<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR338856_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-10-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Publicatie via www.officielebekendmakingen.nl d.d. 15-10-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artt 155a t/m 155f Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-10-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-06-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2014092</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordeningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2004057</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het raadsconvent d.d. 11 mei 2004,</al><al/><al>gelet op de artikelen 155a tot en met 155f Gemeentewet,</al><al/><al>besluit</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>VERORDENING OP HET ONDERZOEKSRECHT VAN DE RAAD</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a,
                                derde lid, van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de eerstvolgende raadsvergadering na dit besluit stelt de raad een
                            onderzoekscommissie in van tenminste drie leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            plaatsvervangende leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><al>1.De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor plaats
                        vindt of getuigen</al><al>uitsluitend verhoord worden na het afleggen van de eed of belofte.</al><al>2.De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                        Gemeentewet</al><al>genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het onderzoek
                        te verlenen.</al><al>Laatstgenoemde medewerking geschiedt slechts op vrijwillige basis.</al><lijst><li nr="3."><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                                uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de
                                onderzoeksopdracht en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></li><li nr="4."><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                                beslotenheid met een ieder</al></li></lijst><al>informatieve gesprekken voeren, welke als zodanig geen onderdeel van het
                        onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe geen plicht tot medewerking.</al><al>5.De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                        uitoefenen indien</al><al>ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="6."><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></li><li nr="7."><al>De verordening op de raadscommissies is niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                                commissiegriffier.</al></li><li nr="2."><al>De commissiegriffier is bij iedere zitting aanwezig.</al></li><li nr="3."><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen
                                door een daartoe door de raadaangewezen vervanger.</al></li></lijst><al>4.De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting en brengt die ter openbare kennis.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                                deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al></li><li nr="3."><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen
                                en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                                tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="4."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van dezitting aan de betrokken getuige of
                                deskundige medegedeeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></li><li nr="2."><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde isverboden.</al></li></lijst><al>3.De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                        de vergaderingverstoren, te doen vertrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervanmededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                                zitting.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid
                                voor zover van belang.</al></li><li nr="3."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnenworden gehecht.</al></li></lijst><al>5.Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                        commissiegriffier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                        bevindingenvoorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking in de
                        plaatselijke bladen (artikel 142 van de gemeentewet).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht
                        van de raad.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 25 mei 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting op de Verordening op het onderzoeksrecht van
                        de raad</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoering geregeld in de artikelen 155a
                        tot en met 155f Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de
                        artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels
                        met betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief
                        recht van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid Gemeentewet niet
                        overdraagbaar is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek / onderzoekscommissie</titel></kop><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden
                        van de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het
                        door het college of de burgmeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot
                        voorstellen is het bepaalde omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 37
                        Reglement van orde van toepassing. </al><al/><al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft dient in de eerstvolgende
                        raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de
                        onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn
                        (samenstelling).</al><al/><al>De Gemeentewet bepaald hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat
                        de onderzoekscommissie uit tenminste drie (raads)leden bestaat en dat de
                        raad bij de samenstelling zorgdraagt voor een evenwichtige
                        vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat
                        het niet denkbaar is dat hieromtrent nader overleg tussen raadsfracties
                        nodig is, is dit besluitmoment verschoven naar de eerstvolgende
                        raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een onderzoek. Omdat
                        de onderzoekscommissie ingevolge artikel 6 van deze verordening besluit met
                        meerderheid van stemmen, verdient het aanbeveling om een oneven aantal leden
                        te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden voorkomen. </al><al>Het derde lid voorziet in de benoeming van de plaatsvervangende leden. Het
                        aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de
                        onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de
                        onderzoekscommissie gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie
                        leden, kan de benoeming van de plaatsvervangende leden bij een omvangrijke
                        commissie achterwege blijven. </al><al/><al>Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie
                        wordt bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert.
