<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>341241_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp Leiderdorp 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leiderdorp</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-11-10</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp Leiderdorp 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-12-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Leiderdorp</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9
                        oktober 2014</al><al>gelet op de artikelen 2.2, 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, lid 4, van de
                        Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van het Politiek forum van 6 oktober 2014;</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; </al><al>overwegende dat het “Regionaal Beleidsplan transitie jeugdzorg Holland
                        Rijnland, Hart voor de Jeugd”, versie Leiderdorp is vastgesteld op 10 maart
                        2014;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al></al><al>De Verordening Jeugdhulp Leiderdorp 2015.</al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><enig-artikel><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
                        </onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen </vet></al><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt (mede) verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Beleidsplan Hart voor de Jeugd: Regionaal Beleidsplan Transitie
                                Jeugdzorg Holland Rijnland, versie Leiderdorp.</al></li><li nr="b."><al>andere jeugdhulpvoorziening: voorziening niet vallend onder de
                                Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="c."><al>het college: college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>jeugdhulpvraag: behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp
                                in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische
                                problemen, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen
                                en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de
                                Jeugdwet;</al></li><li nr="e."><al>individuele jeugdhulpvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders
                                toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of
                                bij pgb wordt toegekend en verstrekt; </al></li><li nr="f."><al>gezinsplan: hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                Jeugdwet;</al></li><li nr="g."><al>vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen: overige voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarvoor geen
                                beschikking van het college vereist is;</al></li><li nr="h."><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die in
                                de vorm van een individuele voorziening is toegekend van derden te
                                betrekken;</al></li><li nr="i."><al>jeugd- en gezinsteam: een multidisciplinair team van ambulant
                                jeugdhulpverleners. </al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2 Jeugd- en gezinsteam</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor een jeugd- en gezinsteam, bij het
                                Centrum voor Jeugd en Gezin. </al></li><li nr="2."><al>Het jeugd- en gezinsteam geeft consultatie en advies,
                                basisdiagnostiek, ambulante jeugdhulp en zorgcoördinatie bij
                                jeugdhulpvragen.</al></li><li nr="3."><al>De daartoe door het college gemandateerde jeugdhulpverlener van het
                                jeugd- en gezinsteam biedt toegang tot individuele
                                jeugdhulpvoorzieningen.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 2. Vrij toegankelijke en individuele
                                jeugdhulpvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3 Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder de vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening vallen </al><al>- basisvoorzieningen voor jeugdigen en/of ouders (pijler 2
                                Beleidsplan Hart voor de Jeugd), hieronder vallen in ieder geval de
                                jeugdgezondheidszorg en de preventieve activiteiten van het Centrum
                                voor Jeugd en Gezin;</al><al>- het jeugd- en gezinsteam (pijler 3 Beleidsplan Hart voor de
                                jeugd).</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college heeft de bevoegdheid de in lid 1 genoemde vrij
                                toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen in nadere regels te
                                specificeren.</al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder de individuele jeugdhulpvoorzieningen vallen specialistische
                                jeugdhulpvoorzieningen (pijler 4 Beleidsplan Hart voor de jeugd).
                                Hieronder vallen in ieder geval:</al><al>- generalistische Basis GGZ Jeugd;</al><al>- specialistische GGZ Jeugd;</al><al>- gespecialiseerde jeugdhulp jeugdigen met een beperking;</al><al>- ernstige enkelvoudige dyslexie;</al><al>- 24 uurs zorg Jeugd- en Opvoedhulp;</al><al>- gesloten jeugdhulp;</al><al>- jeugdbescherming;</al><al>- jeugdreclassering.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college heeft de bevoegdheid de in lid 1 genoemde individuele
                                voorzieningen in nadere regels te specificeren en/of een deel
                                daarvan als vrij toegankelijk te benoemen. <vet></vet></al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 3. Behandeling jeugdhulpvraag
                            </onderstreept></vet><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5 Voorleggen jeugdhulpvraag </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Iedere jeugdige en/of ouder die zijn woonplaats heeft in de gemeente
                                kan zich rechtstreeks met een jeugdhulpvraag richten tot het jeugd-
                                en gezinsteam. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 15 kan de huisarts, jeugdarts, medisch
                                specialist, docent/ schoolbegeleider of maatschappelijk ondersteuner
                                van de jeugdige en/of de ouders de jeugdige en/of de ouders
                                voorstellen om de jeugdhulpvraag aan het jeugd- en gezinsteam voor
                                te leggen. </al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6 Afspraak voor gesprek over jeugdhulpvraag </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het jeugd- en gezinsteam verzamelt in overleg met de jeugdige en/of
                                de ouders de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de
                                jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak
                                voor een gesprek.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het jeugd- en gezinsteam informeert de jeugdige en/of de ouders over
                                de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het jeugd- en gezinsteam en de jeugdige en/of de ouders kunnen in
                                overleg afzien van het gesprek.<vet></vet></al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 7 Inhoud gesprek</vet></al><al>In het gesprek over de jeugdhulpvraag tussen de jeugdige, de ouders en het
                        jeugd- en gezinsteam en mogelijk andere betrokkenen, kan worden gesproken
                        over:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en
                                gezinssituatie van de jeugdige; </al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige en/of de ouders om zelf of met
                                ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                jeugdhulpvraag te vinden;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op het
                                gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk
                                en inkomen, die niet onder de Jeugdwet vallen;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een vrij toegankelijke
                                jeugdhulpvoorziening, zoals genoemd in artikel 3</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om een individuele jeugdhulpvoorziening aan te
                                vragen, zoals genoemd in artikel 4;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                waarbij de jeugdige en/of de ouders worden ingelicht over de
                                gevolgen van die keuze, en </al></li><li nr="g."><al>vervolgstappen in verband met de besproken hulpvraag.</al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 8 Verslag van het gesprek </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het jeugd- en gezinsteam maakt van het gesprek een kort verslag op
                                hoofdlijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag wordt na het gesprek aan de jeugdige en/of de ouders
                                overhandigd, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.</al></li><li nr="3."><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of de ouders
                                worden aan het verslag toegevoegd.</al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 9 Inhoud van het verslag</vet></al><al>Het gespreksverslag bevat afspraken over te maken vervolgstappen in verband
                        met de besproken jeugdhulpvraag. </al><al>In de vervolgstappen wordt, indien van toepassing, aangegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>of de jeugdhulpvraag aanleiding geeft tot het opstellen van een
                                gezinsplan;</al></li><li nr="2."><al>op welke wijze een mogelijk toe te kennen individuele
                                jeugdhulpvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk
                                en inkomen, en/of</al></li><li nr="3."><al>hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid,
                                levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of
                                de ouders.</al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 10 Opstellen van het gezinsplan </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien dat in de vervolgstappen is aangegeven, stelt de jeugdige
                                en/of ouders samen met het jeugd- en gezinsteam een gezinsplan op.
