<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR339963_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, Gemeente Beemster versie 2014.01</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, 57659</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, Gemeente Beemster versie 2014.01</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004770&amp;g=2014-10-24">Invorderingswet 1990</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-10-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe beleidsregels</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1147563</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, Gemeente Beemster versie
            2014.01</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding en toepassingsgebied</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1. Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u ligt de “Leidraad invordering gemeentelijke belastingen, gemeente
                            Beemster”.</al><al>Versie 2014.01</al><al>Leidraad treedt in werking op de dag na bekendmaking van het
                            besluit</al><al>Vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders </al><al><vet>Opzet</vet></al><al>Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk<noot id="d9706e1443"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Bijlage
                                    bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M</noot.al></noot> (hierna: Rijksleidraad) bevat deze leidraad enkel beleidsregels.
                            Werkinstructies zijn niet opgenomen.</al><al>Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij
                            de Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk
                            hebben wij bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke
                            situatie. Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten
                            bij Rijksleidraad. </al><al>Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen van de
                            Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor is dat deze
                            onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor de gemeente
                            Beemster. </al><al><vet>Ontvanger/inspecteur</vet></al><al>Vanwege de leesbaarheid gebruiken wij in deze leidraad het begrip
                            ‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast
                            met de invordering van gemeentelijke belastingen<noot id="d9706e1458"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al>Artikel
                                    231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet</noot.al></noot>. Om dezelfde reden wordt in deze leidraad het begrip
                            ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke term
                            ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen<noot id="d9706e1464"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>Artikel
                                    231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet</noot.al></noot>. In de andere gevallen hebben wij gekozen voor de directe
                            vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen.
                            (Zie ook hier voetnoten).</al><al><vet>Wie stelt de Leidraad binnen de gemeente vast?</vet></al><al>Uit de wet blijkt niet wie binnen de gemeente de Leidraad moet
                            vaststellen. De Rijksleidraad is vastgesteld door de staatssecretaris
                            van Financiën. Het betreft hier een bevoegdheid die intern door de
                            minister aan de staatssecretaris is overgedragen. Met de
                            inwerkingtreding van de aanpassingswetgeving derde tranche Algemene wet
                            bestuursrecht (1 januari 1998) wordt ‘de minister’ in de Gemeentewet
                            vertaald met 'het college'. Wij stellen ons op het standpunt dat de
                            Leidraad invordering gemeentelijke belastingen ertoe strekt het
                            invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De Leidraad moet
                            als zodanig worden vastgesteld door hetzij degene aan wie de bevoegdheid
                            is geattribueerd, dat is de gemeenteambtenaar belast met de invordering
                            van gemeentelijke belastingen (artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van
                            de Gemeentewet), hetzij degene onder wiens bestuursverantwoordelijkheid
                            de bevoegdheid wordt uitgeoefend. Dit volgt uit artikel 4:81 Awb .</al><al>Afdeling 10.1.3 van de Awb gaat over attributie. Doel van deze regeling
                            is om buiten twijfel te stellen dat bij attributie van een bevoegdheid
                            aan een persoon of college,werkzaam onder de verantwoordelijkheid van
                            een ander bestuursorgaan, het gewonestaatsrechtelijke patroon niet wordt
                            doorbroken. Hiermee is dus uitdrukkelijk geregeld dat(bijvoorbeeld) de
                            invorderingsambtenaar ondergeschikt blijft aan het politiek
                            verantwoordelijke bestuursorgaan waarvoor hij werkt. Het college van
                            burgemeester en wethouders houdt dus de bevoegdheid om per geval of in
                            het algemeen instructies te geven, ook voor de toegedeelde
                            bevoegdheid.</al><al>Gelet op het voorgaande is deze leidraad vastgesteld door het college
                            van Burgemeester en Wethouders. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen</titel></kop><structuurtekst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Afkorting</vet></al></entry><entry><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry></row><row><entry><al>Awb</al></entry><entry><al>Algemene wet bestuursrecht</al></entry></row><row><entry><al>Awir</al></entry><entry><al> Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen</al></entry></row><row><entry><al>AWR</al></entry><entry><al>Algemene wet inzake rijksbelastingen</al></entry></row><row><entry><al>BW</al></entry><entry><al>Burgerlijk Wetboek</al></entry></row><row><entry><al>FW</al></entry><entry><al>Faillissementswet</al></entry></row><row><entry><al>MSNP</al></entry><entry><al>Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen</al></entry></row><row><entry><al>Rv</al></entry><entry><al>Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</al></entry></row><row><entry><al>Sr</al></entry><entry><al>Wetboek van Strafrecht</al></entry></row><row><entry><al>Sv</al></entry><entry><al>Wetboek van Strafvordering</al></entry></row><row><entry><al>WSF</al></entry><entry><al>Wet Studiefinanciering 2000</al></entry></row><row><entry><al>WSNP</al></entry><entry><al>wettelijke schuldsanering natuurlijke personen</al></entry></row><row><entry><al>Wwb</al></entry><entry><al>Wet werk en bijstand</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.2. Definities</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>belasting(en): belastingen die door de gemeente worden
                                    geheven;</al></li><li nr="-"><al>belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen
                                    gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel
                                    e, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="-"><al>echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Wwb;</al></li><li nr="-"><al>inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede
                                    lid, onderdeel b, van de Gemeentewet , met inbegrip van de
                                    ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de
                                    inspecteur;</al></li><li nr="-"><al>ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of
                                    zelfstandig een beroep uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede
                                    lid, onderdeel c, van de Gemeentewet , met inbegrip van de
                                    ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de
                                    ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt
                                    aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
                                    ;</al></li><li nr="-"><al>wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
                                    rijksbelastingen (Invorderingswet 1990 ).</al></li></lijst><al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
                            verstaan als de wet daaronder verstaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden</titel></kop><structuurtekst><al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere
                            derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de
                            invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de
                            leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere
                            derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid
                            van die voorschriften te beperken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in
                            overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks
                            het feit dat artikel 3:40 , titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125,
                            titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van
                            toepassing zijn op de wet.</al><al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de
                            mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet<noot id="d9706e1648"><noot.nr> 4 </noot.nr><noot.al>Zie
                                    artikel 236, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Gemeentewet</noot.al></noot>, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen
                            op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid
                            hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel
                            4:13 , 4:14 en 4:15 Awb ).</al><al>Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
                            maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
                            overleg (artikel 7:10 Awb ). Voor het beslissen op beroepschriften bij
                            administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken
                            en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel
                            7:24 Awb ).</al><al>Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
                            voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel
                            4:17 Awb ). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de
                            dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als
                                    bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als
                                    bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.</al></li></lijst><al>Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is
                            artikel 4.84 Awb . Op grond van die bepaling is het mogelijk af te
                            wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad.
                            Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
                            belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere
                            omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de
                            leidraad dient.</al><al>Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het
                            afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van
                            het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk
                            bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de
                            leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit
                            criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld
                            in artikel 3:4 Awb .</al><al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
                            ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk
                            bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke
                            handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke).</al><al>Dit betekent onder meer dat als de gemeente aannemelijk heeft gemaakt
                            dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een
                            onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger desgevraagd de
                            belastingaanslag marginaal toetst. Wanneer bij de marginale toetsing
                            blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan
                            worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen
                            invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet
                            alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel,
                            maar ook de verrekening met belastingteruggaven begrepen. Genomen
                            invorderingsmaatregelen draait de ontvanger zoveel mogelijk terug. Onder
                            een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband
                            verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open
                            staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in
                            verband met termijnoverschrijding.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
                            eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
                            voorkeur.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het
                            voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig
                            werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder
                            een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar
                            behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep.</al><al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
                            ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
                            onwetend blijven.</al><al>De ontvanger vraagt altijd toestemming als:</al><lijst><li nr="-"><al>met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel
                                    van) de activa van het bedrijf wordt beoogd;</al></li><li nr="-"><al>door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel
                                    of nagenoeg geheel worden vastgelegd;</al></li><li nr="-"><al>derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds
                                    het geval is bij derdenbeslag;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
                                    openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen
                                    als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door
                                    die schuldeiser.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen</titel></kop><structuurtekst><al>Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
                            onderdeel e, en artikel 18 van de wet doet de deurwaarder geen exploten
                            of verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur's avonds en 07.00
                            uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag,
                            behalve na een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In
                            aanvulling hierop geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen
                            treft op Goede Vrijdag.</al><al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren
                            op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die
                            maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden
                            verschoven.</al><al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is
                            van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot
                            de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als
                            de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid
                            van de wet terstond invordert.</al><al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:</al><lijst><li nr="-"><al>landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en
                                    gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de
                                    daarop volgende dag;</al></li><li nr="-"><al>de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.9. Binnenkomst van bescheiden</titel></kop><structuurtekst><al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn
                            verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van
                            binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij de
                            gemeente.</al><al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen
                            heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze
                            gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er
                            redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder
                            dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen
                            in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs
                            civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.10. Positie belastingdeurwaarder</titel></kop><structuurtekst><al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen
                            ambtenaar van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de
                            gemeente aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is
                            de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb , dan wel
                            handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
                            ontvanger).</al><al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
                            zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid
                            is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen
                            niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die
                            handelingen dient.</al><al>Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in
                            welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op
                            grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden
                            om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt
                            meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
                            verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering
                            van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.</al><al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger.
                            Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die
                            hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering , slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van
                            de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die
                            bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in
                            te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem
                            of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn
                            ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens
                            opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder
                            werkzaam is.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
                            invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het
                            recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten
                            grondslag ligt nog niet is verjaard.</al><al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende
                            ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel
                            langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun
                            belang definitief hebben verloren.</al><al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
                            belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar
                            bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden
                            aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen</titel></kop><structuurtekst><al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de
                            ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen
                            of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger
                            is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het
                            verleden - voor wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben
                            voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden
                            vermelden.</al><al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige
                            of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
                            belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan
                            heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd
                            is.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.13. Informatieplicht</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet
                            enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is
                            betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag
                            gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling
                            plaatsvindt.</al><al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk
                            VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan
                            komen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.1.14. Diplomatieke status</titel></kop><structuurtekst><al>De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
                            status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken.
                            De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:</al><al>Ministerie van Buitenlandse Zaken</al><al>Directie Kabinet en Protocol</al><al>Postbus 20061</al><al>2500 EB 's-Gravenhage</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2. Toepassingsgebied</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het
                                toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel
                                van de Awb niet van toepassing is op de wet.</cursief></al><al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en
                            het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze
                            leidraad).</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over het begrip 'woonplaats'.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.1. Woonplaats</titel></kop><structuurtekst><al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de
                            uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud.</al><al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen
                            overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , sluit de
                            ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen
                            1:10 en volgende van het BW. </al><al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk IV van
                            de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen
                            'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke
                            verordening op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de
                            aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden ontvangen</titel></kop><al><cursief>Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden
                                van de ontvanger.De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die
                                voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte
                                op (artikel 3, tweede lid).</cursief></al><al>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige
                            toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het
                            bestuurs-orgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden
                            beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is
                            thans geregeld in artikel 4:124 Awb ).</al><al>In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>het leggen van conservatoir beslag;</al></li><li nr="-"><al>het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;</al></li><li nr="-"><al>de Rijksadvocaat.</al></li><li nr="-"><al>Faillissementsaanvraag</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke
                            bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij
                            alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een
                            schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger
                            zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als
                            van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te
                            bereiken.</al><al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij
                            het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als
                            de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden
                            over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan
                            doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de
                            belangen van de belastingschuldige en eventuele derden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.2. Conservatoir beslag</titel></kop><structuurtekst><al>Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast
                            de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen.
                            Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde
                            invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent
                            tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor
                            verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger
                            niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de
                            artikelen 10 en 15 van de wet .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt
                            de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de
                            voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel
                            verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag
                            wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als
                            bedoeld in artikel 700, derde lid Rv .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.3.1 Juridische bijstand</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de ontvanger
                            zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                            uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen
                            van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="-"><al>beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR ;</al></li><li nr="-"><al>hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR ;</al></li><li nr="-"><al>(hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet
                                    invordering rijksbelastingen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.3.2 Toestemming</titel></kop><structuurtekst><al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet
                            hij toestemming hebben van het college. Behalve voor in hoger beroep te
                            voeren zaken geldt het voorgaande niet voor:</al><lijst><li nr="-"><al>verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>verzoekschriftprocedures;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkheidsprocedures;</al></li><li nr="-"><al>procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet
                                    ex artikel 435, derde lid , of artikel 708, tweede lid, Rv
                                    .</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.4. Rijksadvocaat</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.5. Faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het
                            college.</al><al>Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van
                            een faillissement.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Strafbeschikking</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel></kop><al><cursief>Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van
                                deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de
                                invordering van (rijks) belastingen, uitsluitend een
                                belastingdeurwaarder bevoegd is.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over de reikwijdte van die bevoegdheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten
                            en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband
                            houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden
                            van de ontvanger.</al><al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot
                            die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs
                            civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124
                            van de AWB gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten
                            worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte
                            optreedt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4.2. Bescherming</titel></kop><structuurtekst><al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en
                            180 Sr . Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover
                            zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4.3. Legitimatie</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de
                            belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de
                            belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Reikwijdte van de wet</titel></kop><al><cursief>Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is
                                op:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>de rente;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de kosten.</cursief></al></li></lijst><al>In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over rente en kosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de
                            wet</titel></kop><structuurtekst><al>Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan:
                            de invorderingsrente.</al><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan
                            de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering
                            langs civielrechtelijke weg.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betaling en afboeking</titel></kop><al><cursief>Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van
                                betalingen plaats moet vinden:</cursief></al><al>-<cursief>Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens
                                gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de
                                belastingaanslag;</cursief></al><al>-<cursief>Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende
                                componenten van de belastingaanslag plaatsvindt;</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdstip van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>teveelbetalingen;</al></li><li nr="-"><al>het rekenen van rente en kosten bij afboeking;</al></li><li nr="-"><al>het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>betaling bij vergissing;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een
                                    betaling.</al></li><li nr="-"><al>betaling van kleine bedragen;</al></li><li nr="-"><al>ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en
                                    faillissement;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.1. Tijdstip betaling</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de
                                    rekening van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling door middel van storting van contant geld of door
                                    middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van
                                    betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of
                                    pin-transactie.</al></li><li nr="-"><al>Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een
                                    pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of
                                    creditcardtransactie als tijdstip van betaling;</al></li><li nr="-"><al>Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van
                                    -ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd,
                                    tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het
                                    bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van
                                    betaling;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het
                                    bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van
                                    betaling.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.2. De afboeking van de betaling</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:</al><lijst><li nr="-"><al>Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt
                                    overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven
                                    bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet
                                    neergelegde wijze van toerekening van betalingen;</al></li><li nr="-"><al>Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde
                                    ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande
                                    belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die
                                    belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te
                                    wijken;</al></li><li nr="-"><al>Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke
                                    belastingen ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het
                                    bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
                                    dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de
                                    belastingschuld plaatsvindt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.3. Teveelbetaling</titel></kop><structuurtekst><al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag
                            betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen
                            openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en
                            dienovereenkomstig behandeld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan
                            de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering
                            langs civielrechtelijke weg.</al><al>Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan:
                            de invorderingsrente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen</titel></kop><structuurtekst><al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag
                            worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten
                            zijn gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van
                            betaling is verleend</titel></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag
                            vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats
                            aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel
                            van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of
                            beroepschrift (in hoger beroep).</al><al>Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na
                            afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit
                            bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete
                            is afgeboekt en de bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan
                            blijven de afboekingen gehandhaafd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden</titel></kop><structuurtekst><al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden
                            eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde
                            zelf in rekening zijn gebracht.</al><al>Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende
                            belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is -
                            echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die
                            aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor
                            zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld.</al><al>Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden
                            schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de
                            betaling door de aansprakelijkgestelde.</al><al>de belastingschuldige schriftelijk in over de afboeking van zijn
                            betaling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.8. Betaling bij vergissing</titel></kop><structuurtekst><al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een
                            evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt
                            bijzondere voorzichtigheid betracht.</al><al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft
                            plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering
                            niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben.</al><al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor
                            de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het
                            feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de
                            schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan.</al><al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als
                            het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan
                            niet plaats.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7.9. Mededeling afboeking betaling</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger stelt de belastingschuldige van de afboeking van een
                            betaling waarbij invorderingsrente in rekening is gebracht schriftelijk
                            op de hoogte, tenzij het een slotbetaling betreft op een
                            belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt.</al><al>Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van
                            een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen
                            vervolgingskosten worden afgeboekt.</al></structuurtekst><artikel><kop><nr>7.10.</nr><titel>Betaling van kleine bedragen</titel></kop><al>Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de
                            termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door ontvanger aangemerkt
                            wordt als nodeloze overlast. In dat geval treedt hij in contact met de
                            belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen.</al></artikel><artikel><kop><nr>7.11.</nr><titel>Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en
                                faillissement</titel></kop><al>Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement
                            ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de
                            gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van artikel 7.2 van
                            deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7a</nr><titel>Uitbetaling van belastingteruggaven</titel></kop><al><cursief>Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger
                                bedragen uitbetaalt.</cursief></al><al>Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te
                            betalen op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het
                            komt in de praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige
                            aan wie de ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer)
                            heeft aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een
                            dergelijke situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de
                            ontvanger betaalt op een bankrekening die op naam van de
                            belastingschuldige staat.</al><al>In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft
                            dit artikel het beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>uitbetalingsfouten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling</titel></kop><structuurtekst><al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het
                            verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag
                            wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het
                            schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende
                            rekeningnummer door de gemeente, geldt dit ook als aanwijzing.</al><al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking
                            tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag
                            een ander rekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld
                            rekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van
                            uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken.</al><al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk
                            plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze
                            bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7a.2. Uitbetalingfouten</titel></kop><structuurtekst><al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere
                            rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is
                            aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De
                            ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag
                            eerst wordt gerestitueerd.</al><al>Hernieuwde uitbetaling vindt direct plaats als de belastingschuldige
                            aantoont dat:</al><lijst><li nr="-"><al>hij tijdig voor de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven
                                    dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet
                                    geschieden, en</al></li><li nr="-"><al>hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de
                                    bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de
                                    uitbetaling heeft plaatsgevonden, geblokkeerd is.</al></li></lijst><al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden
                            wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag
                            vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.</al><al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door
                            de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept
                            zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling
                            (artikel 6:34 BW ). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte
                            gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan
                            wie onverschuldigd is betaald.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bekendmaking aanslag</titel></kop><al><cursief>Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de
                                belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de
                                belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in
                                zijn geheel verschuldigd.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                                    situaties;</al></li><li nr="-"><al>de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en
                                    aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan
                                    erfgenamen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                            situaties</titel></kop><structuurtekst><al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de
                            belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien
                            verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de
                                    curator worden gezonden;</al></li><li nr="-"><al>ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt
                                    gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan
                                    wel een boedelschuld vormt;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan
                                    de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat
                                    verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen
                                    heeft opgeleverd;</al></li><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie
                                    bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de
                                    executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de
                                    erfgenamen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8.2. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en
                            aanslagbiljet</titel></kop><structuurtekst><al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de
                            omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van
                            hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de
                            belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de
                            belasting materieel is verschuldigd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen
                            belastingaanslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de
                            erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel
                            mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een
                            redelijk termijn te voldoen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betalingstermijnen</titel></kop><al><cursief>Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen
                                belastingaanslagen moeten worden betaald.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                            over:</al><lijst><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige
                                    aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige
                                    teruggaven;</al></li><li nr="-"><al>de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van het aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het begrip maand bij betalingstermijnen.</al></li><li nr="-"><al>regeling betalingstermijnen</al></li><li nr="-"><al>automatische incasso</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige
                            aanslagen</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige
                            teruggaven</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.4. Dagtekening aanslagbiljet</titel></kop><structuurtekst><al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald
                            dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van
                            dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van
                            artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.5. Begrippen bij betalingstermijnen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is
                            gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een
                            aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand
                            vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op
                            12 december.</al><al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van
                            een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april,
                            tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval
                            de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april.</al><al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de
                            laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later
                            (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer
                            heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15
                            maart is, vervalt de termijn dus op 15 april.</al><al>Is de betalingsgtermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt
                            de termijn op 26 april.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder
                            het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van
                            een terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie
                            is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de
                            gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel
                            9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een
                            belastingteruggaaf. </al><al>Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van
                            een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats
                            vindt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.7. Regeling betalingstermijnen</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in
                            de belastingverordening geregeld.Is in de belastingverordening niets
                            geregeld, dan zijn de betalingstermijnen uit de wet van toepassing.</al><al>In aansluiting op artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene
                            Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard.</al><al>Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(en)
                            aangegeven. Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag
                            (of het evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben
                            betaald.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9.8. Automatische incasso</titel></kop><structuurtekst><al>Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het
                            mogelijk de aanslag(en) te voldoen via een automatische incasso.
