<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR338510_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Veendam 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veendam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veendam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Veendammer, 2 oktober 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Veendam 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:23">Awb, artikel 4:23, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012R0066</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Veendam 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente van de gemeente Veendam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3
                        juli 2012 201209493, inzake de Algemene subsidieverordening 2012;</al><al>gelet op artikel 4:23 lid 1 Awb en 149 van de Gemeentewet ;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>“Algemene subsidieverordening gemeente Veendam 2012”</vet></al><al/><al>Luidende als volgt: </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>college</cursief>: college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Veendam</al></li><li nr="b."><al><cursief>eenmalige subsidie</cursief>: subsidie ten behoeve van
                                    bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet
                                    behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor
                                    het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van
                                    maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken;</al></li><li nr="c."><al>r<cursief>aad:</cursief> raad van de gemeente Veendam;</al></li><li nr="d."><al>j<cursief>aarlijkse subsidie:</cursief> subsidie die per
                                    (boek)jaar of voor een bepaald aantalboekjaren aan een
                                    instelling voor een periode van maximaal vier jaar wordt
                                    verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie
                                kan worden verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al>algemeen bestuur;</al></li><li nr="b."><al>openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>verkeer, vervoer en waterstaat;</al></li><li nr="d."><al>economische zaken;</al></li><li nr="e."><al>onderwijs;</al></li><li nr="f."><al>cultuur en recreatie;</al></li><li nr="g."><al>sociale voorzieningen en maatschappelijke
                                        dienstverlening;</al></li><li nr="h."><al>volksgezondheid en milieu;</al></li><li nr="i."><al>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren
                                activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per
                                beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden
                                omschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde
                                dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten
                                tot het instellen van subsidieplafond(s).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op
                                welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan - met inachtneming van de ingevolge artikel 2, door
                                de raad vastgestelde beleidsterreinen en regels, nadere regels
                                stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de
                                mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds
                                ingediende aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                college met behulp van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens: </al><al>a.een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt
                                aangevraagd;</al><lijst><li nr="b."><al>de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden
                                        nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen.
                                        In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn
                                        op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente
                                        vastgestelde doelen of beleidsterreinen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting en dekkingsplan van de kosten van de
                                        activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het
                                        dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen
                                        of private organisaties of personen aangevraagde subsidies
                                        of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder
                                        vermelding van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand
                                        van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een aanvrager voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie
                                aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de
                                statuten, het jaarverslag, de jaarrekening de balans van het
                                voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in
                                het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die
                                voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk,
                                respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1
                                oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de
                                subsidieaanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een
                                aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen
                                13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het
                                college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de
                                uiterste indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie
                                uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is
                                ingediend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>WEIGERING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college kan een aanvraag voor subsidie weigeren indien de
                            activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht
                            zijn op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks ten goede
                            komen aan de gemeente of haar ingezetenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Wet BIBOB</titel></kop><al>Het college kan voor subsidies binnen door de raad vast te stellen
                            beleidsterreinen of onderdelen daarvan bepalen dat de gevraagde subsidie
                            kan worden geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in
                            het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan
                                op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaats
                                vindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en
                                gebruik van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Betaling en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>3.1</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in
                                artikel 15, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de
                                betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.2</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel
                                15, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100%
                                bevoorschot.</al></lid><lid><lidnr>3.3</lidnr><al>Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in
                                het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de
                                voorschotten bepaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>Bij subsidies, hoger dan 50.000 euro, welke verleend worden voor
                            activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de
                            verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en
                            verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt
                            niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                            aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend,
                            niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel
                            aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen
                            zal worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel
                                        ontbinding van de rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het
                                        doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor
                                handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene wet bestuursrecht.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verantwoording subsidies tot 5.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot 5.000 euro worden door het college: </al><lijst><li nr="a."><al>direct vastgesteld of;</al></li><li nr="b."><al>ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de
                                        activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door
                                haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                                subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan
                                de subsidie verbonden verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 5.000 euro, maar
                                minder dan 50.000 euro, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13
                                weken na het verricht zijn van de activiteiten een aanvraag tot
                                vaststelling in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit
                                blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 50.000 euro, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                        jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een
                                        toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger
                                daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                                aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat
                                de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in
                                te dienen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het
                                eerste lid genoemd tijdstip is ontvangen, gaat het college zes weken
                                na een eenmalige rappel over tot ambtshalve vaststelling.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Standaardberekeningswijzen van uurtarieven en uniforme
                                kostenbegrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt
                                gemaakt van uurtarieven, dienen deze tarieven door de
                                subsidieaanvrager te worden berekend met gebruikmaking van een door
                                het college voor te schrijven standaardberekeningswijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van
                                uurtarieven wordt uitgegaan van door het college bepaalde
                                definities.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van
                            deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met
                            uitzondering van de artikelen 1, 2, 3 en 8 voor zover toepassing gelet
                            op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot
                            onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit
                            artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek
                            verslag gedaan aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening gemeente Veendam 2008, vastgesteld op 23
                            juni 2008, wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze
                            verordening worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene
                            subsidieverordening gemeente Veendam 2008. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking, met terugwerkende kracht in
                            werking per 1 januari 2012</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening
                            gemeente Veendam 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van 24 september 2012,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>Voorzitter, </ondertekening><ondertekening>A.Meijerman </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Griffier,</ondertekening><ondertekening>R. Brekveld</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>De Algemene subsidieverordening is een modelverordening, die de VNG heeft
                        opgesteld vanuit haar adviserende functie om het subsidiebeleid van
                        gemeenten te stroomlijnen en te actualiseren. De Algemene wet bestuursrecht
                        (hierna: Awb) kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling voor
                        subsidieverstrekking door bestuursorganen. Deze regeling in de Awb biedt
                        gemeenten veel vrijheid bij de invulling van hun lokale subsidiebeleid.
