<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR339930_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeugdhulp gemeente Nijmegen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GB59958</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Nijmegen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-09-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstelnummer 109/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening jeugdhulp gemeente Nijmegen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening jeugdhulp gemeente Nijmegen 2015</titel></kop><structuurtekst><al/><al>De raad van de gemeente Nijmegen</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                            16 september, 14.0009961; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en
                            8.1.1, vierde lid,] van de Jeugdwet;</al><al/><al>gezien het advies van de Adviescommissie Jeugd-, Maatschappelijke
                            opvang- en Gehandicaptenbeleid en de Adviescommissie Allochtonen;</al><al/><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren
                            van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd,
                            waarbij het uitgangspunt is dat deverantwoordelijkheid voor het gezond
                            en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de
                            jeugdige zelf ligt; en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen
                            over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning
                            en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een
                            individuele voorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de
                            toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere
                            voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget
                            wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                            van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, ‘regels over de wijze waarop
                            ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun
                            vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet en
                            regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                            kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden
                            gesteld aan de kwaliteit daarvan;</al><al/><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke
                            voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt,
                            de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale
                            netwerk;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Nijmegen
                            2015</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In aanvulling op de begripsomschrijvingen in de Jeugdwet wordt in deze
                            verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al>Besluit: Besluit nadere regeling Jeugdhulp gemeente Nijmegen
                                    2015;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders
                                    toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="-"><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4,
                                    eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>overige voorziening: algemeen toegankelijke voorziening in het
                                    kader van de Jeugdwet als bedoeld in artikel 2, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                    wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                    jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die
                                    tot de individuele voorziening behoort van derden te
                                    betrekken;</al></li><li nr="-"><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere
                                    personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie
                                    onderhoudt;</al></li><li nr="-"><al>verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in
                                    artikel 6, inhoudende een advies aan het college betreffende het
                                    treffen van een voorziening;</al></li><li nr="-"><al>wet: Jeugdwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:</al><lijst><li nr="-"><al>Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd;</al></li><li nr="-"><al>Schoolmaatschappelijk werk;</al></li><li nr="-"><al>Opvoedondersteuning en opvoedadvies;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn
                                beschikbaar:</al><lijst><li nr="-"><al>Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf jeugd
                                        inclusief vervoer</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd – begeleiding en jeugd- en
                                        opvoedhulp</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd – behandeling (basis en
                                        specialistische jeugd-GGZ)</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd - observatie en diagnostiek</al></li><li nr="-"><al>Pleegzorg</al></li><li nr="-"><al>(Semi-)residentiële jeugdhulp;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige en
                                individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid
                                beschikbaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van gecontracteerde jeugdhulp
                                na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
                                naar een jeugdhulpaanbieder, indien en voor zover genoemde
                                jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                                afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel
                                10.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college, of
                                een andere daartoe door het college aangewezen organisatie, verder
                                te noemen andere organisatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college, of andere organisatie bevestigt de ontvangst van een
                                melding schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen verstrekt het college, of andere
                                organisatie, zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening
                                of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld
                                in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                                voorziening. Ingevolge de Jeugdwet kunnen ook de huisarts, medisch
                                specialist, jeugdarts of andere betrokken instanties hen
                                rechtstreeks verwijzen naar een overige voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of andere organisatie verzamelt alle voor het onderzoek,
                                bedoeld in artikel 6, van belang zijnde en toegankelijke gegevens
                                over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig
                                mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het
                                college of andere organisatie alle overige gegevens en bescheiden
                                die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn
                                en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De
                                jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een
                                identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college of andere organisatie kan in overleg met de jeugdige of
                                zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste
                                en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college, of andere organisatie, onderzoekt in een gesprek tussen
                                deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en
                                voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                        ondersteuning van het sociaal netwerk een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid van verstrekking van een pgb indien de
                                        jeugdige of zijn ouders dat wensen, waarbij de jeugdige of
                                        zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht
                                        over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het
                                college of andere organisatie de ouders dat een ouderbijdrage is
                                verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college of andere organisatie informeert de jeugdige of zijn
                                ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en
                                plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen expliciet toestemming
                                om hun persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college of andere organisatie kan in overleg met de jeugdige of
                                zijn ouders afzien van een gesprek. In dat geval draagt het college
                                er zorg voor dat de jeugdige of zijn ouders expliciet gevraagd
                                worden om toestemming als bedoeld in het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of andere organisatie zorgt voor een schriftelijk
                                verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan, bedoeld in
                                artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college of andere
                                organisatie het verslag aan de jeugdige of zijn ouders, tenzij zij
                                hebben meegedeeld dit niet te wensen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders
                                worden aan het verslag toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                voorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken
                                als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag
                                hebben aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag geeft het college een
                                beschikking af.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>‘Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend
                                voordat een gesprek als bedoeld in artikel 6 heeft plaatsgevonden,
