<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340482_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-62104.html">Gemeenteblad 2014/62104</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=titel 4.2">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doetinchem;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders 22 oktober 2014;</al><al>overwegende dat</al><lijst><li nr="-"><al>het juridisch toetsingskader voor de subsidieverstrekking
                                verbetering behoeft qua juridische houdbaarheid, helderheid en
                                praktische toepasbaarheid; </al></li><li nr="-"><al>de nieuwe Algemene subsidieverordening eveneens uitgaat van de
                                overdracht van bevoegdheden aan burgemeester en wethouders, met name
                                voor het vaststellen van subsidieplafonds en
                                subsidieregelingen;</al></li><li nr="-"><al>de bevoegdheid om subsidieplafonds vast te stellen het budgetrecht
                                van de raad volledig intact laat, omdat een begrotingsvoorbehoud als
                                bedoeld in artikel 4:34, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht
                                verplicht is bij subsidieregelingen en beschikkingen (artikel 5, lid
                                4 Asv 2015);</al></li><li nr="-"><al>de nieuwe Algemene subsidieverordening op grond van de Europese wet-
                                en regelgeving ‘staatssteunproof’’ moet zijn; </al></li><li nr="-"><al>de rechtszekerheid voor de subsidieontvangers versterkt wordt door
                                besluiten te baseren op algemeen verbindende voorschriften
                                (verordening en subsidieregelingen);</al></li></lijst><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr.
                                800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6
                                augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
                                artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt
                                verenigbaar worden verklaard (‘de algemene
                                groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L 214/3), dan wel later
                                daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;</al></li><li nr="-"><al>de-minimisverordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de
                                Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006
                                betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het verdrag
                                op de-minimissteun (PbEU L379/5), verordening (EG) nr. 1535/2007 van
                                de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007
                                betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag
                                op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337/35) en
                                verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese
                                gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de
                                artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de
                                visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004
                                (PbEU L 193/6), dan wel later daarvoor in de plaats tredende
                                Europese regelgeving;</al></li><li nr="-"><al>Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling,
                                besluit of vrijstellings-verordening op het gebied van staatssteun
                                die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op
                                de artikelen 106, derde lid, 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft
                                vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van
                                financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door
                            burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij
                            afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en
                            subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig
                            is).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, kunnen
                            burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of
                            gedeeltelijk van toepassing is. De toepassing van dit lid wordt in de
                            beschikking tot subsidieverstrekking vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Subsidieregelingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen:
                        subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor
                        subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin ook bepaald welke
                        doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt
                        berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Europees steunkader</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover dat voor het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk
                            is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling afwijken van
                            deze verordening en deze aanvullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden
                            gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar
                            het toepasselijke steunkader.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is,
                            verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van
                            het steunkader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen
                            alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in
                            aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke
                            steunkader.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen
                            ondernemingen alleen voor subsidies in aanmerking die voldoen aan de
                            voorwaarden van de de-minimisverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen subsidieplafonds vaststellen. In dat
                            geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de
                            betrokken subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een subsidieplafond verlagen:</al><lijst><li nr="a."><al>als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of</al></li><li nr="b."><al>als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking
                                    heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd
                            overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van
                            verlaging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of
                            goedgekeurd, wordt verstrekt onder de voorwaarde dat voldoende middelen
                            op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de
                            verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester
                            en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen formulieren vaststellen voor het
                            indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens als bedoeld in
                            deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden
                                    nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze
                                    activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen
                                    aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde
                                    activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;
                                </al></li><li nr="d."><al>als de aanvrager een onderneming is:</al><lijst><li nr="1)"><al>een opgave van subsidies, vergoedingen of
                                            tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen
                                            bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor
                                            de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                            aangevraagd;</al></li><li nr="2)"><al>een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening
                                            (de-minimisverklaring);</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>de stand van de eventuele egalisatiereserve op het moment van de
                                    aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een
                            exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, alsook van het
                            jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe
                            aan de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt
                            ingediend uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar of de jaren
                            waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Andere aanvragen om subsidie worden minimaal 13 weken voordat de
                            aanvrager het voornemen heeft te beginnen met de activiteiten waarvoor
                            de subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar
                            waarin de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als
                            bedoeld in artikel 7, tweede lid binnen 13 weken nadat de aanvraag is
                            ingediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid,
                            van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de
                            termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft
                            genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet
                            bestuursrecht weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid,
                                    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar
                                    is met de interne markt;</al></li><li nr="b."><al>als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot
                                    terugvordering uitstaat volgens een eerdere beschikking van de
                                    Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar
                                    met de gemeenschappelijke markt is verklaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het vorige lid kunnen burgemeester en wethouders de
                            subsidie verder in ieder geval weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende
                                    mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze
                                    onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar
                                    ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het
                                    verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt
                                    gevraagd;</al></li><li nr="c."><al>als de activiteiten niet bijdragen aan de realisering van
                                    gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur;</al></li><li nr="e."><al>als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor
                                    subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="f."><al>als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk
                                    voorschrift;</al></li><li nr="g."><al>als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de
                                    Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid,
                                    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is
                                    met de interne markt;</al></li><li nr="h."><al>in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een subsidie in ieder geval intrekken
                            in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit
                            nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese
                            Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de
                        verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de
                        besteding van de subsidie dient te verantwoorden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Algemene verplichtingen van subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de
                            subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat
                            niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal
                            worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat meteen aan burgemeester
                            en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieontvanger informeert burgemeester en wethouders meteen
                            schriftelijk over: </al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                    van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot
                                    ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                    verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de subsidie
                                    verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen
                                    worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de
                                    gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of
                                    bestuurders en het doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden
                            verbonden over het beheer en gebruik van wat met de subsidie tot stand
                            is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidies vanaf € 100.000, verleend voor activiteiten die meer dan
                            een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd om
                            tussentijds rekening en verantwoording af te leggen over de tot dan
                            verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De
                            verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tot en met € 20.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot en met € 20.000 worden door burgemeester en wethouders
                            direct vastgesteld of verleend en - tenzij toepassing wordt gegeven aan
                            het volgende lid - binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk
                            moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de
                            aanvrager worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te
                            tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn
                            verricht en dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen. In
                            dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de
                            gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 20.000 wordt
                            gelijk een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende
                            subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tussen € 20.000 en € 100.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies tussen € 20.000 en € 100.000 dient de subsidieontvanger
                            uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht,
                            een aanvraag tot vaststelling in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                            gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt
                            aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies vanaf € 100.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies vanaf € 100.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag
                            tot vaststelling in: </al><lijst><li nr="a."><al>in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken
                                    kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde
                                    activiteiten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan
                                    verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                    jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                    daarop; en</al></li><li nr="d."><al>een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk
                                    accountant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een aanwijzing voor de
                            controleverklaring als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid, van de
                            Algemene wet bestuursrecht, vaststellen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of
                            andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen 13 weken na
                            de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij
                            subsidieregeling anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 8 weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden
                            aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een
                            aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip,
                            bedoeld in de artikelen 14, eerste lid en 15, eerste lid, onder a of b
                            is ingediend, kunnen burgemeester en wethouders de subsidieontvanger
                            schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen
                            deze termijn ingediend dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve
                            vaststelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van
                            uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met
                            gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de
                            subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven
                            wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening
                            voorgeschreven definities. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen
                            alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de
                            eisen van het toepasselijke steunkader. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen deze verordening, met uitzondering van
                            de artikelen 2, 3 en 4, in individuele gevallen buiten toepassing laten.
                            Of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de
                            subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn
                            in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en
                            hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2012 wordt
                                ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></li><li nr="3."><al>Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor deze datum zijn de
                                bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem
                                2012 van toepassing. </al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                                gemeente Doetinchem 2015.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de zijn vergadering van30 oktober 2014,</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Doetinchem 2015</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Het wettelijk kader van subsidies wordt bepaald door de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb art. 1:3, titel 4.1: beschikkingen; titel 4.2: subsidies;
                    titel 4.4: bestuursrechtelijk geldschulden), de Algemene subsidieverordening
                    gemeente Doetinchem 2015 (Asv 2015) en subsidieregelingen.</al><al>Artikel 1 t/m 5 van de Asv 2015 gaan over de huishoudelijke aspecten, zoals
                    reikwijdte, verdeling van bevoegdheden, subsidieregelingen en de financiën.
                    Artikel 6 t/m 19 gaan over het subsidieproces. In deze Asv wordt gesproken over
                    subsidieverstrekking. Hieronder wordt verstaan de aanvraag, de
                    subsidieverlening, de (directe) ambtelijke vaststelling, de vaststelling en de
                    uitbetaling van de subsidie.</al><al>In deze verordening wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid om bevoegdheden van
                    de raad aan het college te delegeren. Dit is niet nieuw. In de Algemene
                    subsidieverordening gemeente Doetinchem 2012 (Asv 2012) was dit ook al het
                    geval. Zo wordt het college om reden van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
                    verplicht om <vet>subsidieregelingen</vet> (algemeen verbindende voorschriften)
                    vast te stellen. Die mogen op onderdelen afwijken van de algemene regeling (art.
                    3 Asv 2015). De subsidieregelingen kunnen een algemeen onderwerp hebben
                    (bijvoorbeeld beoordelingscriteria) of zich specifiek richten op een
                    beleidsveld. Bijvoorbeeld beschermd wonen of vrijwilligers en mantelzorg.
                    Daarnaast heeft het college de bevoegdheid om subsidieplafonds vast te stellen.
