<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR341080_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-63750.html">Gemeenteblad van 11-11-2014, nummer 63750</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV/14/00479</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Buren, gelezen het voorstel van het college van
                        burgemeester en wethouders van 7 oktober 2014; gelet op de artikelen 2.1.3,
                        2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6,
                        2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning 2015; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid
                        dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                        maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar
                        daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met
                        personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in
                        staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning
                        door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                        blijven wonen; </al><al>dat het noodzakelijk is om regels bij verordening vast te stellen ter
                        uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met
                        betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en
                        participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of
                        psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk
                        is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen
                        met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren
                        van een inclusieve samenleving; </al><al/><al>besluit: </al><al> vast te stellen de: </al><al/><al>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren 2015 </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>alg</cursief><cursief>e</cursief><cursief>meen
                                        </cursief><cursief>gebruikeli</cursief><cursief>j</cursief><cursief>k</cursief><cursief>e
                                        </cursief><cursief>voorziening</cursief><cursief>:</cursief>
                                    voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een
                                    beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel
                                    duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al><cursief>andere voorziening</cursief>: voorziening anders dan in
                                    het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="c."><al><cursief>bele</cursief><cursief>i</cursief><cursief>dsrege</cursief><cursief>l</cursief><cursief>s</cursief>:
                                    Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                    Buren;</al></li><li nr="d."><al><cursief>besl</cursief><cursief>u</cursief><cursief>it</cursief>:
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren;</al></li><li nr="e."><al><cursief>bijdrage</cursief><cursief>in</cursief><cursief>d</cursief><cursief>e</cursief><cursief>ko</cursief><cursief>s</cursief><cursief>te</cursief><cursief>n</cursief>:
                                    bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>gesprek</cursief>: gesprek in het kader van het
                                    onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li><li nr="g."><al><cursief>hoofdverblijf</cursief>: de woonruimte, bestemd en
                                    geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste
                                    woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij
                                    in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat of zal staan.
                                    Indien de cliënt met een briefadres in de Basisregistratie
                                    Personen ingeschreven staat, gaat het om het feitelijke
                                    woonadres.</al></li><li nr="h."><al><cursief>hulpvraag</cursief>: behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li><li nr="i."><al><cursief>ingezete</cursief><cursief>n</cursief><cursief>e</cursief>:
                                    cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Buren;</al></li><li nr="j."><al><cursief>meldin</cursief><cursief>g</cursief>: kenbaar maken van
                                    de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                    eerste lid van de wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>onverwijl</cursief><cursief>d</cursief>: zo spoedig
                                    mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen;</al></li><li nr="l."><al><cursief>persoonlijk</cursief><cursief>pl</cursief><cursief>a</cursief><cursief>n</cursief>:
                                    plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel
                                    2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet,
                                    beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar
                                    zijn mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="m."><al><cursief>pgb</cursief>: persoonsgebonden budget als bedoeld in
                                    artikel 1.1.1 van de wet;</al></li><li nr="n."><al><cursief>uitvoeringsbeslui</cursief><cursief>t</cursief>:
                                    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;</al></li><li nr="o."><al><cursief>voorliggende voorziening</cursief>: algemene
                                    voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt
                                    tegemoetgekomen;</al></li><li nr="p."><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                    2015.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een melding van een ondersteuningsbehoefte kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                                college worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en
                                maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven
                                als door of namens de cliënt wordt aangegeven op basis van de
                                verstrekte informatie naar aanleiding van de melding geen behoefte
                                meer te hebben aan een verdere behandeling van zijn melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                                onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze
                                cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek
                                op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                                cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                tweede lid, van de wet en stelt hem gedurende zeven dagen na de
                                melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de
                                identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt door
                                een deskundige gevoerd met de cliënt, dan wel zijn
                                vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor
                                zover nodig zijn familie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college onderzoekt in dit gesprek zo spoedig mogelijk en voor
                                zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>Het gewenste resultaat van het verzoek tot
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op
                                        een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                        artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                                        verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                                        of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                        voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                        zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                        andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                        jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te
                                        voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van
                                        het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet
                                        verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt
                                        ingelicht over de gevolgen van die keuze</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4 aan het
                                college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                                onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd
                                het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt
                                afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek. Hierbij geeft hij de bevindingen weer van zowel de
                                medewerker als de cliënt, alsmede het eventuele ondersteuningsplan.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                cliënt het verslag van de uitkomsten van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt
                                een ondertekend exemplaar naar het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven
                                wat de reden is waarom hij niet akkoord is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening,
                                kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk of elektronisch bij het college worden
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan het ondertekend verslag van het gesprek aanmerken
                                als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de
                                aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degenedoor of namens wie een aanvraag is ingediend of
                                bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen.</al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoeaangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel><vet>Criteria voor maatwerkvoorziening</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling
                                van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan
                                        verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                                voorzieningen; of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                                bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in
                                staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                                mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of</al><lijst><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten,
                                        al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als
                                        gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze
                                        problemen naar het oordeel van het college niet kan
