Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Drechterland

Aansluitverordening Riolering Gemeente Drechterland

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDrechterland
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAansluitverordening Riolering Gemeente Drechterland
CiteertitelRioolaansluitverordening gemeente Drechterland 2007
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

milieu

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Wet Milieubeheer, art. 10.33
  3. Algemene wet bestuursrecht
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-06-2007nieuwe regeling

14-06-2007

de Middenstander, 27-06-2007

2.11

Tekst van de regeling

Intitulé

Rioolaansluitverordening gemeente Drechterland

De Raad van de gemeente Drechterland;

 

gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 april 2007, nr. 2.11;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 10.33 van de Wet milieubeheer;

 

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de Aansluitverordening Riolering Gemeente Drechterland.

Afdeling I: Begripsomschrijvingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Aansluitleiding: de particuliere afvoerleiding, het aansluitpunt en de perceelaanluitleiding tezamen.

  • b.

    Aansluitpunt: in de aansluitvergunning aangegeven punt welke kan zijn:

    • -

      De ontstoppingsvoorziening, gelegen op het perceel van de gebruiker, in beginsel op 1 meter afstand van de gevel of kadastrale eigendomsgrens, en op een diepte van 0,2 tot 1 meter onder het maaiveld, of

    • -

      de ontstoppingsvoorziening, gelegen in het openbaar gebied, in beginsel op 1 meter afstand van de gevel of kadastrale eigendomsgrens, of

    • -

      bij afwezigheid van de ontstoppingsvoorziening, het punt waar de aansluitleiding de kadastrale eigendomsgrens snijdt, of

    • -

      bij afwezigheid van de ontstoppingsvoorziening, het punt gelegen op 1 meter van een gemeentelijke voorziening in de vorm van een pompput, IBA of anderszins.

      Het aansluitpunt wordt ook het “overnamepunt” genoemd.

  • c.

    Afvalwater: al het water afkomstig van een perceel, met uitzondering van hemelwater, drainagewater, bronneringswater, schoon water en oppervlaktewater.

  • d.

    Bronneringswater: grondwater, onttrokken ten behoeve van tijdelijke verlaging van de grondwaterstand.

  • e.

    Drainagewater: grondwater, ingezameld door een ingegraven doorlatend buizensysteem.

  • f.

    Drainagestelsel: gemeentelijk leidingstelsel, bestemd voor de afvoer van overtollig grondwater, met uitzondering van de aansluitleidingen.

  • g.

    Drukriolering: het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van met pompinstallaties veroorzaakte druk.

  • h.

    Gebruiker: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder die gebruik maakt van de aansluiting op het openbaar riool.

  • i.

    Gemeente: de gemeente Drechterland.

  • j.

    Hemelwater Regenwater en andere neerslag afvloeiend via (verharde) oppervlakken, daken en andere verhardingen.

  • k.

    Mechanische riolering: drukriolering, vacuümriolering of luchtpersriolering.

  • l.

    (Verbeterd) gemengd stelsel: het openbaar riool voor de afvoer van afvalwater, inclusief hemelwater.

  • m.

    (Verbeterd) gescheiden stelsel: het openbaar riool met een buizenstelsel voor de afvoer van hemelwater dat niet dienst doet als leiding voor de afvoer van drainagewater en een buizenstelsel voor de afvoer van het afvalwater.

  • n.

    IBA: systeem voor Individuele Behandeling van Afvalwater, te onderscheiden in laag- en hoog- rendementssystemen (IBA II en IBA III): De IBA’s kunnen per perceel afzonderlijk of per cluster percelen (zogenaamde groeps-IBA) worden geïnstalleerd. Bij de IBA is begrepen een riool van 1 meter dat het afvalwater influent ontvangt en een riool van variabele lengte tot het oppervlaktewater of de bodem die het effluent afvoert naar oppervlaktewater of bodem.

  • o.

    Lozingtoetstel: toestel, (bewerkings)apparaat zoals toilet, keuken e.d voor lozing van afval-, bronnerings-, drainage- of hemelwater onder vrijverval.

  • p.

    Openbaar riool: het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen, vacuümleidingen en werken en installaties van overeenkomstige aard, met uitzondering van de aansluitleidingen.

  • q.

    Particuliere afvoerleiding: de binnen en of buiten de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen-, buiten- of terrein (riool)leidingen tot aan het aansluitpunt. De particuliere afvoerleiding wordt ook het “particulier riool” genoemd.

  • r.

    Perceelaansluitleiding: openbaar riool en voorzieningen die deel uit maken van dit riool respectievelijk de IBA en de voorzieningen die deel uitmaken van deze IBA, vanaf het openbaar riool respectievelijk de IBA tot en met het aansluitpunt, in beheer bij de gemeente.

  • s.

    Proceswater: Water afkomstig van procesmatige verwerking in het bedrijf evenals water van bedrijfsmatig karakter.

  • t.

    Rechthebbende:

    • 1.

      de eigenaar, de vereniging van eigenaren of zakelijk gerechtigde van het perceel ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

    • 2.

      De rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder 1. bedoelde personen.

  • u.

    Vacuümriolering: het openbaar riool, voor de afvoer van afvalwater, waarbij het transport door het riool plaats vindt door middel van met vacuümpompinstallaties veroorzaakte onderdruk.

Afdeling II: De vergunning

Artikel 2: Vergunningplicht

  • 1.

    Het is verboden zonder een daartoe verleende aansluitvergunning een aansluiting van een particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of op een IBA tot stand te brengen of te wijzigen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders verlenen een aansluitvergunning alleen voor het tot stand brengen en in stand houden van een aansluiting tussen het particulier riool en de perceelaansluiting:

    • a.

      voor de afvoer van afvalwater exclusief en / of inclusief hemelwater indien ter plaatse een gemengd stelsel aanwezig is;

    • b.

      voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is;

    • c.

      voor de afvoer van hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, indien ter plaatse een gescheiden stelsel aanwezig is;

    • d.

      voor de afvoer van afvalwater zonder hemelwater indien ter plaatse riolering onder over- en /of onderdruk aanwezig is;

    • e.

      voor de afvoer van grondwater indien ter plaatse een drainagestelsel aanwezig is.

  • 3.

