<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340560_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Sint Anthonis 2015 &amp; Toelichting maatschappelijke ondersteuning gemeente Sint Anthonis 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.sintanthonis.nl">Weekblad Sint Anthonis "Omstreeks" (4 november 2014) en website gemeente Boxmeer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Sint Anthonis 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-11-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Herziene wet</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2014/1123</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>n.v.t.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Sint Anthonis 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sint Anthonis,</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9
                        september 2014;</al><al/><al>Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, derde en zevende lid, 2.1.5,
                        eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>Gezien het advies van de Commissie;</al><al/><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                        dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij dusdanige
                        beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en
                        zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van
                        algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of
                        psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben
                        verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als
                        gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de
                        samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van
                        algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;</al><al>　</al><al>Besluit vast te stellen: </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                    speciaal is bedoeld voor personen met een beperking en die
                                    algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                    vergelijkbare voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4,
                                    eerste lid, van de Wet;</al><lijst><li nr="-"><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als
                                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
                                            als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                            Wet;</al></li><li nr="-"><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel
                                            2.3.2, eerste lid, van de Wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de
                                            omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de
                                            Wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                            ondersteuning naar zijn mening het meest is
                                            aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel
                                            1.1.1 van de Wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: al hetgeen tegemoetkomt aan de
                                            hulpvraag, al dan niet wettelijk, en voorgaat op een
                                            verstrekking van een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>ingezetene: cliënt die woonachtig is in de gemeente Sint
                                            Anthonis;</al></li><li nr="-"><al>uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;</al></li><li nr="-"><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedure melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                                gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van de melding en maakt zo
                                spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet
                                treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de melding
                                van de hulpvraag en spoedeisende gevallen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze
                                cliëntondersteuning. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaande aan
                                het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, op
                                de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze
                                cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen
                                na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt verstrekt het college desgevraagd terstond een document
                                als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
                                inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Geen (verder) onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de cliënt tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met de
                                reeds aangereikte mogelijkheden zelf in een oplossing kan voorzien
                                of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het
                                onderzoek als afgerond worden beschouwd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de hulpvraag en de situatie van de cliënt genoegzaam bekend is
                                bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt
                                afzien van een gesprek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gesprek met de cliënt, zijn vertegenwoordiger, voor zover
                                mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie maakt
                                deel uit van het onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in dit gesprek, in samenspraak met de cliënt of
                                diens vertegenwoordiging, het gewenste resultaat van het verzoek om
                                maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                Wet vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderwerpen, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wet en
                                indien ingediend het persoonlijk plan zoals genoemd in artikel 2.3.2
                                lid 5 van de Wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en
                                vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke
                                mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget
                                en wat de gevolgen van die keuze zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een
                                schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek,
                                waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening,
                                kan dit worden opgenomen in het verslag van het gesprek.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Hiermee
                                wordt de onderzoeksfase afgerond.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het
                                verslag toegevoegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag
                                om een maatwerkvoorziening indienen bij het college. Het
                                ondertekende gespreksverslag kan daarbij worden aangemerkt als
                                aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan niet worden gedaan dan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding zoals
                                bedoeld in artikel 2.3.2 lid 9 van de Wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al></li><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                    beperkingen naar het oordeel van het college niet kan
                                    verminderen of wegnemen</al></li><li nr="i."><al>op eigen kracht en/of;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp en/of;</al><al> iii. met mantelzorg en/of;</al><al> iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                    en/of;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                    en/of;</al><al> vi. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. </al><al> De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                    uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde
                                    onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een
                                    situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                                    zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving kan blijven, en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                    samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                    problemen en de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan
                                    niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van
                                    huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het
                                    oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen</al></li><li nr="i."><al>op eigen kracht en/of;</al></li></lijst><al>ii. met gebruikelijke hulp en/of;</al><al>iii. met mantelzorg en/of;</al><al>iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of;</al><lijst><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al><al> De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                    uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde
                                    onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte
                                    van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                                    realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                                    gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven
                                    in de samenleving. </al></li><li nr="2."><al>Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt bovendien dat:</al></li><li nr="a."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                    adequate voorziening moeten kunnen worden aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>deze in overwegende mate op het individu moet zijn gericht.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                    zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor
                                    een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al></li><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                                    vermijdbaar was, en</al></li><li nr="b."><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                    redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben
                                    getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.]</al></li><li nr="4."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van
                                    een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze
                                    slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch
                                    is afgeschreven,</al></li><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                    gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                    rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                    veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                    biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                    ondersteuning.</al></li><li nr="5."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het
                                    college de goedkoopst adequate voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Geen aanspraak</titel></kop><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt :</al><al>a.voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
                            aanleiding geeft</al><al>voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een
                            andere wettelijke bepaling bestaat;</al><lijst><li nr="b."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Sint
                                    Anthonis voor wat betreft artikel 9 lid 1 sub a; </al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                                    met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                    netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                    voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="e."><al>indien de voorziening voor een cliënt algemeen gebruikelijk
                                    is;</al></li><li nr="f."><al>voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van
                                    aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                    voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de
                                    zelfredzaamheid of participatie;</al></li><li nr="g."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt vóór het
                                    verstrekken van de beschikking zoals bedoeld in artikel 11
                                    Verordening heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het
                                    college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="h."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die
                                    aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                    wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                    afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is,
                                    tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is
                                    gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                    toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk
                                    tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="i."><al>voor zover de beperkingen en/of problemen voortvloeien uit de
                                    aard van de in de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="j."><al>voor zover een woonvoorziening betrekking heeft op een hoger
                                    niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="k."><al>ten behoeve van een woningaanpassing in hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en
                                    recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;</al></li><li nr="l."><al>voor zover het woonvoorzieningen en schoonmaakwerkzaamheden in
                                    gemeenschappelijke ruimten betreft;</al></li><li nr="m."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                    geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                    zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                    voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="n."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                    daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het
                                    college;</al></li><li nr="o."><al>indien de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die
                                    niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="p."><al>indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee
                                    samenhangende zorg in een instelling op grond van de Algemene
                                    Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet langdurige zorg of de
                                    Jeugdwet, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt
                                    daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan
                                    het verkrijgen van een besluit dienaangaande. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot verstrekking van een
                                        maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als
                                        voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt
                                        verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura
                                        vermeldt de beschikking in ieder geval:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                resultaat daarvan is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>welke andere oplossingen en/of voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                zijn.</al><al>3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarop het
                                        persoonsgebonden budget ziet; </al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is;</al></li><li nr="g."><al>welke andere oplossingen en/of voorzieningen relevant zijn
                                        of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende
                                        verplichtingen en voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>Uit het persoonsgebonden budget mogen geen
                                                administratieve bemiddelingsbureaus worden
                                                betaald.</al></li><li nr="b."><al>Uit het persoonsgebonden budget mogen geen
                                                tussenpersonen of belangenbehartigers worden
                                                betaald.</al></li><li nr="c."><al>Uit het persoonsgebonden budget mag de bijdrage in
                                                de kosten, zoals bedoeld in artikel 14, niet worden
                                                betaald.</al></li><li nr="d."><al>In afwijking van het bepaalde onder a. mogen de
                                                kosten voor arbeidsbemiddeling, in het kader van
                                                deze wet, uit het persoonsgebonden budget worden
                                                betaald indien dit bemiddelingsbureau een Per Saldo
                                                Keurmerk heeft.</al></li><li nr="e."><al>De budgethouder maakt met de hulpverlener of
                                                aanbieder in een schriftelijke overeenkomst
                                                tenminste afspraken over het resultaat van de
                                                maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de
                                                wijze van declareren.</al></li><li nr="f."><al>Een beslissing tot verlening van een
                                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als
                                                blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen
                                                uiterlijk zes maanden na uitbetaling niet is
                                                aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het
                                                is verstrekt.</al></li><li nr="g."><al>Een persoonsgebonden budget voor het sociaal netwerk
                                                moet in ieder geval beperkt blijven tot die gevallen
                                                waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit
                                                aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning
                                                leidt en aantoonbaar doelmatiger is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden
                                        budget worden de volgende criteria gehanteerd:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand
                                van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de
                                cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend
                                voor de aanschaf daarvan.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en
                                woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur-
                                dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende bijdrage, waaronder
                                onderhoud reparatie en verzekering zoals die door het college aan de
                                aanbieder verschuldigd is.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget
                                worden de volgende criteria gehanteerd:</al><lijst><li nr="i."><al>De kosten voor een zzp’er mogen nooit hoger zijn dan de
                                        kosten voor ingekochte hulp bij een organisatie. </al></li><li nr="ii."><al>De kosten voor ondersteuning uit het sociale netwerk mogen
                                        nooit hoger zijn dan de kosten voor een zzp’er. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Voor het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget
                                kan de in lid 1, onder e. genoemde schriftelijke overeenkomst als
                                uitgangspunt worden genomen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                        geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de