                        Gemeenten maken dankbaar gebruik van deze autonome bevoegdheid. Uit het
                        toenemend aantal vragen, dat de VNG ontvangt van haar leden over het
                        opstellen en uitvoeren van het gemeentelijke subsidiebeleid, blijkt er
                        desondanks behoefte te bestaan aan enig houvast. Na de uitgave van de ‘VNG
                        Algemene wet bestuursrecht, derde tranche, subsidieverstrekking door
                        gemeenten’ is er vraag naar een raamwerk of modelverordening. Om deze reden
                        heeft de VNG besloten een model Algemene subsidieverordening op te stellen
                        met een uitgebreide toelichting.Om de gemeenten te ondersteunen bij het
                        vormgeven van hun regelgeving heeft de VNG, in het kader van het project
                        ‘Minder regels’, de afgelopen jaren hard gewerkt aan de deregulering en
                        vereenvoudiging van al haar modelverordeningen. Bij de ontwikkeling van deze
                        nieuwe modelverordening is nadrukkelijk ook gekeken naar
                        dereguleringsmogelijkheden binnen het subsidieproces. Een belangrijk aspect
                        in het subsidietraject is gelegen in vereenvoudiging van de regels voor de
                        verantwoording van de subsidie. Ter vermindering van de administratieve en
                        bestuurlijke lasten op dit punt is rijksbreed een kader ontwikkeld door het
                        ministerie van Financiën. 1) Bij het opstellen van deze Algemene
                        subsidieverordening is ook naar dit kader gekeken voor aanknopingspunten en
                        zijn deze zoveel mogelijk toegespitst op de gemeentelijke praktijk.Het
                        onderhavige model is in overleg met diverse deskundigen op het gebied van
                        (gemeentelijke) subsidieverstrekking tot stand gekomen. Tevens is dankbaar
                        gebruik gemaakt van de ervaringen van gemeenten, die al een Algemene
                        subsidieverordening hebben.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Grondslag verordening</titel></kop><al>In de Awb staat dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                        wettelijk voorschrift. Deze eis komt voort uit de wens van de wetgever, dat
                        de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger voldoende
                        is gewaarborgd. Hiermee wordt tevens een doelmatige besteding van
                        overheidsuitgaven nagestreefd. Mogelijk onzorgvuldig of willekeurig handelen
                        van het overheidsorgaan of nalatigheid van de subsidieontvanger is immers
                        beter te toetsen aan de hand van een wettelijke regeling dan aan de hand van
                        een op zichzelf staand besluit van een bestuursorgaan.</al><al>Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd
                        op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Awb). Deze verordening
                        moet de essentiële elementen van het proces van subsidieverstrekking
                        bevatten, zoals een omschrijving of aanduiding van de te subsidiëren
                        activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een subsidieplafond en
                        de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Volgens de Memorie van Toelichting bij
                        de Awb 2) (MvT) moet een wettelijk voorschrift, in dit geval een
                        gemeentelijke verordening, aan de twee volgende eisen voldoen om de beoogde
                        doelmatigheid en rechtszekerheid te bereiken. Het moet een omschrijving
                        bevatten van de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden verleend en het
                        moet een grondslag bevatten voor de verplichtingen, die het bestuursorgaan
                        aan de subsidieverlening kan verbinden (voor zover die grondslag niet reeds
                        in de Awb is neergelegd; zie artikel 4:37 Awb).</al><al>Uitzonderingen wettelijke grondslag</al><al>Op de hoofdregel dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                        wettelijke grondslag bestaan, op grond van het derde lid van artikel 4:23
                        Awb, vier uitzonderingen:</al><lijst><li nr="a."><al>de spoedeisende subsidieverstrekking;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost;</al></li><li nr="c."><al>de incidentele subsidieverstrekking;</al></li><li nr="d."><al>de Europese subsidies.</al></li></lijst><al>Deze laatste zijn voor gemeenten minder van belang en worden verder buiten
                        beschouwing gelaten.</al><al>Spoedeisende subsidies</al><al>Wanneer er een wettelijk voorschrift in voorbereiding is, mag het
                        bestuurorgaan, vooruitlopend op de totstandkoming van dit voorschrift,
                        alvast beginnen met het verlenen van de subsidie. Van deze bevoegdheid om
                        zonder grondslag te subsidiëren, kan gedurende maximaal een jaar gebruik
                        worden gemaakt. Het doel van deze uitzondering is te voorkomen, dat de
                        slagvaardigheid van de overheid bij het kunnen inzetten van het
                        subsidie-instrument onnodig wordt belemmerd. Om democratische controle
                        mogelijk te maken, geldt er voor deze vorm van subsidie wel een
                        verslagleggingsplicht voor het bestuursorgaan.</al><al>Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost</al><al>In bepaalde gevallen is het toegestaan om niet op basis van een verordening,
                        maar op basis van een post op de begroting subsidie te verlenen. Artikel
                        4:23, derde lid, onder c Awb bepaalt hierover dat er geen verordening is
                        vereist, indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag, waarop de
                        subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt. De vermelding van de
                        ontvanger en het bedrag kan overigens ook in de toelichting bij de begroting
                        worden gedaan.</al><al>Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost kan bijvoorbeeld handig
                        zijn bij subsidies die, veelal structureel, slechts aan één of enkele
                        ontvangers worden verstrekt. Door in de begroting of de toelichting de
                        subsidieontvanger en het bedrag te vermelden, is publieke controle mogelijk
                        en kan een wettelijke subsidieregeling achterwege blijven.</al><al>Incidentele subsidies</al><al>Strikt genomen is voor incidentele subsidies geen wettelijk voorschrift