    Indien de rechthebbende voor de aansluiting van meer dan één particuliere afvoerleiding op het openbaar riool dan wel een IBA een aansluitvergunning aanvraagt, wordt voor deze aanvragen tezamen één vergunning verleend, waarin alle aansluitingen afzonderlijk worden vermeld.

  • 4.

    In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden opgenomen met betrekking tot:

    • a.

      het tot stand brengen van de aansluiting;

    • b.

      het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding;

    • c.

      sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende;

    • d.

      de periode waarvoor de vergunning wordt verleend indien de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater/ indien het een tijdelijke aansluiting betreft;

    • e.

      de kwantiteit van het af te voeren proceswater.

  • 5.

    Indien de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de aansluitvergunning geen verzoek heeft gedaan de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die aansluitingvergunning betrekking heeft, uit te voeren, kunnen burgemeester en wethouders de aansluitvergunning intrekken.

Artikel 3: De vergunningaanvraag

  • 1.

    De aanvraag van een aansluitvergunning wordt schriftelijk met behulp van een daartoe bestemd formulier, bij burgemeester en wethouders ingediend door de rechthebbende van het aan te sluiten perceel.

  • 2.

    Bij de aanvraag van een aansluitvergunning dienen door de rechthebbende voldoende gegevens te worden verstrekt om het verzoek te kunnen beoordelen, waaronder in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de naam en het adres van de rechthebbende;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      de aanduiding dat het een verzoek om een aansluitvergunning betreft;

    • d.

      de ligging van het aan te sluiten perceel:

      • -

        aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel;

      • -

        aangegeven op een situatieschets 1:1000 of grotere schaal;

    • e.

      voor zover het lozing van proceswater betreft, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, en /of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd;

    • f.

      voor zover het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of er daarnaast hemelwater zal worden afgevoerd en of grondwater moet worden afgevoerd;

    • g.

      van het aan te sluiten of te wijzigen particuliere afvoerleiding ten minste de volgende gegevens:

      • -

        het leidingverloop, hoogteligging en de dimensionering;

      • -

        de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt;

      • -

        een duidelijk verschil in kleur of symbolen tussen afvalwater- en hemelwaterafvoerleidingen;

      • -

        de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd.

  • 3.

    Indien de gegevens bedoeld in het tweede lid, reeds zijn vastgelegd in de voor het perceel afgegeven bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, kan bij de aanvraag van een aansluitvergunning voor dit perceel worden volstaan met het overleggen van een kopie van de gegevens uit deze vergunning.

  • 4.

    De aanvraag van een aansluitvergunning wordt slechts in behandeling genomen nadat bij de aanvraag alle in het tweede lid vermelde gegevens zijn verstrekt. Bij het ontbreken van gegevens wordt de rechthebbende daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld deze gegevens binnen vier weken na kennisgeving daarvan alsnog aan te vullen.

Artikel 4: Weigering van de aansluitvergunning

  • 1.

    Een aansluitvergunning kan slechts worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is.

  • 2.

    Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool respectievelijk de IBA of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien:

    • a.

      de hoogteligging van het aansluitpunt (binnenonderkant buis) lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding;

    • b.

      de bovenzijde van een lozingtoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagklep wordt aangesloten;

    • c.

      de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool of een IBA aanwezig is;

    • d.

      de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater en /of bronneringswater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan;

    • e.

      het openbaar riool of een IBA ter plaatse van de aansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren;

    • f.

      het een lozing van niet verontreinigd drainagewater betreft anders dan op het drainagestelsel of een gescheiden stelsel waaraan uitdrukkelijk de functie van drainagestelsel is toegekend;

    • g.

      de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of middels retourbemaling kan worden afgevoerd;

    • h.

      een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het aan te sluiten perceel is geweigerd;

    • i.

      de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gemengd riool aanwezig is waar geen of slechts een deel van het regenwater gewenst is.

  • 3.

    Een weigering van een aansluitvergunning is met redenen omkleed, waarbij burgemeester en wethouders de nadere eisen aangeven waaraan het particuliere riool dient te voldoenom voor vergunningverlening in aanmerking te komen.

Artikel 5: Verlening van de aansluitvergunning

  • 1.

    Burgemeester en wethouders besluiten binnen 8 weken na ontvangst op de aanvraag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag van een aansluitvergunning aan indien er geen reden is de vergunning te weigeren:

    • a.

      terwijl voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een bouwvergunning krachtens artikel 40 Woningwet,

    • b.

      terwijl er voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een vergunning krachtens artikel 8.1 Wet milieubeheer.

  • 3.

    Rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld.

  • 4.

    Na verlening van de in lid 2 onder sub a en b bedoelde vergunningen, nemen burgemeester en wethouders alsnog binnen 8 weken een besluit op de aanvraag.

Artikel 6: Hardheidsclausule

Burgemeester en Wethouders kunnen van de bepalingen van afdeling II afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Afdeling III: De aansluiting

Artikel 7: Het verzoek tot aanleg of wijziging perceelaanluitleiding

  • 1.

    De rechthebbende aan wie als gevolg van afdeling II een aansluitvergunning is verleend, kan de gemeente verzoeken de perceelaanluitleiding waarop de aansluiting of wijziging van de aansluiting betrekking heeft, tot en met het aansluitpunt aan te leggen. De rechthebbende dient een daartoe strekkend schriftelijk verzoek in te dienen bij de burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Bij het verzoek tot aansluiting dienen in ieder geval de volgende gegevens door de rechthebbende te worden vermeld:

    • a.

      de naam en het woonadres van de rechthebbende;

    • b.

      het nummer van de aansluitvergunning;

    • c.

      de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering.

    Het verzoek tot aansluiting wordt slechts in behandeling genomen indien deze gegevens volledig zijn vermeld.

  • 3.

    Indien de kosten van de aanleg van de aansluiting reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst of op andere wijze, dient de rechthebbende dit naast de in het tweede lid bedoelde gegevens bij het verzoek tot aansluiting te vermelden.

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 4 weken na de ontvangst van het verzoek stellen burgemeester en wethouders zoveel mogelijk in overleg met rechthebbende een termijn vast voor uitvoering van de perceelaanluitleiding. Bij vaststelling van het tijdstip van uitvoering wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het door de rechthebbende gewenste tijdstip. De afspraak zal schriftelijk door de gemeente aan de rechthebbende worden bevestigd.

