<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340589_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coordinatieverordening gemeente Soest 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Soester Courant (5 novemmber 2014)</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coordinatieverordening gemeente Soest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 3.30 Wro</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-11-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB 14-40 (Verseon 1197455)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Coordinatieverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Coordinatieverordening gemeente Soest 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de volgende: <vet>Coördinatieverordening gemeente Soest
                            2014</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><al>a) besluit: besluit als bedoeld in artikel 3.30 lid 1 van de Wet ruimtelijke
                        ordening;</al><al>b) coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van besluiten
                        in één gezamenlijke procedure volgens de coördinatieregeling van afdeling
                        3.6 van de Wet ruimtelijke ordening;</al><al>c) bestemmingsplan: een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de
                        Wet ruimtelijke ordening;</al><al>d) uitwerkingsplan, wijzigingsplan: een uitwerkingsplan respectievelijk
                        wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke
                        ordening;</al><al>e) bouwen: bouwen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al>f) omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van
                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>g) projectafwijkingsbesluit: een omgevingsvergunning waarbij met toepassing
                        van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken;</al><al>h) aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag om
                        een omgevingsvergunning heeft ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30 lid 1 van de Wet ruimtelijke
                        ordening, is alleen van toepassing op het coördineren van de voorbereiding
                        van een besluit om een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, een
                        wijzigingsplan of een projectafwijkingsbesluit vast te stellen c.q. te
                        verlenen, in samenhang met een besluit omtrent de verlening van een
                        enkelvoudige of meervoudige vergunning in de zin van de artikelen 2.1 en 2.2
                        Wabo en overige besluiten die verband houden met het bestemmingsplan,
                        uitwerkingsplan of wijzigingsplan, waaronder in ieder geval begrepen
                        besluiten op grond van de Wet geluidhinder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities kan het college van
                        burgemeester en wethouders ambtshalve of op aanvraag besluiten gecoördineerd
                        voorbereiden:</al><al>a) het besluit over een bestemmingsplan, uitwerkingsplan, wijzigingsplan of
                        projectafwijkingsbesluit en over een omgevingsvergunning maken tenminste
                        deel uit van de te coördineren besluiten en/of</al><al>b) een ander besluit, dat bij de coördinatie wordt betrokken, houdt verband
                        met het bestemmingsplan, uitwerkingsplan of wijzigingsplan als bedoeld onder
                        a en</al><al>c) door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld
                        dat het besluit als bedoeld onder b gecoördineerd kan worden voorbereid
                        en</al><al>d) door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld
                        dat zich geen belemmering voordoet en</al><al>e) de aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de
                        gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de aanvrager
                        heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Procedureregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens wordt besloten om besluiten gecoördineerd voor te bereiden als
                            bedoeld in artikel 3, wordt vooroverleg gepleegd met de aanvrager,
                            waarin afspraken worden gemaakt over de in te dienen stukken en welke
                            besluiten gecoördineerd worden voorbereid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De stukken die benodigd zijn voor de besluiten worden zoveel mogelijk
                            gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet
                            later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste
                            aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een aanvraag niet volledig is, wordt de aanvrager in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken binnen zes weken dan wel
                            binnen een redelijk termijn in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in deze verordening zijn
                            artikelen 3:24, derde en vierde lid, en 3:26 en 3:27 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd artikel 3:24, derde en vierde lid, van de Awb vangt de
                            termijn voor het nemen van de besluiten aan met ingang van de dag waarop
                            de laatste volledige aanvraag is ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onvolledige aanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een termijn wordt gesteld voor het aanvullen van een aanvraag, als
                            bedoeld in artikel 4:5, eerste lid Awb, worden alle beslissingen op de
                            te coördineren aanvragen opgeschort tot het moment waarop de aanvullende
                            gegevens zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een aanvraag om een besluit waarop het verzoek tot coördinatie
                            betrekking heeft buiten behandeling wordt gelaten met toepassing van
                            artikel 4:5, vierde lid Awb kan het college ook ten aanzien van andere
