<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR34021_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening stedelijke vernieuwing</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-07-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">de Peperbus, 19-05-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening stedelijke vernieuwing</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 1-2010.062</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Toetsingscriteria voor ingrijpende verbeteringen aan woningen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wanneer kunt u subsidie aanvragen voor het verbeteren van bepaalde gebouwen?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieverordening stedelijke vernieuwing</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Subsidieverordening stedelijke vernieuwing</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1.1 Begripsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet stedelijke vernieuwing (Stb. 2000, 504);</al></li><li nr="2."><al>subsidiebudget: een bedrag dat volgens artikel 3 in enig
                                        kalenderjaar voor een bepaald subsidiedoel wordt
                                        gereserveerd;</al></li><li nr="3."><al>woning: gebouwd onroerend goed dat bestemd en geschikt is om
                                        gedurende het gehele jaar te worden bewoond. Daar waar in
                                        deze verordening wordt gesproken over een woning, wordt
                                        tevens bedoeld een woonwagen of een woonschip.</al></li><li nr="4."><al>woonschip: schip dat bestemd en geschikt is om gedurende het
                                        gehele jaar te worden bewoond en gelegen op een plaats
                                        waarvoor een ligplaatsvergunning is afgegeven;</al></li><li nr="5."><al>woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst
                                        op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan
                                        worden verplaatst;</al></li><li nr="6."><al>standplaats: een kavel bestemd voor het plaatsen van een
                                        woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                        leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
                                        instellingen of van gemeenten kunnen worden
                                        aangesloten;</al></li><li nr="7."><al>gemeentelijke monument: een object, dat overeenkomstig de
                                        bepalingen van de Erfgoedverordening 2010 op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst is geplaatst;</al></li><li nr="8."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn vermeld
                                        de overeenkomstig de Erfgoedverordening 2010 door de
                                        gemeente beschermde monumenten;</al></li><li nr="9."><al>opplussen: het aanpassen van een bestaande woning of een
                                        gemeenschappelijke ruimte, waardoor deze geschikt is voor
                                        ouderen en licht gehandicapten en voldoet aan het
                                        oppluslabel van de Stuurgroep Experimenten
                                        Volkshuisvesting;</al></li><li nr="10."><al>complexgewijze aanpak: van een complexgewijze aanpak is
                                        sprake indien 2 of meer woningen tegelijk of in één
                                        bouwstroom worden verbeterd;</al></li><li nr="11."><al>pand: een bedrijfspand of woning;</al></li><li nr="12."><al>inkomen: het gecorrigeerde verzamelinkomen of gecorrigeerde
                                        belastbare loon als bedoeld in artikel 1A van de Wet
                                        bevordering eigenwoningbezit;</al></li><li nr="13."><al>huurprijs: de rekenhuur als bedoeld in de Huursubsidiewet,
                                        artikel 5;</al></li><li nr="14."><al>aftoppingsgrens: het bedrag genoemd in de Huursubsidiewet,
                                        artikel 20, tweede lid, onder a (red: per 1 juli 2006: €
                                        485,33);</al></li><li nr="15."><al>gemeenschappelijke ruimte: het totaal van ruimten in een
                                        woongebouw, dat dient om de woningen in dat woongebouw en de
                                        bij de woningen behorende bergruimten te ontsluiten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1.2 Subsidiedoelen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Subsidiedoelen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>op grond van hoofdstuk 2 van deze verordening kan een
                                        bijdrage worden verstrekt ter tegemoetkoming in de kosten
                                        van het treffen van voorzieningen tot het opheffen van
                                        technische gebreken aan een woning;</al></li><li nr="2."><al>op grond van hoofdstuk 3 van deze verordening kan een
                                        bijdrage worden verstrekt ter tegemoetkoming in de kosten
                                        van het treffen van voorzieningen tot herstel en
                                        instandhouding van de monumentale kenmerken en waarden van
                                        het gemeentelijke monument;</al></li><li nr="3."><al>op grond van hoofdstuk 4 van deze verordening kan een
                                        bijdrage worden verstrekt ter tegemoetkoming in de
                                        onderhoudskosten van een gemeentelijk monument;</al></li><li nr="4."><al>op grond van hoofdstuk 5 van deze verordening kan een
                                        bijdrage worden verstrekt voor het opplussen van
                                        woningen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1.3 Vaststelling van subsidiebudgetten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3 Subsidiebudgetten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt jaarlijks een subsidiebudget vast voor de
                                        verstrekking van de subsidies die zijn opgenomen in deze
                                        verordening. Dit vastgestelde subsidiebudget geldt als
                                        subsidieplafond.</al></li><li nr="2."><al>De raad kan het vast te stellen subsidiebudget onderverdelen
                                        in meerdere deelsubsidiebudgetten. Deze
                                        deelsubsidiebudgetten worden elk afzonderlijk als een
                                        subsidieplafond aangemerkt.</al></li><li nr="3."><al>De raad kan met het oog op de realisering van het Meerjaren
                                        Ontwikkelingsprogramma een subsidiebudget als bedoeld in het
                                        eerste of tweede lid wijzigen of voor een andere activiteit
                                        van stedelijke vernieuwing bestemmen.</al></li><li nr="4."><al>De raad kan voorts besluiten het gehele subsidiebudget of de
                                        deelsubsidiebudgetten te wijzigen als de minister voor enig
                                        jaar het budget voor stedelijke vernieuwing voor de gemeente
                                        Zwolle wijzigt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1.4 Algemene procedure voor subsidiëring</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4 Toepassingsbereik</label></kop><al>De algemene bepalingen uit deze paragraaf zijn van toepassing,
                                tenzij in de hoofdstukken 2 tot en met 5 in de aanvullende
                                bepalingen op de subsidies hiervan uitdrukkelijk wordt
                                afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Aanvraag om subsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager vraagt subsidie aan met behulp van een door het
                                        college van burgemeester en wethouders vastgesteld en
                                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid gaat,
                                        voor zover van toepassing, vergezeld van de volgende
                                        gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de te treffen
                                                voorzieningen,</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de woningen, wooneenheden of overige
                                                objecten waarop de aanvraag project betrekking
                                                heeft;</al></li><li nr="c."><al>een gespecificeerde opgave van de geraamde kosten,
                                                waarbij onderscheid is gemaakt in materiaalkosten en
                                                arbeidskosten.</al></li><li nr="d."><al>indien het een aanvraag op grond van artikel 27
                                                betreft: de huurprijs van de betreffende woning</al></li><li nr="e."><al>indien het een aanvraag op grond van artikel 28
                                                betreft: een opgave van de appartementen die op het
                                                moment van gereedmelden naar verwachting zullen
                                                voldoen aan de eisen die gesteld zijn in artikel 29,
                                                lid 1 en een opgave van de appartementen waarvan op
                                                het moment van aanvragen ofwel de huurprijs lager is
                                                dan de aftoppingsgrens ofwel de WOZ-waarde lager is
                                                dan het bedrag genoemd in de Wet Bevordering Eigen
                                                Woningbezit, artikel 15, lid 1 onder a.</al></li><li nr="f."><al>overige naar het oordeel van het college van
                                                burgemeester en wethouders noodzakelijke gegevens
                                                voor de beoordeling van de subsidieaanvraag;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders bevestigt binnen
                                        2 weken de ontvangst van de aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Verlenen en weigeren van subsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist op een
                                        aanvraag binnen 13 weken na ontvangst ervan.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de in het
                                        vorige lid genoemde termijn, met redenen omkleed, eenmalig
                                        met 13 weken verlengen.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent in ieder
                                        geval geen subsidie indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak van het treffen van voorzieningen naar
                                                zijn oordeel niet is aangetoond;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen naar zijn oordeel
                                                onvoldoende doelmatig is;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van de werkzaamheden naar zijn oordeel
                                                niet in redelijke verhouding staan tot het te
                                                verkrijgen resultaat;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag in strijd is met het bij of krachtens
                                                deze verordening gestelde;</al></li><li nr="e."><al>op het pand waaraan de voorzieningen worden
                                                getroffen een aanschrijving op grond van de
                                                Woningwet, artikel 14, rust tot het aanpakken van
                                                strijdigheden met de bouwregelgeving;</al></li><li nr="f."><al>voor het treffen van de voorzieningen een vergunning
                                                ex artikel 11 van de Erfgoedverordening 2010
                                                benodigd is en deze (nog) niet is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college van burgemeester en wethouders zal de
                                        subsidieverlening voorts in ieder geval weigeren, indien
                                        reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden zonder zijn
                                        toestemming.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ingediende aanvragen om subsidieverlening het
                                        subsidiebudget overschrijden, vindt subsidieverlening plaats
                                        op volgorde van de datum dat de subsidieaanvraag volledig
                                        was. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Verplichtingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders verbindt aan
                                        subsidieverlening in ieder geval de volgende
                                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de door het college van burgemeester en
                                                wethouders met controle belaste personen op de door
                                                die personen te bepalen tijdstippen wordt toegang
                                                verleend tot het pand of gemeentelijk monument;</al></li><li nr="b."><al>inzage wordt verleend in de op het treffen van de
                                                maatregelen betrekking hebbende bescheiden en
                                                tekeningen;</al></li><li nr="c."><al>de op het treffen van de maatregelen betrekking