                                        verminderen of wegnemen;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                                voorzieningen; of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen</al></li></lijst></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                                bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                                wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen
                                kracht te handhaven in de samenleving.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven, tenzij;</al><lijst><li nr="a."><al>de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                        gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                        rekenen; </al></li><li nr="b."><al>de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of;</al></li><li nr="c."><al>de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                        biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                        ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als
                                de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over op welke wijze en op
                                basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                                bepaalde maatwerkvoorziening in aanmerking komt, en over de
                                voorwaarden waaronder het beschermd wonen door de centrumgemeente
                                uitgevoerd gaat worden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast welke algemene voorzieningen en
                                maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel pgb, niet zijnde
                                beschermd wonen of opvang, bestaat indien de cliënt geen
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Buren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover met
                                betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding
                                geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
                                van een andere wettelijke bepaling bestaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien het een voorziening
                                betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft
                                gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor
                                schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog
                                kan worden vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in
                                        de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>indien de noodzaak tot het treffen van deze voorziening het
                                        gevolg is van achterstallig onderhoud, dan wel slechts
                                        strekt ter renovatie van de woning of deze in
                                        overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs
                                        aan de woning mogen worden gesteld</al></li><li nr="c."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                        geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                        zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                        voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door
                                        het college.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of
                                als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen
                                de beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het
                                        beoogde resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is
                                        gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt hierover
                                in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tarief voor een pgb: </al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld
                                        plan over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                        diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                        maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van
                                        derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een
                                        vergoeding voor onderhoud en verzekering, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in
                                        natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit
                                verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens
                                vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van een pgb voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de
                                kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben
                                ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de
                                naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de
                                kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte
                                termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend
                                met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe
                                voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening
                                houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en
                                rekening houdend met onderhoud en verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten,
                                hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de
                                volgende voorwaarden betreffende het tarief, betrekken van een
                                persoon die behoort tot het sociaal netwerk:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten
                                dan het ingevolge het derde, vierde en vijfde lid vastgestelde
                                tarief, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>dat tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden
                                betaald. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te
                                worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte
                                van het pgb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder
                                a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of
                                onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft
                                plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan
                                opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk
                                de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>– Bijdrage in de kosten </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb,
                                        zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of
                                        gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en
                                        afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en
                                        zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura en pgb wordt
                                bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>door een aanbesteding;</al></li><li nr="b."><al>na een consultatie in de markt, of</al></li><li nr="c."><al>in overleg met de aanbieder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet,
                                worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb vastgesteld
                                en geïnd door de opvangorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt
                                ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is
                                de bijdrage in de kosten verschuldigd door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en </al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt. </al></li></lijst><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn
                                ontheven of ontzet</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten
                                zijn gelijk aan de bedragen en percentages opgenomen in het
                                uitvoeringsbesluit. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>– Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs‐kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b.."><al>de voor de sector toepasselijke CAO‐schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non‐productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg; en </al></li><li nr="e."><al>de kosten voor bijscholing van personeel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs‐kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="i."><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                                voorziening;</al></li><li nr="ii."><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="iii."><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="iv."><al>verplichte deelname in bepaalde
                                                samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld sociale
                                                gebiedsteams).</al></li></lijst></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>– Waardering maltelzorgers </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>– Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle
                                voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de
                                volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>Hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="b."><al>Begeleiding;</al></li><li nr="c."><al>Kortdurend verblijf. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleidbetreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste
                                en tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>– SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>- Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Buren geldende bedragen verhogen
                            of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie,
                            zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning (Stb. 2006, 450).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                            geëvalueerd. Het</al><al>college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de
                            verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en
                            de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening nietvoorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen Wmo gemeente Buren 2012 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Buren 2012, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen Wmo
                                gemeente Buren 2012 en waarop nog niet is beslist bij het in werking
                                treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                Verordening voorzieningen Wmo gemeente Buren 2012, geschiedt op
                                grond van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Buren 2012 die
                                ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Buren 2015.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, G. van Droffelaar</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, J.A. de Boer MSc</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Buren 2015</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad. a