                                tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor toekenning van een individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 7 als
                                uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een
                                individuele voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een individuele voorziening toekennen voor zover in
                                het verslag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt vastgesteld
                                dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>niet op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen
                                        uit zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn
                                        ondersteuningsvraag kan vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag
                                        door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een
                                        overige voorziening, of</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag
                                        door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een
                                        andere voorziening;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover met
                                betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel
                                3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder van oordeel is
                                dat inzet van jeugdhulp nodig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                                beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt
                                in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt en, indien van
                                        toepassing,</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of
                                zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college geen pgb
                                voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die belanghebbende
                                voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet
                                meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk
                                was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De jeugdige of zijn ouders die een pgb wensen, geven schriftelijk in
                                een plan aan hoe zij het pgb gaan besteden. Daarnaast motiveren zij
                                in dit plan:</al><lijst><li nr="a."><al>waarom zij op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een
                                        redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met
                                        hulp uit hun sociale netwerk dan wel met een curator,
                                        bewindvoerder, mentor, gecertificeerde instelling of
                                        aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het
                                        pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
                                        voeren;</al></li><li nr="b."><al>waarom zij de individuele voorziening die wordt geleverd
                                        door de aanbieder niet passend achten;</al></li><li nr="c."><al>hoe naar hun mening gewaarborgd is dat de individuele
                                        voorziening die de jeugdige of zijn ouders van het budget
                                        willen betrekken van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk
                                        geval van belang dat de individuele voorziening veilig,
                                        doeltreffend en cliëntgericht is. Tevens dient de persoon
                                        die in opdracht van de jeugdige of zijn ouders beroepsmatig
                                        of niet incidenteel als vrijwilliger, werkzaam voor een
                                        organisatie, in contact kan komen met de jeugdige die jonger
                                        is dan achttien jaar, voor aanvang van de hulpverlening over
                                        een actuele verklaring omtrent het gedrag te beschikken als
                                        bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
                                        strafvorderlijke gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de jeugdige niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,
                                wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een
                                verantwoorde wijze uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het tarief voor een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders
                                        opgesteld plan als bedoeld in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                        kopen;</al></li><li nr="c."><al>wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning
                                        en de verschillende typen hulpverleners, en</al></li><li nr="d."><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in
                                        natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende
                                kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie,
                                verzekeringen en reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvrager die in aanmerking komt voor een pgb kan de jeugdhulp
                                slechts betrekken van een persoon die tot zijn sociale netwerk
                                behoort indien dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere
                                ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.</al><lijst><li nr="a."><al>Deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn
                                        diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde
                                        tarief voor professionals. Dit lagere tarief wordt door het
                                        college in het Besluit vastgesteld.</al></li><li nr="b."><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                        persoonsgebonden budget worden betaald.</al></li><li nr="c."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen onder welke
                                        voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de
                                        jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het
                                        sociale netwerk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte
                                van het pgb.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Een pgb dient door de jeugdige of zijn ouders binnen zes maanden na
                                verzending van de toekenningsbeschikking te worden aangewend ten
                                behoeve van de jeugdhulp waarvoor het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Geen Pgb wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders geen of geen volledig plan
                                        overleggen zoals bedoeld in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>niet voldaan is aan de voorwaarden voor een Pgb zoals
                                        bedoeld in dit artikel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Onderzoek inzet van individuele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college
                                mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                                aangaande een individuele voorziening beëindigen, herzien dan wel
                                intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                        hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                        voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend
                                        is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden
                                        van de individuele voorziening of het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het
                                        pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het
                                        is bestemd.</al></li><li nr="f."><al>de jeugdige of zijn ouders het pgb niet binnen zes maanden
                                        na de verzenddatum van de toekenningsbeschikking hebben
                                        aangewend voor de bekostiging van de jeugdhulp waarvoor de
                                        verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel
                                geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte
                                genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder d
                                of e heeft ingetrokken en de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs
                                konden begrijpen dat zij ten onrechte een individuele voorziening of
                                daaraan gekoppeld pgb ontvingen kan het college geheel of
                                gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pbg
                                verrekenen met te verstrekken pgb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg
                                    en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een
                                beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                                kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van
                            jeugdigen en ouders die betrekking hebben de wijze van afhandeling van
                            meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                                kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het
                                tweede en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of
                                zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                    gemeente Nijmegen 2015</al><al/></li></lijst><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 oktober 2014. </al><al/><al/><al>de voorzitter, </al><al/><al>drs. H.M.F. Bruls</al><al/><al>de raadsgriffier, </al><al/><al> mevr. drs. M.M.V. Mientjes </al><al/><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al>Algemeen</al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt
                            onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar
                            gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk
