<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341145_1</dcterms:identifier><dcterms:title>INSPRAAKVERORDENING</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2003-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2003, 3</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Korendijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=150">Gemeentewet, artikel 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-11-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2003/3536</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en recht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>INSPRAAKVERORDENING</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Korendijk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 21 oktober 2003;</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de: </al><al/><al><vet>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij
                        de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening).</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al> inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al> inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al> beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor één of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De inspraakverordening van 6 december 1994 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente
                        Korendijk.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Korendijk op 4 november
                        2003,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Modelinspraakverordening</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr). </al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</tussenkop><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet
                    wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. Wij verwachten dat de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb omstreeks 1 juli 2004 in werking zal treden, tegelijk met de nog in
                    procedure zijnde Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure. </al><al>Ondanks het feit dat artikel 150 van de Gemeentewet volgens het overgangsrecht
                    pas een jaar na de inwerkingtreding van de wet zal worden aangepast, hebben wij
                    nu al de Modelinspraakverordening hierop aangepast om gemeenten in staat te
                    stellen tijdig aan de nieuwe wetgeving te voldoen. Het is juridisch geen
                    probleem om nu al de aanpassing te plegen, omdat dit ook volgens de huidige
                    wetgeving kan. Bovendien was in het model van 1993 afdeling 3.4 Awb al van
                    overeenkomstige toepassing verklaard. </al><tussenkop>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</tussenkop><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de
                    nieuwe afdeling 3.4 Awb alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet
                    zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook
                    de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz.
                    3). In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer
                    3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. </al><al>Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om
                    wel een ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze
                    te organiseren dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te
                    werken met andere termijnen, aldus de MvT.</al><tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder gedereguleerd. Nu
                    resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers. </al><tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen (regeling via het reglement van orde of een
                    commissieverordening). Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn:
                    het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere
                    orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te
                    vechten door middel van bezwaar en beroep. </al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen- hoe deze opgelost zullen worden<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><lijst><li nr="a."><al> Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de
                            in dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van
                            artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de
                            voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een
                            tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de
                            Gemeentewet ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                            gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Wij adviseren
                            echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel
                            onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan
                            worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                            beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven
                            voor inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al></li><li nr="b."><al>Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                            regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                            de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de
                            modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4,
                            tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere
                            procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor
                            uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak.</al></li><li nr="c."><al>Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                            voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van
                            beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                            vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming
                            van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn
                            eigen bevoegdheden besluit of</al><al>inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
                            Het begrip bestuursorgaan is</al><al>gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk
                            geval raad, college en</al><al>burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                            beleidsvoornemens aan inspraak </al><al>onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is
                            vermeld dat het ter volledige</al><al>beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                            beleidsvoornemens inspraak wordt</al><al>verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                            inspraak geschiedt door </al><al>middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door
                            de formulering van het eerste</al><al>lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een
                            andere wijze van inspraak wordt</al><al>geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een besluit
                            in de zin van de Awb. Hiertegen</al><al>kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien
                            een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij
                            opgesomd welke wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan
                            afgezien om dit op te nemen in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de
                            eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting direct de
                            verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats het een dermate
                            uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk
                            wordt.</al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans
                            bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan
                                    dan wel bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet
                                    op de Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel
                                    8 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="c."><al> de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke
                                    vernieuwing (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel
                                    4.17, derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                                    afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM
                                    (artikel 10.26, tweede lid, WM);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                                    voorzieningen gehandicapten); </al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de
                                    vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de
                                    Algemene bijstandswet (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                    (artikel 42, eerste lid, onder d) en de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                    (artikel 42, eerste lid, onder d);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van
                                    welstandstoetsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a
                                    en b, van de Woningwet (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure
                                    brengen van het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat
                                    aan inspraak onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat,
                                    indien de afwijkingen ten opzichte van het voorontwerp naar aard
                                    en omvang zodanig zijn dat een geheel ander plan is ontstaan,
                                    dit aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten
                                    nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak
                                    van de Raad van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is
                                    opengesteld (ABRS 22 januari 2003, inzake nummer 200001851/1,
                                    LJN-nummer AF3164).</al></li><li nr="-"><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop
                                    artikel 6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring
                                    van een deel van een uitwerkingsplan dat de bouw van woningen
                                    mogelijk maakt, is in strijd met artikel 6a WRO en de
                                    inspraakverordening nu aan omwonenden geen inspraak is verleend
                                    met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart 2000, GS, 151
                                    (2001) 7133, 7).</al></li><li nr="-"><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met
                                    artikel 6a WRO noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelf
                                    de aanvaardbaarheid van de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling
                                    heeft onderzocht en in het voorontwerp van het plan de voorkeur
                                    voor een bepaalde ontwikkeling heeft laten blijken, alvorens in
                                    het kader van de inspraakprocedure de bevolking daarover te
                                    raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde
                                    inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake
                                    nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit
                            de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang
                            hebbende natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden.
