<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340569_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nieuwkoop</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nieuwkoop</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-8900">gmb-2017-8900</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, en 2.6.6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b en 47</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW en IOAZ artikel 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-135</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening sociaal domein</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>15-12-2016 2e verordening tot wijziging</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015</vet></al><al/><al><vet>Zoals vastgesteld door de gemeenteraad in zijn vergadering van 16
                            oktober 2014, nummer 2014-100</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.Toepassing en begrippen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Jeugdwet,
                                de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                zelfstandigen (IOAZ)</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen
                                verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet, de Wmo 2015 of de
                                Participatiewet, IOAW of IOAZ wordt bedoeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze verordening wordt verder verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Algemene voorziening</cursief>: een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, een vrij toegankelijke
                                        voorziening als bedoeld in de Jeugdwet en een voorliggende
                                        voorziening als bedoeld in artikel 15 van de
                                        Participatiewet.</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemeen gebruikelijke voorziening</cursief>: een
                                        voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een
                                        beperking, dus ook door anderen gebruikt wordt, algemeen
                                        verkrijgbaar is en niet – aanzienlijk – duurder is dan
                                        vergelijkbare producten.</al></li><li nr="c."><al><cursief>B</cursief><cursief>elanghebbende</cursief>: een
                                        persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de
                                        Participatiewet.</al></li><li nr="d."><al><cursief>C</cursief><cursief>ollege:</cursief> college van
                                        burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop.</al></li><li nr="e."><al><cursief>I</cursief><cursief>ntegraal plan</cursief>: het
                                        hulpverleningsplan, als bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1),
                                        al dan niet gecombineerd met het persoonlijk plan, als
                                        bedoeld in de Wmo en/of een plan, gerelateerd aan de
                                        Participatiewet, voor één of meer personen of volgens de Wet
                                        gemeentelijke schuldhulpverlening.</al></li><li nr="f."><al><cursief><cursief>Inwoner:</cursief></cursief> iemand die
                                        woont in de gemeente Nieuwkoop. Voor een beroep op jeugdhulp
                                        moet onder inwoner verstaan worden ‘‘iemand die op grond van
                                        de Jeugdwet valt onder de gemeenten die deelnemen aan de
                                        gezamenlijk inkoop van Jeugdhulp binnen Holland
                                        Rijnland’.</al></li><li nr="g."><al><cursief>M</cursief><cursief>aatwerkvoorziening</cursief>:
                                        een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, een
                                        individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet en een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 7 en artikel 35 van de
                                        Participatiewet. </al></li><li nr="h."><al><cursief>N</cursief><cursief>orm:</cursief>1° toepasselijke
                                        bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de
                                        Participatiewet, of</al><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                        de IOAW/IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond
                                        van die wetten.</al></li><li nr="i."><al><cursief>P</cursief><cursief>ersoonsgebonden budget
                                            (pgb):</cursief> een bedrag waarmee inwoners zelf hun
                                        (jeugd)hulp of ondersteuning kunnen inkopen.</al></li><li nr="j."><al><cursief>Centrum voor Jeugd en gezin (CJG</cursief>): een
                                        laagdrempelige organisatie in de gemeente waar ouders, jeugd
                                        tot 23 jaar en professionals die met opvoeden en opgroeien
                                        te maken hebben, met al hun vragen terecht kunnen</al></li><li nr="k."><al><cursief>WMO loket: </cursief>Toegang tot de Wet
                                        maatschappelijke ondersteuning. Loket binnen de gemeente
                                        waar men terecht kan voor ondersteuning, informatie en
                                        advies op het terrein van wonen, welzijn en zorg vanuit de
                                        Wet maatschappelijke ondersteuning. De medewerkers werken
                                        onder mandaat van het college.</al></li><li nr="l."><al><cursief>Serviceplein: </cursief>Toegang tot de
                                        participatiewet. Bij het serviceplein kan men terecht voor
                                        vragen op het gebied van werk en inkomen en het aanvragen
                                        van een uitkering in het kader van de Participatiewet. De
                                        medewerkers werken onder mandaat van het college.</al></li><li nr="m."><al><cursief>Uitkering : </cursief>algemene bijstand op grond
                                        van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW
                                        of IOAZ.</al></li><li nr="n."><al><cursief>W</cursief><cursief>erk en inkomen</cursief>: de
                                        Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW),
                                        de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Wet
                                        gemeentelijke Schuldhulpverlening.</al></li><li nr="o."><al><cursief>Sociaal netwerk: </cursief>Het netwerk om een
                                        inwoner heen waar een inwoner een hulpvraag neer kan leggen,
                                        bestaande uit bijvoorbeeld familie, vrienden, buren.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Integrale benadering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Melding hulpvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Iedere inwoner kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor
                                zichzelf of voor een ander, richten tot het Wmo loket, het CJG of
                                het serviceplein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 22 van deze verordening kunnen ook
                                professionals zoals de huisarts, jeugdarts, medisch specialist,
                                docent/schoolbegeleiders of maatschappelijk ondersteuner een
                                hulpvraag van een inwoner aan het Wmo loket of het CJG
                                voorleggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Wmo loket of het CJG verzamelen in overleg met de inwoner(s), en
                                eventueel samen met diens mantelzorger(s) en/of diens
                                vertegenwoordiger, de noodzakelijke gegevens over de inwoner(s) en
                                zijn/hun situatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het Wmo loket, het CJG en het serviceplein informeren de inwoner(s)
                                over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt zijn of haar toestemming om diens
                                persoonsgegevens te verwerken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het Wmo loket of het CJG informeert de inwoner, en/of diens
                                mantelzorger(s) of diens vertegenwoordiger, voorafgaand aan het
                                gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis
                                cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een hulpvraag kan enkelvoudig, meervoudig en/of complex zijn. Bij
                                een meervoudige en/of complexe aanvraag vindt afstemming plaats
                                tussen het Wmo loket, het CJG of het serviceplein. Samen met de
                                inwoner wordt bekeken wat de beste manier is om de hulpvraag te
                                behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Het gesprek, verslag en integraal plan (Wmo en Jeugd)</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het gesprek over de hulpvraag met de inwoner en mogelijk andere
                                betrokkenen kan onder meer aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermogen van de inwoner om zelf een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden.</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheid om met ondersteuning van de naaste omgeving
                                        een oplossing voor de hulpvraag te vinden</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op
                                        het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                        ondersteuning of werk en inkomen, die niet onder de Jeugdwet
                                        of Participatiewet IOAW, IOAZ , Wet gemeentelijke
                                        schuldhulpverlening of Wmo valt;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening in te
                                        zetten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Afhankelijk van de hulpvraag wordt samen met de inwoner een verslag
                                en/of een integraal plan opgesteld vanuit het principe 1 gezin, 1
                                plan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In dit verslag en/of integraal plan wordt een overzicht opgenomen
                                van de te nemen vervolgstappen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er een integraal plan wordt opgesteld dan wordt onder andere
                                aangegeven van welke voorzieningen gebruik wordt gemaakt en/of voor
                                welke maatwerkvoorzieningen de inwoner een aanvraag bij het college
                                indient. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als er een verslag of een integraal plan wordt gemaakt dat
                                betrekking heeft op de Jeugdwet en/of de Wmo, dan wordt dit
                                toegestuurd aan de betreffende inwoner, tenzij deze heeft aangegeven
                                hierop geen prijs te stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Aanvraag van een maatwerkvoorziening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Inwoners kunnen bij het Wmo loket, het CJG of het serviceplein een
                                aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag en/of het integraal plan genoemd in artikel 3 gelden als
                                aanvraag, indien dit verslag en/of integraal plan is
                                aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.Verstrekken van een maatwerkvoorziening </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor
                                zover in het verslag of integraal plan wordt aangegeven dat de
                                inwoner:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met andere personen uit zijn sociaal
                                        netwerk in zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn
                                        hulpvraag kan vinden, en</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene
                                        voorziening; </al></li><li nr="c."><al>met deze voorziening zelfredzaam wordt of kan
                                        participeren;</al></li><li nr="d."><al>geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college van oordeel is dat de hulpvraag redelijkerwijs te
                                voorzien en te voorkomen was, kan het college besluiten
                                belanghebbende niet in aanmerking te laten komen voor een
                                maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfstandigheid en
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of
                                ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is,
                                rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele)
                                mogelijkheden van een inwoner.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor bepaalde voorzieningen kunnen nog aparte voorwaarden van kracht
                                zijn. Deze staan genoemd in deze verordening, nadere regels of in de
                                betreffende wetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5a. Advisering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van de aanvraag, degene door of namens wie een
                                aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante
                                huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een melding of aanvraag betreft van een inwoner die niet
                                        eerder een voorziening heeft gehad of met wie niet eerder
                                        een gesprek als bedoeld in artikel 3 gevoerd is;</al></li><li nr="b."><al>het een melding of aanvraag betreft van een inwoner die wel
                                        eerder een voorziening heeft gehad of met wie wel eerder een
                                        gesprek als bedoeld in artikel 3 gevoerd is, maar van wie de
                                        omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde
                                        omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort
                                        van voorziening kunnen beïnvloeden;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening Jeugdwet en Wmo</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb
                                wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een maatwerkvoorziening op het gebied van de Wmo wordt altijd
                                een beschikking afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beschikking voor een maatwerkvoorziening op het gebied van de
                                jeugdwet wordt in ieder geval afgegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de verstrekking van een pgb;</al></li><li nr="b."><al>bij de weigering van een aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een
                                        beschikking te ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>als een ouderbijdrage verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>de gecontracteerde aanbieder die de voorziening
                                        verstrekt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld; </al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen (ouder)bijdrage wordt de inwoner
                                daarover in de beschikking geïnformeerd. Hierbij wordt voor jeugd
                                paragraaf 8.2 van de Jeugdwet in acht genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Maatwerkvoorziening via een pgb</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1
                                van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de kosten van een
                                vergelijkbare voorziening in natura. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze de hoogte van
                                een pgb wordt vastgesteld en onder welke voorwaarden de inwoner aan
                                wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp of ondersteuning kan
                                betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt geen pgb voor het collectief vraagafhankelijk
                                vervoer (CVV). </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvorderingvoor Jeugdwet en Wmo</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een inwoner doet aan het college op verzoek of direct uit eigen
                                beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing over het gebruik maken van een
                                bepaalde voorziening, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en op basis van
                                artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing over een
                                maatwerkvoorziening (jeugd) of een pgb herzien dan wel intrekken als
                                het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inwoner(s) onjuiste of onvolledige gegevens heeft/hebben
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de inwoner(s) niet langer op de maatwerkvoorziening of op
                                        het pgb is/zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend
                                        is;</al></li><li nr="d."><al>de inwoner(s) niet voldoet/voldoen aan de voorwaarden van de
                                        maatwerkvoorziening, individuele jeugdhulpvoorziening of het
                                        pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de inwoner(s) de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor
                                        een ander doel gebruikt/gebruiken dan waarvoor het is
                                        bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid onder a
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van
                                degene(n) die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft/hebben verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening (jeugd) of
                                het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb <onderstreept>binnen een jaar na
                                    uitbetaling</onderstreept> of binnen de termijn waarvoor het is
                                toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening
                                waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte
                                voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Voorzieningen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Voorzieningen op grond van de Jeugdwet</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9. Algemene voorzieningen jeugd</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onderdeel van algemene voorzieningen zijn de vrij toegankelijke
                                    jeugdhulpvoorzieningen. Hieronder vallen:</al><lijst><li nr="a."><al>basisvoorzieningen voor inwoners hieronder vallen in
                                            ieder geval de jeugdgezondheidszorg en de preventieve
                                            activiteiten van het CJG;</al></li><li nr="b."><al>het jeugd- en gezinsteam.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college heeft de bevoegdheid de in lid 1 genoemde vrij
                                    toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen nader te benoemen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.Maatwerkvoorzieningen jeugd</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de maatwerkvoorzieningen jeugd vallen de specialistische
                                    jeugdhulpvoorzieningen, zoals omschreven in de beleidsnotitie
                                    “Hart voor de jeugd”. Hieronder vallen in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>Generalistische Basis GGZ Jeugd;</al></li><li nr="b."><al>Specialistische GGZ Jeugd;</al></li><li nr="c."><al>Gespecialiseerde jeugdhulp jeugdigen met een
                                            beperking;</al></li><li nr="d."><al>24 uurs zorg Jeugd- en Opvoedhulp;</al></li><li nr="e."><al>Gesloten jeugdhulp</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de
                                    maatwerkvoorzieningen jeugd en kan een deel daarvan als vrij
                                    toegankelijk benoemen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Voorzieningen op grond van de Wmo</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11. Aanvullende voorwaarden voor maatwerkvoorziening Wmo</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een
                                    maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende
                                    bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van de
                                    inwoner zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor
                                    een maatwerkvoorziening, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij het
                                            zich handhaven in de samenleving;</al></li><li nr="b."><al>de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan
                                            de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of
                                            opvang;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de
                                            inwoner (indien mogelijk) in staat wordt gesteld zich zo
                                            snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van
                                    een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze
                                    slechts verstrekt, als:</al><lijst><li nr="a."><al>de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                            afgeschreven,of;</al></li><li nr="b."><al>de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is
                                            afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner
                                            zijn toe te rekenen, of;</al></li><li nr="c."><al>de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                            oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan
                                            maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden alleen verstrekt
                                    indien deze langdurig noodzakelijk zijn. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Voorzieningen op grond van de Participatiewet en IOAW/IOAZ</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12. Ondersteuning en voorzieningen voor arbeidsinschakeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan een belanghebbende ondersteuning of een
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omstandigheden zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 hebben in
                                    ieder geval betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de
                                    mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                    of gebruik kan maken van de voorziening beschut werk. Onder
                                    zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot 5
                                            jaar;</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg
                                            als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a
                                    onder 4 en 7 van de Participatiewet vraagt het college een
                                    bijdrage in de kosten van de voorziening. Deze bijdrage wordt
                                    bepaald op basis van de draagkracht bijzondere bijstand die door
                                    het college vastgesteld is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan de inzet van
                                    een voorziening nadere verplichtingen verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. De voorzieningen </label></kop><al>Onder de voorzieningen voor arbeidsinschakeling vallen in ieder
                                geval de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>Werkervaringsplaats/stage</al></li><li nr="b."><al>Proefplaatsing</al></li><li nr="c."><al>Scholing en/of opleiding</al></li><li nr="d."><al>Persoonlijke ondersteuning (job coaching) </al></li><li nr="e."><al>Bemiddeling</al></li><li nr="f."><al>Participatieplaats</al></li><li nr="g."><al>Beschut werk</al></li><li nr="h."><al>Loonkostensubsidie</al></li><li nr="i."><al>Sociale activering</al></li><li nr="j."><al>Aanpassingen op de werkplek </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Scholing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 13 onder c
                                    van deze verordening moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en
                                    is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op individuele gronden besluiten de in het
                                    eerste lid bedoelde scholing en/of opleiding te maximeren tot
                                    het niveau van hoger beroepsonderwijs. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Premie en scholing bij participatieplaats</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan belanghebbende die onbeloonde
                                    additionele werkzaamheden verricht volgens artikel 10a lid 6 van
                                    de Participatiewet een premie van telkens € 150 per zes
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie kan worden geweigerd indien bij de beoordeling blijkt
                                    dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele
                                    werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes
                                    maanden heeft geschonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De scholing en/of opleiding als bedoeld in artikel 10a lid 5 van
                                    de Participatiewet moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en
                                    is gemaximeerd tot het niveau van een startkwalificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16. Beschut werk</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of
                                    psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                    aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                    werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                    persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de belanghebbenden een voorselectie en
                                    wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
                                    advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                                    tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                    beoordeling uitsluitend personen, van wie verwacht wordt dat zij
                                    zonder deze voorziening geen mogelijkheden tot
                                    arbeidsparticipatie hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de beschutte werkplek mogelijk te maken kan het college in
                                    ieder geval de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten:
                                    fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,
                                    uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                    werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk er beschikbaar zijn.
                                    De wijze waarop is vastgelegd in het beleidsplan "Rijnstreek
                                    werkt".</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een belanghebbende behoort tot de
                                    doelgroep loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                            omschreven in artikel 7 lid 1 sub a van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                            wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of
                                    een belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.
                                    Het UWV neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria
                                    in acht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Vaststelling loonwaarde</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de in bijlage 1 omschreven wijze om de
                                    loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot de vaststelling
                                    van de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt daarbij de in
                                    bijlage 1 omschreven methode in acht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. No-riskpolis</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Werkgevers kunnen bij ziekte van de werknemer gebruik maken van
                                    de no-riskpolis die het UWV aanbiedt voor de gemeentelijke
                                    doelgroep van de banenafspraak in het kader van de
                                    participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Sociale activering </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende activiteiten aanbieden in
                                    het kader van participatie in de maatschappij gericht op
                                    arbeidsinschakeling als de mogelijkheid bestaat dat hij op enig
                                    moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de activiteiten en duur van de in het eerste
                                    lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten
                                    van die persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Onkostenvergoeding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op voorliggende voorzieningen een
                                    vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten in het kader
                                    van re-integratie. Deze vergoeding geldt alleen voor
                                    uitkeringsgerechtigden volgens de Participatiewet, IOAW en IOAZ.
                                    Het gaat hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten</al></li><li nr="b."><al>kinderopvang</al></li><li nr="c."><al>overige kosten</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over de toekenning van de
                                    in lid 1 bedoelde vergoedingen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22. Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts</label></kop><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing
                            van de jeugdige en/of de (pleeg)ouders, door de huisarts, medisch
                            specialist of jeugdarts van cliënt(en) naar een jeugdhulpaanbieder, als
                            en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van
                            jeugdhulp nodig is en het college geen aanleiding ziet om gemotiveerd
                            van dit oordeel af te wijken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering </label></kop><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de
                                    uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of</al></li><li nr="b."><al>de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de
                                    inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting
                                    nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke
                                    beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij
                                    de uitvoering van jeugdreclassering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24. Jeugdhulp in spoedeisend geval</label></kop><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende
                            tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging
                            gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25. Vertrouwenspersoon jeugd</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep
                                kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich
                                desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 26. Regels voor bijdragen Wmo en kostprijs maatwerkvoorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een inwoner kan een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het
                                        inkomen en het inkomen uit vermogen van de inwoner en zijn
                                        echtgenoot of partner.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in nadere regels vast:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de inwoner een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is; </al></li><li nr="c."><al>(onderdeel is vervallen)</al></li><li nr="d."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb voor een
                                        woningaanpassing voor een minderjarige overeenkomstig
                                        artikel 2.1.5 lid 1 sub a en b van de Wmo is verschuldigd
                                        door de onderhoudsplichtige ouders of daarmee in dat artikel
                                        gelijkgestelden;</al></li><li nr="e."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald;</al></li><li nr="f."><al>de termijnen waarover een eigen bijdrage voor een
                                        maatwerkvoorziening en een pgb gevraagd wordt.</al></li><li nr="g."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen als
                                        bedoeld in artikel 2.1.4 lid 7 van de Wmo de bijdragen voor
                                        een maatwerkvoorziening en pgb worden vastgesteld en
                                        geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers </label></kop><al>Het college bepaalt in nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28. Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan als bedoeld
                                in artikel 2.1.2 van de Wmo op aanvraag aan inwoners die aantoonbaar
                                meerkosten hebben ten gevolge van een langdurige hoge zorgvraag en
                                die in die kosten niet of niet volledig uit eigen inkomen en/of
                                vermogen kunnen voorzien, een maatwerkvoorziening
                                inkomensondersteuning verstrekken ter ondersteuning van
                                zelfredzaamheid en participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over de toekenning van de in
                                het eerste lid genoemde voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29. Klachtenregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten en voor de medezeggenschap van cliënten over
                                voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van
                                belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen en medezeggenschapsregelingen
                                van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een
                                jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo zorgen voor een
                                goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder de eisen met betrekking
                                tot de deskundigheid van beroepskrachten , door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de inwoner;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Tegenprestatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 31. Inhoud van de tegenprestatie </label></kop><al>Het college kan naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden opdragen die re-integratie niet als doel hebben en
                                worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en niet
                                leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32. Verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in ieder geval een tegenprestatie naar vermogen
                                    opleggen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbenden met een bijstandsuitkering die na
                                            ondersteuning richting werk geen reguliere betaalde baan
                                            hebben gevonden;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbenden die naar oordeel van het college baat
                                            hebben bij het leveren van een tegenprestatie om
                                            isolement op te heffen/te voorkomen en het welbevinden
                                            te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opleggen van de verplichting tot het verrichten van een
                                    tegenprestatie houdt het college in ieder geval rekening met de
                                    volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belanghebbende; </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende worden in aanmerking genomen;
                                        </al></li><li nr="c."><al>als een belanghebbende al betaalde arbeid,
                                            vrijwilligerswerk of mantelzorg (zoals bedoeld in de
                                            Wmo)verricht, wordt daarmee rekening gehouden.
