<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341190_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-64799.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3ddalfsen%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20141114%26epd%3d20141114%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=3&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 13-11-2014, nr. 64799</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid n onder b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">Gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>03-09-2014, nummer 240</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 3 september
                        2014, nummer 240;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de <vet>“Re-integratieverordening Participatiewet gemeente
                            Dalfsen 2015”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Participatiewet</al></li><li nr="b."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van de gemeente Dalfsen </al></li><li nr="c."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van de gemeente
                                        Dalfsen </al></li><li nr="d."><al><cursief>doelgroep</cursief>: personen als bedoeld in
                                        artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;</al><lijst><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                                arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen
                                                één jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                                arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                                jaar.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 8, aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5, 6 en 9,
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>1.Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al> de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, artikel
                                    1 onderdeel a, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                                proefplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden voor zover dit
                                gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een proefplek is het beoordelen of een persoon
                                voldoende competenties heeft voor een beoogde arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaats de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde
                                werkgever en de persoon die op de proefplek wordt geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze: nog niet actief is geweest
                                op de arbeidsmarkt en/of een grote afstand heeft tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li><li nr="c."><al>de duur van de stage overeenkomst.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Plaatsing is mogelijk totdat het subsidieplafond is bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>De scholing/opleiding dient bij voorkeur te worden ingezet
                                        voor het alsnog behalen van startkwalificatie</al></li><li nr="b."><al>De scholing/opleiding kan alleen ingezet worden als dit de
                                        laatste weg is naar algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="c."><al>De scholing/opleiding noodzakelijk is voor het slagen van
                                        het traject of plan van aanpak.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan werkgevers de kosten van een no-risk polis vergoeden
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van 6 maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al> de werknemer een structurele functionele of andere
                                        beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer
                                        een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120% van het minimumloon,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af met de door de gemeente aangetrokken
                                verzekeraar en treedt op als verzekeringnemer. De begunstigde is de
                                werkgever. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met 24 maanden vanaf de
                                datum indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Indienstnemingsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers
                                die met een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                                arbeidsovereenkomst sluiten voor zover dit gezien zijn afstand tot
                                de arbeidsmarkt passend is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een uitstroompremie toekennen aan een langdurig
                                werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid
                                en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de zevende maand na de
                                indiensttreding en bedraagt €500,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            vergoeding voor verwervingskosten bieden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Innovatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en
                                toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen,
                                afwijken van het bepaalde in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten
                                hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening
                                kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot
                                aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re-integratieverordening 2012 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening 2012, die moet worden
                                beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening
                                voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening 2012 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re-integratieverordening 2012 blijft van toepassing ten aanzien
                                van een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                Participatiewet gemeente Dalfsen ( 1-1-2015)</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 20 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten J. Leegwater Msc</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met
                        de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                        verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van
                        haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht
                        blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de
                        daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het
                        formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing
                        zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van
                        iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend
                        re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven
                        om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de
                        Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                        geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom
                        is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                        college in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                        regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede
                                lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c,
                                van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b,
                                vierde lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                Participatiewet).</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                        behandeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                                werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                                vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                                onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit
                                arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                                minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in
                                die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                                van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                        aangeboden voorziening.</al><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening.</al><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                        moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                        over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                        functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                        gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                        beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het
                        VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling
                        van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het
                        volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten
                        en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                        eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                        voorgaande uitvoering gegeven.</al><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 5 (voorzieningen
                        werkstages) en 6 (sociale activering) aan personen aan die behoren tot de
                        doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is
                        gedefinieerd in artikel 1.</al><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 7
                        (detacheringsbaan) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                        korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel
                        1.</al><al><cursief>Overige voorzieningen</cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie
                        het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel
                        8), beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel
                        10), persoonlijke ondersteuning (artikel 11), no-riskpolis (artikel 12),
                        lindienstnemingsubsidie (artikel 13) en uitstroompremies (artikel 14). </al><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2,
                        derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                        houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                        college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht
                        moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn)
                        mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                        afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn
                        op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals
                        het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                        vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via
                        gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele
                        gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking
                        stelt.</al><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en
                        in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                        verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                        van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze
                        van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                        arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                        worden genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                        artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                        bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                        aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering
                        gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid,
                        onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid,
                        onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee
                        aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van
                        die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                        kosten worden teruggevorderd.<noot id="d4100e740"><noot.nr> 1
                                    </noot.nr><noot.al>Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                                ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540</noot.al></noot><sup/> Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk
                        Wetboek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>proefplaatsing</titel></kop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een proefplek
                        aanbieden voor zover dit passend is gezien zijn afstand tot de
                        arbeidsmarkt.</al><al>Het doel van de proefplaatsing is het beoordelen van iemand vaardigheden en
                        kennis ten behoeve van een concrete werkplek. De beoogde kandidaat heeft een
                        dermate afstand tot de arbeidsmarkt dat een normale proefperiode niet reëel
                        is. De beoogde kandidaat heeft door de proefplaatsing geen recht op loon. In
                        de term proefplek zit besloten dat de werkgever wel voldoende vertrouwen
                        heeft in de beoogde kandidaat met het oog op de indienstneming.</al><al>In een schriftelijke overeenkomst worden periode , doel en werkzaamheden
                        rond de proefplaatsing vastgelegd.</al><al>Een proefplaatsing kan alleen als er geen verdringing op de arbeidsmarkt
                        plaatsvindt. Het opvullen van een vacature door een proefplaatsing is niet
                        toegestaan als de vacature is ontstaan door afvloeing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                        beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst
                        de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                        arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                        gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                        bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen.