                                <vet></vet></al></li><li nr="2."><al>Het gezinsplan wordt opgesteld vanuit het kader: één gezin, één
                                plan, zoals genoemd in het Beleidsplan Hart voor de jeugd.</al></li><li nr="3."><al>In het gezinsplan wordt vermeld van welke vrij toegankelijke
                                jeugdhulpvoorzieningen de jeugdige en/of de ouders gebruik gaan
                                maken en/of voor welke individuele jeugdhulpvoorzieningen de
                                jeugdige en/of de ouders een aanvraag indienen bij het college.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 4. Behandeling aanvraag individuele
                                jeugdhulpvoorziening </onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 11 Indienen aanvraag via jeugd- en gezinsteam </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Jeugdigen en/of de ouders kunnen een aanvraag voor een individuele
                                jeugdhulpvoorziening indienen bij het college, via het jeugd- en
                                gezinsteam. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De aanvraag kan mondeling of schriftelijk worden gedaan.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 8 en het gezinsplan als bedoeld
                                in artikel 10 kunnen als aanvraag gelden.</al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 12 Beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</vet></al><al>Het college besluit een individuele jeugdhulpvoorziening te verlenen voor
                        zover vaststaat dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn
                                naaste omgeving geen oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden,
                                en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn jeugdhulpvraag door, al dan niet
                                gedeeltelijk, gebruik te maken van een vrij toegankelijke
                                jeugdhulpvoorziening. </al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 13 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele
                                jeugdhulpvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de
                                voorziening in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) wordt
                                verstrekt en wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan
                                worden gemaakt.<vet></vet></al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><al>a. de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat;</al><al>b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al><al>c. de gecontracteerde aanbieder die de jeugdhulpvoorziening
                                verstrekt.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><al>a. het resultaat waarvoor het pgb kan worden aangewend;</al><al>b. de kwaliteitseisen die gelden voor de besteding van het pgb;</al><al>c. de hoogte van het pgb en hoe hiertoe is gekomen; </al><al>d. de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld en </al><al>e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of
                                zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Het college verleent in ieder geval een beschikking:</al><al>a. bij de verstrekking van een pgb;</al><al>b. bij de weigering van een aanvraag;</al><al>c. bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een beschikking
                                te ontvangen. </al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 5. Individuele jeugdhulpvoorziening via
                                pgb</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 14 Individuele jeugdhulpvoorziening via pgb</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1
                                van de Jeugdwet.</al></li><li nr="2."><al>Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze de hoogte van
                                een pgb wordt vastgesteld. </al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt bij nadere regels onder welke voorwaarden de
                                persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken
                                van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 6. Overige wijzen van toegang tot jeugdhulp
                            </onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 15 Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist
                            of jeugdarts</vet></al><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing van de
                        jeugdige en/of de ouders, door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts
                        naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder
                        van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 16 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en
                            jeugdreclassering </vet></al><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de
                                uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of</al></li><li nr="b."><al>de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de
                                inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig
                                achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die
                                de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van
                                jeugdreclassering.</al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 17 Jeugdhulp in spoedeisend geval</vet></al><al>In spoedeisende gevallen en in afwijking van artikel 11 en 12, treft het
                        college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt
                        het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk
                        6 van de Jeugdwet.</al><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 7. Overige bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 18 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige en/of
                                zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het
                                college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                jeugdhulpvoorziening. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een
                                beslissing aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><al>a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al><al>b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                jeugdhulpvoorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al><al>c. de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet meer
                                toereikend is;</al><al>d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de
                                individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb, of</al><al>e. de jeugdige of zijn ouders de individuele jeugdhulpvoorziening of
                                het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van
                                degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                                onrechte genoten individuele jeugdhulpvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></li><li nr="4."><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen een jaar na uitbetaling of binnen de
                                termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de
                                bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                                plaatsgevonden.</al></li><li nr="5."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van het
                                pgb.</al></li></lijst><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 19 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                            uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
                        </vet></al><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij
                        de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren
                        jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                        jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken; </al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie.</al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 20 Vertrouwenspersoon </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en/of ouders een beroep
                                kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                                kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 21. Inspraak en medezeggenschap</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                                kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aandragen, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 22 Klachtregeling</vet></al><al>Het college behandelt klachten van jeugdigen en/of ouders die betrekking
                        hebben op de wijze van afhandeling door of namens het college van
                        jeugdhulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig
                        de bepalingen van de vastgestelde regeling van klachtenbehandeling.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 23 Toepassen verordening en stellen nadere regels</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening
                                onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de
                                Jeugdwet opgenomen begrippen en bepalingen leidend. </al></li><li nr="2."><al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan
                                het college nadere regels stellen.</al></li><li nr="3."><al>Het college maakt nadere afspraken met de huisartsen, de medisch
                                specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de
                                verwijzing.</al></li></lijst><al><vet><cursief></cursief></vet></al><al><vet>Artikel 24 Hardheidsclausule</vet></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                        verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van
                        overwegende aard leidt.</al><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 25 Overgangsrecht </vet></al><al>Voor jeugdigen en/of hun ouders die op het moment van inwerkingtreding van
                        de Jeugdwet en deze Verordening Jeugdhulp al een verwijzing in de zin van de
                        Zorgverzekeringswet (Zvw) of een indicatiebesluit in de zin van de Algemene
                        Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Wet op de jeugdzorg (Wjz) hebben,
                        is het overgangsrecht van toepassing zoals bedoeld in artikel 10.1, 10.2 en
                        10.3 van de Jeugdwet.</al><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 27 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Leiderdorp
                        2015.</al><al></al></enig-artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van </al><al>de raad van Leiderdorp op 27 oktober 2014</al><al></al><al>de griffier,</al><al></al><al></al><al>mevrouw J.C. Zantingh</al><al></al><al></al><al>de voorzitter,</al><al></al><al></al><al>mevrouw L.M. Driessen-Jansen</al><al></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>­­­Toelichting verordening Jeugdhulp 2015 </titel></kop><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>De verordening Jeugdhulp 2015 is gebaseerd op de Jeugdwet. De volledige naam van
                    de Jeugdwet is: “Wet houdende regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid
                    voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei-
                    en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen”.</al><al></al><al>De Jeugdwet draagt bijna alle taken over de jeugdhulp rechtstreeks over aan het
                    college. Voor een aantal taken schrijft de Jeugdwet regeling bij
                    raadsverordening voor. Het gaat daarbij om de volgende onderwerpen die
                    beschreven staan in artikel 2.9, 2.12, 8.1.1 lid 4 en 12.4 van de Jeugdwet:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al><cursief>“De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van
                                het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval
                                regels:</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief></cursief><cursief>over de door het college te verlenen individuele
                                voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de
                                voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                                afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief></cursief><cursief>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning
                                van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere
                                voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning, werk en inkomen;</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief></cursief><cursief>de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden
                                budget als bedoeld in </cursief><extref doc="file:///C:/Users/ella/AppData/Local/Temp/Temp1_Jeugdwet.zip/Jeugdwet.html#Hoofdstuk8/81/Artikel811"><cursief>artikel 8.1.1</cursief></extref><cursief> wordt
                                vastgesteld, en</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief></cursief><cursief>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                                van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget,
                                alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                            wet.</cursief></al></li><li nr="6."><al><cursief>“Met het oog op gevallen waarin ten aanzien van jeugdhulp,
                                kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering </cursief><extref doc="file:///C:/Users/ella/AppData/Local/Temp/Temp1_Jeugdwet.zip/Jeugdwet.html#Hoofdstuk2/Artikel211"><cursief>artikel 2.11, eerste lid</cursief></extref><cursief>,
                                wordt toegepast, worden bij verordening regels gesteld ter
                                waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                                kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die
                                worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening
                                gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                                toepasselijke arbeidsvoorwaarden.”</cursief></al></li><li nr="7."><al><cursief>“Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de
                                persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de
                                jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het [zijn]
                                sociale netwerk.”</cursief></al></li><li nr="8."><al><cursief>“De gemeenteraad stelt het beleidsplan, bedoeld in
                                </cursief><extref doc="file:///C:/Users/ella/AppData/Local/Temp/Temp1_Jeugdwet.zip/Jeugdwet.html#Hoofdstuk2/Artikel22"><cursief>artikel 2.2</cursief></extref><cursief>, en de
                                verordening, bedoeld in </cursief><extref doc="file:///C:/Users/ella/AppData/Local/Temp/Temp1_Jeugdwet.zip/Jeugdwet.html#Hoofdstuk2/Artikel29"><cursief>artikel 2.9</cursief></extref><cursief>, vast voor 1
                                november van het kalenderjaar waarin dit artikel in werking
                                treedt.”</cursief></al></li></lijst><al><vet></vet></al><al>Het hoofdpunt van de Verordening Jeugdhulp is de uitvoering van de gemeentelijke
                    jeugdhulpplicht. De Jeugdwet geeft aan dat de gemeente zorg draagt voor de
                    toegang tot en toeleiding naar jeugdhulpvoorzieningen. Ook moet de gemeente zorg
                    dragen voor een adequaat aanbod van jeugdhulpvoorzieningen. </al><al></al><al><vet>Wijze van tot stand komen concept verordening</vet></al><al>Deze conceptverordening is opgesteld door een werkgroep in Holland Rijnland
                    verband. De werkgroep heeft de opdracht een werkbare en leesbare concept
                    verordening te maken, die aansluit bij het Beleidsplan Hart voor de Jeugd,
                    versie Leiderdorp. Dit beleidsplan is door de Raad vastgesteld in de vergadering
                    van 10 maart 2014. </al><al></al><al>De werkgroep heeft bij het opstellen van de verordening gebruik gemaakt van door
                    de VNG opstelde modelverordening jeugdhulp. Daarnaast is een eerder concept in
                    de maand mei 2014 uitgebreid besproken met onder andere aanbieders, cliënten en
                    coaches van de proeftuinen jeugd- en gezinsteams. De werkgroep was aangenaam
                    verrast over de gedegen wijze waarop zij zich in de verordening hebben verdiept
                    en suggesties voor verbetering hebben aangedragen. Ook is het stuk besproken met
                    ambtenaren jeugdbeleid en de stuurgroep 3D van Holland Rijnland. </al><al>Alle in dit traject gemaakte opmerkingen zijn zorgvuldig gewogen en waar nodig
                    en mogelijk verwerkt in deze definitieve concept verordening. Vervolgens is de
                    verordening voor inspraak vrijgegeven. Ook de inspraakreacties zijn zorgvuldig
                    gewogen en zijn waar nodig en mogelijk verwerkt. </al><al></al><al><vet>Verbinding met het Beleidsplan Hart voor de Jeugd</vet></al><al> In de Jeugdwet artikel 2.2 is bepaald dat de raad periodiek het beleid ten
                    aanzien van jeugdhulp vaststelt. Dit beleid is door de gemeenten die in het
                    verband van Holland Rijnland op dit beleidsterrein samenwerken voorbereid. Dit
                    wettelijk verplichte beleidsplan is met de titel `Regionaal beleidsplan
                    transitie jeugdzorg Holland Rijnland, Hart voor de Jeugd` door de raad
                    vastgesteld. Het Beleidsplan ,Hart voor de Jeugd’ bevat het toekomstmodel voor
                    de jeugdzorg met als belangrijke elementen de instelling van een jeugd- en
                    gezinsteam en de integrale werkwijze 1Gezin/1Plan voor het bieden van advies en
                    hulp. De verordening beschrijft via welke stappen en aan de hand van de in het
                    Beleidsplan Hart voor de jeugd vastgestelde kaders de hulpvrager via het jeugd-
                    en gezinsteam naar vrij toegankelijke en individuele jeugdhulp voorzieningen kan
                    worden toegeleid. </al><al></al><al><vet>Toekomstmodel jeugdhulp gemeenten Holland Rijnland</vet></al><al>De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor beleidsvorming voor een positief
                    opvoed- en opgroeiklimaat, preventie, vroegsignalering tot en met
                    gespecialiseerde zorg en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en
                    jeugdreclassering bij de gemeente. De opdracht aan de gemeente is breed en
                    beslaat het gehele terrein van de zes pijlers die genoemd worden in het
                    Beleidsplan Hart voor de Jeugd (zie schema toekomstmodel). De zes pijlers vormen
                    samen het jeugdhulpstelsel van de samenwerkende gemeenten in Holland Rijnland
                    verband en zijn als volgt benoemd: </al><al>- De pedagogische gemeenschap</al><al>- Basisvoorzieningen</al><al>- Het jeugd- en gezinsteam</al><al>- Specialistische jeugdhulp</al><al>- Jeugdhulp in het gedwongen kader</al><al>- De methode 1gezin/1plan.</al><al></al><al>Uit het beleidsplan over deze pijlers:</al><al> “<cursief>Het fundament van het jeugdstelsel wordt gevormd door de pedagogische
                        gemeenschap (pijler 1) in gemeenten en wijken, waarin burgers betrokken en
                        bereid zijn om verantwoordelijkheid rond het opvoeden en opgroeien van
                        kinderen te nemen. </cursief></al><al><cursief>Pijler 2 zijn de basisvoorzieningen, waar vrijwel alle kinderen komen.
                        Denk aan de jeugdgezondheidszorg, scholen, kinderopvang/peuterspeelzalen en
                        huisartsen, jongerenwerk en sociale wijkteams. </cursief></al><al><cursief>De jeugd- en gezinsteams (pijler 3) zijn een nieuw element in het
                        Toekomstmodel Jeugdhulp van Holland Rijnland. De teams moeten een cruciale
                        rol vervullen bij het verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp en de
                        vermindering van het gebruik van (zware) specialistische voorzieningen. De
                        expertise van diverse soorten ambulante jeugdhulp uit het huidige stelsel
                        wordt in deze teams samengevoegd. Daarmee wordt het hulpaanbod doelmatiger
                        en overzichtelijker: voor ouders, voor andere voorzieningen en voor de
                        aansturing door de gemeenten.</cursief></al><al><cursief>De vierde pijler wordt gevormd door de specialisten: organisaties met
                        specialistische expertise in situaties waar sprake is van ernstige
                        problemen. Zij leveren een bijdrage aan het realiseren van doelen uit het
                        gezinsplan door consultatie, advies, nadere diagnostiek of een specifieke
                        behandeling te bieden. </cursief></al><al><cursief>Ook bij hulp in het gedwongen kader (pijler 5) vormt samenwerking
                        volgens 1Gezin1Plan de basis. Er wordt nauw samengewerkt indien dat nodig
                        is.</cursief></al><al><cursief>Pijler 6 ‘Verbinding door 1Gezin1Plan’ is dan ook door een cirkel met
                        alle andere pijlers verbonden. De jeugdige en zijn gezin staan centraal in
                        de ondersteuning van hulpverleners uit alle pijlers. Volgens deze werkwijze
                        wordt een integraal gezinsplan opgesteld, waarin ook doelen op gebied van
                        bijvoorbeeld onderwijs, Wmo, werk &amp; inkomen en volwassenenzorg worden
                        opgenomen.</cursief>”</al><al></al><al>De Pijlers 1 en 2 hebben betrekking op preventie en vroegsignalering. Preventie
                    en vroegsignalering worden op verschillende locaties uitgevoerd, vooral in de
                    zorg, op school, en in de wijk. Door vroegtijdige signalering en samenwerking in
                    de hulpverlening, kan optimale hulpverlening aan jeugdigen en gezinnen tot stand
                    worden gebracht. Preventieve lokale voorzieningen voorkomen ernstige problemen
                    bij jeugdigen en gezinnen, waardoor het beroep op de gespecialiseerde jeugdhulp
                    kan worden beperkt.</al><al></al><al><vet></vet></al><al><vet>Verordening jeugdhulp versus een verordening voor het gehele sociale
                        domein</vet></al><al>De Jeugdwet maakt onderdeel uit van de omvangrijke<vet></vet>decentralisatie<vet></vet>operatie in het sociale domein op de
                    beleidsterreinen, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen
                    (participatie). Ook op die beleidsterreinen zal vernieuwde wetgeving leiden tot
                    het opstellen van nieuwe verordeningen op het terrein van maatschappelijke
                    ondersteuning en werk en inkomen. </al><al>De werkgroep die deze verordening heeft gemaakt had als opdracht een verordening
                    te maken voor jeugdhulp. Tijdens het opstellen heeft de werkgroep in het
                    achterhoofd gehouden dat opbouw en systematiek van de verordening zodanig is dat
                    zij zowel voor jeugdhulp als voor maatschappelijke ondersteuning vergelijkbaar
                    kan zijn. </al><al>Ook is aan de orde geweest of de nieuwe verordeningen op het sociale domein in
                    één zo te noemen 3D verordening zijn samen te brengen. In verband met de
                    uitgebreide voorbereiding voor de afzonderlijke beleidsterreinen, die bovendien
                    soms lokaal en soms regionaal plaats vindt, is hier nu vanaf gezien. Daarnaast
                    speelt een rol dat de ingangsdatum al op korte termijn is, en dat de VNG voor de
                    afzonderlijke beleidsterreinen afzonderlijke modelverordeningen heeft
                    voorbereid. De voorliggende conceptverordening jeugdhulp kan wel als bouwsteen
                    voor een 3D verordening gebruikt worden. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Privacy</vet></al><al>Gemeenten en jeugdhulpaanbieders zijn gehouden aan de bestaande wet- en
                    regelgeving over </al><al>de bescherming van persoonsgegevens en over het uitwisselen van gegevens over de
                    jeugdige en/of ouders. O.a. in de Grondwet art.10 en 11, de Wet Bescherming
                    Persoonsgegevens (WBP), Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst en Wet
                    op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Omdat deze wetgeving bestaat,
                    geeft deze verordening geen extra regels. Gemeenten maken in contracten met
                    jeugdhulpaanbieders wel afspraken met aanbieders dat zij zich houden aan de
                    geldende wet en regelgeving over privacy. Daarnaast onderzoeken gemeenten of
                    regionaal privacyprotocol/beleid wenselijk is. <vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Opbouw van de conceptverordening</vet></al><al>De Jeugdwet en het vastgestelde Beleidsplan Hart voor de Jeugd geven de kaders
                    voor deze verordening. Er is gestreefd naar een opzet van de verordening die
                    leesbaar en overzichtelijk is voor jeugdigen en ouders met een hulpvraag, voor
                    het jeugd- en gezinsteam, en voor de betrokken artsen en gespecialiseerde
                    hulpverleners. </al><al>De verordening geeft daarom een totaal beeld van de toeleiding en toegang naar
                    jeugdhulpvoorzieningen. Dit maakt dat op onderdelen is gekozen voor de
                    uitgebreide variant van de keuzemogelijkheden die de VNG modelverordening biedt.