                            Hiervoor heeft het college een incassoreglement<noot id="d9706e2440"><noot.nr> 5 </noot.nr><noot.al>Incassoreglement zie bijlage I</noot.al></noot> vastgesteld.</al><al>Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende,
                            ruimere, betalingstermijn(en) toegestaan.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Versnelde invordering</titel></kop><al><cursief>Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve
                                opsomming van bijzondere situaties waarin de ontvanger met
                                doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven
                                betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle
                                bedrag kan invorderen.</cursief></al><al><cursief>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten
                                uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze
                                versnelde invordering.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de reikwijdte van de versnelde invordering;</al></li><li nr="-"><al>de vrees voor verduistering;</al></li><li nr="-"><al>het metterwoon verlaten van Nederland;</al></li><li nr="-"><al>geen vaste woonplaats in Nederland;</al></li><li nr="-"><al>als er al beslag ligt;</al></li><li nr="-"><al>de verkoop namens derden;</al></li><li nr="-"><al>de vordering ex artikel 19.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.1. Reikwijdte versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht
                            daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van
                            de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te
                            verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het
                            volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het
                            aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet
                            op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.</al><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is
                            uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel)
                            invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk
                            mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag
                            invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde
                            betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave
                            van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond
                            waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.</al><al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde
                            dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat
                            vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het
                            volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van
                            mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het
                            dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De
                            belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als
                            bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van
                            direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid
                            stellen om onmiddellijk te betalen.</al><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend
                            - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is
                            verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) -
                            vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte
                            schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10,
                            eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel.</al><al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet
                            na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de
                            tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen
                            nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als
                            sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de
                            gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen.</al><al>Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet
                            terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al
                            zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd
                            zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent
                            de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel
                            overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den)
                            gelden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de
                            belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b,
                            van de wet is sprake, als de ontvanger aannemelijk kan maken dat
                            redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een
                            aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal
                            worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de
                            belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.</al><al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen
                            van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan
                            door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding
                            geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden
                            gevreesd.</al><al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde
                            beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet
                            voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het
                            beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden
                            opgeheven maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het
                            feit dat er geen beslag ligt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde
                            invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige
                            van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van
                            vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de
                            ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste
                            lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag
                            invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de
                            belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke
                            betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de
                            belastingschuldige die zich in Nederland bevinden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde
                            invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is
                            gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de
                            belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er
                            moet een situatie bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit
                            kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden
                            voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden
                            verhaald.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.5. Beslag en versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde
                            goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige -
                            waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan
                            de ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke
                            invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale
                            verkoop, zodat de ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan
                            treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal
                            plaatshebben.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet
                            doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en
                            tot het volle bedrag invorderbaar wordt.</al><al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een
                            vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere
                            belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle
                            bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe
                            aanslagen nog niet zijn verstreken.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanmaning</titel></kop><al><cursief>Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet
                                binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger
                                overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending
                                van een aanmaning.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de geadresseerde van de aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>als de aanmaning ten onrechte is verzonden;</al></li><li nr="-"><al>het achterwege laten van tussentijdse vervolging;</al></li><li nr="-"><al>de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>de betalingsherinnering;</al></li><li nr="-"><al>de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.1. De geadresseerde van de aanmaning</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is
                            verzonden of uitgereikt.</al><al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten
                            voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat,
                            dan zendt de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de
                            wettelijke vertegenwoordiger.</al><al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de
                            aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de
                            nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere
                            erfgenaam afzonderlijk.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden</titel></kop><structuurtekst><al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat
                            hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging
                            niet voortgezet voordat dit is opgehelderd.</al><al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd
                            voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling
                            is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen
                            die de rechten van de gemeente veilig stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en
                            aanmaning</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning</titel></kop><structuurtekst><al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het
                            achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een
                            dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning
                            voorafgegaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.5. Betalingsherinnering</titel></kop><structuurtekst><al>Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag
                            van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de
                            belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke
                            betalingsherinnering toezenden. Als er geen betalingsherinnering wordt
                            verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de
                            belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de
                            ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding
                            hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel
                            verzendt de ontvanger eerst een aanmaning.</al><al>De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir
                            beslag is gelegd.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Dwangbevel</titel></kop><al><cursief>Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de
                                belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te
                                vaardigen dwangbevel.</cursief></al><al><cursief>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot
                                invordering van de belastingaanslag.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het onderwerp van het dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>tegen wie een dwangbevel wordt verleend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12.1. Onderwerp van het dwangbevel</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo
                            verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende
                            belastingaanslagen en beschikkingen.</al><al>Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger
                            een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de
                            termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden.</al><al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:</al><lijst><li nr="-"><al>de inmiddels gedane betalingen;</al></li><li nr="-"><al>verleende verminderingen;</al></li><li nr="-"><al>bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is
                                    verleend.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of
                            diens rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen
                            een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke
                            gronden dit gebeurt.</al><al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een
                            belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot
                            uitdrukking. Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet
                            vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen.</al><al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op
                            diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de
                            gezamenlijke erfgenamen.</al><al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een
                            overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk
                            is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede
                            met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in
                            het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van
                            ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Betekening van het dwangbevel</titel></kop><al>In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel
                            beschreven 7. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de
                            belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in
                            verzet kan komen.</al><al>Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De
                            betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan
                            plaatsvinden:</al><lijst><li nr="-"><al>door de belastingdeurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>per post door de ontvanger.</al></li></lijst><al>In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel per post;</al></li><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13.1. Betekening dwangbevel per post</titel></kop><structuurtekst><al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling
                            vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor
                            de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot
                            betaling.</al><al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter
                            verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als
                            betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post
                            bezorging.</al><al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het
                            dwangbevel per post te betekenen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen</titel></kop><structuurtekst><al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het
                            dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de
                            administratie van de gemeente bekende adres van de
                            belastingschuldige.</al><al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het
                            algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de
                            Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is geregistreerd. Als
                            de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde
                            poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens
                            de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens - bijvoorbeeld een
                            postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.</al><al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een
                            - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de
                            belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen
                            rechtsgevolg verbonden.</al><al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de
                            belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het
                            afschrift niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als
                            betekend. Dit is niet het geval als de belastingschuldige bijzondere
                            omstandigheden aannemelijk kan maken op grond waarvan moet worden
                            aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet
                            heeft bereikt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder</titel></kop><structuurtekst><al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder
                            aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen
                            kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie
                            de belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de
                            belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel
                            47, eerste lid, Rv .</al><al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat
                            achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er
                            niet toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook
                            daadwerkelijk zal bereiken.</al><al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het
                            adres van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats
                            heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is
                            uitgevaardigd door de ontvanger van een andere gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel</titel></kop><structuurtekst><al>Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de
                            belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder
                            curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke
                            vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden
                            overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden
                            van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.</al><al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is
                            betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen
                            domicilie.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tenuitvoerlegging van het dwangbevel</titel></kop><al>Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het
                            dwangbevel.</al><al>In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet
                            beschrijft dit artikel het beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over tenuitvoerlegging;</al></li><li nr="-"><al>beslag op roerende zaken die geen registergoederen;</al></li><li nr="-"><al>beslag op onroerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>beslag onder derden;</al></li><li nr="-"><al>beslag op schepen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de
                            belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met
                            toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
                            rechtsvordering ten uitvoer leggen (zie artikel 4:116 Awb).</al><al>Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een
                            hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot
                            tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid
                            van de wet). </al><al>Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt
                            conform artikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het bevel
                            in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat de
                            belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde
                            betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de
                            wet).</al><al>In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot
                            tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een
                            hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als
                            het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en
                            onderdeel c, van de wet , terstond ten uitvoer kan worden gelegd
                            (artikel 14, tweede lid, van de wet).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen</titel></kop><structuurtekst><al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van
                            tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens
                            tenuitvoerlegging</titel></kop><structuurtekst><al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde
                            belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de
                            tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de
                            nodige soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel
                            voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of
                            tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de
                            belastingschuldige op te nemen.</al><al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet
                            dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt,
                            als hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben
                            gegeven als alle omstandigheden bekend waren geweest.</al><al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling
                            inmiddels heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van
                            betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in
                            artikel 25.1.15 of 26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht
                            elkaar hebben gekruist.</al><al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag,
                            wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd,
                            overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een
                            voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan
                            wel dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel
                            van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als
                            uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in het in deze
                            leidraad geformuleerde beleid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is
                            overleden</titel></kop><structuurtekst><al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat
                            de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn
                            van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW , is verstreken.</al><al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de
                            rechtbank de termijn van drie maanden verlengen.</al><al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de
                            vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde
                            zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij
                            ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke
                            rangorde, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de
                            executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan
                            voorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een
                            openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden
                            getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat
                            aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan.</al><al>De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of
                            aan die voorwaarden is voldaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter
                            opheffing van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking
                            verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het
                                    vermogen van de belastingschuldige;</al></li><li nr="2."><al>Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst
                                    die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;</al></li><li nr="3."><al>De belangen van de gemeente worden niet geschaad.</al></li></lijst><al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde
                            belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal
                            zoeken, en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden
                            verbinden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.9. Opschorten van de executie</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van
                            beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop
                            plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de
                            belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat
                            geval kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in
                            totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is
                            gelegd.</al><al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de
                            belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de
                            belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een
                            schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige
                            is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen
                            uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.10. Onderhandse verkoop</titel></kop><structuurtekst><al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting
                            aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare
                            verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop.</al><al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde
                            belangen van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend
                            hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een
                            bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag.</al><al>Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de
                            gemeente worden geschaad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld
                                    in artikel 14.1.8 van deze leidraad;</al></li><li nr="b."><al>een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze
                                    leidraad.</al></li></lijst><al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het
                            beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is
                            dan die van een onderhandse verkoop.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.12. Strafrechtelijk beslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex
                            artikel 94 Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader
                            van een ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de
                            belastingdeurwaarder heeft gelegd pas vervolgd nadat het
                            strafrechtelijke beslag is opgeheven.</al><al>Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt,
                            kan het fiscale beslag blijven liggen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering
                            en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.</al><al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en
                            ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van
                            invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de
                            ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel
                            niet direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de
                            belangen van de gemeente worden geschaad.]</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige
                            niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden
                            met gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van
                            tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.</al><al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving
                            achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het
                            woonadres zal vervoegen.</al><al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het
                            stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik
                            wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich
                            tegen deze handelwijze verzet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander
                            Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel
                            domicilie is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie
                            gekozen ten kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het
                            beslag legt zijn standplaats heeft.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de
                            belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de
                            deurwaarder deze betaling.</al><al>Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan
                            de belastingschuldige wordt gelaten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de
                            belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de
                            openstaande schuld inclusief rente en kosten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende
                            zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de
                            inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt,
                            wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te
                            dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en
                            eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv
                            .</al><al>Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en
                            vaststaat dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren,
                            blijft inbeslagname achterwege.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende
                            zaken</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan
                            een derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van
                            verrekening met de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de
                            volgende zaken aantreft:</al><lijst><li nr="-"><al>zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en</al></li><li nr="-"><al>strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de
                                    belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop,
                                    eigendomsvoorbehoud); en</al></li><li nr="-"><al>waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen
                                    verhalen.</al></li></lijst><al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de
                            executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het
                            restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de
                            belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop
                            deze derde een retentierecht heeft.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden</titel></kop><structuurtekst><al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden,
                            verhaalt de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door
                            het leggen van een beslag op roerende zaken.</al><al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden
                            leggen als:</al><lijst><li nr="-"><al>de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag
                                    roerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de
                                    zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren;</al></li><li nr="-"><al>de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv ,
                                    voordat het exploot van beslag op roerende zaken is
                                    afgesloten.</al></li></lijst><al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op
                            roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen
                            afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als
                            derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie
                            dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als
                            bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv .</al><al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde
                            voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel
                            461d Rv .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de
                            belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</al><al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen
                            zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als
                            bedoeld in Rv . Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger
                            niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag
                            genomen zaken.</al><al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die
                            zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is
                            bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of
                            beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op
                            de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de
                            zaken niet worden afgevoerd.</al><al>Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt
                            slechts gebruik gemaakt:</al><lijst><li nr="-"><al>als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld
                                    niet kan worden ingevorderd en;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren
                                    dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden
                                    geacht.</al></li></lijst><al>Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van
                            een actie op grond van artikel 18 van de Wet, gebeurt niet door de
                            belastingdeurwaarder dan na daartoe verkregen toestemming van de
                            ontvanger van de gemeente.</al><al>De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de
                            ontvanger of van een andere door hem daartoe aangewezen
                            functionaris.</al><al>Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de
                            belastingdeurwaarder ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan
                            te brengen ter zekerheid tegen verduistering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting
                            zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte
                            overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken
                            zich bevinden, als:</al><lijst><li nr="-"><al>de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9
                                    van deze leidraad; en</al></li><li nr="-"><al>de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding
                                    zeer hoge kosten kunnen</al></li></lijst><al> worden afgevoerd.</al><al>Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden
                            overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van
                            de ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de
                            plaatsvervanger van de ontvanger [of van een andere door de ontvanger
                            daartoe aangewezen functionaris].</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden
                            weggevoerd of op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting
                            plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die
                            in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het
                            bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De
                            aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal dat in
                            de betreffende situaties moet worden opgemaakt.</al><al>Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit
                            zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de
                            belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die
                            tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding
                            gegeven.</al><al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de
                            beslagen zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden
                            vervoerd of opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of
                            economisch bederf minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken
                            onder normale omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen
                            maatregelen en de daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke
                            verhouding staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende
                            zaken.</al><al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen
                            aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder
                            aangesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd
                                    lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het
                                    bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen;</al></li><li nr="-"><al>als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het
                                    bewaarderschap niet uitdrukkelijk te worden ontnomen;</al></li><li nr="-"><al>als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en
                                    deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische
                                    aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer
                                    te (kunnen) hebben bij het beslag.</al></li></lijst><al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend
                            geval kan dit bij deurwaardersexploot.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt
                            alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De
                            belastingdeurwaarder moet - voordat tot executoriale verkoop wordt
                            overgegaan - nagaan of deze apparatuur nog de zogenoemde 'software'
                            bevat (bestanden, programma's en dergelijke). Als dat het geval is, dan
                            moet de belastingschuldige de mogelijkheid worden geboden om die
                            software te verwijderen en een back-up te maken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina
                            werken</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of
                            platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens
                            de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of
                            met dat doel worden tentoongesteld.</al><al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of
                            platina werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken -
                            moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986
                            dat voorschrijft.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.15. Beslag op illegale zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de
                            vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden
                            van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze
                            doorgang vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de
                            beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre
                            aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij
                            geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze leidraad.</al><al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde
                            zaken worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan
                            moet de ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen
                            worden getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen
                            zaken over te gaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende
                            zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een
                            andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast
                            is, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden.</al><al>Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de
                            executie plaats te laten vinden via internetveiling. Indien dit middel
                            wordt ingezet zullen voorafgaand de regels hiervoor openbaar gemaakt
                            worden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                            ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                            deurwaardersexploot kenbaar gemaakt.</al><al>Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv
                            wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende
                            zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen
                            omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt
                            afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De
                            ontvanger boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met
                            inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.</al><al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er
                            beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is
                            vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne
                            overeenstemming te bereiken over de toedeling van de
                            netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan zijn de
                            artikelen 481 en volgende Rv van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het
                            proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk
                            toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de
                            kopers onleesbaar zijn gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger
                            vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze
                            informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen
                            verzet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.2.21 Relaas van onttrekking</titel></kop><structuurtekst><al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr ) kan
                            van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De
                            ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan
                            de officier van justitie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3. Beslag op onroerende zaken</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag
                            onroerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak
                            aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De
                            belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om
                            in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of
                            vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe
                            verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9
                            is van overeenkomstige toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak
                            heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel
                            mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan.</al><al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij
                            altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de
                            invordering aan hem is opgedragen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en
                            tevens de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk
                            een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er
                            wordt in zo’n geval dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde
                            lid, Rv .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden
                            die op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg
                            over de inhoud van deze voorwaarden.</al><al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald
                            dat de kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de
                            executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als
                            de koopprijs niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden
                            aangezuiverd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt
                            schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag
                            aan de huurder of pachter is betekend, ontvangt deze ook een
                            schriftelijke mededeling.</al><al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan
                            aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders
                            en - indien van toepassing - aan de bewaarder.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4. Beslag onder derden</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.1. Beslag op vordering van een derde</titel></kop><structuurtekst><al>In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste
                            van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt
                            dat - na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde
                            geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te
                            hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.</al><al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van
                            derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de
                            belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander -
                            bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Denk hierbij
                            bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in
                            gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag
                            gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, als de
                            echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die
                            onder het beslag vallen.</al><al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de
                            derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de
                            echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden
                            betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden
                            hij de vordering die op naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent
                            te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de
                            belastingschuldige.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19</titel></kop><structuurtekst><al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van
                            de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een
                            vordering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.3. Roerende zaken bij derden</titel></kop><structuurtekst><al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige
                            bevinden, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel
                            14.2.8 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en
                            de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht
                            geschonken. De situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor
                            heeft en een of meerdere bijkantoren. In dat geval legt de
                            belastingdeurwaarder het beslag zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan
                            wel het filiaal of bijkantoor dat bemoeienis heeft met de gelden of
                            zaken waarop verhaal wordt gezocht.</al><al>In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander
                            filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij
                            de belastingdeurwaarder.</al><al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag
                            bij de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere
                            schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip
                            nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in
                            een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding
                            gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor
                            geldt</titel></kop><structuurtekst><al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel
                            artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn
                            levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan
                            past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de
                            beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van
                            verklaring</titel></kop><structuurtekst><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de
                            ontvanger in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van
                            vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen.</al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te
                            gaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van
                            verklaring</titel></kop><structuurtekst><al>De derdebeslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger
                            in gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare
                            geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking
                            stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de
                            schriftelijke uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene.</al><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn
                            verplichting te voldoen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen
                            van hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten
                            direct tot afdracht te willen overgaan.</al><al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee -
                            als er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten - dat het
                            beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door de
                            derde-beslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen
                            goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of
                            lijfrente</titel></kop><structuurtekst><al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of
                            lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv
                            het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van
                                    derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige
                                    oudedagsvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen
                                    de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of
                                    belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de
                                    ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of
                                    belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als
                                    een verboden handeling die tot negatieve uitgaven voor
                                    inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in
                                    de inkomstenbelasting kan worden opgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt,
                                    de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie
                                    jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag
                                    niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat
                                    geval laat de ontvanger - in overleg met belastingschuldige -
                                    het beslag liggen tot de expiratiedatum;</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot
                                    uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de
                                    weg;</al></li><li nr="-"><al>De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd
                                    moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel
                                    verschuldigd worden geacht.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het
                            derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op
                            grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor
                            het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de
                            belastingschuldige. Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de
                            executiewaarde van de desbetreffende zaak.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de
                            ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij
                            deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als
                            de derde.</al><al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven
                            aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een
                            afschrift van deze kennisgeving.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde
                            betaling instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de
                            belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre
                            niet te zijn voldaan.</al><al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof
                            er geen derdenbeslag is gelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen van
                            verklaring</titel></kop><structuurtekst><al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger, dan is
                            specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar artikel
                            479 Rv. </al><al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te
                            belemmeren, maar de taak van de Staat of de ontvanger te verlichten. Dit
                            betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet
                            moet beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen,
                            maar zich ook moet uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te
                            vorderen heeft van de Staat of de ontvanger en wat bij de Staat of de
                            ontvanger bekend was op het moment van beslaglegging.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5. Beslag op schepen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige
                            maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij
                            bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig
                            voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben
                            gepleegd met de ontvanger - van deskundige bijstand. De kosten van deze
                            bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige.</al><al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het
                            schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld
                            wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de
                            belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en
                            dit voorstel voor de ontvanger - gelet op de omstandigheden -
                            aanvaardbaar is.</al><al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij
                            artikel 25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5.2. De executie van schepen</titel></kop><structuurtekst><al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven
                            gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een
                            bevoegde notaris.</al><al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten
                            overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik
                            moeten worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een
                            notaris niet erkent.</al><al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze
                            als de executie van andere roerende zaken die geen registergoederen
                            zijn. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger
                            een andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de
                            verkoop is belast, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De
                            ontvanger geeft deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere
                            aanwijzingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip</titel></kop><structuurtekst><al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen
                            doorgang kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor dat de
                            aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op
                            andere wijze gedane aankondigingen dienovereenkomstige maatregelen.</al><al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan
                            wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling
                            gedaan. Als verwacht mag worden dat deze mededeling de
                            belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop
                            bereikt, dan stelt de ontvanger hem zo mogelijk op een andere wijze in
                            kennis.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen</titel></kop><structuurtekst><al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de ontvanger een
                            makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen</titel></kop><structuurtekst><al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan
                            de belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van teboekgestelde schepen -
                            van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de
                            ingeschreven schuldeisers.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Doorlopend beslag</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen.</al></artikel><artikel><kop><nr>16.1.</nr><titel>Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen</titel></kop><al>Als vóór 1 januari 2011 door de ontvanger derdenbeslag onder de
                            Belastingdienst op een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting met
                            betrekking tot het jaar 2010 is gelegd, geldt het volgende. Dit beslag
                            wordt geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag op
                            grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in
                            artikel 9, zesde lid, van de wet over een volgend jaar voorzover de uit
                            te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten en
                            de schuld waarvoor het beslag is gelegd niet geheel is voldaan. Mutatis
                            mutandis geldt hetzelfde voor een beslag dat is gelegd op een in een of
                            meer termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorschot, als
                            bedoeld in artikel 22, zevende lid, van de Awir .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</titel></kop><al>Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen
                            van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Naast de
                            belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering is
                            gericht in verzet komen.</al><al>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft
                            plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het
                            dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan
                            verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19 van
                            de wet.</al><al>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte
                            kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het dwangbevel.</al><al>In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de schorsing van de invordering bij verzet tegen
                                    tenuitvoerlegging dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                                    adressering.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging
                            dwangbevel</titel></kop><structuurtekst><al>Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk
                            kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als
                            bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij - na verkregen toestemming van het
                            college besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te
                            zetten.</al><al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een
                            buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of
                            onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie
                            schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze
                            schorsing berust.</al><al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476
                            Rv , dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Ook
                            wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat
                            tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van
                            het verzet is opgeheven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                            adressering</titel></kop><structuurtekst><al>Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post
                            betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de
                            belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 18 geen beleidsregels gemaakt</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Doen van een vordering</titel></kop><al>De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de
                            mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld
                            te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is
                            verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal
                            krijgen.</al><al>In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over het doen van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>de faillissementsvordering;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;</al></li><li nr="-"><al>de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de
                                    wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1. Vordering algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
                            besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur
                            gegeven boven derdenbeslag.</al><al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden
                            gericht wel houder van penningen is, moet al naar gelang de
                            omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de
                            voorkeur verdient.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.1. Bekendmaking vordering</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan
                            degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.</al><al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan
                            genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de
                            betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder
                            overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het
                            Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .</al><al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
                            rekening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.2. Voldoen aan de vordering</titel></kop><structuurtekst><al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of
                            meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter
                            voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering</titel></kop><structuurtekst><al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet
                            is voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd.
                            Hiervan is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen
                            aan de vordering te wijten is aan de derde.</al><al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen
                            derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de
                            vordering ingetrokken.</al><al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het
                            beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is
                            voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.4. Intrekken van een vordering</titel></kop><structuurtekst><al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden
                            gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in.</al><al>De ontvanger maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de
                            vordering is gedaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in
                            relatie tot vordering</titel></kop><structuurtekst><al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand
                            vermindert of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de
                            hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de
                            belastingschuldige.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het
                            vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen)
                            bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod
                            gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen
                            gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een
                            notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de
                            wet.</al><al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
                            beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf
                            schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding
                            van het bijzondere karakter daarvan.</al><al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke
                            benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de
                            verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een
                            tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor
                            beslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering</titel></kop><structuurtekst><al>In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de
                            vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt
                            ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende
                            voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de
                                    belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;</al></li><li nr="b."><al>de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op
                                    het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste
                                    twee maanden overschreden;</al></li><li nr="c."><al>de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of
                                    kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend
                                    is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende
                                    betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot</titel></kop><structuurtekst><al>Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden,
                            penningen of periodieke betalingen die in de huwelijksgemeenschap
                            vallen, dan kan de ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot
                            doen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar
                            uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden
                            aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.2. De faillissementsvordering</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>In een faillissement vallen de belastingschulden - en ook de
                            invorderingsrente - voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag
                            van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de
                            materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel
                            blijkt:</al><lijst><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het
                                    faillissement worden als faillissementsschulden aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement
                                    zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld
                                    worden aangemeld.</al></li></lijst><al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of
                            tijdstip en doet twee aparte vorderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden
                                    aangemeld;</al></li><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden
                                    aangemerkt.</al></li></lijst><al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet
                            kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan
                            die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de
                            voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn
                            boedelschulden in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van
                            een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen
                            op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het
                            faillissement.</al><al>Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de
                            belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze
                            van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.2.3. Opkomen in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de
                            vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij
                            bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering
                            daartoe noodzaken.</al><al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt,
                            vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele
                            voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane
                            belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten
                            onrechte niet voldoet, dan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot
                            de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te
                            bewerkstelligen.</al><al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger
                            zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval
                            kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met
                            betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat
                            de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een
                            doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is
                            beoogd.</al><al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven
                            andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt
                            gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe
                            bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere
                            invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering
                            te betrekken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke
                            uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de
                            invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever (artikel 19,
                            eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een
                            periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij
                            verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen
                            van zijn voornemen een vordering te doen.</al><al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen
                            zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel
                            met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.</al><al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen
                            na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft
                            achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of
                            uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een
                            belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten
                            betalen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke
                            uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet
                            vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en
                            waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan
                            dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze
                            uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv
                            toe.</al><al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de
                            periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij
                            vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland
                            woont of vast verblijft.</al><al>Voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar, en een alleenstaande, ouder
                            jonger dan 21 jaar - indien zij een ander inkomen genieten dan een
                            bijstandsuitkering - geldt een beslagvrije voet van 90% van het
                            feitelijk inkomen (+ vakantieaanspraak) met een minimum van 90% van de
                            bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a onderscheidenlijk
                            onderdeel b van de Wet werk en bijstand en een maximum van 90% van de
                            bijstandsnorm nadat deze verhoogd is met het bedrag genoemd in artikel
                            25 van die wet. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.3a Beslagvrije voet en vakantiegeld</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger stelt de beslagvrije voet vast op basis van het periodieke
                            inkomen of de bijstandsnorm met inbegrip van de aanspraak op
                            vakantiegeld over de desbetreffende maand. Dit betekent dat de
                            uitbetaling van het vakantiegeld niet van invloed is op de berekende
                            beslagvrije voet. Dat laatste geldt ook als het beslag niet gedurende de
                            gehele periode waarover het vakantiegeld is opgebouwd, heeft
                            gelegen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije
                            voet</titel></kop><structuurtekst><al>De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de
                            ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een
                            juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de
                            belastingschuldige, stelt hij - op basis van artikel 58 van de wet - de
                            belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te
                            verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige
                            een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet
                            bekend is.</al><al>Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt
                            de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de
                            belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt,
                            wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de
                            eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. In situaties
                            waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder vooraf
                            informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de
                            belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door
                            de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld.
                            Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een
                            eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met
                            terugwerkende kracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke
                            uitkering</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland
                            een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond
                            van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat
                            geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de
                            periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over
                            die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn
                            verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet</titel></kop><structuurtekst><al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet
                            vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening
                            te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door
                            een vordering te doen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm</titel></kop><structuurtekst><al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de
                            betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de
                            bijstandnorm geacht wordt te betalen.</al><al>In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met
                            het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden
                            toegerekend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.4.</nr><titel>Beslagvrije voet en overheidsvordering</titel></kop><al>Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de
                            toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid,
                            van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan
                            overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de
                            ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in
                            zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het
                            verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang
                            zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de
                            banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de
                            belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken. </al><al>Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering
                            voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van
                            een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de
                            wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het
                            bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing.