                                        bestedingen van persoonsgebonden budgetten. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan in de nadere regels eisen stellen met
                                        betrekking tot de verstrekking, uitsluitingsgronden, de
                                        hoogte, uitbetaling, besteding, kwaliteitseisen en
                                        verantwoording van de met het persoonsgebonden budget aan te
                                        schaffen maatwerkvoorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het PGB
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het PGB verbonden voorwaarden,of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het PGB binnen een redelijke termijn doch uiterlijk zes
                                maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                                voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten PGB.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in
                                        artikel 1.1.1 van de Wet, niet zijnde cliëntondersteuning,
                                        en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel PGB, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het PGB wordt verstrekt, overeenkomstig de bedragen
                                        en percentages van het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo
                                        2015, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de
                                        cliënt en zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige
                                cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie
                                een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond
                                verzoek is toegewezen, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                uitoefent over een cliënt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is;</al></li><li nr="c."><al>of en voor welke doelgroepen een korting op de bijdrage voor
                                        een algemene voorziening geldt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        PGB wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de Wet, de
                                        bijdragen voor een maatwerkvoorziening of PGB worden
                                        vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Kwaliteit en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Aanbieders zijn verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van
                                voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de
                                maatwerkvoorziening:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt
                                gerealiseerd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de cliënt
                                en zijn omgeving;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg, waaronder
                                informele zorg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>geleverd wordt door beroepskrachten die voldoen aan de professionele
                                standaard;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en
                                vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te
                                voeren;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit
                                noodzakelijk/ gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en
                                voortvloeiend uit de professionele standaard;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van
                                toepassing zijnde wet- en regelgeving en de organisatie dit ook
                                controleerbaar maakt voor de gemeente.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere
                                        eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen,
                                        eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                        beroepskrachten daaronder begrepen. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college
                                        toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen
                                        met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek,
                                        en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse
                                        controleren van de geleverde voorzieningen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening onverwijld
                                aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden
                                voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening mee dat aanbieders (des)kundig personeel inzetten
                                    tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden
                                    zoals bedoeld in artikel 2.6.6 lid 1 van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al></li></lijst></li></lijst><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
                            2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;
                            3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv.
                            sociale wijkteams). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                    medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                    aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van
                                    maatwerkvoorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                    aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                    ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de
                                    voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                                    Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    inspraak wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                    voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de
                                    besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                    betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van
                                    ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                    ondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het
                                    tweede en derde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Mantelzorgwaardering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college stelt bij nadere regels vast waaruit het jaarlijkse blijk
                            van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente
                            bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of
                                chronische, psychische of psychosociale problemen</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels omtrent de tegemoetkoming meerkosten
                            voor personen met een beperking of chronische, psychische of
                            psychosociale problemen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt voor het eerst in
                            2017 geëvalueerd en wordt daarna eenmaal per vier jaar geëvalueerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014 wordt bij de
                                inwerkingtreding van deze Verordening ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijk
                                ondersteuning 2014 en waarop nog niet is beslist bij het in werking
                                treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                maatschappelijk ondersteuning 2014, wordt beslist met inachtneming
                                van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Sint Anthonis 2015.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 30 oktober 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers, M.L.P. Sijbers </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2015
                        Gemeente Sint Anthonis</titel></kop><al>Inhoud</al><al>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 21</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 21</al><al>Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag 23</al><al>Artikel 2 Melding hulpvraag 23</al><al>Artikel 3 Cliëntondersteuning 23</al><al>Artikel 4 Persoonlijk plan 24</al><al>Artikel 5 Informatie en identificatie 24</al><al>Artikel 6 Geen (verder) onderzoek 24</al><al>Artikel 7 Onderzoek 24</al><al>Artikel 8 Aanvraag 25</al><al>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening 27</al><al>Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorziening 27</al><al>Artikel 10 Geen aanspraak 27</al><al>Artikel 11 Beschikking 27</al><al>Artikel 12 Persoonsgebonden budget 28</al><al>Artikel 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering 28</al><al>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten 30</al><al>Artikel 14 Bijdrage in de kosten 30</al><al>Hoofdstuk 5 Kwaliteit en inspraak 31</al><al>Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 31</al><al>Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 31</al><al>Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
                    31</al><al>Artikel 18 Klachtregeling 32</al><al>Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
                    32</al><al>Artikel 20 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 32</al><al>Hoofdstuk 6 Mantelzorgwaardering 34</al><al>Artikel 21 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 34</al><al>Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten 35</al><al>Artikel 22 Tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of
                    chronische, psychische of psychosociale problemen 35</al><al>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen 36</al><al>Artikel 23 Evaluatie 36</al><al>Artikel 24 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 36</al><al/><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die Wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al/><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want
                    waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige,
                    tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die
                    bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                    leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al/><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders.