                        nodig. In artikel 4:23, vierde lid, onderdeel d Awb is neergelegd, dat in
                        incidentele gevallen kan worden afgezien van het basisvereiste dat slechts
                        op grond van een wettelijk voorschrift subsidie kan worden verstrekt. Die
                        situatie doet zich voor, indien er geen beleid is dat voorziet in
                        subsidiëring van de desbetreffende activiteiten en evenmin sprake is van een
                        vaste bestuurspraktijk om dat soort activiteiten te subsidiëren.</al><al>Deze uitzondering in de Awb is bedoeld voor gevallen, waarin zowel het
                        aantal subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Een
                        subsidie voor maximaal één jaar, maar met een groot aantal
                        subsidieontvangers, is dus al niet meer incidenteel. Evenmin is een
                        eenmalige subsidie voor alle scholen in het basisonderwijs een incidentele
                        subsidie volgens artikel 4:23, vierde lid, onderdeel d Awb.</al><al>Een messcherpe afbakening tussen incidentele en andere subsidies is dit
                        echter niet. Vandaar dat er bij het opstellen van de onderhavige
                        subsidieverordening voor is gekozen om ook incidentele subsidies op te nemen
                        in de verordening onder de grondslag eenmalige subsidie, zodat ook deze een
                        wettelijke grondslag hebben. Voorts werd dit ingegeven door de wens om te
                        komen tot heldere, voor alle subsidiesoorten geldende regels. Hiermee wordt
                        bereikt, dat door de gemeente niet voor iedere incidentele subsidie een
                        geheel nieuw regime voor de wijze van behandeling, beoordeling en aanvraag
                        moet worden vastgesteld. Dat is er immers nu al. De bestuurlijke en
                        administratieve lasten worden hiermee beperkt.</al><al>Gebruik en benaming nadere regels</al><al>In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te bestaan over het gebruik
                        van nadere regels in het kader van subsidieverstrekking. Hiervoor gebruiken
                        gemeenten zowel de vorm van deelverordeningen, maar ook vaak beleidsregels
                        of beleidsnota’s. Op grond van artikel 1:3, derde lid Awb wordt onder een
                        beleidsregel verstaan: ”een bij besluit vastgestelde, algemene regel, niet
                        zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van
                        belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke
                        voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een
                        bestuursorgaan”.</al><al>Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is nietmogelijk
                        vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. Er is altijd een
                        verordening nodig. In die verordening dienen tenminste de activiteiten
                        globaal te worden omschreven, die voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
                        Nu in de Algemene subsidieverordening de activiteiten waarvoor subsidie
                        verkregen kan worden niet staan omschreven is er een deelverordening nodig
                        voor deze grondslag. Zie hiervoor ook artikel 4:23 lid 1 Awb. De opzet van
                        de Algemene subsidieverordening is dusdanig dat alle algemene regels omtrent
                        subsidieverstrekking in de Algemene subsidieverordening zijn opgenomen.
                        Regels die alleen betrekking hebben op een speciaal beleidsterrein worden in
                        nadere regels (lees deelverordeningen) uitgewerkt.</al><al>Ter bevordering van de duidelijkheid en eenvoud van de regelingen en de
                        onderlinge afstemming van haar regelingen adviseert de VNG de gemeenten zo
                        veel mogelijk gebruik te maken van deze Algemene subsidieverordening en een
                        uniforme benaming en standaardmodel te gebruiken voor nadere regels. Het
                        gebruik van beleidsnota’s dient zoveel mogelijk te worden vermeden, omdat
                        met beleidsnota’s niet rechtstreeks verplichtingen aan burgers kunnen worden
                        opgelegd. Beleidsnota’s binden alleen het bestuursorgaan en werken niet
                        extern. In ieder geval kunnen zaken als termijnen en subsidieverplichtingen
                        niet worden geregeld via een beleidsregel. In jurisprudentie is bepaald dat
                        normstelling alleen kan plaatsvinden in de vorm van algemeen verbindende
                        voorschriften en niet in beleidsregels. 3) Het is wel mogelijk om een
                        omschrijving van regels die een uitleg geven aan bepalingen uit de
                        verordening, zoals de afweging van belangen of de vaststelling van feiten,
                        op te stellen in de vorm van beleidsregels. Bijvoorbeeld op welke wijze het
                        begrip “jubileumbijdrage” bij verschillende verenigingen moet worden
                        geïnterpreteerd. Zodra het gaat om normstelling dient de norm te worden
                        verwerkt in de artikelen van de (deel)verordening en niet in de toelichting
                        of in beleidsregels. 4) Vooral van belang is dat het voor de
                        subsidieaanvrager helder is onder welke benaming en vorm hij nadere regels
                        moet vinden. De gemeente bevordert verder de eenvoud en duidelijkheid door
                        een algemeen model vast te stellen voor de nadere regels. Dit model bevat
                        bijvoorbeeld de volgende regels:</al><lijst><li nr="1."><al>Doel, beleidsterrein / omschrijving activiteiten / beoogd doel
                                subsidie.</al></li><li nr="2."><al>Definities.</al></li><li nr="3."><al>Subsidiebudget of subsidieplafond.</al></li><li nr="4."><al>Verdeelcriteria en besluitvorming.</al></li><li nr="5."><al>Ontheffingen / bijzonderheden ten opzichte van de Algemene
                                subsidieverordening.</al></li><li nr="6."><al>Overgangsbepaling.</al></li><li nr="7."><al>Inwerkingtreding.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het subsidiebegrip</titel></kop><al>Om de subsidietitel uit de Awb op een juiste wijze toe te passen, is het van
                        belang dat helder is wat er onder subsidie wordt verstaan. Subsidie is een
                        materieel begrip en wordt omschreven in artikel 4:21, eerste lid Awb.