                                                hebbende gegevens worden verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>gelegenheid wordt gegeven tot het controleren van de
                                                op het treffen van de maatregelen betrekking
                                                hebbende gegevens;</al></li><li nr="e."><al>de bescheiden en gegevens die nodig zijn voor de
                                                juiste toepassing van deze verordening worden
                                                verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de
                                        subsidieontvanger bij de subsidieverlening nadere
                                        verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van
                                        het doel van de subsidie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 De gereedmelding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieaanvrager meldt de werkzaamheden, waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft, zo spoedig mogelijk na voltooiing
                                        van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen één jaar na
                                        verlening van de subsidie gereed bij het college van
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan op aanvraag
                                        de in het eerste lid genoemde termijn met maximaal één jaar
                                        verlengen.</al></li><li nr="3."><al>De gereedmelding is tevens een aanvraag om vaststelling van
                                        de subsidie en geschiedt op een door het college van
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld, ingevuld,
                                        gereedmeldingsformulier.</al></li><li nr="4."><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid gaat
                                        vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een verklaring van de subsidieaanvrager dat bij het
                                                realiseren van de voorzieningen is voldaan aan de
                                                opgelegde verplichtingen;</al></li><li nr="b."><al>een gespecificeerde opgave van de gerealiseerde
                                                subsidiabele kosten van het project met daarop
                                                betrekking hebbende rekeningen en
                                                betaalbewijzen;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van de dag waarop het project is
                                                gereedgekomen;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college van burgemeester en wethouders bevestigt binnen
                                        drie weken de ontvangst van de gereedmelding.</al></li><li nr="6."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan als
                                        verplichting bij de subsidieverlening een procedure van
                                        gereedmelding van toepassing verklaren die afwijkt van het
                                        eerste lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 De vaststelling van de subsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen dertien weken na ontvangst van de gereedmelding neemt
                                        het college van burgemeester en wethouders een besluit tot
                                        vaststelling en uitbetaling van de subsidie.</al></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de subsidie
                                        in ieder geval lager vaststellen dan het bedrag uit de
                                        subsidieverlening indien de aanvrager het bij of krachtens
                                        deze verordening gestelde niet heeft nageleefd.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de in het
                                        eerste lid genoemde termijn eenmalig met acht weken
                                        verlengen. Een dergelijke verlenging wordt door het college
                                        van burgemeester en wethouders meegedeeld aan de
                                        subsidieaanvrager.</al></li><li nr="4."><al>Subsidievaststelling vindt plaats op basis van de door het
                                        college van burgemeester en wethouders goedgekeurde
                                        werkelijke kosten met als maximum het bij de
                                        subsidieverlening toegekende bedrag.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Ingrijpende verbetering van woningen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.1 Toepassingsbereik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Toepassingsbereik</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van
                                ingrijpende verbetering van een woning, mits:</al><lijst><li nr="1."><al>de woning minimaal 30 jaar oud is,</al></li><li nr="2."><al>in de periode van tien jaar voorafgaand aan de
                                        subsidieaanvraag geen subsidie is verleend op grond van
                                        hoofdstuk 2 van deze verordening of Hoofdstuk IV van de
                                        Subsidieverordening Stadsvernieuwing zoals die luidde tot 1
                                        januari 2004, </al></li><li nr="3."><al>de woning door de eigenaar bewoond wordt, en</al></li><li nr="4."><al>de woning ligt in een door het college van burgemeester en
                                        wethouders aangewezen gedeelte van de gemeente.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.2 Subsidievoorwaarden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Minimaal niveau subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend indien de subsidiabele kosten als
                                bedoeld in artikel 13 meer bedragen dan € 4.000,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Toetsingscriteria voor subsidieverlening</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend indien voldaan wordt aan de door het
                                college van burgemeester en wethouders vast te stellen
                                Toetsingscriteria ingrijpende verbetering woningen”.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Subsidie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 13 Subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidiabele kosten zijn de kosten van het treffen van
                                voorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanneemsom voor het treffen van de noodzakelijke
                                        voorzieningen</al></li><li nr="2."><al>de risicoverrekening voor loon- en
                                        materiaalprijsstijgingen</al></li><li nr="3."><al>het honorarium van de architect en de constructeur, de
                                        kosten van het dagelijks toezicht en de
                                        aanbestedingskosten</al></li><li nr="4."><al>de kosten van een bouwkundige inspectie en/of bouwhistorisch
                                        onderzoek</al></li><li nr="5."><al>de leges voor een bouwvergunning en/of
                                        monumentenvergunning</al></li><li nr="6."><al>de verschuldigde en niet-verrekenbare omzetbelasting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Hoogte subsidie</label></kop><al>De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in
                                artikel 13 met een maximum subsidiebedrag van € 10.000,-- .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Toeslag op subsidie in verband met complexgewijze aanpak</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 14 bedraagt het
                                subsidiepercentage 50% en is het maximumsubsidiebedrag € 12.500,--,
                                indien de ingrijpende verbetering complexgewijs wordt aangepakt en
                                de subsidieaanvragen voor de afzonderlijke woningen binnen een
                                tijdsbestek van twee weken na elkaar bij de gemeente zijn
                                ingediend.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Ingrijpende verbetering van gemeentelijke monumenten</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.1 Toepassingsbereik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Toepassingsbereik</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van
                                ingrijpende verbetering van een gemeentelijk monument, mits:</al><lijst><li nr="1."><al>in de periode van tien jaar voorafgaand aan de
                                        subsidieaanvraag geen subsidie is verleend op grond van
                                        hoofdstuk 2 van deze verordening of Hoofdstuk IV van de
                                        Subsidieverordening Stadsvernieuwing zoals die luidde tot 1
                                        januari 2004, </al></li><li nr="2."><al>het pand in eigendom is van een natuurlijke persoon, en</al></li><li nr="3."><al>de ingrijpende verbetering betrekking heeft op de
                                        monumentale onderdelen van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.2 Subsidievoorwaarden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 17 Minimaal niveau subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend indien de subsidiabele kosten als
                                bedoeld in artikel 19 meer bedragen dan € 4.000,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Toetsingscriteria voor subsidieverlening</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend indien op grond van de aanvraag
                                verwacht mag worden dat na ingrijpende verbetering de zichtgevel van
                                het pand geen technische gebreken kent, voldoet aan redelijke eisen
                                van welstand, monumentale onderdelen van het pand op sobere en
                                doelmatige wijze zijn hersteld of geconserveerd en hierbij de
                                uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in de Monumentenverordening
                                2004, artikel 9, lid 3 in acht worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.3 Subsidie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 19 Subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidiabele kosten zijn de kosten van het treffen van
                                voorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanneemsom voor het treffen van de noodzakelijke
                                        voorzieningen aan de monumentale onderdelen van het
                                        pand</al></li><li nr="2."><al>de risicoverrekening voor loon- en
                                        materiaalprijsstijgingen</al></li><li nr="3."><al>het honorarium van de architect en de constructeur, de
                                        kosten van het dagelijks toezicht en de
                                        aanbestedingskosten</al></li><li nr="4."><al>de kosten van een bouwkundige inspectie en/of bouwhistorisch
                                        onderzoek</al></li><li nr="5."><al>de leges voor een bouwvergunning en/of
                                        monumentenvergunning</al></li><li nr="6."><al>de verschuldigde en niet-verrekenbare omzetbelasting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Hoogte subsidie</label></kop><al>De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in
                                artikel 19 met een maximum subsidiebedrag van € 6.000,--.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21</label></kop><al>vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Onderhoud van gemeentelijke monumenten</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4.1 Toepassingsbereik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 22 Toepassingsbereik</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Subsidie is bedoeld ter tegemoetkoming in de
                                        onderhoudskosten van een gemeentelijk monument, mits </al><lijst><li nr="a."><al>het gemeentelijk monument eigendom is van een
                                                natuurlijke persoon, en </al></li><li nr="b."><al>in het kalenderjaar voorafgaand aan de
                                                subsidieaanvraag geen subsidie is verleend op grond
                                                van hoofdstuk 3 of 4.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De subsidie als bedoeld in artikel 23, lid 2, kan ook worden
                                        verleend voor rijksmonumenten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4.2 Subsidievoorwaarden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 23 Het betreft normaal onderhoud</label></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor</al><lijst><li nr="1."><al>onderhoud aan het monument waarbij de subsidiabele kosten
                                        als bedoeld in artikel 25 meer bedragen dan € 1.000,00 doch
                                        niet meer bedragen dan € 4.000,00, </al></li><li nr="2."><al>het laten uitvoeren van een kleur-historisch onderzoek mits
                                        het daarin opgenomen kleuradvies wordt opgevolgd, </al></li></lijst><al>indien met het treffen van de onderhoudsvoorzieningen het belang van
                                de monumentenzorg in voldoende mate wordt gediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Eindresultaat onderhoudsvoorzieningen</label></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt, indien op grond van de aanvraag