                        <cursief>Algemeen</cursief><cursief>g</cursief><cursief>e</cursief><cursief>bruikeli</cursief><cursief>j</cursief><cursief>k</cursief><cursief>e</cursief><cursief>v</cursief><cursief>o</cursief><cursief>orziening</cursief></al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><al>‐ Is de voorziening gewoon te koop?</al><al>‐ Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die
                    algemeen gebruikelijk worden geacht?</al><al>‐ Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</al><al>Ad. b <cursief>Andere voorziening</cursief></al><al>Voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    2015</al><al>Ad c. <cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. d <cursief>Besluit</cursief></al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. e
                        <cursief>Bijdrage</cursief><cursief>in</cursief><cursief>d</cursief><cursief>e</cursief><cursief>kosten</cursief></al><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten. Cliёnten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente
                    daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een
                    maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het
                    vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld.
                    Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij
                    delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de
                    eigen bijdrage.</al><al>Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliёnt in de
                    kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan,
                    anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><al>Ad f <cursief>Gesprek</cursief></al><al>Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid,
                    van de wet. </al><al>Het <onderstreept>gesprek</onderstreept> is het mondeling contact na een melding
                    waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn
                    gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen
                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen
                    uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende
                    voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of
                    maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te
                    voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang</al><al>Ad g. <cursief>Hoofdverblijf</cursief></al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. h <cursief>Hulpvraag</cursief></al><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.1.4 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan
                    maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat
                    allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de
                    betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand
                    duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig
                    onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk</al><al>Ad. i <cursief>Ingezet</cursief><cursief>e</cursief><cursief>ne</cursief></al><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel
                    1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang
                    in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland
                    zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat
                    een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college
                    van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de
                    jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22‐09‐2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het
                    gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp
                    belangrijk is maar niet doorslaggevend.</al><al>Ad. j
                        <cursief>Meld</cursief><cursief>i</cursief><cursief>n</cursief><cursief>g</cursief></al><al>Melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.
                    Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding
                    zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek
                    (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de
                    beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen
                    maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te
                    stellen.</al><al>Ad. k <cursief>Onverwijld</cursief></al><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet
                    worden verstaan. Het is echter ook van belang voor de cliënt dat hij een indruk
                    heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit tweede perspectief zou men zodanig van
                    belang kunnen vinden, dat deze passage in de verordening wordt opgenomen. Het
                    komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende
                    ruimte voor maatwerk.</al><al>Ad. l <cursief>Persoonlijk</cursief><cursief>plan</cursief></al><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk ‐
                    de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van
                    de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst,
                    beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel</al><al>2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college.
                    Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een
                    persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze
                    waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig
                    is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een
                    persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid
                    van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt.</al><al>Ad. m <cursief>pgb</cursief></al><al>Definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. n <cursief>Uitvoeringsbesluit</cursief></al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Ad. o <cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al>Algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt
                    tegemoetgekomen.</al><al>Ad. p <cursief>Wet</cursief></al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke
                    definities hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="-"><al>aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college
                            gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te
                            leveren;</al></li><li nr="-"><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                            voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
                            mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid
                            en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen
                            leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="-"><al>cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan
                            wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of
                            door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies
                            en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                            zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                            mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                            ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                            wonen, werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                            redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende
                            kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="-"><al>maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang,
                            de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van
                            voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de
                            veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en
                            bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid
                            en de participatie van personen met een beperking of met chronische
                            psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                            leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; -
                            maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
                            van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van
                            zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een
                            instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                            noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                            andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen
                            het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                            maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; -
                            mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                            jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader
                            van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen aan het
                            maatschappelijke verkeer; - persoonsgebonden budget: bedrag waaruit
                            namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening
                            behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal
                            netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de
                            cliёnt een sociale relatie onderhoudt;</al></li><li nr="-"><al>vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                            vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                            waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene
                            voorziening of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot
                            het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                            levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd
                            huishouden.</al></li></lijst><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een
                    besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2).</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 – MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Melding</tussenkop><al>De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                    de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet
                    gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch
                    worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het
                    sociale wijkteam. In het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de
                    melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te
                    leggen en dat deze vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden
                    gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als
                    vertegenwoordiger kan optreden.</al><al>In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de
                    ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet.
