<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR340103_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke participatie kinderen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Barneveld Vandaag, 29 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke participatie kinderen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=8">Wet werk en bijstand , art. 8 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand%20/article=35%2C%20vijfde%20lid%2C%20">Wet werk en bijstand , art. 35, vijfde lid, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-12-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke participatie kinderen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Barneveld;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nr;</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de artikel 8 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>Overwegende dat de gemeenteraad bij verordening:</al><al>op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel g en artikel
                        35, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand verplicht is om regels te
                        stellen voor het verlenen van categoriale bijzondere bijstand aan een
                        persoon, met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een
                        beroepsopleiding volgt, met betrekking tot kosten in verband met
                        maatschappelijke participatie van dat kind.</al><al>BESLUIT :</al><al>vast te stellen de volgende verordening: Verordening maatschappelijke
                        participatie kinderen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>2. Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. wet: Wet werk en bijstand;</al><al>b. college: het college van burgemeester en wethouders van
                            Barneveld;</al><al>c. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                            betrokken; indien het een gezin betreft, wordt onder belanghebbende elk
                            van de gezinsleden verstaan;</al><al>d. uitkeringsgerechtigde: degene die algemene bijstand ontvangt op grond
                            van de wet;</al><al>e. bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan en/of bijzondere bijstand;</al><al>f. bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in
                            artikel 5 onderdeel c van de wet;</al><al>g. maatschappelijke participatie: deelname aan sport, cultuur of andere
                            activiteiten teneinde het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                            onderhouden van sociale verbanden mogelijk te maken en op die manier
                            deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al><al>h. inkomen: 1. het netto-inkomen; derhalve het bruto-inkomen na
                            aftrek</al><al>van de verschuldigde loonheffing en premies ingevolge sociale
                            zekerheidswetten, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 3,
                            paragraaf 3.4 van de wet;</al><al>2. inkomsten op grond van hoofdstuk 4 van de wet worden niet tot het
                            inkomen gerekend;</al><al>Indien de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze regeling niet
                            eenduidig blijkt te zijn, bepaalt het college de nadere invulling of
                            uitleg van dit begrip.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Indiening aanvraag</titel></kop><al>1. Aanvragen op grond van deze verordening worden uiterlijk drie
                                maanden nadat de kosten zijn gemaakt ingediend bij het college.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid worden aanvragen, die
                                afzonderlijk de € 50,- niet te boven gaan binnen drie maanden nadat
                                ze gezamenlijk het bedrag van € 50,- overschrijden, ingediend bij
                                het college.</al><al>3. Aanvragen die het gehele jaar gezamenlijk de € 50,- niet te boven
                                gaan, worden uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het
                                kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt ingediend bij het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Toerekening kosten, bewijsstukken en betaling</titel></kop><al>1. De kosten waarvoor op grond van deze verordening bijzondere
                                bijstand kan worden verleend, worden toegerekend aan het
                                kalenderjaar waarin de kosten verschuldigd zijn.</al><al>2. Bij de aanvraag dient belanghebbende slechts die bewijsstukken te
                                overleggen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn om
                                de aanspraak op een bijdrage te kunnen beoordelen.</al><al>3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het
                                opvragen van bewijsstukken en het verrichten van betalingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Draagkracht</titel></kop><al>1. Voor de vaststelling van de draagkracht met betrekking tot deze