                            beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van
                            jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een
                            stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een
                            stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                            (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg
                            en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een
                            voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de
                            gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel
                            blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar
                            nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor
                            te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                            probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de
                            gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><al>Artikel I. over de door het college te verlenen individuele
                            voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;</al><al>Artikel II.met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze
                            van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                            voorziening;</al><al>Artikel III. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van
                            een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op
                            gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                            inkomen;</al><al>Artikel IV. over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden
                            budget wordt vastgesteld;</al><al>Artikel V. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik
                            of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;</al><al>Artikel VI. over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de
                            uitvoering van de</al><al>Jeugdwet, en</al><al>Artikel VII. ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs
                            voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van
                            jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het
                            college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden
                            laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van
                            het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze
                            verordening maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld
                            te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente.
                            Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening
                            bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een
                            persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van
                            een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de
                            raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te
                            stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren
                            beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de
                            uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.</al><al>Toeleiding naar de jeugdhulp</al><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren
                            plaatsvinden.</al><al>Vrij toegankelijk</al><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige
                            (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij- toegankelijke)
                            voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste,
                            respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal
                            volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier
                            kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij
                            daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De
                            jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks
                            tot de jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al>Toegang jeugdhulp via de gemeente</al><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                            gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn
                            ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die
                            jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente
                            ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden
                            wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun
                            netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een
                            voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken
                            worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                            vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                            deskundige dat in het verslag op. Vervolgens kunnen de jeugdige of zijn
                            ouders een aanvraag indienen bij het college. Het college neemt een
                            besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die
                            volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek
                            aan te pakken.</al><al>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist</al><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een
                            verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na
                            een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke
                            behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een
                            jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat
                            moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft
                            ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op
                            basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke
                            voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet
                            komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                            jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met
                            de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of
                            subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol
                            kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen
                            verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van
                            elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een
                            kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1
                            gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden
                            geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij
                            professionals niet goed van elkaar weten</al><al>dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de
                            jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente
                            bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van
                            de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                            toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen
                            nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts
                            en de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel
                            aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 3). Artikel 10 en
                            verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.</al><al>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het
                            openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de
                            justitiële jeugdinrichting.</al><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling,
                            de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel
                            tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                            selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De
                            gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te
                            zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde
                            kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de
                            gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden.
                            De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te
                            zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de
                            kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze
                            leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken
                            van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid
                            en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de
                            gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die
                            de gemeente heeft ingekocht. Als de</al><al>kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt,
                            wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling
                            aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de
                            raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet
                            advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou
                            moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een
                            gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met
                            de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor
                            het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht
                            om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                            Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                            verordening.</al><al>Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                            kindermishandeling (AMHK)</al><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp.
