<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341367_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Oost Gelre</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oost Gelre</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officiëlebekendmaking</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Oost Gelre</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-10-2014/15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Oost Gelre</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oost Gelre;</al><al>gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 9
                        september 2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onder d, en 60b, van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                            recidive gemeente Oost Gelre</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="-"><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                    diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                    uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
                                    vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Oost Gelre.</al></li><li nr="-"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid,
                                    van de Participatiewet;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 2
                            of 3, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a,
                                eerste lid, van de Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien en voor zover deze
                                boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de
                                recidiveboete.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. De Verordening
                            verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013, vastgesteld in de
                            vergadering van 16 april 2013, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive gemeente Oost Gelre.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 14 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Oost Gelre,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>raadsgriffier, J. Vinke</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter, A. Bronsvoort</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Wet werk en bijstand, per 1
                            januari 2015 de Participatiewet, introduceert deze wet de bestuurlijke
                            boete bij een schending van de inlichtingenplicht. Het college van
                            burgemeester en wethouders(verder college) is verplicht de bestuurlijke
                            boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze
                            verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen
                            worden. Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan
                            kan het college besluiten gedurende maximaal drie maanden met de
                            beslagvrije voet te verrekenen.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere
                            regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk
                            buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete.</al><al>Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties
                            of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                            voet niet proportioneel wordt geacht. In deze verordening is gekozen
                            voor een middenweg. Enerzijds is uiting gegeven aan het uitgangspunt dat
                            fraude niet mag lonen, anderzijds is rekening gehouden met de zorgplicht
                            van gemeenten.</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al
                            dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de
                            recidiveboete. Daar waar terugvordering en invordering niet door de
                            wetgever is verplicht, blijft sprake van een bevoegdheid van het
                            college. Hiervoor stelt het college per 1 januari 2015 regelingen
                            op.</al><al><vet>Pseudoverrekening</vet></al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                            verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete
                            te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                            aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens
                            de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de
                            uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek.</al><al>Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de
                            belanghebbende het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de
                            beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van
                            de Participatiewet is geregeld dat het college die de uitkering
                            verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                            tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de
                            beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen
                            gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meesten
                            behoeven geen nadere toelichting.</al><al><cursief>Bezit </cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij
                            om (de waarde van) alle bezittingenwaarover een belanghebbende
                            of diens gezinsleden beschikken of redelijkerwijs </al><al>kunnen beschikken.Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld
                            als op geld waardeerbare </al><al>goederen.Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening
                            wordt gebruikt, gaat het nadrukkelijk </al><al>niet om vermogenals bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet. Eventueel aanwezige </al><al>schulden spelen immers geen rolen worden dus ook niet op het
                            bezit in mindering gebracht.</al><al>Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet
                            zijn hier niet van toepassing. </al><al>Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de
                            beslagvrije voet zonder </al><al>inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of
                            redelijkerwijs kan </al><al>beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van
                            het bestaan te </al><al>kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende
                            en zijn gezin </al><al>bewoonde (eigen) woning.</al><al><cursief>Verrekenen</cursief></al><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek
                            van </al><al>Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                            begripsbepaling </al><al>opgenomen in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                            beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden
                            als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te
                            kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze
                            verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de
                            bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan
                            beschikken), ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm
                            bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze bezittingen,
                            zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen worden.</al><al>Een voorbeeld ter illustratie.</al><al><cursief>Wanneer een alleenstaande op zijn bankrekening(-en) een
                                positief saldo heeft van € 2.500,--zonder rekening te houden met
                                eventuele schulden, is zijn bezit meer dan driemaal de voor hem
                                toepasselijke bijstandsnorm van € 800,--. De recidiveboete wordt
                                verrekend zonder inachtneming van de beslagvrije
                            voet.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                            maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen
                            overbruggen, dan verrekent het college slechts één maand zonder
                            inachtneming van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt
                            weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet
                            volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte
                            van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                            invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                            wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van
                            de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel
                            19, eerste lid, van de Invorderingswet1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                            fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                            herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden.</al><al>Daar mag een duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt
                            rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten
                            werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan
                            kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen
                            worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van
                            artikel 31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden
                            vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een
                            recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter
                            gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing
                            bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over voldoende
                            inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                            inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening
                            met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties
                            komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele
                            omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking
                            van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                            volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                            belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een
                            belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu
                            dit de problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke
                            kosten van dien. Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening
                            gezien als een dringende reden om van verrekening met de beslagvrije
                            voet af te zien. Dat volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b.
                            Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                            huisuitzetting, kan het college rekening houden met de bescherming van
                            de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat
                            slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                            waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele
                            andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende
                            door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te
                            voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van
                            dringende redenen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de
                            bevoegdheid om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing
                            is op eerder opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van
                            verrekening van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn
                            betaald. Mocht het college die eerdere, nog openstaande boetes gaan
                            verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening
                            van overeenkomstige toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Deze verordening biedt de mogelijkheid om rekening te houden met de
                            situatie van belanghebbende bij het verrekenen van de bestuurlijke
                            boete. Mocht zich een situatie voordoen waarin het onverkort toepassen
                            van hetgeen in deze verordening is bepaald tot onredelijkheid of
                            onbillijkheid leidt, dan kan het college ten gunsten van belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>