                                        </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33. Duur en omvang van de tegenprestatie</label></kop><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 500 uur per jaar en
                                maximaal 20 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34. Geen werkzaamheden voorhanden </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen
                                    werkzaamheden, als bedoeld in artikel 31 van deze verordening,
                                    voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                    werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college periodiek
                                    of op dat moment wel dergelijke werkzaamheden voorhanden zijn
                                    die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 35. Indienen verzoek</label></kop><al>
                
                Een verzoek, als bedoeld in artikel 36 lid 1 en artikel
                                36b lid 1 van de Participatiewet wordt schriftelijk ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36. Langdurig laag inkomen </label></kop><al>Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel
                                36 lid 1 van de Participatiewet als gedurende een referteperiode van
                                36 maanden het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110
                                % van de voor hem geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 5
                                lid 1 sub c van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37. Hoogte individuele inkomenstoeslag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag wordt berekend over de norm
                                    genoemd in artikel 21 onderdeel a van de Participatiewet en
                                    bedraagt per 12 maanden afgerond in hele euro’s voor:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaanden 30% van deze norm</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders 35% van deze norm</al></li><li nr="c."><al>gehuwden 40% van deze norm</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op
                                    individueleinkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 van
                                    de Participatiewet, komtde rechthebbende echtgenoot in
                                    aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte
                                    die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden
                                    met inachtneming van artikel 32 lid 3 van de
                                    Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38. Voorwaarden individuele studietoeslag</label></kop><al>De volgende voorwaarden gelden om voor een individuele studietoeslag
                                in aanmerking te komen:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager voldoet aan de in artikel 36b lid 1 van de
                                        Participatiewet opgenomen voorwaarden,</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager dient al gedurende zes maanden een studie zoals
                                        bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet te volgen
                                        en</al></li><li nr="c."><al>het inkomen van de aanvrager bedraagt niet meer dan 110% van
                                        de voor hem geldende bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39. Hoogte en betaling individuele studietoeslag </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 250. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De studietoeslag kan maximaal 1 maal per 12 maanden toegekend
                                    worden. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Afstemming</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.1. Niet of onvoldoende meewerken aan een verplichting tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie met uitzonderingvan de verplichtingen in artikel 18, lid 4 van de Participatiewet</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 40. Gedragingen Participatiewet</label></kop><al>Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen
                                zoals genoemd in artikel 9, 9a en 55 van de Participatiewet. </al><al>Het college legt een maatregel op wanneer een belanghebbende zich
                                schuldig maakt aan een van de onderstaande gedragingen. De
                                gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën. </al><al><vet><onderstreept>a. eerste</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                        categorie</onderstreept></vet><onderstreept>:
                                </onderstreept></al><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                                of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. </al><al><vet><onderstreept>b. tweede</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                        categorie</onderstreept></vet><onderstreept>:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                        uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld
                                        in artikel 44a van de Participatiewet of het opstellen van
                                        een individueel plan van aanpak;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                        artikelen 9 lid 1 van de Participatiewet, voor zover het
                                        gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende
                                        vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en
                                        5 van de Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b van de
                                        Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot
                                        het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting
                                        voor een alleenstaande ouder, als bedoeld in artikel 9a lid
                                        1 van de Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in
                                        artikel 9 lid 1 sub c van de Participatiewet.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>c. derde categorie</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
                                    </al></li><li nr="2."><al>het niet meewerken aan een nadere verplichting gericht op
                                        arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 55 van de
                                        Participatiewet.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>d.</onderstreept></vet><vet><onderstreept>vierde
                                        categorie:</onderstreept></vet></al><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen, te aanvaarden of te behouden voor zover dit niet
                                voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de
                                Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41. Gedragingen IOAW/IOAZ</label></kop><al>Belanghebbende wordt geacht zich te houden aan de verplichtingen
                                zoals genoemd in de artikelen 37 en 38 van de IOAW of IOAZ.</al><al>Het college legt een maatregel op wanneer een belanghebbende zich
                                schuldig maakt aan een van de onderstaande gedragingen. De
                                gedragingen zijn onderverdeeld in vier categorieën.</al><al><vet><onderstreept>a. eerste categorie</onderstreept></vet>: </al><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                                of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. </al><al><vet><onderstreept>b. tweede categorie:</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen van een
                                        individueel plan van aanpak;</al></li><li nr="2."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 sub e van de
                                        IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot
                                        het intrekken van de ontheffing van de arbeidsverplichting
                                        voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid
                                        12 van de IOAW of IOAZ; </al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in
                                        artikel 37 lid 1 sub f van de IOAW of IOAZ.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>c. derde categorie: </onderstreept></vet></al><al>Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.</al><al><vet><onderstreept>d</onderstreept></vet><vet><onderstreept>. vierde
                                        categorie: </onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="2."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="3."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="4."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="5."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en
                                        37 lid 1 sub e van de IOAW of IOAZ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42. De hoogte en duur van de maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval belanghebbende zich niet houdt aan de verplichtingen
                                    zoals genoemd in artikel 40 of 41 wordt de maatregel vastgesteld
                                    op: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:10% van de norm gedurende één maand;
                                        </al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:20% van de norm gedurende één maand;
                                        </al></li><li nr="c."><al>derde categorie:50% van de norm gedurende één maand;
                                        </al></li><li nr="d."><al>vierde categorie:100% van de norm gedurende één maand.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beoordeling van een maatregel vindt bij gehuwden voor de
                                    partners afzonderlijk plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er sprake is van een gedraging van de eerste categorie kan
                                    eenmalig worden volstaan met het geven van een waarschuwing als
                                    gedurende twee voorafgaande jaren geen andere waarschuwing of
                                    maatregel op grond van deze paragraaf of op grond van artikel 18
                                    lid 4 Participatiewet is opgelegd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</label></kop><al>Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren volgens
                                artikel 20 van de IOAW of IOAZ naar de mate en naar de periode
                                waarin belanghebbende inkomen had kunnen verwerven of heeft
                                verloren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.2 Niet of onvoldoende meewerken aan verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling zoals in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 44. De hoogte en duur van de maatregel</label></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18
                                lid 4 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                verlaging 100% van de norm gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 45. Verrekenen maatregel</label></kop><al>Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wordt het bedrag
                                van de verlaging als bedoeld in artikel 44 van deze verordening,
                                verrekend in drie gelijke delen over de maand van oplegging van de
                                maatregel en de twee volgende maanden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.3. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 46. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover nog niet genoemd in artikel 40, wordt indien
                                    belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                    voor de voorziening in het bestaan heeft getoond als bedoeld in
                                    artikel 18 lid 2 van de Participatiewet, de uitkering
                                    verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>met 100% van de norm gedurende één maand, indien
                                            belanghebbende verwijtbaar geen of geen volledig recht
                                            heeft op een uitkering krachtens een sociale verzekering
                                            of een andere voorliggende voorziening;</al></li><li nr="b."><al>met 100% van de norm gedurende de periode, dat de
                                            belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen
                                            indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover
                                            hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken
                                            zou hebben aangewend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid toont in de zin van het niet verkrijgen,
                                    aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de melding wordt de
                                    uitkering met 100% gedurende één maand verlaagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een
                                    bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de
                                    inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt. De
                                    uitkering wordt gedurende drie maanden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging op grond van het tweede lid bedraagt de eerste
                                    maand 100% en de tweede en derde maand 20% van de norm.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van artikel 51 kan de verlaging direct bij aanvang
                                    van de uitkering ingaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47. Zeer ernstige misdragingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    Participatiewet en de IOAW/IOAZ zoals bedoeld in de artikelen 9
                                    lid 6 Participatiewet en 37 lid 1 onder g IOAW/IOAZ, wordt een
                                    verlaging opgelegd van 50% van de norm gedurende een periode van
                                    één maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48. Niet nakomen van overige verplichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde
                                    verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet
                                    niet of onvoldoende nakomt anders dan een verplichting gericht
                                    op arbeidsinschakeling, wordt voor zover deze gedraging niet
                                    valt onder een verplichting van artikel 18 lid 4 van de
                                    Participatiewet een verlaging toegepast van 20% van de norm
                                    gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende de medewerkingsverplichting als bedoeld
                                    in artikel 17 lid 2 of 4 van de Participatiewet of artikel 13
                                    lid 2 of 4 van de IOAW of IOAZ niet of onvoldoende nakomt, wordt
                                    een verlaging toegepast van 10% van de norm gedurende één maand.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er sprake is van een gedraging zoals genoemd in lid 2 kan
                                    eenmalig worden volstaan met het geven van een
                                    waarschuwing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 49. Horen van belanghebbende </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende
                                    mondeling of schriftelijk in de gelegenheid gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als betrokkene dit heeft aangegeven, kan hiervan worden
                                    afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50. Individuele beoordeling en afzien van een maatregel</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een maatregel als: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of </al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>het daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of</al></li><li nr="b."><al>als dit naar oordeel van het college gelet op bijzondere
                                            omstandigheden noodzakelijk is voor de voortgang van het
                                            integraal plan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een maatregel op grond van lid 2,
                                    wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 51. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de uitkering over de
                                    kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip
                                    voor die belanghebbende geldende norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk
                                    is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan deze met
                                    terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                    periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de
                                    periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald kan de maatregel
                                    worden uitgevoerd in de maand waarin de gedraging heeft
                                    plaatsgevonden in afwijking van lid 1 en 2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de maatregel niet op de wijze zoals hiervoor vermeld kan
                                    worden uitgevoerd, kan de maatregel op een volgende
                                    uitkeringsperiode worden uitgevoerd, waarbij artikel 50 lid 1
                                    onder b van deze verordening in acht wordt genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 52. Berekeningsgrondslag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast over de norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend op
                                            grond van artikel 12 van de Participatiewet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            tot zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop
                                    belanghebbende recht zou hebben gehad, gedurende de periode
                                    waarop de maatregel betrekking heeft, indien er geen grond voor
                                    een maatregel zou zijn geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 53. Samenloop van gedragingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijk schuldig maakt aan
                                    verschillende gedragingen, wordt uitgegaan van de gedraging
                                    waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt een maatregel wegens
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoveel mogelijk
                                    afzonderlijk van een andere maatregel toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 54. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ </label></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 van de
                                IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert
                                en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond
                                van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een
                                verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 55. Recidive</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                                    maakt aan verwijtbaar gedrag van dezelfde of hogere categorie of
                                    verwijtbaar soortgelijk gedrag als bedoeld in de artikelen 40,
                                    41, 43, 46, 47 en 48. Dit geldt ook als er sprake is van
                                    recidive door een gedraging als genoemd in dit lid na een
                                    eerdere verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4
                                    van de Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de
                                    Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet
                                    bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende twee
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt het
                                    besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen
                                    gelijkgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 56. Het besluit tot opleggen van een maatregel</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de
                                    uitkering worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel; </al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel; </al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt
                                            verlaagd; </al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                            standaardverlaging;</al></li><li nr="e."><al>ingangsdatum van de maatregel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel die is opgelegd wegens het niet of onvoldoende
                                    nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van
                                    de Participatiewet wordt afgestemd op de omstandigheden van een
                                    belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven
                                    als gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen
                                    daartoe noodzaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 57. Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag gedurende de
                                    eerste drie maanden na het moment van dagtekening van het
                                    besluit tot oplegging van een recidiveboete zonder dat het
                                    bepaalde in artikel 4:93 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht
                                    in acht wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening op grond van het eerste lid bedraagt 100% van de
                                    norm in de eerste maand en in de tweede en derde maand 20% van
                                    de norm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid verrekent het college
                                    het openstaande boetebedrag met inachtneming van artikel 4:93
                                    lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht indien hiervoor
                                    dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 58. Preventie</label></kop><al>Het college draagt zorg voor vroegtijdige en duidelijke voorlichting
                                aan inwoners en belanghebbenden. Hier valt tevens onder dat
                                duidelijke afspraken onderdeel zijn van de dienstverlening gedurende
                                de periode van uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 59. Controle </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college controleert op afspraken, signalen en (anonieme)
                                    meldingen en anticipeert op gedrag van de belanghebbende of zijn
                                    huisgenoten. De dienstverlening is daarbij gericht op
                                    vroegtijdige detectie en afhandeling. Daarnaast voert het
                                    college nadere onderzoeken op maat uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de controle- en opsporingstaken opdracht
                                    geven aan de sociale recherche.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 60. Opsporing en sanctionering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich, zonder dat er sprake is van een
                                    dringende reden, niet of onvoldoende houdt aan afspraken en/of
                                    verplichtingen op grond van de wet, dan heeft dit
                                    consequenties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het fraudebedrag boven de aangiftegrens uitkomt, wordt
                                    proces verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar
                                    Ministerie volgens de regels van de Aanwijzing sociale
                                    zekerheidsfraude.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 Overige bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 61. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en overige diensten te leveren door derden voor de Wmo</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de
                                vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                                leveren jeugdhulp, uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen,
                                jeugdreclassering of overige diensten die door derden geleverd
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen voor
                                de Wmo, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                        voorziening; </al><al>2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de
                                        voorziening; </al><al>3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 62. Toepassen verordening en stellen nadere regels</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening
                                onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de
                                Jeugdwet, Wmo en Participatiewet opgenomen begrippen en bepalingen
                                leidend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt nadere afspraken met huisartsen, medisch
                                specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars van inwoner(s) over de
                                verwijzing van inwoners.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op deze verordening nadere regels
                                stellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 63. Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening op het gebied van jeugd en de Wmo, als toepassing van
                            deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 64. Overgangsrecht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor inwoner(s), zoals jeugdigen en/of hun (pleeg)ouders die op het
                                moment van inwerkingtreding van de Jeugdwet en deze verordening al
                                een verwijzing in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een
                                indicatiebesluit in de zin van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten (AWBZ) of de Wet op de jeugdzorg (Wjz) hebben, is het
                                overgangsrecht van toepassing als bedoeld in artikel 10.1, 10.2 en
                                10.3 van de Jeugdwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer sprake is van overgangsrecht is het college er voor
                                verantwoordelijk dat de jeugdige de jeugdhulp kan voortzetten bij
                                dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Daarbij
                                geldt dat deze verwijzingen en indicatiebesluiten maximaal een jaar
                                na inwerkingtreding van de Jeugdwet blijven gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid geldt in geval sprake is van een
                                indicatiebesluit waarin is vastgelegd dat de jeugdige aangewezen is
                                op pleegzorg, geen tussentijdse einddatum voor de rechten en
                                verplichtingen die verbonden zijn aan dit besluit jegens het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanspraken op zorg en afgegeven indicatiebesluiten op basis van de
                                AWBZ worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen
                                8.1 tot en met 8.4 van de Wmo.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op
                                grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Nieuwkoop 2013 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen,
                                waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt
                                ingetrokken. Hierbij wordt een redelijke overgangstermijn in acht
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening, zoals genoemd in
                                lid 5 van dit artikel, en waarop nog niet is beslist bij het in
                                werking treden van de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop
                                2015, worden afgehandeld krachtens deze laatst genoemde verordening.
