<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340987_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerhugowaard 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officielebekendmakingen.nl d.d. 12-11-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerhugowaard 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 2 Wmo 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-11-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening Wmo</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2014108</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordeningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerhugowaard 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerhugowaard
                            2014</vet></al><al/><al>Nr.RB2014108</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 september
                        2014,</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,[<cursief>eerste, tweede,</cursief>]derde
                        enzevende lid<cursief>, </cursief>[<cursief>2.1.5, eerste lid,</cursief>]
                        2.1.6, [<cursief>2.1.7, 2.3.6, vierde lid,</cursief>] en 2.6.6, eerste lid,
                        van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>gezien het advies van de Clientenadviesraad Heerhugowaard,</al><al/><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                        dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                        bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                        onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie,
                        een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij
                        zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het
                        noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan
                        als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning
                        bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met
                        een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen,
                        beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid
                        van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te
                        bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                        samenleving;</al><al>besluit vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerhugowaard
                            2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><al>-algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is
                        bedoeld voormensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet
                        of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;</al><lijst><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
                                in artikel 2.3.2,</al><al> eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente
                                Heerhugowaard;</al></li></lijst><al><cursief>- </cursief>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel
                        2.3.2, eerste lid, van de wet;</al><lijst><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening
                                waarmee aan de</al><al> hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                            gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kostenloze</al><al> cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt
                                is.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                                bedoeld in artikel2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                                gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over
                            de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een
                            afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens
                            en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek
                            nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                            krijgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in
                            overeen-stemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld
                            in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                            persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op
                            te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de
                            gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek.</al></li><li nr="2."><al>Het college onderzoekt in het gesprek tussen deskundigen en de
                                degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens
                                vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantel-zorger of
                                mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor
                                zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op
                                        een maatwerkvoorziening; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                        artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                                        verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                                        of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                        voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                        zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                        andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                        jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te
                                        voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van
                                        het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet
                                        verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt
                                        ingelicht over de gevolgen van die keuze. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde
                                lid, aan het college heeft</al><al> overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek,
                                bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten enplichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn </al></li></lijst><al>ppersoonsgegevens te verwerken. </al><al>5.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                        bepaalde inartikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een
                        gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan, indien gewenst, een door hem daartoe aangewezen
                        adviesinstantie om advies vragen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                            onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                            maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende
                                verslag<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om
                            een maatwerk</al><al> voorziening schriftelijk indienen bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit wenst,
                            worden beschouwd als schriftelijke aanvraag voor een
                            maatwerkvoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling
                                van een aanvraag om een maatwerkvoorziening</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><al>a.ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of
                                psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in
                                staat is tot zelfredzaamheid </al><al> of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het
                                oordeel van het</al><al> college niet kan verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="I."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="II."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="III."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="IV."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="V."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;
                                        of</al></li><li nr="VI."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen. </al></li></lijst></li></lijst><al/><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in
                        het artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren
                        van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid
                        of participatie en zolang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,
                        en/of </al><al/><al><cursief> b.</cursief> ter compensatie van de problemen bij het zich
                        handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in
                        verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld,
                        voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet
                        kan verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="I."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="II."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="III."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="IV."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of</al></li><li nr="V."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen. </al></li></lijst><al/><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in
                        het artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in
                        de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                        realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo
                        snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.</al><lijst><li nr="3."><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                                maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                        niet vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was,
                                        maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon</al></li></lijst></li></lijst><al> worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had
                        gemaakt.</al><al>4.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder
                        door hetcollege verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de
                        eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, </al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                gevolg van</al><al> omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt
                                voor de behoefte</al><al> van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.</al><lijst><li nr="5."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het
                                        college de goedkoopst adequate voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="·"><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="·"><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="·"><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="·"><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd</al><lijst><li nr="·"><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="·"><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="·"><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; </al></li><li nr="·"><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="·"><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum
                            van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate
                            voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en
                            wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en
                            verzekering. </al><al>4. Het college stelt nadere regels [1] vast over de wijze waarop de
                            hoogte van een pgb wordt vastgesteld.</al><al>5. Een cliënt ten behoeve van wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten,
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende
                            voorwaarden betreffende het tarief betrekken van een persoon die behoort
                            tot het sociale netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten
                                    dan door het college in</al><al> nadere regels vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door
                                    het college in nadere regels [2] vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                    persoonsgebonden</al><al> budget worden betaald. </al><al/><al>Noot 1: Deze nadere regels zijn vastgelegd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Heerhugowaard.</al><al>Noot 2: Deze nadere regels zijn vastgelegd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Heerhugowaard. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten algemene voorzieningen
                            (tariefsbijdrage) en van maatwerkvoorzieningen (eigen bijdrage)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het pgb wordt verstrekt,</al><al> overeenkomstig het Besluit maatschappelijke ondersteuning,
                                        en afhankelijk van het </al><al> inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot
                                        [3].</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>t.a.v. de <cursief>tariefsbijdrage</cursief> voor algemene
                                voorzieningen kan het college bij nadere regels [4]</al><al> bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een</al></li></lijst></li></lijst><al> tariefsbijdrage is verschuldigd;</al><lijst><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                tariefsbijdrage is.</al><lijst><li nr="3."><al>t.a.v. de <cursief>eigen bijdrage</cursief> bepaalt het
                                        college bij nadere regels:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt
                                bepaald, en b. door welke andere instantie dan het CAK in de
                                gevallen bedoeld in artikel 2.1.4,</al></li></lijst><al> zevende lid, de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden
                        vastgesteld en </al><al> geïnd;</al><al>c.dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van
                        een</al><al> woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de
                        onderhoudsplichtige </al><al> ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1
                        van het </al><al> Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan
                        als </al><al> ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.</al><al/><al>Noot 3: Volgens het BW artikel 1:80A worden echtgenoot en geregistreerd
                        partner gelijkgesteld.</al><al>Noot 4: deze nadere regels zijn vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning Heerhugowaard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al><lijst><li nr="·"><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt;</al></li><li nr="·"><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; </al></li><li nr="·"><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervarings- onderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren diensten, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="·"><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="·"><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="·"><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li><li nr="·"><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling</al><al> van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige
                            voorzieningen, in </al><al> ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken
                                    die in verband met de voorziening van de leverancier worden</al><al> gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="·"><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden
                                            (bijv. sociaal wijkteams). </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden
                            voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een client aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening of
                            pgb is verstrekt, is verplicht aan het collegemededeling te doen van
                            feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                            deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als
                            bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom en/of in bruikleen verstrekte
                            voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden
                            teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al
                            dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel
                        2.1.2 van de wet, nadere regels stellen ten aanzien van het verstrekken van
                        een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                        participatie aan personen met een beperking of chronische psychische of
                        psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten
                        hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffend maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                            krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking
                            tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                            advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels[5] vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al><al/><al>Noot 5: Deze nadere regels zijn vastgelegd in de Verordening Cliënten
                            Advies Raad, in werking getreden 1 mei 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De <cursief>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Heerhugowaard </cursief>wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de <cursief>Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Heerhugowaard,</cursief> totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></li></lijst><al><cursief>3</cursief>. Aanvragen die zijn ingediend onder de
                            <cursief>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Heerhugowaard </cursief>en waarop nog niet is beslist bij het
                        in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                        verordening. </al><lijst><li nr="4."><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                    <cursief>Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Heerhugowaard,</cursief> wordt beslist
                                met inachtneming van die verordening.</al></li><li nr="5."><al>Van het in lid 3 en lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt
                                worden afgeweken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Heerhugowaard 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 28 oktober 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</titel></kop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want
                    waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige,
                    tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die
                    bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                    leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders.
                    Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de
                    toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan
                    niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten
                    ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening
                        <onderstreept>dient</onderstreept> overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede
                    tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in
                    ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een</al><al> maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen
                            of opvang in aanmerking komt; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook <onderstreept>dient</onderstreept> de gemeente overeenkomstig de artikelen
                    2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels
                    te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast <onderstreept>kan</onderstreept> de gemeente op grond van de artikelen
                    2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van
                    de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, verschillend vaststellen.</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Een <cursief><onderstreept>algemeen gebruikelijke
                        voorziening</onderstreept></cursief>is eenvoorziening waarvan gelet op
                    deomstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
                    als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a.
                    CRvB 03<vet>-</vet>07<vet>-</vet>2001, nr. 00/764 WVG,
                        CRvB16<vet>-</vet>04<vet>-</vet>2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB
                        14<vet>-</vet>07<vet>-</vet>2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem </al><al>16<vet>-</vet>08<vet>-</vet>2012, nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17<vet>-</vet>11<vet>-</vet>2009, nr. 08/3352 WMO).