                    Waar in deze verordening en in de Wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    Wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de
                    toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan
                    niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten
                    ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al/><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de
                    artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en
                    2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; </al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de Wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al/><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6,
                    eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de Wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid,
                    2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te
                    stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet
                    beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente.</al><al/><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen </tussenkop><al/><al>Een <onderstreept>algemeen gebruikelijke voorziening</onderstreept>is
                    bijvoorbeeld een elektrische fiets. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de
                    verordening, maar in de Wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een
                    partner van de cliënt. Zie ook de Wettelijke definitie hieronder.</al><al>Het <onderstreept>gesprek</onderstreept> is het mondeling contact na een melding
                    waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn
                    gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen
                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen
                    uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende
                    voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of
                    maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te
                    voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke Wettelijke
                    definities hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="-"><al>aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college
                            gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te
                            leveren;</al></li><li nr="-"><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                            voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
                            mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                            maatschappelijke ondersteuning; </al></li><li nr="-"><al>begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid
                            en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen
                            leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="-"><al>cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan
                            wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of
                            door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid; </al></li><li nr="-"><al>cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies
                            en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                            zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                            mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                            ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                            wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="-"><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                            redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende
                            kinderen of andere huisgenoten; </al></li><li nr="-"><al>maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang,
                            de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van
                            voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de
                            veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en
                            bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid
                            en de participatie van personen met een beperking of met chronische
                            psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                            leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; </al></li><li nr="-"><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
                            van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van
                            zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een
                            instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                            noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                            andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen
                            het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                            maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; </al></li><li nr="-"><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                            jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            ZorgverzekeringsWet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader
                            van een hulpverlenend beroep; </al></li><li nr="-"><al>participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="-"><al>persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen
                            worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                            maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt
                            van derden heeft betrokken; </al></li><li nr="-"><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met
                            wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt; </al></li><li nr="-"><al>vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                            vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                            waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; </al></li><li nr="-"><al>zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke
                            algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een
                            gestructureerd huishouden.</al></li></lijst><al/><al>Ook de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een
                    besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Melding hulpvraag</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang.</al><tussenkop>Nadere toelichting: </tussenkop><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook
                    in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.
                    In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wet is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is
                    uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken.</al><al/><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het
                    college. </al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
                    deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan.
                    Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens
                    vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere
                    betrokkene de melding doen. </al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die
                    op grond van een andere Wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden
                    doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de ZorgverzekeringsWet, de
                    Wet werk en bijstand en de LeerplichtWet. Zie ook de tekst en toelichting van
                    artikel 8, tweede lid.</al><al/><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het
                    bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat
                    kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling
                    of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. </al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet), is registratie en ontvangstbevestiging
                    van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al/><al>In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wet een uitzondering
                    vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de Wet verplicht
                    in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te
                    verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de
                    melding.</al><tussenkop>Artikel 3 Cliëntondersteuning </tussenkop><al/><al>Het eerste lid is een uitwerking van de Wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wet. De Wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
                    cliëntondersteuning op grond van de Wet voor de cliënt kosteloos is. In de
                    memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wet (Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder
                    geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                    burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                    ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><al/><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 4 Persoonlijk plan</tussenkop><al/><al>In artikel 4 is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet de
                    verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de
                    mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan
                    het college te overhandigen.</al><tussenkop>Artikel 5 Informatie en identificatie</tussenkop><al/><al>De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in artikel 5, is
                    opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wet. In het kader
                    van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wet in ieder
                    geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van
                    een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is
                    de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat
                    document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van artikel 5
                    zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 6 Geen (verder) onderzoek</tussenkop><al/><al>Op grond van artikel 6 kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een
                    onnodige herhaling van zetten zou betekenen.</al><tussenkop>Artikel 7 Onderzoek </tussenkop><al/><al>Dit artikel is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt
                    maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is
                    gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens
                    vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig
                    onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met
                    betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een
                    adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden.