                            </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op bezwaarschriften, gericht tegen een besluit op grond van de
                                verordeningen, zoals genoemd in lid 5 van dit artikel, wordt beslist
                                met inachtneming van de betreffende verordening op basis waarvan het
                                besluit is genomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een op grond van de
                                Re-integratie-verordening Gemeente Nieuwkoop 2014 toegekende
                                voorziening behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de
                                voorwaarden uit die verordening, zoals de betreffende verordening
                                luidde voor 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien er sprake is van een gedraging die betrekking heeft op een
                                uitkeringsperiode voor inwerkingtreding van deze verordening en het
                                van kracht worden van de Participatiewet, is de opgelegde maatregel
                                in ieder geval niet zwaarder dan op grond van de ingetrokken
                                verordening van toepassing zouzijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 65. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                                aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een
                                toezichthoudend ambtenaar aan als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de
                                Wmo.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere
                                calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de
                                verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudende
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de
                                Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Betrekken van ingezetenen bij het beleid, cliëntenparticipatie en klachten.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 66.Betrekken van ingezetenen bij het beleid /Cliëntenparticipatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen,
                                advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                                andere beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun
                                rol effectief te kunnen vervullen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek
                                overleg van de Wmo adviesraad, waarbij zij onderwerpen voor de
                                agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een
                                adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste
                                en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 67. Klachtenregeling </label></kop><al>Het college behandelt klachten van inwoners die betrekking hebben op de
                            wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze
                            verordening, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 van de
                            Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 68. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein
                            gemeente Nieuwkoop 2015”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 69. Inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder gelijktijdige
                            intrekking van: </al><lijst><li nr="Ø"><al>de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Nieuwkoop 2013.</al></li><li nr="Ø"><al>de re-integratie verordening WWB gemeente Nieuwkoop 2014, </al></li><li nr="Ø"><al>de Afstemmingsverordening WWB en Bbz gemeente Nieuwkoop 2013
                                </al></li><li nr="Ø"><al>de Maatregelen verordening IOAW en IOAZ gemeente Nieuwkoop
                                    2013</al></li><li nr="Ø"><al>de verordening Langdurigheidstoeslag WWB gemeente Nieuwkoop
                                    2012</al></li><li nr="Ø"><al>verordening participatie schoolgaande kinderen gemeente
                                    Nieuwkoop 2012 </al></li></lijst><al>Vastgesteld door de raad van de gemeente Nieuwkoop op 16 oktober
                            2014</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>E.R. van Holthe,</al><al>griffier</al></entry><entry colname="col2"><al>F.Buijserd</al><al>voorzitter</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><divisie><kop><label>Toelichting op de Verordening sociaal domein Nieuwkoop</label></kop><al>Vanaf 2015 verandert er veel in het sociaal domein. De meest belangrijke
                        aandachtsgebieden in het sociaal domein zijn zorg, welzijn, werk, inkomen,
                        onderwijs, gezondheidszorg en vrije tijdsbesteding. Door de invoering van de
                        nieuwe Jeugdwet, de Participatiewet en de nieuwe Wet maatschappelijke
                        ondersteuning is de gemeente Nieuwkoop verantwoordelijk voor de
                        ondersteuning en dienstverlening aan een grotere groep inwoners dan nu het
                        geval is. </al><al>Deze extra verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze
                        inwoners: </al><lijst><li nr="-"><al>Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen
                                in het sociaal domein. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid voor een
                                integrale benadering/bredere kijk op vraagstukken. </al></li><li nr="-"><al>Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen.
                                Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze
                                in de oplossingen. </al></li><li nr="-"><al>Kansen voor minder bureaucratie, korte lijnen, kleinschalige
                                dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen,
                                snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of
                                problemen. </al></li><li nr="-"><al>Kansen voor kwaliteit- en doelmatigheidvergroting. </al></li></lijst><al>In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. Het
                        algemene deel schetst de visie achter deze verordening en de ontwikkelingen
                        voor de toekomst. De manier waarop de gemeente mensen helpt om deel te nemen
                        aan de samenleving zal verschuiven van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dát’. Dit
                        heeft ook gevolgen voor de professional die aan de slag gaat met
                        ondersteuningsvragen van onze inwoners.</al><al>Onze inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun leven.
                        Wij geloven in de mogelijkheden van onze inwoners om deze
                        verantwoordelijkheid te nemen. De meeste mensen zijn in staat om vanuit
                        eigen kracht zelf hun vraagstukken op te lossen. Daar waar dat niet lukt,
                        staan familieleden, buren of vrienden klaar om te helpen. Als gemeente
                        ondersteunen we dit door het in stand houden van algemene voorzieningen die
                        eigen kracht en het helpen van elkaar mogelijk maken. Daarom ondersteunen
                        wij eigen initiatief van inwoners.</al><al>Als het inwoners niet lukt, zelf of met hulp van de eigen omgeving,
                        vraagstukken op te lossen, helpen de gemeente en haar partners door
                        vroegtijdig de juiste weg te wijzen of een helpende hand toe te steken.
                        Vroegtijdige signalen pakken we zo snel als mogelijk op en we voorkomen dat
                        inwoners in problemen komen. </al><al>Als ondanks eigen kracht en preventieve inzet een inwoner toch een extra
                        vorm van ondersteuning nodig heeft, zien wij als gemeente de opdracht die
                        ondersteuning te organiseren. We sturen erop dat deze ondersteuning zo veel
                        als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de
                        inwoner, het gezin en de kracht van het sociaal netwerk. Waar mogelijk
                        houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven
                        wat ze willen en nodig hebben. </al><al>Deze visie op de kracht van onze inwoners en onze rol hen daar in te
                        ondersteunen vraagt om een integrale benadering van vraagstukken. Niet
                        voorzieningen, maar de resultaten die de inwoner en/of het gezin wil
                        bereiken staan centraal. De voorzieningen of oplossingen die nodig zijn,
                        zijn ondergeschikt aan het resultaat. </al><al>We gaan uit van de mogelijkheden van mensen. De focus ligt op wat iemand wél
                        kan in plaats van op wat iemand niet kan. </al><al>Om dit te bereiken gebruiken wij de nieuwe opgaven op het gebied van Jeugd,
                        Werk en Wmo om deze transformatie verder te helpen: van het huidige aanbod,
                        de huidige structuren en de huidige organisaties naar een kijk op onze
                        inwoners vanuit hun eigen leefwereld. Deze verordening draagt bij aan deze
                        transformatie. </al><al>In onze gemeente willen we de vraagstukken integraal en in de kern
                        aanpakken. Echter het landelijk beleid kent nog niet één wet, maar hanteert
                        diverse wetten. Ondanks dat heeft de gemeente in deze verordening voor de
                        drie aparte wetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) integraal beschreven
                        wat de manier van benadering van ondersteuningsvragen is. In aparte
                        onderdelen zijn de onderdelen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden.
                        Het totaal van deze onderdelen geeft kaders voor de besluitvorming op een
                        aanvraag. </al><al>De toegang tot de ondersteuning en dienstverlening op het sociale domein
                        Nieuwkoop is integraal en gebiedsgericht. Deze ondersteuningsnetwerken
                        kijken samen met de inwoner naar de volledige situatie. </al><al>Deze leefwereld gaat verder dan enkel de drie wetten die zijn opgenomen in
                        deze verordening. Het is onze ambitie deze verordening in de komende jaren
                        uit te laten groeien tot één brede ‘Verordening sociaal domein’. Om deze
                        reden is bijvoorbeeld de ondersteuning bij inkomensvraagstukken nu al in de
                        integrale werkwijze van deze verordening verwerkt.</al><al>Met de komst van de nieuwe gemeentelijke verantwoordelijkheden ontstaat voor
                        alle gemeenten in Nederland een pioniersfase. Voor de meest optimale
                        dienstverlening aan onze inwoners is geregelde evaluatie en bijstelling van
                        deze verordening te verwachten en gewenst. Latere versies van deze
                        verordening verrijken we met andere maatschappelijke terreinen die opgenomen
                        kunnen worden in het integrale deel van de verordening.</al><al>Er wordt ingezet op versterken van het vermogen van inwoners en hun omgeving
                        zelf oplossingen te formuleren en te realiseren. Dit betekent dat we sturen
                        op duurzame oplossingen, door in de onderbouwing van de ondersteuningskeuze
                        deze aspecten af te wegen: </al><lijst><li nr="1."><al>Betrokkenheid: is de inwoner optimaal betrokken?</al></li><li nr="2."><al>Effectiviteit: is het een oplossing voor het probleem?</al></li><li nr="3."><al>Efficiency: wat kost deze oplossing op korte en lange termijn?</al></li><li nr="4."><al>Wet- en regelgeving: mag het?</al></li></lijst><al>Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="-"><al>niet overnemen maar aanvullen; </al></li><li nr="-"><al>mensen de kans geven hun eigen kracht te vinden en in te zetten;
                            </al></li><li nr="-"><al>niet uitgaan van vaststaande, vooraf beschreven producten en
                                diensten maar van maatwerk; </al></li><li nr="-"><al>uitgaan van een nadrukkelijke vrije handelingsruimte en mandaat voor
                                de professional om ontschot ‘te doen wat nodig is’; </al></li><li nr="-"><al>uitgaan van variëteit als norm in plaats van de te beargumenteren
                                uitzondering; </al></li><li nr="-"><al>niet beslissen over inwoners maar in gesprek gaan met inwoners;
                            </al></li><li nr="-"><al>uitgaan van het gehele huishouden en dit huishouden betrekken in de
                                oplossingen; </al></li><li nr="-"><al>ernaar streven inwoners zo veel mogelijk onafhankelijk te maken of
                                te houden van gemeentelijke ondersteuning; </al></li><li nr="-"><al>de tijd nemen de inwoner en zijn netwerk te kennen, de specifieke
                                situatie te onderzoeken en de ondersteuning daaraan aan te passen;
                            </al></li></lijst><al>Deze verordening geeft invulling aan de bovenstaande uitgangspunten. De
                        verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein
                        met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’. De vraag staat
                        centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op
                        het gehele sociale domein (ongeacht de vraag van de inwoner en het terrein
                        waarbinnen de vraag valt). </al><al>Inwoners die zich met ondersteuningsvragen bij de gemeente melden, kunnen
                        van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit
                        onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd
                        wordt. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk
                        afgestemde dienstverlening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al>Waar inwoner staat kan ook inwoners gelezen worden. De inwoner heeft altijd
                        een contactpersoon met wie de gesprekken worden gevoerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 Begrippen</label></kop><al>In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de landelijke
                            Jeugwet, Wmo of Participatiewet voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor
                            de situatie in onze gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Integrale benadering </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label/></kop><al>De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) en
                            het/de betrokken team(s) te komen tot het verhelderen van de vraag, die
                            de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 Melding hulpvraag</label></kop><al>In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan
                            stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan op verschillende manieren
                            binnenkomen bij: </al><lijst><li nr="·"><al>het Wmo loket</al></li><li nr="·"><al>het CJG</al></li><li nr="·"><al>het serviceplein in Alphen aan den Rijn.</al></li></lijst><al>De vragen kunnen mondeling, telefonisch of digitaal worden gesteld. Ook
                            kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp
                            vragen.</al><al>In het derde en vierde lid wordt gesproken over het overleggen van de
                            noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de
                            Wet Bescherming Persoonsgegevens om de privacy van de inwoner te
                            waarborgen. Het vijfde lid is een uitwerking van de wettelijke
                            verplichting van het college om gratis cliëntondersteuning te bieden aan
                            inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo). De
                            wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                            verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch
                            in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een
                            compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven.