Artikel 8: Kosten van de aansluiting

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen de kosten van de aanleg van de perceelaanluitleiding vast, uitgaande van de werkelijk gemaakte kosten.

  • 2.

    De gemeente kan in ieder geval niet worden gehouden tot feitelijke aanleg van de perceelaanluitleiding over te gaan, voordat de rechthebbende zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de kosten van de aanleg van de perceelaanluitleiding die zijn begroot aan de hand van de in het eerste lid genoemde tarievenlijst, en de over die kosten verschuldigde omzetbelasting.

  • 3.

    De kosten voor de aanleg van de perceelaanluitleiding, zoals bedoeld in het tweede lid, kunnen niet meer in rekening worden gebracht indien deze al op andere wijze op de rechthebbende worden /zijn verhaald.

Artikel 9: Uitvoering aanleg of wijziging van de perceelaanluitleiding

  • 1.

    De uitvoering van de aanleg of wijziging van de perceelaanluitleiding vindt niet plaats anders dan door of vanwege de gemeente.

  • 2.

    Nadat de gemeente de perceelaanluitleiding heeft aangelegd, voert de rechthebbende zelf de aansluiting van de particuliere afvoerleiding uit. Deze aansluiting mag slechts plaatsvinden, als de aan te sluiten particuliere afvoerleiding voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De rechthebbende onttrekt het aansluitpunt, na melding bij de gemeente dat de aansluiting is uitgevoerd, gedurende drie werkdagen niet aan het zicht.

  • 3.

    De aansluiting van de particuliere afvoerleiding op de perceelaanluitleiding vindt slechts plaats, als de aan te sluiten particuliere afvoerleiding tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van het Bouwbesluit en NTR 3216 of de Bouwverordening gemeente Drechterland te stellen eisen.

Afdeling IV: Beheer en onderhoud

Artikel 10: Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging

  • 1.

    Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de

    perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen.

  • 2.

    Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool of de IBA veroorzaken;

    • b.

      het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding, het openbaar riool of de IBA aantasten.

  • 3.

    De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij onomstotelijk vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool respectievelijk een oorzaak heeft in de IBA.

  • 4.

    Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelaansluitleiding ten gevolge van een wijziging van het openbaar riool of de IBA.

  • 5.

    Bij wijziging door de gemeente van de hoogteligging van het aansluitpunt dient de rechthebbende ervoor te zorgen dat het particulier riool hierop kan worden aangesloten op een zodanig wijze dat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden.

Artikel 11: Calamiteiten

  • 1.

    Bij een verstopping of een andere storing in de particuliere afvoerleiding graaft de rechthebbende zonodig de ontstoppingsvoorziening op en onderzoekt of het een verstopping of een storing betreft in de particuliere afvoerleiding of in de perceelaansluitleiding.

  • 2.

    Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool dan wel een oorzaak heeft in de IBA, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. Indien de rechthebbende of de gebruiker, zonder expliciete voorafgaande toestemming van de gemeente, zelf aan een derde opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden, komen de kosten daarvan voor rekening van die rechthebbende of gebruiker.

  • 3.

    Indien na het in lid 1 bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van een verstopping of storing in de particuliere afvoerleiding dient de rechthebbende deze verstopping of storing zelf te verhelpen.

  • 4.

    Bij het door de gemeente verrichten van de in lid 2 bedoelde werkzaamheden dient de rechthebbende of gebruiker, voordat met de werkzaamheden wordt gestart, tevoren schriftelijk akkoord te gaan met de voorwaarde dat de kosten van de werkzaamheden aan hem in rekening worden gebracht, indien blijkt dat deze kosten voor zijn rekening zijn.

Afdeling V: Zorgplicht

Artikel 12: Verwijderen aansluiting, sloop

  • 1.

    Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool of op een IBA aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan de particuliere afvoerleiding worden getroffen dat verzanding van het openbare riool respectievelijk de IBA en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen.

  • 2.

    Indien de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool respectievelijk de IBA af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende.

  • 3.

    Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd is de rechthebbende verplicht de gemeente hiervan in kennis te stellen.

  • 4.

    Indien het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, wordt de op de aansluitleiding betrekking hebbende vergunning ingetrokken, waarna het particulier riool op kosten van de rechthebbende door de gemeente wordt verwijderd.

Afdeling VI: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13: Overgangsrecht

  • 1.

    De “Verordening Aansluitvoorwaarden Riolering Gemeente Venhuizen 2004” vastgesteld bij raadsbesluit van 29 januari 2004, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14 genoemde datum. De aanvragen tot aansluiting of wijziging van een aansluiting vallen vanaf de datum genoemd in artikel 14 onder de bepalingen van deze Verordening Aansluitvoorwaarden Riolering Gemeente Drechterland 2007.

  • 2.

    Op aansluitingen die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften tot stand zijn gebracht, zijn de bepalingen van afdeling IV en afdeling V van deze verordening rechtstreeks van toepassing.

  • 3.

    Bij strijd van deze verordening met bepalingen in overeenkomsten gesloten tussen de gemeente en de rechthebbende, prevaleert het bepaalde in deze overeenkomsten.

Artikel 14: Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op die van haar bekendmaking.

Artikel 15: Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Rioolaansluitverordening Gemeente Drechterland 2007.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 juni 2007,

de griffier,

de voorzitter,

Toelichting rioolaansluitverordening gemeente Drechterland  

Inleiding

 

Inzameling en transport van afvalwater is een taak van de gemeente. Voor het uitvoeren van deze taak heeft de gemeente rioolstelsels aangelegd en zorgt de gemeente voor het beheer van deze stelsels.

Een aansluitverordening regelt de verhouding tussen de burger en de gemeente op het gebied van de aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel respectievelijk een IBA.

Het eenduidig vastleggen van voorwaarden in een rioolaansluitverordening over de wijze waarop kan worden aangesloten op het openbaar riool, een IBA, het drainagesysteem en het infiltratie- en transportsysteem, en de wijze waarop het beheer van de perceelaansluitleidingen wordt geregeld, heeft een aantal voordelen boven het privaatrechtelijk regelen van de aansluiting:

- Op deze wijze hoeft niet voor elk perceel apart een overeenkomst voor de

aansluiting te worden gesloten. Met een eenduidige regeling in een

rioolaansluitverordening bestaat voor alle partijen duidelijkheid over de wijze waarop de aansluiting is geregeld en wordt handhaving veel eenvoudiger. In een overeenkomst kan ter handhaving namelijk slechts een boetebeding worden opgenomen.