                            Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de
                            belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan,
                            beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het
                            totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk
                            na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem
                            geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het
                            meerdere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Lijfsdwang</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Voorrecht rijksbelastingen</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bodemrecht</titel></kop><al><cursief>Artikel 22 van de wet gaat over het bodemrecht.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de werkingssfeer van het bodemrecht;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en bestuurlijke boeten;</al></li><li nr="-"><al>over betekening bodembeslag;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en voorrang;</al></li><li nr="-"><al>verzet en beroep.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht</titel></kop><structuurtekst><al>Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of
                            onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de
                            artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken. Op
                            grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag
                            verzetten.</al><al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht
                            menen te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag
                            is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de
                            administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan
                            het college van de gemeente.</al><al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een
                            eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de
                            zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van
                            artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege
                            op.</al><al>Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van
                            verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde
                            zaken en genoemde belastingaanslagen. </al><al>Dit noemt men het bodemrecht van de fiscus. Dit voorrecht kan de
                            ontvanger van de gemeente niet toepassen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.3. Overbetekening bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom
                            toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde
                            lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht
                            dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de
                            belastingdeurwaarder.</al><al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij
                            de mogelijkheid </al><al>heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het
                            college.</al><al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij
                            op enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis
                            krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die
                            derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de
                            vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de
                            ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.7. Bodemrecht en voorrang</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8. Verzet en beroep</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de
                            derde geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of
                            voor de ontvanger anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is
                            van de betreffende zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel
                            doorgang.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex
                            artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv
                            heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder meer duidelijk
                            is dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen verhaal kan
                            nemen.</al><al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling
                            door naar het college. </al><al>Als ook het college geen aanleiding ziet aan het verzet tegemoet te
                            komen, dan stuurt de ontvanger de stukken door naar een advocaat met het
                            verzoek een procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen de
                            derde te verkrijgen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen
                            bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende
                            zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.</al><al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt
                            hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de
                            ontvanger het opschorten van de invordering belangen van de gemeente
                            schaadt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet</titel></kop><structuurtekst><al>Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de
                            ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een
                            beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven
                            of vervallen.</al><al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit
                            beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer
                            ligt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet</titel></kop><structuurtekst><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de
                            beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop
                            het beroep is gebaseerd, de ontvanger de indiener verzoekt om het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring
                            bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex
                            artikel 22, eerste lid, van de wet</titel></kop><structuurtekst><al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft
                            op een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet ontvankelijk
                            verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is
                            geweest.</al><al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk
                            is verklaard, zal het college ambtshalve in behandeling nemen. De
                            ontvanger schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de
                            eventuele wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend
                            beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</al><al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt
                            voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan
                            wijst de ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een
                            beroepschrift tot het college te richten. Als de ontvanger in dit
                            stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit
                            uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de
                            ontvanger een beslag niet opheft dan na overleg met het college.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift tegen een
                            bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat
                            ingediend beroepschrift. </al><al>Het college zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard
                            beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger draagt zorg voor
                            onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de
                            belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. </al><al>Voor de betekening van de beslissing van het college worden geen kosten
                            in rekening gebracht.</al><al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt
                            hetzij door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn
                            gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van
                            het college betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk
                            verklaard beroepschrift.</al><al>Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het
                            beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg
                            met het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt
                            mits de opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting
                            van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende
                            bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te
                            stellen op grond van artikel 22 eerste lid, van de wet dan wel verzet
                            aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv .</al><al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover
                            binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het
                            geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid,
                            van de wet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen
                            bodembeslag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de
                            wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel
                            435, derde lid, Rv , dan behandelt de ontvanger eerst het verzet ex
                            artikel 435, derde lid, Rv, voordat hij het beroepschrift doorzendt aan
                            het college.</al><al>Als de ontvanger daarbij van oordeel is dat het beslag kan worden
                            opgeheven, dan bevordert hij de intrekking van het beroepschrift ex
                            artikel 22 van de wet. Bij een verzetprocedure beslist het college op
                            het beroepschrift, in die zin dat hij zich zal houden aan de uitspraak
                            gewezen in de verzetprocedure.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel
                            22, eerste lid, van de wet</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beslissing van het college op een beroepschrift dat is ingediend
                            tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor belastingaanslagen als
                            bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt het eigendomsrecht
                            van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is van eigendom van
                            de derde.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22.8.12. Executie en bodemrecht</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22bis</nr><titel>Mededeling</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 23 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt. Deze is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Verhaal van belastingaanslagen als gevolg van een
                                toerekening</titel></kop><al>van een afgezonderd particulier vermogen</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al><cursief>Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de ontvanger
                                van in te vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening
                                mag de ontvanger geen gebruik maken van de algemene
                                verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Tijdens
                                faillissement, surseance en wettelijke schuldsanering geldt artikel
                                24 van de wet niet; dan zijn de artikelen 53 tot en met 56 , 234 ,
                                235 en 307 van de FW van toepassing.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer verrekening;</al></li><li nr="-"><al>betwiste schuld en verrekening;</al></li><li nr="-"><al>reikwijdte van de verrekening;</al></li><li nr="-"><al>bekendmaking verrekening;</al></li><li nr="-"><al>instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.1. Wanneer verrekening</titel></kop><structuurtekst><al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of
                            al dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</al><al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde
                            belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde
                            openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de
                            ontvanger dit verzoek altijd in.</al><al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is
                            geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval
                            schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig
                            kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te
                            verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen
                            bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.1.1. Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije
                            voet</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.2. Betwiste schuld en verrekening</titel></kop><structuurtekst><al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te
                            betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de
                            ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2
                            van deze leidraad.</al><al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de
                            belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid
                            bestaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.3. Reikwijdte van de verrekening</titel></kop><structuurtekst><al>Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden
                            uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die
                            (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd
                            is om in gevallen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet
                            binnen de betalingstermijn te verrekenen.</al><al>Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een
                            termijnbetaling is verstreken, kan de ontvanger alleen verrekenen voor
                            zover de termijn is verstreken.</al><al>Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een
                            situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d,
                            van de wet . Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de
                            voorlopige aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde
                            situaties voordoet.</al><al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger
                            is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering
                            aan de ontvanger is opgedragen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.4. Bekendmaking verrekening</titel></kop><structuurtekst><al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij
                            beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige
                            bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 24, vierde lid, van de wet is een instemmingsregeling
                            opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie
                            (artikel 3:94 BW ) of stille verpanding (artikel 3:239 BW ) van een uit
                            te betalen bedrag.</al><al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met
                            openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem
                            meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de
                            belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het
                            uit te betalen bedrag.</al><al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen
                            instemmingsregeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen
                            bedragen</titel></kop><structuurtekst><al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk
                            mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</al><al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op
                            teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de
                            belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is
                            op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de
                            teruggaaf betrekking heeft.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding</titel></kop><structuurtekst><al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft
                            betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet
                            gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen
                            bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan
                            bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee
                            instemt.</al><al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de
                            ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de
                            cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel
                            onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare
                            belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee
                            het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden
                            verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze
                            aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen
                            bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte
                            betaler.</al><al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of
                            verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met
                            materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in
                            een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of
                            verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de
                            cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor
                            verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar
                            is.</al><al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de
                            derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel
                            van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de
                            mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en
                            Awb</titel></kop><structuurtekst><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking
                            tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het
                            beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring
                            bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of
                            verpanding</titel></kop><structuurtekst><al>De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt
                            door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de
                            belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of
                            cessionaris.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>24.6.6. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met
                            cessie of verpanding</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met
                            het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat
                            de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet
                            tot verrekening over.</al><al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet
                            eerder dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de
                            uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</al><al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de
                            ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep
                            onherroepelijk vaststaat.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Uitstel van betaling</titel></kop><al><cursief>Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder
                                door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan
                                de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde
                                belastingaanslag.</cursief></al><al><cursief>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op
                                schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe
                                aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel
                                van betaling verlenen.</cursief></al><al><cursief>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij
                                beschikking tussentijds beëindigen.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag.</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen
                                    bedrag;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met betalingsproblemen;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om
                            uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt
                            de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek
                            is toegewezen.</al><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden
                            geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel
                            invorderingsmaatregelen treffen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden
                            waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel
                                    van de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de
                                    ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1,
                                    25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);</al></li><li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan
                                    worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te
                                    betalen;</al></li><li nr="f."><al>de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct
                                    voldaan kan worden;</al></li><li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger
                                    onaanvaardbare termijn uitstrekt;</al></li><li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling
                                    volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden;</al></li><li nr="i."><al>sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een
                                    belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en
                                    voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met
                                    een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl
                                    gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben
                                    gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald.</al></li><li nr="j."><al>de aanslag betrekking heeft op: bedrijfsreinigingsrecht,
                                    (bouw)leges, parkeerbelastingen, marktgelden, precariobelasting,
                                    hondenbelasting;</al></li><li nr="k."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li><li nr="l."><al>indien de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft
                                    genoten, maar deze niet is nagekomen;</al></li><li nr="m."><al>indien ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de
                                    belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de
                                    belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd;</al></li><li nr="n."><al>in geval van een vordering op grond van artikel 19 van de
                                    wet;</al></li><li nr="o."><al>er reeds een dwangbevel is betekend voor de betreffende
                                    aanslag.</al></li></lijst><al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid
                            te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het
                            verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om
                            uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing
                            van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden
                            worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de
                            voornaamste afwijzingsgrond.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is
                                    verleend;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen;</al></li><li nr="d."><al>de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig
                                    veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de
                                    ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;</al></li><li nr="e."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel
                                    van de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="f."><al>zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de
                                    wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de
                                    belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar
                                    komt;</al></li><li nr="g."><al>belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard,
                                    hem surseance van betaling wordt verleend of hij wordt
                                    toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke
                                    personen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één
                            termijn</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn
                            niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de
                            belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen
                            de achterstand te voldoen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit
                            tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege
                            vervallen.</al><al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt
                            de ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende
                            uitstel schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een
                            belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen
                            invorderingsmaatregelen nemen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een
                            verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist
                            op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan
                            wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen
                            een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde
                            geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en
                            daarvan een mededeling is gedaan.</al><al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch
                            verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien
                            dagen niet.</al><al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats
                            als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het
                            niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen
                            van de gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een
                            executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van
                            betaling is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete
                            in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke
                            boete.</al><al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke
                            boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en
                            de bedragen van die belastingaanslag en die van de boete-beschikking op
                            één aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet
                            als uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen
                            de bestuurlijke boete.</al><al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe
                            strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger
                            verleent het uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is
                            beslist.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen</titel></kop><structuurtekst><al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de
                            voorwaarde dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand
                            zal ontstaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.13. Zekerheid bij uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde
                            stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het
                            stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op
                            eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</al><al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van
                            voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze
                            zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden
                            slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden
                            betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in
                            behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de
                            invordering.</al><al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met
                            betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat
                            aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden
                            executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als
                            publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.</al><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                            beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                            uitstel mondeling bekend maken. </al><al>De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij
                            beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen
                            waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of
                            voortzetten.</al><al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de
                            belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is
                            ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.</al><al>Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het
                            niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen
                            treffen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een
                            belastingaanslag</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een
                            belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een
                            in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger
                            verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het
                            bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een
                            door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.</al><al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft
                            uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel
                            van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.2. Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift
                            niet</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een
                            belastingaanslag indient, merkt de ontvanger het bezwaarschrift tevens
                            aan als een verzoek om uitstel van betaling, tenzij belastingschuldige
                            gebruik maakt van automatische incasso. In dat geval blijft de
                            automatische incasso ongewijzigd doorlopen. Het verleende uitstel geldt
                            alleen voor het bestreden deel van de aanslag. Het overige deel dient
                            binnen de vervaldagen voldaan te worden. </al><al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het
                            bezwaarschrift en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen
                            een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke
                            uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die
                            gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om
                            uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.</al><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel
                            indient in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift,
                            dan licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek
                            ook aangemerkt als een pro-formabezwaarschrift.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.2A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een
                            bezwaarschrift</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de
                            ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag
                            dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de
                            berekening van dat bedrag vermelden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.2B. Ontbrekende gegevens</titel></kop><structuurtekst><al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in verband
                            met een ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of de berekening
                            daarvan niet zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige
                            in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te
                            delen. De ontvanger kan voorts aan de belastingschuldige nadere gegevens
                            vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger
                            geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf
                            de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt
                            voor die termijn geschorst.</al><al>Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is
                            mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de
                            belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan,
                            wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</al><al>Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op
                            een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het
                            bezwaarschrift zelf.</al><al>Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing
                            op een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om
                            uitstel in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift.
                            In dit laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en
                            wordt het verzoek tevens aangemerkt als een pro forma
                            bezwaarschrift.</al><al>Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend
                            beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden
                            overgelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling</titel></kop><structuurtekst><al>In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling
                            in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2,
                            25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan.</al><al>De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende
                            beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden
                            bedrag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge
                            overlegprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de
                            ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In
                            beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van
                            de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de
                            ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing
                            houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in
                            het verleden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden
                            belastingschuld</titel></kop><structuurtekst><al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend
                            niet onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste
                            belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke
                            invorderingsmaatregelen.</al><al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de
                            belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van
                            onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de
                            ontvanger die maatregelen wel treffen.</al><al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een
                            bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke
                            invorderingsmaatregel.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het
                            bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of
                            andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de
                            uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze
                            leidraad onder artikel 24.</al><al>Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de
                            belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit
                            van diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden)
                            belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder
                            niet voldoende zekerheid is gesteld.</al><al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de
                            belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent
                            zijn beweegredenen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.2.7A.</nr><titel>Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel</titel></kop><al>Als de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere
                            voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf
                            de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift
                            schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. </al><al>Hierbij kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het
                            bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de
                            aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de beoordeling of hij zekerheid
                            verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de ontvanger de in
                            artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de
                            belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de
                            ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als de
                            belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag</titel></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een
                            belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de
                            opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan
                            wel tijdig wordt betaald.</al><al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de
                            invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag
                            aangevangen dan wel voortgezet.</al><al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in
                            verband met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het
                            niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de
                            belastingaanslag</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in
                            verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en
                            later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte
                            van dat bedrag.</al><al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor
                            de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in
                            behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de
                            belastingaanslag tijdig is voldaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen
                            bedrag</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit
                            te betalen bedragen</titel></kop><structuurtekst><al>Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag
                            wordt verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het
                            moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de
                            belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.</al><al>Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten
                            belastingteruggaaf als:</al><lijst><li nr="-"><al>het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf
                                    wordt verwacht is afgelopen; en</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend;
                                    en</al></li><li nr="-"><al>over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige
                                    geen verschil van mening bestaat.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen
                            bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd,
                            verleent de ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te
                            stellen alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren.</al><al>De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de
                            dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere
                            periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht.</al><al>Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader)
                            is gemotiveerd, is het uitstel vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit
                            te betalen bedrag</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het
                            algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van
                            betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot
                            het te verrekenen bedrag.</al><al>Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te
                            verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De
                            ontvanger kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe
                            aanleiding bestaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit
                            te betalen bedrag</titel></kop><structuurtekst><al>Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft,
                            verrekent de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor
                            uitstel van betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te
                            betalen bedrag.</al><al>Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct
                            gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en
                            niet hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan
                            kan hij deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met
                            betalingsproblemen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet
                            binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger
                            aan de belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling
                            toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</al><al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de
                            omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het
                            verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs
                            voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften
                            of betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van
                            een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een
                            betalingsregeling.</al><al>De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de
                            betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of
                            activiteiten die geen perspectief bieden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling</titel></kop><structuurtekst><al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven
                            en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar
                            aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van
                            bepaalde teruggaven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en
                            surseance</titel></kop><structuurtekst><al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de
                            gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden.
                            Voor deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</al><al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden
                            voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</al><al>De ontvanger kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de
                            bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die
                            voor de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De
                            ontvanger stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw
                            opkomende verplichtingen stipt nakomt.</al><al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder
                            de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor
                            belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van
                            toepassing is.</al><al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze
                            uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de
                            wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5. Betalingsregeling voor particulieren</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor
                            een periode van ten hoogste vijf maanden, te rekenen vanaf de datum
                            waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.</al><al>Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan
                            hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan vijf
                            maanden.</al><al>Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over
                            onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn
                            schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in
                            behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling
                            daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel
                            26.1.2 is in deze situatie niet van toepassing indien en voorzover de
                            belastingschuldige gebruik maakt van het daartoe ingestelde
                            verzoekformulier voor uitstel van betaling en hij dit formulier volledig
                            invult.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden
                            verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een
                            betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere
                            financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                            opgedragen - tijdig worden nagekomen.</al><al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de
                            aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de
                            bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het
                            aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor
                            het eisen van zekerheid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.3. Kort uitstel particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een
                            betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal vijf
                            maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de
                            volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                    minder dan € 5.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                    belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                    ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend;</al></li><li nr="b."><al>Vervallen</al></li><li nr="c."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag
                                    of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in
                                    verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te
                                    verwachten uit te betalen bedrag verleend;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li><li nr="e."><al>De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan
                                    waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de
                                    belastingdeurwaarder.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat
                            de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte
                            gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de
                            beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder
                            geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor
                            uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze
                            leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is
                            beëindigd.</al><al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo
                            nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die
                            gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de
                            artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken.
                            Ook met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het
                            vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het
                            verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt
                            met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</al><al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is
                            vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder
                            vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de
                            belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die
                            een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële
                            omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een
                            belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als
                            gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit
                            van de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt
                            in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op
                            de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook
                            aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.</al><al>Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een
                            verzoek om een betalingsregeling is het inkomen van de
                            belastingschuldige en diens echtgenoot. Het inkomen en de uitgaven ten
                            behoeve van bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal bij de
                            berekening van de betalingscapaciteit niet in aanmerking worden genomen.
                            Een uitzondering daarop vormt de ontvangen alimentatie ten behoeve van
                            minderjarige kinderen.</al><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met
                            betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin
                            de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke
                            uitgaven.</al><al>De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na
                            aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de
                            betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit
                            op.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de
                            belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de
                            berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om
                            uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de
                            belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in
                            redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor
                            levensonderhoud en 80% van de betalingscapaciteit (de
                            uitvoeringstolerantie).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan
                            derden</titel></kop><structuurtekst><al>In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de
                            aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan
                            een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het
                            niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een
                            preferentie is verbonden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts
                            rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en
                            dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou
                            moeten plaatsvinden in de periode waarvoor de betalingsregeling
                            geldt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling
                            voor</titel></kop><structuurtekst><al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een
                            betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen twaalf maanden
                            wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft
                            berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot
                            afwijzing van het verzoek.</al><al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de
                            ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd
                            kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de
                            belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan
                            verlenen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden</titel></kop><structuurtekst><al>Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit
                            bij regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige
                            toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer
                            dan twaalf maanden duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de
                            belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven
                            - waaronder ook de huur of de hypotheeklasten - in de eerste twaalf
                            maanden van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de
                            twaalfde maand zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan
                            het kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te
                            voldoen. De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op aan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers</titel></kop><structuurtekst><al>Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij
                            het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger
                            rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de
                            schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en
                            het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</al><al>De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van vijf maanden niet
                            te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de
                            belastingaanslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers</titel></kop><structuurtekst><al>Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de
                            voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere
                            financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                            opgedragen - bijhoudt.</al><al>Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld
                            (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet
                            gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De ontvanger
                            kan zekerheid stellen door het leggen van beslag (on)roerende
                            zaken.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.6.2A.</nr><titel>Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers</titel></kop><al>Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt
                            tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger
                            desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor
                            het volledige bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer
                            aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie
                            artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat: </al><lijst><li nr="a."><al>het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen;</al></li><li nr="b."><al>die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;</al></li><li nr="c."><al>die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden
                                    opgelost; en</al></li><li nr="d."><al>dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.</al></li></lijst><al>De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden
                            stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de
                            gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger
                            zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een beslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.6.2B.</nr><titel>Verklaring derde deskundige</titel></kop><al>De verklaring van de derde deskundige bevat een beoordeling van de aard
                            van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de
                            bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van
                            het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk
                            van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten
                            en omstandigheden door de deskundige. </al><al>Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan
                            bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een
                            brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de
                            verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.6.2C.</nr><titel>Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen
                                als al kort uitstel is verleend</titel></kop><al>De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor
                            de belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van
                            artikel 25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds
                            is beëindigd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.6.2D.</nr><titel>Kort uitstel van betaling voor ondernemers</titel></kop><al>Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch
                            verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal
                            vijf maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag. </al><al>De voorwaarden die aan de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                    minder dan € 3.500. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                    belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                    ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.</al></li><li nr="b."><al>Er staan ten name van de belastingschuldige geen
                                    belastingaanslagen open waarvoor dwangbevelen zijn
                                    betekend.</al></li><li nr="c."><al>Er staat geen vergrijpboete open.</al></li><li nr="d."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag
                                    of voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met
                                    betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten
                                    uit te betalen bedrag verleend.</al></li><li nr="e."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li><li nr="f."><al>Er is geen sprake van een aangifteverzuim.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers</titel></kop><structuurtekst><al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt
                            voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de
                            ondernemingsperiode.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie</titel></kop><structuurtekst><al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek
                            wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om
                            de schuld te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de
                            ontvanger uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het
                            verzoek door de (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De
                            belastingschuldige moet dan wel aan de lopende verplichtingen
                            voldoen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7. Administratief beroep</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het college</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst
                            of een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen
                            administratief beroep instellen bij het college van de gemeente. De
                            belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die
                            de beschikking heeft genomen.</al><al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger
                            overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel
                            is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente
                            kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep
                            wel invorderingsmaatregelen treffen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7.2. Beroepsfase uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat
                            de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt.