                    Ook is de conceptverordening zo veel mogelijk opgebouwd in de volgorde van
                    handelen in geval van een jeugdhulpvraag. De volgorde is daarom niet helemaal
                    gelijk aan die van de VNG modelverordening. De werkgroep meent dat dit ten goede
                    is gekomen aan de leesbaarheid en de overzichtelijkheid van de verordening. </al><al>De verordening start met een de algemene bepalingen. Als eerste worden de
                    begrippen genoemd die niet in de Jeugdwet voorkomen. Daarnaast wordt duidelijk
                    gemaakt dat het jeugd- en gezinsteam er is en dat dit team enerzijds jeugdhulp
                    verleend en anderzijds toegang kan verlenen tot individuele
                    jeugdhulpvoorzieningen. Hoofdstuk 2 beschrijft vervolgens welke
                    jeugdhulpvoorzieningen er zijn, de vrij toegankelijke en individuele
                    jeugdhulpvoorzieningen. Hoofdstuk 3 beschrijft de behandeling van
                    jeugdhulpvragen in het jeugd- en gezinsteam. Het jeugd- en gezinsteam kijkt
                    daarbij ook of een aanvraag voor een individuele voorziening nodig is. Hoofdstuk
                    (4) beschrijft hoe de besluitvorming voor een individuele voorziening verloopt.
                    De regels voor het persoonsgebonden budget staan in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6
                    gaat over andere manieren van toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen,
                    namelijk via verwijzing van een arts, via het gedwongen kader en in spoedeisende
                    gevallen. Tot slot worden de overige bepalingen behandeld in hoofdstuk 7, dit
                    zijn als het ware de spelregels. </al><al>Aanvankelijk waren er een aantal artikelen in de verordening opgenomen waar een
                    keuze in gemaakt kon worden om ze wel of niet op te nemen. Deze artikelen
                    stonden in de vorige versie schuin gedrukt. Aangezien er in de inspraak positief
                    is geadviseerd over het wel opnemen van deze artikelen is dit nu achterwege
                    gelaten. Het zijn artikelen die voor de jeugdige en/of de ouders informatief
                    zijn. Zij worden echter ook in de wet geregeld. </al><al></al><al><vet><cursief>Artikelsgewijze toelichting </cursief></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd die cruciaal zijn voor het begrip
                    van deze verordening en die niet in de Jeugdwet staan. De begrippen uit de
                    Jeugdwet zijn niet in de verordening opgenomen om de verordening niet te lang te
                    maken. Ze staan wel in de bijlage van deze toelichting.</al><al></al><al>Het beleidsplan ‘Hart voor de Jeugd’ is het regionaal opgestelde beleidsplan
                    binnen de regio Holland Rijnland. In de verordening wordt hier naar verwezen
                    omdat het toekomstmodel hier onderdeel van uit maakt. Wanneer het beleidsplan
                    wordt gewijzigd, zal daarna ook de verordening worden aangepast.</al><al></al><al>In deze verordening worden drie typen jeugdhulpvoorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen</al></li><li nr="-"><al>individuele jeugdhulpvoorzieningen</al></li><li nr="-"><al>andere jeugdhulpvoorzieningen</al></li></lijst><al></al><al>In deze verordening worden ‘overige voorzieningen’ weergegeven als vrij
                    toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen. Individuele voorzieningen en overige
                    voorzieningen als genoemd in artikel 2.9, onder a. van de wet zijn centrale
                    begrippen. Omdat de wet hiervoor de ruimte biedt, zijn zij in deze verordening
                    nader gedefinieerd. </al><al></al><al>De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de voorziening als bedoeld in
                    artikel 2.9, onder b. van de wet. Het gaat om voorzieningen op grond van andere
                    wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de</al><al>jeugdgezondheidszorg die door jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden op
                    scholen en</al><al>in het Centrum voor Jeugd en Gezin in het kader van de Wet publieke
                    gezondheid.</al><al></al><al>De ‘jeugdhulpvraag’ is in termen van deze verordening, ongeacht of er feitelijk
                    al eerder contact met het gezin is geweest, het contact van jeugdigen of ouders
                    met het jeugd- en gezinsteam (in de praktijk is dit degene die namens het
                    college optreedt) op basis waarvan zij toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
                    verzoeken. </al><al></al><al>Het ‘gezinsplan’ is een hulpverleningsplan als bedoeld in de wet. </al><al></al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik
                    inmiddels meer is</al><al>ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al></al><al>Het ‘jeugd- en gezinsteam’ is het middelpunt in het Toekomstmodel van Holland
                    Rijnland (zie figuur hierboven). De teams moeten een cruciale rol vervullen bij
                    het verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp en de vermindering van het
                    gebruik van (zware) specialistische voorzieningen. De expertise van diverse
                    soorten ambulante jeugdhulp uit het huidige stelsel wordt in deze teams
                    samengevoegd. Daarmee wordt het hulpaanbod doelmatiger en overzichtelijker: voor
                    ouders, voor andere voorzieningen en voor de aansturing door de gemeenten.</al><al></al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die</al><al>ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook
                    niet nogmaals</al><al>opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor
                    verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een
                    verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke
                    omschrijving. Voor de goede orde is in bijlage 1 van deze toelichting de
                    begripsbepaling van artikel 1.1 van de Jeugdwet gevoegd.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 2 Jeugd- en gezinsteam</vet></al><al>In het Beleidsplan Hart voor de Jeugd is vastgesteld dat de gemeente de
                    jeugdhulp regelt via het jeugd- en gezinsteam. Lid 1 bevat de opdracht aan het
                    college om zorg te dragen voor een functionerend jeugd- en gezinsteam. Dit team
                    is één van de elementen van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). </al><al>Het tweede lid beschrijft de taken van het jeugd- en gezinsteam in het bieden
                    van jeugdhulp, namelijk het verlenen van consultatie en advies,
                    basisdiagnostiek, ambulante hulp en zorgcoördinatie. </al><al>In lid 3 staat dat het college de jeugdhulpverleners van het jeugd- en
                    gezinsteam mandateert om individuele jeugdhulpvoorzieningen te verstrekken.