                    De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de
                    cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening
                    zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij
                    die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria
                    een rol spelen:</al><lijst><li nr="·"><al>Is de voorziening gewoon te koop? </al></li><li nr="·"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen</al><al> gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="·"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?.
                        </al></li></lijst><al>’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en
                    is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke
                    definitie hieronder.</al><al>Het <cursief><onderstreept>gesprek</onderstreept></cursief> is het mondeling
                    contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke
                    ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn
                    mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                    hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van
                    voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene
                    voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te
                    verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of
                    opvang.</al><al>De cliënt kan als hij <cursief><onderstreept>ingezetene</onderstreept></cursief>
                    is van een gemeente in aanmerking komen voor een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1
                    Wmo). </al><al>Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in
                    aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn,
                    maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een
                    ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van
                    de gemeente waar hij woont. </al><al>De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007,
                    (CRvB 22<vet>‐</vet>09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat omde feitelijke
                    verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet
                    doorslaggevend.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke
                    definities hieronder weergegeven.</al><al>-<cursief><onderstreept>aanbiede</onderstreept>r: </cursief>natuurlijke persoon
                    of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of
                    een maatwerkvoorziening te leveren;</al><al><cursief>- <onderstreept>algemene voorziening</onderstreept>: </cursief>aanbod
                    van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de
                    behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is
                    en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;</al><al><cursief>- <onderstreept>begeleiding</onderstreept>: </cursief>activiteiten
                    gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt
                    opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;</al><al><cursief>- <onderstreept>cliënt</onderstreept>: </cursief>persoon die gebruik
                    maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of
                    persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan
                    als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </al><al><cursief>- <onderstreept>cliёntondersteuning</onderstreept>:
                    </cursief>onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene
                    ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en
                    participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op
                    het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg,
                    jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al><al><cursief>- <onderstreept>gebruikelijke hulp</onderstreept>: </cursief>hulp die
                    naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                    echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; </al><al><cursief>- <onderstreept>maatschappelijke ondersteuning</onderstreept>:
                    </cursief>1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                    vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten
                    voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente,
                    alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de
                    zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met
                    chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                    leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; <cursief> -
                            <onderstreept>maatwerkvoorziening</onderstreept>: </cursief>op de
                    behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel
                    van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten
                    behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een
                    instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten
                    behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke </al><al> vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van
                    beschermd wonen en opvang; <cursief>- <onderstreept>mantelzorg</onderstreept>:
                    </cursief>hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen,
                    opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige
                    diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit
                    een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het
                    kader van een hulpverlenend beroep; <cursief>-
                            <onderstreept>participatie</onderstreept>: </cursief>deelnemen aan het
                    maatschappelijke verkeer;<cursief> -<onderstreept>persoonsgebonden
                            budget</onderstreept>: </cursief>bedrag waaruit namens het college
                    betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                    andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt
                    van derden heeft betrokken; <cursief>- <onderstreept>sociaal
                            netwerk</onderstreept>: </cursief>personen uit de huiselijke kring of
                    andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt; </al><al><cursief>- <onderstreept>vertegenwoordiger</onderstreept>: </cursief>persoon of
                    rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden
                    geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; <cursief>-
                            <onderstreept>voorziening</onderstreept>: </cursief>algemene voorziening
                    of maatwerkvoorziening; <cursief>- <onderstreept>zelfredzaamheid</onderstreept>:
                    </cursief>in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene
                    dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd
                    huishouden.</al><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): <cursief>een verzoek van een belanghebbende
                        om een besluit te nemen</cursief>, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag </tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang. </al><al>Inherent aan op de persoon en zijn of haar situatie afgestemde ondersteuning kan
                    er bij spoedeisende situaties snel gehandeld worden. Dit wordt duidelijk in het
                    eerste gesprek.</al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook
                    in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.
                    In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is
                    uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het
                    college. </al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
                    deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan.