                        De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                        overeenkomst.</al><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft
                        bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                        verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden
                        van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage
                        in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken
                        van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een
                        onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                        vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de
                        doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de
                        arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is
                        geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door
                        langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze
                        verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon
                        gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op
                        een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de
                        arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                        persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan
                        worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                        geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven.
                        Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake
                        is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                        opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                        ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of
                        het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het
                        gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een
                        persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en
                        samenwerken met collega’s.</al><al> Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                        overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel en duur van de
                        stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                        schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                        werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als
                        er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een
                        vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door
                        afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.]</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht
                        te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                        arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                        staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale
                        activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van
                        onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                        zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                        c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering
                        kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                        verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<noot id="d4100e818"><noot.nr> 2
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz. 35</noot.al></noot><sup/></al><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot
                        de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                        zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                        arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                        (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                        activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig
                        moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik
                        wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan
                        een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke
                        voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote
                        afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit
                        nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig
                        kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het
                        einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                        persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op
                        sociale activering.<noot id="d4100e828"><noot.nr> 3
                                    </noot.nr><noot.al>CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB,
                                ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400</noot.al></noot><sup/></al><al> College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten
                        in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de
                        duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien
                        de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te
                        rigide termijn moeilijk zijn.</al><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4 en 5.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                        dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen.
                        In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                        vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband.
                        Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden
                        door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een
                        detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om
                        detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste
                        tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld
                        als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de
                        wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen
                        werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de
                        inhoud van het werk.</al><al>Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel 5 over
                        werkstages.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstituut. Het is moeilijk vooraf
                        algemene richtlijnen te geven die in de verordening opgenomen kunnen worden.
                        Scholing is een voorziening die in het algemeen de mogelijkheid biedt voor
                        duurzame uitstroom. Het uitgangspunt is eerst de arbeidsmogelijkheden te
                        verkennen waarvoor geen scholing nodig is.</al><al>Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op
                        plaatsing op de arbeidsmarkt. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel
                        tegen dit probleem aan.</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan
                        worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                        startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                        scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. De scholing wordt getoetst
                        aan de motivatie en cognitieve vaardigheden van de kandidaat.</al><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                        mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                        sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet). (Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                        lid.)</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                        persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over
                        een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing
                        of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                        werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                        gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft
                        aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                        dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                        bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing
                        of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                        het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                        de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente
                        een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke
                        mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In
                        de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<noot id="d4100e894"><noot.nr> 4
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz. 3.</noot.al></noot><sup/> Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college
                        uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert
                        voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen
                        omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet
                        uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het
                        aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte
                        omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                        beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                        Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit
                        de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de
                        beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte
                        omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie hebben. </al><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                        betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                        behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                        landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                        Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van
                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten
                        het advies niet te volgen.<noot id="d4100e913"><noot.nr> 5
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113.</noot.al></noot><sup/></al><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
                        worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                        werkgevers werken.<noot id="d4100e924"><noot.nr> 6
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 66.</noot.al></noot><sup/></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                        verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                        worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in
                        deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het
                        aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt.
                        Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de
                        gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken
                        maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze
                        mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.<noot id="d4100e933"><noot.nr> 7
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz.