                    Genoemd wordt dat dit kan wanneer zij daartoe gemandateerd worden door het
                    college. Dit mandaat wordt niet in deze verordening geregeld, het college neemt
                    daarover een apart besluit. </al><al></al><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 2. Vrij toegankelijke en individuele
                            jeugdhulpvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3 Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen </vet></al><al>Artikel 3 en 4 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de
                    Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt
                    over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                    voorzieningen, in onze verordening de individuele en vrij toegankelijke
                    jeugdhulpvoorzieningen genoemd. </al><al>Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de burger
                    recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de
                    gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders, en noemt dat het
                    college later voor uitvoering nadere regels kan opstellen.</al><al></al><al>Artikel 3 regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit
                    betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder
                    dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een arts
                    zoals genoemd in artikel 17 noodzakelijk is. </al><al>De in deze verordening genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen worden
                    in de Jeugdwet `overige voorzieningen` genoemd.</al><al>Gemeenten in Holland Rijnland sluiten bij hun keuze voor de vrij toegankelijke
                    jeugdhulpvoorzieningen aan bij het Beleidsplan Hart voor de Jeugd. De vrij
                    toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen zijn: de basisvoorzieningen (pijler 2) en
                    de jeugd- en gezinsteams (pijler 3). Het jeugd- en gezinsteam verleent
                    consultatie en advies, basisdiagnostiek, ambulante hulp en zorgcoördinatie.</al><al>Lid 2 van artikel 3 geeft aan dat het college in nadere regels een aantal
                    individuele jeugdhulpvoorzieningen alsnog aanwijst als vrij toegankelijk of
                    andersom. </al><al>Zie verder ook het algemene deel van de toelichting, waar het toekomstmodel voor
                    de jeugdhulp wordt beschreven.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4 Individuele jeugdhulpvoorzieningen </vet></al><al>De individuele jeugdhulpvoorzieningen zijn de voorzieningen die vallen onder
                    specialistische hulp (pijler 4), zoals genoemd in het Beleidsplan Hart voor de
                    Jeugd. Dit zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>Generalistische Basis GGZ Jeugd;</al></li><li nr="-"><al>Specialistische GGZ Jeugd;</al></li><li nr="-"><al>Gespecialiseerde jeugdhulp kinderen en jongeren met een beperking;</al></li><li nr="-"><al>Gesloten jeugdhulp;</al></li><li nr="-"><al>Jeugdbescherming; </al></li><li nr="-"><al>Jeugdreclassering;</al></li><li nr="-"><al>24 uur zorg Jeugd en Opvoedhulp;</al></li></lijst><al>Zie verder ook het algemene deel van de toelichting, waar het toekomstmodel voor
                    de jeugdhulp wordt beschreven.</al><al></al><al>Het gaat om situaties waarin ernstige of complexe problemen zijn en waarvoor
                    meer of andere hulp nodig is, dan waarin het jeugd- en gezinsteam kan voorzien.
                    In dit geval is het nodig dat de jeugdige en/ouders een aanvraag indienen. </al><al>Dit is specialistische jeugdhulp aan jeugdigen en ouders bij:</al><lijst><li nr="-"><al>problematische (gezins)situaties en/of</al></li><li nr="-"><al>psychiatrische stoornissen van de jeugdige en/of</al></li><li nr="-"><al>verslaving van de jeugdige en/of</al></li><li nr="-"><al>(licht) verstandelijke beperking van de jeugdige en/of</al></li><li nr="-"><al>zintuigelijke beperking van de jeugdige en/of</al></li><li nr="-"><al>lichamelijke beperking van de jeugdige en/of</al></li><li nr="-"><al>ernstige somatische aandoening van de jeugdige.</al></li></lijst><al>Lid 2 van artikel 4 geeft aan dat het college in nadere regels een aantal
                    individuele jeugdhulpvoorzieningen kan specificeren of alsnog kan aanwijzen als
                    vrij toegankelijk. Beweegredenen daarvoor zouden kunnen zijn het verminderen van
                    bureaucratie of omdat voorzieningen bij nader inzien toch niet specialistisch
                    blijken te zijn.</al><al></al><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 3. Behandeling jeugdhulpvragen
                        </onderstreept></vet></al><al></al><al>In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp
                    uitwerkt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige
                    toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn
                    voor jeugdigen en ouders die jeugdhulpvragen hebben.</al><al>Het gaat in dit hoofdstuk zowel over de vrij toegankelijke, als de individuele
                    jeugdhulpvoorzieningen. Ook de afstemming met andere voorzieningen komt aan
                    bod.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5 Voorleggen jeugdhulpvraag </vet></al><al>Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is een laagdrempelig inlooppunt waar
                    ouders en jongeren terecht kunnen met hun vragen over gezondheid, opgroeien en
                    opvoeden. Het CJG is er voor kleine en grote vragen. Het CJG biedt advies,
                    ondersteuning en hulp op maat. Het CJG bestaat uit de jeugdgezondheidszorg,
                    preventieve programma’s en projecten en het jeugd- en gezinsteam.</al><al>Het eerste lid van dit artikel beschrijft dat de jeugdige en/of de ouder zich
                    rechtstreeks bij het jeugd- en gezinsteam kunnen melden. Dat kan in het fysieke
                    CJG, via de website of bijvoorbeeld als de hulpverlener van het jeugd- en
                    gezinsteam aanwezig is op een school.</al><al>Jeugdigen en ouders kunnen ook op andere manieren contact met het CJG hebben en
                    stellen daar hun vragen over opgroeien en opvoeden. Dat kan zijn tijdens het
                    contact met de jeugdgezondheidszorg, via de websites van het CJG,
                    chatspreekuren, cursussen of informatieavonden. Als de vraag een jeugdhulpvraag
                    betreft, die niet binnen het de jeugdgezondheidszorg of preventieve projecten
                    van het CJG kan worden afgehandeld, zal de medewerker van het CJG de jeugdige
                    en/of de ouders begeleiden naar het jeugd- en gezinsteam. </al><al>Lid 2 van artikel 5 is opgenomen om aan te sluiten bij het toekomstmodel dat in
                    het Beleidsplan Hart voor de Jeugd is geschetst. Basisvoorzieningen zijn een
                    onlosmakelijk en integraal onderdeel van dit toekomstmodel. Jeugdigen en ouders
                    krijgen op deze manier overzicht van waar zij terecht kunnen met een
                    jeugdhulpvraag. Om te voorkomen dat het beeld ontstaat dat een arts niet ook
                    zelf kan verwijzen naar een individuele jeugdhulpvoorziening, wordt een
                    verwijzing gemaakt naar artikel 15. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6 Afspraak voor gesprek over jeugdhulpvraag</vet></al><al>Dit artikel beschrijft het maken van een afspraak voor een gesprek tussen de
                    jeugdige en/of de ouders en het jeugd- en gezinsteam en de voorbereiding op het
                    gesprek. Het gesprek vindt plaats met één of meer hulpverleners van het jeugd-
                    en gezinsteam. Een aantal aspecten van dit artikel vragen om een
                    toelichting.</al><al>Lid 1 bepaalt dat het jeugd- en gezinsteam in overleg met de jeugdige en zijn
                    ouders alle voor het gesprek noodzakelijk en toegankelijke gegevens verzamelt.
                    Deze gegevens verzameling kan ook tijdens het gesprek plaatsvinden als door
                    vraagverheldering alle relevante informatie vergaard wordt om een volledig beeld
                    van de jeugdhulpvraag te krijgen. Als het zinvol is gegevens bij derden op te
                    vragen zal altijd eerst toestemming worden gevraagd aan de jeugdige en/of zijn
                    ouders. Uiteraard geldt dit ook voor medische gegevens, zo wordt rekening
                    gehouden met het medisch beroepsgeheim en het recht op privacy. </al><al>Lid 1 benoemt ook dat het maken van een afspraak zo snel als mogelijk gebeurt.
                    Hierbij wordt geen tijdslimiet genoemd omdat dit tot onnodige regelgeving leidt.