                        Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan is het
                        een subsidie, hoe ook genaamd.</al><al>Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de
                        volgende kenmerken voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft een aanspraak op financiële middelen;</al></li><li nr="b."><al>die door een bestuursorgaan worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen
                                of diensten.</al></li></lijst><al>In de praktijk kan het voorkomen, dat er afwijkende termen worden gebruikt,
                        zoals bijdrage, uitkering of vergoeding, terwijl het in feite een subsidie
                        betreft. De gekozen benaming is voor de toepasselijkheid van de
                        subsidietitel niet van belang, ze is gewoon van toepassing als aan de
                        voorwaarden is voldaan.</al><al>a.Een aanspraak op financiële middelen</al><al>Het woord ‘aanspraak’ geeft aan dat het niet de daadwerkelijke overhandiging
                        van het geld hoeft te betreffen, maar dat een aanspraak daarop voldoende is.
                        Deze aanspraak is rechtens afdwingbaar. Van belang is niet de daadwerkelijke
                        beschikbaarstelling, maar het besluit van het bestuursorgaan dat de
                        voorgenomen activiteiten worden gesubsidieerd.</al><al>Voor het bestuursorgaan ontstaat na het toekennen van de aanspraak op
                        financiële middelen de verplichting om aan de gesubsidieerde, na uitvoering
                        van de activiteiten en nakoming van zijn overige opgelegde verplichtingen,
                        tot betaling over te gaan.</al><al>Niet alle verstrekkingen van het bestuursorgaan zijn subsidies. Indien er
                        geen financiële middelen worden verstrekt, maar andere zaken, dan is er geen
                        sprake van subsidie.</al><al>Het leveren van goederen of diensten door de gemeente om niet of onder de
                        kostprijs valt niet onder het subsidiebegrip van de Awb. Dit betekent, dat
                        de zogenaamde ‘subsidies’ in natura (de niet-financiële verstrekkingen),
                        zoals het beschikbaar stellen van gemeentelijke accommodaties voor
                        sportbeoefening of het heffen van een toegangsprijs voor een gemeentelijk
                        museum, die de kosten niet dekken, niet aan de begripsomschrijving voldoen
                        en dus geen subsidie zijn. 5)</al><al>Kredieten en deelnemingen in een vennootschap kunnen zowel wel als niet een
                        subsidie zijn:</al><al>Wel: Kredietverlening door de gemeente zal in de regel gebeuren als de
                        commerciële banken niet of onvoldoende in de behoefte van hun cliënten
                        willen of kunnen voorzien. In de praktijk wordt een dergelijke
                        kredietverlening uitgevoerd door de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). 6) De
                        GKB verschaft in een dergelijke situatie aangepaste, niet-commerciële
                        kredietvormen, die uitsluitend gericht zijn op door de ontvanger te
                        ondernemen activiteiten, zoals schuldsanering. In dat geval is er sprake van
                        een subsidieverhouding.</al><al>Niet: Kredieten, die door de GKB als consumentenkrediet worden verschaft,
                        vallen niet onder het subsidiebegrip. Het bedrag wordt dan immers niet
                        verstrekt ten behoeve van een bepaalde activiteit.</al><al>Deelneming in het aandelenkapitaal van een vennootschap wordt geacht niet te
                        zijn gericht op bepaalde activiteiten van de onderneming. Het
                        aandelenkapitaal is immers gericht op alle huidige en toekomstige
                        activiteiten van de vennootschap. Daarmee is er geen sprake van een subsidie
                        in de zin van de Awb.</al><al>b.Verstrekt door een bestuursorgaan</al><al>Slechts wanneer de financiële middelen worden verstrekt door een
                        bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb kan er sprake zijn van
                        een subsidie. Geld van particulieren, zoals fondsen, waarmee activiteiten
                        van andere particulieren mogelijk worden gemaakt, vallen niet onder het
                        subsidiebegrip. De rechtsverhouding tussen particuliere en
                        privaatrechtelijke personen valt immers niet onder de Awb.</al><al>De meeste subsidies worden door de ‘reguliere’ bestuursorganen verstrekt.
                        Het is echter van belang om in ogenschouw te nemen, dat ook particuliere
                        fondsen en instellingen, die op grond van een wettelijk voorschrift zijn
                        belast met het geven van subsidies ten laste van openbare middelen, een
                        bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1 van de Awb. Dergelijke
                        privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen op grond van art 1:1, lid 1, onder
                        b van de Awb als bestuursorgaan worden aangemerkt.</al><al>c.Met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager</al><al>Een subsidie wordt altijd verstrekt met een bepaald doel, voor bepaalde
                        activiteiten. De wetgever heeft bepaald dat er sprake moet zijn van
                        bepaalde, duidelijk omschreven activiteiten van de ontvanger. De
                        bestedingsrichting van de middelen moet dus duidelijk zijn.</al><al>Om deze reden vallen bijvoorbeeld sociale uitkeringen niet onder de noemer
                        ‘subsidie’. Het verschaffen van financiële middelen om te voorzien in de
                        kosten van het bestaan gebeurt niet met het oog op bepaalde activiteiten van
                        de aanvrager. Het betreft een algehele of aanvullende inkomensvoorziening,
                        bijvoorbeeld op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).</al><al>Ook schadevergoedingen, verstrekt door de overheid, vallen buiten het
                        subsidiebegrip. De bestedingsrichting van de ontvanger ligt in dat geval
                        niet vooraf vast, oftewel: een schadevergoeding wordt niet verleend met het
                        oog op bepaalde activiteiten van de ontvanger, maar ter compensatie van
                        schade, veroorzaakt door handelen van de overheid zelf. Het staat de
                        ontvanger vrij te bepalen, waaraan hij het geld besteedt. Ook de algemene
                        uitkeringen aan gemeenten en provincies uit het Gemeente- en Provinciefonds
                        worden gekenmerkt door een bepaalde bestedingsvrijheid en vallen dus ook
                        buiten de subsidiedefinitie.</al><al>d.Anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
                        diensten</al><al>Commerciële transacties vallen buiten het subsidiebegrip. Er is geen sprake
                        van subsidie als de overheid een marktconforme vergoeding betaalt voor
                        aangeschafte goederen of aan haar geleverde diensten. Onder betaling wordt
                        verstaan het leveren van een tegenprestatie, die is afgestemd op de waarde
                        van de verkregen goederen of diensten in het economische verkeer. Dit
                        betekent niet dat een marktprijs, die wat aan de hoge kant is, daarom meteen
                        als subsidie zou zijn aan te merken. Dit geldt alleen in die gevallen waar
                        de prijs onmiskenbaar zozeer boven de marktprijs ligt, dat redelijkerwijs
                        niet meer van betaling kan worden gesproken. 7)</al><al>De beperking van deze uitzondering tot aan het bestuursorgaan geleverde
                        goederen of diensten is aangebracht, omdat er subsidies zijn, die kunnen
                        worden opgevat als een betaling voor door de subsidieontvanger aan derden
                        geleverde diensten. Denk bijvoorbeeld aan de door de regionale bureaus voor
                        slachtofferzorg geleverde diensten. De overheid heeft dan ook geen
                        contractuele relatie met deze bureaus, maar een subsidierelatie.