                            Het AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld
                            en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding
                            of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot
                            accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
                            Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus
                            niet terug in deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan
                            een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar
                            in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en
                            inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De
                            individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in
                            artikel 2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is
                            nader geregeld in artikel 3 [e.v.].</al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen
                            niet zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het
                            normaal spraakgebruik.</al><al>De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college
                            om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding
                            (artikel 4) is iets anders dan de aanvraag om een individuele
                            voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 8.</al><al>Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag
                            waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid
                            mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele
                            situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de
                            gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen
                            oplossingen.</al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het
                            spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden
                            budget’.</al><al>Onder het begrip sociaal netwerk wordt in deze verordening verstaan
                            iemand uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een
                            sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden
                            aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden,
                            kennissen, etc.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een
                            flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
                            Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de
                            verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen
                            als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we
                            de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien
                            mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek
                            veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook
                            de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’
                            bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder)
                            zelfstandig,de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                            artikel 1 van de wet: de gezaghebbende</al><al>ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als
                            behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder)
                            (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de
                            jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).</al><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><al>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                            jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                            opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en
                            stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een
                            verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de
                            ouders of adoptiegerelateerde problemen;</al><al>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en
                            van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische,
                            verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch
                            psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van
                            achttien jaar nog niet hebben bereikt, en</al><al>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied
                            van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort
                            aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke
                            of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening
                            of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt,
                            met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt
                            voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.</al><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                            definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                            ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’
                            (artikel 1:2 van de Awb).</al><al>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp</al><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte
                            delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is
                            bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het
                            college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                            (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet
                            (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger
                            recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen
                            binnen de gemeente.</al><al>Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever
                            waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie
                            van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel
                            een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een
                            individuele voorziening. Een algemene, vrij toegankelijke voorziening
                            wordt in deze verordening omschreven als een overige voorziening. Een
                            individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer
                            gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij
                            toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen
                            van ondersteuning zal door de gemeente (artikel 4 tot en met 8) of door
                            de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder
                            (artikel 3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders
                            deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin
                            van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie
                            van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een voorziening kan
                            derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning,
                            hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever
                            gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan
                            vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al>Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts</al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld
                            dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de
                            directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor
                            de vrij- toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet
                            vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke
                            verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de
                            jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                            (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn
                            die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig
                            is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de
                            concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                            aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van
                            de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede
                            baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de
                            basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene
                            toelichting.</al><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                            afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de
                            jeugdige of zijn ouders.</al><al>Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag</al><al>Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is
                            opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter
                            uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de
                            gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt over de door het
                            college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen,
                            met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van
                            beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                            voorziening.</al><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt
                            de in artikel 4 tot en met 10 beschreven procedure. Bij het onderzoek
                            ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in
                            artikel 6, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele
                            situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar
                            een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke
                            toekenning van een individuele voorziening.</al><al>Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de
                            noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is
                            bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. Het
                            college kan deze bevoegdheid mandateren, behoudens de vaststelling van
                            rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders. In de praktijk zal
                            het college de procedure betreffende melding, onderzoek en verslag laten
                            uitvoeren door daartoe door het college aangewezen deskundigen. Voor
                            jeugdhulp kan gedacht worden aan Sociaal wijkteams, of Kernteams, lokale
                            zorgnetwerken, het veiligheidshuis en scholen. Ook op andere plaatsen in
                            deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college
                            deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel
                            niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.</al><al>Vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een
                            overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure
                            in de zin van (artikel 4 en volgende) deze verordening.</al><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en
                            ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen
                            individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht
                            voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en
                            ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal
                            bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn
                            worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratische
                            proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het
                            vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van de melding,
                            meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in
                            bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de
                            jeugdige of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als
                            dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende
                            gesprekken). Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een
                            aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen
                            een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een
                            gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie
                            te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in
                            enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het
                            van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke
                            hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke
                            verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel
                            8)) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het
                            belang van een zorgvuldige dossiervorming.</al><al>Artikel 5. Vooronderzoek</al><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te
                            waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden
                            geïnformeerd.</al><al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                            onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in
                            kaart worden gebracht, zodat jeugdigen of hun ouders niet worden belast
                            met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede
                            afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied
                            van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
                            De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en
                            gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet
                            bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
                            Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in
                            verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders
                            vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het
                            vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of
                            minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het
                            gesprek.</al><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie
                            voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of
                            aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken
                            te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval
                            de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een
                            document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
                            Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende
                            voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan
                            niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te
                            treffen.</al><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                            bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of
                            zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit
                            dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een
                            gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien
                            de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag
                            gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het
                            gesprek worden afgezien. Dit laatste is bepaald in artikel 6, derde
                            lid.</al><al>Artikel 6. Gesprek</al><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten
                            en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij
                            is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en
                            zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal
                            persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                            ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een
                            gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken.