                            Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis
                            is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is
                            vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een
                            algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                            inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook
                            uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische
                            ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken
                            daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is
                            bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag
                            inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.
                            Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente
                            heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen
                            door iemand uit het eigen netwerk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 Het gesprek, verslag en integraal plan</label></kop><al>Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden,
                            zoals bij de inwoner thuis, in een buurthuis het CJG of op het
                            gemeentehuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het
                            gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld
                            kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële
                            situatie van de inwoner. </al><al>Van het gesprek tussen de inwoner en een medewerker over de hulpvraag
                            wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt.</al><al> Dit verslag kan ook meteen vormgegeven worden in de vorm van een
                            integraal plan, volgens het principe 1gezin 1 plan. De medewerker van
                            het team maakt dit verslag en/of plan en spreekt met de inwoner af wat
                            een redelijke termijn is waarbinnen de inwoner dit ontvangt. Het verslag
                            en/of plan wordt opgenomen in het dossier van de inwoner waar hij/zij
                            toegang toe heeft. De inwoner heeft ook de mogelijkheid om, indien
                            gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag en/of plan
                            te laten toevoegen. Deze clausule is opgenomen zodat de inwoner regie
                            heeft en kan hebben over de eigen hulpvraag en dus zeggenschap heeft
                            over de inhoud van het verslag en/of het plan. Zo wordt ook recht gedaan
                            aan het principe van ‘eigen kracht’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 Aanvraag van een maatwerkvoorziening</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 Verlenen van een maatwerkvoorziening</label></kop><al>Samen met de inwoner wordt op basis van het verslag en/of plan (artikel
                            3) gekeken welke maatwerkvoorziening het beste bijdraagt aan het
                            verbeteren van de zelfredzaamheid van de inwoner . Hierbij worden de in
                            lid 1 omschreven criteria gebruikt. Op basis daarvan neemt het college
                            een besluit welke maatwerkvoorziening ingezet wordt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening voor Jeugdwet en Wmo</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Maatwerkvoorziening via een pgb</label></kop><al>In het eerste lid is verankerd dat het college van burgemeester en
                            wethouders op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel
                            2.3.6 van de Wmo een pgb kan verstrekken. Zowel in de jeugdwet als in de
                            Wmo wordt een compleet beeld gegeven van de rechten en plichten van de
                            cliёnt. </al><al>In beide wetten is bepaald dat een pgb pas verstrekt wordt als:</al><lijst><li nr="-"><al>de inwoner op eigen kracht of met hulp uit het sociale netwerk
                                    of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor of
                                    gemachtigde, voldoende in staat is de aan een persoonsgebonden
                                    budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
                                </al></li><li nr="-"><al>de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat de maatwerkvoorziening
                                    die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is;</al></li><li nr="-"><al>gewaarborgd is dat de ondersteuning die tot de
                                    maatwerkvoorziening behoort en die de inwoner van het budget wil
                                    betrekken, van goede kwaliteit is. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering voor Jeugdwet en Wmo</label></kop><al>In dit artikel worden regels gesteld voor het bestrijden van ten
                            onrechte ontvangen (maatwerk)voorzieningen of pgb alsmede voor het
                            oneigenlijk gebruik of misbruik hiervan.</al><al>Lid 1 benadrukt dat volgens de wet een inwoner verplicht is aan te geven
                            wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men
                            redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de
                            (maatwerk)voorziening of het pgb kunnen zijn.</al><al>Lid 2 stelt dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan
                            besluiten om een beslissing over de (maatwerk)voorziening of het pgb te
                            herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke
                            omstandigheden.</al><al>Lid 3regelt dat als door de inwoner onjuiste of onvolledige
                            gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een
                            andere beslissing had geleid, het pgb of de geldswaarde van de
                            voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden
                            teruggevorderd.</al><al>Lid 4 geeft aan dat als een pgb binnen een jaar na uitbetaling nog niet
                            is gebruikt voor het doel waarvoor het is uitgegeven het besluit kan
                            worden ingetrokken.</al><al>Lid 5 regelt de terugvordering van een (maatwerk)voorziening in eigendom
                            of een pgb als het recht hierop is/wordt ingetrokken.</al><al>Tenslotte geeft lid 6 het college de mogelijkheid om uit het oogpunt van
                            kwaliteit van de geleverde zorg de besteding van het pgb te
                            controleren.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Voorzieningen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Voorzieningen op grond van de Jeugdwet </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Algemene voorzieningen jeugd</label></kop><al>Dit artikel regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk
                                zijn. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van
                                kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de
                                gemeente of verwijzing van een arts zoals genoemd in artikel 22
                                noodzakelijk is. </al><al>De in deze verordening genoemde algemene voorzieningen (vrij
                                toegankelijke voorzieningen) jeugd worden in de Jeugdwet `overige
                                voorzieningen` genoemd.</al><al>Gemeenten in Holland Rijnland sluiten bij hun keuze voor de vrij
                                toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen aan bij het Beleidsplan Hart
                                voor de jeugd. </al><al>De vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen/algemene voorzieningen
                                jeugd zijn: de basisvoorzieningen (pijler 2 in het beleidsplan) en
                                de jeugd- en gezinsteams (pijler 3 in het beleidsplan). Het jeugd-
                                en gezinsteam verleent consultatie en advies, basisdiagnostiek,
                                ambulante hulp en zorgcoördinatie.</al><al>Lid 2 van artikel 9 geeft aan dat het college in nadere regels een
                                aantal individuele jeugdhulpvoorzieningen alsnog aanwijst als vrij
                                toegankelijk/algemeen of andersom. </al></divisie><divisie><kop><label> Artikel 10 Maatwerkvoorzieningen jeugdhulp</label></kop><al>In lid 1 gaat het om situaties waarin ernstige of complexe problemen
                                zijn en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het jeugd-
                                en gezinsteam kan voorzien. </al><al>Dit is specialistische jeugdhulp aan jeugdigen en ouders bij:</al><lijst><li nr="-"><al>problematische (gezins)situaties; </al></li><li nr="-"><al>psychiatrische stoornissen van de jeugdige; </al></li><li nr="-"><al>verslaving van de jeugdige; </al></li><li nr="-"><al>(licht) verstandelijke beperking van de jeugdige;</al></li><li nr="-"><al>zintuigelijke beperking van de jeugdige; </al></li><li nr="-"><al>lichamelijke beperking van de jeugdige;</al></li><li nr="-"><al>ernstige somatische aandoening van de jeugdige.</al></li></lijst><al>Lid 2 geeft aan dat het college in nadere regels een aantal
                                individuele jeugdhulpvoorzieningen nader kan specificeren of alsnog
                                kan aanwijzen als vrij toegankelijk. Beweegredenen daarvoor zouden
                                kunnen zijn het verminderen van bureaucratie of omdat voorzieningen
                                bij nader inzien toch niet specialistisch blijken te zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Voorzieningen op grond van de Wmo </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11. Aanvullende voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen Wmo</label></kop><al>In artikel 2.1.3 lid 2 sub a van de Wmo is bepaald dat de
                                gemeenteraad bij verordening moet aangeven op basis van welke
                                criteria het college kan vaststellen of een inwoner voor een
                                maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd
                                wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op
                                deze bepaling wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een
                                voorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig
                                omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en
                                de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het
                                aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.
                                Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening
                                limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen verstrekt
                                worden. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare
                                criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke
                                gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel
                                is deze verplichting uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Voorzieningen op grond van de participatiewet en IOAW/IOAZ </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12 Ondersteuning en voorzieningen voor arbeidsinschakeling</label></kop><al>
            
            Lid 3 bepaalt dat het college een bijdrage vraagt aan
                                niet uitkeringsgerechtigden en mensen met een nabestaanden uitkering
                                (Anw). Hierbij worden de draagkrachtregels van de bijzondere
                                bijstand toegepast.Lid 4 geeft het college de mogelijkheid om
                                bij het aanbod van een voorziening, de belanghebbende te verplichten
                                zijn mogelijkheden om regulier werk te krijgen te vergroten, zoals
                                de verplichting om een schuldhulpverleningstraject in te gaan. Deze
                                verplichting maakt dan onderdeel uit van het integraal plan en wordt
                                daarmee beschikt aan klanten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13 De voorzieningen</label></kop><al>
            
            Gezien de afweging die per klant gemaakt moet worden,
                                wordt hier volstaan met een niet-limitatieve opsomming van
                                voorzieningen die het college kan aanbieden aan belanghebbende. Waar
                                nodig kunnen ook andere voorzieningen ingezet worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14 Scholing</label></kop><al>
            
            Bij de keuze van het aanbieden van scholing, wordt door
                                het college een afweging gemaakt, waarbij bekeken wordt of de
                                scholing (gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                belanghebbende) het meest doelmatig, adequaat en toereikend is met
                                het oog op aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15 Premie en scholing bij participatieplaats</label></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere
                                afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is
                                ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk
                                (artikel 7 lid 8 Participatiewet). Het doel van de
                                participatieplaats is door middel van het verrichten van additionele
                                werkzaamheden en door het volgen van scholing, uit te kunnen stromen
                                naar werk. Op een participatieplaats worden additionele
                                werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan
                                centraal maar het leren werken dan wel het (opnieuw) wennen aan
                                werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                                samenwerking met collega’s zijn zaken waaraan in een
                                participatieplaats gewerkt kan worden. Iedere zes maanden moet
                                beoordeeld worden of de betrokkene voldoende heeft meegewerkt om
                                zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Als het college van
                                oordeel is dat dit zo is dan wordt een premie toegekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 Beschut werk</label></kop><al>
            
            UWV voert op basis van landelijke criteria een
                                beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Op basis van het advies van UWV beslist het college of iemand tot de
                                doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een
                                onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de
                                gemeente besluiten het advies niet te volgen. </al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk'
                                behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een
                                dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat.