                            samenhangende besluiten afzien van de gecoördineerde behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verzoek tot beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager kan bij het college een verzoek indienen om geheel of
                            gedeeltelijk van een verdere gecoördineerde behandeling af te zien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken op het in lid 1 bedoeld
                            verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college beslist dat behandeling van een besluit buiten de
                            gecoördineerde behandeling mogelijk is, wordt de aanvraag behandeld
                            overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften voor de behandeling
                            van deze aanvraag, met inachtneming van artikel 9 van deze
                            verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beëindiging door bevoegd gezag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de gecoördineerde behandeling op eigen initiatief geheel
                            of gedeeltelijk beëindigen indien een meer uitgebreide behandeling van
                            een aanvraag is vereist en dit zich verzet tegen de voortgang van de
                            gecoördineerde behandeling van de andere aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college beslist dat een bepaalde aanvraag buiten de
                            gecoördineerde behandeling wordt gelaten, wordt deze aanvraag behandeld
                            overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften voor de behandeling
                            van deze aanvraag, met inachtneming van artikel 8 van deze
                            verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene terugvalregeling</titel></kop><al>Als een aanvraag uit de gecoördineerde behandeling wordt gehaald, wordt het
                        tijdstip waarop deze aanvraag uit de gecoördineerde behandeling wordt
                        gehaald, geacht het tijdstip te zijn waarop de aanvraag is ingediend. De
                        voor deze aanvraag gebruikelijke wettelijke procedures en termijnen beginnen
                        op dit tijdstip.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening gemeente
                        Soest</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Soest, 16 oktober 2014</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.van Vliet MPM AA R.T. Metz</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de coördinatieverordening gemeente Soest </titel></kop><tussenkop>Inhoud</tussenkop><al>Hoofdstuk 1: Algemene toelichting</al><al>§ 1 Inleiding</al><al>§ 2 Wettelijk kader</al><al>§ 3 Wat houdt de coördinatieregeling in?</al><al>§ 4 Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?</al><al>§ 5 De gevolgen voor het gemeentebestuur</al><al>§ 6 De gevolgen voor de aanvrager</al><al>§ 7 De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen</al><al>§ 8 Relatie met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Algemene
                    wet bestuurs-</al><al>recht (Awb).</al><al>§ 9 Relatie met milieuwetgeving</al><al>Hoofdstuk 2: Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>Hoofdstuk 1: Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>De coördinatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) maakt het mogelijk
                    dat diverse procedures gezamenlijk worden doorlopen. Hiermee vindt er efficiency
                    plaats binnen het besluitvormingsproces, zowel door het tempo dat met de
                    coördinatieregeling gemaakt kan worden, als door duidelijkheid die het in
                    samenhang afhandelen van verschillende procedures met zich brengt.</al><tussenkop>Wettelijk kader</tussenkop><al>Artikel 3.30 lid 1 Wro: "Bij besluit van de gemeenteraad kunnen […] categorieën
                    van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van
                    het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat […] de voorbereiding
                    en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een
                    bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
                    2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken,
                    wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten
                    […].”</al><al>De wet stelt grenzen aan het toepassen van de coördinatieregeling, omdat het
                    besluit om de regeling toe te passen grote gevolgen heeft voor de procedures van
                    de te coördineren besluiten. Het in artikel 3.30 Wro neergelegde kader bevat
                    twee eisen:</al><lijst><li nr="1."><al>het moet gaan om de verwezenlijking van "gemeentelijk ruimtelijk beleid"
                            en</al></li><li nr="2."><al>het moet wenselijk zijn om de gecoördineerde besluitvorming in te zetten
                            voor de verwezenlijking van dat beleid.</al></li></lijst><al>Om te voldoen aan deze eisen staat de coördinatieverordening alleen coördinatie
                    toe wanneer een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, een wijzigingsplan of een
                    projectafwijkingsbesluit deel uitmaakt van de te coördineren besluiten. Het
                    bestemmingsplan, uitwerkingsplan of wijzigingsplan is vereist om te waarborgen
                    dat het om de uitvoering van gemeentelijk beleid gaat; deze plannen zijn immers
                    - naast de structuurvisie - dé planfiguur waarin de gemeente haar ruimtelijke
                    visie kenbaar maakt. Als er op uitvoering gerichte elementen in het
                    bestemmingsplan zitten, is het wenselijk om in één procedure zowel de
                    planologische wijziging -het bestemmingsplan- als de concrete uitwerking in de
                    vorm van een bouwplan te regelen. Daarmee is de samenhang tussen te nemen
                    besluiten, maximaal zichtbaar en wordt de door de wet beoogde vereenvoudiging
                    van procedures bewerkstelligd, zodat de dienstverlening aan de
                    vergunningaanvrager geoptimaliseerd kan worden. De efficiënte procedure van de
                    coördinatieregeling zorgt ook voor lagere procedurekosten en minder bestuurlijke