                            Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep
                            gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het
                            beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De
                            ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij
                            het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond
                            oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek
                            alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of
                            vervanging van de gronden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het
                            niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van
                            betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet
                            aan een termijn gebonden.</al><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van
                            betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met
                            de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op
                            het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de
                            ontvanger</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de
                            beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld
                            een herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan
                            als een beroepschrift.</al><al>Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de
                            belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een
                            nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe
                            beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in
                            beroep gaan bij het college.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25a</nr><titel>Uitstel van betaling exitheffingen</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>25a.1. Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van
                            exitheffingen</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Kwijtschelding van belastingen</titel></kop><al>Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling
                            regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
                            rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke
                            kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met
                            buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal
                            van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een
                            belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd
                            worden verwacht.</al><al>De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn
                            vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling
                            zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                            personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.</al><al>Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan
                            binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen van de
                            belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer kwijtscheldingsbeleid
                            voeren door dit percentage te verhogen tot maximaal 100% (artikel 255,
                            vierde lid, van de Gemeentewet). Gemeente Beemster heeft dit ook vastgelegd<noot id="d9706e4956"><noot.nr> 6 </noot.nr><noot.al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 12 februari
                                    2013</noot.al></noot>. </al><al>Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend.
                            Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
                            betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald
                            dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan de
                            ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk van zijn
                            betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat is anders dan
                            met buitengewoon bezwaar te betalen.</al><al>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden
                            ook voor het ontslag van de betalingsverplichting.</al><al>In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep;</al></li><li nr="-"><al>voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                                    kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het
                                    verzoek om kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geautomatiseerde kwijtschelding.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al
                            zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li nr="-"><al>De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in
                                    binnen drie maanden nadat de (laatste) betaling op de
                                    belastingaanslag heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
                                    aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar
                                    eerder om had verzocht.</al></li></lijst><al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige
                            het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger
                            waaronder de belastingschuldige ressorteert op een daartoe ingesteld
                            verzoekformulier.</al><al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar
                            dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het
                            verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een
                            verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de
                            gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee wekenin te dienen.</al><al>In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als
                            de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger
                            het verzoek af.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier
                            onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de
                            gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te
                            verstrekken. In afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in
                            beginsel op.</al><al>De ontvanger vraagt de gegevens slechts éénmaal op. Als de
                            belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt,
                            beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst
                            hij het verzoek af.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang
                            die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de
                            leidraad anders is aangegeven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder
                            voorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat
                            aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in
                            de beschikking op.</al><al>Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
                            plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de
                            termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De
                            termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van
                            de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog
                            overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.</al><al>Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort,
                            dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een
                            termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de
                            betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van
                            deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de
                            voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven
                            behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van
                            de verrekende teruggaven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij
                            motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten.
                            Daarbij moet hij, indien dit niet tot onnodige vertraging van de
                            afhandeling van het verzoek leidt, alle afwijzingsgronden noemen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.7. Wachttijd voortzetting invordering na afwijzen
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college
                            afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de
                            afwijzing, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of
                            voortgezet binnen een termijn van achtentwintig dagen na dagtekening van
                            de beschikking. Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar
                            het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                            direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad. In het geval er reeds een dwangbevel is
                            betekend geldt er een termijn van veertien dagen in plaats van
                            achtentwintig dagen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                            beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                            kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
                            beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet
                            de termijn van veertien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering
                            niet mag aanvangen of voortzetten.</al><al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek
                            dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier
                            dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet
                            in de gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde
                            formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de
                            ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2
                            en 26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend</titel></kop><structuurtekst><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als:</al><lijst><li nr="-"><al>de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet,
                                    niet volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger
                                    uitgereikte formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van
                                    deze leidraad) zijn verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek
                                    een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de
                                    uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds en de
                                    belastingschuldige de in dat verband door de ontvanger gevraagde
                                    opheldering niet - of naar het oordeel van de ontvanger - in
                                    onvoldoende mate verschaft;</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
                                    dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat
                                    een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden
                                    ingediend, dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog
                                    verstrekte gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag
                                    heeft kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend nadat
                                    de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld,
                                    behandelt de ontvanger als een eerste verzoek;</al></li><li nr="-"><al>een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
                                    behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift
                                    tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de
                                    rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een
                                    eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag
                                    dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De
                                    belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om
                                    kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het
                                    bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is
                                    beslist;</al></li><li nr="-"><al>voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is
                                    gesteld;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van meer dan één belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
                                    gesteld;</al></li><li nr="-"><al>het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
                                    belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder
                                    andere sprake als:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige
                                            is te wijten dat te weinig belasting is geheven;</al></li><li nr="b."><al>Vervallen</al></li><li nr="c."><al>een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een
                                            belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van
                                            de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij
                                            het een voorlopige teruggaaf betreft voor zover die niet
                                            voor beslag vatbaar is;</al></li><li nr="d."><al>vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
                                            indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig
                                            moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag
                                            te kunnen voldoen;</al></li><li nr="e."><al>de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon
                                            vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd
                                            en nalatig is gebleven in verband daarmee middelen te
                                            reseveren;</al></li><li nr="f."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente;</al></li><li nr="g."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente;</al></li><li nr="h."><al>de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het
                                            recht op aanvullende bijstand, waardoor de
                                            belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden
                                            betaald.</al></li><li nr="i."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de
                                            gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van
                                    faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als
                                    bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
                                    natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake
                                    is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van
                                    een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als
                                    bedoeld in artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die
                                    materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een
                                    tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de
                                    schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, en niet kan
                                    worden aangemerkt als een boedelschuld;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die
                                    aanslag nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In
                                    gevallen dat het verzoek overigens zou moeten worden toegewezen,
                                    verleent de ontvanger tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van
                                    betaling totdat de definitieve aanslag is opgelegd. In de
                                    eventuele uitstelbeschikking deelt de ontvanger de
                                    belastingschuldige mee dat na oplegging van de definitieve
                                    aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan worden
                                    ingediend waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan worden
                                    betrokken;</al></li><li nr="-"><al>door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
                                    voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde
                                    voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden
                                    verleend.</al></li></lijst><al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen
                            belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit
                            bedrag kan worden voldaan omdat: </al><lijst><li nr="-"><al>binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
                                    inkomens een hoger inkomen is te verwachten;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is
                                    te verwachten in de financiële omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders
                                    dan de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                    van de regeling kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon
                                    bezwaar bestaat de verschuldigde belasting te betalen, kan
                                    immers slechts betrekking hebben op een per saldo verschuldigd
                                    bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de aanwezige financiële
                                    middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen
                                    kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag
                                    binnen een jaar door middel van verrekening kan worden
                                    aangezuiverd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
                            kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.</al><al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
                            bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
                            kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
                            geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande
                            (zakelijke) belastingaanslagen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is
                            ingediend bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman.</al><al>Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het
                            niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                            gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen
                            treffen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van
                            de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd
                            met de schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger
                            bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.</al><al>Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of
                            bij ongehuwd samenlevenden als sprake is van een samenlevingscontract,
                            is het voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de
                            partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
                            belastingaanslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in
                            aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269
                            bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als
                            vermogen in aanmerking genomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
                            aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt
                            ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer
                            bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als
                            op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter
                            vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in
                            mindering worden gebracht.</al><al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen
                            als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek
                            daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor
                            de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband
                            met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn
                            gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van
                            belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen
                            inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen
                            worden betaald.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
                            vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig
                            vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening
                            van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze
                            situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.</al><al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
                            kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel
                            aangemerkt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
                            heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de
                            waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de
                            onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.</al><al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt
                            tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de
                            belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van
                            de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste
                            levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een
                            onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in verband met de
                            verkoop van de woning zal voor deze groep belastingschuldigen een
                            onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen.
                            In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige
                            afzien van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling
                            verlenen, gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het
                            leggen van een beslag op de woning. </al><al>De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende
                            of bij een eerder vrijkomen van de woning.</al><al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
                            gevallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
                            vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door
                            de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking
                            genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld
                            aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van
                            belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële
                            omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de
                            vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap
                            (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.</al><al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
                            overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
                            financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
                            bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
                            belastingschuld kunnen worden aangesproken.</al><al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding
                            in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn
                            aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting
                            verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de
                            erflater het verzoek om kwijtschelding indient.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.8. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.9. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen
                            aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden
                            beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om
                            de belastingaanslag te voldoen.</al><al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen
                            het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
                            belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
                            bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
                            verzoek om kwijtschelding is ingediend.</al><al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt
                            vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar
                            inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de
                            datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Ook wanneer de
                            belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij
                            ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract,
                            is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet
                            aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
                            belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto besteedbaar
                            inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen
                            waarvan kwijtschelding wordt verzocht.</al><al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
                            belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden
                            die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
                            gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
                            voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het
                            vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van
                            belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een
                            door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding
                            betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang
                            van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe
                            te passen normbedrag is in dit geval - afhankelijk van de omstandigheden
                            - het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een
                            alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld
                            wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten
                            waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.</al><al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
                            eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of
                            minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in
                            aanmerking genomen.</al><al>Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de
                            belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus
                            worden uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19, derde lid,
                            van de Wwb .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening
                            gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000
                            en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten (WTOS VO-18+ ).</al><al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op
                            een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de
                            kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs,
                            maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt
                            rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel
                            uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de
                            partnertoeslag of de één-oudertoeslag.</al><al>De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair
                            bedrag.</al><lijst><li nr="A."><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
                                    normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair
                                    bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 58.</al></li><li nr="B."><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het
                                    bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met
                                    een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 51 en
                                    met het bedrag aan onderwijsretributie.</al></li></lijst><al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
                            inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
                            hiervoor berekend onder A en B.</al><al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
                            collegegeldkrediet </al><al>voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen
                            boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten
                            van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de
                            navolgende formules gebruikt:</al><al>Formule 1: (P + Q) – R – S = X</al><al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
                            genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet
                            voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen
                            inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de
                            kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in
                            mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de
                            IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt
                            aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul
                            bedraagt.</al><al>Formule 2: X + Y = T</al><al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan
                            inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het
                            resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is
                            het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het
                            netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de
                            betalingscapaciteit.</al><al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
                            zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
                            vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is
                            vermeld van overeenkomstige toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding
                            voor particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en
                            die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
                            reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in
                            aanmerking genomen.</al><al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar,
                            wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de
                            ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is
                            de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke
                            kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De
                            bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage
                            bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage
                            bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor
                            personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk ontbreekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor
                            particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
                            gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
                            maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen
                            worden opgelegd.</al><al>Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
                            rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
                            gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn
                            vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet ) en andere belastingen en
                            heffingen van lokale overheden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van
                            voorhuwelijkse belastingschulden</titel></kop><structuurtekst><al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden
                            die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
                            gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie artikel
                            26.2.10 van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen
                            tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening
                            op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens</titel></kop><structuurtekst><al>In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18
                            jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
                            belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van
                            18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins
                            op één adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit geen rekening gehouden met de netto-woonlasten,
                            tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de woonlasten niet
                            gedeeld kunnen worden. Het vorenstaande geldt niet als sprake is van
                            commerciële verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of
                            kamerhuurders.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en
                            kwijtschelding voor particulieren</titel></kop><structuurtekst><al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
                            besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
                            bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert
                            in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                            verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
                            nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als
                            boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het
                            bestaande beleid.</al><al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de
                            betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in
                            mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van
                            de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de
                            middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder
                            berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12
                            van de regeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.18. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
                            bijstandsuitkering</titel></kop><structuurtekst><al>De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag , voor
                            zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande
                            of een alleenstaande ouder € 35 per maand en voor echtgenoten € 75 per
                            maand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland</titel></kop><structuurtekst><al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in
                            het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk
                            onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als
                            een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
                            echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb . Als huur wordt de hier te
                            lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het
                            normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb , wordt in het
                            kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de
                            bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten
                            overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen
                            die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening
                            gehouden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een
                            saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een
                            saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
                            gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.</al><al>Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden
                            zijn uitgewonnen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers</titel></kop><structuurtekst><al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of
                            de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor
                            onbetaald gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit
                            de aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een
                            saneringsakkoord voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt,
                            treedt de ontvanger niet toe tot het akkoord.</al><al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
                            derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
                            vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
                            rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
                            geïnd had kunnen worden.</al><al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog
                            derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag
                            dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
                            aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
                            aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
                            uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
                            ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult.
                            Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
                            ontvanger evenmin het ontstane tekort op.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij
                            één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt
                            voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
                            aandelenkapitaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de
                            ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden
                            betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde
                            van het verzoek.</al><al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
                            belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
                            nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
                            belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
                            juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen
                            aanleiding voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden
                            akkoord.</al><al>Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
                            inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en
                            tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
                            verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop
                            het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden
                            betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt
                            voordat tot sanering kan worden overgegaan. </al><al>Daarna past de ontvanger het akkoordpercentage toe op de belastingschuld
                            én op de bestuurlijke boete.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het
                            bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van
                            artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit
                            in de beschikking.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
                            noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel
                            van) de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren
                            behoren onder meer:</al><lijst><li nr="-"><al>Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op
                                    het in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat,
                                    staat het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet
                                    aan een deelname daaraan door de ontvanger in de weg.
                                    Vanzelfsprekend zal in aanmerking moeten worden genomen dat het
                                    recht van voorrang van de pandhouder afhankelijk is van - en dus
                                    qua belang beperkt is tot - de waarde van het in pand gegeven
                                    goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte van zijn
                                    vordering kan de pandhouder slechts als concurrent schuldeiser
                                    worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens pandrecht
                                    betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede
                                    lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht
                                    dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet. Vordering
                                    van de gemeente moeten als concurrente vorderingen worden
                                    aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al>Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
                                    voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde
                                    zaak heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van
                                    zijn vordering rekening worden gehouden met dat
                                    eigendomsvoorbehoud. Het voorgaande is niet van toepassing als
                                    de rijksontvanger met toepassing van het bodemrecht beslag heeft
                                    gelegd op deze zaak. In dat geval wordt door de rijksontvanger
                                    integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden
                                    geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste)
                                    het dubbele percentage;</al></li><li nr="-"><al>Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit
                                    te betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
                                    ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
                                    crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van
                                    de te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de
                                    vordering van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te
                                    houden met de te verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde uit
                                    te betalen bedragen.</al></li></lijst><al>Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid
                            zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet
                            verder kan werken.</al><al>Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
                            produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
                            beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige
                            betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4. Administratief beroep</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van
                            de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
                            beroepschrift richten tot het college. </al><al>Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger. In verband met het
                            aan het college uit te brengen advies zendt de ontvanger zo nodig
                            opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige toe.</al><al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
                            terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen.
                            Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger
                            het college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om
                            niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
                            beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
                            aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn
                            eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.</al><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een
                            eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een
                            duidelijke, ambtelijke fout.</al><al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de
                            ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
                            gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
                            binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
                            daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet
                            voldoen aan deze motiveringsplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
                            kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
                            waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt
                            dat het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste
                            verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in
                            belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een
                            herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag
                            en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening
                            vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
                            college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe
                            te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging
                            van de gronden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering
                            niet eerder voortgezet dan nadat achtentwintig dagen zijn verstreken.