                                Het betreft een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                                dienstbetrekking. Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                                behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking
                                kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst,
                                NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een
                                beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Het aanbod van
                                beschutte werkplekken is mede afhankelijk van het aantal geschikte
                                en beschikbare plaatsen bij werkgevers. Daarom voert het college
                                overleg met partners om de omvang van het aanbod te kunnen
                                bepalen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18 Vaststelling loonwaarde</label></kop><al>De regionale Werkbedrijven moeten met het oog op een eenduidige
                                regionale aanpak afspraken maken over minimumeisen waaraan de
                                loonwaardebepaling moet voldoen. De Werkkamer (overlegorgaan van de
                                Stichting van de Arbeid en de VNG) formuleert momenteel
                                uitgangspunten voor minimumeisen. </al><al>Omdat de regionale Werkbedrijven pas in 2015 operationeel zijn,
                                werkt de regering nu aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB)
                                en een ministeriële regeling met minimumeisen die voorlopig als
                                kader kunnen dienen. Deze lagere regels zijn nu ‘work in progress’. </al><al>Streven is dat zij in oktober 2014 worden gepubliceerd. Het concept
                                voor een algemene maatregel van bestuur bevat eisen die landelijk
                                moeten gelden. Het gaat om de eis dat de loonwaardebepaling op de
                                werkplek plaatsvindt, met inbreng van de werkgever, door of onder
                                verantwoordelijkheid van een deskundige. Verder moet de loonwaarde
                                worden vastgesteld op basis van een objectieve beschreven
                                methodiek.</al><al>De in de concept ministeriële regeling opgenomen minimumeisen gelden
                                zolang in een regionaal Werkbedrijf nog geen afspraken over
                                minimumeisen tot stand zijn gekomen. Het gaat om eisen op het gebied
                                van de inhoud van de methodiek, zoals welke bestanddelen moeten bij
                                de loonwaardebepaling worden betrokken, hoe worden de prestaties
                                gemeten en tegen welke functie worden de prestaties afgezet?</al><al>Gemeenten kunnen in hun verordening (uiterlijk 1 juli 2015) regelen
                                dat zij de loonwaarde bepalen aan de hand van een methodiek die
                                voldoet aan de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel van
                                bestuur en vooralsnog ook aan de eisen van de ministeriële regeling.
                                Zodra in een regionaal Werkbedrijf afspraken tot stand zijn gekomen
                                over minimumeisen, treden deze na akkoord van het Ministerie voor de
                                betreffende regio in de plaats van de eisen die in de ministeriële
                                regeling zijn geformuleerd. Gemeenten moeten hun verordening hierop
                                dan aanpassen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 No-riskpolis</label></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                Participatiewet). De no-riskpolis is een verzekering die ervoor
                                zorgt dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten,
                                wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. De
                                no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                                de werknemer die een structurele functionele of andere beperking
                                heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie
                                ontvangt voor de compensatie van de loonkosten volgens de
                                no-riskpolis.</al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden
                                ingezet. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon
                                heeft verdiend, zonder loonkostensubsidie, gaat de
                                verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar UWV en kan
                                artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20 Sociale activering</label></kop><al>Onder 'sociale activering' wordt binnen de Participatiewet verstaan:
                                het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten
                                gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel
                                6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in
                                het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                                zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                                vrijwilligerswerk, deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt
                                maar ook door klanten te faciliteren en te stimuleren in het gebruik
                                van hun eigen kracht. Volgens de Participatiewet dient ook sociale
                                activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor
                                bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog
                                gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie
                                maar participatie voorop.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21 Onkostenvergoeding</label></kop><al>Aan het meewerken aan een traject kunnen voor belanghebbenden kosten
                                verbonden zijn, zoals reiskosten, kinderopvangkosten of
                                verwervingskosten. Het college kan hier een vergoeding voor
                                verstrekken, indien de kosten noodzakelijk zijn in relatie tot het
                                doel van het traject: verkrijgen en behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid. Het college kan in nadere regels specifieke
                                regels hieromtrent vastleggen<vet>.</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de gemeente de toeleiding naar
                            jeugdhulp uitwerkt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er
                            deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen
                            beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of ouders die jeugdhulp
                            vragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 22 Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts</label></kop><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld
                            dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook
                            de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de
                            jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                            voorzieningen als de individuele (niet vrij-toegankelijke)
                            voorzieningen. </al><al>In de praktijk zal het de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder zijn die na
                            de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt
                            in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud,
                            vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt
                            dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening
                            dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en
                            richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. </al><al>De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus
                            rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen
                            van de gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg
                            beschikbaar is. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen
                            worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en/of ouders erop wijzen
                            dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het jeugd- en
                            gezinsteam volgens artikel 2 van deze verordening.</al><al>Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal
                            daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar
                            jeugdhulp.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 23 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering</label></kop><al>Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een
                            kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de
                            rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering
                            worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De
                            jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen in het kader van de
                            maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en
                            de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van
                            de Jeugdwet.</al><al>In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een
                            toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de
                            rechter – of een andere instantie - kan worden uitgevoerd. Hiervoor
                            verstrekt het college geen beschikking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 24 Jeugdhulp in spoedeisend geval</label></kop><al>In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een
                            tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een
                            spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat
                            onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere
                            machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet
                            jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. </al><al>Het college neemt dit besluit in afwijking van artikel 6 van de
                            verordening. Het kan zijn, dat vanwege de spoed er nog geen goed
                            gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de
                            voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na het treffen
                            van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 25 Vertrouwenspersoon</label></kop><al>De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. De Vereniging van
                            Nederlandse Gemeenten (VNG) koopt dit namens alle gemeenten in bij het
                            Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit
                            moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Uit de
                            Jeugdwet vloeit voort dat naast jeugdigen en ouders ook pleegouders het
                            recht hebben zich tot een vertrouwenspersoon te wenden. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 26 Regels voor bijdragen Wmo en kostprijs maatwerkvoorziening</label></kop><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                            algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de
                            kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en mogen
                            kostendekkend zijn. De gemeente heeft de beleidsruimte in de verordening
                            te bepalen welke bijdrage een inwoner verschuldigd is voor een algemene
                            voorziening. </al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                            een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening. In het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking
                            tot deze bijdragen (artikel 2.1.4 lid 4 van de Wmo). De bijdrageregels
                            in de verordening moeten passen binnen de kaders die het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning stelt. Het bijdrageplichtig inkomen wordt
                            vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het is
                            afhankelijk van het inkomen en het vermogen van degene aan wie
                            maatschappelijke ondersteuning is verleend en zijn echtgenoot of
                            partner. Aan de hand van dit inkomen wordt de maximale bijdrage
                            vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 27 Jaarlijkse waardering mantelzorgers</label></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in
                            artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt
                            bepaald op welke manier het college zorg draagt voor een jaarlijkse
                            blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners die gebruik
                            maken van een voorziening van de Wmo. Omdat het uitvoering betreft leent
                            dit onderwerp zich voor overdracht aan het college. </al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in
                            de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een
                            inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening,
                            maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan.
                            Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een hulpvraag hebben
                            aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet
                            uitgekomen. Verder is de woonplaats van de inwoner bepalend, zodat het
                            dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 28 Maatwerkvoorziening inkomensondersteuning</label></kop><al>
            
            Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van
                            de Wmo waarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat
                            door het college aan personen met een beperking of chronische psychische
                            of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en participatie. De tegemoetkoming wordt op
                            aanvraag verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 29 Klachtenregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijkeondersteuning</label></kop><al>
            
            In het eerste lid is een bepaling over klachtenregelingen
                            van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond
                            van artikel 2.1.3 lid 2 sub e van de Wmo. De aanbieder van
                            maatschappelijke ondersteuning is op grond van artikel 3.2 lid 1 sub a
                            van de Wmo verplicht een klachtenregeling op te stellen.</al><al>In de memorie van toelichting staat dat cliënten in principe een klacht
                            kunnen indienen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij
                            zich behandeld voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van
                            een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is
                            gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt
                            niet tevreden over de behandeling van de aanbieder, dan kan het ook gaan
                            om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke
                            ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een
                            bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                            (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten
                            die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de
                            betreffende aanbieder indienen. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de
                            aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel
                            afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar
                            de gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven
                            om te zorgen dat de verplichting tot het opstellen van een
                            klachtenregeling door aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><al>In het eerste lid is daarnaast een bepaling over
                            medezeggenschapsregelingen van aanbieders opgenomen. Een dergelijke
                            bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3. lid 2 sub f van de
                            Wmo. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                            aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de regels van de Wet
                            klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten
                            zorginstellingen. Onder de Wet medezeggenschap cliënten zorgsector werd
                            inspraak tegenover de aanbieder al gerealiseerd via de cliëntenraad.
                            Onder de Wmo is het stellen van regels helemaal aan gemeenten
                            overgelaten.</al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een
                            regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is op
                            grond van artikel 3.2 lid 1 sub b van de Wmo verplicht een
                            medezeggenschapsregeling op te stellen.</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven
                            om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders
                            goed wordt uitgevoerd.</al><al>Op aanbieders van voorzieningen die onder de Jeugdwet vallen, is een
                            landelijk kader van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 30 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</label></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in
                            artikel 2.1.3 lid 2 sub c van de Wmo waarin is bepaald dat in de
                            verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan
                            de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van
                            voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om
                            in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan
                            aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op
                            de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering
                            benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 sub c van
                            de Wmo dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en
                            verder van de Wmo en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten,
                            daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede
                            kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in
                            overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan
                            kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Op voorzieningen die onder
                            de Jeugdwet vallen, is een landelijk kwaliteitskader van
                            toepassing.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                            uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse
                            cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1
                            van de Wmo.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Tegenprestatie </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 31 Inhoud van de tegenprestatie</label></kop><al>Tegenprestaties zijn onbeloonde maatschappelijke nuttige
                                werkzaamheden die kunnen worden uitgevoerd door een
                                uitkeringsgerechtigde. Wat voor werkzaamheden een tegenprestatie
                                precies omvat kan verschillen per persoon. De tegenprestatie mag
                                niet worden ingezet als re-integratie instrument. </al><al>Voorbeelden van een tegenprestatie zijn: voorleesouder op een
                                school, activiteiten bij een sportvereniging (bijvoorbeeld
                                bardienst) of wandelingen maken met inwoners van een verpleegtehuis.
