<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340706_2</dcterms:identifier><dcterms:title>verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Huizen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Huizen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.huizen.nl">Gemeenteblad van Huizen 2015 nr 3 d.d. 12 mei 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">WMO 2015 artt. 2.1.3 t/m 2.1.6 en 2.3.6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 8</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nadere regels</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>terugwerkende kracht tot en met 1-1-2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Raadsbesluit</al><al>De raad van de gemeente Huizen;</al><al>in vergadering bijeen op 25 september 2014, </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 september 2014;
                        agendapunt 7; </al><al>gelet op de artikel 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6 en 2.3.6 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op artikel 147 van de
                        Gemeentewet</al><al>b e s l u i t :</al><al> vast te stellen de</al><al><vet>VERORD</vet><vet>EN</vet><vet>ING </vet><vet>WET MAATSCHAPPELIJKE
                            ONDERSTEUNING GEMEENTE HUIZEN 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het
                                    college gehouden is een voorziening te leveren.</al></li><li nr="2."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die in de
                                    reguliere handel verkrijgbaar is, en die niet speciaal voor
                                    mensen met een beperking bedoeld is, niet aanzienlijk duurder is
                                    dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel en past bij het
                                    naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager
                                    behorend.</al></li><li nr="3."><al>Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat,
                                    zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                    persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                    toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke
                                    ondersteuning. </al></li><li nr="4."><al>Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling
                                    met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het
                                    bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en
                                    psycho-sociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch
                                    ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                    overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen,
                                    bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen,
                                    die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                    samenleving.</al></li><li nr="5."><al>Beroepskracht: natuurlijke persoon die in persoon beroepsmatig
                                    werkzaam is voor een aanbieder.</al></li><li nr="6."><al>Bijdrage: een bijdrage in de kosten van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet. </al></li><li nr="7."><al>Calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die
                                    betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot
                                    een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt
                                    heeft geleid.</al></li><li nr="8."><al>Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening
                                    of aan wie een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden
                                    budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan
                                    als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. </al></li><li nr="9."><al>College: Het college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="10."><al>Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen
                                    in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouder(s),
                                    inwonend(e) kind(eren) of andere huisgenoten/oot.</al></li><li nr="11."><al>Geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening: seksueel
                                    binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt,
                                    alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door
                                    een beroeps-kracht dan wel door een andere cliënt met wie de
                                    cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie
                                    van een aanbieder verblijft.</al></li><li nr="12."><al>Huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of
                                    bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring. </al></li><li nr="13."><al>Informele zorg: mantelzorg en vrijwilligerszorg vormen samen de
                                    informele zorg.</al></li><li nr="14."><al>Instelling: organisatie die een voorziening voor beschermd wonen
                                    of opvang biedt met een subsidie op grond van de Algemene
                                    Subsidieverordening van de gemeente dan wel in opdracht van de
                                    gemeente door middel van aanbesteding en inkoop.</al></li><li nr="15."><al>Kostprijs: De prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft
                                    ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen
                                    onderhoudskosten.</al></li><li nr="16."><al>Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:</al><lijst><li nr="1)"><al>ten behoeve van zelfredzaamheid; daaronder begrepen
                                            kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van
                                            de mantelzorger het daarvoor noodzakelijke vervoer,
                                            alsmede hulpmiddelen, woning-aanpassingen en andere
                                            maatregelen,</al></li><li nr="2)"><al>ten behoeve van participatie; daaronder begrepen het
                                            daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en
                                            andere maatregelen,</al></li><li nr="3)"><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst></li><li nr="17."><al>Maatwerkvoorziening in natura: een voorziening, in de vorm van
                                    goederen in bruikleen, in eigendom, als persoonlijke
                                    dienstverlening, beschermd wonen of opvang.</al></li><li nr="18."><al>Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzeke-ringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een
                                    tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt
                                    verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.</al></li><li nr="19."><al>Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de
                                    thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met
                                    risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en
                                    niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                    samenleving.</al></li><li nr="20."><al>Participatie: het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.
                                </al></li><li nr="21."><al>Persoonsgebonden budget: een geldsom waaruit namens het college
                                    betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                                    woningaanpassingen en/of andere maatregelen die tot een
                                    maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden
                                    afneemt.</al></li><li nr="22."><al>Sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere
                                    personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.</al></li><li nr="23."><al>Vertegenwoordiger: een persoon of rechtspersoon die een cliënt
                                    vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een
                                    redelijke waardering van zijn belangen terzake.</al></li><li nr="24."><al>Voorliggende voorziening: Een voorziening die voor gaat op een
                                    maatwerkvoorziening, waar cliënt gebruik van kan maken en die
                                    leidt tot het beoogde resultaat. </al></li><li nr="25."><al>Voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="26."><al>Vrijwilligerszorg; zorg die (al dan niet) in enig georganiseerd
                                    verband onverplicht en onbetaald (met uitzondering van
                                    onkostenvergoedingen) wordt verricht ten behoeve van anderen of
                                    de samenleving. </al></li><li nr="27."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li><li nr="28."><al>Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de
                                    noodzakelijke algemene dagelijkse levens-verrichtingen en het
                                    voeren van een gestructureerd huishouden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Compensatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De verantwoordelijkheid van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ondersteunt inwoners bij het nemen van eigen
                                verantwoordelijkheid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college ondersteunt en draagt zorg voor de zelfredzaamheid en
                                participatie van ingezetenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor beschermd wonen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor opvang.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toekenning van een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een maatwerkvoorziening toe indien er sprake is van
                                een compensatienoodzaak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatwerkvoorziening wordt ter compensatie van de beperkingen
                                toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot
                                zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: </al><lijst><li nr="a."><al>eigen kracht en/of;</al></li><li nr="b."><al>gebruikelijke hulp en/of;</al></li><li nr="c."><al>mantelzorg en/of; </al></li><li nr="d."><al>hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of
                                        vrijwilligerszorg;</al></li><li nr="e."><al>algemene voorzieningen en/of;</al></li><li nr="f."><al>voorliggende voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende
                                resultaten: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                                        levensverrichtingen en/of;</al></li><li nr="b."><al>het voeren van een gestructureerd huishouden en/of;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of;</al></li><li nr="d."><al>beschermd wonen en/of;</al></li><li nr="e."><al>opvang.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent
                                het college de goedkoopst compen-serende voorziening toe.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststelling vorm van maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt de maatwerkvoorziening in natura. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een persoonsgebonden
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken
                                        en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren
                                        en op zich kan nemen; </al></li><li nr="b."><al>de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de
                                        maatwerkvoorziening als persoons-gebonden budget geleverd
                                        wenst te krijgen;</al></li><li nr="c."><al>het college van oordeel is dat de in te kopen
                                        maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliënt-gericht
                                        is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximale omvang van het persoonsgebonden budget wordt op maat
                                vastgesteld en wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van
                                de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst
                                compenserende voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget is toereikend voor de aanschaf van de
                                maatwerkvoorziening en wordt indien nodig aangevuld met een
                                vergoeding voor onderhoud en verzekering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college regelt de manier waarop het persoonsgebonden budget
                                wordt vastgesteld in de Nadere regels die horen bij de verordening
                                wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, is de cliënt voor
                                het gebruik van een maatwerkvoor-ziening een bijdrage in de kosten
                                verschuldigd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor
                                maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 onder a tot
                                en met d, wordt vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders
                                van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo
                                2015.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang
                                wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit
                                Wmo 2015 vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten
                                voor maatwerkvoorzieningen, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 onder a
                                tot en met d, vast en int deze. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int
                                deze.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de hoogte,
                                vaststelling en de inning van de bijdrage in de kosten voor
                                opvang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de
                                kosten verschuldigd zijn. Dit kan worden bepaald door de instelling
                                die de algemene voorziening biedt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instellingen stellen de hoogte van de bijdrage in de kosten vast
                                en innen deze. De instellingen informeren het college over de hoogte
                                van de bijdragen en de wijze van inning. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de bijdrage in de kosten wordt bepaald aan de hand van
                                de kostprijs van deze voorziening. De kostprijs van de voorziening
                                geldt als maximum voor de bijdrage in de kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de cliënt aan wie mantelzorg wordt
                                verleend, zijn/haar mantelzorgers jaarlijks een blijk van waardering
                                kan verlenen (mantelzorgcompliment). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt kan voor het verlenen van een blijk van waardering,
                                hiervoor een aanvraag indienen bij het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk
                                van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente
                                bestaat.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Kwaliteit en medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                                chronische problemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of
                                chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                                houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming
                                verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                                participatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Kwaliteit van maatwerkvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanbieder van een voorziening draagt er zorg voor dat de
                                voorziening van goede kwaliteit is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatwerkvoorziening wordt in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>veilig, doeltreffend, doelmatig, gebruiksvriendelijk en
                                        cliëntgericht verstrekt; </al></li><li nr="b."><al>afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere
                                        vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; </al></li><li nr="c."><al>verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht
                                        rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de
                                        professionele standaard; </al></li><li nr="d."><al>verstrekt met respect voor en met inachtneming van de
                                        aanspraken van de cliënt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Kwaliteitsaspecten bij verlening van overheidsopdrachten</titel></kop><al>Indien er een aanbesteding plaatsvindt, zorgt het college ervoor dat bij
                            de gunning van de opdracht aan een aanbieder, tenminste de volgende
                            aspecten meewegen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kwaliteitseisen van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>deskundigheid van beroepskrachten;</al></li><li nr="c."><al>het handelen volgens professionele standaarden;</al></li><li nr="d."><al>arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van
                                    beroepskrachten en de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="e."><al>de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder;</al></li><li nr="g."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="h."><al>de reële kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan
                                wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige
                                regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                                besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn
                                en voor zover het diensten in het kader van voorzieningen betreft,
                                niet zijnde hulpmiddelen of (woning)aanpassingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing indien de aanbieder die in het kader
                                van de Wmo dienstverlening onder-scheidenlijk haar taken laat
                                uitvoeren door in de regel minder dan tien medewerkers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de mede-zeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                kwaliteits/cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening
                                door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en
                                geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling
                                daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                                van geweld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding
                                van het beleid betreffende maat-schappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet
                                hen van onder-steuning om hun rol effectief te kunnen
                                vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onder-werpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deel-name aan het overleg benodigde informatie en
                                ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in
                            deze Verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen, neergelegd in de op
                            deze Verordening berustende nadere regels, verhogen of verlagen conform
                            de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de
                            Statistiek en de NEA-index.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan de bepalingen in deze Verordening ten gunste van de
                            cliënt buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover
                            toepassing, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te
                            beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening
                                wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2013 ingetrokken.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit, genomen op grond van de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2013, blijft na
                                inwerkingtreding van de Verordening wet maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Huizen 2015, voor de duur van dat besluit van
                                kracht, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij
                                het besluit waarmee de eerdere voorziening verstrekt is, wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvragen, ingediend vóór de inwerkingtreding van de Verordening
                                wet maatschappelijke onder-steuning gemeente Huizen 2015, waarop nog
                                geen besluit is genomen, is de Verordening wet maat-schappelijke
                                ondersteuning gemeente Huizen 2015 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2013, wordt
                                beslist met inachtneming van die Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening wet maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Huizen 2015”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 25 september 2014,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE
                        HUIZEN 2015</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>De Verordening wet maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan de
                    uitvoering van de Wet maat-schappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).