                    Dit kan in algemene zin, maar ook per subsidieregeling. In alle gevallen wordt
                    een begrotingsvoorbehoud gemaakt omdat er op geen enkele wijze sprake kan zijn
                    van een aantasting van het budgetrecht van de raad. </al><al>Van groot belang is zo goed mogelijk onderscheid te maken tussen <vet>subsidie
                    </vet>en een <vet>overeen-komst van overheidsopdracht.</vet> Het onderscheid
                    tussen subsidie en overeenkomst is onder andere van belang omdat op beide
                    instrumenten een ander rechtsregime van toepassing is. Zo valt de subsidie
                    binnen het bestuursrecht en de overeenkomst binnen de grenzen van het
                    burgerlijke recht. Bij geschillen over overeenkomsten is de burgerlijke rechter
                    bevoegd en bij geschillen over subsidies de administratieve rechter. Bij
                    opdrachten is de gemeente als opdrachtgever verplicht deze via een transparante
                    procedure aan te besteden als een bepaald drempelbedrag wordt overschreden. Die
                    verplichting geldt ingeval van subsidies niet. Alhoewel het denkbaar is dat een
                    subsidie wordt aanbesteed. Verder is het onderscheid tussen subsidie en
                    overeenkomst van belang omdat ondernemers vaak BTW verschuldigd zijn over aan
                    hen gedane betalingen voor diensten. Over aan hen verstrekte subsidies zijn
                    ondernemers daarentegen in beginsel geen BTW verschuldigd.</al><al>Hoe het <vet>verschil</vet> te bepalen tussen het <vet>verstrekken van
                        subsidie</vet> en het <vet>aangaan van een overeenkomst van opdracht</vet>? </al><tussenkop>Juridische en inkooptechnische verschillen tussen overeenkomst en
                    subsidie </tussenkop><al>Denkrichting in onderstaand schematisch overzicht met verschillen tussen
                    overeenkomst (na opdracht) en subsidie is dat als vele aspecten uit de
                    linkerkolom zich in de te onderzoeken situatie voordoen, en weinig uit de
                    rechterkolom, er waarschijnlijk sprake is van een overheidsopdracht. Wanneer er
                    sprake is van een grote vermenging van kenmerken uit de linker- en rechterkolom
                    dan wordt in de praktijk vaak gekozen voor subsidie.</al><al>Bedenk echter dat geen enkel criterium op zichzelf beschouwd doorslaggevend
                    is.</al><tussenkop>Ov</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="46*"/><colspec colname="col3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overeenkomst</al></entry><entry colname="col3"><al>Subsidie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Definitie in Boek 6 artikel 213 BW (Burgerlijk Wetboek) =
                                        een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer
                                        partijen ten opzichte van een of meer andere een verbintenis
                                        aangaan.</al></entry><entry colname="col3"><al>Definitie in artikel 4:21 AWB (Algemene Wet Bestuursrecht) =
                                        de aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan
                                        verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
                                        aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuurs-
                                        orgaan geleverde goederen of diensten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Tweezijdige handeling (aanbod en aanvaarding,</al><al>wederkerigheid).</al></entry><entry colname="col3"><al>Eenzijdige handeling (subsidiebeschikking; in</al><al>beginsel geen prestatieplicht).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Uitvoeren van werken, leveren van diensten of goederen door
                                        derden aan de overheid, meestal ten behoeve van de
                                        uitvoering van eigen taken van het bestuursorgaan. Er is
                                        vaak een markt voor de activiteiten. Concurrentiestelling in
                                        principe mogelijk. Voor opdrachtnemer gaat het om een
                                        commerciële activiteit.</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak voor activiteiten die te maken hebben met</al><al>het ‘algemeen belang’, waarbij subsidieverstrekker</al><al>(vaak) belang heeft bij (het in stand houden</al><al>van) activiteiten van de individuele aanvrager ten</al><al>behoeve van derden. Concurrentiestelling op een</al><al>markt vaak niet goed mogelijk.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij aangaan overeenkomst: vaak aanbestedings-plicht op grond
                                        van bestuurlijk aanbestedings-beleid of Europese
                                        aanbestedingsrichtlijn.</al></entry><entry colname="col3"><al>Bij aangaan subsidierelatie: geen expliciete
                                        aanbestedingsverplichting op grond van AWB of
                                        subsidieverordening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfs bij voldoen aan vereisten zoals deze zijn opgenomen
                                        bij de selectie en gunning in de aanbesteding: geen plicht
                                        tot gunnen opdracht/ aangaan overeenkomst (onder voorbehoud
                                        van precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid en
                                        goede trouw).</al></entry><entry colname="col3"><al>Bij voldoen aan (objectieve) subsidiecriteria: recht</al><al>op betaling subsidie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanbesteding gericht op verrichten activiteiten tegen het
                                        gunningscriterium laagste prijs of economisch voordeligste
                                        inschrijving/ meest scherpe en markt-conforme
                                        vergoeding.</al></entry><entry colname="col3"><al>Subsidie gericht op hoe dan ook laten verrichten van
                                        activiteiten. Kan een meer of minder dan marktconforme
                                        vergoeding voor noodzakelijk zijn (anders wordt activiteit
                                        die in algemeen belang is mogelijk niet uitgevoerd). NB:
                                        Vergoeding</al><al>waarbij bewust meer dan marktconforme vergoeding wordt
                                        gegeven kan potentieel risico op staatssteun
                                        meebrengen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colwidth="43*"/><colspec colname="col3" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>7.</al></entry><entry colname="col2"><al>Branchevoorwaarden, inkoopvoorwaarden, contractvoorwaarden
                                        van toepassing.</al></entry><entry colname="col3"><al>Subsidieregeling, -criteria en -voorwaarden (verordening
                                        bestuursorgaan of wettelijk kader veelal vereist) van
                                        toepassing.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.</al></entry><entry colname="col2"><al>Initiatief bij de opdrachtgever die zijn behoefte stelt en
                                        formuleert in programma van eisen (PvE) waarna de
                                        aanbesteding volgt.</al></entry><entry colname="col3"><al>Initiatief bij subsidieaanvrager die behoefte aan subsidie
                                        moet aantonen; door aanvraag gaat subsidieprocedure
                                        lopen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgerrecht van toepassing op aanbeste-dingsprocedure en de
                                        overeenkomst. Burgerrechter is geschilbeslechtende
                                        instantie. In kort geding kunnen voorlopige voorzieningen
                                        worden gevraagd. In een bodemprocedure kan en
                                        schadevergoeding én in beperkt aantal gevallen (zie
                                        Aanbestedingswet 2012) vernietiging van de overeenkomst
                                        worden gevorderd.</al></entry><entry colname="col3"><al>In kort geding kunnen voorlopige voorzieningen Bestuursrecht
                                        van toepassing zijn op subsidie. Bij bezwaar/beroep tegen
                                        subsidiebeschikking: administratieve rechtsgang via
                                        beschikkend bestuursorgaan en bestuursrechter (Awb).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij niet nakoming overeenkomst: nakoming overeenkomst kan
                                        worden gevorderd. Afdwingbaarheid van de overeenkomst.