                        Subsidieverlening en commerciële transacties kunnen in de praktijk soms
                        dicht tegen elkaar aan liggen.</al><al>Subsidie versus opdracht: wat is het onderscheid? 8)</al><al>Met de zinsnede ‘anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan
                        geleverde goederen of diensten’, had de wetgever de bedoeling de subsidie te
                        onderscheiden van het begrip ‘opdracht’. Uit de definitie van artikel 4:21
                        Awb volgt dat, als er sprake is van een betaling voor een opdracht (een
                        financiële tegenprestatie), deze betaling dan niet kan worden aangemerkt als
                        een subsidieverstrekking of omgekeerd. Oftewel: opdracht en subsidie sluiten
                        elkaar uit. Toch blijkt dit onderscheid in de praktijk niet altijd even
                        scherp te maken.</al><al>Neem bijvoorbeeld de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        (Wmo). Op grond van de Wmo kan aan ondersteuning in het huishouden op
                        verschillende manieren invulling worden gegeven. In de eerste plaats kan de
                        gemeente aan de behoeftige een bedrag toekennen, waarmee huishoudelijke hulp
                        kan worden ingekocht. Dit is zonder twijfel aan te merken als subsidie. 9)
                        Daarentegen kan de gemeente ook de keuze maken om de ondersteuning in het
                        huishouden in natura aan te bieden. De gemeente betaalt dan vervolgens de
                        huishoudelijke hulp of de organisatie, die hiervoor zorg draagt. In dat
                        geval komt al snel de vraag om de hoek kijken of dit is aan te merken als
                        een subsidie of een opdracht. Er is immers geen sprake van een aanspraak op
                        financiële middelen door de behoeftige. In het geval van levering van
                        huishoudelijke hulp aan burgers in het kader van de Wmo, dan is de betaling
                        aan de thuiszorgorganisatie, die deze taak voor de gemeente uitvoert, geen
                        subsidie.</al><al>Als een gemeente op grond van de publieke taak diensten aan derden levert en
                        de gemeente schakelt hiervoor een bedrijf in, dan is de betaling voor de
                        levering van deze diensten door dat bedrijf aan derden eveneens geen
                        subsidie.</al><al>Om diverse redenen is het relevant om helder te hebben of het al dan niet
                        een subsidie betreft. Zo zullen ondernemers over de door aan hen gedane
                        betalingen voor geleverde diensten BTW verschuldigd zijn, terwijl zij over
                        aan hen verstrekte subsidies in beginsel geen BTW hoeven af te dragen. En
                        mocht er zich een geschil voordoen, dan kan men in het geval van
                        subsidieverstrekking naar de bestuursrechter stappen, terwijl men zich bij
                        een opdracht moet wenden tot de civiele rechter. Bij Beleidsgestuurde
                        Contractfinanciering (BCF) wordt vaak gekozen voor een subsidie, waaraan een
                        contract (uitvoeringsovereenkomst) verbonden is. Ook daar is het van belang
                        dat het karakter van de grondslag van de verbintenis, namelijk de
                        subsidierelatie, niet uit het oog wordt verloren. Tenslotte kan een overheid
                        te maken krijgen met aanbestedingsregels (bij een opdracht) of wellicht
                        staatssteun (bij subsidie).</al><al>Het is van belang te beseffen dat de feitelijke situatie bepalend is of iets
                        wordt aangemerkt als een subsidie of een opdracht: het naamkaartje, dat
                        eraan hangt, speelt geen rol. Een gemeente dient daarom waakzaam te zijn bij
                        het opstellen van de subsidiebeschikking en moet voorkomen, dat de
                        verstrekking kan worden aangemerkt als betaling voor een opdracht. Het is
                        daarom raadzaam om terughoudend te zijn met de mogelijkheid om in de aan de
                        subsidiebeschikking gekoppelde uitvoeringsovereenkomst een verplichting tot
                        nakoming op te nemen. Daarnaast is de kans minder groot, dat de subsidie als
                        opdracht wordt aangemerkt, als niet de gehele activiteit wordt
                        gesubsidieerd, maar slechts een gedeelte en er daarnaast een eigen bijdrage
                        van de ontvanger wordt gevraagd.</al><al>Subsidies en Europese staatssteunregels</al><al>Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun is niet van toepassing,
                        indien de subsidie aan burgers wordt verstrekt. Ook is geen sprake van
                        staatssteun als de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verleend, geen
                        ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een (amateur-)
                        sportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde activiteiten wel als
                        onderneming kunnen worden aangemerkt, is er sprake van staatssteun als de
                        subsidie niet open staat voor alle ondernemingen, die deze activiteit
                        uitoefenen. Er moet sprake zijn van een selectief voordeel, wil men kunnen
                        spreken van staatssteun. Staatssteun is toegestaan als deze valt binnen een
                        van de vrijstellingsverordeningen van de Europese staatssteunregels. Zo is