- Door het vaststellen van een publiekrechtelijke regeling wordt door de gemeente het risico vermeden dat in strijd wordt gehandeld met de in de jurisprudentie ontwikkelde 'twee-wegenleer'. Deze leer houdt kort gezegd in dat de overheid geen zaken privaatrechtelijk mag regelen als daarmee het publiekrecht op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.

- Door het vastleggen van de beheersverantwoordelijkheden in een aansluitverordening wordt de problematiek van de eigendom van een

perceelaansluitleiding omzeild. Hierdoor bestaat zowel bij de burger als bij de gemeente rechtszekerheid over het beheer van de perceelaansluitleiding.

- De rioolaansluitverordening biedt een duidelijke financiële grondslag voor zowel de uitvoering van de aansluiting als het beheer van de perceelaansluitleiding.

- Met de rioolaansluitverordening wordt voorzien in een uniforme regeling voor renovatie, vervanging, sloop en verwijdering van de perceelaansluitleiding. Dit komt ten goede aan het functioneren van het gemeentelijk rioolstelsel, IBA’s, het drainagesysteem, en het infiltratie- en transportsysteem.

 

De gemeente is bevoegd tot het vaststellen van een rioolaansluitverordening op grond van de algemene verordenende bevoegdheid van artikel 149 Gemeentewet.

 

De gemeentelijke rioolaansluitverordening

De rioolaansluitverordening regelt de verhouding tussen burgers en de gemeente op hetgebied van de aansluiting op het openbaar riool respectievelijk een IBA. In de rioolaansluitverordening worden voorwaarden gesteld aan de wijze waarop de aansluiting op het openbaar riool respectievelijk een IBA kan worden verkregen. Daarnaast wordt ook

geregeld wie verantwoordelijk is voor het beheer van de perceelaansluitleiding. Dit strekt tot voordeel van alle betrokken partijen, omdat er dan duidelijkheid bestaat over de verwachtingen die een rechthebbende en de gemeente van elkaar mogen hebben.

 

Uitgangspunt van de verordening is dat voor een nieuwe aansluiting op het openbaar rioolstelsel respectievelijk een IBA of een wijziging van de bestaande aansluiting, een vergunning is vereist. Het beleid van de provincie Noord-Holland (beleidsregels voor het verlenen van ontheffing van de zorgplicht riolering) moet in acht worden genomen als het gaat om een aansluiting op een IBA.

 

In de aansluitvergunning worden de voorwaarden gesteld waaronder de rechthebbende een aansluiting kan verkrijgen en mag gebruiken. Deze voorwaarden betreffen bij een vergunning voor een nieuwe of gewijzigde aansluiting allereerst de technische eisen waaraan de particuliere afvoerleiding moet voldoen. Deze eisen betreffen het leidingverloop

en de dimensionering, de hoogteligging van de aansluitleiding en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt. De eisen voor riolering sluiten aan bij de bouwtechnische eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan de inpandige riolering en de terreinriolering. Ook worden er nadere voorwaarden gesteld voor het geval er een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel, drukriolering of een IBA ligt. De voorwaarden kunnen ook een vermindering of afkoppeling van afvoer van regenwater afkomstig van verhard oppervlak bevatten ook als het ontvangende stelsel (verbeterd) gemengd is. Tenslotte kunnen op basis van de rioolaansluitverordening in de aansluitvergunning voorwaarden worden opgenomen over onderhoud, renovatie en vervanging van de aansluitleiding en beëindiging van het gebruik van de aansluiting.

 

In het systeem van de verordening is een keuze gemaakt voor een verdeling van het beheer van de aansluitleiding, waarmee problemen als gevolg van de verdeling van de eigendom van een aansluitleiding worden voorkomen. Dit betekent dat de gemeente en de rechthebbende elk verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van een deel van de

aansluitleiding. Artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat al hetgeen volgens de verkeersopvatting onderdeel van de zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak is. Dit betekent dat een zaak die met een hoofdzaak zodanig wordt verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat er een beschadiging van betekenis wordt

toegebracht aan één van die zaken, bestanddeel wordt van die hoofdzaak. Op basis van deze regel is niet goed te bepalen wie de eigendom van de huisaansluiting heeft. Echter, in artikel 5:20 sub e van het Burgerlijk Wetboek wordt bepaald dat eigendom van de grond gebouwen en werken omvat, die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover

ze geen bestanddeel zijn van een onroerende zaak van een ander.

 

De gemeente en de perceeleigenaar zijn op basis van de rioolaansluitverordening elk verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van een deel van de aansluitleiding. Het deel van de aansluitleiding vanaf het aansluitpunt naar het openbaar rioolstelsel respectievelijk de IBA wordt in de verordening de perceelaansluitleiding genoemd en staat onder beheersverantwoordelijkheid van de gemeente. Als nu bijvoorbeeld een verstopping is ontstaan in de particuliere afvoerleiding, dan moet

de rechthebbende op grond van de rioolaansluitverordening zelf en voor eigen rekening zorg dragen voor het verhelpen van het probleem. Is er een verstopping ontstaan in de perceelaansluitleiding, bijvoorbeeld door ingroeiende boomwortels of door een verzakking, dan draagt de gemeente zorg voor de reparatie. Ook de kosten van onderhoud, renovatie en vervanging van de perceelaansluitleiding zijn voor de gemeente. Hierop wordt echter in de verordening wel een uitzondering gemaakt. Als het

aannemelijk is dat de gemeente de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moet uitvoeren als gevolg van onjuist gebruik van de aansluitleiding, dan zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of voor rekening van de veroorzaker van de schade.

 

De aanleg van de perceelaansluitleiding geschiedt door de gemeente of door een namens de gemeente in te schakelen aannemer. De perceeleigenaar betaalt in beginsel de daadwerkelijke kosten van de aanleg. De kosten moeten worden aangemerkt als genotsretributies in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. Dit betekent dat niet meer in rekening mag worden gebracht dan de daadwerkelijke kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van een perceelaansluitleiding.