                            </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 32 Verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie</label></kop><al>In lid 1 staat vermeld aan welke inwoners met een uitkering in elk
                                geval een tegenprestatie kan worden opgelegd. Het gaat om inwoners
                                die via de gemeente een re-integratietraject hebben doorlopen en nog
                                geen baan hebben gevonden, en om inwoners waarbij het van belang is
                                dat zij buiten de deur actief worden in het kader van het integraal
                                plan. In het tweede lid wordt omschreven waar mee rekening wordt
                                gehouden als een inwoner een tegenprestatie opgelegd krijgt. Een
                                tegenprestatie is altijd maatwerk en de inwoner is zelf aan zet om
                                in eerste instantie een tegenprestatie te vinden. Indien dit niet
                                lukt zorgt de gemeente voor een aanbod. Verder wordt rekening
                                gehouden met de persoonlijke situatie en omstandigheden van de
                                inwoner. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 33 Duur en omvang van de tegenprestatie</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 34 Geen werkzaamheden voorhanden</label></kop><al>Indien er geen werkzaamheden voorhanden zijn dan wordt geen
                                tegenprestatie opgelegd. Periodiek wordt bekeken of er wel
                                werkzaamheden zijn die de inwoner als tegenprestatie kan uitvoeren.
                                Het college bepaalt wanneer er weer wordt gekeken of er een
                                tegenprestatie beschikbaar is. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 35 Indienen verzoek</label></kop><al>
            
            Behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 36 Langdurig laag inkomen</label></kop><al>Het college verleent alleen een individuele inkomenstoeslag als er
                                sprake is van een </al><al>laag inkomen gedurende minimaal 36 maanden. In geen enkele maand </al><al>mag het inkomen hoger zijn dan 110% van de van toepassing zijnde
                                norm. Het begrip referteperiode in dit artikel duidt op de periode
                                waarover bepaald wordt of iemand wel of niet in aanmerking komt voor
                                een individuele inkomenstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 37 Hoogte individuele inkomenstoeslag</label></kop><al>De individuele inkomenstoeslag wordt betaalt per 12 maanden. De
                                alleenstaande oudernorm bestaat met ingang van 1 januari 2015 niet
                                meer. Alleenstaande ouders ontvangen vanaf 1 januari 2015 de
                                alleenstaande norm. De belastingdienst betaalt de alleenstaande
                                ouders een toeslag op deze norm. </al><al>Er is besloten alleenstaande ouders een iets hogere inkomenstoeslag
                                te verlenen dan alleenstaanden, omdat zij in verband met hun
                                kinderen meer kosten hebben waardoor ze niet kunnen reserveren. Er
                                wordt gewerkt met percentages in plaats van bedragen, zodat de
                                bedragen niet jaarlijks apart geïndexeerd hoeven te worden, maar dat
                                dit automatisch gebeurt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 38 Voorwaarden individuele studietoeslag</label></kop><al>In de Participatiewet is een nieuwe regeling opgenomen: de
                                individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                                mogelijkheid inwoners, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat
                                zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te
                                verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt
                                de positie op de arbeidsmarkt. Om in aanmerking te komen moet iemand
                                aan de wettelijke bepalingen voldoen zoals gesteld in artikel 36b
                                lid 1 van de Participatiewet. Daarnaast moet de aanvrager al zes
                                maanden een studie hebben gevolgd voordat er aangevraagd kan worden.
                                Dit om te voorkomen dat mensen studietoeslag aanvragen en dan weer
                                stoppen met hun studie. Als laatste voorwaarde mag het inkomen niet
                                hoger zijn dan 110% van de voor die persoon geldende bijstandsnorm.
                                Hiermee sluit deze regeling aan bij de voorwaarden die gelden voor
                                bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 39 Hoogte en betaling individuele studietoeslag </label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Afstemming </label></kop><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
                            Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen is het noodzakelijk om het verlagen van
                            uitkeringen bij wijze van sanctie bij verordening te regelen.</al><al>Rechten en plichten in de Participatiewet </al><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                            invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede
                            gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het
                            gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en
                            plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                            bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al>Maatwerk</al><al>De bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dienen op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende te
                            worden afgestemd. In de wet (artikel 18 Participatiewet) wordt benadrukt
                            dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                            verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij
                            moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden van bijstandsgerechtigden.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het
                            college de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar
                            van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college
                            moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met
                            de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                            verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het
                            college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 40 Gedragingen Participatiewet</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label/></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 41 Gedragingen IOAW/IOAZ</label></kop><al>De artikelen 41 en 42 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen.
                                In artikel 41 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en
                                IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in
                                artikel 41, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën
                                wordt in artikel 42 een gewicht toegekend in de vorm van een
                                verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                                toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                                gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden,
                                verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 42 De hoogte en duur van een maatregel</label></kop><al>Lid 1: De hoogte van de maatregel wordt toegepast over de toegekende
                                uitkeringsnorm, inclusief de eventuele toeslag. </al><al>Lid 2: Voor iedere partner gelden individueel de rechten en plichten
                                die zijn verbonden aan de uitkering. Aan de ene partner kunnen
                                andere plichten zijn opgelegd of voorzieningen zijn aangeboden, dan
                                aan de andere partner. De maatregel wordt overigens wel opgelegd
                                over de uitkeringsnorm en raakt dus beide partners.</al><al>Lid 3: Wanneer de inschrijving bij het UWV Werkbedrijf niet in orde
                                is, kan eerst een waarschuwing gegeven worden. Iemand kan zich
                                positief en actief opstellen richting re-integratie, maar de
                                inschrijving vergeten zijn tijdig te verlengen. Het direct verlagen
                                van de uitkering wordt dan als een te zware maatregel gezien.
                                Belanghebbende krijgt een hersteltermijn om de inschrijving alsnog
                                in orde te maken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 44 De hoogte en duur van de maatregel</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting.. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 45 Verrekenen maatregel</label></kop><al>Het college heeft de mogelijkheid, als bijzondere omstandigheden dit
                                rechtvaardigen, bij verlaging van de bijstand wegens schending van
                                arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de
                                Participatiewet, de verlaging te verrekenen over drie maanden.</al><al>Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over
                                de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een
                                derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend. Wanneer
                                belanghebbende zich weer aantoonbaar houdt aan de opgelegde
                                verplichtingen, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt
                                belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid,
                                van de Participatiewet).</al><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het
                                verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending
                                van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de
                                Participatiewet, (of een herhaalde schending buiten de
                                recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
                                Hierbij kan worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al>Met de ‘maand van oplegging’ wordt in deze verordening bedoeld: de
                                maand waarin de maatregel wordt uitgevoerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 46 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label></kop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen
                                in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te
                                voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen
                                op bijstand. Hoofdregel is dat iedereen alles zal moeten doen en
                                nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging
                                ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                                aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
                                Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als
                                die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een
                                hoger bedrag is aangewezen op bijstand): </al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                        uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld niet of te laat aanvragen van een
                                        voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>In lid 1 sub b is opgenomen dat de uitkering wordt verlaagd met 100%
                                voor de periode dat de belanghebbende niet op bijstand zou zijn
                                aangewezen, indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover
                                hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken zou hebben
                                aangewend. In dit geval is artikel 56 van de verordening van
                                toepassing. Dit betekent dat de maatregel dient te worden afgestemd
                                op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging kan worden
                                verweten en de omstandigheden waarin de belanghebbende
                                verkeert.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 47 Zeer ernstige misdragingen</label></kop><al>Met de komst van de Participatiewet is de verplichting om zich te
                                onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige
                                verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de
                                Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Er hoeft
                                dus geen sprake meer te zijn van een samenhang tussen de zeer
                                ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet.</al><al>Voor IOAW en IOAZ is de situatie anders, vandaar dat lid 2 is
                                opgenomen. Het college kan namelijk alleen een verlaging opleggen
                                als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en
                                (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een
                                uitkering. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd
                                wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden
                                bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden
                                verplichting.</al><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van
                                een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt
                                bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de
                                IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk op grond van
                                de IOAW en IOAZ. Wel kan aangifte worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 50 Individuele beoordeling en afzien van een maatregel</label></kop><al>In lid 2 zijn overwegingen opgenomen op grond waarvan het college
                                kan besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel. Hierbij
                                kan lid 2 sub b een dringende reden zijn gelet op bijzondere
                                omstandigheden. Uit het woord ‘dringend’ blijkt dat er wel iets heel
                                bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een
                                afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                                dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en
                                kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht
                                aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid in relatie tot de
                                financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens
                                gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële
                                gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te
                                zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering. </al><al>In lid 3 is opgenomen, dat belanghebbende schriftelijk op de hoogte
                                wordt gesteld bij afzien van een maatregel. Het doen van een
                                schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet
                                van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van
                                belang in verband met eventuele recidive (zie toelichting artikel
                                55)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 51 Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</label></kop><al>In lid 1 is opgenomen, dat een verlaging wordt opgelegd met ingang
                                van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de
                                kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de
                                berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van
                                de voor die maand geldende bijstandsnorm..</al><al>Het is niet altijd mogelijk een verlaging op een lopende uitkering
                                toe te passen. In die gevallen kan op grond van lid 2 de verlaging
                                met terugwerkende kracht worden toegepast. Het afstemmingsbesluit
                                dat in dat geval wordt genomen, is een vorm van herziening van de
                                uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                                uitkering in het verleden. </al><al>De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                                verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel
                                a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid,
                                van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd.</al><al>In lid 4 is tenslotte de mogelijkheid opgenomen de maatregel op een
                                volgende periode van bijstand op te leggen. Indien van deze
                                mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, dient dit gemotiveerd in het
                                dossier te worden opgenomen. Een dergelijke maatregel kan namelijk
                                vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat
                                worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                                recht op bijstand beoordelen in hoeverre aanleiding bestaat een
                                verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een
                                afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de
                                maatregel open. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 52 Berekeningsgrondslag</label></kop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging
                                wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                                verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                                verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond
                                van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld
                                in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een
                                lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door
                                middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                                levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage
                                jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid
                                ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is geregeld dat de
                                berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm
                                inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12
                                van de Participatiewet. </al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het
                                college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de
                                bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                                gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                                bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                                daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 53 Samenloop van gedragingen</label></kop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die
                                schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in
                                deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of
                                in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor
                                het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt
                                uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. </al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                                    verplichtingen worden geschonden </cursief></al><al>Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging
                                die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn
                                genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                                verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Als dit niet
                                verantwoord is, wordt gekeken naar de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende
                                (zie ook art. 50). Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                                individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere
                                maanden uitgesmeerd.</al><al><cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief></al><al>Een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een
                                verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging
                                is.</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                                verordening opgenomen verplichting als schending van de
                                inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze
                                verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van
                                de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                                bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er
                                sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming
                                dient het college in het individuele geval te beoordelen welke
                                sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de
                                hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet
                                een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                                meer opgelegd.</al><al>Bij samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                                door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is
                                van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast
                                kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen,
                                waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden
                                gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 54 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</label></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van
                                de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als
                                een belanghebbende inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit
                                nalaat. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan
                                de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de
                                eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in
                                beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                                geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging
                                worden toegepast volgens artikel 41 en 42.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 55 Recidive</label></kop><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                                verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                                bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is
                                echter vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid,
                                van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het
                                opleggen van een verlaging, dan wordt het besluit om af te zien van
                                een maatregel voor de bepaling of er sprake is van recidive wel
                                meegeteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 56 Het besluit tot opleggen van een maatregel</label></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                                plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                                belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is
                                aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld.
                                Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                                bestuursrecht (Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 57 Verrekenen bestuurlijke boete bij recidive</label></kop><al>Dit artikel regelt de verplichting om bij verordening regels te
                                stellen over de verrekening van de recidiveboete met een lopende
                                uitkering op grond van de participatiewet. Artikel 4:93 vierde lid
                                van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, dat verrekening niet
                                mogelijk is voor zover beslag op de vordering nietig zou zijn.