                    Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak
                    met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    de cliënt thuis plaats. </al><al/><al>In lid 2 is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om
                    ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar
                    aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183)
                    “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is
                    geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de
                    verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering
                    van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het Wetsvoorstel Wmo 2015 staat het
                    bereiken van dit resultaat centraal”.</al><al/><al>Lid 5 t/m 8 zijn in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een
                    zorgvuldige procedure en zijn overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    Wet opgenomen. </al><al/><al>Lid 5 borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van
                    de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                    p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt
                    het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op
                    een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
                    Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de
                    uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                    heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de
                    uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij
                    meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk
                    zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                    (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie
                    waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn
                    vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan
                    ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook
                    opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al/><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint lid
                    7 met de zinsnede “Binnen […] werkdagen na het gesprek”. Het kan overigens ook
                    zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn
                    omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om
                    boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is
                    een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</al><tussenkop>Artikel 8 Aanvraag</tussenkop><al/><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de Wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De Wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    Wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van
                    vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit
                    is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan
                    doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de
                    zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging
                    gesteld. </al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is mogelijkheid opgenomen om
                    een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al/><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.
                    De afspraken over de procedure om te komen tot een beschikking op
                    maatwerkvoorzieningen als bedoeld in artikel 9 van de Verordening onder lid 1 b
                    worden in regionaal verband voorbereid met de centrumgemeente Oss. </al><tussenkop>Artikel 10 Geen aanspraak</tussenkop><al/><al>In dit artikel staan de uitsluitingsgronden voor een maatwerkvoorziening. </al><al/><al>Lid e: Hier wordt bedoeld dat het college moet onderzoeken of een algemeen
                    gebruikelijke voorziening ook voor de desbetreffende cliënt als algemeen
                    gebruikelijk kan worden beschouwd. Voorbeeld: Van een cliënt die onder
                    bijstandsniveau leeft, is het maar de vraag of een fiets met hulpmotor tot de
                    financiële mogelijkheden behoort en dus algemeen gebruik is. Het college zal dit
                    nader moeten onderzoeken.</al><al/><al>Lid f: Voorbeeld: Wanneer een cliënt jarenlang een particuliere hulp heeft
                    betaald voor het schoonmaken van het huis en er verandert iets in de gezondheid,
                    dan ontstaan er veelal geen meerkosten voor het schoonhouden van het huis ten
                    opzichte van de situatie voordat de cliënt beperkingen ging ondervinden.</al><al/><al>Lid g: Het college moet bij een aanvraag in staat zijn geweest een volledig
                    onderzoek uit te voeren waarin onder andere wordt vastgesteld of er
                    maatschappelijke ondersteuning nodig is en wat daarin de goedkoopst adequate
                    oplossing is.</al><tussenkop>Artikel 11 Beschikking</tussenkop><al/><al>Uitgangspunt van de Wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</al><al>Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop
                    een voorziening technisch is afgeschreven.</al><al>Lid 2 onder c en lid 3 onder f dienen uitsluitend ter informatie aan de cliënt.
                    Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking
                    op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep
                    daartegen. Zie artikel 13 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wet, waarin is
                    bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld
                    en voor de gemeente geïnd door het CAK.</al><tussenkop>Artikel 12 Persoonsgebonden budget</tussenkop><al/><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wet een PGB verstrekken. Als
                    aan alle Wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een PGB alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de belanghebbende zelf is om een PGB aan
                    te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al>Het zesde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wet. Hierin
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een PGB wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend
                    moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het PGB niet
                    hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden
                    zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben
                    daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van
                    het PGB. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende
                    vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten
                    kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld
                    onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                    netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en
                    hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s
                    e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een PGB kan geweigerd worden voor zover de kosten van het PGB
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de Wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    PGB om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het PGB slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een PGB. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen.</al><al>Een PGB is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een PGB is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
                    In lid 2, onderdeel c, wordt de mogelijkheid gecreëerd dat voor die
                    ondersteuning die goedkoper gerealiseerd kan worden ook lagere PGB-tarieven
                    kunnen worden vastgesteld. Een ZZP-er heeft immers minder overhead kosten als
                    een instelling en bij het inzetten van een PGB voor het sociaal netwerk zijn
                    daarnaast de werkgeverslasten niet van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al/><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de Wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de Wet.</al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de Wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze Wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de Wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een PGB wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het PGB nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of PGB. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ </al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 14 Bijdrage in de kosten </tussenkop><al/><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de Wet.</al><al>De Wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota
                    naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.