                    Wel wordt duidelijk gemaakt dat het jeugd- en gezinsteam alert moet zijn op
                    onnodige vertraging in de procedure. </al><al>Lid 2 beschrijft dat het jeugd- en gezinsteam de jeugdige en/of de ouders
                    informeert over de procedure, rechten en plichten. Wanneer persoonsgegevens
                    nodig zijn, zal de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam om toestemming
                    vragen om deze te registreren. Op de registratie van persoonsgegevens is de Wet
                    bescherming persoonsgegevens van toepassing.</al><al>Lid 3 beschrijft dat de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam en de jeugdige
                    en/of de ouders ook kunnen afzien van een gesprek. Bijvoorbeeld omdat de
                    jeugdhulpvraag meteen duidelijk is, of als direct verwijzen naar specialistische
                    hulpverlening noodzakelijk is. Dit artikel is in de verordening opgenomen om
                    onnodige bureaucratie te voorkomen en mogelijk te maken dat gedaan wordt wat
                    noodzakelijk is voor de jeugdhulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders.</al><al></al><al><vet>Artikel 7 Inhoud gesprek</vet></al><al>Tijdens het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van
                    het jeugd- en gezinsteam wordt onder andere gesproken over</al><lijst><li nr="-"><al>de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en
                            gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; </al></li><li nr="-"><al>het gewenste resultaat;</al></li><li nr="-"><al>het vermogen van de jeugdige en/of de ouders om zelf of met
                            ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                            jeugdhulpvraag te vinden;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op het gebied
                            van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen,
                            die niet onder de Jeugdwet vallen;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een voor
                            de jeugdige en/of de ouders vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen of
                            individuele jeugdhulpvoorzieningen.</al></li></lijst><al>Deze onderwerpen worden genoemd in de verordening om een beeld te scheppen van
                    de inhoud van het gesprek en om aan te geven welke afwegingen spelen bij het in
                    behandeling nemen van een jeugdhulpvraag.</al><al>Niet alle onderwerpen zullen bij elk gesprek aan de orde komen. Dit is
                    afhankelijk van de inhoud van de jeugdhulpvraag. De medewerker van het jeugd- en
                    gezinsteam is deskundig en bepaalt met de jeugdige en/of de ouders de inhoud van
                    het gesprek.</al><al>Het gesprek kan niet altijd in één afspraak worden afgerond. Het is dus mogelijk
                    dat er meerdere gesprekken worden gehouden.</al><al>Bij het gesprek kunnen ook andere personen aanwezig zijn. Deze andere
                    betrokkenen zijn personen die van belang zijn voor de jeugdige en/of de ouders
                    en voor het bespreken van de jeugdhulpvraag. Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn
                    uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, iemand van een
                    specialistische jeugdhulpvoorziening of school. De jeugdige en/of ouders bepalen
                    in overleg met de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam of er andere
                    personen uitgenodigd zullen worden.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 8 Verslag van het gesprek</vet></al><al>Van het gesprek tussen de jeugdige en/of de ouders en een hulpverlener van het
                    jeugd- en gezinsteam over de jeugdhulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen
                    gemaakt. De hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam maakt dit verslag. Dit
                    verslag wordt zo snel mogelijk nadat het gesprek heeft plaats gevonden,
                    overhandigd aan de jeugdige en/of de ouders. Het verslag wordt opgenomen in het
                    cliëntdossier waar de jeugdige en/of de ouders op elk gewenst moment toegang toe
                    hebben. De jeugdige en/of de ouders hebben ook de mogelijkheid om, indien
                    gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag te laten toevoegen.
                    Deze clausule is opgenomen opdat de jeugdige en ouders regie hebben en kunnen
                    hebben, over hun eigen jeugdhulpvraag en dus zeggenschap hebben over de inhoud
                    van het verslag. Zo wordt ook recht gedaan aan het principe van “eigen
                    kracht”.</al><al>De jeugdige en/of de ouders kunnen ook aangeven dat zij geen exemplaar van het
                    verslag willen ontvangen of het verslag juist op een later tijdstip willen
                    ontvangen. Dit laatste kan bijvoorbeeld door een vakantie van de jeugdige en/of
                    de ouders.</al><al></al><al><vet>Artikel 9 Inhoud van het verslag</vet></al><al>Het gespreksverslag gaat over de afspraken die tussen het jeugd- en gezinsteam
                    en de jeugdige en/of de ouders zijn gemaakt. Het kan zijn dat het verslag een
                    weergave is van meer dan één gesprek. </al><al>In het verslag staat bijvoorbeeld of een gezinsplan wordt opgesteld en op welke
                    wijze voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                    ondersteuning, of werk en inkomen kunnen worden afgestemd op de hulpverlening.
                    Als de jeugdige en/of de ouders hebben aangegeven dat zij willen dat er rekening
                    wordt gehouden met hun levensovertuiging, religieuze en/of culturele achtergrond
                    wordt dit ook in het gespreksverslag vermeld. Bovendien is er een mogelijkheid
                    dat de jeugdige en/of ouders indien gewenst opmerkingen aan het verslag
                    toevoegen.</al><al></al><al><vet>Artikel 10 Opstellen van het gezinsplan</vet></al><al>Als tijdens het gesprek is afgesproken dat er een gezinsplan wordt opgesteld,
                    wordt dit plan samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere
                    betrokkenen door de hulpverlener van het jeugd- en gezinsteam opgesteld. In de
                    praktijk kan dit betekenen dat het in artikel 8 en 9 genoemde gespreksverslag,
                    wordt omgebouwd tot een gezinsplan. </al><al>Het gezinsplan wordt opgesteld aan de hand van de werkwijze één gezin - één
                    plan. In het Beleidsplan Hart voor de Jeugd staat: </al><al></al><al><cursief>“Uitgangspunt van 1Gezin1Plan is het versterken van de eigen kracht van
                        een gezin, met de </cursief><cursief>ouder als regisseur van het eigen
                        gezinsleven. Ouders, jongeren, leden uit hun sociaal
                        </cursief><cursief>netwerk en betrokken instanties werken samen om de doelen
                        van het gezin te realiseren. </cursief><cursief>Met behulp van de werkwijze
                        1Gezin1Plan wordt een integraal gezinsplan opgesteld. Dat </cursief></al><al><cursief>vormt de verbinding met ondersteuning vanuit bijvoorbeeld onderwijs,
                        Wmo, Werk &amp; </cursief><cursief>inkomen, schuldhulpverlening,
                        volwassenenzorg. 1Gezin1Plan vormt ook de basis voor de
                        </cursief><cursief>samenwerking met sociale wijkteams en het
                        veiligheidshuis.</cursief></al><al><cursief>Het is belangrijk dat ook vanuit deze domeinen met de principes en
                        werkwijze van 1Gezin 1 Plan gewerkt wordt. Zo ontstaan integrale hulpplannen
                        op maat voor dat kind of gezin waarbij </cursief></al><al><cursief>alle leefdomeinen die een rol spelen bij de problematiek betrokken
                        zijn.”</cursief></al><al></al><al>In het gezinsplan staan in de eerste plaats de afspraken over wat de jeugdige
                    en/of de ouders zelf gaan oppakken. Daarnaast wordt beschreven welke vrij
                    toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele jeugdhulpvoorzieningen
                    nodig zijn. Het gezinsplan vormt de verbinding met ondersteuning vanuit andere
                    voorzieningen bijvoorbeeld onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                    inkomen, schuldhulpverlening en volwassenenzorg. Ook de eventuele wachtlijsten
                    van jeugdhulpaanbieders en mogelijke tussenoplossingen om deze wachttijden te
                    overbruggen worden in het gezinsplan meegenomen,</al><al>Het gezinsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd
                    worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders en het jeugd-
                    en gezinsteam van belang is of indien er meerdere vragen/problemen in een gezin
                    zijn, waardoor deze niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden opgepakt.</al><al></al><al><vet><onderstreept></onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept></onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 4. Behandeling aanvraag individuele
                            jeugdhulpvoorziening</onderstreept></vet></al><al></al><al>In artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet staat dat de gemeenteraad voor
                    individuele voorzieningen in een verordening regels moet stellen over de
                    voorwaarden voor toekenning, over de wijze van beoordeling van en over de
                    afwegingsfactoren bij de verlening van een individuele jeugdhulpvoorziening. In
                    hoofdstuk 4 wordt dit uitgewerkt.</al><al></al><al><vet>Artikel 11 Indienen aanvraag via jeugd- en gezinsteam</vet></al><al>Dit artikel regelt op welke wijze en op welke plek een jeugdige en/of de ouders
                    een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening kunnen indienen. Een
                    aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele
                    jeugdhulpvoorziening te krijgen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden
                    regels gegeven over de aanvraag. Deze regels zijn ook van toepassing op een
                    aanvraag voor een individuele voorziening. </al><al>Dit betekent bijvoorbeeld dat, op grond van artikel 4:1 van de Awb, een aanvraag
                    schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. In het eerste lid is bepaald dat jeugdigen en ouders een
                    aanvraag, zowel mondeling als schriftelijk kunnen indienen bij het jeugd- en
                    gezinsteam. </al><al>Het nemen van een besluit op een aanvraag is een bevoegdheid van het college.