                    De gemeente wordt per 2015 verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding
                    van haar inwoners. Ook wordt beschermd wonen overgeheveld naar de gemeente. De
                    extramurale verpleging, een groot deel van de persoonlijke verzorging en de
                    langdurige GGZ gaan naar de Zorgverzekeringswet. De AWBZ wordt omgevormd tot een
                    landelijke voorziening voor de intramurale ouderen- en gehandicaptenzorg: de Wet
                    langdurige zorg (Wlz).</al><al>Met de Wmo 2015 krijgen gemeenten meer verantwoordelijkheden voor het
                    organiseren van passende ondersteuning voor mensen die niet op eigen kracht
                    kunnen deelnemen aan de samenleving. </al><al>Doel van de Wmo 2015 is dat iedere inwoner, ook met een beperking, een psychisch
                    probleem of een psychosociaal probleem, zelfredzaam is en maatschappelijk kan
                    participeren. Het ‘mee kunnen doen aan de samenleving’ en ‘zo lang mogelijk
                    zelfstandig wonen’ staan centraal en wanneer dit niet mogelijk is, ondersteunt
                    het college hierbij. Deze ondersteuning moet de effecten van de beperkingen op
                    de zelfred-zaamheid en/of maatschappelijke participatie zo veel als mogelijk
                    wegnemen. </al><al>In het proces van vraag naar ondersteuning staan de te bereiken resultaten
                    centraal. De voorzieningen of oplossingen zijn ondergeschikt aan het betreffende
                    resultaat. Hierbij geldt: eigen oplossingen gaan voor op maatwerkvoorzieningen.
                    Bij het vaststellen van het te bereiken resultaat is zorgvuldig onderzoek
                    essentieel. Het onderzoek begint met een gesprek. Dit gesprek gaat in op
                    verschillende levensdomeinen om zo vanuit een integrale aanpak met de vraag van
                    cliënt om te gaan. Hierbij wordt ingegaan op de knelpunten die belanghebbende
                    ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, welke
                    mogelijkheden hij ondanks de beperkingen heeft, welke resultaten hij wil
                    bereiken en in hoeverre hij eigen oplossingen kan realiseren. Daar waar de
                    cliënt niet (volledig) in staat is om eigen oplossingen te realiseren,
                    ondersteunt het college door voorzieningen te treffen die leiden tot het te
                    bereiken resultaat.</al><al>Per cliënt met hulpvraag dient er zorgvuldig onderzoek te worden verricht.
                    Hierbij is van belang om:</al><lijst><li nr="·"><al>de hulpvraag van de cliënt, zijn/haar behoeften en de gewenste
                            resultaten helder te krijgen; te achterhalen wat de cliënt op eigen
                            kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal
                            netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                            activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te
                            handhaven of verbeteren,</al></li><li nr="·"><al>te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening
                            kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, </al></li><li nr="·"><al>of sprake is van een voorliggende voorziening/oplossing die voorgaat op
                            een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. </al></li></lijst><al>De wijze waarop de gemeente invulling geeft aan het dienstverleningsproces in
                    het sociaal domein staat vastgelegd in de Verordening sociaal domein. De
                    Verordening sociaal domein is van toepassing op de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning, de Jeugdwet, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke
                    schuldhulpverlening, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4
                    van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet
                    onderwijs. </al><al>In de Verordening sociaal domein worden uitgangspunten voor zorgvuldig
                    onderzoek, een integrale aanpak en verbinding in het sociaal domein bestendigd.
                    Een belangrijk vertrekpunt van de Verordening sociaal domein is dat het college
                    bij de uitvoering van haar verantwoordelijkheden de taken op de individuele
                    situatie van de cliënt afstemt en een integrale aanpak ten aanzien van de
                    domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                    inkomen en politie en justitie borgt.</al><al>De Verordening sociaal domein beschrijft het proces van ‘van vraag naar
                    ondersteuning’. Het gaat in op de stappen die er volgen na een melding en
                    omschrijft de randvoorwaarden voor zorgvuldig onderzoek. Daarnaast wordt
                    ingegaan op de wijze waarop het college het onderzoek en het besluit op een
                    aanvraag vastlegt en aan een cliënt terugkoppelt. Tenslotte beschrijft de
                    Verordening sociaal domein een aantal belangrijke aspecten nadat er een
                    beschikking is afgegeven:</al><lijst><li nr="-"><al>Monitoring: het verzamelen van informatie door het college om de
                            kwaliteit en de continuïteit van voorzieningen te bevorderen.</al></li><li nr="-"><al>Klachten: het afhandelen van klachten over de wijze van afhandeling van
                            meldingen en aanvragen of de afhandeling van klachten ten aanzien van
                            gedragingen van aanbieders jegens een cliënt.</al></li><li nr="-"><al>Procedurele bepalingen: een eenduidige procesgang bij het melden van
                            gewijzigde situaties, het verrichten van heronderzoek, het intrekken en
                            beëindigen van beschikkingen en het eventueel terugvorderen van een ten
                            onrechte genoten voorziening in natura of pgb.</al></li></lijst><al>Met de Wmo verordening geeft het college de kaders voor de besluitvorming op een
                    aanvraag. Er wordt ingegaan op de specifieke Wmo aanspraken nadat er op grond
                    van de Verordening sociaal domein, integraal onderzoek is verricht en zoveel
                    mogelijk is ingezet op het leggen van verbindingen in het sociaal domein. Daar
                    waar er sprake is van een specifieke Wmo aanspraak gelden de regels zoals
                    omschreven in de Wmo verordening. De Wmo verordening omschrijft niet alleen wat
                    de inwoner kan verwachten van de gemeente. Er wordt ook nadrukkelijk ingegaan op
                    wat van de inwoner kan worden verwacht. </al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><tussenkop>Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aanbieder: deze bepaling spreekt voor zich;</al></li><li nr="2."><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief><cursief>e
                            voorziening</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich; </al></li><li nr="3."><al><cursief>Algemene voorziening</cursief>: dit zijn voorzieningen die voor
                            iedereen bedoeld zijn en op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde
                            aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken zijn. Bij algemene
                            voorzieningen gaat het om ondersteuning die in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>betrekking heeft op lichte, niet complexe ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>ingezet wordt voor een incidentele ondersteuningsbehoefte;</al></li></lijst></li></lijst><al> Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de dagrecreatie voor ouderen;</al></li><li nr="-"><al>de boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige
                            boodschaphulp;</al></li><li nr="-"><al>de maaltijdservice en het eetcafé.</al></li><li nr="-"><al>klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                            buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice;</al></li><li nr="-"><al>de (ramen)wasservice. </al></li><li nr="4."><al><cursief>Beschermd wonen: </cursief>de definitie van beschermd wonen is
                            dezelfde als de definitie van beschermd wonen zoals genoemd in artikel
                            1.1.1 van de Wet. Op grond van de wet worden (samenwerkende) gemeenten
                            verantwoordelijk voor het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm
                            van beschermd wonen. Bij ‘beschermd wonen’ gaat het, net als bij
                            ‘opvang’ om het bieden van onderdak aan en begeleiding van personen die
                            niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
                            Hieraan is geen leeftijdsgrens gekoppeld. Het tekstelement ‘niet in
                            staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving’ is voor
                            beschermd wonen en opvang van belang. Slechts wanneer wordt vastgesteld
                            dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht
                            in de samenleving te handhaven, is er aanleiding voor de gemeente om die
                            persoon te ondersteunen. Gewoonlijk wordt ook enige vorm van begeleiding
                            aangewezen. Bij beschermd wonen gaat het om mensen bij wie onderdak,
                            toezicht en begeleiding niet afhankelijk zijn van op genezing gerichte
                            zorg. Achter een ‘accommodatie van een instelling’ kan een veelheid van
                            variëteiten schuilgaan; </al></li><li nr="5."><al><cursief>Beroepskracht: </cursief>naast medewerkers in dienstverband
                            komt het voor dat aanbieders een deel van de werkzaamheden in hun
                            opdracht laten verrichten door personen die als zelfstandige zonder
                            personeel (zzp’er) voor hen werkzaam zijn. In beide gevallen wordt
                            degene die de werkzaamheden verricht als beroepskracht aangeduid. Ook
                            een zzp’er die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het leveren van
                            een voorziening heeft verbonden, is een aanbieder; </al></li><li nr="6."><al><cursief>Bijdrage:</cursief> cliënten betalen voor hun ondersteuning een
                            bijdrage. Deze bijdrage is als het een maat-werkvoorziening betreft,
                            afhankelijk van het inkomen en het vermogen.</al></li><li nr="7."><al><cursief>Calamiteit:</cursief> de omschrijving van het begrip calamiteit
                            is gelijk aan die welke in 2005 is opgenomen in de Kwaliteitswet
                            zorginstellingen. De omschrijving bevat de volgende elementen: Het moet
                            gaan om een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, de dood van of
                            ernstige schade voor een cliënt tot gevolg hebbend. De gebeurtenis moet
                            betrekking hebben op de kwaliteit van een voorziening. Het moet gaan om
                            een gebeurtenis op het gebied van de activiteiten die de aanbieder
                            levert. Dit element verwijst daarmee impliciet naar het
                            kwaliteitssysteem van de aanbieder: een calamiteit kan door een goed
                            gestructureerd en goed functionerend kwaliteitssysteem zoveel mogelijk
                            worden voorkomen. De begripsomschrijving speelt een rol in de bepaling
                            die aanbieders verplicht van calamiteiten melding te maken bij de
                            toezichthoudende ambtenaar. Het doel van die melding is om het
                            disfunc-tioneren van het kwaliteitssysteem op te sporen teneinde
                            cliënten te beschermen en het kwaliteits-systeem te verbeteren.</al></li><li nr="8."><al><cursief>Cliënt</cursief>: de cliënt is degene die gebruik maakt van een
                            algemene voorziening of aan wie een maat-werkvoorziening wordt
                            verstrekt, maar ook degene die zich bij het college heeft gemeld om een
                            voorziening te ontvangen. In een aantal bepalingen wordt dit begrip
                            gebruikt. In andere bepalingen wordt, al naar gelang de situatie,