                                verwacht mag worden dat na het treffen van de
                                onderhoudsvoorzieningen de onderdelen van het gemeentelijk monument,
                                die monumentale waarde bezitten, zijn hersteld of geconserveerd en
                                hierbij de uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in de
                                Monumentenverordening 2004, artikel 9, lid 3 in acht worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4.3 Subsidie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 25 Subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 23, lid 1, zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanneemsom voor het treffen van de noodzakelijke
                                        onderhoudsvoorzieningen</al></li><li nr="2."><al>de risicoverrekening voor loon- en
                                        materiaalprijsstijgingen</al></li><li nr="3."><al>de kosten van een bouwkundige inspectie</al></li><li nr="4."><al>de leges voor een eventueel noodzakelijke bouwvergunning
                                        en/of monumentenvergunning</al></li><li nr="5."><al>de verschuldigde en niet-verrekenbare omzetbelasting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Hoogte subsidie</label></kop><al>De subsidie bedraagt</al><lijst><li nr="1."><al>40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 25
                                        indien sprake is van onderhoud als bedoeld in artikel 23,
                                        lid 1,</al></li><li nr="2."><al>40% van de kosten van een kleuronderzoek als bedoeld in
                                        artikel 23, lid 2, met een maximum van € 1.600,--. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26A Aanvraag en vaststelling onderhoudssubsidie</label></kop><al>In afwijking van artikel 6, 8 en 9 van deze verordening geldt:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag om een toekenning van een onderhoudssubsidie
                                        dient vóór 1 april van het jaar dat volgt op het jaar waarin
                                        het onderhoud is gepleegd, bij het college van burgemeester
                                        en wethouders te worden ingediend;</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag om een toekenning van een onderhoudssubsidie
                                        gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden
                                                waaronder de toegepaste constructies, materialen,
                                                afwerkingen, vormgevingen, detailleringen en
                                                kleurstellingen;</al></li><li nr="b."><al>een gespecificeerd overzicht van rekeningen en
                                                betaalbewijzen;</al></li><li nr="c."><al>overige naar het oordeel van het college van
                                                burgemeester en wethouders noodzakelijke gegevens
                                                voor de beoordeling van de subsidieaanvraag;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 13
                                        weken na ontvangst van de aanvraag over de de toekenning van
                                        de onderhoudssubsidie. </al></li><li nr="4."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de in het
                                        derde lid genoemde termijn eenmalig met acht weken
                                        verlengen. </al></li><li nr="5."><al>Toekenning van de subsidie vindt plaats in de vorm van een
                                        besluit tot subsidievaststelling. </al></li><li nr="6."><al>Het college kan aan de subsidievaststelling nadere
                                        voorschriften verbinden. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Opplussen van woonruimte </label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.1 Toepassingsbereik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 27 Opplussen van woningen</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van het
                                opplussen van een woning, mits</al><lijst><li nr="1."><al>het een zelfstandige huurwoning betreft met een huurprijs
                                        welke op het moment van aanvragen lager is dan de
                                        aftoppingsgrens en waarbij tevens wordt voldaan aan minimaal
                                        2 van de volgende 3 omgevingskenmerken:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een winkel voor dagelijkse
                                                boodschappen bedraagt niet meer dan 500 meter;</al></li><li nr="b."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een halte voor openbaar
                                                vervoer bedraagt niet meer dan 500 meter;</al></li><li nr="c."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een
                                                eerstelijnszorgvoorziening bedraagt niet meer dan
                                                500 meter, en</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de ouderdom van de op te plussen woning dan wel de op te
                                        plussen woningen in een appartementencomplex op het moment
                                        van de aanvraag minimaal 10 jaar, gemeten vanaf de datum van
                                        oplevering, is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Opplussen van gemeenschappelijke ruimte</label></kop><al>Subsidie kan worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van het
                                opplussen van de gemeenschappelijke ruimte van een woongebouw
                                waarvoor geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de ouderdom van het appartementencomplex op het moment van
                                        de aanvraag minimaal 10 jaar, gemeten vanaf de datum van
                                        oplevering, is, en </al></li><li nr="2."><al>tevens wordt voldaan aan minimaal 2 van de volgende 3
                                        omgevingskenmerken:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een winkel voor dagelijkse
                                                boodschappen bedraagt niet meer dan 500 meter;</al></li><li nr="b."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een halte voor openbaar
                                                vervoer bedraagt niet meer dan 500 meter;</al></li><li nr="c."><al>De loopafstand vanaf de woning of de centrale ingang
                                                van het woongebouw tot een
                                                eerstelijnszorgvoorziening bedraagt niet meer dan
                                                500 meter, en </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>meer dan de helft van de appartementen van dat woongebouw op
                                        het moment van aanvragen een huurprijs heeft lager dan de
                                        aftoppingsgrens, of </al></li><li nr="4."><al>van door de eigenaar bewoonde woningen, meer dan de helft
                                        van de appartementen van dat woongebouw een WOZ-waarde heeft
                                        welke ligt onder het bedrag, genoemd in de Wet Bevordering
                                        Eigen Woningbezit, artikel 15, lid 1 onder a.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraf 5.2 Subsidievoorwaarden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 Voorwaarden voor subsidieverlening</label></kop><al>De subsidie wordt verleend onder voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="1."><al>in het geval van het opplussen als bedoeld in artikel 27, de
                                        woningen na het aanbrengen van de noodzakelijke
                                        voorzieningen voldoen aan het niveau van basispakket B van
                                        de Handleiding Opplussen (SEV, augustus 1998), zoals die
                                        geldt op het moment van het indienen van de aanvraag, én,
                                        indien de woningen deel uit maken van een
                                        appartementencomplex, de gemeenschappelijke ruimte voldoet
                                        aan basispakket A uit de Handleiding Opplussen (SEV,
                                        augustus 1998), zoals die geldt op het moment van het
                                        indienen van de aanvraag;</al></li><li nr="2."><al>in het geval van het opplussen als bedoeld in artikel 28 de
                                        gemeenschappelijke ruimte na het aanbrengen van de
                                        noodzakelijke voorzieningen voldoet aan het basispakket A
                                        uit de Handleiding Opplussen (SEV, augustus 1998), zoals die
                                        geldt op het moment van het indienen van de aanvraag.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.3 Subsidie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 30 Subsidiabele kosten</label></kop><al>Subsidiabele kosten zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanneemsom voor het treffen van de noodzakelijke
                                        voorzieningen </al></li><li nr="2."><al>de risicoverrekening voor loon- en
                                        materiaalprijsstijgingen</al></li><li nr="3."><al>het honorarium van de architect en de constructeur, de
                                        kosten van het dagelijks toezicht en de
                                        aanbestedingskosten</al></li><li nr="4."><al>de leges voor een bouwvergunning</al></li><li nr="5."><al>de verschuldigde en niet-verrekenbare omzetbelasting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Subsidie voor het opplussen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidie voor het opplussen als bedoeld in artikel 27 is
                                        gelijk aan de met opplussen gemoeide subsidiabele kosten met
                                        een maximum van € 2.250,00 per woning;</al></li><li nr="2."><al>De subsidie voor het opplussen als bedoeld in artikel 28 is
                                        gelijk aan de met opplussen gemoeide subsidiabele kosten met
                                        een maximum van € 1.350,00 per appartement, dat </al><lijst><li nr="a."><al>op het moment van gereedmelden voldoet aan het
                                                niveau van basispakket B van de Handleiding
                                                Opplussen (SEV, augustus 1998), zoals die geldt op
                                                het moment van het indienen van de aanvraag, en
                                            </al></li><li nr="b."><al>wordt ontsloten door die gemeenschappelijke
                                                ruimte.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 32 Nadere bepalingen, onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de aanvrager
                                    afwijking van in deze verordening genoemde termijnen toestaan.
                                    Een dergelijk verzoek wordt vóór het verstrijken van de termijn
                                    schriftelijk en gemotiveerd bij burgemeester en wethouders
                                    ingediend.</al></li><li nr="2."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet of onvoldoende
                                    voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tegemoet te komen aan
                                    onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing
                                    van deze verordening mochten voordoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Geen verslag op grond van de Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>De werking van artikel 4:24 van de Awb wordt uitgesloten voor subsidies
                            die op basis van de bepalingen uit deze verordening worden verleend.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            regeling zijn belast de bij besluit van het college van burgemeester en
                            wethouders aan te wijzen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking Subsidieverordening Stadsvernieuwing</titel></kop><al>Met inwerkingtreding van deze verordening wordt de Subsidieverordening
                            Stadsvernieuwing ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Overgangsbepalingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvragen om subsidie op grond van de Subsidieverordening
                                    Stadsvernieuwing die zijn ingediend voor 1 januari 2004 blijven
                                    de bepalingen van die verordening van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen op grond van Hoofdstuk IV van de Subsidieverordening
                                    Stadsvernieuwing zoals die luidde tot 31 december 2003, kunnen
                                    tot 3 maanden na inwerkingtreding van deze verordening worden
                                    ingediend. Voor deze aanvragen blijven de bepalingen van die
                                    verordening van toepassing, met dien verstande dat in afwijking
                                    van artikel 5.10 de aanvraag betrekking heeft op onderhoud, dat
                                    gepleegd is in 2003.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Citeertitel en inwerkingtreding verordening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Subsidieverordening