                            Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school,
                            bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal
                            afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor
                            het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                            gesprekken.</al><al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe
                            individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt
                            de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei
                            waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om
                            diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te
                            komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende
                            beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten
                            grondslag ligt.</al><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                            plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                            plaatsvinden.</al><al>In de onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen van het gesprek
                            weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige
                            al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet
                            meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen
                            worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige
                            of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek
                            dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.
                            In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop
                            gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                            uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                            opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf
                            ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate
                            van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van
                            het sociaal netwerk te versterken.</al><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan
                            een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw
                            en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.</al><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet
                            de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                            via het daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                            bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat
                            “de ouderbijdrage door het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de
                            vaststelling en de inning is belast (volgens de memorie van toelichting
                            is dat het CAK) wordt vastgesteld en ten behoeve van de gemeente wordt
                            geïnd”. De ouderbijdrage geldt op grond van art. 8.2.1 van de wet alleen
                            in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie.</al><al>Er wordt een toestemmingsformulier ontwikkeld waarmee de toestemming
                            bedoeld in het derde lid schriftelijk gevraagd wordt. Indien toestemming
                            gegeven wordt, dient het toestemmingsformulier ondertekend te worden
                            geretourneerd aan het college, of de andere daartoe door het college
                            aangewezen organisatie.</al><al>Artikel 7. Verslag</al><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige
                            dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze
                            verslagplicht is vormvrij. Hierbij is een voorbeeld genomen aan de
                            praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel
                            Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat hierover dat het
                            college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de
                            jeugdige of zijn ouders in staat te stellen een aanvraag te doen voor
                            een individuele voorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een
                            goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste
                            beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke
                            communicatie met de jeugdige of zijn ouders. Uiteraard zal de weergave
                            van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het
                            onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel
                            beperkt kunnen zijn als de jeugdige of zijn ouders van mening zijn goed
                            geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele
                            voorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard
                            een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente
                            de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook
                            gebruiken als een met de jeugdige of zijn ouders overeengekomen plan
                            (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die
                            daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat
                            het college en de jeugdige of zijn ouders dit plan ondertekenen.</al><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of
                            het herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde
                            lid).</al><al>Artikel 8. Aanvraag</al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                            artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                            verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de
                            voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                            afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig
                            om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te
                            verkrijgen.</al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                            wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een
                            aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij
                            het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het
                            college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid
                            de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders
                            ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</al><al>Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te
                            merken als aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet
                            aan te merken als aanvraag kan zijn het tijdsverloop tussen de datum van
                            opmaken van het verslag en de aanvraagdatum. Indien het college het
                            aannemelijk acht dat door het tijdsverloop het verslag niet meer
                            (volledig) van toepassing is op de actuele situatie van de jeugdige of
                            zijn ouders.</al><al>Beslistermijnen Awb</al><al>In de verordening is een termijn van 8 weken opgenomen om te beslissen
                            op een aanvraag. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de Awb. In
                            artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden
                            gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de
                            aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden
                            gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de
                            aanvrager mede te delen en daarbij een redelijke termijn te noemen
                            waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14,
                            derde lid, van de Awb).</al><al>Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding
                            binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in
                            complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig
                            onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een
                            langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat
                            langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><al>Artikel 9 Criteria voor individuele voorzieningen</al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.3 van de Jeugdwet. Uit de memorie
                            van toelichting bij dit artikel blijkt dat daar waar een jeugdige of
                            zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de
                            zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, de gemeente een
                            voorziening treft op het gebied van jeugdhulp. Uitgangspunt hierbij
                            blijft echter de eigen kracht van jeugdige en zijn ouders.
                            Overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde uitgangspunt
                            dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                            jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, wordt eerst
                            onderzocht of de jeugdige of zijn ouders zelf of met behulp van hun
                            sociale netwerk het probleem kunnen aanpakken.</al><al>Het college is alleen gehouden een voorziening te treffen als de
                            jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens
                            beslist de gemeente of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft.