                            Het begrip ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze
                            definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het
                            wijkoverlegorgaan voorgelegd. De kring van personen die ingevolge
                            artikel 6a WRO moeten worden betrokken bij de voorbereiding van
                            ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is dat de inspraak die niet
                            overeenkomstig de inspraakverordening is verleend, in strijd is met
                            artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer 200102132/1,
                            LJN-nummer AE6455).</al><al/><al><vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van
                            de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en
                            met 3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure Awb: artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de
                            inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                            beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken (tot de
                            inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                            Awb nog vier weken) schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren
                            brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de
                            inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
                            inspraakprocedure worden aangepast. Niet ondenkbaar is dat bijvoorbeeld
                            de genoemde zesweken termijn door het bestuursorgaan te lang wordt
                            bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of
                            bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid.</al><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief
                                    referendum omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn
                                    zienswijze naar voren kan brengen). Dit middel zal echter,
                                    gezien de daaraan verbonden kosten, op beperkte schaal worden
                                    toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening dat dit in een
                                    afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                                    ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo
                                    zou voor artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen
                                    worden ontwikkeld met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee
                                    in plaats van zes weken.</al></li></lijst><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een
                            bestemmingsplan wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van
                            appellant tegen de beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond.
                            Appellant had hiertegen een klacht kunnen indienen en heeft dit niet
                            gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10 juli 2002, inzake nummer 200103950/1,
                            LJN-nummer AE5107).</al><al/><al><vet>Artikel 5 Eindverslag</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In
                            artikel 3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk
                            slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de
                            inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. </al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de
                            gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk
                            verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het
                            beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? </al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient
                            te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke
                            inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het
                            verslag worden gehecht. In de MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het
                            verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar
                            voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun
                            opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                            bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                            gebruikelijke wijze openbaar maakt. Dit is niet verder ingevuld, omdat
                            dit per gemeente kan verschillen. Wel wordt benadrukt dat de
                            bekendmaking van de resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is.
                            Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken een exemplaar
                            van het eindverslag te sturen. </al><al>Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant
                            en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is,
                            kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het
                            is aan te bevelen om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent
                            de communicatie te verschaffen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                            vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede
                            lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Intrekking oude verordening</vet></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De
                            datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de
                            verordening in werking treedt (zie artikel 7).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking.
                            Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste
                            dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen
                            (artikel 142 Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de
                            inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari
                            2002. Deze wet maakt referenda mogelijk over onder andere de
                            vaststelling, wijziging en intrekking van verordeningen. Wel zijn enkele
                            verordeningen uitgezonderd, die hier niet van belang zijn. De
                            vaststelling, wijziging of intrekking van een inspraakverordening is een
                            van de besluiten waarover een referendum kan worden gehouden.
                            Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden
                            gehouden, treden in afwijking van artikel 142 van de Gemeentewet niet
                            eerder in werking dan zes weken na de bekendmaking van de verordening
                            (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken hangt ermee samen dat na
                            bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over deze
                            verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het
                            houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden
                            voor een later tijdstip van inwerkingtreding. </al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een
                            inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de
                            inspraakverordening onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip
                            van inwerkingtreding van rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal
                            de raad, nadat vaststaat dat geen referendum wordt gehouden of het
                            referendum niet heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing
                            (artikel 5 Trw), opnieuw in de inwerkingtreding moeten voorzien. Indien
                            een referendum wordt gehouden dat leidt tot een raadgevende uitspraak
                            tot afwijzing, moet de raad na het referendum de beslissing tot
                            vaststelling of wijziging van de inspraakverordening heroverwegen. Ook
                            als de raad na heroverweging alsnog besluit tot inwerkingtreding (in
                            plaats van intrekking) van de inspraakverordening, zal de raad opnieuw
                            in een tijdstip van inwerkingtreding moeten voorzien. </al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip
                            van inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van
                            inwerkingtreding in de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook
                            geoorloofd in de verordening te bepalen dat de verordening in werking
                            treedt op een door de raad te bepalen tijdstip. Met het oog op de Trw is
                            deze keuze het eenvoudigst, waarbij het tijdstip van inwerkingtreding
                            pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk vaststaat dat over de
                            verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in de rede dat
                            ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding wordt
                            aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening
                            zelf.</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                            verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                            verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                            inspraakverordening kan worden ingediend. Op grond van de Trw is de
                            gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een verordening
                            indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een
                            referendum indienen (zie voor meer informatie over de Trw de circulaires
                            van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            (CW2001/82554 en CW2001/82050) en de ledenbrieven van de VNG over dit
                            onderwerp (Lbr. 01/158 en Lbr. 01/217). U kunt ook op de website
                            www.referendumwet.nl kijken).</al><al>In artikel 6 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening
                            wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude
                            regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking
                            treedt. De Trw maakt dit niet anders. Weliswaar kan over een besluit tot
                            intrekking van een verordening een referendum worden aangevraagd, echter
                            in dit model maakt het besluit tot intrekking deel uit van de
                            verordening tot vaststelling of wijziging van de bestaande
                            inspraakverordening en is alleen het besluit tot vaststelling van de
                            verordening referendabel.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Citeertitel </vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. In de
                            citeertitel wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn
                            wordt gewekt dat de verordening slechts voor een jaar geldt.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders van Korendijk,</al><al> de secretaris, de burgemeester,</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>