bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                                een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                                tot arbeidsparticipatie hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het college noodzakelijke
                                ondersteunende voorzieningen inzetten zoals fysieke aanpassingen van
                                de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening persoonlijke ondersteuning aanbieden
                                aan een persoon uit de doelgroep die zonder ondersteuning de aan hem
                                opgedragen werkzaamheden niet kan verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze waarop, de tijdsduur en de mate waarin de persoonlijke
                                ondersteuning plaatsvindt, wordt door het college nader uitgewerkt
                                in beleidsregels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Loonkostensubsidie duurzame uitstroom</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van werkzoekenden die niet tot de
                                doelgroep van artikel 7, eerste lid onderdeel a behoren, een
                                loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die met de
                                werkzoekende</al><lijst><li nr="a."><al>een uitkeringbeëindigende arbeidsovereenkomst sluit en</al></li><li nr="b."><al>die overeenkomst voor tenminste zes maanden wordt aangegaan
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt individueel bepaald, maar bedraagt ten
                                hoogste 50% van het wettelijk minimumloon per maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt voor de duur van zes maanden verstrekt,
                                maar kan met een periode van maximaal zes maanden worden verlengd
                                als daartoe naar het oordeel van het college aanleiding
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing van niet gesubsidieerde arbeid plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond
                                van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Stimuleringspremies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand een premie verstrekken als bedoeld in artikel 31
                                lid 2, sub j om daarmee de uitstroom uit de uitkering te stimuleren.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt – als tot verstrekking van premies bedoeld in het
                                eerste lid wordt overgegaan – bij uitvoeringsbesluit nadere regels
                                met betrekking tot de activiteiten die voor een premie in aanmerking
                                komen, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze
                                wordt toegekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand, vastgesteld in de
                                raadsvergadering van 6 maart 2007, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beschikkingen waarin een voorziening is toegekend, verstrekt vóór 1
                                januari 2015, blijven geldig tot uiterlijk 31 december 2015, tenzij
                                de beschikking is verstrekt voor een kortere periode. Op deze
                                beschikkingen blijft de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid bedoelde periode
                                besluiten of een voorziening op basis van de
                                Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Oost Gelre wordt
                                voortgezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet gemeente Oost Gelre.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 14 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Oost Gelre,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>raadsgriffier, J. Vinke</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter, A. Bronsvoort</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
                    </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                    betreft personen:</al><lijst><li nr="-"><al>met een algemene bijstanduitkering;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen
                            b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                            nabestaandenwet (ANW);</al></li><li nr="-"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw);</al></li><li nr="-"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);</al></li><li nr="-"><al>zonder uitkering;</al></li></lijst><al>die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen
                    vastleggen, daarbij rekening houdend met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. </al><al>Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                    voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Indeling in groepen, gerelateerd aan het ‘verdienvermogen’</tussenkop><al>De inwoners die door ons moeten worden ondersteund bij het vinden van werk zijn
                    onderverdeeld in vier doelgroepen. Een belangrijk criterium daarbij is ’het
                    verdienvermogen’. De hieronder genoemde percentages van het wettelijk minimum
                    loon (WML) beschouwen wij overigens niet als harde grenzen, maar als
                    richtinggevend voor de afwegingen op individueel niveau. In het schema wordt per
                    subgroep op hoofdlijnen weergegeven welke dienstverlening nodig is.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Groep 1 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Direct bemiddelbaar</vet></al><al>Structurele verdiencapaciteit &gt; 100% Wettelijk Minimum
                                        Loon</al></entry><entry colname="col3"><al>Deze groep wordt via de kortste weg aan het werk geholpen.
                                        De re-integratiedienstverlening aan de groep is minimaal,
                                        wij gaan er van uit dat deze groep snel op eigen kracht aan
                                        regulier werk kan komen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Groep 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bemiddelbaar met tijdelijke ondersteuning</vet></al><al>Tijdelijke verdiencapaciteit &lt;100% Wettelijk Minimum Loon
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Deze groep heeft een steuntje in de rug nodig om uit te
                                        kunnen stromen naar regulier werk. Hiervoor worden korte
                                        scholing en/of tijdelijke werkervaringplaatsen (met behoud
                                        van uitkering of met tijdelijke loonkostensubsidie) ingezet.
                                    </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Groep 3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bemiddelbaar met langdurige ondersteuning</vet></al><al>Structurele verdiencapaciteit 20-100% Wettelijk Minimum
                                        Loon</al></entry><entry colname="col3"><al>Voor deze groep is het belangrijk om de belemmeringen die
                                        iemand heeft om aan het werk te komen zo snel mogelijk weg
                                        te nemen. Het uitgangspunt bij de inzet van
                                        loonkostensubsidie is dat de inzet op klantniveau minimaal
                                        kostendekkend moet zijn. Wanneer het niet kostendekkend is,
                                        richten wij ons op participatie zonder loonvormende arbeid.
                                        Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de sociale netwerken
                                        in de woonomgeving. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Groep 4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Permanent niet bemiddelbaar</vet></al><al>Structurele verdiencapaciteit </al><al>&lt; 20% Wettelijk Minimum Loon (zonder indicatie “Beschut
                                        werken”)</al></entry><entry colname="col3"><al>Deze groep ontvangt langdurig een uitkering. Er is geen
                                        mogelijkheid tot instroom in reguliere arbeid. Voor
                                        maatschappelijke participatie is deze groep aangewezen op
                                        een zogenoemd zorgtraject of sociale activering. Deze
                                        ondersteuning vergt een integrale aanpak over de volledige
                                        breedte van het sociale domein. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel 7),
                    beschut werk (artikel 9), persoonlijke ondersteuning (artikel 10), no-riskpolis
                    (artikel 11) en loonkostensubsidie (artikel 12). </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. </al><al>Met omstandigheden wordt gedoeld op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid
                    dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de
                    voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het college zendt periodiek een verslag over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid. Dit verslag moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.