                            gesproken over de ingezetene (voor personen van wie nog niet vaststaat
                            of zij cliënt zijn of zullen worden) en betrokkene (als wordt
                            terugverwezen naar een eerder aangeduide persoon).</al></li><li nr="9."><al><cursief>College</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="10."><al><cursief>Gebruikelijke hulp</cursief>: als in een huishouden meerdere
                            meerderjarige personen wonen, dragen zij gezamenlijk de
                            verantwoordelijkheid om het zich voordoende huishoudelijke werk te
                            verrichten. Zij worden geacht om het huishoudelijke werk onderling te
                            verdelen.</al></li><li nr="11."><al><cursief>Geweld bij de verstrekking van een
                                maatwerkvoorziening</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich;</al></li><li nr="12."><al><cursief>Huiselijk geweld</cursief>: huiselijk geweld is een breed
                            begrip waaronder geweld in vele verschijningsvormen wordt verstaan. De
                            gangbare omschrijving van ’huiselijk geweld’ luidt: geweld dat gepleegd
                            wordt door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer, dat wil
                            zeggen partners, gezinsleden, familieleden, mantelzorgers. Met
                            huiselijke kring wordt bedoeld dat de dader en het slachtoffer in een
                            familierelatie tot elkaar staan of dat de dader een huisgenoot of
                            mantelzorger is. De term ‘huiselijk verwijst dus niet naar de plaats
                            waar het geweld zich voordoet, maar naar de relatie tussen pleger en
                            slachtoffer. Huiselijk geweld kan de vorm aannemen van
                            kindermis-handeling, van partnergeweld in alle denkbare
                            verschijningsvormen of van mishandeling, uitbuiting of verwaarlozing van
                            ouderen. Door de relatie met de dader is het voor het slachtoffer
                            moeilijk om contact met de dader te vermijden en is vaak (maar niet
                            altijd) sprake van een stelselmatig karakter, een hoog recidiverisico en
                            hangt het geweld vaak samen met andere problematiek. </al></li></lijst><al>Onder geweld wordt verstaan de aantasting van de persoonlijke integriteit. Het
                    kan hierbij gaan om lichamelijk geweld (mishandeling), psychisch of emotioneel
                    geweld (uitschelden, treiteren, kleineren, bedreiging, stalking), ongewenste
                    seksuele toenadering of seksueel misbruik. Naast partnergeweld vallen ook eer
                    gerelateerd geweld en ouderenmishandeling onder de brede noemer huiselijk
                    geweld. Onder definitie vallen alle vormen van geweld, of deze nu lichamelijk,
                    seksueel of geestelijk van aard zijn en ook de bedreigingen daarmee. Daarbij
                    moet gedacht worden aan een enkele klap of trap met letsel tot gevolg, maar
                    vanzelf-sprekend ook aan stelselmatige bedreiging, aanranding of belaging
                    (‘stalking’). Verder kan ook gedacht worden aan afpersing of aan beschadiging
                    van persoonlijke bezittingen. De definitie van huiselijk geweld kent geen
                    leeftijdsgrens.</al><lijst><li nr="13."><al><cursief>Informele zorg</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="14."><al><cursief>Instelling</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="15."><al><cursief>Kostprijs</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich. </al></li><li nr="16."><al><cursief>Maatwerkvoorziening</cursief>: het college verstrekt een
                            maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en indien
                            cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of
                            participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of;
                            gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit
                            zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende
                            voor-zieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een
                            maatwerkvoorziening wordt er individueel onderzoek gedaan naar de
                            noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking
                            toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag
                            van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs,
                            zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en
                            justitie. Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 draagt bij
                            aan het bereiken van de volgende resultaten: </al></li><li nr="-"><al>het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                            levensverrichtingen en/of;</al></li><li nr="-"><al>het voeren van een gestructureerd huishouden/of;</al></li><li nr="-"><al>deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of;</al></li><li nr="-"><al>beschermd wonen en/of;</al></li><li nr="-"><al>opvang.</al></li></lijst><al>Het begrip ‘maatwerkvoorziening’ duidt beter dan het voorheen gebruikelijke
                    begrip ‘individuele voorziening’ aan dat het niet alleen gaat om een of meer
                    concrete en herhaalbaar in te zetten vormen van een aanbod aan activiteiten,
                    maar onder omstandigheden ook om een op maat van de persoon gesneden afgestemd
                    geheel van maatregelen, waarbij het kan gaan om vormen van hulp die beschikbaar
                    zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om voor een cliënt
                    op maat bedachte oplossingen.</al><al>Een maatwerkvoorziening wordt ter ondersteuning van cliënt ingezet. Het betreft
                    nadrukkelijk ondersteuning ten behoeve van de bovenstaande resultaten. Er dient
                    hierbij een duidelijk onderscheid te worden gemaakt met cliëntondersteuning.
                    Cliëntondersteuning houdt in: ondersteuning met informatie, advies en algemene
                    ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaam-heid en
                    participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op
                    het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg,
                    jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college moet ervoor
                    zorg dragen dat onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar is en dat bij de
                    cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is.</al><al>Cliëntondersteuning heeft een bredere reikwijdte dan alleen de Wmo 2015. De Wmo
                    2015 biedt het kader voor het maken van beleid voor cliëntondersteuning. Daarmee
                    is in één wet de cliëntonder-steuning voor het gehele sociale domein (dus ook
                    Jeugdwet en Participatiewet) en andere levens-domeinen (zoals de zorg) geregeld. </al><lijst><li nr="17."><al><cursief>Maatwerkvoorziening in natura:</cursief> deze bepaling spreekt
                            voor zich.</al></li><li nr="18."><al><cursief>Mantelzorg</cursief>: de definitie van mantelzorg (en daarmee
                            de reikwijdte van het begrip ‘mantelzorger’) is beperkt tot hulp ten
                            behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.
                            Daarmee vallen mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die Wlz-zorg
                            ontvangen, niet meer onder de reikwijdte van de gemeentelijke taak met
                            betrekking tot mantelzorgers (artikel 2.2.2 van de Wet) en evenmin onder
                            de bepaling die gemeenten opdraagt te voorzien in een jaarlijks blijk
                            van waardering voor mantelzorgers (artikel 2.1.6 van de Wet). </al></li></lijst><al>Het is waardevol dat mensen zich op basis van de sociale relatie die zij met
                    iemand hebben, soms langdurig en intensief, inzetten om een ander te helpen. In
                    de omschrijving is vastgelegd dat het gaat om hulp die voortvloeit uit een
                    tussen personen bestaande sociale relatie. </al><al>Het gaat om hulp die verder gaat dan de hulp die mensen geacht worden elkaar te
                    geven op basis van algemeen aanvaarde opvattingen over wat gebruikelijke hulp
                    is. Mantelzorg onderscheid zich van vrijwilligerswerk vanwege de morele
                    verplichting die voortkomt uit de sociale relatie. Mantelzorg is iets wat mensen
                    ‘overkomt’.</al><al>Vaak is er – in tegenstelling tot normale situaties in het huishouden – sprake
                    van een situatie die wordt gekenmerkt door het in de knel komen van
                    maatschappelijke verplichtingen en persoonlijke voorkeuren. Tot slot brengt de
                    omschrijving tot uitdrukking dat het gaat om hulp die niet wordt verleend in de
                    uitoefening van een hulpverlenend beroep.</al><al>19.<cursief>Opvang</cursief>: de definitie van opvang is dezelfde als de
                    definitie van opvang als bedoeld in artikel 1.2.1, onder c, van de Wet. Ook bij
                    opvang gaat het, net als bij beschermd wonen, om het bieden van onderdak en
                    begeleiding van personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te
                    handhaven in de samenleving. Het tekstelement ‘niet in staat zijn zich op eigen
                    kracht te handhaven in de samen-leving’ is voor beschermd wonen en opvang van
                    belang. Slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk)
                    niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, is er
                    aanleiding voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Veelal zal ook enige
                    vorm van begeleiding zijn aangewezen. </al><al>Daarvan kan sprake zijn wanneer iemand vanwege ernstige relationele problemen of
                    in verband met risico’s voor zijn veiligheid (bijv. in verband met huiselijk
                    geweld) de thuissituatie met grote spoed heeft moeten verlaten en nog niet
                    gewaarborgd is dat zij of hij veilig kan terugkeren dan wel veilig elders kan
                    worden gehuisvest. Ook wanneer iemand door andere dan relationele problemen de
                    thuissituatie heeft verlaten en niet in staat blijkt voor zichzelf vervangend
                    onderdak te organiseren, is aan het criterium voldaan. Wanneer het gaat om
                    personen die de thuissituatie hebben verlaten om op vakantie of op avontuur te
                    gaan of op zoek te gaan naar werk, is er voor het bieden van opvang door de
                    gemeente geen aanleiding. Van deze personen mag worden verwacht dat zij zelf
                    zorg dragen voor onderdak.</al><lijst><li nr="20."><al><cursief>Participatie en zelfredzaamheid</cursief>: de omschrijving van
                            ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: </al></li><li nr="·"><al>het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                            levensverrichtingen, </al></li><li nr="·"><al>het voeren van een gestructureerd huishouden. </al></li></lijst><al>Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen
                    dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke
                    verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand
                    zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en/of geestelijke
                    beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en,
                    indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder
                    enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet
                    langer thuis kunnen blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de
                    volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed
                    komen, aan- en uitkleden, bewegen/lopen, gaan zitten en weer opstaan,
                    lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen,
                    ontspanning, sociaal contact. </al><al>Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.