                    Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens
                    vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere
                    betrokkene de melding doen. </al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die
                    op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden
                    doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de
                    Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van
                    artikel 8, tweede lid.</al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het
                    bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat
                    kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling
                    of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. </al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging
                    van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
                    cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de
                    memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder
                    geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                    burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                    ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de
                    gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de
                    melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens
                    het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen
                    worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over
                    te leggen. </al><al>De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid,
                    is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. Bij de
                    gegevens-verzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van
                    de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.</al><al>Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat
                    een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.</al><al>In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de
                    verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de
                    mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan
                    het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, 2<sup>de</sup> lid. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Onderzoek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is
                    vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    decliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker
                    essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het
                    verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning
                    effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf
                    vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo
                    2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrekt bij het onderzoek. </al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vijfde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van
                    belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt,
                    zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog
                    nodig is. </al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van
                    de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                    p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt
                    het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op
                    een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
                    Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de
                    uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                    heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de
                    uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij
                    meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk
                    zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                    (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie
                    waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn
                    vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan
                    ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook
                    opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al>Het tweede lid slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor
                    dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de
                    aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>Naast de cliënt kan alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een
                    vertegen-woordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting
                    onder artikel 1) een aanvraag indienen. Dit is minder ruim dan de kring van
                    personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de
                    toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een
                    beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of
                    vertegenwoordiging gesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 9. Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3, tweede lid,
                    onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op
                    basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij
                    het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke
                    vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen
                    verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook
                    het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is
                    daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt
                    geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet
                    wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet
                    nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In
                    dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een grote rol in de Wmo,
                    getuige</al><al>ook de uitspraken van de CRvB waarin dit herhaalderlijk is benadrukt. Daarbij
                    wordt niet alleen gekeken naar de mogelijkheden die een cliënt nu kan treffen om
                    op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal
                    netwerk zijn hulpvraag in te vullen maar ook of de noodzaak tot ondersteuning
                    vermijdbaar was doordat de cliënt andere maatregelen hadden kunnen treffen die
                    de hulpvraag overbodig had gemaakt. Daarbij valt te denken aan het verhuizen
                    naar een geschikte woning. </al><al>In lid 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                    goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze
                    verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                    compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij
                    gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve
                    maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding
                    in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van
                    een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald
                    wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                    vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat
                    betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                    aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de
                    belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het
                    begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen
                    het beleid.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</al><al>Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop
                    een voorziening technisch is afgeschreven.</al><al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                    immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie
                    artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald datde
                    bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met
                    uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd
                    door het CAK.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al>Het derde tot en met vijfde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b,
                    van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op
                    welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte
                    toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33
                    841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het
                    pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente
                    verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten
                    hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte
                    van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende
                    vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten
                    kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld
                    onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                    netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en
                    hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s
                    e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan worden toegekend ook als de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de
                    door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde
                    aanbod. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het
                    aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden
                    geheel geweigerd kan worden. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat
                    gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><al>Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. De wet maakt een onderscheid
                    tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen (tariefsbijdrage) en
                    maatwerkvoorzieningen (eigen bijdrage). De tariefsbijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door
                    hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke
                    tariefsbijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij
                    het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier
                    verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige
                    informatievoorziening uit zal sluiten van een tariefsbijdragen. Gemeenten hebben
                    er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te
                    maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Deze
                    beleidskeuzes zullen worden vastgelegd in het Beleidsplan.</al><tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning en/of afspraken hierover
                    vast te leggen in het contract dat met aanbieders wordt gesloten.</al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is
                    verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Belangrijk uitgangspunt hierbij
                    is dat de voorziening in ieder geval een bijdrage moet leveren aan het oplossen
                    van het ondervonden probleem. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de
                    deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of </tussenkop><tussenkop> terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft.
