<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR339663_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa's 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad 24-11-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa's 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">1. Waterschapswet, art. 110, 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2. Waterschapsbesluit, Hoofdstuk 6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1692</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belasting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa's 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Hunze en Aa’s;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 6 oktober 2014;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 6, § 2,
                        van het Waterschapsbesluit;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de:</al><al>Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Begripsbepalingen</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze verordening;</al><al>b. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                        afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al><al>c. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het
                        transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al><al>d. afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                        zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al><al>e. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
                        afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
                        blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                        gebruik te worden gegeven;</al><al>f. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk
                        geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een
                        zuiveringtechnisch werk of een riolering;</al><al>g. Hefpunt: openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip
                        Fryslân. Hefpunt verzorgt voor de deelnemers de heffing en invordering van
                        de waterschapslasten;</al><al>h. de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>i. de ambtenaar belast met de invordering: de door het dagelijks bestuur van
                        Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                        onderdeel b, van de Waterschapswet;</al><al>j. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de
                        Drinkwaterwet;</al><al>k. ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                        onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al><al>l. drinkwaterbedrijf: een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste
                        lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet;</al><al>m. afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet;</al><al>n. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al><al>Bijlagen</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>1. Bijlage I: voorschriften onderzoek afvalwater;</al><al>2. Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel
                        122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al><al>Belastbaar feit en heffingsplicht</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                        taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                        zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                        indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                        waterschap. </al><al>2. Aan de heffing worden onderworpen:</al><al>a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene
                        die het gebruik heeft van die ruimte;</al><al>b. ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                        afvoert.</al><al>3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                        heffingsplichtig:</al><al>a. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden:
                        degene die door de ambtenaar belast met de heffing is aangewezen;</al><al>b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                        in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien
                        verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de
                        heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                        gegeven;</al><al>c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een
                        woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft
                        gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft
                        gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al><al>4. Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                        bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                        beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                        onderworpen.</al><al>5. De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><al>a. aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het
                        voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het
                        zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen
                        zijn gehouden;</al><al>b. aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot behoud van
                        het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het
                        tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen.</al><al>Vrijstellingen</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>1. De heffing ter zake van bedrijfsruimten en van woonruimten als bedoeld in
                        de artikelen 14 en 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of,
                        zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>2. Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                        heffingsjaar aanvangt, is de heffing naar tijdsevenredigheid
                        verschuldigd.</al><al>3. Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                        heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op verlaging naar tijdsevenredigheid
                        van de verschuldigde heffing. Hiertoe kan de heffingsplichtige een aanvraag
                        tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al>4. Het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                        gebruiker van een woonruimte binnen het gebied van het waterschap verhuist
                        en daarbij weer het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens
                        wordt geloosd.</al><al>Heffingsjaar</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al>Grondslag en heffingsmaatstaf</al><al>Algemeen</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>1. Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                        en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        afgevoerd.</al><al>2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt
                        uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>3. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                        stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik
                        en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals
                        voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                        vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in
                        het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al><al>4. De stoffen zilver, chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen, cadmium,
                        kwik, chloride, fosfor en sulfaat worden niet aan heffing onderworpen.</al><al>Meting, bemonstering en analyse</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                        wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen
                        gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                        achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                        ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 9.</al><al>3. De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><al>a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                        werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                        stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al><al>4. De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                        beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het
                        heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het
                        gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of
                        wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van
                        de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al><al>5. De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a. kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking
                        van één of meer van de in Bijlage I opgenomen voorschriften indien deze
                        aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                        het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>b. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en bemonstering
                        kunnen geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I opgenomen
                        voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken van
                        de in Bijlage I opgenomen analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                        hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>d. kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere
                        voorschriften geven.</al><al>6. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                        vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                        beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. de voorschriften van Bijlage I waarvan wordt afgeweken;</al><al>b. de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>c. de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>7. De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                        vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf
                        of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al><al>8. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
                        veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde,
                        respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikkingen,
                        bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met
                        het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.</al><al>Beperkte meting, bemonstering en analyse </al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>1. Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                        berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                        gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt
                        aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                        dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor
                        bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek
                        dienen te worden betrokken;</al><al>b. de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                        etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                        daarvan;</al><al>c. de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                        herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                        onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>2. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
                        veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde,
                        respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld
                        in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                        berekeningsvoorschrift IV van paragraaf 5 van bijlage I leidt tot een ander
                        aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                        tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al><al>Hoedanigheidscorrectie</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>1. Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                        zuurstofverbruik bedoeld in artikel 7 in belangrijke mate is beïnvloed door
                        biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van
                        de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al><al>2. De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                        voorschriften welke zijn opgenomen in paragraaf 5 van bijlage I.</al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                        het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                        in elk geval:</al><al>a. de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b. de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                        van toepassing is;</al><al>c. de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                        bemonstering en analyse;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>Tabel afvalwatercoëfficiënten</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, kan het aantal
                        vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                        kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                        vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen
                        tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk
                        is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal
                        aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al><al>2. Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                        berekend volgens de formule a x b, waarbij:</al><al>a = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of
                        het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>b = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II
                        opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><al>3. Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden
                        vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het
                        einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de
                        heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                        wijze.</al><al>4. De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                        bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene
                        maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                        Waterschapswet.</al><al>5. Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                        onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met
                        toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere
                        uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van
                        artikel 8, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                        bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                        vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van
                        een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen
                        te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al><al>2. De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                        vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van
                        een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                        vervuilingseenheden.</al><al>3. Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                        lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van
                        een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat
                        kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel
                        voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                        aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al><al>4. Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                        bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder dan
                        vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                        minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld. </al><al>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 8 tot
                        en met 12, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimte</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk
                        voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie
                        vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                        dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op
                        één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                        gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>2. Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                        vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                        vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                        aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van
                        het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van
                        het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al><al>Vervuilingswaarde van woonruimten</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>1. De vervuilingswaarde van een woonruimte is drie vervuilingseenheden
                        indien die woonruimte bij het begin van het heffingsjaar of, indien de
                        heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, bij de aanvang van
                        de heffingsplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. Voor een
                        woonruimte die op genoemd tijdstip door één persoon wordt gebruikt, wordt de
                        vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                        bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                        bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                        bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan
                        wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al><al>Schatting</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><al>1. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                        overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>2. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, eerste of vijfde lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, of 15
                        eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>3. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige
                        gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is
                        gedaan:</al><al>4. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                        artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al><al>Tarief</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Het tarief bedraagt € 77,14 per vervuilingseenheid. </al><al>Wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al><al>2. Op één aanslagbiljet kunnen soorten aanslagen worden verenigd, de
                        zogenaamde integrale aanslag.</al><al>3. De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                        aanslagbiljet.</al><al>4. Het bedrag, vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete is
                        invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al>5. In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt dat als de
                        verschuldigde aanslagbedragen door middel van automatische incasso kunnen
                        worden afgeschreven, de aanslag moet worden betaald in tien gelijke
                        termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het
                        aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>6. Belastingbedragen van € 10,- of minder worden niet geheven. Hierbij wordt
                        het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                        aangemerkt als één belastingbedrag.</al><al>Kwijtschelding voor woonruimten</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>1. Er wordt geen kwijtschelding verleend, met uitzondering van de heffing
                        ter zake van woonruimten.</al><al>2. Bij het verlenen van kwijtschelding worden voor de berekening van de
                        kosten van bestaan de percentages, vermeld in artikel 16 van de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, gesteld op 100.</al><al>Nadere regels</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering. </al><al>Inwerkingtreding en citeertitel</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al>1. De Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en Aa’s 2014,
                        vastgesteld bij besluit van 20 november 2013 wordt ingetrokken met ingang
                        van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                        verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich
                        voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2. De verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van
                        de bekendmaking.</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al><al>4. De verordening wordt aangehaald als Verordening zuiveringsheffing
                        waterschap Hunze en Aa’s 2015.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van Hunze en
                        Aa’s, gehouden op 19 november 2014 te Veendam.</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers Alfred van Hall </ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet> op de Verordening zuiveringsheffing waterschap Hunze en
                    Aa’s 2015</al><al>A ALGEMEEN</al><al>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</al><al>De financiering van de behartiging van de taak inzake het zuiveren van
                    afvalwater gebeurt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de
                    bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                    Waterschapswet.</al><al>De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van
                    kosten).</al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                    watersysteemheffing. </al><al>Ook het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                    waterkwaliteitsoogpunt horen tot de zorg voor het watersysteem. Voor directe
                    lozingen op oppervlaktewater blijft de verontreinigingsheffing bestaan. De
                    opbrengst komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem.