                    95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de
                    mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een
                    cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                    beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal
                    sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><al/><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de Wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de Wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</al><al>Een besluit om een andere instantie dan het CAK in te schakelen zoals bedoeld in
                    artikel 14 lid 4 onderdeel b wordt genomen op voorstel van de centrumgemeente
                    Oss. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Kwaliteit en inspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al/><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de Wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    Wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is
                    verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wet.</al><tussenkop>Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al/><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de Wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de Wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    Wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 16 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het
                    melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden </tussenkop><al/><al>Het college kan de uitvoering van de Wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 18 Klachtregeling </tussenkop><al/><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht.
                    Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze Wet en is hier opgenomen in
                    het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten
                    van cliënten te geven. </al><al/><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de Wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al/><al>In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al/><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><al/><al>Artikel 20 Betrekken van ingezetenen bij het beleid</al><al/><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet. </al><al/><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de GemeenteWet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de Wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al/><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Mantelzorgwaardering</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Jaarlijkse waardering mantelzorgers </tussenkop><al/><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel </al><al>2.1.6 van de Wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke
                    wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al/><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of PGB, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze Wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of
                    chronische, psychische of psychosociale problemen</tussenkop><al/><al>De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatie
                    Eigen Risico (CER) zijn komen te vervallen. De motivering voor dit besluit is
                    dat het organiseren van zorg dicht bij de mensen het mogelijk maakt om deze
                    regelingen te beperken, vereenvoudigen en te decentraliseren.</al><al>Gemeenten krijgen onder de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)
                    de mogelijkheid om mensen met aannemelijke meerkosten als gevolg van een
                    chronische beperkingen c.q. aandoening te ondersteunen (artikel 2.1.7.). In de
                    Verordening wordt geregeld dat het college van burgemeester en wethouders
                    hiervoor een nadere regeling treft. </al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 23 Evaluatie</tussenkop><al/><al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau (zie
                    artikel 7.10 van de Wet) zal plaatsvinden, maar gaat meer over een evaluatie van
                    lokale effecten van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 24 Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al/><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald
                    dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de Wet nog
                    overgangsrecht voor AWBZ cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep
                    beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wet.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>Inhoud</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 3</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 3</al><al>Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag 4</al><al>Artikel 2 Melding hulpvraag 4</al><al>Artikel 3 Cliëntondersteuning 4</al><al>Artikel 4 Persoonlijk plan 4</al><al>Artikel 5 Informatie en identificatie 4</al><al>Artikel 6 Geen (verder) onderzoek 4</al><al>Artikel 7 Onderzoek 5</al><al>Artikel 8 Aanvraag 5</al><al>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening 6</al><al>Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorziening 6</al><al>Artikel 10 Geen aanspraak 7</al><al>Artikel 11 Beschikking 8</al><al>Artikel 12 Persoonsgebonden budget 8</al><al>Artikel 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering 9</al><al>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten 11</al><al>Artikel 14 Bijdrage in de kosten 11</al><al>Hoofdstuk 5 Kwaliteit en inspraak 12</al><al>Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 12</al><al>Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 12</al><al>Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden 12</al><al>Artikel 18 Klachtregeling 13</al><al>Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning 13</al><al>Artikel 20 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 13</al><al>Hoofdstuk 6 Mantelzorgwaardering 14</al><al>Artikel 21 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 14</al><al>Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten 15</al><al>Artikel 22 Tegemoetkoming meerkosten voor personen met
                    een beperking</al><al>of chronische, psychische of psychosociale problemen 15</al><al>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen 16</al><al>Artikel 23 Evaluatie 16</al><al>Artikel 24 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 16</al><al>Artikel 25 Inwerkingtreding en citeertitel 16</al></bijlage></regeling></body></cvdr>