                        er een dé minimis vrijstellingsverordening, die bijdragen aan een
                        onderneming tot 200.000 euro in de drie jaar vrij stelt. Valt de subsidie
                        niet binnen de reikwijdte van één van de vrijstellingsverordeningen voor
                        staatssteun, dan is hiervoor eerst toestemming van de Europese Commissie
                        nodig. De steunverlening moet dan vooraf door de Europese Commissie worden
                        genotificeerd. Voor meer informatie over de staatssteunregels kan een
                        gemeente terecht bij het kenniscentrum Europa Decentraal.</al><al>Uitgezonderde en aangewezen beleidsterreinen en onderwerpen</al><al>Het eerste lid van artikel 4:21 Awb geeft een omschrijving van het begrip
                        ‘subsidie’. In het tweede tot en met het vierde lid wordt vervolgens
                        aangegeven welke beleidsterreinen en onderwerpen zijn uitgezonderd van de
                        subsidietitel van de Awb en welke juist worden aangewezen. Overigens kunnen
                        afzonderlijke wetten ook bepalen of de subsidietitel wel of niet van
                        toepassing is. 10)</al><al>Uitgezonderd: fiscale faciliteiten</al><al>Vanuit economisch oogpunt bekeken, zullen veel belastingfaciliteiten zijn
                        aan te merken als subsidies. De Awb bepaalt echter dat de subsidietitel niet
                        van toepassing is op fiscale stimulansen of aftrekposten. De reden hiervan
                        is dat de toepassing van de subsidietitel moeilijk te verenigen is met de
                        systematiek van de belasting- of premieheffing.</al><al>Uitgezonderd: uitkeringen aan doelgroepen</al><al>Sociale zekerheidswetgeving kent veel bepalingen, waarin de toepassing van
                        de subsidietitel op de betreffende uitkering wordt uitgesloten. In beginsel
                        voldoen de uitkeringen of toeslagen met betrekking tot bijzondere bijstand,
                        subsidies voor gehandicapten met het oog op bijvoorbeeld woningaanpassing of
                        (re-)integratie in een arbeidsorganisatie, aan de subsidiedefinitie van
                        artikel 4:21 Awb. Desondanks heeft de wetgever er voor gekozen om dergelijke
                        uitkeringen van de toepasselijkheid van de subsidietitel uit te
                        sluiten.</al><al>Ook financiële tegemoetkomingen als studiefinanciering en huurtoeslag zijn
                        lastig te duiden. Enerzijds zien zij op het verrichten van een bepaalde
                        activiteit (studeren respectievelijk het kunnen bewonen van een bepaalde
                        woning, hoewel de inkomsten daartoe niet toereikend zijn), terwijl zij
                        anderzijds het karakter hebben van een aanvullende inkomensvoorziening. De
                        Awb-wetgever heeft bepaald dat dit laatste element overheerst. Mede om
                        praktische redenen (voor beide voorzieningen bestond al een uitgebreide,
                        wettelijke regeling) is daarop uitdrukkelijk bepaald dat de subsidietitel
                        niet van toepassing is op deze voorzieningen. Er is voor gekozen om
                        voornoemde uitzonderingen niet in de Awb zelf op te nemen, maar in de
                        desbetreffende wetten.</al><al>Aangewezen: bekostiging van het onderwijs en onderzoek</al><al>Het vierde lid van artikel 4:21 Awb geeft aan dat de subsidietitel van de
                        Awb van overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van het onderwijs en
                        onderzoek. Het begrip ‘bekostiging’ bevat volgens de MvT (blz.38, zie noot
                        2) 11) de reguliere geldstromen voor de instandhouding van de onderscheiden
                        onderwijssoorten, oftewel: de verzuiling. De MvT geeft aan dat, in verband
                        met de eigen aard van de onderwijswetgeving, die samenhangt met de regeling
                        van artikel 23 Grondwet (over de vrijheid van onderwijs), het vierde lid van
                        artikel 4:21 Awb bepaalt dat de subsidietitel niet rechtstreeks, maar van
                        overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van het onderwijs en
                        onderzoek. Volgens de MvT wordt op deze manier zoveel mogelijk recht gedaan
                        aan enerzijds de bijzondere constitutionele positie van het onderwijs en
                        anderzijds aan de doelstelling van de Awb om de bestuurlijke wetgeving
                        zoveel mogelijk te harmoniseren.</al><al>Benaming van subsidies</al><al>Exploitatiesubsidie, structurele subsidie, waarderingssubsidie,
                        projectsubsidie, incidentele subsidie, productsubsidie, instellingssubsidie,
                        budgetsubsidie: in de praktijk verzinnen beleidsmakers allerlei benamingen
                        voor de verschillende soorten subsidies. De juridische betekenis van
                        dergelijke benamingen is echter beperkt. Zoals uit het voorgaande blijkt, is
                        de subsidietitel van de Awb immers materieel: het is afhankelijk van de
                        feitelijke situatie en niet van de benaming of de financiële verstrekking
                        voldoet aan het subsidiebegrip, zoals omschreven in artikel 4:21 Awb.</al><al>De Awb fungeert slechts als basisregeling en biedt veel beleidsvrijheid aan
                        de opstellers van bijzondere subsidieregelingen en subsidiebeschikkingen.