                                    Stedelijke Vernieuwing</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2004</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al>1 Toelichting</al><al><vet>1.1 Inleiding</vet></al><al>Het Rijk heeft aan de 30 rechtstreekse gemeenten, voor de periode 2000
                            tot 2005 en vervolgens voor de periode 2005 tot 2009, een
                            investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) toegekend. De provincies
                            hebben datzelfde gedaan ten aanzien van de (111) programmagemeenten. Dit
                            ISV-budget bestaat uit verschillende voormalige budgetten, zoals het
                            Stadsvernieuwingsfonds, de Tijdelijke stimuleringsregeling
                            herstructurering goedkope woningvoorraad, het Besluit woninggebonden
                            subsidies (BWS), het Besluit locatiegebonden subsidies en budgetten op
                            het terrein van gevelisolatie in verband met wegverkeerslawaai en
                            raillawaai en bodemsanering. Voor de rechtstreekse gemeenten is
                            daarnaast budget beschikbaar voor fysieke economische activiteiten en
                            grootschalig groen.</al><al>Met dit ISV-budget - eventueel aangevuld met eigen gemeentelijke
                            middelen - kan uitvoering worden gegeven aan de stedelijke
                            vernieuwingsopgave van de gemeenten, zoals verwoord in het
                            meerjarenontwikkelingsprogramma (MOP) van de desbetreffende
                            gemeenten.</al><al>Na het wegvallen van de ‘cultuurimpulsgelden’ in het ISV III worden de
                            subsidies voor Hoofdstuk 3 en 4 gedekt uit daartoe structureel
                            beschikbaar gestelde middelen op de gemeentelijke begroting.</al><al>De Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing is als volgt
                            opgebouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>de hoofdstukken 1 en 6 omvatten respectievelijk de ‘kop en de
                                    staart’ van de verordening: algemene artikelen zoals
                                    begripsomschrijvingen en overgangs- en slotbepalingen, maar ook
                                    de algemene procedure voor het aanvragen, verlenen, vaststellen,
                                    intrekken of wijzigen en betalen van subsidies.</al></li><li nr="2."><al>de hoofdstukken 2, 3 en 4 bieden het kader voor het verstrekken
                                    van </al><lijst><li nr="a."><al>subsidie voor ingrijpende verbetering van woningen,
                                        </al></li><li nr="b."><al>subsidie voor ingrijpende verbetering van gemeentelijke
                                            monumenten, en</al></li><li nr="c."><al>onderhoudsubsidie voor gemeentelijke monumenten</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Deze hoofdstukken zijn de opvolgers van de per datum van
                                    inwerkingtreding van deze verordening in te trekken
                                    Subsidieverordening Stadsvernieuwing. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>hoofdstuk 5 biedt de mogelijkheid subsidie te verstrekken voor
                                    het opplussen van woningen: het beter geschikt maken van
                                    woningen voor bewoners met een lichte functionele beperking. Het
                                    besluit tot het instellen van een dergelijke subsidieregeling is
                                    genomen met het aanvaarden van de Nota Volkshuisvesting en het
                                    op deze beleidsnota gebaseerde Plan van Aanpak
                                    Ouderenhuisvesting.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.2 Juridisch kader </vet></al><al/><al><vet>1.2.1 Algemeen</vet></al><al>Voor de subsidieverordening zijn de Wet stedelijke vernieuwing (WSV), de
                            Algemene wet bestuursrecht en de algemene verordeningsbevoegdheid uit
                            artikel 149 Gemeentewet van belang. De WSV, die op 1 januari 2000 van
                            kracht is geworden, bepaalt dat aan gemeenten investeringsbudget kan
                            worden verstrekt ten behoeve van de uitvoering van het gemeentelijk
                            beleid inzake de stedelijke vernieuwing. Dit beleid is door
                            rechtstreekse gemeenten en programmagemeenten voor een groot deel
                            neergelegd in het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma. De
                            subsidieverordening stedelijke vernieuwing kan als een uitwerking van
                            dat ontwikkelingsprogramma worden beschouwd. De WSV bevat echter niet de
                            verplichting om een verordening in het leven te roepen (zoals de Wet op
                            de stads- en dorpsvernieuwing dat bijvoorbeeld deed). </al><al/><al><vet>1.2.2</vet><vet> De Algemene wet bestuursrecht en
                                subsidieverordeningen</vet></al><al>De Awb stelt (onder andere) eisen aan de procedure van subsidieverlening
                            en geeft tevens een deel van de basisbepalingen die nodig zijn bij
                            subsidieverlening (zoals weigering en intrekking van subsidie). De Awb
                            bepaalt verder wanneer er sprake is van subsidie (artikel 4:21 eerste
                            lid) en wanneer een wettelijk voorschrift (zoals een
                            subsidieverordening) is vereist (artikel 4:23 eerste lid). </al><al>Er worden belangrijke stappen in het proces van subsidieverlening
                            geregeld in zowel de Algemene wet bestuursrecht als in deze verordening.
                            In het onderstaande schema is de samenhang van beide regelingen nog eens
                            aangegeven.</al><al>Samenhang Awb en verordening in subsidieproces</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Stap in subsidietraject</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Belangrijkste bepalingen Awb</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Belangrijkste bepalingen verordening</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaststelling subsidieplafonds</al></entry><entry colname="col2"><al>4:22; 4:25 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inname subsidieaanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>4:5 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 5, eerste lid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Behandeling aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>4:7 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 5, tweede en derde lid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beslissing op aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>4:29 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opleggen van verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>4:33 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Intrekking en Wijziging Subsidieverlening</al></entry><entry colname="col2"><al>4:48 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gereedmelding</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaststellen subsidie</al></entry><entry colname="col2"><al>4:42 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbetaling</al></entry><entry colname="col2"><al>4:52 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 9</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>1.2.3 Verordeningsbevoegdheid Gemeentewet</vet></al><al>De grondslag voor de verordening wordt gevonden in artikel 149
                            Gemeentewet. Er moet worden teruggegrepen op deze algemene
                            verordeningsbevoegdheid aangezien noch de Wet stedelijke vernieuwing
                            noch de Awb een grondslag bevatten voor het vaststellen van een
                            verordening. Op dit punt wijkt de Wet stedelijke vernieuwing dus af van
                            bijvoorbeeld de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die een
                            zelfstandige grondslag (en verplichting) voor het vaststellen van een
                            verordening bevatte (met de Invoeringswet wet stedelijke vernieuwing
                            verdwenen).</al><al>Overgangsbepalingen</al><al>De bestaande Subsidieverordening Stadsvernieuwing is bij
                            inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. In deze verordening
                            is daarom een algemene overgangsbepaling opgenomen, waarin staat vermeld
                            dat voor oude subsidieaanvragen de oude regelingen van kracht
                            blijven.</al><al/><al><vet>1.3 Inhoudelijk kader</vet></al><al/><al><vet>1.3.1 Zwolse Kijk, MeerjarenOntwikkelingsProgramma (MOP)</vet></al><al>Ongeveer 90% van de particuliere woningen verkeert in redelijke tot
                            goede staat. Knelpunten in de fysieke condities doen zich voor in de
                            vooroorlogse wijken Assendorp, Kamperpoort en Binnenstad, maar in
                            toenemende mate ook in de vroeg-naoorlogse wijken Diezerpoort en
                            Holtenbroek (MOP, blz 128). </al><al>De bestaande subsidieregeling gaat uit van voorlichting en een aanbod
                            van subsidie- en financieringsmogelijkheden. Deze passieve aanpak levert
                            te weinig op en wordt vervangen door een actieve, gebiedsgerichte,
                            aanpak.</al><al/><al><vet>1.3.2 Stadsconvenant Zwolle (december 1999)</vet></al><al>In het door de gemeente met het rijk afgesloten stadsconvenant van
                            december 1999 is afgesproken expliciet, maar niet uitsluitend, aandacht
                            te besteden aan het bevorderen van de omgevingskwaliteit (met inbegrip
                            van de kwaliteit van de openbare ruimte [...] stedenbouwkundige
                            kenmerken, architectuur, cultuurhistorische elementen [...]) op het
                            niveau van de stad als geheel en op het niveau van de wijken die
                            bijzondere aandacht behoeven, alsmede [...]. Deze verordening, en met
                            name de hoofdstukken 2 en 3, beogen hier mede invulling aan te
                            geven.</al><al/><al><vet>1.3.3 Nota Ouderenhuisvesting, inclusief Plan van aanpak</vet></al><al>Veel woningen zijn op dit moment niet helemaal geschikt voor ouderen.
                            Voorbeelden zijn een te hoge opstap bij de voordeur en het balkon, te
                            hoog gemonteerd hang- en sluitwerk, tegels zonder anti-sliplaag in de
                            badkamer e.d. Door het aanpassen van de woningvoorraad levert de woning
                            in ieder geval geen problemen op, indien bewoners door ouderdom lichte
                            functiestoornissen ondervinden (b.v. beperkte arm- of handfunctie,
                            evenwichtsstoornissen, beperkt uithoudingsvermogen, beperkt
                            gezichtsvermogen e.d.). Voor ouderen is het tevens erg belangrijk dat er
                            in de nabijheid voldoende voorzieningen aanwezig zijn (winkels, openbaar
                            vervoer, huisarts, bank / postkantoor, recreatieve, culturele
                            voorzieningen en verzorgingshuis e.d.).</al><al>Ten behoeve van het toetsen van de bestaande voorraad potentieel
                            geschikte woningen voor ouderen op basis van het oppluslabel van de SEV
                            (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting) is aan de woningcorporaties
                            de “seniorenscore” uitgereikt. Dit is een handleiding en een
                            computerprogramma voor het toetsen van bestaande woningen aan het
                            oppluslabel. De woningcorporaties is verzocht om hiermee de geschiktheid
                            van de huurwoningen en de mogelijkheden voor het opplussen te bepalen.
                            De woningen nabij voorzieningen en verzorgingshuizen hebben hierbij
                            prioriteit, vanwege de 24-uurs zorggarantie die vanuit de
                            verzorgingshuizen zou kunnen worden geboden. Het toetsen van de woningen
                            op basis van de seniorenscore heeft opgeleverd dat nabij De Kievitsbloem
                            (Zwolle-zuid), De Esdoorn (Diezerpoort), De Molenhof (Assendorp), De
                            Wissel (Berkum) en Rivierenhof (Aalanden) diverse complexen liggen die
                            mogelijk kunnen worden opgeplust.</al><al/><al><vet>1.3.4 Monumentenbeleid</vet></al><al>Het monumentenbeleid is neergelegd in een in januari 2000 vastgesteld
                            Beleidsplan Monumentenzorg en Archeologie. Met als thema ‘Behoud in
                            dynamiek’ is het streven er op gericht te behoeden c.q. te beschermen
                            wat waardevol is zonder te bevriezen.</al><al>In totaal staan er ongeveer 300 door de gemeente beschermde monumenten
                            in Zwolle. Voor de restauratie van rijksmonumenten is een landelijke
                            regeling van kracht, namelijk het Besluit Rijkssubsidiëring
                            Instandhouding Monumenten (Brim). Op grond van het Brim komen eigenaren
                            in aanmerking voor een goedkope lening (eigenaren van woonhuizen en
                            boerderijen zonder agrarische functie) of subsidie (Overige eigenaren).