                                Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet
                                worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling
                                vindt in artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                Burgerlijke Rechtsvordering. Het college heeft op grond van de
                                Participatiewet de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie
                                maanden na oplegging van de boete buiten toepassing te laten.</al><al>Met de bepaling in het tweede lid is ervoor gekozen om de eerste
                                maand 100% te verrekenen en de daarop volgende twee maanden 20%. Het
                                gaat hier om belanghebbenden die ondanks herhaalde fraude nog steeds
                                aangewezen zijn op een uitkering zoals bedoeld in deze verordening.
                                Wanneer dit niet het geval is dan is de beslagvrije voet van
                                toepassing.</al><al>In het derde lid is vastgesteld dat het college ondanks de in de wet
                                opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening in
                                acht neemt. Er moet dan sprake zijn van dringende redenen in het
                                individuele geval. Een tweetal situaties zijn door het rijk
                                specifiek benoemd. Deze regel (situatie 1) wordt slechts toegepast
                                indien er voor (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden
                                onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Het feit dat het
                                (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden ontbreekt aan de
                                noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien is geen reden
                                om te spreken van dringende reden. </al><al>Een andere dringende reden (situatie 2) kan aan de orde zijn als de
                                gezondheidstoestand van de belanghebbende ernstig wordt bedreigd,
                                omdat men niet over de noodzakelijke medicatie of behandeling kan
                                beschikken. Bij toepassing van het derde lid moet het dus gaan om
                                een uitzonderlijke individuele situatie. Vast dient te staan dat er
                                sprake is van een incidenteel geval en dat de behoeftige
                                omstandigheden waarin men verkeert op geen enkele andere wijze
                                kunnen worden verholpen. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Handhaving </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 58 Preventie</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 59 Controle</label></kop><al>Behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 60 Opsporing en sanctionering</label></kop><al>Artikel spreek voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Overige bepalingen </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 61 Verhouding prijs en kwaliteit (aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en) overige diensten te leveren door derden voor de Wmo</label></kop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de
                            vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders
                            laten verrichten (artikel 2.11 lid 1, van de Wmo). Met het oog op
                            gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij
                            verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                            verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de
                            eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 lid 1
                            van de Wmo). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden
                            met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                            arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                            uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd
                            waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs)
                            rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld
                            ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die het college
                            door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder
                            kundig personeel inzet dat past bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor
                            is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de
                            arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor
                            werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                            arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 62 Toepassen verordening en stellen nadere regels</label></kop><al>In het eerste lid is vastgelegd dat de begrippen uit de landelijke
                            wetten als ‘hogere regelgeving’ voorrang hebben op de begrippen uit de
                            verordening. In het tweede lid is van uit praktisch oogpunt opgenomen
                            dat er afspraken tussen het college en de betreffend artsen,
                            specialisten en zorgverzekeraars van inwoners dienen te worden gemaakt
                            over de verwijzing. In het derde lid<cursief> is</cursief> de
                            mogelijkheid opgenomen voor het college om nadere regels te stellen op
                            basis van de verordening. De wettelijke basis hiervoor is art. 156 van
                            de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 63 Hardheidsclausule</label></kop><al>Dit artikel voorziet in een mogelijkheid voor het college om af te
                            wijken van het bepaalde in de verordening als strikte toepassing van de
                            verordening een onevenredige benadeling van betrokkene tot gevolg heeft
                            gelet op het doel van de regelgeving. In de Participatiewet is al
                            voorzien in voldoende mogelijkheden om af te wijken van de
                            hoofdregels.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 64 Overgangsrecht</label></kop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen
                            op basis van de oude verordening. In het zesde lid is bepaald dat
                            aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn
                            ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist,
                            worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het zevende lid
                            is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude
                            verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de Wmo nog overgangsrecht
                            voor Awbz cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep
                            beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 65 Meldingsregeling calamiteiten en geweld</label></kop><al>
            
            In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de
                            aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van
                            de wet meteen melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking
                            van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de
                            verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald
                            dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van
                            toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 65 van deze verordening
                            dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van
                            meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt
                            en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                            het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college
                            bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden
                            van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Inspraak, cliëntenraad en klachten </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 66 Betrekken van ingezetenen bij het beleid /Cliëntenparticipatie</label></kop><al>
            
            Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid,
                            van de Wmo, art. 2.10 Jeugdwet en art. 47 Participatiewet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                            Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                            gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor de diverse
                            beleidsvelden binnen het sociaal domein. De inspraak geldt voor alle
                            inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat
                            iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het
                            derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                            van de medezeggenschap vorm te geven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 67 Klachtenregeling</label></kop><al>De gemeente is op grond van de Algemene wet bestuursrecht in het
                            algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en
                            schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen
                            die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is
                            een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling
                            is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen om in de
                            verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten
                            te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Algemene
                            wet bestuursrecht, waarin een uitvoerige regeling over klachtbehandeling
                            is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de
                            klacht de bevoegde ombudsman te vragen een onderzoek in te stellen, kan
                            in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid in dit
                            artikel worden volstaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 68 Citeertitel</label></kop><al>In het kader van de integrale benadering en de keuze om binnen de
                            beleidsvelden van het sociaal domein één verordening vast te stellen, is
                            gekozen voor een citeertitel, waaronder de drie beleidsvelden van de
                            Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet, te rangschikken zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 69 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedtin werking op 1 januair 2016. Met uitzondering
                            van artikel 1 lid 3 onderdeel e. Dit onderdeel treedt met terugwerkende
                            kracht in werking op 1 januari 2015.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>bij artikel 18</titel></kop><al><vet>Wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld</vet></al><al/><al>In artikel 6 lid 2 van de Participatiewet is opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels opstelt over de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. </al><al>In de verordening beschrijven we de methodiek van loonwaardebepaling en wie het
                    uitvoert. Het college maakt hierbij gebruik van de ‘werkwijze vaststelling
                    loonwaarde UWV’ om de loonwaarde van een persoon te bepalen. In deze bijlage
                    zijn de stappen beschreven om de loonwaarde vast te stellen. Deze werkwijze is
                    afgestemd met het UWV en met de regio Holland Rijnland en voldoet aan de door
                    het Rijk gestelde voorwaarden (zorgvuldig, geobjectiveerd en transparant). </al><al>Hierna wordt de werkwijze omschreven.</al><al/><al><vet>Werkwijze vaststelling loonwaarde UWV</vet></al><al><onderstreept>Doelgroep</onderstreept></al><al>De doelgroep zijn werkzoekenden die door medische en of sociaalpsychologische
                    beperkingen worden belemmerd in hun werk. Voor deze groep komt de potentiële
                    werkgever mogelijk in aanmerking voor loonkostensubsidie. Uitgangspunt hierbij
                    is dat de werknemer niet in staat is het geldende wettelijk minimumloon te
                    verdienen.</al><al>De loonwaardebepaling wordt vastgesteld en uitgevoerd door deskundige en
                    gecertificeerde arbeidsdeskundigen. Van belang is dat sociaal-medische gegevens
                    aanwezig zijn. Dit kan in de vorm van een Sociaal Medisch Advies van UWV, of
                    vergelijkbare informatie uit een andere bron. Indien noodzakelijk kunnen
                    arbeidsdeskundigen collega-arbeidsdeskundigen en -artsen consulteren. Deze wijze
                    van loonwaardebepaling garandeert een deskundig, betrouwbaar en objectief
                    advies.</al><al> Het onderzoek vindt vooral plaats op de werkplek van de werknemer. Het bestaat
                    uit een aantal onderdelen:</al><lijst><li nr="1."><al>Verzamelen van sociaal-medische gegevens voor het opstellen van een
                            arbeidskundigwerknemersprofiel. Hierin zijn de kennis, vaardigheden en
                            belastbaarheid van de klant opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Vaststellen en beschrijven van de soortgelijke functie van een collega
                            zonder beperkingen: de functieanalyse (taken- en urenanalyse).</al></li><li nr="3."><al>Vaststellen van het loonniveau van deze collega als
                            referentie/norm.</al></li><li nr="4."><al>Vaststellen van het prestatieniveau van de werknemer: de
                            loonwaarde.</al></li><li nr="5."><al>Verslaglegging, verwachting loonontwikkeling en advies planning
                            vervolgonderzoek.</al></li></lijst><al/><al><vet>De Loonwaarde vaststelling door UWV</vet></al><al>UWV onderscheidt bij de loonwaarde vaststelling de volgende stappen:</al><al>Inventarisatie van de feitelijke taakopbouw in termen van de feitelijke
                    uitoefening van de functie door de werknemer.</al><lijst><li nr="1."><al>Het vaststellen van de normfunctie op basis van de feitelijke in de
                            functie door de werknemer uitgeoefende taken.</al></li><li nr="2."><al>Vaststellen bij de normfunctie behorende loonwaarde en waarden voor
                            Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid voor de hoofdtaken. </al></li><li nr="3."><al>Beschrijven hoe de medewerker in de praktijk in de functie op de
                            werkplek functioneert, beschreven in termen van Tempo, Kwaliteit,
                            Inzetbaarheid per hoofdtaak. </al></li><li nr="4."><al>Beschrijven van eventuele bijzondere omstandigheden bij de functie
                            uitoefening. </al></li><li nr="5."><al>Het vaststellen van de prestatie van de werknemer per hoofdtaak afgezet
                            tegen de normfunctie op basis van drie kernbegrippen Tempo, Kwaliteit en
                            Inzetbaarheid uitgedrukt in een % van de arbeidsprestatie op deze
                            elementen in de normfunctie.</al></li><li nr="6."><al>Het vaststellen van de werkelijke additionele kosten, waar aan de orde,
                            uitgesplitst naar eenmalige en structurele kosten.</al></li><li nr="7."><al>Het integraal vertalen van de uitkomsten bij Tempo, Kwaliteit en
                            Inzetbaarheid naar een totale arbeidsprestatiewaarde van de werknemer in
                            een % ten opzichte van de normfunctie. Dit met behulp van de
                            rekenformule.</al></li></lijst><al/><al>Nb. De rekenformule is als volgt: </al><al>%Tijdsbesteding werknemer in de taak x %Tempo x %Kwaliteit x
                        %Inzetbaarheid<cursief>.</cursief></al><al/><table><tgroup cols="7"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Arbeidsprestatie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>taak</al></entry><entry><al>tijdsbesteding</al><al>norm</al></entry><entry><al>tijdsbesteding</al><al>werknemer </al></entry><entry><al>tempo</al></entry><entry><al>kwaliteit</al></entry><entry><al>inzetbaarheid</al><al/></entry><entry><al>Loonwaarde</al><al>t.o.v. </al><al>de gezonde</al><al>soortgelijke</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry><entry><al> %</al></entry></row><row><entry><al>Totaal</al></entry><entry><al>100%</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al> % (G)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het UWV legt deze gegevens vast in een rapportage. Daarin vermelden ze de
                    onderzoeksactiviteiten, de resultaten van het onderzoek en het advies over de
                    loonwaarde. </al></bijlage><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </al><al>Hoofdstuk 2 Integrale benadering</al><al>Hoofdstuk 3 Voorzieningen </al><al>Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet </al><al>Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo </al><al>Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ </al><al>Hoofdstuk 7 Overige bepalingen </al><al>Hoofdstuk 8 Betrekken van ingezetenen bij het beleid, cliëntenparticipatie en
                    klachten </al><al>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</al></bijlage></regeling></body></cvdr>