                                verordening wordt in aanmerking genomen:100% van de saldi op de
                                lopende rekeningen en spaarrekeningen van de belanghebbende, dat
                                uitstijgt boven de vermogensgrens ingevolge het bepaalde in artikel
                                34 van de wet;</al><al>2. Indien belanghebbende, op de datum van aanvraag van het bedrag,
                                beschikt over draagkracht als bedoeld in eerste lid, dan wordt deze
                                draagkracht op het te verstrekken bedrag in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Draagkrachtperiode</titel></kop><al>1. Bij verstrekking van een vergoeding wordt de draagkracht vanaf de
                                eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand is
                                ingediend, vastgesteld en dient de aanwezige draagkracht direct
                                volledig verrekend te worden.</al><al>2. De draagkrachtperiode wordt als volgt vastgesteld:</al><al>a. voor belanghebbenden van 65 jaar en ouder: tot het moment waarop
                                er een wijziging is in de persoonlijke en/of financiële
                                omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op
                                bijzondere bijstand;</al><al>b. voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB:
                                gedurende de volledige uitkeringsduur;</al><al>c. voor overige belanghebbenden: 24 maanden.</al><al>4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de begindatum van
                                het draagkrachtjaar op een eerder tijdstip worden vastgesteld als op
                                het moment van de aanvraag reeds andere bijzondere noodzakelijke
                                kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking had kunnen
                                komen.</al><al>5. De begindatum van het draagkrachtjaar zoals genoemd in het vierde
                                lid, kan niet eerder worden vastgesteld dan de maand januari van het
                                kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Sport, cultuur of andere activiteiten</titel></kop><al>1. Het college verleent bijzondere bijstand aan een persoon, met een
                                hem ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding
                                volgt, met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke
                                participatie van dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve
                                van dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of
                                gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij
                                behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden
                                bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan
                                waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige
                                draagkracht te boven gaan.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde bijzondere bijstand wordt niet
                                verleend, wanneer de belanghebbende beschikt over een inkomen dat
                                meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm verhoogd met 10
                                procent.</al><al>3. Het college kan nadere regels vaststellen voor het verlenen van
                                de in het eerste lid genoemde bijzondere bijstand.</al></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 7 Computer</titel></kop><al>1. Aan een gezin met schoolgaande, ten laste komende kinderen, in de
                                leeftijd van 8 tot 16 jaar, met een inkomen, welke gelijk is of
                                minder bedraagt dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm kan een
                                computer inclusief printer worden verstrekt.</al><al>2. Eenmaal per 60 maanden kan maximaal één computer per gezin worden
                                verstrekt.</al><al>3. De verstrekking vindt uitsluitend plaats in natura.</al><al>4. Er bestaat geen recht op een computer als er in de afgelopen vijf
                                kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag al een computer is
                                verstrekt op basis van deze of een andere gemeentelijke
                                regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing
                                daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de
                                ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet
                                met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
                                deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                                verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ in werking