 

De verlening van de vergunning kan door de gemeente worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool respectievelijk de IBA of wijziging van die aansluiting vanwege technische juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is. In de verordening is geen uitputtende regeling opgenomen met betrekking tot de weigeringsgronden van de vergunning.

 

De rioolaansluitverordening van de gemeente Drechterland bestaat uit 15 artikelen, die zijn ondergebracht in VI afdelingen.

Afdeling II regelt de vergunning: een omschrijving van de vergunningsplicht, de aanvraag, de verlening en tot slot de gronden tot weigering. Tevens worden geregeld een aanhoudingsplicht.

Afdeling III regelt het tot stand brengen van de aansluiting. Hierin worden het verzoek tot aanleg of wijziging, de kosten en de uitvoering geregeld.

Afdeling IV verwoordt onderhoud.

Afdeling V beschrijft de verwijdering en sloop van de aansluiting.

Afdeling VI betreft de overgangs- en slotbepalingen.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In artikel 1 worden de begripsbepalingen gegeven. De begrippenlijst is tamelijk uitgebreid om te voorkomen dat onnodige discussie kan ontstaan over de betekenis van bepaalde begrippen. Voor de uitleg van de bepalingen in de rioolaansluitverordening en de voorschriften in een aansluitvergunning, gelden de definities van artikel 1. De

aansluitleiding is de benaming voor de gehele leiding vanaf de binnenriolering tot aan het openbaar riool respectievelijk de IBA. Deze aansluitleiding wordt volgens de definities vervolgens onderverdeeld in de particuliere afvoerleiding, het aansluitpunt en de perceelaansluitleiding. Omdat het aansluitpunt de scheidingslijn vormt tussen de

beheersverantwoordelijkheid van de gemeente en de beheersverantwoordelijkheid van de perceeleigenaar is het belangrijk dat een duidelijke definitie wordt gegeven van het aansluitpunt die ook goed past bij de situatie in de gemeente.

 

Het aansluitpunt vormt de scheidingslijn tussen de beheerverantwoordelijkheid van de gemeente en de beheerverantwoordelijkheid van de rechthebbende. In de gemeente

Drechterland zijn in ieder geval alle nieuwe en gewijzigde aansluitingen voorzien van een ontstoppingsvoorziening. De gemeente Drechterland legt de ontstoppingsvoorziening aan en draagt zorg voor het onderhoud van de ontstoppingsvoorziening. Omdat dit een geschikt punt is om de beheersverantwoordelijkheden tussen de gemeente en de particulier te scheiden, is de ontstoppingsvoorziening in artikel 1 aangewezen als het aansluitpunt. Om te voorkomen dat in het enkele geval dat er geen

ontstoppingsvoorziening aanwezig is, onduidelijkheid ontstaat over de plaats van het aansluitpunt, is voor deze gevallen het aansluitpunt gedefinieerd als het punt waar de aansluitleiding de perceelsgrens snijdt of betreft het een aangegeven maatvoering van de gemeentelijke voorziening zoals een IBA.

 

De rechthebbende is degene die een aansluitvergunning kan aanvragen. Als

rechthebbende wordt niet alleen aangemerkt de perceeleigenaar, maar ook de zakelijke gerechtigde van een aan te sluiten perceel. Ook de rechtsopvolgers van deze eigenaren of zakelijk gerechtigden worden aangemerkt als rechthebbende, zodat de vergunning geldig blijft in geval het perceel bijvoorbeeld wordt verkocht. Verder wordt een vereniging

van eigenaren als rechthebbende aangemerkt omdat bij appartementsgebouwen vaak maar één aansluitleiding aanwezig is voor het gehele gebouw. De vereniging van eigenaren wordt dan de vergunninghouder voor de betreffende aansluiting en zal vervolgens met de leden moeten regelen hoe binnen het gebouw met verstoppingen en

storingen wordt omgegaan. Dit geldt ook voor de rechthebbende die zijn eigendom verhuurt. Hij dient er zelf voor te zorgen dat de huurder de voorschriften van de aansluitvergunning naleeft. Dit laatste geldt ook als de verhuurder een woningbouwvereniging is. Deze is degene die wordt aangemerkt als de rechthebbende in de zin van de verordening, degene die een aansluitvergunning kan aanvragen. De woningbouwvereniging zal met de huurders onderling afspraken kunnen maken omtrent het gebruik van de aansluiting, maar de woningbouwvereniging is als rechthebbende

(vergunninghouder) het aanspreekpunt in relatie tot de gemeente. De huurders van de woningbouwvereniging zijn de gebruikers in de zin van de verordening.

 

In de verordening is opgenomen, dat de kosten voor de aanleg van de perceelaansluiting wordt bepaald aan de hand de daadwerkelijk te maken kosten. In beginsel stelt de raad hoogte van de kosten vast, net zoals de raad de verordening vaststelt. Reeds hiervoor is aangegeven, dat de gevraagde (kosten)bijdrage moet worden gezien als een genotsretributie in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. Op grond van artikel 156,

tweede lid, sub f van de Gemeentewet is het mogelijk dat de raad de bevoegdheid tot het heffen van deze rechten (genotsretributies) overdraagt aan het college. Het is wel van belang, dat de kosten regelmatig wordt getoetst op actualiteit,. De kosten van de aanleg van riolering zullen immers in de loop der jaren kunnen veranderen. Wel moet altijd bedacht worden dat wat in rekening wordt gebracht niet hoger is dan de werkelijk gemaakte kosten.

 

Artikel 2 Vergunningplicht

In artikel 2 wordt bepaald dat aansluiting van een particuliere afvoerleiding op de openbare riolering respectievelijk een IBA of wijziging van een dergelijke aansluiting, verboden is zonder vergunning. De vergunning geldt ook voor het in stand houden van een aansluiting. De voor het in werking treden van de rioolaansluitverordening al bestaande aansluitingen vallen uitdrukkelijk niet onder de vergunningplicht om te voorkomen dat voor alle bestaande situaties bij het in werking treden van de verordening een vergunning moet worden afgegeven. Zie hiervoor artikel 12 inzake het

overgangsrecht.