                    Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van
                    de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging
                    van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. De gemeente kan hier wel voor
                    kiezen in verband met de registratie en zorgvuldigheid. Derhalve is de
                    schriftelijke bevestiging als optie opgenomen in het artikel.</al><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
                    cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de
                    memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder
                    geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                    burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                    ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 4. Persoonlijk plan</tussenkop><al>De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen
                    in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de
                    volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals
                    ingevoegd. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een
                    amendement (TK 2013‐2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het
                    onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college
                    direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn
                    persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te
                    participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.</al><tussenkop>Artikel 5. Informatie en identificatie</tussenkop><al>Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                    concreet de artikelen</al><al>2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de
                    aanvraagfase van een besluit regelt</al><al>dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 4
                    geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden
                    is. In de Memorie van Toelichting op artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven
                    welke documenten onder artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals
                    bedoeld in lid 2 van artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6. Onderzoek</tussenkop><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. </al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is
                    vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    decliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat
                    zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het
                    verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning
                    effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf
                    vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo
                    2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.</al><al>In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrekt bij het onderzoek. </al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vijfde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.</al><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige
                    dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2,
                    vijfde lid, van de wet opgenomen. </tussenkop><tussenkop>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van
                    deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de
                    praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33
                    841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag
                    te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een
                    goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing
                    te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke
                    communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van
                    het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is
                    goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een
                    maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard
                    een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de
                    schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een
                    met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn
                    zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                    passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een
                    persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan
                    het verslag.</tussenkop><tussenkop>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch
                    nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint
                    het tweede lid met de zinsnede “Binnen […] werkdagen na het gesprek”. Het kan
                    overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat
                    er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om
                    boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is
                    een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><tussenkop>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en
                    tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een
                    cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                    beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college
                    binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven
                    (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de
                    aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van
                    de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk
                    ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen
                    (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. </tussenkop><tussenkop>In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe
                    door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van
                    vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit
                    is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan
                    doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat
                    om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de
                    formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </tussenkop><al>De derde optionele toevoeging slaat een brug tussen de melding en de aanvraag.
                    Het zorgt ervoor</al><al>dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de
                    aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.</al><tussenkop>Artikel 9. Advisering</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de
                    degene door of namens</al><al>wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend,
                    alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op
                    een voorziening.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.</al><al>In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal
                    in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het
                    college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet
                    advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur
                    is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties
                    hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 - MAATWERKVOORZIENING</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (TK 2013‐2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per
                    gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente
                    anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente
                    gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening
                    limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.
                    De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in
                    detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting
                    uitgewerkt.</al><al>Een van deze toetsingscriteria is de vraag of de beperking kan worden opgelost
                    met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening (tweede lid onder a
                    v). Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                    verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te
                    achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben
                    kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008,
                    nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012,
                    nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die
                    algemeen gebruikelijk</al><al>worden geacht?</al><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</al><al>In artikel 3 wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat
                    om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl
                    het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld
                    door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen
                    schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol
                    spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere
                    dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                    van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan</al><al>In lid 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                    goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze
                    verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                    compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij
                    gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve
                    maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding
                    in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van
                    een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald
                    wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                    vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat
                    betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                    aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de
                    belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het
                    begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen
                    het beleid.</al><tussenkop>Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een</al><al>beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben.
                    Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8‐11‐2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het
                    kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van
                    afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor
                    de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.