                    Met maatschappelijk verkeer wordt hetzelfde bedoeld als `maatschappelijk leven`.
                    Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen,
                    op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten
                    kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan
                    deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.</al><lijst><li nr="21."><al><cursief>Persoonsgebonden budget:</cursief> deze bepaling spreekt voor
                            zich. In deze toelichting wordt verder de afkorting pgb gebruikt;</al></li><li nr="22."><al><cursief>Socia</cursief><cursief>le netwerk</cursief>: tot het sociale
                            netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (zie de
                            toelichting bij dat begrip) en andere personen met wie iemand een
                            sociale relatie onderhoudt. Dit omvat ook de mantelzorger.</al></li><li nr="23."><al><cursief>Vertegenwoordiger</cursief>: Persoon of rechtspersonen die als
                            vertegenwoordiger kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de
                            gevolmachtigde van de cliënt. Indien een dergelijke persoon of
                            rechtspersoon ontbreekt: diens echtgenoot, de geregistreerde partner of
                            andere levensgezel van de cliënt. Indien deze persoon dat niet wenst of
                            indien ook zodanige persoon ontbreekt: de ouder, het kind, de broer of
                            zus van cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. Een wettelijke
                            vertegenwoordiger heeft voorrang op een vertegenwoordiger uit het
                            informele netwerk.</al></li></lijst><al>Op het moment van of na de melding gaat het college na of er sprake is van een
                    wettelijk vertegen-woordiger en zo ja, of cliënt de toestemming verleent om de
                    wettelijk vertegenwoordiger op de hoogte te stellen en te betrekken bij het
                    onderzoek. </al><lijst><li nr="24."><al><cursief>V</cursief><cursief>oorliggende voorziening</cursief>: deze
                            bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="25."><al><cursief>Voorziening</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="26."><al><cursief>Vrijwilligers</cursief><cursief>zorg</cursief>: deze bepaling
                            spreekt voor zich.</al></li><li nr="27."><al><cursief>Wet</cursief>: deze bepaling spreekt voor zich.</al></li><li nr="28."><al><cursief>Zelfredzaamheid</cursief>: zie de toelichting op het begrip
                            `participatie`.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 2: COMPENSATIE</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. De verantwoordelijkheid van het college</tussenkop><al>Het college streeft naar een inclusieve samenleving. Een samenleving waarin
                    inwoners sociaal en econo-misch zelfredzaam zijn en elkaar, zonder tussenkomst
                    van de gemeente, ondersteunen. Als inwoners er met elkaar niet uitkomen, komt de
                    gemeente in beeld. </al><al>Een inclusieve samenleving is ook een toegankelijke samenleving. Het
                    gemeentelijk beleid is erop gericht inclusie (van mensen met een beperking) te
                    bevorderen en uitsluiting van mensen tegen te gaan. Mede wegens ratificatie van
                    het VN verdrag voor de rechten van personen met een handicap, zet het college
                    hier ook vanaf 2015 sterk op in. Ratificatie van het verdrag brengt
                    verplichtingen rond toegankelijkheid met zich mee, onder andere voor
                    ondernemers, beleidsmakers en bestuurders. Voor wetgeving en (gemeentelijke)
                    andere regelgeving betekent het ratificeren van het VN Verdrag een eventuele
                    bijstelling/aanpassing van de regels. Deze bijstelling en aanpassing gebeurt in
                    samenspraak met mensen met een beperking. </al><al>Nederland ondertekende het VN-verdrag in 2007. Tot nu toe heeft de overheid het
                    verdrag nog niet omgezet in nationale wet- en regelgeving (ratificatie). De
                    planning van het kabinet Rutte II is dat het verdrag in Nederland in 2015
                    officieel van kracht zal zijn. </al><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald dat wanneer cliënt hulp nodig heeft bij het
                    zelf organiseren van oplossingen en het nemen van eigen verantwoordelijkheid,
                    het college hierin ondersteunt. De ondersteuning is er primair op gericht
                    cliënten in staat te stellen in eigen oplossingen te voorzien. </al><al>In lid 2 is bepaald, dat het college ondersteuning biedt aan personen die
                    problemen ondervinden bij hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.
                    Bij de gemeente wordt onderzoek gedaan naar de persoonlijke situatie van de
                    cliënt. De cliënt blijft zo lang mogelijk zelf ‘eigenaar’ van zijn probleem en
                    verantwoordelijk voor zijn (maatschappelijke)participatie en functioneren. Dit
                    is een belangrijk aspect van zelfstandigheid en autonomie van personen. Naast
                    het ondersteunen van de eigen verantwoordelijkheid draagt het college er zorg
                    voor, dat problemen in de zelfredzaamheid en (maatschappelijke) participatie
                    worden opgelost. Met zorg dragen wordt bedoeld: het samen met de cliënt zoeken
                    naar mogelijke oplossingen voor de belemmeringen die de cliënt ondervindt. De
                    oplossingen moeten leiden tot een vooraf afgesproken resultaat (zie de
                    toelichting op artikel 3). De wijze waarop het resultaat bereikt wordt (= via
                    welke oplossingen) is ondergeschikt aan het resultaat zelf. Dit betekent dat er
                    een beroep kan worden gedaan op het vermogen van de inwoner om, eventueel samen
                    met anderen in oplossingen te voorzien ten einde het resultaat te bereiken.</al><al>Wanneer blijkt, dat de cliënt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                    mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                    gebruikmaking van algemene voorzieningen, in staat is tot zelfredzaamheid of
                    (maatschappelijke)participatie, dan is een maatwerkvoorziening noodzakelijk. </al><al>In lid 3 is bepaald dat van het college mag worden verwacht dat zij zorg draagt
                    voor beschermd wonen voor degene die ten gevolge van psychische of psychosociale
                    problemen niet in staat zijn zonder ondersteuning zelfstandig te wonen. Zoals in
                    artikel 1.2.1 onderdeel b van de Wmo 2015 is bepaald kunnen ook personen die
                    niet woonachtig zijn in de gemeente Huizen zich tot het college wenden. De
                    maatwerkvoorziening die in dit kader wordt ingezet moet erin voorzien dat cliënt
                    – indien dat kan en zo snel als mogelijk - weer in staat is zich op eigen kracht
                    te handhaven in de samenleving. Bij beschermd wonen gaat het om vormen van
                    onder-steuning waarbij veelal sprake is van 24-uursverblijf en bijbehorende
                    begeleiding.</al><al>In lid 4 is bepaald dat de gemeente zorg draagt voor opvang zoals is bepaald in
                    artikel 1.2.1. onderdeel c van de Wmo 2015. Ook bij opvang geldt dat de
                    maatwerkvoorziening erin moet voorzien dat cliënt– indien dat kan en zo snel als
                    mogelijk - weer in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
                    Ook hierbij kan het gaan om vormen van ondersteuning waarbij sprake is van
                    24-uursverblijf en bijbehorende begeleiding. De opvang dient zo kort mogelijk te
                    zijn en is slechts een deel van een keten. Het uiteindelijk doel is, te
                    bevor-deren dat cliënten weer in staat zijn op eigen kracht mee te doen in de
                    samenleving en hen zoveel mogelijk zelfstandig te laten wonen.</al><al>In lid 5 is bepaald dat de gemeente zorg draagt voor goede kwaliteit en
                    continuïteit van voorzieningen. Deze bepaling is in artikel 8 van de verordening
                    nader uitgewerkt. </al><tussenkop>Artikel 3. Toekenning van een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In lid 1 is aangegeven dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer
                    er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd
                    is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake
                    is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door
                    middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden.
                    Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer (lid 2) cliënt niet of niet
                    volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken
                    van: </al><lijst><li nr="a."><al>eigen kracht en/of;</al></li><li nr="b."><al>gebruikelijke hulp en/of;</al></li><li nr="c."><al>mantelzorg en/of;</al></li><li nr="d."><al>hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of
                            vrijwilligerszorg;</al></li><li nr="e."><al>algemene voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al>voorliggende voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>Eigen kracht</tussenkop><al>Lid 2 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer
                    cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale
                    netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van
                    algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan. Wanneer het gaat om algemeen
                    gebruike-lijke voorzieningen, wordt de leefsituatie van cliënt goed onderzocht.
                    Hierbij wordt bij het algemeen gebruike-lijk beschouwen van voorzieningen altijd
                    uitgegaan van de individuele situatie van cliënt. Er is geen sprake van
                    voorzieningen die altijd en voor iedereen als algemeen gebruikelijk worden
                    gezien. Daar waar cliënt ondersteuning nodig heeft bij het zelf organiseren van
                    oplossingen, ondersteunt het college hierbij.</al><tussenkop>Gebruikelijke hulp</tussenkop><al>Lid 2 onder b bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er
                    sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot
                    aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen.
