<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341400_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 04-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3, art. 2.1.4 lid 1, 2, 3 en 7, art. 2.1.5 lid 1, art. 2.1.6, art. 2.6.6 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 156</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe Regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/10-12</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 30 oktober 2014, kenmerk
                        2014/10-12</al><al>De raad van de gemeente West Maas en Waal;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        23 september 2014, kenmerk 2.1.4,</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende
                        lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid,en 2.6.6, eerste lid,
                        van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,</al><al>gelet op artikel 156 van de Gemeentewet,</al><al>gezien het advies van de Wmo-adviesraad,</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>“Verordening maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2015”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                    speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die algemeen
                                    verkrijgbaar is en die niet (veel) duurder is dan vergelijkbare
                                    producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="-"><al>college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                                    West Maas en Waal;</al></li><li nr="-"><al>hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de cliënt zijn vast woon- en
                                    verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de
                                    Basisregistratie Personen ingeschreven staat of zal staan (en
                                    indien de cliënt in de Basisregistratie Personen met een
                                    postadres ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk
                                    woonadres);</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>maatwerkvoorziening: individuele voorziening die is afgestemd op
                                    de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een
                                    persoon, niet zijnde een algemeen gebruikelijke voorziening of
                                    voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere
                                    voorziening waarmee voldoende aan de hulpvraag wordt
                                    tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met
                            2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met
                            de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening
                            voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
                            aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op
                                        eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                        hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                        of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een
                                        passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin
                                        de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                        participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving
                                        kan blijven,en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten,
                                        al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als
                                        gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze
                                        problemen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                        kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp
                                        van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                        gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                        wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                        met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek,
                                        een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de
                                        cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren
                                        van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo
                                        zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven, </al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen; </al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of </al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                        oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                        maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover de
                                cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura en/of
                                als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen
                                de beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover
                                in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het
                                maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de
                                aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding
                                voor onderhoud en verzekering. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een cliënt ten behoeve van wie een pgb wordt verstrekt, kan
                                diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief betrekken van
                                een persoon die behoort tot het sociale netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn
                                        diensten dan het door het college in het Besluit
                                        vastgestelde tarief;</al></li><li nr="b."><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb
                                        worden betaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels op over de wijze waarop de hoogte
                                van een pgb wordt vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                                algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het
                                        inkomen en vermogen van de cliënt en zijn (fiscale)
                                        partner.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is; en</al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten
                                        behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is
                                        verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder
                                        begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van
                                        het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en
                                        degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, de bijdragen voor een
                                        maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening, dan wel persoonsgebonden
                                budget, niet zijnde beschermd wonen of opvang, bestaat indien de
                                cliënt geen hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente West
                                Maas en Waal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden
                                geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van een
                                maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud, dan
                                wel slechts strekt ter renovatie van de woning of deze in
                                overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de
                                woning mogen worden gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet,
                                zorgt ervoor dat onderzoek wordt gedaan naar de calamiteiten en
                                geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van
                                verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.]</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en</al></li><li nr="e."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie
                                            tot de zwaarte van de functie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al></li></lijst></li></lijst><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
                                2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;
                                3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4<sup>o</sup><sup>. </sup>verplichte deelname in bepaalde
                            samenwerkingsverbanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op een
                                onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst cliënten erop dat zij zich desgewenst kunnen laten
                                bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van de volgende
                                voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding;</al></li><li nr="-"><al>kortdurend verblijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                            geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning, gemeente West Maas en Waal’ wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de ‘Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning, gemeente West Maas en Waal’, totdat het college een
                                nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                                voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening individuele
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente West Maas en
                                Waal’ en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van
                                deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ‘Verordening
                                individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gemeente
                                West Maas en Waal’, wordt beslist met inachtneming van die
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het in lid 3 en lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt
                                worden afgeweken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. G.E.M. Gieling Th.A.M. Steenkamp</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal
                        2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>Er dient een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om:</al><lijst><li nr="-"><al>de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten
                            helder te krijgen, </al></li><li nr="-"><al>te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                            mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk of door het verrichten
                            van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                            zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, </al></li><li nr="-"><al>te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening
                            kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is of dat
                            volstaan kan worden met een voorliggende voorziening of met een andere
                            voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. </al></li></lijst><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure in hoofdlijnen
                    vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een
                    zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke
                    procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist
                    eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel uitvoeringsbevoegdheden bij het
                    college. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de wijze waarop het gesprek met de cliënt
                    wordt gevoerd en het verslag hiervan wordt opgesteld. Het college zal deze
                    verordening verder uitwerken in beleids- en uitvoeringsregels waarin dit soort
                    zaken verder worden geregeld. </al><al>De daadwerkelijke uitvoering hiervan zal namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige professionals. Waar in deze verordening en in de wet
                    ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan
                    ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van
                    de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling
                    van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een
                    aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1.