                            Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Indien er
                            echter reeds een dwangbevel is betekend voor de aanslag waarvoor
                            kwijtschelding is aangevraagd geldt echter een termijn van veertien
                            dagen in plaats van achtentwintig dagen. Als binnen de termijn van tien
                            dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de
                            behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9
                            van de regeling.</al><al>Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
                            niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang
                            van de invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag
                            worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het
                            beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat
                            geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.</al><al>Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling
                            verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval
                            sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn
                            genomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek
                            om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen
                            bij het college. Hieraan is geen termijn gebonden.</al><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding
                            had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de
                            uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het
                            college op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk
                            beslissen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om
                            kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend
                            beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking
                            van de ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de
                            belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen achtentwintig dagen na
                            dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen
                            die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan
                            de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. De termijn
                            van achtentwintig dagen geldt niet als sprake is van een situatie als
                            bedoeld in artikel 10 van de wet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om
                            kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding
                            maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt,
                            wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt
                            in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
                            treffen.</al><al>Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van
                            invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij
                            daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de
                            belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.</al><al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te
                            nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele
                            uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering
                            gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt
                            maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan
                            wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de
                            verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze
                            verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.</al><al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
                            nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling
                            opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking
                            herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt,
                            neemt de ontvanger een nieuwe beschikking waarbij hij zijn eerdere
                            beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de
                            belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de
                            eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog
                            aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding</titel></kop><structuurtekst><al>Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
                            kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
                            voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel
                            kan worden verleend.</al><al>De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
                            jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door
                            het Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht
                            bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium
                            alsnog een individueel verzoek worden ingediend.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verjaring</titel></kop><al>In aanvulling op afdeling 4.4.3 (artikelen 4:104 tot en met 4:111 ) Awb
                            regelt artikel 27 van de wet enkele specifieke (aanvullende) zaken met
                            betrekking tot verjaring:</al><lijst><li nr="-"><al>dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door
                                    het zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op
                                    betaling ondubbelzinnig wordt voorbehouden;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel:
                                    de onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk
                                    gesteld voor de belastingschuld, dan treedt de
                                    aansprakelijkgestelde in de plaats van de belastingschuldige
                                    (oftewel: in dat geval kan ook de aansprakelijkheidsschuld
                                    zelfstandig worden gestuit of verlengd).</al></li></lijst><al>In aansluiting op afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet
                            beschrijft dit artikel het beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>versnelde invordering en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>schorsing van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>afstand van verjaring;</al></li><li nr="-"><al>rente en kosten en verjaring.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.1. Versnelde invordering en verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de
                            wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de
                            belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar
                            werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor </al><al>de verjaring geen belang meer.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is
                            niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de
                            belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook
                            het recht van dwanginvordering en verrekening van de
                            aansprakelijkheidsvordering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.3. Stuiting van de verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de
                            verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in
                            over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</al><al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden
                            betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot
                            betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die
                            schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.4. Schorsing van de verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt
                            de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.5. Afstand van verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger
                            beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer
                            duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van
                            de verjaring te doen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.6. Rente en kosten en verjaring</titel></kop><structuurtekst><al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk
                            met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de
                            verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en
                            kosten invordering en verrekening achterwege.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>27.7. Na verjaring geen civiele invordering</titel></kop><structuurtekst><al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                            mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een
                            dagvaarding.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27a</nr><titel>Betalingskorting</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Invorderingsrente</titel></kop><al><cursief>Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en
                                vergoeden van invorderingsrente.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>correctie berekende invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>vermindering terecht in rekening gebrachte
                                    invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>verzuim van de gemeente en invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>rente- of schadevergoeding;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;</al></li><li nr="-"><al>verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet
                                    .</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.1. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.2. Correctie berekende invorderingsrente</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens
                            zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een
                            nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander
                            aanvangstijdstip voor de renteberekening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte
                            invorderingsrente</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in
                            rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding
                            bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn
                            dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden
                            verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van
                            rente onredelijk en onbillijk is.</al><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend
                            bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.4. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.5. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk</titel></kop><structuurtekst><al>Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De
                            ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden
                            ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent
                            of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of
                            buiten invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze
                            leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.7. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>28.8. Drempelbedrag</titel></kop><structuurtekst><al>Rentebedragen van € 23 of minder worden bij een slotbetaling op een
                            belastingaanslag niet in rekening gebracht.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28a</nr><titel>en artikel 28b</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en artikel 28b van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Invorderingsrente</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beschikking betalingskorting en invorderingsrente</titel></kop><al><cursief>Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van
                                de betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor
                                bezwaar vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van
                                de AWR van toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting
                                verlenen van belastingen.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beschikking terug te nemen betalingskorting;</al></li><li nr="-"><al>verzoek tot vermindering rente is bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                                    cassatie;</al></li><li nr="-"><al>teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                                    betaling;</al></li><li nr="-"><al>geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende
                                    betalingskorting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening
                            gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                            cassatie</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het
                            bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het
                            Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de
                            ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen
                            als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in
                            de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting dan wel
                            invorderingsrente relevant zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                            betaling</titel></kop><structuurtekst><al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing
                            voor de gemeente.</al><al>Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de
                            verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel
                            van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze
                            leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige
                            toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende
                            betalingskorting</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>en artikel 31a</titel></kop><al>Verder zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de
                            wet geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de
                                aansprakelijkheidsbepalingen die in hoofdstuk VI van de wet zijn
                                opgenomen, de ontvanger ook een beroep kan doen op
                                aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. De
                                ontvanger kan dus ook een beroep doen op
                                aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek
                                of het Wetboek van Koophandel.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>keuze aansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>32.1. Keuze aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de
                            toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een
                            aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel
                            hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</al><al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat,
                            wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die
                            aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid
                            is zich te disculperen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een
                            gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap ontheft de
                            echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden die
                            zijn ontstaan vóór de ontbinding van de gemeenschap. Ieder van de
                            echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel van de
                            gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste
                                vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke
                                aansprakelijkheidsregels die gelden voor de invordering van alle
                                (rijks)belastingen.</cursief></al><al><cursief>Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde
                                lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor
                                de nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe
                                betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en
                                invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de
                                belastingschulden.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;</al></li><li nr="-"><al>feitelijke vestiging;</al></li><li nr="-"><al>lichaam dat is ontbonden;</al></li><li nr="-"><al>vereffenaar;</al></li><li nr="-"><al>bestuurder;</al></li><li nr="-"><al>gewezen bestuurder.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij
                            aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn
                            dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de
                            wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet
                            worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.</al><al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
                            vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel
                            c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele
                            ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit
                            handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.</al><al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende
                            ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben
                            voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.</al><al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de
                            bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de
                            vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van
                            het lichaam.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op
                            grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook
                            degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een
                            uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</al><al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
                            belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de
                            vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur
                            in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet .</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet
                            wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in
                            het Handelsregister staat ingeschreven. </al><al>Ook wordt als bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als
                            bestuurder heeft gedragen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
                            belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode
                            hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode
                            materieel is ontstaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers
                        </titel></kop><structuurtekst><al>Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een
                            rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd
                            is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland
                            gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste
                            vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover
                            zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten. </al><al>Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld,
                            waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van
                            niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de
                            nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn
                            bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te
                            voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde
                            economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen
                            niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen. </al><al>Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere
                            gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke
                            miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur.
                            Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf
                            uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op
                            niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>tot en met 47</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</titel></kop><al><cursief>Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de
                                erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van
                                de erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle
                                bedrag zal worden aangesproken.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>beneficiaire aanvaarding;</al></li><li nr="-"><al>invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>48.1. Beneficiaire aanvaarding</titel></kop><structuurtekst><al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is
                            aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien
                            verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn
                            rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).</al><al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard
                            achterwege.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft
                            achterwege</titel></kop><structuurtekst><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer
                            tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft
                            invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet
                            worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag
                            betreft.</al><al>Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden
                            buiten invordering te laten.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</titel></kop><al><cursief>Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor
                                aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële
                                aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele
                                aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen voor de in
                                de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de
                                aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld
                                in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van
                            Koophandel.</cursief></al><al>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt
                            gesteld.</al><al>In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling
                                    keten- en inlenersaansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>eerst uitwinning belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>volgorde van aansprakelijkstellen;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar en uitstel van betaling;</al></li><li nr="-"><al>overgangsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de
                            bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de
                            beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld
                            bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden
                            vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete berust.</al><al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop
                            het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete
                            berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting
                            van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de
                            hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de
                            bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid, van de
                            wet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente</titel></kop><structuurtekst><al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet
                            worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor
                            hij aansprakelijk is gesteld.</al><al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens
                            een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag
                            geen rente in rekening gebracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.3.1. Wanneer in gebreke</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn
                            belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die
                            voor de belastingaanslag geldt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de
                            belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond
                            invorderbaar is.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere
                            invorderingsmaatregelen’</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft
                            gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen
                            de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de
                            desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden
                            gesteld.</al><al>Mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.</al></structuurtekst><artikel><kop><nr>49.4.</nr><titel>Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling
                                keten- en inlenersaansprakelijkheid</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de
                            ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van
                            de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is
                            gesteld.</al><al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden
                            verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking
                            hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb . Hieronder worden
                            verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben
                            gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken
                            moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die
                            gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken
                            van bezwaar of het instellen van beroep.</al><al>De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de
                            aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een
                            bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.</al><al>Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens
                            over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich
                            daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere
                            aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze
                            gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak
                            betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang
                            kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de
                            aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop
                            volgende beslissingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op
                            vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot
                            uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde,
                            tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste
                            volzin, van de leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer
                            dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan
                            hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de
                            ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van
                            verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan
                            stellen.</al><al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders
                            is bepaald.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de
                            beschikking aansprakelijkstelling</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling</titel></kop><structuurtekst><al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt
                            tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.8.2. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.9. Overgangsrecht</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening</titel></kop><structuurtekst><al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het
                            tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen
                            plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire
                            maatregelen worden genomen.</al><al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van
                            uit te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een
                            aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan
                            conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>49.9.2. Wijziging eis</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de
                            belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met
                            betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot
                            aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel
                            50, zesde lid, van de wet (oud) van toepassing is.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</titel></kop><al><cursief>De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van
                                de wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel
                                heeft de ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen
                                op grond van artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van
                                het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om
                            uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking,
                            dan verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid
                            wordt gesteld.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</titel></kop><al><cursief>Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wetheeft de
                                aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van zes weken na
                                dagtekening van de beschikking van de
                                aansprakelijkstelling.</cursief></al><al><cursief>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft
                                plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is
                                ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag
                                invorderbaar.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over vermindering van de belastingaanslag.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en
                            aansprakelijkstelling</titel></kop><structuurtekst><al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag
                            van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit
                            uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding</titel></kop><al><cursief>De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53
                                recht om ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet
                                met uitzondering van het derde lid) toe te passen voor een
                                aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande
                                aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de
                                aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.</cursief></al><al><cursief>Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met
                                buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk
                                is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op
                                verzoek ontslag van betalingsverplichting worden
                            verleend.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld</titel></kop><structuurtekst><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is
                            niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de
                            belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het
                            recht van dwanginvordering en verrekening van de
                            aansprakelijkheidsvordering.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</titel></kop><al><cursief>Artikel 54 van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf
                                aan de aansprakelijkgestelde die het gevolg is van een vermindering
                                van de belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is
                                gesteld.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel
                            54, eerste lid, van de wet - aan gedurende vier weken na de dagtekening
                            van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige.</al><al>In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de
                            aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen
                            onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de
                            derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het
                            bedrag van de teruggaaf moet betalen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>tot en met 57</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de
                                aansprakelijkgestelde</titel></kop><al><cursief>Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de
                                belastingschuldige en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken
                                van gegevens en inlichtingen en het ter beschikking stellen van
                                gegevensdragers die voor de invordering van de 'eigen'
                                belastingschulden van belang zijn.</cursief></al><al><cursief>Verder regelt artikel 58 van de wet de
                                identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</cursief></al><al><cursief>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen'
                                belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen
                                ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij
                                mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke
                                    procedure;</al></li><li nr="-"><al>gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke
                            procedure</titel></kop><structuurtekst><al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen
                            instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld
                            bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien
                            en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om
                            dat bewijs te kunnen leveren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>58.2. Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden</titel></kop><structuurtekst><al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden
                            van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de
                            ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden
                            aansprakelijk kan stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement </titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</titel></kop><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 59 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al><al>Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de
                            belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting
                            op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te
                            verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a van de
                            Gemeentewet bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk
                            van toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de
                            betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit
                            gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) is
                            ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt
                            met artikel 59 . In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is
                            alleen bepaald dat de rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens en
                            inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie van
                            de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van
                            gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van artikel 26 van de
                            wet . Bij de beoordeling van een ingediend kwijtscheldingsverzoek kunnen
                            de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens worden geverifieerd bij de
                            rijksbelastingdienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de
                                informatieverplichtingen.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van
                                    informatie;</al></li><li nr="-"><al>de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                                    beschikbaar stellen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de
                            gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de
                            gegevensdragers.</al><al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of
                            beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                            beschikbaar stellen</titel></kop><structuurtekst><al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud
                            worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op
                            basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete
                            gegevens.</al><al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde
                            eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de
                            strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</al><al>Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van
                            artikel 60, tweede lid, van de wet , kan de ontvanger een verzuimboete
                            als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen.</al><al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats.
                            In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens
                            mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de
                            ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en
                                60 van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op
                                geheimhouding kan beroepen, zelfs niet als die
                                geheimhoudingsverplichting bij wettelijk voorschrift zou zijn
                                opgelegd.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over niet van de administratie gescheiden
                            (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke
                            gegevens</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en
                            gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van
                            de belastingschuldige.</al><al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële
                            gegevens gescheiden. </al><al>Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder ogen
                            krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de
                            beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op
                            grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding
                            van die gegevens.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</titel></kop><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 62 van de wet
                            niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke
                            belastingen.</al><al><cursief>Artikel 62 van de wet legt aan derden de verplichting op om
                                gegevens en inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen
                                zijn te verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In
                                artikel 246a van de Gemeentewet is bepaald dat bij algemene
                                maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld om de en 62 van
                                de Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te
                                verklaren of een overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de
                                betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit
                                gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing is ten aanzien
                                van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt met
                                artikel 62. In een aantal gevallen kunnen gemeenten echter toch
                                gebruik maken van inlichtingen van derden. Het kan daarbij gaan om
                                de volgende gevallen:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst.
                                        De Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3
                                        van het Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat
                                        aan gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt voor
                                        zover die zijn belast met de uitvoering van de belastingwet
                                        of invordering op basis van de Invorderingswet 1990. Op
                                        grond van dit voorschrift kunnen aan de rijksbelastingdienst
                                        ten aanzien van een derde bijvoorbeeld gegevens over
                                        werkgevers of uitkerende instanties worden gevraagd indien
                                        een beslag op loon of uitkering wordt overwogen. Opgemerkt
                                        wordt dat het voorschrift geen wettelijke verplichting aan
                                        de rijksbelastingdienst oplegt tot het verstrekken van
                                        inlichtingen.</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>Inlichtingenplicht derden op grond van artikel 475g
                                        Rv.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62a</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 62a van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>en 63a</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63 en 63a van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63b</nr><titel>Bestuurlijke boeten</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>algemene uitgangspunten;</al></li><li nr="-"><al>betalingsverzuim bij aanslagbelastingen</al></li><li nr="-"><al>verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr>63b.1.</nr><titel>Algemene uitgangspunten</titel></kop><al>Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk
                            VIIA van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikelen
                            63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel
                            5.4 van de Awb van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63b.2.</nr><titel>Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen</titel></kop><al>Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij
                            de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet
                            of niet binnen de termijn betaalde belasting.</al><al>Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de
                            wet kan de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet,
                            gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het
                            wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op €
                            50. In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een
                            boete tot het in artikel 63b, eerste lid, van de wet genoemde maximum
                            opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5 procent. </al><al>Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met
                            betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel
                            63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke
                            verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling
                            van de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger
                            alleen rekening met de belasting die betrekking heeft op de
                            desbetreffende betalingstermijn.</al><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft
                            niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63b.3</nr><titel>Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt</titel></kop><al>Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de
                            wet kan de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in
                            dat artikel genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in
                            uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid,
                            van de wet genoemde maximum worden opgelegd. De boete wordt opgelegd aan
                            degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn
                            dan de belastingschuldige.</al><al>De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft
                            niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63c</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikel 63c van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikel 64 van de wet geen beleidsregels
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor
                                misdrijf</titel></kop><al><cursief>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot
                                het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van
                                gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</cursief></al><al><cursief>In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de
                                strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in
                                die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel
                                65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een
                                misdrijf.</cursief></al><al><cursief>Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde
                                'inkeerregeling': het recht op strafvervolging vervalt als een
                                persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en
                                volledige verstrekking van informatie.</cursief></al><al>In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf</titel></kop><structuurtekst><al>De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede
                            lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te
                            weinig belasting wordt ingevorderd.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65a</nr><titel>en artikel 66</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen
                            beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Geheimhoudingsplicht</titel></kop><al><cursief>Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het
                                tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht
                                niet geldt als:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk
                                    voorschrift;</al></li><li nr="-"><al><cursief>sprake is van structurele gegevensverstrekking aan
                                        bestuursorganen</cursief><cursief>die bij ministeriële
                                        regeling (voor de gemeente geldt: bij besluit van het
                                        college) zijn aangewezen</cursief>;</al></li><li nr="-"><al><cursief>de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige
                                        zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn
                                        verstrekt.</cursief></al></li></lijst><al>Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de
                            geheimhoudingsplicht verlenen.</al><al>In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige
                                    zelf;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                                    betalingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige </titel></kop><structuurtekst><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan
                            degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover
                            deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van
                            informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt
                            niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier
                            mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of
                            erfgenaam. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>67.2. Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering
                        </titel></kop><structuurtekst><al>De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van
                            gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990.
                            Dat laatste moet ruim worden opgevat. </al><al>Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde
                            belasting (aanslag) of een aansprakelijkheidsvordering (beschikking),
                            kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de
                            geheimhoudingsplicht wordt geschonden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                            betalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68</nr><titel>tot en met 72</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet
                            geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr></kop><al>Is niet toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel>Insolventieprocedures</titel></kop><al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en surseance;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en faillissement;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van
                                    de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren
                                    ("NVVK") of gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan
                                    leden van de NVVK of gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedures en akkoorden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de
                            ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder.
                            Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak
                            worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.</al><al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie
                            aan bij de bewindvoerder.</al><al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen
                            naar artikel 19.2 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of
                            faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
                            faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is
                            mogelijk.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.3. Boedelschulden</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator
                            worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen
                            worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger
                            zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen
                            over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg
                            alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een
                            bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de
                            rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks
                            verhaal zoeken op de boedel.</al><al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al><al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de
                            wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de
                            schuldenaar aanvragen.</al><al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden
                            in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.4. Proceskostengarantie</titel></kop><structuurtekst><al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
                            bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor
                            de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet
                            toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de
                            ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het
                            bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</al><al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt
                            dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende
                                    vordering zal kunnen innen.</al></li></lijst><al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een
                            verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke
                            opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee
                            garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor
                            boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om garantstelling doet,
                            treedt de ontvanger in overleg met het college.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de
                            curator</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt
                            verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel
                            26.1.9 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in
                            relatie tot faillissement en WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en
                            faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de
                            schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                            verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
                            belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt
                            verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone lei</titel></kop><structuurtekst><al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel
                            356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als
                            natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger
                            bij de bewindvoerder zijn aangemeld.</al><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei)
                            van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering.