                        Het is echter de vraag of een veelvoud aan benamingen de praktijk ten goede
                        komt. In dit model Algemene subsidieverordening is gekozen voor twee
                        benamingen: eenmalige subsidies en jaarlijkse subsidies. Deze benamingen
                        zijn minder strikt dan op het eerste gezicht lijkt en pogen louter het
                        verschil aan te geven tussen de in principe jaarlijks aan instellingen
                        verstrekte subsidies en de overige (eenmalige) subsidies.</al><al>Best practice: gemeente Utrecht</al><al>Ook de aanvrager ziet soms door de bomen het bos niet meer en weet niet voor
                        welke subsidie hij in aanmerking zou kunnen komen. De gemeente Utrecht heeft
                        hier een oplossing voor gevonden. De aanvrager moet eerst een aantal vragen
                        beantwoorden en komt zo te weten welke subsidie hij kan aanvragen. Daarbij
                        is er een groot verschil gemaakt tussen de enkele vragen, die de
                        subsidieaanvrager moet beantwoorden voor een eenvoudige activiteitensubsidie
                        tot 50.000 euro en de vragen, die hij moet beantwoorden voor het aanvragen
                        van een subsidie van meer dan 400.000 euro.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Vermindering van administratieve en bestuurlijke lasten</titel></kop><al>In de afgelopen jaren heeft deregulering en het daardoor verminderen van de
                        administratieve en bestuurlijke lastendruk hoog in het vaandel gestaan,
                        zowel op rijks- als op decentraal niveau. Bij de ontwikkeling van de
                        onderhavige, nieuwe Modelverordening is nadrukkelijk ook gekeken naar deze
                        dereguleringsaspecten. Met name is gekeken naar hetverminderen van de
                        indieningsvereisten, maar ook naar de mogelijkheden van een andere
                        verantwoordingswijze en beter financieel beheer van subsidies. Hierop wordt
                        in dit hoofdstuk nader ingegaan.</al><al>3.1 Het verminderen van de indieningsvereisten</al><al>Om in aanmerking te komen voor subsidie moet er in de eerste plaats een
                        aanvraag worden ingediend. En veel belangrijker: bij deze aanvraag moet in
                        veel gevallen een grote hoeveelheid begeleidende stukken worden gevoegd.
                        Wanneer dan wordt bedacht, dat in de praktijk veel
                        (vrijwilligers)organisaties gebruik maken van gemeentelijke subsidies, die
                        niet altijd beschikken over deskundige kennis, en dat er daarnaast
                        regelmatig stukken worden opgevraagd, die niet altijd relevant zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, kan in een aantal gevallen de conclusie worden
                        getrokken dat de administratieve lasten niet altijd in verhouding staan tot
                        het aangevraagde subsidiebedrag.</al><al>Een groot aantal gemeenten heeft inmiddels dereguleringsprojecten
                        uitgevoerd, die hebben geleid tot het afschaffen van overbodige
                        aanvraagvereisten, die ook bij een subsidieverlening een rol spelen.
                        12)</al><al>Zo kan bijvoorbeeld worden afgezien van het opvragen van een kopie
                        inschrijfbewijs Kamer van Koophandel of een kopie van de statuten. De
                        gemeente kan deze zelf opvragen uit de online database van de Kamer van
                        Koophandel. Daartoe dienen echter intern bij de gemeente enkele
                        belemmeringen te worden opgeheven. Zo kan het zijn dat de gemeente nu nog de
                        beleidslijn hanteert, dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om
                        te voldoen aan de indieningsvereisten. Ook dient men rekening te houden met
                        een toename van bestuurlijke lasten voor de gemeente door het zelf opvragen
                        van de gegevens bij de Kamer van Koophandel. Het opvragen kost tijd en geld
                        (2,50 euro per uittreksel).</al><al>Hierbij is ervan uitgegaan dat de gevraagde gegevens op het
                        aanvraagformulier worden vermeld. Het college bepaalt welke gegevens dienen
                        te worden verstrekt en neemt daarbij de proportionaliteit in acht. Hiermee
                        wordt bedoeld dat de aard en hoeveelheid van de gevraagde gegevens in
                        redelijke verhouding dienen te staan tot de omvang van de gevraagde
                        subsidie. Zo zal aan een speeltuinvereniging, die subsidie vraagt voor een
                        nieuw speeltoestel van 1.500 euro, een formulier kunnen worden verstrekt,
                        waarop bij ‘te verstrekken gegevens’ de offerte /rekening van het
                        betreffende speeltoestel als enig te verstrekken gegeven wordt genoemd.</al><al>Het college kan zelf manieren vaststellen om de administratieve en
                        bestuurlijke lasten, samenhangend met subsidies, terug te brengen. Te denken
                        valt aan samenwerking met andere bestuursorganen, waar de aanvrager ook een
                        aanvraag voor subsidie heeft gedaan. Het ligt in de rede om bij de
                        behandeling van de aanvragen, voor wat betreft de te verstrekken gegevens,
                        aan te sluiten bij de procedure van dat bestuursorgaan, aan wie de
                        belangrijkste of grootste subsidie is gevraagd. Dit betekent zowel voor de
                        betrokken bestuursorganen als voor de aanvrager een verlichting van de
                        administratieve lasten. Er wordt immers voorkomen dat de aanvrager aan
                        allerlei verschillende administratieve procedures moet voldoen en daarvoor
                        voor elk bestuursorgaan andere stukken dient op te stellen. In dit kader kan
                        optioneel het volgende artikel ook worden toegevoegd aan de onderhavige
                        Algemene subsidieverordening, zodat aanvragers de gemeente ook uit eigen
                        beweging kunnen wijzen op mogelijke afstemmingspartners:</al><al>Artikel Subsidiëring mede door andere bestuursorganen</al><al>Indien het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die mede door
                        andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan het college afwijken van de
                        bij of krachtens deze Algemene subsidieverordening aan de subsidie te
                        verbinden verplichtingen, voor zover dit wenselijk is met het oog op een
                        goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde of op te
                        leggen verplichtingen, en daardoor het belang met het oog, waarop die
                        verplichtingen zouden moeten worden opgelegd, niet onevenredig wordt
                        geschaad.</al><al>Een andere vorm van vereenvoudiging kan gevonden worden in de gegevens, die
                        bij de eerste subsidieaanvraag van een aanvrager worden gevraagd en welke
                        gegevens redelijkerwijs noodzakelijk zijn bij een volgende subsidieaanvraag
                        of een verlenging van de subsidieverlening van de aanvrager. Tenslotte is
                        dit ook van belang bij de verantwoording van de verstrekte subsidies.