                    lasten (zie §3, §4 en §5).</al><tussenkop>Wat houdt de coördinatieregeling in?</tussenkop><al>Met het coördineren bedoelt de wetgever dat besluiten die met elkaar
                    samenhangen, bijvoorbeeld één bouwplan, waarvoor een omgevingsvergunning en een
                    bestemmingsplan nodig zijn, in één procedure worden voorbereid. De procedures
                    voor de vergunningen en voor het bestemmingsplan worden dus gecombineerd tot één
                    procedure. De Wabo zorgt er al voor dat meerdere vergunningen tegelijk worden
                    verleend maar de coördinatie met het bestemmingsplan is bewust uit de Wabo
                    gehouden door de wetgever. Daarnaast kunnen andere besluiten bij de coördinatie
                    betrokken worden zoals een besluit op grond van de Wet geluidhinder.</al><al>Het vaststellingsbesluit over een bestemmingsplan, uitwerkingsplan,
                    wijzigingsplan mag één van de te coördineren besluiten zijn. Als dat zo is, dan
                    is de bestemmingsplanprocedure (ontwerp 6 weken ter inzage, mogelijkheid om
                    zienswijzen naar voren te brengen, rechtstreeks beroep bij de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State), of de procedures voor
                    uitwerkingsplannen/wijzigingsplannen ook van toepassing op de besluiten die met
                    het bestemmingsplan gecoördineerd worden voorbereid.</al><al>Tegen de besluiten die na die gecoördineerde voorbereidingsprocedure worden
                    genomen kan beroep ingesteld worden en de afhandeling van beroepen tegen
                    onderdelen van de gecoördineerde besluiten gebeurt in één keer.</al><al>Het voordeel van één enkele procedure is door de wetgever nog vergroot in
                    artikel 8.3 van de Wro: er is slechts één beroepsprocedure bij maar één
                    instantie (alleen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) waarbij
                    de wet voorschrijft dat de Afdeling binnen zes maanden (in plaats van binnen één
                    jaar) uitspraak moet doen. Dit is overigens een termijn van orde. Daarnaast
                    heeft de wetgever bepaald dat de omgevingsvergunning voor een bouwplan dat met
                    een bestemmingsplan is voorbereid, verleend kan worden voordat het
                    bestemmingsplan in werking treedt. Als de coördinatieregeling niet wordt
                    toegepast kan een omgevingsvergunning pas verleend worden als het
                    bestemmingsplan in werking is getreden.</al><al>Een tweede belangrijk voordeel van de gecoördineerd voorbereide besluiten is dat
                    de samenhang tussen de te nemen besluiten voor iedereen duidelijk is. Het
                    vervallen van de mogelijkheden om bezwaar te maken en beroep bij de rechtbank in
                    te stellen kan risico's met zich meebrengen, omdat een negatieve uitspraak over
                    één van de besluiten gevolg kan hebben voor daarmee samenhangende besluiten. In
                    het geval van een negatieve uitspraak over het bestemmingsplan zal bijvoorbeeld
                    ook het besluit om een omgevingsvergunning te verlenen vernietigd worden.</al><tussenkop>Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?</tussenkop><al>De wet geeft geen beperkingen aan de omvang van bouwprojecten. De
                    coördinatieverordening kan wel beperkingen bevatten, maar dat hoeft niet. Een
                    aanvrager zal bij grote projecten vaak zekerheid willen hebben over de
                    planologische inpassing in een bestemmingsplan, voordat er kosten gemaakt worden
                    om bouwtekeningen te maken. Omdat de coördinatieverordening de met waarborgen
                    omklede bestemmingsplanprocedure verplicht stelt en omdat de omvang van de via
                    de coördinatieverordening te realiseren projecten op natuurlijke wijze beperkt
                    wordt, is er voor gekozen om in deze verordening geen beperkingen aan de omvang
                    te stellen.</al><al>De coördinatieverordening beperkt zich echter tot die gevallen waarin de
                    herziening van een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, wijzigingsplan of
                    projectafwijkingsbesluit nodig is.</al><tussenkop>De gevolgen voor het gemeentebestuur</tussenkop><al>De verordening verhindert niet dat de gemeenteraad een afzonderlijk besluit
                    neemt om de coördinatieregeling toe te passen in een geval dat niet onder de
                    reikwijdte van de verordening valt. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat de
                    gemeenteraad besluit tot gecoördineerde besluitvorming over een bestemmingsplan
                    en een ander besluit voor een geval dat niet is aangewezen in deze
                    verordening.</al><tussenkop>De gevolgen voor de aanvrager</tussenkop><al>De besluitvorming kan efficiënter verlopen door coördinatie. Het is mogelijk om
                    een vergunning te verlenen zonder dat het bestemmingsplan in werking is
                    getreden. Dit scheelt aanzienlijk in termijnen.</al><tussenkop>De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen</tussenkop><al>De coördinatieregeling mag alleen toegepast worden als de gemeenteraad daartoe
                    besloten heeft óf als de gemeenteraad (in een verordening) heeft vastgesteld in
                    welke gevallen het wenselijk is om coördinatie toe te passen.</al><al>Zonder coördinatieverordening kan de coördinatieregeling dus alleen gebruikt
                    worden als de gemeenteraad daar per geval een besluit over neemt. Dat zou
                    betekenen dat de gemeenteraad een eerste besluit moet nemen en dat daardoor de
                    procedure met enige vertraging start, terwijl de coördinatieregeling onder meer
                    bedoeld is om tempo te kunnen maken.</al><tussenkop>Relatie met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb)</tussenkop><al>Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. De Wabo biedt geen
                    mogelijkheden tot het coördineren van een vergunningbesluit met een herziening,