                                        Afspraken gemaakt onder bezwarende titel (d.w.z. tegen
                                        betaling (tegen geld of op geld waardeerbaar). Bij de
                                        oplevering van het eindproduct/dienst gaat het eigendom vaak
                                        over naar de opdrachtgever en wordt sterker gestuurd op de
                                        formulering van de inhoud ervan.</al></entry><entry colname="col3"><al>Bij niet nakomen subsidiecriteria: lagere subsidie of nihil-
                                        vaststelling en terugvorderingsmogelijkheid om reden van
                                        onverschuldigde betaling. Prestatie tegenover subsidie niet
                                        of beperkt afdwingbaar. Hoe meer resultaatverplichtingen
                                        zijn vereist of zijn vastgelegd in een aan de
                                        subsidiebeschikking</al><al>gekoppelde uitvoeringsovereenkomst (zie ook art. 4:36 Awb),
                                        hoe eerder een subsidie de richting van overeenkomst
                                        opgaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.</al></entry><entry colname="col2"><al>Facturen voor wederprestatie op grond van overeenkomst
                                        worden veelal betaald na (deel) prestatie.</al></entry><entry colname="col3"><al>Bij subsidie is vaak sprake van bevoorschotting op</al><al>basis van liquiditeitsbehoefte van de subsidievragende
                                        instelling (zonder voorschot op subsidie is het vaak
                                        moeilijk om te starten met de werkzaamheden waarvoor
                                        subsidie is gegeven of om de instelling in stand te houden).
                                        Gaat om werkelijke gemaakte en betaalde kosten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12.</al></entry><entry colname="col2"><al>Btw verschuldigd</al></entry><entry colname="col3"><al>Geen btw verschuldigd (behalve bij prijssubsidies).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13.</al></entry><entry colname="col2"><al>In principe vergoeding van de kostprijs opdrachtnemer plus
                                        winstmarge mogelijk.</al></entry><entry colname="col3"><al>Vergoeding deel van de kosten (geen vergoeding</al><al>winst mogelijk).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14.</al></entry><entry colname="col2"><al>Betaling voor aan opdrachtgever geleverde goederen of
                                        diensten.</al></entry><entry colname="col3"><al>Vooral stimuleringsbijdrage (ter ondersteuning</al><al>beleid of bevordering algemeen belang), levering</al><al>(werkzaamheden of diensten) niet per se aan</al><al>subsidieverstrekker.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De reikwijdte van het begrip overheidsopdracht is omvangrijk omdat het telkens
                    op een ruime en bovenal op een functionele wijze moet worden uitgelegd. Verder
                    speelt mee dat de juridische kwalificaties naar nationaal recht niet relevant
                    zijn voor de beoordeling of sprake is van een overheidsopdracht naar Europees
                    recht. Oftewel: de nationaalrechtelijke kwalificatie ‘subsidie’ sluit niet
                    automatisch uit dat sprake is van een overheidsopdracht. </al><al>Zo kan een subsidie, al dan niet in samenhang met andere afspraken (dan is er
                    volgens de Awb sprake van <vet>subsidie- of uitvoeringsovereenkomst</vet>), een
                    overheidsopdracht zijn. En bij overheidsopdrachten dienen (Europese)
                    aanbestedingsregels in acht te worden genomen. Het is daarom raadzaam om
                    terughoudend te zijn met de mogelijkheid om in de aan de subsidiebeschikking
                    gekoppelde uitvoeringsovereenkomst een verplichting tot nakoming op te nemen.