                    Daarom staat in lid 1dat de aanvraag voor een voorziening aan het college wordt
                    voorgelegd. Via een apart besluit zal het college deze bevoegdheid mandateren
                    aan hulpverleners van het jeugd- en gezinsteam.</al><al>Dit lijkt omslachtig maar juridisch gezien is het verplicht in de verordening
                    aan te geven dat de besluitvorming bij het college van burgemeester en wethouder
                    ligt. Het mandateren van deze bevoegdheid kan niet in deze verordening worden
                    geregeld, dit gebeurt in een mandaatbesluit van het college.</al><al>Het tweede lid bepaalt tevens dat de aanvraag mondeling of schriftelijk kan
                    worden gedaan en dat het jeugd- en gezinsteam de aanvraag begeleidt. Hiermee
                    wordt ook mogelijk gemaakt om, ter voorkoming van onnodige administratieve
                    lasten, verslag of plan als aanvraag aan te merken. </al><al>In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn. De Awb
                    bepaalt dat een redelijke termijn in ieder geval verstreken is wanneer het
                    bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking
                    heeft gegeven. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven,
                    dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mee te delen
                    en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet
                    kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). </al><al>Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig, kan en zal na een aanvraag
                    al binnen enkele dagen een individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt. In
                    complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek
                    een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend
                    diagnosetraject benodigd is. Van belang is dat het jeugd- en gezinsteam zelf een
                    professionele inschatting maakt van wat een redelijke termijn is, gezien de aard
                    en mate van urgentie van de jeugdhulpvraag. Dit sluit aan bij een van de
                    uitgangspunten van het jeugd- en gezinsteam: “doen wat nodig is”. </al><al></al><al><vet>Artikel 12 Beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</vet></al><al>In artikel 2.9 onder a van de Jeugdwet is bepaald dat in de verordening regels
                    moeten worden gesteld over de voorwaarden voor toekenning van een individuele
                    jeugdhulpvoorziening, over de wijze van beoordeling van en de afwegingfactoren
                    bij een individuele jeugdhulpvoorziening. Dit artikel is een uitwerking van deze
                    opdracht. Bij de besluitvorming hanteert het college de wettelijke termijn (Awb)
                    van maximaal 8 weken.</al><al>Onder a van dit artikel wordt bepaald dat alleen een individuele
                    jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige niet op eigen kracht
                    of met hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving een
                    oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden. Hiermee wordt aangesloten bij de
                    regionale visie jeugdhulp “Op eigen kracht” (bijlage van Beleidsplan Hart voor
                    de Jeugd): </al><al></al><al>“<cursief>Voor iedereen is het van belang steun te krijgen uit de directe
                        omgeving van het sociale netwerk. Familie, vrienden, buren en vrijwilligers
                        zijn essentieel bij de opvoeding. Daarom kijken we altijd eerst welke steun
                        en hulp het eigen sociale netwerk kan bieden en hoe we het eigen sociale
                        netwerk kunnen versterken. Steun dichtbij, hoe klein ook is effectief en
                        duurzaam”.</cursief></al><al></al><al>Onder b van dit artikel wordt verder bepaald dat alleen een individuele
                    jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige geen oplossing voor
                    zijn jeugdhulpvraag kan vinden door gebruik te maken van een vrij toegankelijke
                    jeugdhulpvoorziening, zoals omschreven in artikel 3. Daarmee worden individuele
                    voorzieningen pas ingezet wanneer vrij toegankelijke voorzieningen niet
                    toereikend zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 13 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</vet></al><al>Wanneer jeugdigen of ouders een formele aanvraag bij het college hebben
                    ingediend, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. Ook op deze
                    beschikking is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.</al><al>Jeugdigen en ouders kunnen tegen de beschikking bezwaar en beroep indienen. De
                    mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop
                    volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb. Weigering
                    of uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de
                    mogelijkheid om bezwaar in te dienen. De Awb is ook van toepassing als het
                    college het ontvangen van aanvragen en het nemen van besluiten op aanvragen voor
                    individuele jeugdhulpvoorzieningen mandateren aan medewerkers van het jeugd- en
                    gezinsteam. </al><al>Het tweede en derde lid regelen welke onderdelen in de beschikking moeten worden
                    opgenomen, indien sprake is van een voorziening in natura dan wel een
                    voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).</al><al>Het vierde lid gaat over een eventuele ouderbijdrage. De ouderbijdrage geldt
                    alleen in situaties van jeugdhulp met verblijf buiten de thuissituatie (zie
                    artikel 8.2.1 van de Jeugdwet). In de beschikking wordt een eventuele
                    ouderbijdrage alleen als informatie opgenomen. De vaststelling en inning
                    geschieden namelijk niet door de gemeente maar door het bestuursorgaan dat
                    namens de gemeente met de inning is belast. Dit bestuursorgaan zal het CAK
                    zijn.</al><al>Lid 5 maakt mogelijk dat niet bij elke verlening en verstrekking van een
                    individuele jeugdhulpvoorziening een beschikking wordt afgegeven. Tevens wordt
                    geregeld dat in elk geval wel een beschikking wordt afgegeven bij een pgb,
                    weigering van een aangevraagde voorziening of als de jeugdige en/of ouders dat
                    wensen. De laatste twee gevallen zijn van belang omdat dit hiermee de
                    rechtszekerheid van de burger wordt geregeld. Als in overleg tussen het jeugd-
                    en gezinsteam en de jeugdige en/of ouders wordt besloten dat geen beschikking
                    wordt afgegeven, wordt wel geregistreerd in het dossier van de jeugdige dat een
                    individuele voorziening is verstrekt. </al><al></al><al></al><al><vet><onderstreept></onderstreept></vet><vet><onderstreept>Hoofdstuk 5.
                            Individuele jeugdhulpvoorzieningen via persoonsgebonden budget
                            (pgb)</onderstreept></vet></al><al></al><al>Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een persoon zelf
                    zorg, begeleiding, hulp, hulpmiddelen of voorzieningen in kankopen.</al><al>In 2015 wordt het pgb via trekkingsrecht geregeld. Bij trekkingsrechten komt het
                    budget niet meer op de rekening van de budgethouder, maar bij de Sociale
                    Verzekeringsbank (SVB) op de bankrekening te staan. De budgethouder stuurt de
                    rekeningen voor het betalen van zorgverleners naar de SVB en zij controleert
                    vooraf of het om verzekerde zorg gaat.</al><al></al><al><vet>Artikel 14 Individuele jeugdhulpvoorziening via persoonsgebonden budget
                        (pgb) </vet></al><al>In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de
                    Jeugdwet een pgb kan verstrekken. Er is een verwijzing opgenomen naar het
                    centrale pgb artikel (8.1.1) van de Jeugdwet. Daarin wordt een compleet beeld
                    gegeven van de rechten en plichten van de cliënt. </al><al>Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan van een verplichting van het
                    college worden gesproken (zie ook de tekst van artikel 8.1.1, eerste lid:
                    “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen …”) om een pgb te verstrekken in
                    plaats van een voorziening in natura. </al><al>Van belang is dat een pgb slechts wordt verstrekt indien (zie artikel 8.1.1,
                    derde lid):</al><lijst><li nr="-"><al>de jeugdige of zijn ouders op eigen kracht of met hulp uit hun sociale
                            netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor of
                            gemachtigde, voldoende in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget
                            verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; </al></li><li nr="-"><al>de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de
                            individuele jeugdhulpvoorziening die door een aanbieder wordt geleverd,
                            niet passend is;</al></li><li nr="-"><al>gewaarborgd is dat de jeugdhulp die tot de individuele
                            jeugdhulpvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het
                            budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 14 berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet.
                    In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op
                    welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Deze bevoegdheid wordt in
                    het tweede lid gedelegeerd aan het college. </al><al>In het derde lid is beschreven dat het college in nadere regels uitwerkt onder
                    welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt
                    verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn
                    sociale netwerk. Dit is een uitwerking van het bepaalde in artikel 8.1.1 lid 4
                    van de Jeugdwet. </al><al></al><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 6. Overige wijzen van toegang tot jeugdhulp
                        </onderstreept></vet></al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 15 Verwijzing naar jeugdhulp door de huisarts, medisch specialist
                        of jeugdarts</vet></al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts,
                    medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste
                    geldt zowel voor de vrij-toegankelijke voorzieningen als de individuele (niet
                    vrij-toegankelijke) voorzieningen. </al><al>In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing
                    beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de
                    jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de
                    benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de
                    inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede
                    baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van
                    zijn handelen vormen. </al><al>De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus
                    rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen van de
                    gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is. Als
                    de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder
                    de jeugdige en- of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen
                    indienen bij het jeugd- en gezinsteam.</al><al>Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal daarom
                    afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp. Dit
                    wordt benoemd in artikel 23 van deze verordening.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 16 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en in spoedeisend
                        geval</vet></al><al>Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter.