                                treedt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                                maatschappelijke participatie kinderen”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 20 december 2011</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Verordening maatschappelijke participatie kinderen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De mogelijkheid van het verlenen van categoriale bijzondere bijstand voor de
                    kosten in verband met maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen
                    uit arme gezinnen, is per 1 januari 2009 in de Wet werk en bijstand (WWB)
                    opgenomen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan kosten in verband met
                    sport, cultuur of andere activiteiten.</al><al>In de motie Blanksma-Spekman (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 181) vraagt
                    de Tweede Kamer de regering om gemeenten die onvoldoende bijdragen het aantal
                    kinderen uit arme gezinnen dat maatschappelijk niet meedoet om financiële
                    redenen, met de helft terug te dringen, financieel af te rekenen door een
                    korting op de algemene uitkering uit het gemeentefonds.</al><al>Kinderen moeten in hun kansen en mogelijkheden tot ontwikkeling niet worden
                    belemmerd door de slechte financiële positie van hun ouders. Maatschappelijke
                    participatie van een kind is van groot belang met het oog op zijn of haar kansen
                    op een zelfredzame toekomst. De regering wil bereiken dat de
                    inkomensondersteuning rechtstreeks aan zoveel mogelijk minderjarige kinderen van
                    de doelgroep ten goede komt. Daarom is het wenselijk de categoriale bijzondere
                    bijstand aan deze groep in natura en niet als geldbedrag uit te keren.</al><al>Bij de uitvoering van deze motie heeft de regering gekozen voor een uitwerking
                    die recht doet aan het uiteindelijke doel van de motie, namelijk het steviger
                    stimuleren van gemeenten om daadwerkelijk werk te maken het aantal kinderen uit
                    arme gezinnen dat maatschappelijk niet meedoet om financiële redenen terug te
                    dringen.</al><al>Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in een verordeningsplicht voor gemeenteraden
                    ten aanzien van artikel 35, vijfde lid, van de WWB.</al><al>In de ‘wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de
                    Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de
                    arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                    uitkeringsgerechtigden’ is aan artikel 8, eerste lid onderdeel g toegevoegd,
                    waarin wordt geregeld dat de gemeenteraad in een verordening regels moet stellen
                    met betrekking tot bijzondere bijstand aan een persoon met ten laste komende
                    kinderen voor kosten in verband met maatschappelijke participatie van dat
                    kind.</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de begripsbepalingen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de in de wet
                    genoemde begrippen.</al><al>Bij lid 2 onder j wordt vermeld wat onder inkomen wordt verstaan. Het college
                    heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke inkomens- en vermogensbestanddelen als
                    middelen in aanmerking worden genomen.</al><al>Opgemerkt wordt dat alle middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de WWB
                    worden vrijgelaten zoals bepaalde heffingskortingen, huurtoeslag, een
                    re-integratie premie, de inkomstenvrijlating wegens arbeidsinschakeling, maar
                    ook het vermogen beneden de grens en de langdurigheidstoeslag, zoals omschreven
                    in hoofdstuk 4 van de wet.</al><al>Artikel 2 Indiening aanvraag</al><al>Volgens de regels van de WWB moet een aanvraag in beginsel voordat de kosten
                    zijn gemaakt, worden ingediend, in dit artikel wordt enige verruiming van die
                    regel geboden.</al><al>In dit artikel wordt een termijn vastgelegd waarbinnen een aanvraag om
                    categoriale bijzondere bijstand, uiterlijk moet worden ingediend: binnen drie
                    maanden nadat de kosten zijn gemaakt!</al><al>Artikel 3 Toerekening kosten, bewijsstukken en betaling</al><al>Omdat de kosten betrekking kunnen hebben op twee kalenderjaren regelt dit
                    artikel o.a. de toekenning over de periode waarin de kosten daadwerkelijk zijn
                    gemaakt. Slechts die bewijsstukken worden aan belanghebbende gevraagd, die niet
                    buiten belanghebbende om verkregen kunnen worden.</al><al>Bewijsstukken kunnen tot uiterlijk 1 april van het kalenderjaar volgend op de
                    maximale periode van toekenning, zoals aangegeven in het besluit tot toekenning
                    worden ingediend bij het college. De overlegde bewijsstukken die betrekking
                    hebben over de periode van toekenning kunnen worden vergoed.</al><al>Het is in het kader van administratieve lastenverlichting in principe niet