                            Zowel de subsidie als de lening kan gecombineerd worden met fiscale
                            aftrek van onderhoudskosten. </al><al>Het onderhoud en de restauratie van gemeentelijke monumenten is echter
                            niet fiscaal aftrekbaar. Het gemeentelijke subsidiebeleid richt zich
                            mede daarom op instandhouding van gemeentelijke monumenten. Voor
                            kleurhistorisch onderzoek is een uitzondering gemaakt; dit geldt ook
                            voor rijksmonumenten.</al><al/><al><vet>1.3.5 Uitwerking van deze beleidsuitgangspunten</vet></al><al>Ingrijpende verbetering</al><al>In grote lijnen wordt de aanpak geïnspireerd door de overweging, dat een
                            zekere overheidsbijdrage in algemene zin gerechtvaardigd is, zeker
                            wanneer de verbetering raakt aan het openbare domein. Met een
                            gebiedsgerichte, stimulerende, aanpak kan bereikt worden dat de het
                            eindresultaat van de verbeteringrepen meer is dan de som der delen.</al><al>Onderhoud van gemeentelijke monumenten</al><al>Eigenaren van monumenten lopen als gevolg van detaillering en
                            materiaalgebruik in de praktijk aan tegen iets hogere dan normale
                            onderhoudskosten. Regelmatig en zorgvuldig onderhoud is, zeker op de
                            lange termijn, van groot belang voor instandhouding van monumenten. Om
                            (particuliere) eigenaren te stimuleren tot regelmatig en zorgvuldig
                            onderhoud is een eenvoudige subsidieregeling hiervoor in deze
                            verordening opgenomen. Een vergelijkbare regeling in de (met
                            inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken) subsidieverordening
                            stadsvernieuwing bleek de afgelopen jaren zeer succesvol. De regeling
                            voorziet in een bijdrage voor regulier onderhoud aan die onderdelen van
                            het pand die van monumentale waarde zijn. </al><al>Opplussen van woningen</al><al>De in deze verordening opgenomen stimuleringsregeling vergoedt kosten
                            voor het opplussen tot een maximumbedrag per goedkope huurwoning. Het
                            gaat hierbij om de daadwerkelijke bouwkundige kosten, exclusief kosten
                            voor voorbereiding en toezicht e.d.. Subsidiabele maatregelen zijn
                            bouwkundige voorzieningen op basis van het oppluslabel van de SEV
                            (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting) of het WoonKeur. Na het
                            opplussen moeten de woningen minimaal voldoen aan de normen van het
                            oppluslabel van de SEV. Ook de kosten voor het opplussen van
                            gemeenschappelijke ruimten bij goedkope appartementen (huur en koop)
                            kunnen tot een maximum bedrag per appartement worden vergoed. Het
                            aanpassen van het appartement is volledig voor eigen
                            verantwoordelijkheid en rekening van de koper.</al><al>Het ambitieniveau is om op deze wijze in drie jaar tijd minimaal 500
                            woningen op te plussen. Circa 80 % sociale huurwoningen en 20 %
                            particuliere huurwoningen (met een huur beneden de huursubsidiegrens) en
                            goedkope koopappartementen. Woningen in de nabijheid (max. 500 m) van
                            voorzieningen (winkels, openbaar vervoer, huisarts, bank / postkantoor,
                            recreatieve, culturele voorzieningen en verzorgingshuis) hebben hierbij
                            prioriteit. </al><al/><al><vet>1.4 Financieel kader</vet></al><al>De middelen voor de stedelijke vernieuwing zijn afkomstig uit het
                            Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) en uit de door de raad
                            ter beschikking gestelde middelen voor opplussen van woonruimte en
                            middelen voor monumentensubsidies. Jaarlijks neemt de raad (bij
                            gemeentebegroting) een besluit over de verdeling van de middelen over de
                            in deze verordening onderscheiden subsidiecategorieën. Tegelijkertijd
                            worden de subsidieplafonds vastgesteld voor de verschillende subsidies
                            uit deze verordening.</al><al>De bestedingsdoelen van het ISV kunnen worden herleid uit de kaders die
                            worden geboden door de Wet stedelijke vernieuwing enerzijds en de
                            gemeentelijke plannen (meerjarenontwikkelingsprogramma en eventuele
                            uitwerkingsplannen) anderzijds. De memorie van toelichting bij de Wet
                            stedelijke vernieuwing noemt als doel van het ISV het stimuleren van
                            stedelijke vernieuwing. Onder stedelijke vernieuwing verstaat de Wet
                            stedelijke vernieuwing: ‘op stedelijk gebied gerichte inspanningen die
                            strekken tot verbetering van de leefbaarheid en veiligheid, bevordering
                            van een duurzame ontwikkeling en verbetering van de woon- en
                            milieukwaliteit, versterking van het economisch draagvlak, bevordering
                            van de sociale samenhang, verbetering van de bereikbaarheid, verhoging
                            van de kwaliteit van de openbare ruimte of anderszins tot structurele
                            kwaliteitsverhoging van dat stedelijk gebied’ (artikel 1, lid 1 van de
                            wet). Stedelijke vernieuwing heeft in de wet betrekking op die
                            stedelijke vernieuwing die door middel van ingrepen in de fysieke
                            leefomgeving kan worden gerealiseerd, te weten op de gebieden wonen,
                            ruimte, milieu, grootschalig groen en stadseconomie. </al><al>Het tweede kader wordt gevormd door het meerjarenontwikkelingsprogramma
                            MOP. ISV-middelen zijn bedoeld om de doelstellingen uit het MOP te
                            realiseren. </al><al/><al><vet>1.5 Evaluatie verordening</vet></al><al>In de verordening is geen plicht opgenomen om de werking van de
                            verordening te evalueren. De evaluatie van regelgeving is van groot
                            belang. Evaluatie wordt echter niet in deze verordening geregeld, omdat
                            de wettelijke regeling van het ISV zoals de wetgever die in formele zin
                            heeft opgesteld al voorziet in een verslaglegging over zowel de
                            besteding van de gelden als het behalen van de beoogde effecten.
                            Daarnaast is er een uitgebreide monitor opgezet ten behoeve van de
                            Tweede kamer en heeft de gemeente op grond van de wet de verplichting
                            een ‘kwaliteitszorgsysteem’ in het leven te roepen. </al><al/><al/><tussenkop>2 Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><al><vet>2.1 Aanhef</vet></al><al>De grondslag voor deze verordening ligt in artikel 149 Gemeentewet. De
                            Wet stedelijke vernieuwing kent geen zelfstandige bevoegdheid tot het in
                            het leven roepen van een subsidieverordening. </al><al/><al><vet>2.2 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al>De algemene bepalingen van hoofdstuk 1 gelden voor alle onderdelen.
                            Specifieke bepalingen of aanvullingen op deze algemene bepalingen staan
                            in de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5. De bepalingen van hoofdstuk 1 zijn
                            daarom naast de in hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwaarden van
                            toepassing.</al><al/><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>In dit artikel worden de begrippen uitgelegd die bij de toekenning van
                            de verschillende subsidies een rol spelen. </al><al>Begrippen als subsidie, subsidieontvanger en subsidieaanvrager zijn niet
                            in de begripsbepalingen opgenomen omdat deze al volgen uit het
                            subsidiebegrip en de subsidietitel in titel 4.2 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb). Het begrip ‘stedelijke vernieuwing’ is niet
                            opgenomen omdat dit al is gedefinieerd in de Wet stedelijke
                            vernieuwing.</al><al/><al>Artikel 3 Subsidiebudgetten</al><al>Dit artikel bepaalt dat de raad jaarlijks subsidiebudgetten vaststelt
                            voor de subsidies uit de verordening. Deze budgetten gelden vervolgens
                            als subsidieplafond. </al><al>Het subsidieplafond is feitelijk de koppeling van budgetten, die door de
                            raad worden vastgesteld voor bepaalde subsidiedoelen, aan de verordening
                            en de verdeelcriteria in de verordening. Artikel 4:22 Awb omschrijft het
                            begrip subsidieplafond als het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak
                            maximaal beschikbaar is voor de verstrekking van de subsidies.
                            Overschrijding van het subsidieplafond is een financiële weigeringsgrond
                            voor aanvragen om subsidieverlening. Artikel 4:25 Awb geeft aan dat een
                            subsidieplafond bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt ingesteld.
                            Artikel 4:26 Awb geeft aan dat bij of krachtens wettelijk voorschrift
                            wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag aan subsidie wordt
                            verdeeld..</al><al>Het in het tweede lid bepaalde biedt de raad de mogelijkheid het
                            subsidieplafond op te delen in verschillende (deel)subsidieplafonds,
                            verdeeld naar de verschillende subsidiecategorieën of bijvoorbeeld
                            verschillende wijken. </al><al>Het derde lid bepaalt dat flexibel kan worden omgegaan met de
                            subsidieplafonds. Deze bepaling geeft de ruimte om maatwerk te leveren
                            voor een plan en om de sectorale besteding van budgetten los te laten,
                            indien dit voor het realiseren van het MOP gewenst is. </al><al>Op grond van artikel 18 van de Wet stedelijke vernieuwing kan de
                            minister een aanvullend ISV-budget verstrekken als het rijksbudget
                            tijdens het investeringstijdvak (2000 tot en met 2004) wordt verhoogd.