 

Een vergunning is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure die in die wet is beschreven is op de vergunningverlening van toepassing. Dit wordt ook in de toelichting bij artikel 5 van de rioolaansluitverordening beschreven.

 

In de vergunning kunnen een aantal voorschriften worden opgenomen over de particuliere afvoerleiding zoals die aanwezig moet zijn op het moment dat de aansluiting tot stand gebracht wordt. Daarnaast kunnen de voor de rechthebbende geldende regels uit de verordening met betrekking tot het onderhoud, de renovatie, vervanging en sloop, in de vergunning worden vermeld. Eisen aan de kwantiteit van het proceswater en regenwater kunnen worden gesteld. Echter, omdat op basis van artikel 10.33 Wet

milieubeheer de gemeente de plicht heeft om afvalwater doelmatig in te zamelen en af te voeren, zit aan het stellen van voorschriften aan de kwantiteit beperkingen. Zie ook hetgeen in de toelichting bij artikel 4 is opgemerkt.

 

In lid 2 wordt aangegeven dat burgemeester en wethouders alleen aansluitvergunningen verlenen voor aansluitingen die overeenstemmen met het openbaar riool ter plaatse. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen vergunning kan worden verkregen voor de gemengde afvoer van hemelwater en het overige afvalwater als ter plaatse een gescheiden stelsel

ligt. Met deze bepaling in lid 2 is een duidelijke basis gelegd voor handhavend optreden. Immers, iemand die bijvoorbeeld een aansluiting heeft op de drukriolering of een IBA en daar later een leiding voor de afvoer van hemelwater op aansluit, handelt in strijd met de vergunningplicht. Overigens biedt de verordening geen basis voor handhavend optreden

voor situaties die al bestaan op het moment dat de verordening in werking treedt. Voor deze gevallen moet de gemeente bij handhaving terugvallen op de Wet milieubeheer.

 

Op basis van artikel 14 van de woningwet kan de gemeente een aanschrijving doen. Indien niet wordt voldaan aan de last van de gemeente om bepaalde voorzieningen te treffen teneinde de aansluitverplichting te voldoen, dan zal de gemeente bestuursdwang kunnen toepassen of een dwangsom op kunnen leggen. Dit onderwerp is in jurisprudentie verder uitgewerkt. In artikel 125 Gemeentewet is de handhavende bevoegdheid van de gemeente neergelegd. De algemene regels omtrent het toepassen

van bestuursdwang en het opleggen van een dwangsom zijn te vinden in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

De gemeente kan bij de handhaving van de rioolaansluitverordening niet overgaan tot het afsluiten van een aansluitleiding als dit tot gevolg heeft dat de rechthebbende niet meer in staat is zijn afvalwater van het perceel af te voeren. De gemeente zou dan in strijd handelen met haar inzamelplicht van artikel 10.33 Wet milieubeheer. In plaats van op deze wijze bestuursdwang toepassen, zou in deze gevallen het opleggen van een dwangsom uitkomst kunnen bieden.

 

In lid 3 wordt gesteld dat meerdere aansluitingen in één vergunning kunnen worden opgenomen. In combinatie met lid 1 heeft dit tot gevolg dat bij wijziging van één van deze aansluitingen opnieuw een vergunning moet worden aangevraagd. In dat geval kan natuurlijk het grootste deel van de oude vergunning worden overgenomen, en hoeft slechts het deel over de te wijzigen aansluiting te worden herzien.

 

Als de vergunning is verleend kan de rechthebbende een verzoek doen aan

burgemeester en wethouders om de perceelaansluitleiding aan te leggen zodat de rechthebbende hierop kan aansluiten (zie artikel 7). Om te voorkomen dat de gemeente aansluitvergunningen verleent voor percelen waar uiteindelijk geen aansluiting tot stand wordt gebracht, kunnen burgemeester en wethouders indien een jaar na de vergunningverlening

nog geen verzoek is gedaan tot aansluiting, de vergunning intrekken.

Omdat net als een vergunningverlening de intrekking is aan te merken als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechthebbende in de gelegenheid te worden gesteld toe te lichten waarom nog niet is verzocht tot aansluiting en moet de intrekking worden voorzien van een deugdelijke motivering.

 

Artikel 3 De vergunningaanvraag

Artikel 3 bepaalt dat de vergunning moet worden aangevraagd door de rechthebbende. Om dit te vereenvoudigen, moet de aanvraag worden gedaan met een daartoe bestemd formulier. Bij de rioolaansluitverordening is een formulier voor een aansluiting voor huishoudelijk afvalwater danwel voor bedrijfsafvalwater bijgevoegd. Eveneens is het mogelijk een vergunning te vragen voor de aansluiting op een IBA.

 

In het tweede lid is vastgelegd waaraan de aanvraag moet voldoen. Omdat het mogelijk is dat de gevraagde gegevens die nodig zijn om een aansluiting goed tot stand te brengen, al zijn vastgelegd in een bouwvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, kan de aanvrager in dat geval volstaan met een kopie van deze gegevens.

 

Op grond van lid 4 krijgt de aanvrager, na daarover geïnformeerd te zijn, nog vier weken de tijd om de gegevens aan te vullen indien de overlegde gegevens incompleet zijn. Als na het verstrijken van die periode de gegevens nog steeds onvolledig zijn of opnieuw een onvolledige aanvraag wordt ingediend, kunnen burgemeester en wethouders op basis van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besluiten de

aanvraag niet te behandelen.

 

Artikel 4 Weigering van de aansluitvergunning

In artikel 4 is vastgelegd op welke gronden de vergunning geweigerd kan worden. In lid 1 is aangegeven dat het moet gaan om technische, juridische of milieuhygiënische weigeringsgronden. Dit houdt in ieder geval in dat geen strijdigheid mag bestaan met geldende wet- en regelgeving.

 

In lid 2 worden voorbeelden gegeven van mogelijke weigeringsgronden voor aansluiting op de openbare riolering respectievelijk een IBA. Sub a over de hoogteligging is bijvoorbeeld een technische weigeringsgrond, sub d betreft de relatie met geldende milieuwetgeving en andere wet- en regelgeving waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en sub f over de lozing van niet verontreinigd drainagewater is een

milieuhygiënische grond en sub h over de verlening van andere vergunningen een juridische grond.