                    Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een
                    familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de
                    persoon die beperkingen ondervindt. </al><al>Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende
                    ouders zijn. Of iemand inwonend is wordt naar de concrete feitelijke situatie
                    beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen
                    en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoor-zieningen,
                    een eigen voordeur, e.d. Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden
                    geacht om huis-houdelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld
                    een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten
                    verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door
                    hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten,
                    zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas. Bij
                    gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijk-heid om naast een volledige
                    baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huis-genoot
                    gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken
                    overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om
                    taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks
                    het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen
                    treft om het resultaat te bereiken. </al><tussenkop>Hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of
                    vrijwilligerszorg</tussenkop><al>Lid 2 onder c en d bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als
                    belanghebbende met hulp van mantelzorg/ en/of hulp van andere personen uit zijn
                    sociale netwerk zelf (eventueel met hulp van het sociale netwerk) in eigen
                    oplossingen kan voorzien. </al><tussenkop>Algemene en voorliggende voorzieningen</tussenkop><al>Lid 2 onder e en f bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als
                    algemene en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en
                    leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen
                    vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene/voorliggende
                    voorzieningen.</al><al>Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik
                    maken van mogelijkheden van behandeling. Wanneer door behandeling resultaten ten
                    aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee
                    hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan
                    wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen. Zich laten opereren wordt niet
                    als voorliggend op maatwerk-voorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q.
                    revalidatieperiode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een
                    maatwerkvoorziening verstrekt worden.</al><al>De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt
                    samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke
                    hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteunings-aanbod, ofwel maatwerk. Daar
                    waar een maatwerkvoorziening wordt toegekend is deze, voor zover daartoe
                    aanleiding bestaat, afgestemd op:</al><lijst><li nr="a."><al>de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de
                            Zorgverzekeringswet;</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen op het gebied van jeugdzorg als bedoeld in de Jeugdwet die
                            de cliënt ontvangt of kan ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen;</al></li><li nr="e."><al>betaalde werkzaamheden van cliënt;</al></li><li nr="f."><al>scholing die de cliënt volgt of kan volgen, en</al></li><li nr="g."><al>ondersteuning ingevolge de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst><al>In lid 3 van dit artikel wordt omschreven welke hoofdresultaten de
                    maatwerkvoorzieningen dienen op te leveren. Een maatwerkvoorziening levert,
                    rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel
                    2.3.2. lid 2 van de Wmo 2015 en zoals omschreven in de Verordening sociaal
                    domein, een passende bijdrage aan het realiseren door cliënt van
                    zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen. De in lid 2 genoemde
                    hoofdresultaten zijn onder te verdelen in de volgende (niet limitatieve)
                    sub-resultaten. De sub-resultaten worden in de beschikkingen gericht aan cliënt
                    opgenomen. </al><tussenkop>Hoofdresultaat: zelfredzaamheid</tussenkop><al>Om de zelfredzaamheid te bevorderen is een maatwerkvoorziening gericht op een
                    oplossing voor:</al><lijst><li nr="a)"><al>het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                            levensverrichtingen. Sub-resultaten hierbij zijn:</al></li><li nr="-"><al>in en uit bed kunnen komen;</al></li><li nr="-"><al>aan- en uitkleden;</al></li><li nr="-"><al>de dagelijkse zelfzorg kunnen uitvoeren;</al></li><li nr="-"><al>persoonlijke verzorging in verband met gezondheidsproblemen kunnen
                            uitvoeren;</al></li><li nr="-"><al>noodzakelijke verpleegkundige handelingen kunnen uitvoeren;</al></li><li nr="-"><al>zich in en om de woning kunnen verplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>een eigen (spirituele/ seksuele) identiteit ontwikkelen;</al></li><li nr="-"><al>voorkomen van (dreigende) overbelasting van mantelzorger(s) of
                            gebruikelijke zorger(s);</al></li><li nr="-"><al>mantelzorg kunnen volhouden.</al></li></lijst><tussenkop>Afbakening persoonlijke verzorging met Zorgverzekeringswet</tussenkop><al>De persoonlijke verzorging valt onder de Zorgverzekeringswet (hierna:
                    basispakket). Vanuit die wet kunnen mensen aanspraak maken op persoonlijke
                    verzorging. De behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, is
                    het onderscheidende criterium op basis waarvan iemand in aanmerking komt voor
                    verpleging en verzorging uit hoofde van het basispakket. De behoefte aan
                    geneeskundige zorg omvat ook zorg in verband met een hoog risico op een
                    aandoening. Dit hoge risico op een aandoening vormt de basis voor de inzet van
                    ‘louter’ ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen, bijvoorbeeld
                    bij kwetsbare ouderen met een hoge leeftijd. Verbetering en behoud van
                    zelfredzaamheid en het zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, vormen een
                    belangrijke doelstelling van deze zorgverlening. Wanneer bij mensen een
                    geneeskundige hulpvraag ontstaat en zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg,
                    of bij een hoog risico daarop hebben, zullen zij zowel verpleging als de bij de
                    geneeskundige hulpvraag behorende verzorging uit het basispakket ontvangen. Dit
                    geldt ook voor mensen met een zintuiglijke beperking, een verstandelijke
                    beperking of met psychiatrische problematiek. </al><al>Iemand kan gedurende een aantal jaren te maken hebben met een psychiatrische
                    aandoening. De aandoe-ning; de intensiteit en de duur van de symptomen
                    verschillen van persoon tot persoon. Zo kunnen mensen gedragsproblemen hebben,
                    die niet psychiatrisch van aard zijn. Het verloop van een psychiatrische ziekte
                    laat zich vaak niet voorspellen. Een psychiatrische ziekte en de daarbij horende
                    symptomen kunnen met behulp van medicatie en therapie worden bestreden en soms
                    geheel verdwijnen. Een aantal aandoeningen kunnen echter periodiek terugkomen. </al><al>Een aantal mensen met een psychiatrische aandoening hebben ondersteuning nodig;
                    anderen periodiek of geheel niet. De meest voorkomende psychiatrische
                    aandoeningen zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>Angst en paniek stoornissen</al></li><li nr="-"><al>Depressie</al></li><li nr="-"><al>Persoonlijkheidsstoornis (borderline)</al></li><li nr="-"><al>Psychotische stoornis (schizofrenie)</al></li><li nr="-"><al>Eetstoornis (anorexia nervosa en boulimie)</al></li><li nr="-"><al>Autisme</al></li></lijst><al>Aan bijvoorbeeld een oudere met een verstandelijke beperking en een somatische
                    aandoening of iemand met een combinatie van psychiatrische problematiek en een
                    lichamelijke aandoening en als gevolg daarvan een hoog risico op de behoefte aan
                    geneeskundige zorg, wordt verpleging en verzorging verleend uit het
                    basis-pakket. Hiermee wordt voorkomen dat mensen gelijktijdig uit verschillende
                    handen lijfsgebonden zorg ontvangen en tegen een knip in zorgverlening aan
                    lopen. </al><al>Mensen met een lichamelijke aandoening kunnen een beroep doen op verpleging en
                    verzorging op basis van het basispakket. Het onderscheid tussen verpleging en
                    verzorging uit het basispakket op basis van het criterium behoefte aan
                    geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, en de daaruit voortvloeiende
                    afbakening met de Wmo 2015, voorkomt dat onduidelijkheid kan ontstaan wie
                    verantwoordelijk is voor de zorg of ondersteuning aan de cliënt.</al><lijst><li nr="b)"><al>Het voeren van een gestructureerd huishouden. Sub-resultaten hierbij
                            zijn:</al></li><li nr="-"><al>zelfstandig wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="-"><al>zelfstandig wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (boodschappen
                            kunnen doen);</al></li><li nr="-"><al>beschikken over maaltijden; </al></li><li nr="-"><al>zelfstandig administratie kunnen voeren;</al></li><li nr="-"><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="-"><al>leren omgaan met (matige tot ernstige) probleemgedrag;</al></li><li nr="-"><al>wonen in een pedagogisch verantwoord huishouden;</al></li><li nr="-"><al>opgroeien in een stimulerende omgeving; </al></li><li nr="-"><al>Veilig en geborgen zijn in de eigen leefomgeving.</al></li></lijst><tussenkop>Participatie</tussenkop><al>Om participatie te bevorderen is een maatwerkvoorziening gericht op het
                    realiseren van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Sub-resultaten hierbij
                    zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het zich (zelfstandig) verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="-"><al>mensen kunnen ontmoeten en contacten te kunnen onderhouden met
                            mensen;</al></li><li nr="-"><al>deel te kunnen nemen aan recreatieve, sportieve en maatschappelijke of
                            religieuze activiteiten;</al></li><li nr="-"><al>burgerschap kunnen vervullen en politiek actief kunnen zijn; </al></li><li nr="-"><al>een langdurige relatie of vriendschap kunnen hebben;</al></li><li nr="-"><al>een ingevulde dag kunnen hebben;</al></li><li nr="-"><al>vrijwilligerswerk kunnen doen;</al></li><li nr="-"><al>toegang tot openbare gelegenheden en voorzieningen kunnen hebben;</al></li><li nr="-"><al>toegang tot (passend) onderwijs kunnen hebben;</al></li><li nr="-"><al>een startkwalificatie halen; </al></li><li nr="-"><al>economische zelfstandig zijn;</al></li><li nr="-"><al>toegang tot (passend) werk kunnen hebben;</al></li><li nr="-"><al>zich lokaal te kunnen verplaatsen. </al></li></lijst><tussenkop>Beschermd wonen</tussenkop><al>Beschermd wonen kan een maatwerkoplossing zijn voor cliënten met psychische of
                    psychosociale problemen die (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht
                    in de samenleving te handhaven.</al><al>Bij beschermd wonen gaat het om het bieden van onderdak en begeleiding aan
                    personen met een psychische beperking (de huidige ZZP GGZ categorie C). De op
                    participatie gerichte ondersteuning vanuit een bescher-mende woonomgeving staat
                    bij deze personen centraal.</al><al>Personen die vanwege psychische problematiek er niet in slagen zelfstandig te
                    wonen zonder de directe nabijheid van 24 uurstoezicht en ondersteuning komen in
                    aanmerking voor beschermd wonen. Onder beschermd wonen wordt in de Wmo 2015
                    verstaan wonen in een accommodatie van een instelling:</al><lijst><li nr="·"><al>met het daarbij behorende toezicht en begeleiding;</al></li><li nr="·"><al>gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en
                            participatie;</al></li><li nr="·"><al>gericht op het bevorderen van het psychisch en psychosociaal
                            functioneren;</al></li><li nr="·"><al>gericht op stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld;</al></li><li nr="·"><al>gericht op het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                            overlast;</al></li><li nr="·"><al>gericht op het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen;</al></li></lijst><al>De Wmo 2015 geeft huidige cliënten beschermd wonen een overgangstermijn van
                    minimaal 5 jaar.</al><al>Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat inwoners zich in
                    principe tot iedere gemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen. Het
                    betekent niet dat in iedere gemeenten een vorm van beschermd wonen geboden moet
                    worden. Een cliënt die vanuit de beschermde woonvorm zelfstandig gaat wonen, is
                    vrij zijn woonplaats te kiezen.</al><tussenkop>Opvang</tussenkop><al>Opvang kan een maatwerkoplossing zijn voor cliënten die de thuissituatie hebben
                    verlaten vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld en die niet in staat zijn zich op
                    eigen kracht in de samenleving te handhaven. Opvang is beschikbaar voor iedereen
                    die zich meldt bij de gemeente. </al><al>Toegang tot opvang wordt toegekend wanneer sprake is van een tijdelijke noodzaak
                    voor onderdak met de daarbij behorende zorg en ondersteuning. Gezien het
                    tijdelijke karakter van opvang is de zorg en onder-steuning gericht op de
                    primaire levensbehoeften van cliënt (bed, bad, brood). Hierbij is ook van belang
                    dat toegang tot opvang alleen wordt toegekend wanneer de cliënt meewerkt aan het
                    realiseren van een definitieve verblijfplaats. </al><al>Het kan voorkomen dat cliënten bewust kiezen voor een bestaan als dak- en
                    thuisloze. Vaak hebben deze cliënten een langdurige geschiedenis van
                    psychosociale en/of psychische problematiek en behandelingen zonder resultaten.