                            Anderzijds bepaalt artikel 22 van die wet dat budget kan worden
                            ingetrokken of gewijzigd bij strijdigheid van de wet met een verdrag
                            (bijvoorbeeld EG-bepalingen). Omdat het gemeentelijk ISV-budget derhalve
                            tussentijds door de minister kan worden aangepast, is in het vierde lid
                            de mogelijkheid opgenomen dat de raad (deel)subsidieplafonds kan
                            aanpassen als het gemeentelijk ISV-budget wijzigt. Wel dient dan te
                            worden bezien wat de gevolgen zijn voor reeds ingediende aanvragen. Het
                            is mogelijk dat in verband met opgebouwde rechten een overgangsregeling
                            nodig is.</al><al/><al>Artikel 4 Toepassingsbereik</al><al>In dit artikel wordt bepaald dat de algemene bepalingen uit deze
                            paragraaf van toepassing zijn, tenzij in de hoofdstukken 2 tot en met 5
                            door middel van aanvullende bepalingen hiervan wordt afgeweken. </al><al/><al>Artikel 5 Aanvraag om subsidie</al><al>Artikel 4:1 Awb bepaalt dat subsidie wordt aangevraagd bij het
                            bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. Voor deze
                            verordening is dat het college van B en W. Om de procedure te
                            vergemakkelijken, zijn er door het college vastgestelde
                            aanvraagformulieren te verkrijgen (lid 1). Lid 2 geeft aan welke stukken
                            bij de aanvraag moeten worden overgelegd. De in de verordening opgenomen
                            lijst is bewust beperkt gehouden tot de meest essentiële gegevens: om
                            welke pand(en) gaat het, welke voorzieningen worden getroffen, wat zijn
                            de geraamde kosten. De gevraagde gegevens zijn nodig om te beoordelen
                            tot welke subsidiecategorie de aanvraag behoort, om noodzaak en
                            doelmatigheid van het project te kunnen beoordelen en om het
                            voorgestelde project te toetsen aan de gestelde prioriteiten. Het onder
                            punt f genoemde kan betrekking hebben op tekeningen en in sommige
                            gevallen een bestek.</al><al>Elementen voor een aanvraagformulier dat meer is toegesneden op de
                            genoemde specifieke subsidies is te vinden in de toelichting op de
                            artikelen die betrekking hebben op die subsidies.</al><al/><al>Artikel 6 Verlenen en weigeren van subsidie</al><al>Burgemeester en wethouders verlenen de subsidie. Zij verlenen slechts
                            subsidie indien het door de gemeente gereserveerde bedrag niet wordt
                            overschreden. Dat laatste staat niet expliciet vermeld in dit artikel
                            omdat dit is bepaald in de Awb (artikel 4:25, lid 2). De leden 1 en 2
                            vermelden welke termijn burgemeester en wethouders in acht nemen om de
                            aanvraag te beoordelen. </al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat eveneens een aantal
                            weigeringgronden voor subsidies (zie de artikelen 4:25, tweede lid en
                            4:35). In artikel 4:25 van de Awb is bepaald in welk geval de subsidie
                            in elk geval moet worden geweigerd (overschrijding subsidieplafond).
                            Daarnaast zijn in artikel 4:35 van de Awb facultatieve weigeringgronden
                            genoemd. Met name de weigeringgrond bij overschrijding van het
                            subsidieplafond is cruciaal. Genoemde gronden zijn in deze verordening
                            echter niet herhaald, daar ze vanuit de Awb rechtstreeks werken. In lid
                            3 staan weigeringgronden voor de subsidieverlening die niet reeds in de
                            Awb zijn opgenomen. </al><al>Het vierde lid gaat ervan uit dat in beginsel nog niet met de
                            werkzaamheden mag worden begonnen voordat de aanvraag is behandeld. De
                            bepaling biedt echter de ruimte om, vooruitlopend op het indienen van de
                            aanvraag om subsidie, toestemming te verkrijgen voor het starten van het
                            project zonder het recht op subsidie te verliezen. Vanzelfsprekend zal
                            de aanvrager hiertoe pas overgaan als hij een redelijke zekerheid heeft
                            dat subsidie zal worden toegekend. Het is echter niet de bedoeling dat
                            projecten die reeds zijn afgerond, alsnog voor subsidie in aanmerking
                            komen. Wanneer burgemeester en wethouders instemmen met het begin van de
                            werkzaamheden, wordt het project wel getoetst aan de overige vereisten
                            op grond van deze verordening. Intrekking en wijziging van de
                            beschikking tot subsidieverlening en subsidievaststelling en
                            terugvordering van uitbetaalde bedragen geschieden op basis van afdeling
                            4.2.6 van de Awb. </al><al>Vijfde lid: Voorrangsregeling bij overschrijding subsidieplafond</al><al>Dit artikellid beschrijft de werkwijze als er meerdere
                            subsidie-aanvragen zijn en er een afweging moet worden gemaakt. Gekozen
                            is voor de volgorde van binnenkomst (welke wordt gemeten op het moment
                            dat de aanvraag volledig is) als bepalend criterium. Dit criterium zet
                            niet in op een optimale kwaliteit van het plan, maar op rechtszekerheid
                            en overzichtelijkheid. </al><al/><al>Artikel 7 Verplichtingen</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk andere verplichtingen aan de
                            subsidieverlening te verbinden dan op grond van de Awb reeds mogelijk is
                            (artikel 4:37 Awb en verder). Artikel 4:37 geeft de bevoegdheid bepaalde
                            verplichtingen op te leggen. Artikel 4:38 Awb bepaalt in het eerste lid
                            dat verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                            subsidie kunnen worden opgelegd, maar maakt het in het tweede lid wel
                            noodzakelijk dat die bevoegdheid nog eens wordt opgenomen in het
                            wettelijk voorschrift dat de basis vormt voor de subsidieverlening (in
                            casu deze verordening).</al><al>Het niet naleven van de verplichtingen kan leiden tot intrekking van de
                            subsidie. Intrekking en wijziging van de beschikking tot
                            subsidieverlening en subsidievaststelling en terugvordering van
                            uitbetaalde bedragen geschieden op basis van afdeling 4.2.6 van de Awb. </al><al/><al>Artikel 8 De gereedmelding</al><al>Zodra een project is voltooid, vindt de gereedmelding plaats door de
                            subsidieaanvrager </al><al>(leden 1 en 2) . Een gereedmeldingstermijn is gewenst om de voortgang
                            van de plannen te garanderen en om te voorkomen dat onnodig lang een
                            verplichting tot betaling van subsidie blijft bestaan. </al><al>Lid 3 bepaalt dat de gereedmelding tegelijkertijd de aanvraag tot
                            vaststelling van de subsidie vormt. Lid 4, sub a bepaalt dat een
                            verklaring wordt bijgevoegd dat is voldaan aan de opgelegde
                            verplichtingen. De gemeente controleert dus achteraf of aan de
                            voorwaarden bij het verlenen van de subsidie is voldaan. Om te voorkomen
                            dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd, is ervoor
                            gekozen om een verklaring te vragen. Indien later blijkt dat bij de
                            uitvoering van het project is afgeweken van het goedgekeurde plan, kan
                            de subsidie alsnog worden ingetrokken en eventueel worden
                            teruggevorderd. Met het oog op de uitbetaling van de subsidie is het van
                            belang te weten wanneer het project is voltooid (lid 4, sub c). Omdat de
                            gemeente controle moet kunnen uitoefenen, moeten de rekeningen en
                            betalingsbewijzen worden ingeleverd (lid 4, sub b). Ook de gemeente kan
                            door het Rijk, respectievelijk de provincie worden gevraagd gegevens ter
                            inzage te geven (artikel 23 Wet stedelijke vernieuwing). Deze bepaling
                            gaat ervan uit dat alle bewijzen worden gevraagd bij de gereedmelding en
                            door de gemeente worden gearchiveerd. Er is niet voor gekozen om de
                            plicht op te leggen dat de gegevens gedurende een aantal jaren
                            beschikbaar worden gehouden. Het probleem daarbij is namelijk dat er na
                            de vaststelling van de subsidie geen mogelijkheid meer zou zijn om het
                            overleggen van de gegevens af te dwingen.</al><al>Het zesde lid maakt het mogelijk in individuele gevallen als
                            verplichting bij de subsidieverlening een procedure van gereedmelding
                            van toepassing te verklaren die afwijkt van de bepalingen in het eerste