De genoemde weigeringsgronden zijn niet uitputtend bedoeld en moeten worden gezien als ondersteuning van de motivatie om een vergunning te weigeren.

 

Omdat de gemeente op basis van artikel 10.33 van de Wet milieubeheer de plicht heeft om afvalwater doelmatig in te zamelen en af te voeren, kan een vergunning voor een aansluiting voor de afvoer van afvalwater eigenlijk niet worden geweigerd vanwege capaciteitsgebrek in het openbaar riool. In ieder geval zal de gemeente dan voor een oplossing moeten zorgen. Als er bijvoorbeeld sprake is van een capaciteitsgebrek dat niet direct is op te lossen, kan de gemeente de aansluitvergunning weigeren, maar tegelijkertijd moet er dan wel voor een andere oplossing worden gezorgd. In veel gevallen zal er slechts sprake zijn van een capaciteitsgebrek als het gaat om omvangrijke lozingen van bedrijven die ook vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer. In de Wm-vergunning kunnen dan eisen worden gesteld aan voorzieningen in het bedrijf om bijvoorbeeld piekafvoeren te voorkomen. De gemeente moet immers zorg dragen voor een doelmatige inzameling en transport, dus aan die doelmatigheid mogen zeker eisen worden gesteld. In deze gevallen is wel van groot belang dat er coördinatie plaats vindt met de afgifte van de Wm-vergunning.doelmatige inzameling en transport, dus aan die doelmatigheid mogen zeker eisen worden gesteld. In deze gevallen is wel van groot belang dat er coördinatie plaats vindt met de afgifte van de Wm-vergunning.

 

Artikel 5 Verlening van de aansluitvergunning

Burgemeester en wethouders moeten op grond van artikel 5 lid 1 binnen 8 weken beslissen op de aanvraag. Deze termijn moet voldoende zijn om een aanvraag voor een aansluitvergunning af te werken, en komt overeen met die welke in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht als redelijk wordt aangemerkt in geval er geen termijn is bepaald. Indien binnen deze termijn geen beslissing op de aanvraag wordt genomen zonder opgaaf van redenen zoals het ontbreken van gegevens om de aanvraag te behandelen of het aanhouden van de aanvraag zoals net genoemd, kan

de aanvrager op grond van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht gebruik maken van de bezwaarschriftenprocedure. In geval de rechthebbende voor het betreffende perceel ook nog een aanvraag voor een bouwvergunning of een Wet milieubeheer vergunning heeft lopen, wordt de aanvraag voor de aansluitvergunning aangehouden totdat deze vergunningen zijn verleend. Een weigering van de bouwvergunning of de

Wm-vergunning vormt een directe weigeringsgrond voor de aansluitvergunning. Deze weigeringsgrond is opgenomen in artikel 4.

 

Artikel 6 Hardheidsclausule

Om te voorkomen dat toepassing van de bepalingen omtrent het verlenen van de aansluitvergunning in een concreet geval zou leiden tot een beslissing in strijd met de redelijkheid en billijkheid, is in artikel 6 een hardheidsclausule opgenomen. Via de hardheidsclausule is de mogelijkheid opengelaten om in incidentele gevallen van het bepaalde in afdeling II van deze verordening af te wijken. Er dienen zodanige omstandigheden aanwezig te zijn dat toepassing van de bepalingen betreffende het

verlenen van de aansluitvergunning tot pertinente onbillijkheden leiden.

 

Artikel 7 Het verzoek tot de aanleg of wijziging perceelaansluitleiding

In artikel 7 is vastgelegd hoe de rechthebbende na het verkrijgen van de vergunning een verzoek kan doen tot aansluiting op het openbaar leidingenstelsel danwel op een IBA. Na het indienen van een verzoek dient de gemeente binnen vier weken een afspraak te maken om de werkzaamheden uit te voeren.

 

Artikel 8 Kosten van de aansluiting

Het bedrag dat de rechthebbende voor de (aanleg van de) aansluiting dient te betalen, moet worden aangemerkt als een recht dat wordt geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (art. 229, eerste lid, sub b, van de Gemeentewet). Dit betekent dat het in rekening gebrachte bedrag niet hoger mag zijn dan de kosten die de gemeente in werkelijkheid moet maken. De “Verordening Aansluitvoorwaarden Riolering Gemeente venhuizen 2004” van de gemeente Venhuizen wordt ingetrokken. Het recht ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het tot stand brengen van een directe of indirecte aansluiting van een eigendom op de gemeentelijke riolering zal voortaan worden geregeld via een tarievenlijst. Voor de kosten van een aansluiting op een IBA zal door de gemeente tevens het beleid van de provincie Noord-Holland in acht moeten worden genomen.

 

De kosten voor de aanleg van de perceelaansluitleiding zullen moeten worden voldaan op het moment dat door de rechthebbende aan de gemeente het concrete verzoek wordt gedaan om een zodanige leiding aan te leggen. Wat de kosten zijn voor die leiding, blijkt uit de tarievenlijst. De rechthebbende dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met de

verschuldigde kosten voor de aanleg van de perceelaansluitleiding.

 

Artikel 9 Uitvoering aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding

In artikel 9 wordt bepaald dat de aanleg van de perceelaansluitleiding geschiedt door of vanwege de gemeente. Omdat de gemeente er onder andere in verband met het ontwijken van kabels en leidingen ook voor kan kiezen dat eerst de perceelaansluitleiding moet worden aangelegd en daarna pas het particulier riool, is in lid 2 de mogelijkheid opgenomen om van lid 1 af te wijken. Na overleg met de rechthebbende, kan in de

aansluitvergunning worden vastgelegd dat de rechthebbende de aansluiting zelf uitvoert. Om te kunnen controleren of deze aansluiting deugdelijk tot stand is gebracht, moet de rechthebbende melden dat hij de aansluiting heeft uitgevoerd, waarna het aansluitpunt nog drie werkdagen in het zicht moet blijven. Het is raadzaam dit naast de andere voorwaarden duidelijk in de vergunning vast te leggen, waarbij dan ook de verplichting wordt opgelegd het gat in de grond rond het aansluitpunt goed af te zetten. Lid 3 geeft aan dat een aansluiting niet plaats vindt als het particulier riool niet voldoet aan de daaraan te stellen bouwtechnische eisen. Deze bepaling moet worden gezien als een zogenaamde vangnet bepaling. In de meeste gevallen zal op basis van de eisen die zijn gesteld in een bouwvergunning al een particulier riool aanwezig zijn dat voldoet aan de eisen. Daarnaast is een particulier riool dat niet goed is aangelegd ook een grond om de

aansluitvergunning te weigeren. Alleen in geval toch al een aansluitvergunning is verleend en nadien bijvoorbeeld het particulier riool nog is verlegd of beschadigd, kan op basis van artikel 9 lid 3 toch worden afgezien van aansluiting.