                    Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het
                    college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten
                    mandateren.</al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de
                    artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en
                    2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; </al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6,
                    eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid,
                    2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn (fiscale) partner;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Een algemeen gebruikelijke voorzieningis bijvoorbeeld een elektrische
                    fiets. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet
                    gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook
                    de wettelijke definitie hieronder.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening, zoals van een ‘aanbieder’, ‘algemene voorziening’, ‘begeleiding’ of
                    ‘cliënt’. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ en ‘beschikking’. </al><tussenkop>Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning </tussenkop><al>Het college stelt nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden
                    om tot een maatwerkvoorziening te komen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het te
                    voeren keukentafelgesprek, de verslaglegging daarvan en de cliëntondersteuning.
                    Aangezien dit in onze optiek uitvoeringszaken betreft, hebben we ervoor gekozen
                    dit in beleids- en uitvoeringsregels vast te leggen en de verordening te
                    beperken tot de hoofdlijnen. </al><tussenkop>Artikel 3.Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al>In lid 2 is geregeld dat technische voorzieningen – meestal hulpmiddelen –
                    slechts worden vervangen op grond van deze verordening als deze voorzieningen
                    zijn afgeschreven. Onder a, b en c zijn de uitzonderingsgronden geregeld. De
                    onder b bedoelde ´veroorzaakte kosten´ hebben betrekking op de extra kosten van
                    de voorziening ten opzichte van de oude voorziening. De onder c bedoelde
                    oplossing heeft betrekking op een gewijzigde hulpvraag van de cliënt,
                    bijvoorbeeld ten gevolg van de ontwikkeling van een cliënt of diens
                    omstandigheden. </al><al>In lid 3 is opgenomen dat het college de goedkoopst adequate voorziening
                    vergoed. Per voorziening wordt bepaald aan welke eisen de maatwerkvoorziening
                    moet voldoen, zodat voorzien wordt in ´maatwerk´. De goedkoopste voorziening
                    wordt vervolgens vergoed. </al><al>Ten opzichte van de modelverordening van de VNG hebben wij lid 5 toegevoegd. De
                    Wmo 2015 kent in tegenstelling tot de Wmo 2007 geen specifieke bepaling waarin
                    het college geen maatwerkvoorziening hoeft te verlenen. Maar waarom zou het
                    college gehouden zijn een maatwerkvoorziening te verlenen als een andere
                    wettelijke aanspraak kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning? Daarom is het advies in de verordening door middel van lid 4 een
                    weigeringsgrond opgenomen analoog aan artikel 2 Wmo 2007.</al><tussenkop>Artikel 4. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een persoonsgebonden budget, al dan niet in combinatie met een
                    maatwerkvoorziening in natura. </al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</al><al>Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop
                    een voorziening technisch is afgeschreven.</al><al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                    immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie
                    artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald
                    datde bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld
                    en voor de gemeente geïnd door het CAK.</al><tussenkop>Artikel 5. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al>Het derde tot en met vijfde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b,
                    van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op
                    welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte
                    toereikend moet zijn. Per voorziening wordt dan bepaald aan welke eisen de
                    maatwerkvoorziening moet voldoen en de goedkoopste voorziening – die voorziet in
                    de gestelde eisen – wordt dan als uitgangspunt gehanteerd om de hoogte van het
                    pgb te bepalen. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb
                    niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente
                    verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. </al><al>Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in
                    de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor
                    verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld
                    onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                    netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en
                    hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s
                    e.d.). In verordening is vastgelegd dat voor inzet van personen uit het sociaal
                    netwerk in ieder geval een lager tarief geldt. Het college zal hiervoor nadere
                    regels opstellen. </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><tussenkop>Artikel 6. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><tussenkop>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met
                    derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. De wet maakt een
                    onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en
                    maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag
                    de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding
                    van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat
                    hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid
                    te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt
                    verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                    beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal
                    sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Voor cliëntondersteuning mag overigens geen
                    eigen bijdrage worden gevraagd; dit moet gratis door de gemeente worden
                    aangeboden (artikel 2.3.2, derde lid). </tussenkop><tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</tussenkop><tussenkop>Artikel 7. Weigeringsgronden</tussenkop><al>Dit artikel hebben wij ten opzichte van de VNG-modelverordening toegevoegd,
                    zodat expliciet duidelijk wordt wat de weigeringsgronden zijn voor de toekenning
                    van een maatwerkvoorziening. </al><al>In lid 1 wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf heeft in de
                    gemeente, geen aanspraak op heeft op een maatwerkvoorziening of pgb. Voor het
                    bieden van beschermd wonen of opvang geldt deze eis strikt genomen niet. </al><al>Wat betreft lid 2: aan deze afwijzingsgronden ligt de eigen verantwoordelijkheid
                    ten grondslag. De cliënt is zelf verantwoordelijk om zaken als achterstallig
                    onderhoud aan diens woning zelf op te lossen of, in geval van een huurwoning, de
                    verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. </al><tussenkop>Artikel 8. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de plicht in artikel 2.1.3, tweede lid,
                    onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen,
                    eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                        begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 9. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. </al><tussenkop>Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de plicht in artikel 2.1.3, vierde lid,
                    van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden
                    gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen. Omdat
                    het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug
                    te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking
                        komt<cursief>.</cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening (geleverd in natura) en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient
                    in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten
                    en de arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 13. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht.
                    Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in
                    het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten
                    van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de
                    Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook
                    het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman
                    te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de
                    eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.</al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                    verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een
                    regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de
                    wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><tussenkop>Artikel 14. Vertrouwenspersoon</tussenkop><al>Dit artikel hebben wij toegevoegd ten opzichte van de modelverordening van de
                    VNG; hiervoor bestaat dus geen wettelijke verplichting. We hebben hiervoor
                    gekozen, omdat de verordening voor Jeugdhulp een soortgelijk artikel bevat. Ook
                    cliënten die een beroep doen op de Wmo willen wij in staat stellen een
                    vertrouwenspersoon in te schakelen, omdat ook zij – net als jeugdigen – een
                    kwetsbare positie verkeren, waarvan anderen misbruik zouden kunnen maken. </al><tussenkop>Artikel 15. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien
                    van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over
                    voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 16. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al>Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>Artikel 17. Evaluatie</tussenkop><al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie
                    artikel 7.10 van de wet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde
                    gegevens benutten. De wet verplicht de gemeente niet tot een dergelijke
                    evaluatie, maar omwille van – zo nodig – kwaliteitsverbetering vinden we het
                    gewenst de verordening periodiek te evalueren, als basis voor een eventuele
                    bijstelling. Gekozen is voor een periode van 2 jaar omdat dan een evenwichtig en
                    duidelijk beeld gevormd kan worden van de uitwerking van de verordening.
                    Bovendien sluit de periode van 2 jaar aan bij de duur van het beleidsplan, zodat
                    beiden gelijktijdig kunnen worden geëvalueerd.</al><tussenkop>Artikel 18. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald
                    dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Omdat lid 3 en 4 nadelige
                    gevolgen kan hebben voor de cliënt wordt door toevoeging van lid 5 bepaald dat
                    de vorige verordening gebruikt mag worden als blijkt dat dit evident voordeliger
                    is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt gedupeerd is als zijn
                    aanvraag enige tijd in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het
                    tijdsverloop wordt aangetast. Hetzelfde geldt voor de bezwaarfase.</al><al>Overigens bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ-cliënten die overgaan naar
                    de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4
                    van de wet). </al><tussenkop>Artikel 19. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Wij kunnen niet alles voorzien. Er kunnen zich situaties voordoen waarin deze
                    verordening niet voorziet. Ook kunnen zich situaties voordoen waarin we – met
                    redenen omkleedt – van deze verordening willen afwijken. Dit artikel geeft het
                    college de ruimte zo nodig af te wijken. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>