                    Het verdient dus aanbeveling om bij het toekennen van subsidies van geval tot
                    geval te bezien of sprake is van een overheidsopdracht.</al><tussenkop>Belangrijke vragen bij het achterhalen van verschillen</tussenkop><al>Om vast te stellen of sprake is van een subsidie of opdracht, zijn onder meer de
                    volgende vijf vragen relevant (tussen haakjes staat aangegeven onder welke
                    punten in het bovengenoemd schema (elementen van) deze vragen aan de orde
                    komen):</al><tussenkop>a) Hoe is het verband tussen betaling en prestatie? (zie de punten 2, 3,
                    9 en 10)</tussenkop><al>Met name bij zogenaamde projectsubsidies (die direct gekoppeld zijn aan het
                    verrichten van een nauwkeurig bepaalde prestatie en vaak een subsidie zijn voor
                    activiteiten die naar hun aard een eenmalig karakter hebben) doet het vraagstuk
                    van het onderscheid tussen subsidie en opdracht zich gauw voor. Wanneer te
                    subsidiëren activiteiten niet nauwkeurig zijn omschreven en/of de subsidiegever
                    geen of weinig zeggenschap over de invulling van die activiteiten heeft, vormt
                    dit een indicatie dat geen sprake is van opdracht. Naarmate de
                    subsidieverstrekker meer zeggenschap over de invulling van de prestatie heeft
                    zal er eerder sprake zijn van opdracht. Steeds minder zal dan kunnen worden
                    volgehouden dat er sprake is van een ‘eigen activiteit’ van de
                    subsidieontvanger.</al><al>Een overeenkomst onder bezwarende titel (overheidsopdracht) suggereert een grote
                    mate van wederkerigheid (uitwisseling van prestaties). Bij het verlenen van
                    subsidies worden in principe geen wederzijdse verplichtingen in het leven
                    geroepen maar alleen een eenzijdige aanspraak op financiële middelen. De
                    subsidieontvanger is niet verplicht de gesubsidieerde activiteit uit te
                    voeren.</al><al>Zodra (de inrichting van) een subsidie het karakter krijgt van een schriftelijke
                    overeenkomst onder bezwarende titel tot bijvoorbeeld het verrichten van diensten
                    en zodra de prestaties van de subsidieontvanger worden afgedwongen (wederzijdse
                    verplichtingen) kan een subsidie alsnog het karakter van een overheidsopdracht
                    krijgen.</al><tussenkop>b) Van wie is het initiatief uitgegaan? (zie punt 8)</tussenkop><al>Bij subsidie is dat vaak degene die de activiteit verricht (niet het
                    bestuursorgaan), bij opdracht vaak de opdrachtgever (wel het bestuursorgaan).
                    Bij een opdracht wordt de inhoud van de opdracht (‘aanbestedingsproof’) door de
                    opdrachtgever bepaald waarna marktpartijen uitgenodigd worden om een aanbieding
                    te doen. Bij een subsidie wordt de uitwerking van de subsidiedoelstellingen aan
                    de subsidieontvanger overgelaten waarbij door de subsidie- verstrekker slechts
                    een algemeen (‘staatssteunproof’) kader wordt geboden waarbinnen de subsidiabele
                    activiteiten dienen te worden uitgevoerd.</al><tussenkop>c) Welk belang wordt gediend? Wat is het doel van de activiteit? (zie
                    punt 3)</tussenkop><al>Als een bestuursorgaan geld steekt in activiteiten die gericht zijn op anderen
                    (algemeen belang) is er vaak sprake van subsidie. Behartiging van het algemeen
                    belang is namelijk vaak de reden om een activiteit te stimuleren met subsidies.
                    Als het activiteiten zijn die gericht zijn op de eigen behoeften van het
                    bestuursorgaan zelf, is er vaak sprake van een opdracht. Het feit dat een
                    opdracht of subsidie te relateren is aan een publiekrechtelijke bevoegdheid of
                    verantwoordelijkheid van een aanbestedende dienst is niet bepalend voor de vraag
                    of iets een subsidie of overheidsopdracht is. </al><al>De wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze bevoegdheid is doorslaggevend.
                    Hoe nauwgezetter subsidiabele activiteiten worden omschreven en hoe meer
                    voorwaarden en verplichtingen in de beschikking tot subsidieverlening worden
                    opgenomen, hoe meer zeggenschap een bestuursorgaan heeft over de invulling van
                    een projectaanvraag en over de prestatie. Hoe meer het stellen van eisen gepaard
                    gaat met een verplichting om gesubsidieerde activiteiten daadwerkelijk uit te
                    voeren, hoe eerder sprake zal zijn van een overeenkomst van opdracht</al><tussenkop>d) Is er sprake van commerciële activiteiten (winst, kostprijs,
                    onderneming, concurrentie)? (zie punten 6, 12 en 13)</tussenkop><al>1.Hoe is de verhouding tussen de waarde van de prestatie en de betaling? Is er
                    sprake van winst? Werkt de leverancier tegen kostprijs? Vragen die van belang
                    zijn om het verschil tussen opdracht en subsidie te duiden.</al><al>Wanneer de subsidieaanvrager de te verrichten activiteiten tegen kostprijs zal
                    verrichten, dan zal er vaak sprake zijn van een subsidie. Is er voor de te
                    subsidiëren activiteiten sprake van een volwaardige markt waarop op winst
                    gerichte ondernemingen opereren, dan zal er eerder sprake zijn van een opdracht.