 

Artikel 10 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging

Artikel 10 geeft nadere regels over het onderhoud, de renovatie en vervanging van de aansluitleiding. De gemeente verricht op haar eigen kosten de onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan de perceelaansluitleiding, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd ten

gevolge van een onjuist gebruik van de aansluitleiding door de rechthebbende of de gebruiker. In dat geval komen de kosten voor rekening van de rechthebbende. De rechthebbende moet zorgen dat de door hem gebruikte aansluiting vrij blijft van aanslag, slib, en dergelijke, waardoor op den duur de leiding verstopt kan raken. De rechthebbende

is zelf verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de particuliere

afvoerleiding, tenzij aannemelijk is dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door terugstroming van afvalwater uit het openbaar riool respectievelijk de IBA.

 

Artikel 11 Calamiteiten

In artikel 11 is een calamiteitenregeling opgenomen om te voorkomen dat voor elk probleem de gemeente erbij wordt geroepen. Om te voorkomen dat de rechthebbende of de gebruiker voor iedere storing of verstopping meteen de gemeente belt, is in lid 1 de regel opgenomen dat in geval van storing of verstopping de rechthebbende eerst moet vaststellen waar de storing zich in de aansluitleiding bevindt. Als hij geconstateerd heeft

dat de storing in de perceelaansluitleiding zit, kan hij de gemeente laten komen om de storing of verstopping op te heffen. Het is van belang deze voorwaarde op te nemen in de aansluitvergunning, met het nummer van de gemeente waar de storing gemeld kan worden. Het storingsnummer is 0228 - 352345.

 

Lid 3 stelt daarom in aanvulling op artikel 10 uitdrukkelijk dat de rechthebbende zelf verantwoordelijk is voor het verhelpen van verstoppingen in de particuliere afvoerleidingen. Dit betekent dat de rechthebbende indien hij het pand bijvoorbeeld verhuurt, bij calamiteiten voor de gebruiker van de aansluitleidingen het aanspreekpunt is.

 

De overige leden van artikel 11 geven vervolgens een regeling voor het geval toch de hulp wordt ingeroepen van de gemeente, omdat wordt vermoed dat het een storing betreft waarvoor de gemeente op basis van artikel 11 verantwoordelijk is. Om te voorkomen dat onnodig beroep wordt gedaan op de gemeente en om te voorkomen dat er problemen ontstaan met het verhaal van de kosten als blijkt dat deze toch voor rekening van de rechthebbende moeten komen, dient de rechthebbende voordat met het

verhelpen van de storing wordt gestart, akkoord te gaan met de voorwaarde dat de kosten voor de werkzaamheden aan hem in rekening worden gebracht, indien blijkt dat de kosten als bedoeld in artikel 10 voor zijn rekening zijn, aldus artikel 11, vierde lid. Deze akkoordverklaring dient schriftelijk te geschieden.

 

Artikel 12 Verwijdering aansluiting, sloop

In artikel 12 zijn bepalingen opgenomen over de zorg die betracht moet worden bij werkzaamheden die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool of een IBA. In lid 4 is vastgelegd dat bij definitieve beëindiging van het gebruik van een aansluitleiding, de aansluitvergunning wordt ingetrokken en de leiding wordt verwijderd. Aan de gemeente is de keuze gelaten om te bepalen of de gehele aansluitleiding dient te worden verwijderd of dat slechts de particuliere afvoerleiding zal moeten worden verwijderd, waarbij de perceelaansluitleiding wel behouden blijft.

 

Er wordt gesproken van een “definitieve” beëindiging van het gebruik, waarmee gedoeld wordt op het gebruik van de leiding door het gebouw dat thans op de leiding is aangesloten. In het licht van de plicht van de gemeente om te zorgen voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater kan het namelijk gewenst zijn, dat de perceelaansluitleiding behouden blijft, bijvoorbeeld omdat in de nabije toekomst weer gebruik gemaakt zal gaan worden van de perceelaansluitleiding. Zeker als het gaat om beëindiging van het gebruik vanwege sloop en herbouw van de bestaande bouw zal het beter kunnen zijn om te bepalen dat slechts de particuliere afvoerleiding dient te worden

verwijderd.

Indien besloten wordt ook de perceelaansluitleiding te verwijderen, kunnen deze kosten voor rekening van de rechthebbende komen.

 

Artikel 13 Overgangsrecht

Omdat met het van kracht worden van de rioolaansluitverordening juridisch een nieuwe situatie ontstaat, zijn in artikel 13 een aantal overgangsbepalingen opgenomen. Aanvragen tot aansluiting of wijziging van een aansluiting die na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening nog in behandeling moeten worden genomen, worden behandeld volgens de regeling in de nieuwe verordening. De “Verordening Aansluitvoorwaarden

Riolering Gemeente venhuizen 2004” wordt ingetrokken.

 

In lid 2 zijn op alle reeds bestaande aansluitingen de bepalingen met betrekking tot het beheer en onderhoud en de zorgplicht bij verwijdering en sloop van toepassing verklaard. Uiteraard mag deze toepassing geen strijd opleveren met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij wijziging van een bestaande aansluiting bestaat uiteraard de plicht om daarvoor een aansluitvergunning te verkrijgen. Omdat het denkbaar is dat voor het tot stand brengen van aansluitingen op het openbaar riool in het verleden met perceeleigenaren overeenkomsten zijn gesloten waarin afspraken zijn

gemaakt die strijd opleveren met de aansluitverordening, is in lid 3 vastgelegd dat in dergelijke situaties de bepalingen van de overeenkomst prevaleren. Het zou immers in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel als deze afspraken zomaar opzij worden gezet.