                    Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel
                    2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke
                    criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</al><al>In het eerste artikel wordt bepaald dat de client die geen woonplaats heeft in
                    de gemeente Buren geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening dan wel pgb.
                    Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de verordening. Voor
                    het bieden van beschermd wonen of opvang geldt deze eis strikt genomen
                    niet.</al><al>Lid 2.</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is</al><al>echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten.
                    Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met
                    betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de
                    noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke
                    bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.</al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 09‐ 11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011,
                    nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk
                    moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een
                    voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien
                    vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr.
                    09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk</al><al>voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende
                    voorziening (CRvB 22‐05‐ 2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het
                    overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.</al><al>Lid 3.</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze reeds door de</al><al>cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden
                    meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch
                    anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie
                    de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een
                    voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met
                    hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.</al><al>Op lid 4 ad b: Aan deze afwijzingsgronden ligt de eigen verantwoordelijkheid ten
                    grondslag. De cliënt is verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud
                    aan diens woning zelf op te lossen of in geval van een huurwoning, de verhuurder
                    hiervoor aansprakelijk te stellen.</al><tussenkop>Artikel 12. Beschikking</tussenkop><tussenkop>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in
                    ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid
                    van het toekennen van een budget. </tussenkop><tussenkop>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</tussenkop><tussenkop>Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn
                    waarop een voorziening technisch is afgeschreven.</tussenkop><tussenkop>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het
                    college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op.
                    Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep
                    daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is
                    bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met
                    uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd
                    door het CAK.</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke</al><al>voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college
                    worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de
                    cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met
                    behoud van de motivatie‐eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing
                    van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op
                    amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald
                    op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de
                    hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan
                    bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die
                    voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in
                    natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te
                    brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven
                    hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de
                    verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                    geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de
                    kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten,
                    zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in
                    natura.</al><al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo‐praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6,
                    derde lid, van de wet).</al><al>In het zevende lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de
                    besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie
                    waarin het recht oneindig open zou moeten staan.</al><tussenkop>Artikel 14. Controle</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen
                    of pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel
                    daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de
                    besteding van voorzieningen op grond van deze wet.</al><tussenkop>Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel
                    2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder
                    geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                    van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk
                    gebruik van de wet.</tussenkop><tussenkop>[Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al
                    in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname
                    van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van
                    de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.]</tussenkop><tussenkop>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de
                    bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de
                    beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen,
                    heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te
                    trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het
                    tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura)
                    ziet).</tussenkop><tussenkop>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal
                    van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ </tussenkop><tussenkop>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het
                    college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen
                    verstrekte voorzieningen.</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 4 – BIJDRAGE IN DE KOSTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Bijdrage in de kosten</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met
                    derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</tussenkop><tussenkop>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door
                    hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen
                    bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het
                    bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier
                    verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige
                    informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er
                    zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken,
                    zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</tussenkop><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 - KWALITEIT EN VEILIGHEID</tussenkop><tussenkop>Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
                    In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 - WAARDERING MANTELZORGERS</tussenkop><tussenkop>Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7 - KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK</tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    [In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht.
                    Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in
                    het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten
                    van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de
                    Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook
                    het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman
                    te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de
                    eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.</al><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57‐58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een</al><al>gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of
                    over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over
                    een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de
                    kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de
                    deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige
                    communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open. </al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><tussenkop>Artikel 22. Medezeggenschap</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist
                    is.</al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten.</al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.</al><al>Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 8 – SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. Indexering</tussenkop><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Een college is op basis van dit
                    artikel ook bevoegd eigen bedragen aan te passen.</al><al>Om deze reden is het voor de hand liggend alle bedragen in het gemeentelijke
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de bedragen snel en
                    gemakkelijk aan te passen zijn.</al><tussenkop>Artikel 25. Evaluatie</tussenkop><al>De wet vereist evaluatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid deze evaluatie in de
                    tijd vast te leggen.</al><tussenkop>Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
                    Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule
                    vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid
                    terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4. In dit artikel is het
                    overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk
                    gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft
                    plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die
                    nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening
                    beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben,
                    is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als
                    dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt
                    gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is
                    geweest en zijn rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. De zelfde
                    regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid.</al><tussenkop>Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te</al><al>worden aangehaald.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>