                    De wettelijke basis voor de belasting is in de Waterwet geregeld. De essentialia
                    van de belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                    zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is dat
                    de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de riolering
                    of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de verontreinigingsheffing is
                    verschuldigd voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. </al><al> B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Considerans</al><al>Bevoegdheid algemeen bestuur</al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>Wettelijke grondslag</al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing
                    ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                    het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.</al><al><vet>Artkel 1</vet>, begripsbepalingen</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de
                    begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al>Onderdeel a</al><al>Waterschap Hunze en Aa’s heeft besloten om de stoffen zilver, chroom, koper,
                    lood, nikkel, zink, arseen, cadmium, kwik, chloride, fosfor en sulfaat niet aan
                    de heffing te onderwerpen. Het gaat hier dus alleen om het lozen van
                    zuurstofbindende stoffen.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al><al>Onderdeel b</al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijke rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al>Onderdeel c</al><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het
                    zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke
                    riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip
                    riolering is gedefinieerd).</al><al>Onderdeel d</al><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                    zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al>Onderdeel e</al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al>Onderdeel f</al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof
                    ‘s-Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>Onderdeel g</al><al>Hefpunt is het samenwerkingsverband op het gebied van waterschapsbelastingen
                    voor de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân.
                    Vestigingsplaats is Groningen. Uitgangspunt is een zo doelmatig mogelijke
                    uitvoering van de heffing en invordering van de waterschapsbelastingen. In
                    (Bijlage 1 van) de gemeenschappelijke regeling Hefpunt is een groot aantal
                    wettelijke bevoegdheden betreffende waterschapsbelastingen overgedragen aan
                    Hefpunt. In dit verband zijn de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    aangewezen heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in de onderdelen h en i
                    als zodanig ook voor waterschap Hunze en Aa’s van belang.</al><al>Onderdeel h</al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap, in casu van
                    Hefpunt. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van
                    uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze
                    functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe
                    (artikel 8 en verder).</al><al>Onderdeel i</al><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet
                    1990 uitoefent, wordt in de verordening de ambtenaar belast met de invordering
                    genoemd. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de invordering
                    van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting is een
                    ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in artikel 123,
                    derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de heffingsambtenaar het geval
                    is, kan in geval samenwerking door waterschappen in een gemeenschappelijke
                    regeling en indien hierbij een openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van
                    dit openbaar lichaam, in casu Hefpunt als ambtenaar belast met de invordering
                    worden aangewezen. Dit volgt uit artikel 124, vijfde lid, onder b, van de
                    Waterschapswet. </al><al>Onderdeel j</al><al>Hoewel de Drinkwaterwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet hier
                    in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke consumptie
                    geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van
                    stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van kleding vallen
                    hier onder. </al><al>Onderdeel k</al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al>Onderdeel l</al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas.</al><al><vet>Artikel 2</vet>, bijlagen</al><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                    hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                    vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g van de
                    Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting, bemonstering,
                    analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 8, 9 en 10 van de
                    verordening.</al><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 11. </al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening. (zie hier voor:
                    www.hunzeenaas.nl/Regelgeving/Verordeningen) <extref doc="http://www.hunzeenaas.nl" struct="INTERNET"/></al><al><vet>Artikel 3</vet>, belastbaar feit en heffingsplicht</al><al>Eerste lid</al><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die
                    zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee
                    primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. </al><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of
                    indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                    waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist
                    dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch werk daadwerkelijk bij
                    het waterschap berust. Dit is vooral van belang in situaties waar sprake is van
                    zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het afvalwater ontstaat in het gebied
                    van het ene waterschap en wordt afgevoerd naar een zuiveringstechnisch werk van
                    een ander waterschap. In een dergelijk geval is het ontvangende waterschap