                    In het derde lid is bepaald dat als binnen zes maanden na de beslissing tot het
                    verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, het college de
                    bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze
                    bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid,
                    onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                    chronische problemen </tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is
                    opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan
                    personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen
                    die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                    wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                    participatie.</al><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke
                    aanvraag is een beschikking. Deze beleidskeuzes zullen worden vastgelegd in het
                    Beleidsplan.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de verordening in ieder
                    geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de
                    afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeente-ambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat
                    aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De
                    aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen
                    verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid,
                    onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het
                    eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al>Met het 4<sup>de</sup> lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte
                    invulling van de medezeggen-schap vorm te geven. Door de gemeenteraad
                    Heerhugowaard is in 2007 al besloten één Cliënten Advies Raad (CAR) in te
                    stellen ter vervanging van de Cliëntenraad WWB en de Gehandicapten-raad. Hierbij
                    heeft de raad gekozen de leden van de CAR niet op voordracht van instellingen/
                    belangengroepen te benoemen maar om individuele burgers uit te nodigen om te
                    solliciteren. </al><al>De CAR heeft de volgende doelstellingen meegekregen:</al><lijst><li nr="1."><al>Belangenbehartiging van verstandelijk en/of lichamelijk gehandicapten en
                            chronisch zieken, ouderen, psychiatrische patiënten, cliënten
                            verslavingszorg, dag- en thuislozen, mantelzorgers, cliënten in de
                            vrouwen- en jeugd hulpverlening en iedereen die is aangewezen op een
                            uitkering en/of bijzondere bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Inzicht verschaffen in wat er onder (potentiële) cliënten leeft in
                            samenhang met de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening om, waar
                            mogelijk, te komen tot een grotere inbreng van cliënten;</al></li><li nr="3."><al>Fungeren als contactpunt in de gemeente voor groepen cliënten.</al></li></lijst><al>Om hier invulling aan te geven geeft de CAR gevraagd en ongevraagd advies en/of
                    doet voorstellen over het beleid, de beleidsontwikkeling en de uitvoering van
                    het beleid op het gebied van de relevante sociale wetgeving, integraal
                    gehandicapten beleid en deWet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald
                    dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. </al><al>Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ cliënten die overgaan naar
                    de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4
                    van de wet).</al><al/><tussenkop>Artikel 23.</tussenkop><al>De resultaten van de evaluatie worden ter kennisname aan de Raad en de
                    Clientenadviesraad gestuurd.</al><al/><al><vet>BIJLAGE bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Heerhugowaard 2015</vet></al><al/><al><vet>Tekst uit wetsvoorstel Wmo 2015</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 </vet></al><al>1. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het
                    gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschap-pelijke
                    ondersteuning. </al><al>2. Het plan beschrijft de beleidsvoornemens inzake door het college te nemen
                    besluiten of te verrichten handelingen die erop gericht zijn:</al><al> a. de sociale samenhang, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en
                    ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen, de veiligheid en
                    leefbaarheid in de gemeente te bevorderen, alsmede huiselijk geweld te voorkomen
                    en te bestrijden;</al><al> b. de verschillende categorieën van mantelzorgers, en vrijwilligers, zoveel
                    mogelijk in staat te stellen hun taken als mantelzorger of vrijwil-liger uit te
                    voeren;</al><al> c. vroegtijdig vast te stellen of ingezetenen maatschappelijke onder-steuning
                    behoeven;</al><al> d. te voorkomen dat ingezetenen op maatschappelijke ondersteuning aangewezen
                    zullen zijn;</al><al> e. algemene voorzieningen te bieden aan ingezetenen die maatschappelijke
                    ondersteuning behoeven; f. maatwerkvoorzieningen te bieden ter ondersteuning van
                    de zelfredzaamheid en participatie aan ingezetenen van de gemeente die daartoe
                    op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                    personen uit hun sociale netwerk niet of onvoldoende in staat zijn;</al><al> g. maatwerkvoorzieningen te bieden aan personen die niet in staat zijn zich op
                    eigen kracht te </al><al> handhaven in de samenleving en beschermd wonen of opvang behoeven in verband
                    met psychische </al><al> of psychosociale problemen of omdat zij de thuissituatie hebben verlaten, al
                    dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk
                    geweld. </al><al>3. Het plan is erop gericht dat:</al><al> a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;</al><al> b. cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving
                    hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven
                    in de samenleving. </al><al>4. In het plan wordt bijzondere aandacht gegeven aan:</al><al> a. een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                    maatschappelijke ondersteuning, </al><al> publieke gezondheid, preventie, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen,
                    werk en inkomen;</al><al> b. de samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de
                    Zorgverzekeringswet met het oog op een zo integraal mogelijke
                    dienstverlening;</al><al> c. keuzemogelijkheden tussen aanbieders voor degenen aan wie een
                    maatwerkvoorziening wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met de
                    godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van
                    cliënten, in het bijzonder voor kleine doelgroepen;</al><al> d. de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met
                    een beperking;</al><al> e. de wijze waarop de continuïteit van hulp wordt gewaarborgd, in het bijzonder
                    ten aanzien van de persoon die door het bereiken van een bepaalde leeftijd geen
                    jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet </al><al> meer kan ontvangen;</al><al> f. mogelijkheden om met inzet van begeleiding, waaronder dagbesteding, mensen
                    zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te laten blijven;</al><al> g. de wijze waarop ingezetenen worden geïnformeerd over de personen die kunnen
                    optreden als </al><al> vertegenwoordiger van een cliënt die niet in staat kan worden geacht tot een
                    redelijke waardering van </al><al> zijn belangen ter zake. </al><al>5. In het plan wordt aangegeven op welke wijze de gemeente artikel 2.1.7 toepast
                    dan wel de reden om dat artikel niet toe te passen. </al><al>6. In het plan wordt aangegeven welke resultaten het gemeentebestuur in de door
                    het plan bestreken periode wenst te behalen, welke criteria worden gehanteerd om
                    te meten hoe deze resultaten zijn behaald en welke outcomecriteria worden
                    gehanteerd ten aanzien van aanbieders. </al><al/><al><vet> Artikel 2.1.3 </vet></al><al>1. De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn
                    voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college
                    ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>2. In de verordening wordt in ieder geval bepaald:</al><al> a. op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                    cliënt voor een </al><al> maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking </al><al> komt;</al><al> b. op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld
                    waarbij geldt dat de </al><al> hoogte toereikend moet zijn;</al><al> c. welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                    betrekking tot de </al><al> deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen;</al><al> e. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                    klachten van cliënten vereist is;</al><al> f. ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                    cliënten over </al><al> voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is. </al><al>3. In de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in
                    ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de
                    uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop
                    zij:</al><al> a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;</al><al> b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te
                    brengen bij de </al><al> besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;</al><al> c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                    vervullen;</al><al> d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; </al><al> e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; </al><al> f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde
                    informatie. </al><al>4. In de verordening worden regels gesteld voor de bestrijding van het ten
                    onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget,
                    alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 </vet></al><al>1. Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten
                    is verschuldigd:</al><al> a. voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                    cliëntondersteuning;</al><al> b. voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget. </al><al>2. In de verordening kan de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten
                    van voorzieningen verschillend worden vastgesteld en kan worden bepaald
                    dat:</al><al> a. voor personen, behorende tot daarbij omschreven groepen, een daarbij
                    aangegeven korting op de bijdrage voor een algemene voorziening van toepassing
                    is;</al><al> b. de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                    budget: </al><al> 1°. verschuldigd is zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt
                    onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsge-bonden budget
                    wordt verstrekt, en</al><al> 2°. afhankelijk is van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                    echtgenoot. </al><al>3. Het totaal van de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget gaat de kostprijs niet te boven. In de verordening wordt
                    bepaald op welke wijze de kostprijs wordt berekend. 4. Bij of krachtens algemene
                    maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bijdragen voor
                    een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, waaronder regels
                    over:</al><al> a. de hoogte,</al><al> b. de wijze waarop het inkomen en vermogen bij de vaststelling worden
                    betrokken, </al><al> c. de termijn waarbinnen de verschuldigde bijdrage moet zijn voldaan,</al><al> d. de wijze van invordering, en</al><al> e. de uitzonderingsgronden voor het verschuldigd zijn van een bijdrage. </al><al>5. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
                    vierde lid, die betrekking heeft op het in het tweede lid bedoelde vermogen,
                    wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
                    Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten- Generaal
                    besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en
                    kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal
                    een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd. </al><al>6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget
                    wordt, met uitzondering van die voor opvang, vastgesteld en voor de gemeente
                    geïnd door het CAK. </al><al>7. In de verordening wordt bepaald door welke instantie de bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang wordt
                    vastgesteld en geïnd. Het college draagt er zorg voor dat aan het CAK mededeling
                    wordt gedaan van de bijdragen die door de bedoelde instantie zijn vastgesteld,
                    voor zover niet betrekking hebbende op personen die de thuissituatie hebben
                    verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk
                    geweld. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 </vet></al><al>1. Indien een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, kan bij
                    verordening worden bepaald dat de in artikel 2.1.4 bedoelde bijdrage is
                    verschuldigd door:</al><al> a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op
                    artikel 394 van Boek 1 </al><al> van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en</al><al> b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over
                    een cliënt. </al><al>2. Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en geen
                    bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van het Boek 1 van het
                    Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek
                    van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder die ingevolge de
                    Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de verstrekking van de
                    maatwerk- voorziening of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag
                    heeft, de bijdrage verschuldigd. </al><al>3. In afwijking van het eerste lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd
                    indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. </al><al>4. Indien meer dan één persoon een bijdrage is verschuldigd, is ieder der
                    bijdrageplichtigen de bijdrage verschuldigd, met dien verstande dat indien de
                    een heeft betaald, de ander is bevrijd. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 </vet></al><al>Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een
                    jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 </vet></al><al>Bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een
                    beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee
                    verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt
                    verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2.3.1</vet></al><al>Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking
                    komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2</vet></al><al>1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan
                    maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door
                    of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch
                    uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en
                    met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. </al><al>2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een
                    persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het
                    vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke
                    maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het
                    college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem
                    gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de
                    gelegenheid het plan te overhandigen. </al><al>3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de
                    mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. </al><al>4. Het college onderzoekt:</al><al> a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;</al><al> b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                    zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn
                    behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al><al> c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn
                    sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                    participatie of te voorzien in zijn behoefte aan </al><al> beschermd wonen of opvang;</al><al> d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de
                    cliënt;</al><al> e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door
                    het verrichten van </al><al> maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn
                    zelfredzaamheid of zijn </al><al> participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een
                    algemene </al><al> voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al><al> f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en
                    zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied
                    van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen,
                    te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde </al><al> dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn
                    zelfredzaamheid, zijn participatie </al><al> of aan beschermd wonen of opvang;</al><al> g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij
                    of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. </al><al>5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het
                    college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als
                    bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g. </al><al>6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger
                    medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van
                    een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in
                    begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al><al>7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens
                    en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs
                    de beschikking kan krijgen. </al><al>8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een
                    schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. </al><al>9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat
                    het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de
                    in het eerste lid genoemde termijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.5 </vet></al><al>1. Het college beslist op een aanvraag:</al><al> a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve
                    van </al><al> zelfredzaamheid en participatie;</al><al> b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van
                    opvang en </al><al> beschermd wonen. </al><al>2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de
                    aanvraag. </al><al>3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter
                    compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de
                    cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van
                    het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                    hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening
                    levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde
                    onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                    cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                    mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. </al><al>4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter
                    compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de
                    cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de
                    thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn
                    veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen
                    naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                    met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                    met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in
                    artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de
                    behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van
                    een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer
                    op eigen kracht te handhaven in de samenleving. </al><al>5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat,afgestemd
                    op:</al><al> a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,</al><al> b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de
                    Zorgver-zekeringswet,</al><al> c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan
                    ontvangen, </al><al> d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,</al><al> e. betaalde werkzaamheden,</al><al> f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen, </al><al> g. ondersteuning ingevolge de Wet werk en bijstand,</al><al> h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele
                    achtergrond van de cliënt.</al><al>6. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak
                    heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van
                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel er redenen zijn om aan te nemen
                    dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het
                    verkrijgen van een besluit dienaangaande.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2.3.6</vet></al><al>1.Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een
                    persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoor- ziening
                    behoren, van derden te betrekken. </al><al>2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:</al><al> a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in
                    staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan
                    wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn </al><al> vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget
                    verbonden taken op </al><al> verantwoorde wijze uit te voeren;</al><al> b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de
                    maatwerkvoorziening als persoons- </al><al> gebonden budget wenst geleverd te krijgen;</al><al> c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten,
                    hulpmiddelen, woningaanpassingen </al><al> en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig,
                    doeltreffend en cliëntgericht </al><al> worden verstrekt. </al><al>3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c,
                    weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het
                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al><al>4. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het
                    tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de
                    mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. </al><al>5. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:</al><al> a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van
                    de maatwerkvoorziening of;</al><al> b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10,
                    eerste lid, onderdeel a, d en e. 6. Op een persoonsgebonden budget is titel 4.2
                    van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 </vet></al><al>1. Met het oog op gevallen waarin ten aanzien van een voorziening artikel 2.6.4
                    wordt toegepast, worden bij verordening regels gesteld ter waarborging van een
                    goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de
                    eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening. Daarbij wordt
                    rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden. </al><al>2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
                    gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde. </al><al>3. Het ontwerp van een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene
                    maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. </al><al>4. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan
                    worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen
                    die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het
                    grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven
                    dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld.
                    In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk
                    ingediend.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>