                        Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de voorzitter in elke
                        raadvergadering een kort verslag doet omtrent de vorderingen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter / plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><al>In deze verordening is er voor gekozen dat de onderzoekscommissie haar
                        voorzitter en plaatsvervangend voorzitter uit haar midden benoemt. De
                        voorzitter maakt tevens deel uit van de onderzoekscommissie en is derhalve
                        niet slechts (technisch) voorzitter. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de
                        bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden
                        geschorst door het aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts
                        mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met zich mee dat bij het
                        aantreden van de nieuwe raad de samenstelling van de onderzoekscommissie wel
                        zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid van de
                        onderzoekscommissie op houdt lid te zijn van de raad, eindigt derhalve
                        tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie. </al><al>Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de
                        onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien
                        dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds
                        opheffen.</al><al/><al>Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een
                        van haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, Gemeentewet bepaalt
                        namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                        gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.</al><al>Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende
                        leden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet
                        reeds een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid,
                        Gemeentewet dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen
                        uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat
                        het tengevolge hiervan niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere
                        niet onder ede te horen, is in artikel 5, eerste lid, van deze verordening
                        bepaald dat de onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de
                        eerste getuige of deskundige gehoord is. </al><al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                        verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen
                        kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten
                        deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet
                        verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een
                        onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen
                        onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd. </al><al/><al>Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook
                        informele (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen,
                        bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig is. </al><al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan
                        deskundigheid, opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f
                        Gemeentewet dient het college de door de raad geraamde kosten voor een
                        onderzoek in een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting.</al><al>Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot
                        deze (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan van eventuele
                        overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de onderzoekscommissie moet
                        het college beslissen. </al><al/><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid Gemeentewet,
                        de haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien
                        tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de
                        bevoegdheden die op basis van deze verordening bestaan is gekozen voor
                        hetzelfde regieme. Er kan uiteraard bepaald worden dat alle of enkele van de
                        bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend bij de aanwezigheid van een kleiner
                        aantal leden. Uit practische overwegingen zou er bijvoorbeeld voor gekozen
                        kunnen worden om het voeren van informatieve gesprekken door individuele
                        leden mogelijk te maken. Daarnaast zegt het zesde lid dat de
                        onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van stemmen. Om deze reden
                        wordt ook aanbevolen een oneven aantal leden te benoemen.</al><al/><al>De verordenig op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard
                        omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek
                        niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken
                        als spreekrecht voor burgers enz. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Artikel 155a, achtste lid, van de gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens
                        tot een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met
                        betrekking tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels
                        opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend
                        aan de onderzoekscommissie.</al><al/><al>Artikel 6 van deze verordening voorziet in de benoeming van een
                        commissiegriffier, waarmee aangesloten wordt bij de verordening ambtelijke
                        bijstand. Voor een nadere toelichting bij dit artikel wordt naar deze
                        verordening en bijgaande toelichting verwezen. </al><al>Het staat de raad uitraard vrij om in deze verordening te bepalen dat
                        ambtelijke bijstand binnen of buiten de raadsgriffie gezocht dient te
                        worden. Het is voorstelbaar dat daartoe tijdelijke krachten van buiten
                        worden ingehuurd of dat direct een beroep wordt gedaan op het ambtelijk
                        apparaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zitting</titel></kop><al>Artikel 155d, eerste lid Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproeping
                        van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen. Deze
                        zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                        onderzoekscommissie die, ingevolge artikel 11 van de verordening, achter
                        gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren van getuigen
                        en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid Gemeentewet en zijn in
                        beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c,
                        zevende lid Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat een
                        verhoor of een gedeelte er van niet in het openbaar plaatsvindt. De leden
                        bewaren geheimhouding over hetgeen hen tijdens een besloten zitting ter
                        kennis komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn hierbij anders dan
                        die genoemd in artikel 86, eerste lid, Gemeentewet. In artikel 86, eerste
                        lid wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in artikel 10 Wet
                        openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in het kader van
                        het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is of er naar het
                        oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van 'gewichtige redenen'. Het
                        bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de onderzoekscommissie
                        niet van toepassing. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><al>Artikel 26, eerste en tweede lid Gemeentewet regelen dat de voorzitter van
                        de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij
                        volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de
                        onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijk bepaling in de Gemeentewet, het
                        derde lid voorziet hierin. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid en beeldregistraties</titel></kop><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar
                        zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids en beeldregistraties maken. Dit
                        is uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De
                        voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld de plaats
                        en opstelling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><al>Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten
                        draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze
                        ontstaat achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud van een
                        beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk
                        zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden,
                        tactieken en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar
                        buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden
                        over personen en hetgeen door hen naar voren is gebracht. </al><al>De raad kan op basis van artikel 2, vierde lid, van deze verordening, nadere
                        regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage
                        naar de raad.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij
                        haar bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt wordt hier
                        niet nader bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als
                        genoemd in artikel 2, vierde lid, van deze verordening. Hierbij zijn
                        verschillende vormen mogelijk, variërend van een rapport tot een voorstel
                        aan de raad. De vraag luidt hierbij wat de raad onder bevindingen wenst te
                        verstaan. Is dit slechts een feitenrelaas van de onderzoekscommissie
                        waarover de raad zich een oordeel vormt of dient er door de commissie ook
                        zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de raad zich er over buigt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>