                    bevoegd om degene die de stoffen heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te
                    betrekken. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres
                    aanslagen worden opgelegd door verschillende waterschappen.</al><al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                    medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen, waarin onder andere
                    de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het waterschap waar
                    het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het ontvangende
                    zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad 11 december
                    1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                    noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al>Tweede lid</al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende
                    wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij
                    een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als
                    willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag
                    kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor
                    de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326).</al><al>Onderdeel a</al><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                    dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat
                    een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                    één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten
                    doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze
                    kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag
                    terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92). In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als
                    gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                    aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve
                    van de bedrijfsruimte kan bedienen (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz.
                    478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><al>Onderdeel b</al><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                    plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al><al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, lid 2 onder b van de
                    Waterschapswet en welke is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel)
                    afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon
                    worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het achterhalen van de
                    identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd mogelijk te zijn, evenals
                    het vaststellen van individuele vervuilingswaarden indien de stoffen van meer
                    dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat
                    degene die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto dus de vervoerder)
                    rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het
                    afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al><al>Derde lid</al><al>Onderdeel a</al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al>Onderdeel b</al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft.
                    Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al>Onderdeel c</al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de
                    ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al>Vierde lid</al><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringstechnisch
                    werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid
                    voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via
                    de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is
                    alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten
                    waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al><al>Vijfde lid</al><al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing aan wordt
                    besteed.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Het waterschap heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om het
                    afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                    zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet geen specifieke
                    vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan een
                    dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel 122l
                    van de Waterschapswet. Dit artikel wordt ingevoerd door middel van de nog in
                    procedure zijnde wijziging van de Waterschapswet.</al><al><vet>Artikel 5</vet>, ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</al><al>Eerste lid</al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en
                    kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het
                    eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat
                    al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van
                    de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                    voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om
                    een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang
                    van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt
                    uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Uit jurisprudentie valt af te
                    leiden dat om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen,
                    de verordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>1. een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al><al>2. een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 5, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                    artikel 14, tweede lid, daar in);</al><al>3. een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor kleine
                    bedrijfsruimten is dit geregeld in artikel 14, tweede lid. Voor woonruimten is
                    dit niet van toepassing omdat ingevolge artikel 15, eerste lid geen rekening
                    wordt gehouden met wijzigingen in de gezinssamenstelling in de loop van het
                    heffingsjaar).</al><al>Indien in de verordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een waterschap in
                    het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene
                    wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 15, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter een tijdvakbelasting.
