<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341232_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2015, 22391</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanpassen percentages OZB 2015</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Onderwerp: Aanpassen percentages OZB 2015</al>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november
                        2014</al>
          <al>BESLUIT</al>
          <al>De vastgestelde percentages OZB voor 2015 te verlagen en als volgt vast te
                        stellen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>• Woningen eigenaar: 0,1269</al></li>
            <li nr="2."><al>• Niet-woningen eigenaar: 0,2577</al></li>
            <li nr="3."><al>• Niet-woningen gebruiker: 0,2026</al></li>
          </lijst>
          <al>Vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 14 januari 2015</al>
          <al>, de voorzitter</al>
          <al>, de raadsgriffier</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <al>1. Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden voor binnen de gemeente
                        gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: </al>
          <al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt,
                        verder te noemen: gebruikersbelasting; </al>
          <al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al>
          <al/>
          <al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt: </al>
          <al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik
                        is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die
                        dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever
                        is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; </al>
          <al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                        gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                        heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                        wie die zaak ter beschikking is gesteld. </al>
          <al/>
          <al>3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          <al/>
          <al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. </al>
          <al/>
          <al>2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <al>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                        gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van: </al>
          <al/>
          <al>a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                        daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                        glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; </al>
          <al/>
          <al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                        van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                        bedoelde grond; </al>
          <al/>
          <al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                        of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                        levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al>
          <al/>
          <al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                        genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met
                        uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al>
          <al/>
          <al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                        zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                        volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
                        het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al>
          <al/>
          <al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                        en ander met inbegrip van kunstwerken; </al>
          <al/>
          <al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                        organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                        uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al>
          <al/>
          <al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                        en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                        zodanige werken die dienen als woning; </al>
          <al/>
          <al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                        dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                        niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. </al>
          <al/>
          <al>j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                        publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                        onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                        onderwijs; </al>
          <al/>
          <al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                        niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek,
                        ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                        banken, abri's, hekken en palen; </al>
          <al/>
          <al>l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                        of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                        als woning; </al>
          <al/>
          <al>m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen
                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al>
          <al/>
          <al>n. het reddingsbootstation van de Stichting Koninklijke
                        Reddingsmaatschappij.</al>
          <al/>
          <al>2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
                        onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                        gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht.</al>
          <al/>
          <al>3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al>
          <al>a. Woningen eigenaar: 0,1269%</al>
          <al>b. Niet-woningen eigenaar: 0,2577%</al>
          <al>c. Niet-woningen gebruiker: 0,2026%</al>
          <al/>
          <al>2. Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de
                        toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                        verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere
                        heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                        moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                        eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                        dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden
                        later.</al>
          <al/>
          <al>2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel geldt dat ingeval de
                        gemeente is gemachtigd tot automatische incasso, de aanslagen moeten worden
                        betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de
                        laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het
                        aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                        later.</al>
          <al/>
          <al>3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                        leden van dit artikel gestelde termijnen.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van de onroerende-zaakbelastingen wordt geen
                        kwijtschelding verleend.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                            wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de
                        heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>De “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014” van 13 november 2013,
                        laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 19 februari 2014 wordt
                        ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van
                        ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                        de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                        van de bekendmaking. </al>
          <al/>
          <al>2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al>
          <al/>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2015”.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Vastgesteld door de raad in zijn </al>
          <al>vergadering van 6 november 2014</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          , de voorzitter
        </ondertekening>
        <ondertekening>
          , de raadsgriffier
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>