                            lid. Hiermee kan een gereedmelding worden geregeld die bijvoorbeeld
                            periodiek plaatsvindt in plaats van eenmalig aan het eind van een
                            activiteit. Tevens kan een afwijkende uiterlijke termijn worden gegeven
                            voor de gereedmelding. </al><al/><al>Artikel 9 De vaststelling van de subsidie</al><al>De vaststelling dient om de hoogte van de subsidie definitief te bepalen
                            op basis van de uitvoering van het project. Indien het college van
                            burgemeester en wethouders instemt met de aanvraag tot vaststelling en
                            uitbetaling, stelt het de subsidie vast overeenkomstig artikel 4:46 van
                            de Awb. Artikel 4:46 van de Awb noemt in lid 2 de gronden om de subsidie
                            lager vast te stellen. Dit artikel voegt daar een uitdrukkelijke grond
                            aan toe: het niet naleven van het bij of krachtens de verordening
                            gestelde (lid 2). Lager vaststellen houdt ook de mogelijkheid in om,
                            indien de gereedmelding daartoe aanleiding geeft, de subsidie vast te
                            stellen op nul. </al><al/><al><vet>2.3 Hoofdstuk 2 Ingrijpende verbetering van woningen</vet></al><al/><al>Artikel 10 Toepassingsbereik</al><al>Subsidie kan in beginsel verstrekt worden indien het een woning betreft
                            van minimaal 30 jaar oud, er in de afgelopen 10 jaar niet reeds eerder
                            subsidie is verstrekt voor ingrijpende verbetering en de woning door de
                            eigenaar bewoond wordt. Daarnaast dient het pand te liggen in een door
                            het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied. </al><al>De leeftijd van een woning wordt gemeten van datum van oplevering van de
                            woning tot aan de datum van de subsidieaanvraag.</al><al>De beperking tot woningen, die door de eigenaar bewoond worden, wordt
                            ingegeven door het feit dat de kosten van de verbetering volledig voor
                            rekening van een particulier komen en in het algemeen niet of slechts in
                            beperkte mate gedekt kunnen worden uit een bedrijfsmatige exploitatie. </al><al>Met de aanwijzing van gebieden heeft het college van burgemeester en
                            wethouders een sturingsinstrument om de subsidie daar terecht te laten
                            komen waar dit vanuit een oogpunt van kwaliteit van de in dat gebied
                            gelegen panden meest noodzakelijk wordt geacht. Het ligt voor de hand
                            die gebieden voor een bepaalde periode aan te wijzen.</al><al/><al>Artikel 11 Minimaal niveau subsidiabele kosten</al><al>Geen subsidie is mogelijk wanneer de verbetering tot het normale
                            onderhoud gerekend moet worden. Die grens is nooit exact te trekken; in
                            deze verordening wordt de grens gelegd bij de hoogte van de subsidiabele
                            kosten van de verbeteringsingreep. Een investeringsniveau tot € 4.000,--
                            wordt nog gerekend tot normaal onderhoud. Boven dit investeringsniveau
                            wordt de ingreep geacht ingrijpend te zijn.</al><al/><al>Artikel 12 Toetsingscriteria voor subsidieverlening</al><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt in de vorm van een
                            beleidsregel toetsingscriteria vast waaraan de ingrijpende verbetering
                            moet voldoen om gesubsidieerd te worden. De toetsingscriteria kunnen per
                            gebied dat door het college op grond van artikel 10, lid 4 is aangewezen
                            verschillen. </al><al/><al>Artikel 13 Subsidiabele kosten</al><al>Gekozen is voor een ruime definitie van subsidiabele kosten, omdat bij
                            ingrijpende verbetering niet zelden de genoemde kostenposten zullen
                            optreden. Buíten de subsidiabele kosten vallen de kosten die samenhangen
                            met in zelfwerkzaamheid uitgevoerde werkzaamheden. Daar is destijds voor
                            gekozen om de subsidieregeling goed toetsbaar te houden.</al><al/><al>Artikel 14 Hoogte subsidie</al><al>De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op een percentage van de
                            vastgestelde subsidiabele kosten, met daarbij een maximum. </al><al/><al><vet>2.4 Hoofstuk 3 Ingrijpende verbetering van gemeentelijke
                                monumenten</vet></al><al/><al>Artikel 16 Toepassingsbereik</al><al>Subsidie kan in beginsel verstrekt worden indien het een gemeentelijk
                            monument betreft, er in de afgelopen 10 jaar niet reeds eerder subsidie
                            is verstrekt voor ingrijpende verbetering en het monument in eigendom is
                            van een natuurlijk persoon. </al><al>De beperking tot monumenten welke in eigendom zijn van natuurlijke
                            personen wordt ingegeven door het feit dat de kosten van de verbetering
                            volledig voor rekening van een particulier komen en in het algemeen niet
                            of slechts in beperkte mate gedekt kunnen worden uit een bedrijfsmatige
                            exploitatie. </al><al/><al>Artikel 17 Minimaal niveau subsidiabele kosten</al><al>Geen subsidie is mogelijk wanneer de verbetering tot het normale
                            onderhoud gerekend moet worden. Die grens is nooit exact te trekken; in
                            deze verordening wordt de grens gelegd bij de hoogte van de subsidiabele
                            kosten van de verbeteringsingreep. Een investeringsniveau tot € 4.000,--
                            wordt nog gerekend tot normaal onderhoud. Boven dit investeringsniveau
                            wordt de ingreep geacht ingrijpend te zijn.</al><al/><al>Artikel 18 Toetsingscriteria voor subsidieverlening</al><al>Op grond van artikel 9, lid 3, van de Monumentenverordening 2004 heeft
                            het college van burgemeester en wethouders uitvoeringsvoorschriften
                            vastgesteld. Deze uitvoeringsvoorschriften vormen een toetsingskader
                            waaraan ingrepen aan gemeentelijke monumenten moeten voldoen. De
                            genoemde uitvoeringsvoorschriften vormen ook de basis voor de toets of
                            en in welke mate de voorgenomen ingrijpende verbetering subsidiabel
                            is.</al><al/><al>Artikel 19 Subsidiabele kosten</al><al>Gekozen is voor een ruime definitie van subsidiabele kosten, omdat bij
                            ingrijpende verbetering niet zelden de genoemde kostenposten zullen
                            optreden. Buiten de subsidiabele kosten vallen de kosten die samenhangen
                            met in zelfwerkzaamheid uitgevoerde werkzaamheden.</al><al/><al>Artikel 20 Hoogte subsidie</al><al>De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op een percentage van de
                            vastgestelde subsidiabele kosten, met daarbij een maximum. </al><al/><al>Artikel 21</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>2.5 Hoofdstuk 4 Onderhoud van gemeentelijke monumenten</vet></al><al/><al>Artikel 22 Toepassingsbereik</al><al>Onderhoudskosten voor gemeentelijke monumenten zijn doorgaans hoger dan
                            voor andere panden. Voor een gemeentelijk monument gelden daarnaast ook
                            beperkingen die voor andere panden niet gelden. Deze subsidieverordening
                            kent daarom voor gemeentelijke monumenten een bijdrageregeling voor
                            gewoon onderhoud.</al><al>Ook hier geldt, om dezelfde reden als genoemd bij ingrijpende
                            verbetering (hoofdstuk 3 van de verordening), dat de
                            subsidiemogelijkheid beperkt wordt tot gemeentelijke monumenten die in
                            eigendom zijn van een particuliere eigenaar. Een eigenaar van een
                            gemeentelijk monument kan niet elk jaar in aanmerking komen voor een
                            onderhoudsbijdrage. Wanneer in enig jaar een bijdrage wordt of is
                            verstrekt op grond van deze verordening of op grond van de
                            Subsidieverordening Stadsvernieuwing, kan in het opvolgende kalenderjaar
                            daarna geen bijdrage verleend worden.</al><al/><al>Artikel 23 Het betreft normaal onderhoud</al><al>Om te voorkomen, dat ook voor zeer beperkte onderhoudsactiviteiten een
                            bijdrage wordt gevraagd (de uitvoeringskosten staan bij deze kleine
                            bedragen niet in verhouding tot het doel dat ermee gediend wordt) is een
                            minimum aan subsidiabele kosten van € 1.000,-- in de verordening
                            opgenomen. Om aan te geven dat het om regulier, niet-ingrijpend
                            onderhoud gaat, is als voorwaarde opgenomen dat de subsidiabele kosten
                            niet hoger mogen zijn dan € 4.000,--. </al><al>2.Bij de beoordeling van een aanvraag voor een onderhoudsbijdrage wordt
                            gekeken of het onderhoud naar het oordeel van het college van
                            burgemeester en wethouders in voldoende mate het belang van de
                            monumentenzorg dient.</al><al>Apart kunnen kleur-historische onderzoeken gesubsidieerd worden.