                                115-116.</noot.al></noot><sup/></al><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                        hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod
                        is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                        werkgevers en de budgettaire mogelijkheden. Daarom moet het college overleg
                        voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde
                        lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                        ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel
                        zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn
                        voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en
                        volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                        uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                        personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                                geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                        jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                        school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                        kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                        mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook
                        worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot
                        27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                        behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                        onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                        artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat
                        een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat
                        de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in
                        aanmerking komt.<noot id="d4100e967"><noot.nr> 8
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 49.</noot.al></noot><sup/> In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                        Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere
                        uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning
                        bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                        omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                        jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                        hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit
                        gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen
                        die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de
                        Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                        Participatiewet.]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Gedacht moet worden aan een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                        tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                        systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk
                        zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                        niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                        heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                        uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                        reguliere werkgever werkzaam kan zijn.<sup/><noot id="d4100e987"><noot.nr> 9
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz.
                                115.</noot.al></noot>]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet). De no-riskpolis is een belangrijk instrument om
                        aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in
                        dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie
                        ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen
                        ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als
                        artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid,
                        onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                        werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                        behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor
                        de no-riskpolis.</al><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor
                        een no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                        no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                        duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort
                        tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                        functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever
                        een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet
                        ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben
                        binnen de gemeente.</al><al><cursief>Hoogte vergoeding</cursief></al><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120% van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><al><cursief>Contract met verzekeraar</cursief></al><al>De gemeente zal ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                        verzekering afsluiten met de door de gemeente aangetrokken verzekeraar. De
                        gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde
                        (derde lid).</al><al><cursief>Duur no-riskpolis</cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot 24 maanden na datum indiensttreding
                        van de werknemer bij de werkgever. </al><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                            verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                        Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus
                        zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis
                        over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b
                        van de Ziektewet van toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Indienstnemingsubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                        arbeidsinschakeling te bevorderen voor zover dit gezien de afstand tot de
                        arbeidsmarkt van de persoon passend is.</al><al>In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om
                        een persoon uieindelijk aan regulier werk te helpen.</al><al>Compensatie Het doel van de indienstnemingsubsidie is het bieden van
                        compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk
                        minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet
                        ten volle kan inzetten. Zo kan het college een indienstnemingsubsidie aan de
                        werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                        compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.<noot id="d4100e1054"><noot.nr> 10
                                    </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125.</noot.al></noot><sup/></al><al> Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 5.</al><al>De in artikel 13 van deze verordening geregelde indienstnemingsubsidie moet
                        worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen
                        10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is
                        geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet
                        en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in
                        artikel 13 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op
                        personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar
                        of uiterst kwetsbaar zijn.</al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden
                        aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                        staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid,
                        onderdeel e, van de Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon
                        die algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden aangevraagd
                        vanaf de zevende maand na indiensttreding en bedraagt een € 500,00. Onder
                        langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een
                        aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest)
                        op een uitkering. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een
                        eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                        van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie
                        vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><al>Deze voorziening beoogt de indiensttreding voor de potentiële werknemer te
                        vereenvoudigen. Soms is</al><al>de afwezigheid van een fiets of iets dergelijks een blokkade voor
                        indiensttreding. Deze voorziening</al><al>biedt daarvoor een oplossing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Innovatie</titel></kop><al>Het college kan, bij wijze van experiment afwijken van het bepaalde in deze
                        verordening. De duur van een experiment is ten hoogste drie jaar. Na afloop
                        van de drie jaar moet het college besluiten of zij experiment stopt dan wel
                        de afwijkende werkwijze borgt in de organisatie.</al><al>In het laatstgenoemde geval kan het noodzakelijk zijn dat de periode van
                        afwijkende behandeling wordt verlengd. Ook daarin voorziet dit artikel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als</al></li></lijst><al>toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                        voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond
                        van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                        voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie
                        waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na
                        inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het
                        denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel
                        in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van
                        deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van
                        artikel 3, tweede lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit
                        te voorkomen is in artikel 15, tweede lid, geregeld dat dergelijke
                        voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                        voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of -
                        als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor
                        zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening .
                        Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden
                        beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint
                        te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening (ingaande
                        1-1-2012) worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding
                        van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of
                        een voorziening wordt voortgezet (artikel 15, derde lid). Hierbij kan het
                        college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een
                        voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de
                        kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon
                        nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen
                        kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond
                        conform de overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk
                        als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer
                        voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de
                        Re-integratieverordening (ingaande 1-1-2012) of als de voorziening is
                        toegekend voor een kortere duur dan de periode van 12 maanden na
                        inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet
                        langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratie verordening 2012 van
                        toepassing (artikel 15, vierde lid, van deze verordening).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>