                    Het betalen van een kostendekkende vergoeding bij een wederzijdse
                    prestatieplicht levert vaak een aanwijzing op dat het gaat om een opdracht. NB
                    het feit dat geen kostendekkende vergoeding wordt gegeven (bijvoorbeeld in het
                    geval van gezamenlijke financiering van een project of bij bijvoorbeeld
                    concessies) leidt daarentegen niet automatisch tot de conclusie dat geen sprake
                    kan zijn van een opdracht. Wanneer een overheid een financiële bijdrage
                    verstrekt die niet de volledige kosten dekt, kan dat een indicatie geven dat het
                    gaat om subsidie; het gaat dan vaak niet om een ‘gewone’ financiële transactie
                    met de overheid en er wordt dan ook vaak geen ‘gewone’ commerciële transactie
                    tegen marktconforme vergoeding (prijs inclusief winstmarge) betaald. Ook de
                    duidelijke aanwezigheid van een (kostendekkende) vergoeding in de vorm van een
                    bezwarende titel (‘een op geld waardeerbare tegenprestatie’) is een aanvullend
                    instrument ter beoordeling of het eerder gaat om opdracht, of wanneer dit niet
                    het geval is, om subsidie (zie punt 10).</al><al>2.Is de subsidieontvanger een onderneming (met winstoogmerk)? Verricht de
                    instelling ook activiteiten voor anderen? Is concurrentiestelling mogelijk?</al><al>Zo ja, dan is vaak sprake van een (potentiële) markt en een
                    opdracht/overeenkomst lijkt dan het meest geëigend<sup>.</sup> Het verschil
                    tussen een subsidie en een inkooprelatie wordt vaak bepaald aan de hand van de
                    waarde van goederen of diensten in het economisch verkeer. Hoe eenvoudiger het
                    te bepalen is dat deze waarde marktconform is omdat er veel leverende
                    instellingen zijn die op hun beurt aan meerdere verschillende opdrachtgevers
                    leveren, hoe eerder er sprake is van een inkooprelatie. Dit heeft tot gevolg dat
                    voorzieningen die op een (potentiële) markt te verkrijgen zijn ingekocht zouden
                    moeten worden. Voorzieningen waar dit niet voor geldt kunnen via een subsidie
                    worden verkregen.</al><tussenkop>e) Zijn er derden bij het project betrokken (zie ook punten 3 en
                    14)?</tussenkop><al>In het verleden werd wel als onderscheidend criterium gesteld dat bij subsidies
                    vaak commerciële transacties van de ontvanger van de subsidie met derden zijn
                    aan te wijzen die (mede) door de subsidie worden bekostigd. Soms verricht de
                    ontvanger een prestatie voor een derde, die mede uit de subsidie wordt
                    bekostigd, soms ontvangt de ontvanger een prestatie van een derde die hij mede
                    uit de subsidie betaalt. </al><al>Hieraan werd de conclusie verbonden dat de omstandigheid dat bij het project
                    geen derden betrokken zijn, in die zin een aanwijzing kan vormen dat het gaat om
                    een directe opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. In de praktijk zie je
                    tegenwoordig echter ook bij opdrachtrelaties wel dat de opdrachtnemer de door
                    hem ontvangen tegenprestatie gebruikt ter bekostiging van bijvoorbeeld de
                    diensten van onderaannemers of in te schakelen derden. Daarnaast wordt in de
                    subsidiepraktijk vaker dan vroeger met derden gewerkt bij de uitvoering. </al><tussenkop>Voorkomen van ongeoorloofde staatssteun</tussenkop><al>Ook dient ongeoorloofde staatssteun te worden voorkomen. Staatssteun is in
                    principe verboden (artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de
                    werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)). Er is sprake van staatssteun als
                    financiële steun aan een onderneming (subsidies, garanties, leningen, korting op
                    de grondprijs, etc.) voldoet aan de hierna volgende criteria uit het
                    staatssteunverbod:</al><al>Er is sprake van staats- (dat wil zeggen: overheids-) middelen die aan een
                    onderneming worden verleend. Een onderneming is een entiteit die economische
                    activiteiten verricht. <cursief>Eenheden die uitsluitend een typische
                        overheidstaak zonder economisch karakter verrichten (activiteiten van puur
                        sociale aard of het uitoefenen van overheidsgezag), zijn geen ondernemingen.
                        Steun aan burgers houdt geen staatssteun in, </cursief>mits<cursief> de
                        steun niet indirect alsnog bij een onderneming terechtkomt;</cursief></al><al>De steun geeft de onderneming een economisch voordeel dat niet via de normale
                    commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit);</al><al>De steun is selectief: deze geldt voor één of enkele ondernemingen, een
                    specifieke sector of regio; enDe steun vervalst de mededinging (in potentie) en
                    leidt of dreigt te leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer
                    in Europa.</al><al>Deze criteria zijn cumulatief. Als niet aan alle punten wordt voldaan, is er
                    geen sprake van staatssteun. Staatssteunregels zijn ook van toepassing op
                    subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is. Zoals incidentele
                    subsidies en subsidies op basis van een begrotingspost.</al><al>De Asv 2015 is ‘staatssteunproof’ gemaakt. Het gaat nu ook om bewust te zijn van
                    deze criteria. Als ook is van belang om bij de beoordeling van subsidieaanvragen
                    deze criteria mee te wegen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsbepalingen zijn beperkt van omvang. De reden daarvoor is dat nu wordt
                    aangesloten bij de wettelijke termen en herhaling van begrippen niet zinvol is.