                    Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd
                    door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering
                    mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de
                    jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in
                    artikel 3.5 van de Jeugdwet.</al><al>In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend
                    aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een
                    andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen
                    beschikking als bedoeld in artikel 12.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 17 Jeugdhulp in spoedeisend geval</vet></al><al>In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke
                    voorziening kunnen te treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is
                    afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening
                    van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden
                    afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in
                    artikel 6.1.3 en 6.1.8. </al><al>In dit artikel wordt specifiek genoemd dat het college dit besluit neemt in
                    afwijking van artikel 11 en 12. Het kan zijn dat vanwege de spoed er nog geen
                    goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de
                    voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na het treffen van een
                    tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien. </al><al></al><al></al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 7. Overige bepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 18 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                        terugvordering </vet></al><al>Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer
                    er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan
                    verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen
                    zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. </al><al>In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en
                    kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te
                    herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de
                    gemeente dit mag doen.</al><al>Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige
                    gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere
                    beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de
                    daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. </al><al>Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een jaar nog niet is gebruikt voor het doel
                    waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken. </al><al>Tot slot geeft lid 5 aan dat het college de besteding van het pgb kan
                    controleren. </al><al></al><al><vet>Artikel 19 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                        uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering </vet></al><al>In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de
                    verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit
                    artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het
                    college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in
                    overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit)
                    voor prijzen van jeugdhulp.</al><al></al><al><vet>Artikel 20 Vertrouwenspersoon</vet></al><al>De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk
                    voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle
                    gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een
                    stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg
                    uitvoert.<vet></vet></al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 21 Inspraak en medezeggenschap</vet></al><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De</al><al>mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al
                    geregeld in artikel 4.2.4</al><al>en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en
                    medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van
                    artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit
                    leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen
                    worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al>In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid een
                    zelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor
                    alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat
                    iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat
                    inwoners kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners kunnen onderwerpen
                    aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het
                    college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap
                    vorm te geven.</al><al></al><al><vet>Artikel 22 Klachtregeling</vet></al><al>Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de
                    Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht.
                    Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken
                    bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling. Het Beleidsplan
                    Hart voor de jeugd zegt daarover “Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij
                    en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de
                    jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen”.</al><al></al><al><vet>Artikel 23 Toepassen verordening en stellen nadere regels</vet></al><al>Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid
                    1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden
                    teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan
                    worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt
                    bedoeld. </al><al>In lid 2 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te
                    stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. </al><al>Lid 3 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen
                    afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de
                    verwijzing zoals bedoeld in artikel 15 plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel
                    2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op
                    landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de
                    gemeente uitgewerkt. </al><al></al><al><vet>Artikel 24 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te
                    wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens
                    de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college
                    ingezet worden bij uitzonderingsgevallen. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 25 Overgangsrecht</vet></al><al>Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp (dus vóór
                    de inwerkingtreding van de Jeugdwet) en deze verordening, deze jeugdhulp kunnen
                    blijven houden tot uiterlijk 1 januari 2016. </al><al>Dit overgangsrecht geldt voor jeugdigen die een indicatiebesluit of verwijzing
                    voor (jeugd)zorg in het kader van de AWBZ Wjz en Zvw hebben. </al><al>De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin
                    er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie.
                    De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het
                    indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van
                    deze wet.</al><al>Voor pleegzorg is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien vóór
                    de inwerkingtreding van deze wet een indicatiebesluit is afgegeven waarin is
                    vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De verordening zelf dient voor 1
                    november 2014 te zijn vastgesteld door de raad.</al><al></al><al><vet>Artikel 27 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam
                    zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).</al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al><vet>Bijlage 1 van de Toelichting op de verordening Jeugdhulp Leiderorp
                        2015</vet></al><al></al><al>Artikel 1.1 Jeugdwet </al><al></al><al>Artikel 1.1</al><al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al><al></al><al>- calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op
                    de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of
                    de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid; </al><al></al><al>- college: college van burgemeester en wethouders;</al><al></al><al>- dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met
                    betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de
                    uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;</al><al></al><al>- familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de
                    ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale
                    omgeving van de jeugdige behoren;</al><al></al><al>- gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een
                    certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; </al><al></al><al>- gekwalificeerde gedragswetenschapper: gedragswetenschapper behorende tot een
                    bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie; </al><al></al><al>- gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige
                    voorziening met het daarbij behorende terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt
                    verleend;</al><al></al><al>- gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie
                    op basis van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2;</al><al></al><al>- geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of
                    seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door
                    iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde
                    instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in
                    opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of
                    door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het
                    etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft;</al><al></al><al>- huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning;</al><al></al><al>- hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in
                    artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6; </al><al></al><al>- inspectie: inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1; </al><al></al><al>- jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het -
                    College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij
                    ter bevordering van de Geneeskunst ingestelde profielre-gister
                    jeugdgezondheidszorg;</al><al></al><al>- jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                    publieke gezondheid; </al><al></al><al>jeugdhulp: </al><lijst><li nr="1."><al> ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen
                            en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen
                            van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                            psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke
                            beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of
                            adoptiegerelateerde problemen;</al></li><li nr="2."><al> het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                            het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische,
                            verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch
                            psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van
                            achttien jaar nog niet hebben bereikt, en</al></li><li nr="3."><al>het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van
                            de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                            zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                            zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                            beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,
                            met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt
                            voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;</al></li></lijst><al></al><al>- jeugdhulpaanbieder: </al><lijst><li nr="1."><al> natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder
                            verantwoordelijkheid van het college;</al></li><li nr="2."><al> solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van
                            het college;</al></li></lijst><al></al><al>- jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent; </al><al></al><al>- jeugdige: persoon die:</al><lijst><li nr="1."><al> de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,</al></li><li nr="2."><al> de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op
                            grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan
                            overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van
                            Strafrecht, of</al></li><li nr="3."><al> de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig
                            jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als
                            bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college
                            vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat
                            een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie,
                            na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van
                            de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar
                            hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;</al></li></lijst><al></al><al>- jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste
                    lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh,
                    tweede lid, van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op
                    jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in
                    artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de
                    aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige
                    taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn
                    opgedragen;</al><al></al><al>- kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en de voorlopige voogdij op grond van
                    Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel
                    254, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige
                    ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; </al><al></al><al>- kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedrei-gende of
                    gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders
                    of andere personen ten opzichte van wie de minder-jarige in een relatie van
                    afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor
                    ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de
                    minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel; </al><al></al><al>- maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; </al><al>machtiging gesloten jeugdhulp: de machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2. </al><al></al><al>- medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is ingeschreven
                    in een door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke
                    Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Genees-kunst ingestelde
                    register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele
                    gezondheidszorg; </al><al></al><al>- Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze
                    Minister van Veiligheid en Justitie tezamen; </al><al></al><al>- opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen: </al><lijst><li nr="1."><al>psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                            gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige,
                            opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;</al></li><li nr="2."><al>beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in
                            verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                            beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                            probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet
                            heeft bereikt, en</al></li><li nr="3."><al>een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke,
                            lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of
                            psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd
                            van achttien jaar nog niet heeft bereikt; </al></li></lijst><al>- ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een
                    jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een
                    pleegouder; </al><al></al><al>-persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk verantwoordelijke:
                    hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens; </al><al></al><al>- plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3; </al><al></al><al>- pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als
                    behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in
                    artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder; </al><al></al><al>- pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als bedoeld in
                    boek 1 Burgerlijk Wetboek; </al><al></al><al>- pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt;</al><al></al><al>- preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen
                    met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                    gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een
                    risico op opvoedingspro-blemen; </al><al></al><al>- strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie of de
                    strafrechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek
                    van Strafrecht of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van
                    Strafvordering; </al><al></al><al>- vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun
                    verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken
                    en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de
                    gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                    kindermishandeling; </al><al></al><al>- verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel 7.1.2.1; </al><al></al><al>- woonplaats: </al><lijst><li nr="1."><al>woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk
                            Wetboek;</al></li><li nr="2."><al>ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een instelling als
                            bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: de plaats
                            van het werkelijke verblijf van de jeugdige;</al></li><li nr="3."><al>ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel
                            buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke verblijf van de
                            jeugdige op het moment van de hulpvraag.</al></li></lijst><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>