                            Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande
                                    voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan
                                    voldoende op juistheid heeft getoetst; en</al></li><li nr="-"><al>over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig
                                    contact heeft opgenomen met de gemeente.</al></li></lijst><al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de
                            wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben
                            op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen
                            die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.</al><al>Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de
                            periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die
                            regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met
                            openstaande schulden) van minder dan [€ 500] worden uitbetaald aan de
                            belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke
                            verrekening met openstaande schulden) [€ 500] of meer bedraagt, zal de
                            ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te
                            overleggen of de vereffening moet worden heropend.</al><al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
                            ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
                            belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden
                            aangemerkt.</al><al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger
                            voortzetten.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73.2.3.</nr><titel>De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is
                                ingetrokken</titel></kop><al>De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw)
                            en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a,
                            eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering
                            hervatten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73.2.4.</nr><titel>De WSNP is tussentijds beëindigd</titel></kop><al>Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin
                            van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in faillissement
                            achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het
                            invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een
                            faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14). </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.3. Insolventieprocedure en surseance</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.3.1. Uitstel en surseance</titel></kop><structuurtekst><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surseance wordt verwezen naar
                            artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</al><al>Voor kwijtschelding in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel
                            26.1.9 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in
                            relatie tot surseance</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4. Insolventieprocedure en faillissement</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement
                            aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid
                            materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft
                            achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht
                            van korte duur is.</al><al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een
                            faillissement aan als:</al><lijst><li nr="-"><al>die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of</al></li><li nr="-"><al>naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn
                                    gebleven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van
                            faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer
                            uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan
                            wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten
                            leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het
                            faillissement van die rechtspersoon.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.3. Particulieren en faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft
                            achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele
                            vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement
                            kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt
                            voldaan.</al><al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een
                            onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet
                            aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</al><al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
                            bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden
                            natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
                            hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in
                            behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een
                            buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel
                            73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag
                            aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een
                            nader oordeel te onderwerpen.</al><al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan
                            wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de
                            faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het
                            aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                            kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid
                            opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste
                            voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek
                            dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de
                            faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling
                            faillissementsaanvraag door rechter</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet,
                            voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft
                            genomen, dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan
                            wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</al><al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is
                            gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of
                            als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                            uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van
                            zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking
                            gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te
                            houden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk
                            toestemming van het college hebben.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van
                            de vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit
                            alleen als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen
                            bezwaar te hebben.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt
                            niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is vermeld met
                            betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger.</al><al>Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college
                            vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of
                            zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig
                            werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk
                            verstrekt.</al><al>Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van
                            de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van
                            de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de
                            belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in
                            artikel 73.4.1, 73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval
                            is dus ook toestemming van het college vereist.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen
                            de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor
                            toestemming van het college nodig.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij
                            faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
                            faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.12. Opkomen in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator
                            dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar
                            artikel 19.2.3 van deze leidraad.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van
                            artikel 196 FW , om na de beëindiging van een faillissement het
                            proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven
                            bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot
                            invordering bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij
                            dwangbevel.</al><al>Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere
                            omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze
                            omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen drie
                            jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of
                            over vermogensbestanddelen van substantiële waarde.</al><al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten
                            worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW
                            in overleg met de curator.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de
                            EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert
                            terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland
                            op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of
                            secundaire procedure worden geopend.</al><al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende
                            hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen
                            van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een
                            secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure - dus niet de
                            surseance van betaling - en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland
                            geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden
                            aangetoond.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de
                            schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in
                            het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel
                            19a en 22a van de regeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van
                            de NVVK of gemeenten</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.1. Algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal
                            36 maanden als:</al><lijst><li nr="a."><al>een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode
                                    Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een
                                    overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft
                                    als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de
                                    aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa
                                    gepubliceerde normen;</al></li><li nr="b."><al>de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling
                                    wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook
                                    artikel 73.5a);</al></li><li nr="c."><al>de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet
                                    zijnde ondernemers;</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige -
                                    afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten
                                    worden- in aanmerking zou komen voor de wettelijke
                                    schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;</al></li><li nr="e."><al>aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst
                                    een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als
                                    kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een
                                    wettelijke schuldsanering.</al></li></lijst><al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van
                            toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de
                            toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal
                            uitoefenen.</al><al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem
                            schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot
                            stand is gekomen.</al><al>Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de
                            schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een
                            schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een
                            schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De
                            schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend
                            vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de
                            schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de
                            schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de
                            schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de
                            schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling,
                            wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.</al><al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in
                            beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen
                            motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling
                            ook van toepassing is op die belastingaanslagen.</al><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de
                            dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die
                            zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan
                            worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de
                            verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het
                            geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt
                            substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen
                            terugkomen indien terzake van die belasting ten tijde van de schatting
                            ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien de
                            belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten
                            dat de schatting te laag was.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een
                            stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener
                            als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit
                            artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een
                            schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij
                            activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van
                            de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.</al><al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst
                            neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen
                            dwanginvorderingsmaatregelen.</al><al>Vanaf het moment van ontvangst van een afschrift van de
                            stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende vier maanden geen
                            dwanginvorderingsmaatregelen.</al><al>Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in
                            overleg met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen
                            plaats met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel)
                            is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
                            stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al><al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn
                            door de schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120
                            dagen worden verlengd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen</titel></kop><structuurtekst><al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de
                            schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen ( en de
                            schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet).</al><al>Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op
                            belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het
                            afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een
                            schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode
                            van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al><al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
                            belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de
                            dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek
                            behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.</al><al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
                            op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt
                            gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt
                            beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de
                            schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd worden als vermogen
                            in de zin van artikel 12 van de regeling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger trekt het uitstel in als:</al><lijst><li nr="-"><al>hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de
                                    schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener
                                    schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst
                                    wordt voortgezet;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel)
                                    betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de
                                    dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald
                                    laat;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet
                                    nakomt;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;</al></li><li nr="-"><al>de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de
                                    zin van art. 73.5.6.</al></li></lijst><al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde
                            en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de
                            schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het
                            uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen
                            zijn verplichtingen correct nakomt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van
                            de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener
                            na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het
                            aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a
                            van de regeling.</al><al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole
                            is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft
                            voldaan.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73.5.7.</nr><titel>Na de toepassing van de MSNP</titel></kop><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
                            op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling,
                            zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen
                            uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt
                            dat aannemelijk moet zijn dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag voorafgaande
                                    voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan
                                    voldoende op juistheid heeft getoetst; en</al></li><li nr="-"><al>hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval
                                    tijdig contact heeft opgenomen met de ontvanger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73.5a</nr><titel>Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan
                                leden van de NVVK of gemeenten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><nr>73.5a.1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een
                            persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet
                            op het consumentenkrediet , niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente,
                            worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende. De
                            ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten
                            afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling kan
                            komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat
                            hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het
                            belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad.</al><al>Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol
                            kunnen spelen:</al><lijst><li nr="1."><al>is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar
                                    gedocumenteerd;</al></li><li nr="2."><al>is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is
                                    waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden
                                    geacht;</al></li><li nr="3."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                    uitzicht voor de schuldenaar;</al></li><li nr="4."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                    uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de
                                    weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;</al></li><li nr="5."><al>bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;</al></li><li nr="6."><al>wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger
                                    heeft bij volledige nakoming;</al></li><li nr="7."><al>hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de
                                    totale schuldenlast;</al></li><li nr="8."><al>staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de
                                    schuldregeling instemmende schuldeisers;</al></li><li nr="9."><al>is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling
                                    geweest die niet naar behoren is nagekomen.</al></li></lijst><al>Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een
                            dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan
                            van de schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. Artikel 73.5
                            is zoveel als mogelijk van overeenkomstige toepassing,.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6. Insolventieprocedures en akkoorden</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn
                            bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het
                            sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke
                            schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een
                            rechter - ook voor de gemeente laten gelden.</al><al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een
                            aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
                            de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is.</al><al>Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een
                            ieder indienen, ook de schuldenaar.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk
                            akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag
                            worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                            toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van
                            die vraag is artikel 288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter
                            bevat op een verzoek om toepassing van de wettelijke
                            schuldsaneringsregeling.</al><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                            plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
                            betaling in termijnen eist hij zekerheid.</al><al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen
                            waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger
                            als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het
                            moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen
                            worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het
                            aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking
                            komen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent
                            hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald
                            blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt,
                            heeft ontvangen. Zonodig stelt hij een derdebeslagene of houder van
                            penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor
                            doorhaling van een beslag op een registergoed.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk
                            akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
                            plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
                            betaling in termijnen eist hij zekerheid.</al><al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden
                            aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde
                            op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op
                            grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen.
                            De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de
                            baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord
                            verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat
                            onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord
                            toekomt, heeft ontvangen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk
                            akkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op
                            welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt
                            daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag
                            dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag
                            waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</al><al>Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren
                            schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in
                            die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in
                            een aanslag.</al><al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in
                            een akkoord.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.7. Vervallen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een
                            dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger
                            het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.</al><al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent
                            hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het
                            dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een
                            saneringsakkoord</titel></kop><structuurtekst><al>Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet
                            mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats
                            bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de
                            regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel>Kosten van vervolging</titel></kop><al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten
                            van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de
                            kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen
                            (Kostenwet) in rekening worden gebracht.</al><al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden
                            die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele
                            wijze.</al><al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging
                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aan derden toekomende bedragen;</al></li><li nr="-"><al>rechtsmiddelen en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                                    bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>niet in rekening brengen van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>onverschuldigdheid van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>versnelde invordering en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>geen kwijtschelding van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>limitering betekeningskosten dwangbevel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan
                            onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van
                            de Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het
                            belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is
                            uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro
                            memorie opgenomen - rente.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.2. Aan derden toekomende bedragen</titel></kop><structuurtekst><al>Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet
                            invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening
                            worden gebracht, vallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde
                                    lid , en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                    rijksbelastingen ;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde
                                    derden;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in
                                    artikel 444 Rv;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop
                                    ter plaatse van de in beslag genomen zaken;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars,
                                    deskundigen en afslagers;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen
                                    zaken als de verkoop elders plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van
                                    wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik,
                                    vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken
                                    bewerkstelligen;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen
                                    roerende zaken.</al></li></lijst><al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening
                            gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de
                            belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn
                            belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor
                            de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op
                            de belastingschuldige worden verhaald, evenals mogelijke porti- en
                            telefoonkosten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het
                            bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het
                            Besluit beroep in belastingzaken 2005.</al><al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over
                            de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</al><al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep)
                            stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting
                            van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.</al><al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is
                            verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige
                            toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                            bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in
                            rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het
                            bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van
                            exploten geen vervolgingskosten in rekening:</al><lijst><li nr="-"><al>herhaalde betekening van een dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter
                                    stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als
                                    bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat
                                    de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de
                                    wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt
                                    gebracht;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een beslissing van het college op een
                                    beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de
                                    derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo
                                    nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of
                                    gedeeltelijke opheffing van het beslag;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring
                                    van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door
                                    toedoen van de belastingschuldige.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten
                            zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet
                            verschuldigd in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven
                                    op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn
                                    geworden;</al></li><li nr="-"><al>Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname
                                    van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of
                                    verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich
                                    voordoen bij vermindering van belastingaanslagen;</al></li><li nr="-"><al>Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de
                                    kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de
                                    invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan:</al></li><li nr="-"><al>een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits
                                    volledig ingevuld;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend verzoekschrift bij het college, de raad of de
                                    gemeentelijke ombudsman.</al></li></lijst><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen
                            voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten.
                            In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor
                            een tegemoetkoming in aanmerking.</al><al>Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening
                            gebracht als sprake is van trainering van de invordering;</al><lijst><li nr="-"><al>Als na het in rekening brengen van de kosten aan de
                                    belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;</al></li><li nr="-"><al>Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld
                                    in artikel 14.4.1 van deze leidraad;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in
                                    een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken
                                    zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken
                                    roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen
                                    door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen.
                                    In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet
                                    voortgezette beslag niet verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige
                                    aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een
                                    beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat
                                    over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip
                                    dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is
                                    verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden
                                    uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met
                                    het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming
                                    van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige
                                    binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de
                                    openstaande belastingschuld betaalt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan
                            de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd -
                            te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om
                            verzoekt.</al><al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in
                            omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk
                            maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de
                            invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het
                            specifieke geval- onredelijk en onbillijk is.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de
                            artikelen 10 en 15 van de wet , worden de daaraan verbonden
                            vervolgingskosten niet ten tijde van het treffen van de genoemde
                            maatregelen in rekening gebracht, indien en voor zover de
                            belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de gelegenheid is geweest
                            om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen.</al><al>De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen
                            van zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze
                            te voldoen, als na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of - in het
                            geval van rechtspersonen - aan de bestuurder is uitgereikt, twee
                            werkdagen zijn verstreken.</al><al>Na het verstrijken van die twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de
                            vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De
                            beschikking wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de
                            beschikking wordt er melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en
                            ineens invorderbaar zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg
                            zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn
                            genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</al><al>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten</al><al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende
                            betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat
                            deze kosten niet zullen worden ingevorderd.</al><al>Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel
                            kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt
                            kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt
                            verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.</al><al>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel</al><al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die
                            belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de
                            betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag
                            als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering
                            rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit
                            maximumbedrag.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>tot en met 79</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Invordering, Awb en het moment van vaststelling van
                                (naheffings)aanslagen</titel></kop><al>In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van
                            de Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel</titel></kop><structuurtekst><al>Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen
                            termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid
                            voltooid als de eindvervolging.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen</titel></kop><structuurtekst><al>Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb
                            (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort
                            gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of
                            ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor </al><al>die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de
                            genoemde afdeling 4.4.1. </al><al>Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van
                            dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het
                            moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de
                            naheffingsaanslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied 13</vet></al><al>1.1. Inleiding 13</al><al>1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen 14</al><al>1.1.2. Definities 14</al><al>1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften 14</al><al>1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden 14</al><al>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur 15</al><al>1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen 16</al><al>1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 16</al><al>1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen 16</al><al>1.1.9. Binnenkomst van bescheiden 17</al><al>1.1.10. Positie belastingdeurwaarder 17</al><al>1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden 17</al><al>1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 18</al><al>1.1.13. Informatieplicht 18</al><al>1.1.14. Diplomatieke status 18</al><al>1.2. Toepassingsgebied 18</al><al/><al><vet>Artikel 2 Begrippen 18</vet></al><al>2.1. Woonplaats 18</al><al/><al><vet>Artikel 3 Bevoegdheden invorderingsambtenaar 19</vet></al><al>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden 19</al><al>3.2. Conservatoir beslag 19</al><al>3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering 19</al><al>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag 19</al><al>3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming 19</al><al>3.3.1 Juridische bijstand 19</al><al>3.3.2 Toestemming 20</al><al>3.4. Rijksadvocaat 20</al><al>3.5. Faillissementsaanvraag 20</al><al/><al><vet>Artikel 3a Bevoegdheden invorderingsambtenaar - strafbeschikking
                            </vet><vet>20</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder </vet><vet>20</vet></al><al>4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder 20</al><al>4.2. Bescherming 20</al><al>4.3. Legitimatie 21</al><al/><al><vet>Artikel 5 Bevoegdheid ressort 21</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6 Reikwijdte van de wet 21</vet></al><al>6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet 21</al><al/><al><vet>Artikel 7 Betaling en afboeking 21</vet></al><al>7.1. Tijdstip betaling 21</al><al>7.2. De afboeking van de betaling 22</al><al>7.3. Teveelbetaling 22</al><al>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen 22</al><al>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen 22</al><al>7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling </al><al>is verleend 22</al><al>7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden 22</al><al>7.8. Betaling bij vergissing 23</al><al>7.9. Mededeling afboeking betaling 23</al><al>7.10. Betaling van kleine bedragen 23</al><al>7.11. Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en </al><al>faillissement 23</al><al/><al><vet>Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven 23</vet></al><al>7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling 23</al><al>7a.2. Uitbetalingfouten 24</al><al/><al><vet>Artikel 8 Bekendmaking aanslag 24</vet></al><al>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties
                        24</al><al>8.2. Vervallen 25</al><al>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet 25</al><al>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag 25</al><al/><al><vet>Artikel 9 Betalingstermijnen 25</vet></al><al>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen
                        25</al><al>9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven
                        25</al><al>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn 25</al><al>9.4. Dagtekening aanslagbiljet 25</al><al>9.5. Begrippen bij betalingstermijnen 25</al><al>9.6. Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling 26</al><al>9.7. Regeling betalingstermijnen 26</al><al>9.8. Automatische incasso 26</al><al/><al><vet>Artikel 10 Versnelde invordering 26</vet></al><al>10.1. Reikwijdte versnelde invordering 27</al><al>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering 27</al><al>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering 28</al><al>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering 28</al><al>10.5. Beslag en versnelde invordering 28</al><al>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering 28</al><al>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering 28</al><al/><al><vet>Artikel 11 Aanmaning 28</vet></al><al>11.1. De geadresseerde van de aanmaning 29</al><al>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden 29</al><al>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning 29</al><al>11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning 29</al><al>11.5. Betalingsherinnering 29</al><al>11.6. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg 29</al><al/><al><vet>Artikel 12 Dwangbevel 30</vet></al><al>12.1. Onderwerp van het dwangbevel 30</al><al>12.2. Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel 30</al><al/><al><vet>Artikel 13 Betekening van het dwangbevel 30</vet></al><al>13.1. Betekening dwangbevel per post 31</al><al>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen 31</al><al>13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder 31</al><al>13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel 32</al><al/><al><vet>Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel 32</vet></al><al>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen 32</al><al>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen 32</al><al>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging
                        32</al><al>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden
                        33</al><al>14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag 33</al><al>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken
                        33</al><al>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden 33</al><al>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan </al><al>voorwaarden 33</al><al>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 33</al><al>14.1.9. Opschorten van de executie 34</al><al>14.1.10. Onderhandse verkoop 34</al><al>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 34</al><al>14.1.12. Strafrechtelijk beslag 34</al><al>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving 35</al><al>14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 35</al><al>14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken 35</al><al>14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken 35</al><al>14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken 35</al><al>14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken 35</al><al>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden 35</al><al>14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken
                        35</al><al>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag </al><al>roerende zaken 36</al><al>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden 36</al><al>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken 36</al><al>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware
                        motorrijtuigen en beslag roerende zaken 37</al><al>14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken 37</al><al>14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken 37</al><al>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur 38</al><al>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken 38</al><al>14.2.15. Beslag op illegale zaken 38</al><al>14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken
                        38</al><al>14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken 38</al><al>14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken 39</al><al>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken 39</al><al>14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken 39</al><al>14.2.21 Relaas van onttrekking 39</al><al>14.3. Beslag op onroerende zaken 39</al><al>14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag </al><al>onroerende zaken 39</al><al>14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken 39</al><al>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 39</al><al>14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken 40</al><al>14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken 40</al><al>14.4. Beslag onder derden 40</al><al>14.4.1. Beslag op vordering van een derde 40</al><al>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 40</al><al>14.4.3. Roerende zaken bij derden 40</al><al>14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag 40</al><al>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt
                        41</al><al>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring
                        41</al><al>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring 41</al><al>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag 41</al><al>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente
                        41</al><al>14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag 42</al><al>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag 42</al><al>14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag 42</al><al>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de invorderingsambtenaar en het </al><al>doen van verklaring 42</al><al>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf 42</al><al>14.5. Beslag op schepen 42</al><al>14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip 42</al><al>14.5.2. De executie van schepen 43</al><al>14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip 43</al><al>14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen 43</al><al>14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen 43</al><al/><al><vet>Artikel 15 Versnelde uitvaardiging en tenuitvoerlegging 43</vet></al><al/><al><vet>Artikel 16 Doorlopend beslag 43</vet></al><al>16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen 44</al><al/><al><vet>Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 44</vet></al><al>17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging </al><al>dwangbevel 44</al><al>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering
                        44</al><al/><al><vet>Artikel 18 ANPR-acties 44</vet></al><al/><al><vet>Artikel 19 Doen van een vordering 45</vet></al><al>19.1. Vordering algemeen 45</al><al>19.1.1. Bekendmaking vordering 45</al><al>19.1.2. Voldoen aan de vordering 45</al><al>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering 45</al><al>19.1.4. Intrekken van een vordering 45</al><al>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot </al><al>vordering 46</al><al>19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering 46</al><al>19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering 46</al><al>19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot 46</al><al>19.2. De faillissementsvordering 46</al><al>19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement 46</al><al>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn </al><al>boedelschulden in faillissement 47</al><al>19.2.3. Opkomen in faillissement 47</al><al>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 47</al><al>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 47</al><al>19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 48</al><al>19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 48</al><al>19.3.3a Beslagvrije voet en vakantiegeld 48</al><al>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet 48</al><al>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke
                        uitkering 49</al><al>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 49</al><al>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 49</al><al>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 49</al><al>19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering 49</al><al/><al><vet>Artikel 20 Lijfsdwang 49</vet></al><al/><al><vet>Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen 49</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22 Bodemrecht 50</vet></al><al>22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht 50</al><al>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten 50</al><al>22.3. Overbetekening bodembeslag 50</al><al>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement 51</al><al>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 51</al><al>22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 51</al><al>22.7. Bodemrecht en voorrang 51</al><al>22.8. Verzet en beroep 51</al><al>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 51</al><al>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling </al><al>ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 51</al><al>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 51</al><al>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 51</al><al>22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 51</al><al>22.8.6. Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift </al><al>ex artikel 22, eerste lid, van de wet 52</al><al>22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag
                        52</al><al>22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 52</al><al>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 52</al><al>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift </al><al>ex artikel 22, eerste lid, van de wet 53</al><al>22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst 53</al><al>22.8.12. Executie en bodemrecht 53</al><al/><al><vet>Artikel 22bis </vet><vet>Mededeling 53</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22a Vervallen 53</vet></al><al/><al><vet>Artikel 23 </vet><vet>Verhaal motorrijtuigenbelasting en
                            inkomstenbelasting</vet><vet> 53</vet></al><al/><al><vet>Artikel 23a Verhaal van belastingaanslagen als gevolg van een
                            toerekening </vet></al><al><vet>van een afgezonderd particulier vermogen 53</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24 Verrekening 53</vet></al><al>24.1. Wanneer verrekening 53</al><al>24.1.1. Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije </al><al>voet 54</al><al>24.2. Betwiste schuld en verrekening 54</al><al>24.3. Reikwijdte van de verrekening 54</al><al>24.4. Bekendmaking verrekening 54</al><al>24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting 54</al><al>24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 54</al><al>24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 54</al><al>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen
                        55</al><al>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding 55</al><al>24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb
                        55</al><al>24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 55</al><al>26.6.6 Houding invorderingsambtenaar bij procedure tegen weigeren </al><al>instemming met cessie of verpanding 55</al><al><vet>Artikel 25 Uitstel van betaling 56</vet></al><al>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 56</al><al>25.1.1. Houding van de invorderingsambtenaar tijdens behandeling verzoek </al><al>om uitstel 56</al><al>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 56</al><al>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel 56</al><al>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel 57</al><al>25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 57</al><al>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 57</al><al>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel 58</al><al>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 58</al><al>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 58</al><al>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 58</al><al>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete 58</al><al>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 58</al><al>25.1.13. Zekerheid bij uitstel 58</al><al>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel 59</al><al>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen 59</al><al>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 59</al><al>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 59</al><al>25.2.2. Bezwaar- en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel 59</al><al>25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift
                        60</al><al>25.2.2.B. Ontbrekende gegevens 60</al><al>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 60</al><al>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 60</al><al>25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 60</al><al>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden </al><al>belastingschuld 61</al><al>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 61</al><al>25.2.7.A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel 61</al><al>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 61</al><al>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag
                        61</al><al>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 62</al><al>25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te
                        betalen bedragen 62</al><al>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel 62</al><al>25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te
                        betalen </al><al>bedrag 62</al><al>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te
                        betalen </al><al>bedrag 62</al><al>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen 62</al><al>25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met </al><al>betalingsproblemen 62</al><al>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting 63</al><al>25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling 63</al><al>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surséance 63</al><al>25.5. Betalingsregeling voor particulieren 63</al><al>25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren 63</al><al>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 64</al><al>25.5.3. Kort uitstel particulieren 64</al><al>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 64</al><al>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren 64</al><al>25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 65</al><al>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 65</al><al>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden
                        65</al><al>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 65</al><al>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 65</al><al>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden 66</al><al>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers 66</al><al>25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers 66</al><al>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 66</al><al>25.6.2.A. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers 66</al><al>25.6.2.B. Verklaring derde deskundige 66</al><al>25.6.2.C. Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen </al><al>als al kort uitstel is verleend 67</al><al>25.6.2.D. Kort uitstel van betaling voor ondernemers 67</al><al>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 67</al><al>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 67</al><al>25.7. Administratief beroep 67</al><al>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het college 67</al><al>25.7.2. Beroepsfase uitstel 67</al><al>25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 68</al><al>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 68</al><al>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de invorderingsambtenaar
                        68</al><al/><al><vet>Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen 68</vet></al><al>26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid 69</al><al>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden 69</al><al>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 69</al><al>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding
                        69</al><al>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding
                        70</al><al>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden
                        70</al><al>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding 70</al><al>26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting </al><al>invordering 70</al><al>26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding 70</al><al>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 71</al><al>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding 72</al><al>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen 72</al><al>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren 72</al><al>26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren 72</al><al>26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren 72</al><al>26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren 73</al><al>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren 73</al><al>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren 73</al><al>26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren 74</al><al>26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren 74</al><al>26.2.8. Vervallen 74</al><al>26.2.9. Vervallen  74</al><al>26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren 74</al><al>26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren 75</al><al>26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren 75</al><al>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor </al><al>particulieren 76</al><al>26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor
                        particulieren 76</al><al>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse
                        belastingschulden 76</al><al>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens 77</al><al>26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding </al><al>voor particulieren 77</al><al>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP 77</al><al>26.2.18. Vervallen 77</al><al>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
                        bijstandsuitkering 77</al><al>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland 77</al><al>26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers 77</al><al>26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 77</al><al>26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers 77</al><al>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord 78</al><al>26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord 78</al><al>26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord 78</al><al>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord 78</al><al>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord 78</al><al>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord 79</al><al>26.4. Administratief beroep 79</al><al>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om </al><al>kwijtschelding 79</al><al>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding 80</al><al>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding 80</al><al>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding 80</al><al>26.4.5. Beslissing College op beroep bij kwijtschelding 80</al><al>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om </al><al>kwijtschelding 80</al><al>26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding 80</al><al>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
                        81</al><al>26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding 81</al><al>26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om </al><al>kwijtschelding 81</al><al>26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding 81</al><al/><al><vet>Artikel 27 Verjaring 82</vet></al><al>27.1. Versnelde invordering en verjaring 82</al><al>27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring 82</al><al>27.3. Stuiting van de verjaring 82</al><al>27.4. Schorsing van de verjaring 82</al><al>27.5. Afstand van verjaring 82</al><al>27.6. Rente en kosten en verjaring 82</al><al>27.7. Na verjaring geen civiele invordering 83</al><al/><al><vet>Artikel 27a Betalingskorting 83</vet></al><al/><al><vet>Artikel 28 Invorderingsrente 83</vet></al><al>28.1. Vervallen 83</al><al>28.2. Correctie berekende invorderingsrente 83</al><al>28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente 83</al><al>28.4. Vervallen 83</al><al>28.5. Vervallen 83</al><al>28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk 83</al><al>28.7. Vervallen 83</al><al>28.8. Drempelbedrag 83</al><al/><al><vet>Artikel 28a</vet></al><al><vet>en artikel 28b 83</vet></al><al/><al><vet>Artikel 29 Invorderingsrente 84</vet></al><al/><al><vet>Artikel 30 Beschikking betalingskorting en invorderingsrente
                        84</vet></al><al>30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting 84</al><al>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar 84</al><al>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie
                        84</al><al>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van </al><al>betaling 84</al><al>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting 84</al><al/><al><vet>Artikel 31 Afwijkingen betalingskorting en invorderingsrente
                        84</vet></al><al><vet>en artikel 31a</vet></al><al/><al><vet>Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen
                            84</vet></al><al>32.1. Keuze aansprakelijkheid 85</al><al>32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid 85</al><al/><al><vet>Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting,
                            vaste</vet></al><al><vet>vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen 85</vet></al><al>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij
                        aansprakelijkheid 85</al><al>33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid 85</al><al>33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid 85</al><al>33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid 86</al><al>33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid 86</al><al>33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid 86</al><al>33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers 86</al><al/><al><vet>Artikel 34 Specifieke aansprakelijkheidbepalingen voor Rijksbelastingen
                            86</vet></al><al><vet>tot en met 47</vet></al><al/><al><vet>Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen 87</vet></al><al>48.1. Beneficiaire aanvaarding 87</al><al>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege 87</al><al/><al><vet>Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling 87</vet></al><al>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete 87</al><al>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente 88</al><al>49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 88</al><al>49.3.1. Wanneer in gebreke 88</al><al>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering 88</al><al>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere </al><al>invorderingsmaatregelen’ 88</al><al>49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten-
                        en</al><al>inlenersaansprakelijkheid 88</al><al>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 88</al><al>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige 89</al><al>49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen 89</al><al>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de </al><al>beschikking aansprakelijkstelling 89</al><al>49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling 89</al><al>49.8.2. Vervallen 89</al><al>49.9. Overgangsrecht 89</al><al>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening 89</al><al>49.9.2. Wijziging eis 89</al><al/><al><vet>Artikel 50 Bezwaar en beroep bij aansprakelijkheid 89</vet></al><al/><al><vet>Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid 89</vet></al><al>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar 90</al><al/><al><vet>Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling
                        90</vet></al><al>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling 90</al><al/><al><vet>Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding
                            90</vet></al><al>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld 90</al><al/><al><vet>Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde 90</vet></al><al>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling 90</al><al/><al><vet>Artikel 55 Keten- en bestuurdersaansprakelijkheid 91</vet></al><al><vet>tot en met 57</vet></al><al/><al><vet>Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de
                            aansprakelijkgestelde 91</vet></al><al>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure 91</al><al>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden 91</al><al>58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement 91</al><al/><al><vet>Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde
                            91</vet></al><al/><al><vet>Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen
                        92</vet></al><al>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie 92</al><al>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar </al><al>stellen 92</al><al/><al><vet>Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen
                            92</vet></al><al>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke </al><al>gegevens 92</al><al/><al><vet>Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige
                            93</vet></al><al/><al><vet>Artikel 62a Onrechtmatig opgelegde verplichting 93</vet></al><al/><al><vet>Artikel 63 Beroep op geheimhouding en verplichtingen jegens</vet></al><al><vet>en 63a invorderingsambtenaar en medewerker invordering 93</vet></al><al/><al><vet>Artikel 63b Bestuurlijke boeten 93</vet></al><al>63b.1. Algemene uitgangspunten 93</al><al>63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen 93</al><al>63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt 94</al><al/><al><vet>Artikel 63c Wijziging maximale hoogte verzuimboete 94</vet></al><al/><al><vet>Artikel 64 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf
                            94</vet></al><al/><al><vet>Artikel 65 Opzettelijk niet nakomen informatieverplichting: zwaardere
                        </vet></al><al><vet>strafmaat 94</vet></al><al>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf 94</al><al/><al><vet>Artikel 65a Misdrijf of overtreding 94</vet></al><al><vet>en artikel 66</vet></al><al/><al><vet>Artikel 67 Geheimhoudingsplicht 94</vet></al><al>67.1. Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf
                        95</al><al>67.2. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke </al><al>betalingen 95</al><al>67.3 Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke </al><al>betalingen 95 </al><al><vet>Artikel 68 Keuze woonplaats bij de invordering van Rijksbelastingen en
                            </vet><vet>tot en met 72 bodemrecht 95</vet></al><al/><al><vet>Artikel 73 Insolventieprocedures 95</vet></al><al>73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 95</al><al>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 95</al><al>73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of </al><al>faillissement 96</al><al>73.1.3. Boedelschulden 96</al><al>73.1.4. Proceskostengarantie 96</al><al>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 96</al><al>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 96</al><al>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 96</al><al>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 97</al><al>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 97</al><al>73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie </al><al>tot faillissement en WSNP 97</al><al>73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 97</al><al>73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 97</al><al>73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 97</al><al>73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP 97</al><al>73.2.2. Na de toepassing van de WSNP 97</al><al>73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is
                        ingetrokken 98</al><al>73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd 98</al><al>73.3. Insolventieprocedure en surséance 98</al><al>73.3.1. Uitstel en surséance 98</al><al>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie
                        tot surséance 98</al><al>73.4. Insolventieprocedure en faillissement 98</al><al>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen 98</al><al>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag
                        98</al><al>73.4.3. Particulieren en faillissement 98</al><al>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag 99</al><al>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling </al><al>faillissementsaanvraag door rechter 99</al><al>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag 99</al><al>73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag 99</al><al>73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag 99</al><al>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring 100</al><al>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement 100</al><al>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement 100</al><al>73.4.12. Opkomen in faillissement 100</al><al>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement 100</al><al>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement 100</al><al>73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure 100</al><al>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP 101</al><al>73.5. Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de </al><al>NVVK of de gemeente 101</al><al>73.5.1. Algemeen 101</al><al>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP 102</al><al>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen 102</al><al>73.5.4. Houding invorderingsambtenaar tijdens uitstel MSNP 102</al><al>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP 102</al><al>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP 103</al><al>73.5.7 Na de toepassing van de MSNP 103</al><al>73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan </al><al>leden van de NVVK of de gemeente 103</al><al>73.5a.1 Algemeen 103</al><al>73.6. Insolventieprocedures en akkoorden 104</al><al>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord 104</al><al>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord
                        104</al><al>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 104</al><al>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord 104</al><al>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord 105</al><al>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord 105</al><al>73.6.7. Vervallen 105</al><al>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord 105</al><al>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord 105</al><al/><al><vet>Artikel 74 Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten 105</vet></al><al/><al><vet>Artikel 75 Kosten van vervolging 105</vet></al><al>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten 106</al><al>75.2. Aan derden toekomende bedragen 106</al><al>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten 106</al><al>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar
                        106</al><al>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten 107</al><al>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten 107</al><al>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten 108</al><al>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten 108</al><al>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten 108</al><al>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten 108</al><al>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel 108</al><al/><al><vet>Artikel 76 Douane en invordering, motorrijtuigenbelasting,
                            internationale </vet><vet>tot en met 79 invordering en invordering Awir
                            109</vet></al><al/><al><vet>Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van
                            (naheffings)aanslagen 109</vet></al><al>80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel 109</al><al>80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen 109</al><al/><al><vet>Bijlage I Reglement Standaard </vet><vet>standaard Europese incasso
                            Gemeente Beemster 2015</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>