                    De begripsbepalingen, zoals opgenomen in de ingetrokken Asv 2012 zijn vervallen.
                    De omschrijvingen van 'college‘ en 'raad‘ zijn niet per se nodig om de
                    bevoegdheden van de bestuursorganen te benoemen. De termen ‘raad’ en
                    ‘burgemeester en wethouders’ sluiten aan bij het normale spraakgebruik.</al><al>De begrippen ‘eenmalige subsidie’ en ‘jaarlijkse subsidie’ zijn losgelaten. In
                    de praktijk bleek het onderscheid lastig te maken, omdat de begrippen elkaar
                    overlappen. Een subsidie kan zowel eenmalig als jaarlijks zijn. De Awb kent
                    alleen een onderscheid tussen subsidies die direct worden vastgesteld, en
                    subsidies die voorafgaand aan de vaststelling worden verleend.</al><al>In een Asv gaat het er in feite om dat er voor verschillende typen subsidies
                    eigen aanvraag- en beslistermijnen kunnen worden voorgeschreven. In de Asv 2015
                    is alleen een onderscheid gemaakt bij de artikelen over de beslis- en
                    aanvraagtermijnen en daarbij vermeld voor wat voor type subsidie elke termijn
                    geldt. Alle begripsbepalingen uit de modelverordening 2013 van de VNG zijn in de
                    verordening overgenomen. </al><tussenkop>Artikel 2. Reikwijdte</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten
                    over het verstrekken van subsidies waarop de Asv 2015 van toepassing is. </al><al>Dit betreft in beginsel <onderstreept>alle subsidies</onderstreept>, met
                    uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een
                    uitputtende regeling is getroffen en subsidies waar overeenkomstig artikel 4:23,
                    derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. Dit zijn: spoedeisende
                    subsidies, Europese subsidies, begrotingssubsidies en incidentele subsidies voor
                    maximaal 4 jaar. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen
                    wettelijke grondslag nodig is, is de Asv 2015 in beginsel niet van toepassing.
                    Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de Asv 2015 (deels) van toepassing
                    te verklaren als daartoe aanleiding bestaat. Het is zaak dat de toepassing van
                    dit artikellid in de beschikking wordt vermeld. </al><tussenkop>Artikel 3. Subsidieregelingen</tussenkop><al>Met dit artikel verplicht de raad het college om in nadere regels, hier en
                    verder subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor
                    zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die
                    voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van
                    uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. </al><al>In andere artikelen van Asv 2015 worden andere bevoegdheden gedelegeerd die
                    betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van
                    termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze
                    van verdelen van het subsidieplafond.</al><tussenkop>Artikel 4. Europees steunkader</tussenkop><al>Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het
                    toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er
                    afgeweken wordt van de Asv 2015, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid
                    maakt het college daartoe bevoegd.</al><al>Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese
                    Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het
                    Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.</al><al>Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard
                    alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in
                    aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het
                    betreffende steunkader (lid 4). Bij subsidies waarop de de-minimisverordening
                    van toepassing is, komen ondernemingen alleen voor subsidies in aanmerking als
                    zij voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening (lid 5). </al><tussenkop>Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>Het college kan subsidieplafonds vaststellen (lid 1); bij de bekendmaking
                    daarvan wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid
                    in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er, indien van
                    toepassing, gewezen om de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede
                    en derde lid). De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in
                    de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de
                    subsidieplafonds kan vaststellen. </al><al>Het college is verplicht - in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste
                    lid, van de Awb - (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze
                    gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid). </al><tussenkop>Artikel 6. Aanvraag </tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                    te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’.
                    Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan. In het derde en vierde lid is
                    bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag overlegd dienen te worden. </al><al>Een aanvraag die niet aan de eisen voldoet, ook niet na een verzoek om
                    completering, moet worden afgewezen (art. 4:5 Awb). Deze afwijzing is vatbaar
                    voor bezwaar en beroep.</al><al>Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt
                    verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het
                    Verdrag over de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn twee
                    aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. </al><al>Ten eerste, om ontoelaatbare opeenstapeling te voorkomen, wordt een overzicht
                    gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met
                    staatsmiddelen bekostigd. Het gaat om staatsmiddelen die al zijn of zullen
                    worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (derde
                    lid, onderdeel d, onder 1). Het gaat naast subsidie bijvoorbeeld om garanties,
                    leningen, korting op de grondprijs, etc. </al><al>Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen, moet
                    de onderneming een de-minimisverklaring gevraagd worden (derde lid, onderdeel d,
                    onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te
                    controleren of het verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de
                    de-minimisverordening.</al><al>Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (vijfde
                    lid).</al><tussenkop>Artikel 7. Aanvraagtermijn</tussenkop><al>De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt
                    onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt, en
                    andersoortige subsidies. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te
                    wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede
                    lid. De aanvraagtermijn is een uiterste termijn. Aanvragen, die te laat binnen
                    komen worden afgewezen (artikel 4:7 Awb).</al><tussenkop>Artikel 8. Beslistermijn</tussenkop><al>Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen
                    op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op
                    een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies
                    per kalenderjaar, en andere. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af
                    te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede
                    lid.</al><al>De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie
                    aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een
                    eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie
                    wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van
                    het Verdrag over de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd
                    dient te worden. </al><tussenkop>Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en
                    terugvorderingsgronden</tussenkop><al>In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen
                    4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden
                    aangevuld.</al><al>Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te
                    verstrekken op basis van een vrijstelling. Als dat niet mogelijk is, kan
                    goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele melding.