                    Dit is geregeld in artikel 2, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                    werk).</al><tussenkop>Beëindiginggronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                    geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7,
                    eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een
                    uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a,
                    vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde
                    lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden totdat gedurende twee
                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon wordt ontvangen en ten behoeve
                    van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                    teruggevorderd.<sup/> Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 4. Werkervaringplaats</tussenkop><al>Een werkervaringplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij
                    een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst
                    de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al><cursief>Een werkervaringplaats is gericht op uitbreiden kennis en
                        ervaring</cursief> De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages (lees:
                    werkervaringplaatsen) weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                    arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en
                    ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringplaats in de regel
                    geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte
                    vergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden
                    gegeven, mits er sprake is van een vergoeding van daadwerkelijk gemaakte
                    kosten.</al><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkervaringplaats</cursief> Het college kan een
                    persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringplaats aanbieden voor zover
                    hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Wij kiezen bewust niet voor verdere
                    differentiatie om het leveren van maatwerk niet te frustreren.</al><tussenkop>Doel van de werkervaringplaats</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                    werkervaringplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                    geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                    afdwingt.</al><al>De werkervaringplaats kan meerdere doelen hebben. Het kan gaan om het opdoen van
                    specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’,
                    waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als
                    passend kan worden beschouwd. </al><al>Het kan ook gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. Op de
                    werkervaringplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen,
                    werkritme en samenwerken met collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierdelid is bepaald dat voor de werkervaringplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de werkervaring
                    worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst wordt nog eens gewaarborgd dat het niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkervaringplaats uitsluitend wordt ingezet
                    als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Een bestaande vacature
                    mag nooit worden gecompenseerd met een werkervaringplaats.</al><tussenkop>Artikel 5. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip sociale
                        activering</cursief> Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief> Het college kan aan een persoon
                    die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover naar het oordeel van het college de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.</al><al>Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk
                    is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan
                    het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                    arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te
                    verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering.<sup/></al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Ook hierbij geldt
                    dat maatwerk geleverd dient te worden.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Het college ziet erop toe dat de aangeboden activiteit niet leidt tot
                    verdringing van betaalde werkzaamheden. Dit wordt getoetst op het niveau van de
                    organisatie waar iemand is geplaatst. Concreet betekent dit dat het onder meer
                    moet gaan om werkzaamheden waarvoor binnen dezelfde organisatie niet wordt
                    betaald, waarvoor geen vacatures open staan en dat het gaat om activiteiten die
                    al geruime tijd niet meer betaald worden binnen die organisatie.</al><tussenkop>Artikel 6. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. In het derde lid
                    wordt gesproken over concurrentieverhoudingen en verdringing op de arbeidsmarkt.
                    Tussen werkgever en inlener zullen gedegen, marktconforme, prijsafspraken
                    gemaakt moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 7. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                    mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                    sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                    arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).
                        [<cursief>Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                    lid.</cursief>]</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.<sup/>
                    Er is gekozen voor een premie van telkens € 100 per zes maanden.</al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    in dienst neemt.</al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Het
                    college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies
                    inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft. </al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup/></al><tussenkop>Dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup/></al><al>In het derde lid van artikel 9 is vastgelegd welke voorzieningen voor
                    arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken
                    .</al><al>Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente
                    gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere
                    reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<sup/></al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 10 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                    zijn.<sup/>]</al><al>Nadere uitwerking hiervan vindt plaats in door het college op te stellen
                    beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 11. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg
                    te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis
                    zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer
                    een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. </al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het tweede lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort tot
                    de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening). Een werkgever komt niet in
                    aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                    toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). Ook
                    ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt overeenkomstig de polisvoorwaarden in 2014: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer en 15% boven die dekking voor extra
                            werkgeverslasten;</al></li><li nr="-"><al>de wettelijke overlijdensuitkering aan de nabestaande(n) indien de
                            werknemer door ziekte of ongeval komt te overlijden.</al></li></lijst><al>Op basis van nieuwe onderhandelingen kan de hoogte van de vergoeding
                    wijzigen.</al><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De gemeente sluit ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering af. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de
                    begunstigde (derde lid).</al><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis – al naar gelang de door het college te
                    bepalen noodzaak – gedurende 6, 12 of 24 maanden (maatwerk) na indiensttreding
                    van de werknemer bij de werkgever. </al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 12. Loonkostensubsidie duurzame uitstroom</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen.</al><al>De in dit artikel geregelde loonkostensubsidie is een andere dan de
                    loonkostensubsidie bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De
                    laatste is in de Participatiewet gekomen via de Invoeringswet Participatiewet en
                    is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. </al><al>De in artikel 12 van de verordening opgenomen loonkostensubsidie is niet
                    noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt
                    werkzoekenden die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn.</al><tussenkop>CompensatieHet doel van de loonkostensubsidie is het bieden van
                    compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk
                    minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten
                    volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever
                    verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en
                    zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. </tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Stimuleringspremies</tussenkop><al>Als dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling,
                    kan het college aan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene
                    bijstand een premie verstrekken. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit nadere
                    regels met betrekking tot de activiteiten die voor een premie in aanmerking
                    komen, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze wordt
                    toegekend.</al><al>Een dergelijke premie wordt (artikel 31 lid 2, sub j Participatiewet) niet tot
                    de middelen van de belanghebbende gerekend. De premie mag ten hoogste € 2.312,00
                    per kalenderjaar bedragen.</al><tussenkop>Artikel 15. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. </al><al>Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 135,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is toegekend.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand. Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Reïntegratieverordening Wet
                    werk en bijstand of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12
                    maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers
                    niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>