                    noodzakelijk om belanghebbende te verplichten om een factuur te overleggen. Dit
                    is slechts anders als er voldoende aanleiding bestaat om deze factuur te
                    vragen.</al><al>Artikel 4 Draagkracht</al><al>Dit artikel regelt de toepassing van de draagkrachtsystematiek bij de kosten die
                    vallen onder de deze beleidsregels.</al><al>Eerste lid:</al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke inkomens- en
                    vermogensbestanddelen als middelen in aanmerking worden genomen. Voor wat
                    betreft de vermogensvaststelling en het vaststellen van de draagkracht heeft het
                    college bepaald om bij de vaststelling van het vermogen enkel de saldi op de
                    lopende rekeningen en spaarrekeningen van de belanghebbende, diens partner en/of
                    kinderen in aanmerking te nemen voor zover de totaalsaldi uitstijgt boven de
                    vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.</al><al>Voor wat betreft de vaststelling van het inkomen heeft het college bepaald dat
                    geen draagkrachtruimte in het inkomen in aanmerking wordt genomen.</al><al>Tweede lid:</al><al>In dit lid wordt geregeld dat als er een draagkracht in het vermogen is
                    berekend, dit in mindering moet worden gebracht op het vast bedrag. Het verschil
                    tussen de berekende draagkracht en het vastgesteld bedrag kan aan belanghebbende
                    worden uitbetaald.</al><al>Derde lid:</al><al>Het derde lid bepaalt dat met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden. In
                    de praktijk komt het slechts zelden voor dat er aanleiding bestaat om rekening
                    te houden met buitengewone kosten waarmee de hoogte van de draagkracht kan
                    worden verlaagd. Bij iedere aanvraag wordt wel om deze specifieke gegevens
                    gevraagd.</al><al>In het kader van administratieve lastenverlichting voor zowel de aanvrager als
                    ook de gemeente is om die reden gekozen voor de optie, dat op verzoek van de
                    aanvrager met deze buitengewone kosten rekening wordt gehouden voor het
                    corrigeren van de draagkracht.</al><al>Artikel 5 Draagkrachtperiode</al><al>De periode waarbinnen de draagkracht wordt vastgesteld kan per aanvraag
                    verschillen.</al><al>De draagkrachtperiode wordt overeenkomstig de in het tweede lid genoemde
                    categorieën vastgesteld.</al><al>Opgemerkt wordt dat een belanghebbende van 65 jaar zowel in categorie a als ook
                    in categorie b van het genoemde lid kan vallen. In een dergelijk geval verdient
                    het aanbeveling de draagkrachtperiode vast te stellen voor de volledige
                    uitkeringsduur.</al><al> Artikel 6 Sport, cultuur of andere activiteiten</al><al>In het vijfde lid van artikel 35 is de categoriale bijzondere bijstand aan
                    personen met kinderen die naar school gaan of een beroepsopleiding volgen,
                    opgenomen. Aan hen kan categoriale bijzondere bijstand verleend worden met
                    betrekking tot kosten voor maatschappelijke participatie. Hierbij kan onder
                    andere gedacht worden aan kosten in verband met sport en cultuur. Benadrukt moet
                    worden dat het hierbij gaat om personen met ‘een hen ten laste komend kind’. Dit
                    begrip staat omschreven in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de WWB en
                    houdt in dat het moet gaan om een kind voor wie de aanvrager aanspraak kan maken
                    op kinderbijslag.</al><al>Het is wenselijk de categoriale bijzondere bijstand aan deze groep in natura en
                    niet als geldbedrag uit te keren.</al><al>Met de inwerkingtreding van de aangescherpte WWB per 1 januari 2012 is aan
                    artikel 35 een negende lid toegevoegd, inhoudende dat geen categoriale
                    bijzondere bijstand wordt verleend aan de belanghebbende wiens in aanmerking te
                    nemen inkomen hoger is dan 110 procent van de van toepassing zijnde
                    bijstandsnorm. Met deze maatregel op het terrein van categoriale
                    inkomensondersteuning wil de regering zoveel mogelijk voorkomen dat gemeenten
                    het centrale inkomensbeleid van het rijk met een eigen inkomensbeleid
                    doorkruisen. Het ongericht verstrekken van categoriale gemeentelijke
                    inkomensondersteuning wordt daarom met deze normering beperkt.</al><al>Hoe de categoriale bijzondere bijstand voor maatschappelijke participatie van
                    kinderen vorm wordt gegeven, wordt nader uitgewerkt in beleidsregels. Daarom is
                    in het derde lid aangegeven dat het college nadere regels vast kan stellen met
                    betrekking tot de genoemde bijzondere bijstand.</al><al><vet>Artikel 7 Computer</vet></al><al>Ter uitvoering van het vijfde lid van artikel 35 is in de Beleidsregels
