<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR339648_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Winsum 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-10-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-74878.html">Elektronisch gemeenteblad, 16-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.1.3&amp;g=2015-01-01">Wmo 2015, art. 2.1.3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.1.4&amp;g=2015-01-01">Wmo 2015, art. 2.1.4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.1.5&amp;g=2015-01-01">Wmo, art. 2.1.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.1.6&amp;g=2015-01-01">Wmo, art. 2.1.6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.1.7&amp;g=2015-01-01">Wmo, art. 2.1.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.3.6&amp;g=2015-01-01">Wmo, art. 2.3.6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;artikel=2.6.6&amp;g=2015-01-01">Wmo, art. 2.6.6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 BMWE-gemeenten.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening Wmo Winsum</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente WINSUM 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente WINSUM gelezen het voorstel van het college van
                        burgemeester en wethouders van [<vet>datum en nummer</vet>];</al><al/><al>gelet op de volgende artikelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        2015</al><al>2.1.3, </al><al>2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, </al><al>2.1.5, eerste lid,</al><al>2.1.6, </al><al>2.1.7,</al><al>2.3.6, vierde lid,</al><al>en 2.6.6, eerste lid,.</al><al/><al>overwegende </al><lijst><li nr="-"><al>dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                                waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk
                                leven;</al></li><li nr="-"><al>dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan;</al><al> dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen; </al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van
                                het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met
                                betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de
                                zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of
                                met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd
                                wonen en opvang, en</al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al></li></lijst><al/><al>besluit vast te stellen de </al><al/><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente WINSUM
                            2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening</cursief>: voorziening
                                die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                vergelijkbare producten;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>andere voorziening</cursief>: voorziening anders dan in het
                                kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>bijdrage</cursief>: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4,
                                eerste lid, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>anti-revaliderend</cursief>: het versterken of creëren van
                                beperkingen als gevolg van de verstrekking van voorzieningen</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>hulpvraag</cursief>: behoefte aan maatschappelijke
                                ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                wet;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>pgb</cursief>: persoonsgebonden budget als bedoeld in
                                artikel 1.1.1 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening
                                en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde
                                betekenis als in de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met
                            2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met
                            de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening
                            voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
                            aanmerking komt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is
                                ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante
                                huisgenoten:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of
                                meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder
                                een voorziening heeft gehad c.q met wie niet eerder een gesprek als
                                bedoeld in artikel 5 is gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder
                                een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel
                                5 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig
                                zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een
                                voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Het college dat overigens gewenst vindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht,
                                met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan
                                verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening
                                houdend met de uitkomsten van het in artikel 2 bedoelde onderzoek,
                                een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en
                                zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen
                                en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in
                                verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het
                                college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg
                                of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                uitkomsten van het in artikel 2 bedoelde onderzoek, een passende
                                bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                                wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen
                                kracht te handhaven in de samenleving<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                                maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                                vermijdbaar was, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs
                                niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de
                                hulpvraag overbodig had gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven, </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                rekenen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                veroorzaakte kosten, of </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt
                                voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                ondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijk)
                                anti-revaliderende werking heeft;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding
                                geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
                                van een andere wettelijke bepaling bestaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                gebruikelijk is;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet en vóór datum van
                                besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college
                                daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak
                                achteraf nog kan worden vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                gericht;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Winsum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de
                                woning gebruikte materialen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                                tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen
                                en gehuurde kamers; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft
                                in een complex gericht op huisvesting van senioren en/of mensen met
                                beperkingen; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen
                                aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid
                                of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing
                                aanwezig is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor
                                vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de
                                vorm van een pgb in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen,
                                chronische psychische problemen of psychosociale problemen het
                                gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of
                                als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen
                                de beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
                                daarvan is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoe de voorziening wordt verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover
                                in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wordt mede bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan
                                over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die
                                tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en
                                wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en
                                verzekering;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit
                                verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens
                                vakantie, verzekeringen en reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een cliënt ten behoeve van wie een pgb wordt verstrekt, kan
                                diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief betrekken van
                                een persoon die behoort tot het sociale netwerk:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten. Dit
                                lagere tarief wordt door het college in het Besluit
                                vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb worden
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op hetgeen is gesteld in het vijfde
                                lid, nadere regels stellen onder welke voorwaarden de persoon aan
                                wie een PGB wordt verstrekt, de ondersteuning kan betrekken van een
                                persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een pgb dient door de cliënt binnen drie maanden na toekenning te
                                worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de wijze
                                van vaststelling van de hoogte van het pgb. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                                algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een
                                maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor
                                het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de
                                cliënt en zijn echtgenoot.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning,
                                de cliënt een bijdrage is verschuldigd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is;
                                en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van
                                een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de
                                onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een
                                op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek
                                is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder
                                het gezag uitoefent over een cliënt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling door welke andere instantie
                                dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, de
                                bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en
                                geïnd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door een aanbesteding;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>na een consultatie in de markt, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in overleg met de aanbieder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt en het aansluiten bij de informele zorg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                overeenstemming met de professionele standaard;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>te voldoen aan de governance code van hun sector;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>te voorzien in een actief kwaliteitsbeleid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de ondersteuning tot stand te brengen in overleg met cliënten zowel
                                op individueel als collectief niveau.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                                betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                beslissing zou hebben geleid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                achten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb
                                verbonden voorwaarden;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander
                                doel gebruikt;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de cliënt door gebruik van de voorziening overlast veroorzaakt;
                            </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de cliënt door of bij gebruik zichzelf of zijn omgeving in gevaar
                                brengt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                                chronische problemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan,
                                bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met
                                een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen
                                die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die
                                een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen
                                percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter
                                ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in
                                welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aard en omvang van de te verrichten taken; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
                            </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en professionele
                                standaard</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>gemeentelijke kwaliteitsbeleid</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de marktprijs van de voorziening, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                                leverancier worden gevraagd, zoals:</al></lid><lid><lidnr>1°</lidnr><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; </al></lid><lid><lidnr>2°</lidnr><al>instructie over het gebruik van de voorziening; </al></lid><lid><lidnr>3°</lidnr><al>onderhoud van de voorziening, en</al></lid><lid><lidnr>4°</lidnr><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv.
                                sociaal wijkteams).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit de geleverde
                                zorg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                klachtafhandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met
                                uitzondering van de Huishoudelijke Hulp en individuele hulpmiddelen
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar
                            geëvalueerd, beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de
                            verordening. Het college zendt hiertoe telkens om de vier jaar beginnend
                            een jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad
                            een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening
                            in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit
                            Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen
                            aan de hand van de prijsindex van de gezinsconsumptie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken
                            van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Wmo Winsum wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening Wmo 2012, totdat het college een nieuw besluit
                                heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is
                                verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend na 1 november 2014 onder de Verordening
                                Wmo 2012 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van
                                deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo
                                2015. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo 2015 </al></lid></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>