                    Voor deze groep is de opvang niet bedoeld. Wel borgt het college dat er een
                    inloop-voorziening beschikbaar is en wordt tijdens de winterperiode bij extreme
                    weersomstandigheden onderdak op basis van bed, bad en brood aangeboden. </al><al>De mogelijkheid om onderdak te verkrijgen moet 24-uur mogelijk zijn. Om die
                    reden kunnen instellingen </al><al>voor opvang worden gemandateerd voor de eerste beoordeling (bijvoorbeeld in
                    crisisgevallen of wanneer de uitvoeringsdienst van de gemeente Huizen niet
                    beschikbaar is). Wanneer iemand zich meldt bij de instelling bepaalt de
                    instelling voorlopig of de situatie dusdanig is, dat het nodig is dat er
                    onderdak geboden wordt. Hierbij wordt onderzocht in hoeverre de melder op eigen
                    kracht of met behulp van zijn sociale netwerk onderdak kan vinden. Het college
                    bepaalt uiteindelijk definitief of er een positieve beschikking volgt. </al><al>Na de beoordeling door de instelling wordt de cliënt gemeld bij de
                    uitvoeringsdienst van de gemeente Huizen. Na de melding wordt een onderzoek
                    zoals bedoeld in artikel 2.3.2. van de Wmo 2015 ingesteld en wordt definitief
                    bepaald of opvang een passende voorziening is. Vervolgens wordt samen met de
                    cliënt (en eventueel mantelzorgers, sociale netwerk en/of externe zorgpartijen)
                    een plan van aanpak opgesteld. Het plan van aanpak zal in vrijwel alle gevallen
                    doelstellingen bevatten met betrekking op het vinden van een zelfstandige
                    woonruimte waardoor de opvang een tijdelijk karakter heeft, ter overbrugging
                    naar een zelfstandige woonruimte. </al><al>Lid 4 bepaalt dat wanneer er meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden
                    voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt
                    ingezet die als goedkoopst-compenserend aan te merken is. </al><tussenkop>Artikel 4. Vaststelling vorm van een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>Dit artikel omschrijft in welke vorm de maatwerkvoorziening kan worden
                    toegekend. </al><al>Lid 1 van dit artikel omschrijft het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening in
                    natura toegekend wordt.</al><al>In lid 2 staat de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget
                    (pgb) omschreven. Het pgb is een volwaardige manier van verkrijgen van een
                    maatwerkvoorziening. Met het pgb heeft hde gemeente een goed instrument in
                    handen om tot individueel maatwerk te komen en de cliënt zeggenschap te geven
                    over de ondersteuning die hij/zij ontvangt. Het persoonsgebonden budget maakt
                    het voor mensen met een beperking mogelijk om de regie over hun eigen leven te
                    behouden, zelf hun eigen leven in te richten en zelf zorgverleners uit te zoeken
                    die hen helpen op tijdstippen die zij wensen.</al><al>Het verkrijgen van een pgb is afhankelijk van een aantal voorwaarden. Deze
                    voorwaarden worden in lid 2 beschreven. Zo moet, zoals onderdeel a voorschrijft,
                    cliënt in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
                    voeren. De verplichting geldt het budget te besteden aan de doelstelling waar
                    deze voor is toegekend. Het is een verantwoordelijkheid van cliënt om naar
                    bedoeling en afspraak de besteding te doen. Mocht er in de looptijd van de
                    beschikking niet of niet langer worden voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                    krachtens de verordening, dan kan het college het eerder genomen besluit geheel
                    of gedeeltelijk intrekken. Dit geldt ook voor situaties waarbij er beschikt is
                    en achteraf blijkt dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                    gegevens bekend geweest, er een andere beslissing zou zijn genomen.</al><al>De cliënt moet– al dan niet met hulp van mensen uit zijn sociale netwerk – in
                    staat zijn om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, zelf bij derden in te kopen.
                    Het gaat daarbij om de vraag of hij, met de hulp van zijn omgeving, in voldoende
                    mate in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De cliënt moet
                    immers een contract aangaan en dient daartoe bekwaam te zijn. Het gaat daarbij
                    niet om het beheren van het pgb zelf. Namens het college verricht het SVB de
                    betalingen. Indien de cliënt niet zelf in voldoende mate in staat is tot een
                    redelijke waardering van zijn belangen, kan iemand uit zijn sociale netwerk hem
                    daarin bijstaan. Dit kunnen bijvoorbeeld een buurman, een voogd etc. zijn . De
                    wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt (curator, bewindvoerder, mentor,
                    gemachtigde) die wellicht (nog) niet tot het sociale netwerk van de cliënt
                    behoort, kan de cliënt ondersteunen bij het verantwoordelijk inkopen van de
                    diensten en hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maat-regelen die tot de
                    maatwerkvoorziening behoren. Het betrekken van wettelijk vertegenwoordigers
                    heeft voorrang op het betrekken van vertegenwoordigers uit het sociale netwerk.
                    Ook voor de aan te wijzen vertegenwoordigers geldt, dat getoetst wordt, of de
                    vertegenwoordigers van de cliënt de verantwoordelijk-heden behorende bij een pgb
                    aankunnen.</al><al>Onderdeel b van lid 2 vereist dat de cliënt gemotiveerd aangeeft dat een
                    maatwerkvoorziening als pgb passend wordt geacht.</al><al>Onderdeel c van lid 2 omschrijft de eisen die gelden aan de uitgave van het pgb.
                    Het pgb mag enkel worden uitgegeven aan een veilige en effectieve
                    maatwerkvoorziening van goede kwaliteit. Voor de maatwerk-voorziening zijn
                    kwaliteitseisen (de basisnorm) vastgelegd in de Wmo 2015 en in de Verordening
                    wet maat-schappelijke ondersteuning (artikel 8). Het college draagt, zoals
                    omschreven in artikel 2 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning,
                    zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen in natura. Of er
                    nu sprake is van een toekenning van een maatwerkvoorziening in natura, of als
                    pgb, de voorziening zal moeten bijdragen aan de doelstelling van de Wmo 2015:
                    het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de persoon die de
                    voorziening toegekend krijgt. Artikel 2.3.6 lid 3 van de Wmo 2015 bepaalt, dat
                    het college bij het beoordelen van de kwaliteit meeweegt of de diensten,
                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt
                    zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. </al><al>Uitgangspunt van de Wmo 2015 is, dat het college maatwerkvoorzieningen verstrekt
                    wanneer de cliënt niet zelf in staat is met behulp van zijn sociale netwerk of
                    mantelzorg zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op te
                    lossen (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015). Een pgb is bestemd voor het
                    inkopen van maatwerkvoorzieningen. Wanneer tijdens het onderzoek geconcludeerd
                    is dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan moet al onderzocht zijn in
                    hoeverre mantelzorgers en/of (andere) personen uit het sociale netwerk bij
                    kunnen dragen aan de beoogde oplossing. </al><al>Wanneer de beperking gecompenseerd kan worden met hulp van mantelzorgers/ en/of
                    hulp van andere personen uit het sociale netwerk, bestaat er geen aanspraak op
                    ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Zie hiervoor ook hetgeen gesteld is in
                    artikel 3 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen
                    2015. </al><al>In voorkomende gevallen kan het college afwijken van het bovenstaande
                    uitgangspunt. Belangrijk hierbij is dat de cliënt in zijn/haar motivatie
                    argumenten aandraagt waarom een pgb besteedt moet worden aan onder-steuning
                    geleverd door mantelzorgers en/of personen uit het sociale netwerk en waarom dit
                    een betere oplossing is dan professionele hulp en/of een voorziening in natura.