                            Achtergrond hiervan is dit soort onderzoeken een enorme informatiebron
                            zijn hoe het monument er in vroeger tijden heeft uitgezien. Dat kan, zo
                            leert de Zwolse praktijk, leiden tot kleuradviezen die duidelijk
                            afwijken van het ‘gangbare’. </al><al/><al>Artikel 24 Eindresultaat onderhoudsvoorzieningen</al><al>Na het uitvoeren van het onderhoud dienen alle onderdelen van het
                            gemeentelijke monument, die monumentale waarde hebben, weer in goede
                            staat te zijn. Dit sluit aan bij hetgeen in artikel 20 als voorwaarde
                            wordt gesteld: het moet om regulier onderhoud gaan. De
                            onderhoudsbijdrage kan dus niet worden verstrekt indien na het plegen
                            van het onderhoud nog delen van het monument in slechte staat verkeren,
                            bijvoorbeeld in het geval van een meerjarenopknapbeurt.</al><al>Overigens wordt verwezen naar de toelichting op artikel 18.</al><al/><al>Artikel 25 Subsidiabele kosten</al><al>In artikel 25, lid 1 tot en met 5, zijn limitatief de mogelijke
                            subsidiabele kosten benoemd. Deze opsomming sluit materiaalkosten,
                            indien het onderhoud zelf wordt uitgevoerd, niet uit. Wel subsidiabel
                            zijn de kosten van een bouwkundige inspectie, bijvoorbeeld door de
                            monumentenwacht.</al><al/><al>Artikel 26 Hoogte subsidie</al><al>De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op een percentage van de
                            vastgestelde subsidiabele kosten. Gelet op de hoogte van de bij deze
                            subsidieverlening gemoeide bedragen is afgezien van
                            inkomensafhankelijkheid.</al><al/><al>Artikel 26A Aanvraag en vaststelling onderhoudssubsidie</al><al>In het kader van de vermindering van de administratieve lastendruk
                            (deregulering) is de onderhoudsregeling in 2010 gewijzigd. In plaats van
                            een subsidieaanvraag voorafgaand aan de onderhoudswerkzaamheden gevolgd
                            door subsidieverlening, het uitvoeren van de werkzaamheden, de
                            gereedmelding, het aanvragen van de eindverantwoordeing en tenslotte de
                            subsidievaststelling en –uitbetaling is gekozen voor een
                            subsidie-achteraf-systematiek. Daarbij kan de subsidieaanvrager nadat de
                            (kleinschalige) onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, een verzoek om
                            subsidie indienen. Een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden,
                            rekeningen en betaalbewijzen dienen ter controle wel zijn bijgevoegd. De
                            onderhoudswerkzaamheden dienen conform de door de gemeente vastgestelde
                            uitvoeringsvoorschriften te worden uitgevoerd, waarbij de monumentale
                            waarden gespaard blijven. Na behandeling van de aanvraag, kan de
                            subsidie worden vastgesteld en uitbetaald. Het college kan de in het
                            derde lid genoemde termijn eenmalig verlengen. Een dergelijke verlenging
                            wordt door het college van burgemeester en wethouders meegedeeld aan de
                            subsidieaanvrager. Deze nieuwe systematiek draagt bij aan de
                            vermindering van administratieve lasten voor zowel de aanvrager als de
                            gemeente.</al><al/><al><vet>2.6 Hoofdstuk Opplussen van woonruimte</vet></al><al/><al>Artikel 27 Opplussen van woningen</al><al>De bijdrage voor het opplussen van woningen richt zich op zelfstandige
                            huurwoningen met een huur die ligt onder de huursubsidie-aftoppingsgrens
                            voor 1- en 2-persoonshuishoudens. Deze woningen zijn ook bereikbaar voor
                            huishoudens met een wat een lager inkomen. De eigenaar van een
                            koopwoning wordt geacht de benodigde investeringen zelf op te kunnen
                            brengen. </al><al>Met het oog op een doelmatige besteding van middelen moet in de directe
                            omgeving van de op te plussen woning wel een aantal voorzieningen
                            aanwezig zijn, die voor ouderen en mindervaliden van belang zijn (lid
                            1). De hier genoemde voorzieningen en de afstand daarheen zijn afgeleid
                            van de criteria die zijn gehanteerd voor de in ontwikkeling zijnde
                            woonzorgzones.</al><al>Het gestelde in lid 2 is ingegeven door de gedachte, dat voor ouderen en
                            mindervaliden geschikte woningen van recente bouwjaren bij de bouw
                            minimaal al (moeten) zijn voorzien van de voorzieningen die behoren bij
                            het oppluslabel. </al><al/><al>Artikel 28 Opplussen van gemeenschappelijke ruimte</al><al>Voor het opplussen van gemeenschappelijke ruimten geldt ook de eis dat
                            het woongebouw minimaal 10 jaar geleden moet zijn opgeleverd en moet
                            voldoen aan minimaal twee van drie in lid 2 genoemde omgevingskenmerken. </al><al>In afwijking van de bepaling in artikel 27 kan een bijdrage ook
                            verstrekt worden voor het opplussen van de gemeenschappelijke ruimte in
                            een appartementencomplex van koopappartementen. Achtergrond hiervan is
                            dat daarmee de individuele eigenaar, die belang heeft bij het opplussen,
                            afhankelijk is van een Vereniging van Eigenaren. Een
                            bijdragemogelijkheid kan een positieve invloed hebben op de beslissing
                            om al dan niet de gemeenschappelijke ruimte aan te passen. De
                            mogelijkheid van een bijdrage beperkt zich tot appartementencomplexen
                            waarvan minimaal de helft van de appartementen als ‘goedkoop’ wordt
                            aangemerkt. Voor de grens daarvan is aangesloten bij de Wet Bevordering
                            Eigenwoningbezit.</al><al>Opgemerkt wordt dat de gemeenschappelijke ruimte in artikel 1, lid 15,
                            is gedefinieerd als het totaal van ruimten in een woongebouw, dat dient
                            om de woningen en bergingen in dat woongebouw te ontsluiten. Een
                            aanvraag, en in het vervolg daarop een beslissing, heeft dus betrekking
                            op het totaal van de gemeenschappelijke ruimten in een woongebouw.</al><al/><al>Artikel 29 Voorwaarden voor subsidieverlening</al><al>Indien sprake is van opplussen als bedoeld in artikel 27 dient de
                            opgepluste woning te voldoen aan de eisen van het zogenaamde
                            oppluslabel. De eisen voor dit label zijn beschreven in het Handboek
                            Opplussen van de SEV. De eisen in dat handboek zijn na het verschijnen
                            ervan aangepast in die zin, dat de lichtsterkte van een lichtpunt bij de
                            voordeur (en andere toegangsdeuren, inclusief balkon) is verminderd naar
                            50 tot 70 lux. Het heeft weinig zin als woningen in een
                            appartementencomplex wel worden opgeplust en de gemeenschappelijke
                            ruimte niet. Daarom is als voorwaarde voor een bijdrage voor het
                            opplussen van woningen in een appartementencomplex als eis gesteld dat
                            ook de gemeenschappelijke ruimte opgeplust moet zijn. De eisen daarvoor
                            zijn ook beschreven in het Handboek Opplussen.</al><al>Indien sprake is van opplussen als bedoeld in artikel 28 dient de
                            opgepluste gemeenschappelijke ruimte te voldoen aan de eisen van het
                            zogenaamde oppluslabel. De eisen voor dit label zijn beschreven in het
                            Handboek Opplussen van de SEV. De eisen in dat handboek zijn na het
                            verschijnen ervan aangepast in die zin, dat de bedieningsweerstand voor
                            liftdeuren is verminderd van 30 naar 18 Newton. Er is in dit artikel
                            bewust geen koppeling gelegd met het aantal woningen in het complex dat
                            voldoet aan het oppluslabel. Die koppeling wordt indirect wel gemaakt in
                            artikel 28, lid 2, waar bepaald is dat de hoogte van de bijdrage afhangt
                            van het aantal woningen in het complex dat voldoet aan het oppluslabel
                            en wordt ontsloten door de bewuste gemeenschappelijke ruimte.</al><al>Ter besparing van kosten is niet als voorwaarde gesteld dat woning en /
                            of gemeenschappelijke ruimte gecertificeerd moet zijn om voor een
                            bijdrage in aanmerking te komen.</al><al/><al>Artikel 31 Subsidie voor het opplussen</al><al>De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op 100 procent van de
                            vastgestelde subsidiabele kosten, met daarbij een maximum. </al><al>Dat maximum is voor het opplussen van woningen vastgelegd in artikel 31,
                            lid 1. </al><al>Het maximum voor het opplussen van een gemeenschappelijke ruimte is
                            afhankelijk van het aantal appartementen dat voldoet aan de eisen van
                            het oppluslabel en wordt ontsloten door de betreffende
                            gemeenschappelijke ruimte. Het is daarbij niet relevant of die woningen
                            opgeplust zijn met een bijdrage op grond van artikel 27 of reeds
                            voldeden aan de eisen van het oppluslabel. Naarmate het aantal woningen
                            dat voldoet aan het oppluslabel en wordt ontsloten door de betreffende
                            gemeenschappelijke ruimte groter is, wordt de maximale bijdrage dus
                            hoger. Hierdoor wordt voorkomen dat omvangrijke bijdragen worden
                            verstrekt voor het opplussen van een gemeenschappelijke ruimte, terwijl
                            het rendement daarvan relatief klein is.</al><al/><al><vet>2.7 Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 33 Geen verslag op grond van de Algemene wet bestuursrecht</al><al>Artikel 4:24 van de Awb bepaalt dat er ten minste eenmaal in de vijf
                            jaar een verslag moet worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de
                            effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk
                            voorschrift anders is bepaald. Dit Awb-artikel wordt door deze
                            verordening uitgesloten.</al><al>De Wet stedelijke vernieuwing bepaalt reeds dat gemeenten uiterlijk op 1
                            juli 2005 verslag moeten uitbrengen aan het Rijk. Daarnaast is er een
                            uitgebreide monitor opgezet ten behoeve van de informatievoorziening aan
                            de Tweede Kamer en heeft de gemeente op grond van de wet de verplichting
                            een ‘kwaliteitszorgsysteem’ in het leven te roepen. Met de uitsluiting
                            van de Awb- verslaglegging wordt getracht een overmaat aan
                            verslaglegging te voorkomen. </al><al/><al>Artikel 34 Toezicht op de naleving</al><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            regeling zijn belast de bij besluit van het college van B en W aan te
                            wijzen personen. Deze bepaling is opgenomen om de gemeente betere
                            mogelijkheden te geven om anders dan aan de hand van de gereedmelding
                            vast te stellen of de gesubsidieerde activiteiten daadwerkelijk hebben
                            plaatsgevonden en of het bij of krachtens de verordening gestelde is
                            nageleefd. De bepaling is nodig omdat de Wet stedelijke vernieuwing
                            alleen het toezicht door het Rijk en de provincie regelt. Bij het zoeken
                            naar de juiste personen voor het toezicht kan worden gekeken naar de Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing, waarin de ambtenaren van bouw- en
                            woningtoezicht werden aangewezen als opsporingsambtenaar. Het
                            gemeentelijk besluit toezichthouders zal op dit punt worden
                            aangepast.</al><al/><al>Artikel 36 Overgangsbepalingen</al><al>De bestaande Subsidieverordening wordt op het moment van
                            inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.De bepalingen van de
                            regelingen op grond waarvan subsidie is verleend, blijven van toepassing
                            zoals deze luidden op het moment van de verlening van de subsidie. Dit
                            kan ook van belang zijn in verband met een ingesteld beroep.</al><al>Voor subsidieaanvragen op grond van hoofdstuk V (onderhoudsregeling
                            gemeentelijke woonhuismonumenten) van de Subsidieverordening
                            Stadsvernieuwing geldt een iets aangepast overgangsregime omdat op grond
                            van die verordening aanvragen voor een onderhoudsbijdrage na het treffen
                            van voorzieningen wordt gedaan. Om te voorkomen dat eigenaren van
                            gemeentelijke monumenten, die het onderhoud in 2003 reeds gepleegd
                            hebben, maar nog geen aanvraag hebben ingediend , niet voor subsidie in
                            aanmerking kunnen komen, is opgenomen dat dit kan gebeuren tot 3 maanden
                            na inwerkingtreding van deze verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>