                    bijzondere bijstand en minimaregelingen Barneveld reeds de mogelijkheid
                    opgenomen om aan bepaalde categorie personen een computer te verstrekken. Gelet
                    op de verordeningsplicht van de raad, is deze computerregeling nu ook opgenomen
                    in deze verordening.</al><al>De achtergronden van het invoeren van de computerregeling zijn drieledig:</al><al>De WWB is per 1 januari 2009 gewijzigd. Artikel 35 is in die zin gewijzigd dat
                    er een lid is toegevoegd (artikel 35, vijfde lid) die het mogelijk maakt
                    categoriaal bijzondere bijstand te geven voor een andere groep dan de 65
                    plussers.</al><al>De staatssecretaris op 10 december 2007 in een brief aan de Tweede Kamer
                    aangekondigd in 2008 en 2009 jaarlijks 40 miljoen euro extra aan gemeenten
                    beschikbaar te stellen voor de bestrijding van armoede bij kinderen. Met dat
                    geld wil hij bereiken dat meer kinderen uit arme gezinnen deelnemen aan sport,
                    cultuur of andere activiteiten. Het is zijn ambitie het aantal kinderen dat
                    maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede deze kabinetsperiode met de
                    helft terug te brengen.</al><al>In de oktoberraad van 2008 is door Pro ’98 een amendement ingediend. De
                    letterlijke tekst van dit amendement was: “mensen die in aanmerking komen voor
                    bijzondere bijstand, ook alleenstaanden en gezinnen zonder kinderen kunnen in
                    2009 een p.c. aanvragen in het kader van de bijzondere bijstand”. De
                    gemeenteraad heeft dit amendement op 30 oktober 2008 aangenomen.</al><al>Eerste lid:</al><al>De computerregeling is ingevoerd voor schoolgaande kinderen in de leeftijd van 8
                    tot 16 jaar. Volgens een onderzoek van het Nibud heeft op 8-jarige leeftijd een
                    kwart van de kinderen een computer op zijn eigen kamer staan. Het percentage bij
                    13-jarigen is zelfs 48%. Om deze reden is aansluiting gezocht bij de
                    leeftijdsgrens vanaf 8 jaar. Vanaf 16 jarige leeftijd kunnen scholieren door het
                    nemen van een bijbaantje gemakkelijker zelf een computer bij elkaar sparen.</al><al>De middelentoets (inkomen en vermogen) vindt plaats op het moment van
                    aanvragen.</al><al>De inkomensgrens is een maximale grens. Als het inkomen boven de 110% van de
                    toepasselijke bijstandsnorm ligt moet de aanvraag worden afgewezen.</al><al>Ook de vermogenstoets is van toepassing. Als het vermogen uitstijgt boven de van
                    toepassing zijnde vrij te laten vermogensgrens zoals bepaald in de wet moet de
                    aanvraag worden afgewezen.</al><al>Voor de toepassing van de middelentoets is er dus geen sprake van het berekenen
                    van draagkracht.</al><al>Omdat er geen eigen bijdrage wordt gerekend is een vergoeding voor de kosten van
                    een internetabonnement uitgesloten.</al><al>Onder een computer wordt een desktop of laptop verstaan. Ook een printer kan
                    hierbij worden verstrekt..</al><al>Tweede lid:</al><al>Voor de toepassing van de 60 maanden termijn wordt uitgegaan van de
                    aanvraagdatum.</al><al>Derde lid:</al><al>Van overheidswege is bepaald dat de voorziening in natura en niet als geldbedrag
                    worden verstrekt. De achterliggende gedachte hiervan dat de verstrekking zoveel
                    mogelijk ten goede zal komen aan de kinderen zelf.</al><al>Vierde lid:</al><al>Als er in de afgelopen drie kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag al een
                    computer is verstrekt bestaat er geen recht op een computer. Dit is het geval
                    als er op basis van deze of een andere gemeentelijke regeling heeft
                    plaatsgevonden. Onder de andere gemeentelijke regelingen worden verstaan: de
                    langdurigheidstoeslag, het inrichtingskrediet, via de individuele bijzonder
                    bijstand of in het kader van een verplicht re-integratie en/of
                    inburgeringstraject,</al><al><vet>Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden</vet></al><al>De uitvoeringspraktijk van de afgelopen jaren heeft uitgewezen dat er gevallen
                    zijn die niet of nauwelijks met beperkte regelgeving te ondervangen zijn. Er
                    moet ruimte zijn om ook in deze gevallen een aanvraag te beoordelen.</al><al><vet>Artikel 9 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van de
                    bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis van deze verordening
                    niet worden aangetast.</al><al><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich zodat een nadere toelichting niet is vereist.</al><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich zodat een nadere toelichting niet is vereist.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>