                    Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                    heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte
                    van de verschuldigde heffing. Artikel 122 h, zesde lid, van de Waterschapswet
                    bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze
                    verordening is gekozen voor de dagnauwkeurige variant.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. Wanneer ná het opleggen van de aanslag de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de
                    heffing niet in de gelegenheid geweest om daar bij het vaststellen van de
                    aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op
                    welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de
                    aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar
                    vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen
                    de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van
                    de rechtsbescherming van de heffingsplichtige voldoende gewaarborgd. Het staat
                    het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging
                    een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                    heffingsplichtige af te wachten.</al><al>Vierde lid</al><al>Het vierde lid regelt dat wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere
                    woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd, zowel het tweede als het derde
                    lid niet van toepassing zijn. Dit zou anders resulteren in een vermindering van
                    een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en
                    een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Dit wordt met het vierde lid
                    voorkomen. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Bij een dergelijke
                    verhuizing wordt geen rekening gehouden met wijzigingen in de
                    gezinssamenstelling (ook zonder verhuizing wordt daarmee ingevolge artikel 15,
                    eerste lid immers geen rekening gehouden).</al><al><vet>Artikel 6</vet>, heffingsjaar</al><al>In artikel 6 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><al>Grondslag en heffingsmaatstaf</al><al><vet>Artikel 7</vet>, algemeen</al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten
                    aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof
                    per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al><vet>Artikel 8</vet>, meting, bemonstering en analyse</al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                    vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen
                    ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><al>1. algemene onderzoeksvoorschriften en definities;</al><al>2. meting van afvalwater;</al><al>3. bemonstering van afvalwater;</al><al>4. behandeling van monsters (voorheen bijlage 1, onderdeel A en B);</al><al>5. berekeningsvoorschriften (voorheen bijlage 1, onderdeel C);</al><al>6. rapportage;</al><al>7. bijzondere situaties.</al><al>De kosten van een onderzoek zijn voor rekening van de heffingsplichtige. Het
                    spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                    oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                    verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is
                    sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 9.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken. </al><al>Vierde lid</al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de heffing.
                    Ook ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het heffingsjaar valt
                    onder de meldingsplicht.</al><al>Vijfde lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>1. ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                    voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>2. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>3. op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al>Zesde lid</al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al>Zevende lid</al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al>Achtste lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al><vet>Artikel 9</vet>, beperkte meting en bemonstering</al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen. In dit kader is tevens van belang
                    de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de
                    vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van
                    augustus 1998. </al><al><vet>Artikel 10</vet>, hoedanigheidscorrectie</al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor tenminste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie aangeduid.
                    Voor de wijze van aanvraag, onderzoeksmethode en frequentie voor aantonen van
                    het percentage T wordt verwezen naar de beleidsregel “Handreiking toepassing
                    hoedanigheidscorrectie afvalwater”.</al><al>Artikel 10 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage
                    I).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van
                    de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. </al><al><vet>Artikel 11</vet>, tabel afvalwatercoëfficiënten </al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Eerste lid</al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1. de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt
                    tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>2. er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Derde lid </al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze
                    waarop dit gebeurd ligt vast in beleidsregels van Hefpunt.</al><al>Vierde lid</al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al><al>Vijfde lid</al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                    vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al><vet>Artikel 12</vet>, belasting van tuinbouwkassen</al><al>Op basis van artikel 12 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al><vet>Artikel 13</vet>, totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al>Eerste lid</al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 8 tot en met 12
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><al>1. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>2. voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>3. voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is.</al><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt bijvoorbeeld de waarde
                    20,49 v.e. uiteindelijk 20,4 v.e. op het aanslagbiljet.</al><al><vet>Artikel 14</vet>, vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</al><al>Eerste lid</al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al><al>Tweede lid</al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al
                    aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                    opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het
                    heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder
                    vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet de verordening ook voorzien in een
                    deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering. Indien de
                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden één of
                    minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de
                    vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het betreft hier een aanvraag
                    in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden
                    ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De