                            Dit komt tot uitdrukking in de zinsnede «naar het oordeel van» in
                            artikel 2.3, eerste lid. De gemeente is ingevolge hetzelfde artikel
                            gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling
                            van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is
                            en welke voorziening dit dan is. Dat neemt echter niet weg dat de
                            gemeente een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening
                            precies moet worden getroffen. Dit maakt de omslag mogelijk van een
                            systeem van een recht van de burger naar een plicht van de gemeente om
                            waar nodig voorzieningen te treffen, waarbij meer ingespeeld wordt op de
                            lokale en persoonlijke omstandigheden en de efficiënte uitvoering
                            daarvan door de gemeente. De door de gemeente te treffen voorziening kan
                            zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een
                            individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking
                            hebben op meer gespecialiseerde zorg.</al><al>Artikel 10. Inhoud beschikking</al><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college
                            indienen (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een
                            beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke
                            beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van
                            de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of
                            zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de
                            jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen
                            van een pgb.</al><al>Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet
                            en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de
                            verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en
                            plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking
                            en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is
                            geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien
                            een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij
                            op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee
                            een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de
                            weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de
                            burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</al><al>In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een
                            ouderbijdrage is verschuldigd (vierde lid). De vaststelling en inning
                            geschiedt door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning
                            is belast, het CAK.</al><al>Artikel 11. Regels pgb</al><al>Bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel
                            MM) is de regeling in artikel 8.1.1 van de wet voor het pgb aangepast
                            (“gestandaardiseerd”) aan de verwante regelgeving met betrekking tot de
                            maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), In deze regeling stond dat
                            een pgb slechts wordt verstrekt indien aan de in het derde lid gestelde
                            voorwaarden is voldaan. Bij amendement Bergkamp/Voortman (Kamerstukken
                            II 2013/14 33 684, nr. 109) is het woord ‘slechts’ geschrapt omdat dit
                            een onnodige en overbodige inperking van het recht op een pgb leek te
                            suggereren. Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken II 2013/14
                            33 684, nr. 100) is het vijfde lid zo aangepast dat duidelijk is
                            geworden dat jeugdigen of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het
                            tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de
                            betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden
                            individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb in een
                            voorkomend geval slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan
                            deze door het college te bieden individuele voorziening in natura.</al><al>In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale
                            pgb-artikel (8.1.1) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de
                            verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliёnt te
                            geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van
                            artikel 8.1.1 van de wet een pgb kan verstrekken. Als aan alle
                            wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                            verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van
                            artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen
                            …”). Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts wordt
                            verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd stellen dat de
                            individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet
                            passend is (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om
                            achteraf kosten te declareren, indien het niet (meer) mogelijk is om de
                            noodzaak van de voorziening vast te stellen</al><al>In het derde lid is geregeld dat de jeugdige of zijn ouders die een pgb
                            aanvragen schriftelijk moeten onderbouwen dat zij voldoen aan de
                            voorwaarden die de wet stelt in artikel 8.1.1, derde lid. Het college
                            dient de afweging te maken of de jeugdige of zijn ouders voldoen aan
                            deze voorwaarden en kan dat niet zonder de gevraagde informatie. Bij
                            onderdeel b van het derde lid gaat het er om dat uit de onderbouwing van
                            de jeugdige of zijn ouders duidelijk moet worden dat zij zich voldoende
                            georiënteerd hebben op de voorziening in natura.</al><al>In onderdeel c is opgenomen dat de jeugdige of zijn ouders motiveren hoe
                            naar hun mening gewaarborgd is dat de individuele voorziening die de
                            jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken van goede
                            kwaliteit is. Daarbij is in elk geval van belang dat de individuele
                            voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Tevens dient de
                            persoon die in zijn opdracht van de jeugdige of zijn ouders beroepsmatig
                            of niet incidenteel als vrijwilliger, werkzaam voor een organisatie, in
                            contact kan komen met de jeugdige die jonger is dan achttien jaar, voor
                            aanvang van de hulpverlening over een actuele verklaring omtrent het
                            gedrag (vog) te beschikken als bedoeld in artikel 28 van de Wet
                            justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het eerste deel is toegevoegd
                            vanuit de wens om af te stemmen met de Wmo verordening. Vragen die
                            hierbij moeten worden beantwoord zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>hoe is de veiligheid geborgd?</al></li><li nr="-"><al>hoe worden de gestelde doelen bereikt?</al></li><li nr="-"><al>hoe en wanneer wordt geëvalueerd?</al></li><li nr="-"><al>hoe is de ondersteuning afgestemd op de jeugdige of zijn
                                    ouders?</al></li><li nr="-"><al>heeft degene van wie de hulp betrokken wordt een verklaring
                                    omtrent het gedrag (vog)?</al></li></lijst><al>De voorwaarde van het beschikken over een vog is opgenomen met het oog
                            op de veiligheid van de jeugdige (artikel 4.1.6 van de wet). Net zoals
                            de wet deze eis stelt voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder,
                            inclusief vrijwilligers, stelt het college deze eis aan degene die,
                            betaald uit het pgb, jeugdhulp verleent. De vog dient actueel te zijn.