                    Een argument kan zijn, dat de mantel-zorger minder gaat werken om de benodigde
                    hulp te kunnen bieden en daardoor achteruit gaat in inkomen. </al><al>Een aanvullend argument kan zijn, dat de mantelzorg redelijkerwijs aantoonbaar
                    tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is,
                    zoals ook door Mezzo (Landelijke vereniging voor mantelzorgers en
                    vrijwilligerszorg) wordt geadviseerd. Zo kan een ondersteuning voor een kind in
                    een gezinssituatie door ouders vaak beter georganiseerd worden via een pgb dan
                    via een zorgorganisatie. De ouders hebben dan meer grip op en regie over de
                    zorgmomenten en kan de zorg beter afgestemd kan worden op de dagelijkse gang van
                    zaken in het gezin. Deze zorg is vaak ook doelmatiger door het combineren van
                    professionele zorg met zorg door personen uit het sociale netwerk en
                    mantelzorgers. </al><al> Wanneer het college het, in samenspraak met cliënt, en in specifieke gevallen
                    nodig acht om een pgb beschikbaar te stellen om maatwerkvoorzieningen te
                    betrekken van personen uit het sociale netwerk, kan het college afwijken van de
                    kwaliteitsnorm zoals bepaald in artikel 8 van de Verordening wet
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015. Bij het beoordelen van de
                    kwaliteit weegt het college mee of de in te kopen ondersteuning in redelijkheid
                    geschikt is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
                    Hierbij geldt onverkort dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en
                    cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat, zoals
                    omschreven in artikel 4 lid 2 onder c van de Verordening. </al><al>Lid 3 omschrijft dat de hoogte van het pgb op maat wordt vastgesteld. De hoogte
                    van het pgb wordt bepaald als tegenwaarde van de dienst/zaak die cliënt op dat
                    moment ontvangen zou hebben als de dienst/zaak in natura zou zijn verstrekt. Bij
                    het bepalen van de hoogte pgb wordt uitgegaan van de kostprijs van de
                    voor-ziening die met het pgb moet worden ingekocht, met als maximum de kostprijs
                    van de voorziening in natura. </al><al>Lid 4: uitgangspunt voor het vaststellen van de hoogte van een pgb is, dat de
                    cliënt met een pgb passende ondersteuning kan verkrijgen. Hierbij wordt rekening
                    gehouden met eventuele overheadkosten, een afschrijf-termijn en onderhoud. Bij
                    het bepalen van de hoogte van het pgb wordt de goedkoopst compenserende
                    voorziening als vertrekpunt genomen. Wanneer er een toereikend pgb is toegekend
                    en cliënt om voor hem/ haar relevante redenen aanvullingen op de
                    voorziening/extra dienstverlening wenst in te kopen, dan kan dit op grond van
                    bijbetaling door cliënt. Client bekostigt de aanvulling/extra dienstverlening
                    dan zelf.</al><al>In lid 5 wordt aangegeven dat de wijze waarop het pgb wordt berekend wordt
                    uitgewerkt in de nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke
                    ondersteuning 2015. De hoogte wordt berekend op basis van de kosten voor een
                    maatwerkvoorziening in natura. Ook voor naturavoorzieningen worden prijsopgaven
                    opgevraagd of zijn deze bekend. De wijze van berekening is dan ook dezelfde als
                    voor voorzieningen in natura. </al><tussenkop>Artikel 5. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel bepaalt dat cliënt voor een maatwerkvoorziening in natura
                    of als pgb een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Deze verplichting geldt
                    niet voor:</al><lijst><li nr="-"><al>rolstoelen en overige hulpmiddelen voor jeugdigen tot 18 jaar;</al></li><li nr="-"><al>rolstoelen voor cliënten van 18 jaar en ouder.</al></li></lijst><al>De bijdrage in de kosten geldt zolang de cliënt gebruikt maakt van de
                    voorziening, waarbij het beoogd resultaat uitgangspunt is voor de bijdrage. Er
                    is hierbij geen sprake van een vaste periode waarover een bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening wordt gevraagd en er wordt ook geen onderscheid gemaakt in
                    de wijze waarop de maatwerkvoorziening is verstrekt. Het kan hierbij gaan om
                    voorzieningen waarvan iemand een gebruiksrecht heeft gekregen of voorzieningen
                    in eigendom.</al><al>Wanneer cliënt via het collectief vraagafhankelijk vervoer ondersteund wordt dan
                    is er geen sprake van een inkomensafhankelijke bijdrage, maar van een
                    reizigersbijdrage (per zone) die gelijk staat aan de geldende tarieven van het
                    reguliere OV. </al><al>Lid 2 stelt vast dat de omvang van de bijdrage omvang voor maatwerkvoorzieningen
                    zoals bedoeld in artikel 3 lid 3, onder a tot en met d wordt vastgesteld op de
                    maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en 3.10 van het
                    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage mag de kostprijs
                    van de voorziening nooit overschrijden. </al><al>In lid 3 staan de kaders van de verschuldigde bijdrage in de kosten opvang
                    opgenomen. De verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld binnen de kaders van
                    artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 5 lid 6
                    van de verordening werkt het college de voor opvang geldende kaders uit in de
                    nadere regels. </al><al>In lid 4 wordt aangegeven dat de bijdrage in de kosten voor
                    maatwerkvoorzieningen (met uitzondering van opvang) wordt vastgesteld en geïnd
                    door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). De hoogte van de bijdrage is
                    afhankelijk van het inkomen en het (eventuele) vermogen van cliënt en zijn
                    echtgenoot. In artikel 2.4.1. lid 6 van de Wmo 2015 is bepaald, dat het CAK de
                    eigen bijdrage niet vaststelt voor opvang.</al><al>In lid 5 wordt ingegaan op de opdracht die het college heeft op grond van
                    artikel 2.1.4. lid 7 van de Wmo 2015. Het college heeft de bevoegdheid om de
                    bijdrage in de kosten voor opvang vast te stellen en te innen. </al><al>De wet bepaalt dat college een andere instantie aan kan wijzen om bijdragen in
                    de kosten voor opvang vast te stellen en te innen. Deze instantie is dan
                    verplicht de vastgestelde bijdrage van de cliënten te innen in alle gevallen dat
                    de bijdrage niet door de gemeente op de uitkering van de cliënt wordt
                    ingehouden. </al><al>Als de gemeente het vaststellen en innen van de bijdragen voor opvang aan een
                    andere instantie opdraagt, moet zij ervoor zorgen dat aan het CAK een mededeling
                    wordt gedaan van de opgelegde bijdrage zodat het CAK de anticumulatie bepaling
                    kan toepassen en gegarandeerd wordt dat het zak- en kleedgeld voor de cliënt
                    beschikbaar blijft.</al><al>De uitwerking van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan lid 5 van dit
                    artikel vindt plaats in de nadere regels. </al><al>Lid 6 van artikel 5 geeft aan dat hetgeen gesteld is in lid 3 en in lid 5 van
                    dit artikel, in nadere regels wordt uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 6. Bijdrage algemene voorziening</tussenkop><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald, dat cliënten een bijdrage verschuldigd
                    zijn, wanneer zij gebruik maken van een algemene voorziening. Deze bijdrage kan,
                    anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomens-afhankelijk zijn.
                    Hierbij kunnen andere termijnen en maximale bedragen gelden dan voor
                    maatwerkvoor-zieningen. De instellingen die algemene voorzieningen bieden kunnen
                    bepalen of een bijdrage verschuldigd is. Dit geldt niet voor
                    cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is kosteloos voor de cliënt die daar
                    een beroep op doet. </al><al>Lid 2 omschrijft dat de instellingen die algemene voorzieningen bieden zelf de
                    bijdrage mogen vaststellen en innen. Hierbij geldt de plicht voor aanbieders van
                    algemene voorzieningen om het college te informeren over de hoogte van de
                    bijdragen en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd. Het college houdt
                    hierdoor toezicht op proportionele bijdragen in de kosten. Tevens vindt het
                    college het van groot belang dat er proactief wordt ingespeeld op de cumulatie
                    van bijdragen. Het college draagt hieraan bij door hier bijvoorbeeld tijdens het
                    onderzoek (na de melding) uitgebreid op in te gaan. Daarnaast maakt het college
                    afspraken met aanbieders van algemene voorzieningen over het vervullen van een
                    signalerende rol met betrekking tot de cumulatie van bijdragen in de kosten
                    en/of het ontstaan van financiële knelpunten hierdoor. </al><al>Net zoals voor maatwerkvoorzieningen geldt, is in lid 3 bepaald dat de bijdrage
                    in de kosten voor algemene voorzieningen niet hoger mag zijn dan de kostprijs
                    van de algemene voorziening. </al><tussenkop>Artikel 7. Waardering mantelzorgers </tussenkop><al>Lid 1 omschrijft dat het college een mantelzorgcompliment kan toekennen aan
                    cliënt. Het mantelzorg-compliment is een jaarlijkse blijk van waardering van de
                    cliënt voor zijn/haar mantelzorger. Vanwege het belang dat mantelzorg heeft voor
                    de leefbaarheid van de samenleving, het welzijn van de hulpbehoevende die door
                    mantelzorgers uit hun sociale netwerk worden geholpen en de betaalbaarheid van
                    de maatschappe-lijke ondersteuning, is deze jaarlijkse blijk van waardering op
                    zijn plaats. De Wmo 2015 draagt de gemeente op zorg te dragen voor de regeling
                    van de wijze waarop mantelzorgers een blijk van waardering ontvangen. Voorheen
                    deed het Rijk dit. In de Wmo 2015 is aangegeven dat de blijk van waardering kan
                    bestaan uit een geldbedrag dat per gemeente kan verschillen of uit een andere
                    vorm van waardering. Bij de toekenning van het mantelzorgcompliment is bepalend
                    in welke gemeente de cliënt woont. Die gemeente kent het mantel-zorgcompliment
                    toe. Mantelzorgers die buiten de gemeentegrenzen wonen van degene aan wie
                    mantelzorg verleend, komen dus ook in aanmerking voor de blijk van
                    waardering.</al><al>Lid 2 vereist dat het mantelzorgcompliment op aanvraag van cliënt kan worden
                    toegekend. De vorm van waardering voor de mantelzorger wordt afgestemd op de
                    behoefte van de individuele cliënt en mantelzorger. In een nadere regeling wordt
                    hier invulling aan gegeven. </al><al>In lid 3 is aangegeven dat de invulling van het mantelzorgcompliment in een
                    nadere regeling ingevuld wordt. Deze regeling zal grondslag bieden voor het
                    afstemmen van de vorm van waardering voor de mantelzorger op de behoefte van de
                    individuele cliënt en mantelzorger. Vanuit de cliëntgroepen en
                    belangenbehartigers is namelijk aangegeven dat cliënten en hun mantelzorgers
                    gehecht zijn aan deze vorm van waardering, maar dat de vorm waarin men deze
                    waardering het liefst zou ontvangen sterk afhangt van persoonlijke voorkeuren.