                    vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden
                    verleend.</al><al><vet>Artikel 15</vet>, forfaits voor woonruimten</al><al>Eerste lid</al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Voor het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden wordt uitgegaan van het
                    aantal bewoners bij aanvang van de heffingsplicht (zgn. peildatum). Met een
                    afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in de loop van het
                    heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de aanslag bij een
                    toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de wetsgeschiedenis
                    van de wijziging van de (toenmalige) Wet verontreiniging oppervlaktewateren per
                    1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het hanteren van een dergelijke
                    peildatum is toegestaan (wetsontwerp 20 435, Memorie van antwoord, blz. 9).</al><al>Tweede lid</al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37
                    361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor
                    de heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel
                    van de onroerende zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    zuiveringsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al><vet>Artikel 16</vet>, schatting</al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                    vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld
                    indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering
                    en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming
                    is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 8 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al><vet>Artikel 17</vet>, tarief</al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al><vet>Artikel 18</vet>, wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. De opgenomen mogelijkheden zien
                    toe op de betalingswijzen en betalingstermijnen. </al><al>Eerste lid</al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. Dit
                    betekent dat het waterschap eerst zelf een aanslag moet opleggen aan de
                    heffingsplichtige. Voor aanslag kan worden gelezen: de schriftelijke
                    kennisgeving.</al><al>Tweede lid</al><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk meerdere aanslagen op één
                    aanslagbiljet te verenigen. Vooral dient hierbij te worden gedacht aan de
                    combinatie van de ingezetenenheffing, de zuiveringsheffing en de omslag gebouwd
                    voor woonruimten.</al><al>Derde lid</al><al>Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de AWB in werking getreden. Hierbij is
                    bepaald dat voor bestuurrechtelijke geldschulden in beginsel een betaaltermijn
                    van zes weken geldt (art. 4:87 AWB). Deze regeling is in de plaats gekomen voor
                    de regeling die voorheen in artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                    was opgenomen (betaaltermijn van twee maanden). In beide gevallen mag en mocht
                    bij wettelijk voorschrift van deze regelingen worden afgeweken. In het derde lid
                    van de verordening is geregeld, dat in afwijking van de wettelijke regeling, een
                    belastingaanslag betaald moet worden twee maanden na de dagtekening van het
                    aanslagbiljet. </al><al>Vierde lid</al><al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete is als gevolg van de verordening
                    invorderbaar twee maanden na de dagtekening van de aanslag.</al><al>Vijfde lid</al><al>Het vijfde lid van artikel 18 behelst een aparte regeling voor gevallen waarin
                    de belastingplichtige een machtiging tot automatisch incasso aan het waterschap
                    heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de belastingplichtige een ruimer
                    aantal betaaltermijnen worden gegund.</al><al>Zesde lid</al><al>Deze bepaling is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet is
                    bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de
                    belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt opgelegd.
                    Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat
                    aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden opgelegd. De kosten
                    van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting in deze gevallen
                    immers al snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Indien het waterschap de voor de
                    belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt eerder boven
                    de genoemde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een (integrale)
                    aanslag worden opgelegd.</al><al><vet>Artikel 19</vet>, kwijtschelding</al><al>In bepaalde gevallen kan een heffingsplichtige in aanmerking komen voor gehele
                    of gedeeltelijke kwijtschelding van de woningaanslag zuiveringsheffing. Het
                    waterschap hanteert hierbij een kwijtscheldingsnorm van 100%.</al><al><vet>Artikel 20</vet>, nadere regels</al><al>Artikel 20 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking
                    tot de heffing en de invordering van de zuiveringsheffing.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de
                    volgende bevoegdheden:</al><al>1. de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>2. de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>3. het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Daarnaast heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de Algemene
                    wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen. Artikel
                    10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of in het
                    algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde
                    bevoegdheid.</al><al><vet>Artikel 21</vet>, inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Eerste lid</al><al>De oude verordeningen blijven gelden voor de belastbare feiten die zich voor die
                    datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden
                    opgelegd op basis van de oude verordening.</al><al>Tweede lid</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekend gemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                    belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73 geschiedt
                    bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                    geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch worden uitgegeven.
                    Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de bekendmaking door
                    terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de secretarie van het
                    waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats en
                    door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel
                    74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van één en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie ook de toelichting op het derde lid van dit artikel.</al><al>Derde lid</al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is één van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar is niet beslist noodzakelijk, omdat bij gebreke daarvan die verordening
                    automatisch in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><al>Vierde lid</al><al>Als gevolg van het vierde lid van artikel 21 wordt de verordening voorzien van
                    een citeertitel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>