                            De wet verstaat hieronder dat de vog niet eerder is afgegeven dan drie
                            maanden, voorafgaand aan het tijdstip waarop de hulpverlener voor de
                            organisatie ging werken. De vog mag echter niet ouder zijn dan drie
                            jaar. Op het moment dat de hulpverlening van start gaat moet de jeugdige
                            of zijn ouder de vog kunnen overleggen aan de gemeente.</al><al>In het vierde lid is geregeld dat het college een jeugdige, die jonger
                            is dan achttien jaar, niet in staat acht zelf een pgb te beheren.
                            Motivering is dat het uitvoeren van de aan het pgb verbonden taken op
                            een dusdanige en verantwoorde wijze dient te geschieden, dat het niet
                            wenselijk is dit door minderjarigen te laten doen.</al><al>Het vijfde en zesde lid berusten op artikel 2.9, onder c, van de wet. In
                            deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt
                            bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Dat zal,
                            gegeven het maatwerkkarakter van de te verstrekken individuele
                            voorziening, per jeugdhulpvorm kunnen verschillen. Hier is van belang
                            dat de hoogte van het budget, wil een budget voor de jeugdige of zijn
                            ouders een zinvol alternatief zijn, zodanig zal moeten zijn dat deze met
                            het budget de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk kan inkopen, terwijl
                            anderzijds voor de gemeente van belang is dat dit alternatief slechts
                            zinnig zal zijn wanneer het budget in elk geval niet hoger is dan de
                            kosten van een voorziening die voor een gemeente door een aanbieder
                            wordt geleverd. De gemeenten kunnen in de verordening differentiëren
                            tussen de hoogte van het budget voor geregistreerde professionele
                            jeugdhulp en anderen, die dezelfde kwaliteit leveren. De maximale hoogte
                            van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de
                            betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte
                            individuele voorziening in natura.</al><al>In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het
                            college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van
                            de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele
                            voorziening. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als
                            te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Een pgb
                            is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                            overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een
                            pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de
                            betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte
                            individuele voorziening in natura.</al><al>Een pgb kan worden ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te
                            betalen. Dit kan bijvoorbeeld iemand zijn uit het sociale netwerk van de
                            aanvrager (zevende lid). Het uitgangspunt van de wetgever hierbij is dat
                            het pgb voor niet-professionele zorgverleners beperkt dient te blijven
                            tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere
                            ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Het is niet wenselijk
                            dat een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de
                            jeugdarts naar de jeugdhulp een aanspraak kan vestigen op een pgb. Het
                            moet in alle gevallen de gemeente zijn die bepaalt of er de mogelijkheid
                            is om te kiezen voor een pgb in plaats van een voorziening in natura.
                            Gemeenten krijgen in de Wmo en Jeugdwet de ruimte om zelf te bepalen
                            wanneer pgb-houders maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp mogen
                            inschakelen uit het eigen sociale netwerk. In de verordening kunnen
                            gemeenten vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden dit
                            mogelijk is. Het is niet mogelijk om in de verordening het gebruik van
                            het pgb voor niet-professionele zorg geheel uit te sluiten.</al><al>Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring
                            en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij
                            deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in
                            hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc.</al><al>In de beleidsnota Kracht door verbinding heeft de regio Nijmegen bepaald
                            dat mantelzorg in principe niet met een pgb mag worden betaald.