                    Velen willen graag een geldbedrag (met name de mensen met een wat kleinere
                    beurs), anderen willen liever een meer persoonlijke vorm van waardering
                    (cadeaubon, bloemen, uitstapje). Een deel van de cliëntgroepen en
                    belangenbehartigers gaf aan dat een deel van het beschikbare geld kan worden
                    ingezet voor het organiseren van ontspanningsactiviteiten en of een jaarlijkse
                    bijeenkomst voor mantelzorgers. De jaarlijkse bijeenkomst kan het karakter
                    hebben van de bijeenkomst zoals die al jaarlijks wordt georganiseerd voor
                    vrijwilligers. Overigens komt de dag van de Mantelzorg hier voor een groot deel
                    al aan tegemoet. Die dag financiert de gemeente uit een ander budget. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. KWALITEIT EN MEDEZEGGENSCHAP</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Kwaliteit van maatwerkvoorzieningen</tussenkop><al>Lid 1: Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het
                    voortdurend zorg dragen voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning.
                    In artikel 2.1.1 is tot uitdrukking gebracht dat de gemeente verantwoordelijk is
                    voor het stellen van regels inzake de kwaliteit van de voorzieningen in de
                    maatschappe-lijke ondersteuning. Het college vult deze verplichting in door in
                    lid 2 van dit artikel generieke kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen te
                    bepalen en de voorzieningenspecifieke eisen uit te werken in de geldende
                    contracten voor maatwerkvoorzieningen. Het college ziet toe op de naleving van
                    de gestelde eisen. </al><al>Het college vindt het van groot belang dat de cliënt de mogelijkheid heeft om
                    zelf te kiezen voor een aan-bieder die de nodige ondersteuning levert. Het
                    college faciliteert de cliënt hier dan ook zoveel mogelijk in. Mede door zoveel
                    mogelijk met meerdere aanbieders overeenkomsten te sluiten voor de levering van
                    een maatwerkvoorziening. Hierbij garandeert het college dat alle partijen met
                    wie zij contracten aangaat, voldoen aan vaste kwaliteitseisen die het college
                    heeft vastgesteld. </al><al>Daar meerdere aanbieders met het college overeengekomen zijn een
                    maatwerkvoorziening te leveren heeft de cliënt ook gedurende de looptijd van de
                    voorziening de mogelijkheid om van aanbieder te veranderen. Deze mogelijkheid
                    bestaat binnen de randvoorwaarden van de ondersteuning. Hiervan kan bijvoorbeeld
                    sprake zijn bij een mismatch tussen cliënt en aanbieder. De aanbieder werkt in
                    dergelijke gevallen mee in het belang van cliënt aan de inhoudelijke overdracht
                    aan de nieuwe aanbieder. </al><al>In lid 2 worden de generieke eisen weergegeven. Zo geldt dat de voorzieningen in
                    elk geval veilig, doeltref-fend, doelmatig en cliëntgericht moeten worden
                    verleend en afgestemd zijn op de reële behoefte van de cliënt en op andere
                    vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt. In dat verband onderzoekt het
                    college ook hoe, door middel van samenwerking van zorgverzekeraars en
                    zorgaanbieders, de dienstverlening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op
                    andere diensten die de cliënt ontvangt. Voorts moet de voorziening worden
                    verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende
                    verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaarden. Hierbij
                    is essentieel dat de maatwerk geleverd wordt met respect voor en met
                    inachtneming van de aanspraken van de cliënt. </al><tussenkop>Artikel 9. Kwaliteitsaspecten bij verlening van
                    overheidsopdrachten</tussenkop><al>Dit artikel benadrukt dat wanneer de verlening van een voorziening wordt
                    aanbesteed/ingekocht, het college het criterium ‘kwaliteit’ altijd meeweegt bij
                    de verlening van de opdracht aan een aanbieder. Dit geldt ongeacht de (inkoop)
                    procedure die het college volgt. Hoe zwaar de specifieke kwaliteitsaspecten
                    zoals genoemd onder onderdeel a tot en met g wegen, is afhankelijk van de in te
                    kopen voorziening.</al><tussenkop>Artikel 10. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Lid 1: Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van
                    de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald over welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten vereist is. </al><al>De medezeggenschap gaat over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                    gebruikers van belang zijn. Het betreft dus de medezeggenschap van cliënten
                    tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet
                    klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstel-lingen (Wmcz)
                    gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder
                    verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels
                    geheel aan gemeenten overgelaten. </al><al>In lid 1 van artikel 10 is bepaald dat aanbieders een regeling vaststellen
                    waarin de effectieve en laagdrem-pelige medezeggenschap is vastgelegd. Niet voor
                    elke voorziening is een dergelijke regeling noodzakelijk. Het artikel is zodanig
                    opgesteld, dat de verplichting tot een regeling voor medezeggenschap niet geldt
                    voor aanbieders van hulpmiddelen of (woning)aanpassingen noch voor diensten die
                    middels een pgb worden ingekocht. Als een aanbieder die in het kader van de Wmo
                    2015 dienstverlening taken laat uitvoeren door in de regel minder dan tien
                    medewerkers, geldt de verplichting tot een regeling voor medezeggenschap niet
                    (lid 2).</al><al>In het derde lid wordt aangegeven dat het college toezicht houdt op de naleving
                    van de regeling omtrent medezeggenschap en dat de medezeggenschap door
                    aanbieders goed wordt uitgevoerd. Dit kan het college bijvoorbeeld doen door met
                    cliënten van aanbieders of cliëntenvertegenwoordigers in gesprek te gaan, of
                    door dit specifiek te onderzoeken. </al><tussenkop>Artikel 11. Meldingsregeling calamiteiten en geweld </tussenkop><al>In lid 1 staat omschreven dat het college een regeling treft waarin de
                    procesgang bij calamiteiten en geweld omschreven staat en waarin wordt ingegaan
                    op de verantwoordelijkheden van de toezichthoudende ambte-naar bij het zich
                    voordoen van calamiteiten en geweld. </al><al>Lid 2 en lid 3: In artikel 3.3 van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij
                    de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 5.1, van de Wmo 2015 onverwijld
                    melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening
                    heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In
                    artikel 5.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die
                    zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens de Wmo 2015. Deze bepaling haakt aan bij beide wetsbepalingen door aan
                    te geven dat het college een toezichthoudend ambtenaar aanwijst bij wie melding
                    kan worden gedaan van calamiteiten en geweld. </al><tussenkop>Artikel 12 Betrekken van ingezetenen bij het beleid </tussenkop><al>In lid 1 van dit artikel wordt bepaald dat het college ingezetenen betrekt bij
                    de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.
                    Hierbij wordt er een verwijzing gemaakt naar artikel 150 van de Gemeentewet. In
                    artikel 150 van de Gemeentewet is aan de gemeenteraad de verplichting opgelegd
                    een inspraakverordening vast te stellen. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    Inspraakverordeningen verwijzen veelal naar de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. </al><al>Lid 2 omschrijft dat het college ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid stelt
                    om voorstellen te doen voor het beleid, advies uit te brengen bij de
                    besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en hen voorziet van
                    ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Deze aspecten worden in
                    een nadere regeling uitgewerkt. </al><al>Naast hetgeen in lid 2 gesteld is, zorgt het college er op grond van lid 3 voor
                    dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen
                    voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van voor een
                    adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al><al>De wijze waarop het college invulling heeft aan de medezeggenschap wordt op
                    grond van lid 4 van deze Verordening bij nadere regeling uitgewerkt. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Nadere regels</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen
                    als uitwerking van de kaders neergelegd in de Verordening. Deze nadere regels
                    zijn algemeen verbindende voorschriften en kunnen leiden tot bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 14. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Het opnemen van de hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor het college om
                    een onderdeel van de Verordening niet toe te passen of daarvan af te wijken, als
                    toepassing leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Omdat het college
                    maatwerk wil bieden en daarbij uitgaat van de persoonlijke situatie van de
                    cliënt, moet de hardheidsclausule als uiterste vangnet worden gezien, mocht er
                    sprake zijn van een niet billijke situatie.</al><tussenkop>Artikel 15. Indexering </tussenkop><al>Bepaalde bedragen worden jaarlijks aangepast. Bedragen voor de eigen bijdrage en
                    het eigen aandeel worden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport jaarlijks aangepast. Op basis van artikel 15 is het college bevoegd om de
                    bedragen voor de maatwerkvoorzieningen, voor zover deze bekend zijn, aan te
                    passen. Hierbij wordt uitgegaan van de ontwikkelingen conform de prijsindex
                    volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index.</al><tussenkop>Artikel 16. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen </tussenkop><al>Lid 1: Op grond van artikel 7.7, eerste lid, van de Wmo 2015 moet de Verordening
                    voor 1 november 2014 te worden vastgesteld. </al><al>Lid 2 bepaalt dat met in werking treden van de Verordening wet maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Huizen 2015, de Verordening wet maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Huizen 2013 wordt ingetrokken. </al><al>In lid 3 staat vast dat elk besluit dat op grond van de Verordening wet
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2013 genomen is, van kracht
                    blijft tot de verloopdatum van de aan belanghebbende afgegeven beschikking. Dit
                    betekent dat belanghebbenden ook na ingang van de Verordening wet
                    maat-schappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2015 rechten kunnen ontlenen aan
                    besluiten die op grond van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Huizen 2013 genomen zijn. Dit geldt tenzij het college een nieuw
                    besluit neemt waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                    ingetrokken. Aan het nemen van een nieuw besluit en het intrekken van een oud
                    besluit gaat altijd zorgvuldig onderzoek vooraf. Het college motiveert haar
                    afwegingen duidelijk in een motivering die cliënt ontvangt.</al><al>Lid 4 regelt de grondslag voor besluiten die per de inwerkingtreding van deze
                    Verordening nog niet genomen zijn. Wanneer er aanvragen zijn ingediend vóór de
                    inwerkingtreding van deze Verordening en waarop nog geen besluit genomen is,
                    geldt dat de besluiten op grond van de Verordening wet maatschappelijke
                    onder-steuning gemeente Huizen 2015 genomen worden.</al><al>In lid 5 is geregeld dat voor een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van
                    de Verordening wet maat-schappelijke ondersteuning gemeente Huizen 2013, het
                    bezwaar volgens de regels uit die Verordening wordt afgedaan.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>