                    Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college
                    overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigerings-grond onder a). In
                    aanvulling daarop wordt met onderdeel b bepaald dat ondernemingen waartegen een
                    terugvorderingsactie loopt niet in aanmerking komen voor subsidie.</al><al>In het tweede lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het
                    college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.</al><al>Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over
                    voldoende eigen middelen beschikt.</al><al>Onderdeel c houdt in dat alleen activiteiten die betrekking hebben op het
                    gemeentelijk beleid voor subsidiëring in aanmerking komen.</al><al>Onderdeel d betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de
                    Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet
                    Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel
                    zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel
                    rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob
                    geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in
                    dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken
                    (derde lid).</al><al>Onder g is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan
                    weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze
                    overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is
                    goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking
                    die in beginsel niet geoorloofd is omdat er op basis van artikel 107 lid 1 VWEU
                    sprake is van staatssteun. Deze steun is strijdig met de voorwaarden uit de
                    toepasselijke vrijstellingsverordeningen en moet formeel worden aangemeld. In
                    dit geval kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken, óf de subsidie
                    aanmelden bij de Europese Commissie om langs deze weg alsnog goedkeuring te
                    verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op
                    een andere grond worden geweigerd.</al><al>Onderdeel h ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling
                    nog andere weigeringsgronden op te nemen. Bijvoorbeeld weigeringsgronden die
                    specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. </al><al>Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in
                    overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
                    Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en
                    teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de
                    bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.</al><tussenkop>Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger</tussenkop><al>Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en een informatieplicht
                    (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers gelden.</al><tussenkop>Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere
                    verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan
                    de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op
                    wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). </al><al>De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere
                    verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een
                    grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 10 gegeven voor verplichtingen in
                    het kader van het beheer en gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is
                    gebracht.</al><tussenkop>Artikel 13. Eindverantwoording subsidies tot en met € 20.000</tussenkop><al>Kenmerkend voor subsidies tot en met € 20.000 is dat deze op basis van
                    vertrouwen worden verstrekt; er wordt niet standaard om verantwoording gevraagd.
                    Dit bedrag is ook opgenomen in het huidige delegatie- en mandaatbesluit van het
                    college. In plaats van een verplichte verantwoording geldt een actieve
                    meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden
                    (zie artikel 11). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij
                    de subsidieontvanger.</al><al>Verder wordt het voorschot in één termijn (lump sum) verstrekt en hoeft de
                    subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te
                    dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                    subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid),
                    wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten
                    moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde
                    termijn ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is
                    een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale
                    rapportageverplichtingen worden opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 14. Eindverantwoording subsidies tussen € 20.000 en €
                    100.000</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen €
                    20.000 en € 100.000 aan het college dienen te verantwoorden; er moet een
                    aanvraag tot vaststelling ingediend worden (eerste lid). De aanvraag bevat een
                    inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten
                    zijn verricht (tweede lid). Overeenkomstig artikel 8 wordt de wijze van
                    verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de
                    subsidieontvanger bekendgemaakt.</al><al>In relatie tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al
                    zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen
                    daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt. Zoals bestuurs- en
                    activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of
                    andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook
                    bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat
                    duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de
                    subsidie werd verstrekt. In het derde lid is bepaald dat het college andere
                    bescheiden voor de vaststelling kan verlangen.</al><al>Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling
                    aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.</al><tussenkop>Artikel 15. Eindverantwoording subsidies vanaf € 100.000</tussenkop><al>Bij subsidies vanaf € 100.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van
                    subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de
                    subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde
                    kosten. Op grond van het derde lid kan het college een aanwijzing voor de
                    accountantscontrole vaststellen. Het vierde lid biedt de basis om in een
                    subsidieregeling te bepalen dat er ook andere gegevens gevraagd worden.</al><tussenkop>Artikel 16. Subsidievaststelling</tussenkop><al>Het eerste lid bevat - overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb - de termijn
                    waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de
                    aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer
                    ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn
                    - voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn -
                    biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.</al><tussenkop>Artikel 17. Berekening van uurtarieven, uniforme
                    kostenbegrippen</tussenkop><al>Dit artikel schrijft het navolgende voor als het college bij de bepaling van de
                    subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven. De berekeningswijze hiervan
                    en de voorgeschreven definities dienen in een subsidieregeling of bij de
                    subsidieverlening vastgelegd te worden. Bij subsidies waarop een Europees
                    steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt. Het betreft de
                    tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke
                    steunkader. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>