                            Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en
                            dit gaat dus voor op een individuele of maatwerkvoorziening. Aan de
                            keuze tussen zorg in natura en pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van
                            het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van
                            een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze
                            tussen zorg in natura of een pgb. In beginsel is het gezien de volgorde
                            niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het
                            kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is
                            afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen
                            betekenen voor de cliënt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn
                            denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen
                            zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen
                            te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden: niet iedereen
                            die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in
                            aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd om maatwerk gaan. De jeugdige
                            of zijn ouders dienen schriftelijk te motiveren waarom het pgb, bij
                            wijze van uitzondering, dient te worden ingezet om het sociale netwerk
                            (alsnog) te betalen. Uit de motivatie van de cliënt moet blijken dat de
                            inkoop van de ondersteuning bij een persoon die behoort tot zijn sociale
                            netwerk tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar
                            doelmatiger is dan inkoop van ondersteuning bij een professional.</al><al>In het negende lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de
                            besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de
                            situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Een periode
                            van zes maanden wordt geacht voldoende lang te zijn voor de jeugdige of
                            zijn ouders om de hulp te organiseren.</al><al>Het tiende lid verwoordt dat geen pgb wordt verstrekt indien niet aan de
                            voorwaarden van dit artikel wordt voldaan.</al><al>Artikel 12. Onderzoek inzet van individuele voorzieningen</al><al>Op grond van artikel 2.9 onder d van de wet dienen in de verordening
                            regels te worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte
                            ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                            budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
                            Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar
                            het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet.</al><al>Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging (
                            Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte
                            delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is
                            bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding
                            van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede
                            van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt
                            het standaardiseren met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar
                            verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke
                            ondersteuning.</al><al>In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot
                            de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden
                            voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht
                            gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een
                            zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het
                            draagvlak daarvan. De artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 zijn eveneens bij
                            nota van wijziging en ter standaardisering van de regelgeving aan het
                            wetsvoorstel toegevoegd.</al><al>Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook
                            de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven
                            handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik
                            en zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen
                            8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en
                            zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9,
                            onder d, van de wet, in de verordening uitgebreid tot de individuele
                            voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de
                            tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in
                            het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft
                            dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening
                            of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze
                            voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat
                            te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele</al><al>voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het
                            de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er
                            feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van
                            invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of
                            het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te
                            melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek
                            van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft
                            dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                            gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook
                            in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de
                            belanghebbende vragen.</al><al>Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet. Ook hier is de tot
                            de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het
                            bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de
                            individuele voorziening in natura.</al><al>Het derde en vierde lid geven de gronden voor terugvordering. Als het
                            college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, d of e
                            heeft ingetrokken kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                            vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten
                            onrechte genoten pgb. In de Invoeringswet Jeugdwet is geregeld dat het
                            college, na herziening of intrekking van een beslissing aangaande een
                            pgb in geval van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens,
                            bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb kan
                            invorderen, indien de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beslissing zou hebben geleid (artikel 8.1.4, derde lid). In
                            de verordening is gekozen voor een verruiming van de
                            terugvorderingsmogelijkheden. Daarmee is een wettelijke basis gegeven
                            aan de mogelijkheid van terugvorderen.</al><al>Indien het pgb niet binnen 6 maanden aangewend is voor de voorziening
                            waarvoor het verleend is, staat niet meer onomstotelijk vast dat er
                            (nog) behoefte aan (dezelfde) hulp bestaat.</al><al>Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                            uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</al><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                            vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders,
                            door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de
                            Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                            verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                            verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de
                            uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en
                            de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de
                            Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor
                            de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd
                            waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs)
                            rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld
                            ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door
                            aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder
                            kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de
                            vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de
                            vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                            biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij
                            de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al>Artikel 15. Vertrouwenspersoon</al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het
                            college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of
                            pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de
                            vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al
                            werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en
                            toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor
                            een goede invulling van deze functie. Er zal een regionale
                            vertrouwenspersoon worden ingesteld.</al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover
                            bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is
                            toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de
                            verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen
                            en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het
                            Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere uitwerking worden gegeven
                            van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.</al><al>Artikel 16. Klachtregeling</al><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op
                            grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                            behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen
                            van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid
                            werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de
                            Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is
                            gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de
                            klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen,
                            kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.</al><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over
                            de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder
                            is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit
                            klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij
                            gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke
                            klachtmogelijkheid in zicht.</al><al>Artikel 17. Inspraak en medezeggenschap</al><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en
                            medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en
                            medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4
                            e.v. van de wet.</al><al>Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van
                            artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van
                            de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging
                            op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841,
                            nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing
                            verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij
                            verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden
                            betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                            Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                            gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het
                            jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle
                            ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat
                            iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.</al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte
                            invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>