                    wijziging of uitwerking van het bestemmingsplan. De coördinatieregeling uit de
                    Wro is dus een aanvulling op de Wabo. Dat is ook een reden geweest om de
                    coördinatieverordening toe te spitsen op die aanvulling. Op deze wijze bevat de
                    coördinatieverordening geen elementen die via de Wabo geregeld zijn.</al><al>Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet samenhangende besluiten Awb, zijnde een
                    aanvulling van de Awb, in werking getreden. Daarin zijn, onder meer,
                    procedureregels opgenomen die in acht kunnen worden genomen als besluiten
                    gecoördineerd worden. Over het doel van de wet zegt de Memorie van Toelichting
                    onder meer:</al><al>“Het is dus van belang een algemene wettelijke mogelijkheid te creëren om
                    samenhang te brengen in verschillende procedures, die kan worden toegepast
                    wanneer de situatie daarom vraagt.</al><al>Dit wetsvoorstel geeft hieraan gestalte, door in de Awb een
                    «coördinatieregeling» aan te bieden die door de bijzondere wetgever of het
                    bestuur van toepassing kan worden verklaard. Deze regeling zorgt voor een
                    stroomlijning van de procedures bij het voorbereiden en nemen van samenhangende
                    besluiten en van de rechtsbescherming daartegen.” </al><al>De coördinatieverordening maakt gebruik van de geboden wettelijke mogelijkheid. </al><tussenkop>Relatie met milieuwetgeving</tussenkop><al>De gecoördineerde voorbereiding van besluiten bevat altijd een
                    bestemmingsplanprocedure of een procedure voor een wijzigingsplan,
                    uitwerkingsplan of projectafwijkingsbesluit (zie ook hieronder: artikelsgewijze
                    toelichting over artikel 2). Daarmee is gegarandeerd dat de nodige milieuwetten
                    worden nageleefd. Deze besluiten moeten immers onderbouwd worden met de
                    uitkomsten van onderzoeken naar bijvoorbeeld luchtkwaliteit, externe veiligheid,
                    ecologische (hoofd-) structuur, geluid, etc.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2: Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling ziet op het coördineren van het
                    bestemmingsplan of een uitwerkingsplan of wijzigingsplan of een
                    projectafwijkingsbesluit of de omgevingsvergunning.</al><al>Daarbij kunnen vergunningen die een relatie hebben met het bestemmingsplan,
                    uitwerkingsplan, wijzigingsplan of een projectafwijkingsbesluit ook betrokken
                    worden bij de coördinatie. Dat kunnen omgevingsvergunningen zijn voor het bouwen
                    van een bouwwerk of besluiten op grond van de Wet geluidhinder.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om
                    besluitvorming te coördineren. De zinnen worden afgesloten met het woordje “en”
                    voor zover de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als aan die
                    voorwaarden is voldaan.</al><al>Sub a vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond van de
                    coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over een
                    bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, wijzigingsplan en omgevingsvergunning
                    gecoördineerd moet worden.</al><al>Dat kan anders zijn als naast de omgevingsvergunning ook nog andere vergunningen
                    nodig zijn om het project te realiseren. Sub b houdt in dat, als aan de
                    voorwaarde van sub a voldaan is, er meer besluiten in de gecoördineerde
                    voorbereiding mogen meedoen.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat
                    controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de
                    verordening voldaan is.</al><al>Sub c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de
                    vaststelling dat aan de eisen is voldaan, maar het college van burgemeester en
                    wethouders ziet ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan ook
                    afzien van coördinatie.</al><al>Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. Een ruime uitleg van sub c kan er niet toe
                    leiden dat het college gevallen coördineert die niet onder de verordening vallen
                    en waartoe de raad niet expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de
                    raadsbevoegdheid om te besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is
                    niet toe.</al><al>Op grond van sub d stelt het college van burgemeester en wethouders vast of
                    artikel 4 geen belemmering is voor het toepassen van de coördinatieregeling. Dit
                    sub d moet beperkt uitgelegd worden: áls er een belemmering is, dan is
                    gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk. </al><al>Uit sub d blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen de coördinatieregeling
                    moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen worden om mee te
                    werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk inhouden dat de
                    aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te vragen. De
                    aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van coördinatie. Het
                    kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten dat de
                    bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken voor het
                    maken van een bouwtekening.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Voor zover de wet geen aanwijzingen geeft over de manier waarop de
                    coördinatieregeling uitgevoerd moet worden, voorziet deze verordening
                    daarin.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen hoe te handelen bij onvolledige aanvragen.</al><tussenkop>Artikel 6, 7, 8, 9 en 10</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich en behoeven daarom geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>