                        Bijvoorbeeld, indien de gemeente een financiële verantwoording vraagt,
                        voorzien van een accountantsverklaring, kan mogelijk een verlichting van de
                        administratieve lasten worden gerealiseerd. Dit kan wanneer de instelling
                        verschillende subsidiestromen vanuit de gemeente ontvangt en/of met meerdere
                        subsidieverstrekkers te maken heeft. Het verdient dan aanbeveling om de
                        mogelijkheid van een verantwoordingsdocument voor alle
                        verantwoordingsverplichtingen, voorzien van één accountantsverklaring, te
                        onderzoeken.</al><al>3.2 Verantwoording en financieel beheer van subsidies</al><al>Naast het terugdringen van indieningvereisten is het ook mogelijk de
                        administratieve en bestuurlijke lasten te verminderen door een aanpassing
                        van de verantwoordingswijze van de subsidies en een aangepast financieel
                        beheer van het subsidieproces.</al><al>Het Rijksbrede subsidiekader</al><al>Door het Rijk is het “Rijksbrede subsidiekader” ontwikkeld met als doel te
                        komen tot een efficiëntere en kleinere overheid. Het ontwikkelde
                        subsidiekader uniformeert en vereenvoudigt de regels voor de verantwoording
                        en het financiële beheer van subsidies. Toepassing van het systeem beoogt
                        een besparing van ongeveer 30% in de administratieve lasten en 20% in de
                        bestuurlijke lasten, terwijl het tegelijkertijd voldoende mogelijkheden
                        biedt om op rijksniveau verantwoording af te leggen over de rechtmatigheid.
                        De toepassing van het kader wordt rijksbreed verplicht en verankerd in de
                        aanwijzingen voor de Rijksdienst. Vanaf 1 januari 2010 is het kader van
                        toepassing op gewijzigde subsidieregelingen en op nieuwe subsidies, die door
                        het Rijk worden verstrekt op basis van (kader)wetten. Voor bestaande
                        subsidieregelingen geldt een overgangstermijn tot 2012, waarbinnen de wet-
                        en regelgeving hierop zal worden aangepast.</al><al>Elementen uit het Rijksbrede subsidiekader kunnen in aangepaste vorm worden
                        toegepast op het gemeentelijke subsidieproces en de gemeentelijke
                        organisatie. Hierna zal worden ingegaan op de hoofdlijnen van dit kader en
                        wordt aangegeven hoe ook gemeenten er voordeel mee kunnen behalen. Het
                        uiteindelijke doel is dat de gemeentelijke procedures, daar waar mogelijk,
                        aansluiten bij die op rijksniveau, zodat het zowel voor de burger als voor
                        de verschillende overheden duidelijker en eenvoudiger wordt. Instellingen,
                        bijvoorbeeld op het terrein van jeugdzorg of welzijn (vgl. Leger des Heils),
                        ontvangen vaak subsidies van meerdere overheden en hebben vaak te maken met
                        verschillende indieningseisen en voorwaarden.</al><al>Uitgangspunten en maatregelen</al><al>Het Rijksbrede subsidiekader is ontwikkeld vanuit de volgende
                        uitgangspunten:</al><lijst><li nr="-"><al>Het subsidiebedrag en de lasten, die met de subsidieverstrekking
                                gepaard gaan, moeten proportioneel zijn.</al></li><li nr="-"><al>Er moet een betere sturing plaatsvinden op prestaties en
                                hoofdlijnen: zo wordt er meer gewerkt met prestatiesubsidiëring in
                                plaats van de input op basis van werkelijke kosten.
                                Prestatiesubsidiëring houdt in, dat er een vast bedrag wordt
                                gesubsidieerd ten behoeve van een vooraf overeengekomen activiteit
                                of prestatie. Bij subsidies, gebaseerd op verantwoording van de
                                kosten, wordt vaak zekerheid gezocht in de administratieve
                                verplichtingen, zoals facturen en urenadministratie. Hiermee gaan
                                hoge administratieve en bestuurlijke lasten gepaard. Door het
                                afrekenen op basis van prestaties en het vervallen van de financiële
                                verantwoording bij kleine subsidies worden de lasten
                                verminderd.</al></li><li nr="-"><al>Regels en verplichtingen moeten meer worden geüniformeerd en
                                vereenvoudigd. Doordat de Awb zoveel ruimte laat, ontstaat er in de
                                praktijk een veelvoud van subsidieverlening en
                                verantwoordingsverplichtingen. Dit leidt tot een versnippering van
                                regels: het Leger des Heils is genoodzaakt om jaarlijks meer dan 25
                                verschillende jaarrekeningen op te stellen. Het nieuwe subsidiekader
                                bevat uniforme en vereenvoudigde regels voor de aanvraag, uitvoering
                                en verantwoording. Gedacht kan worden aan verplichtingen ten aanzien
                                van termijnen, kostenbegrippen, voorschotten en voorwaarden ten
                                aanzien van tussentijdse rapportages.</al></li><li nr="-"><al>Tenslotte wordt er gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van
                                wantrouwen. Er komt meer nadruk te liggen op de eigen
                                verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger; er zal niet in alle
                                gevallen meer een uitgebreide verantwoordingsplicht gelden.</al></li></lijst><al>Op basis van deze uitgangspunten zijn de volgende, met elkaar samenhangende
                        maatregelen ontwikkeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Drie standaarduitvoerings- en verantwoordingsarrangementen, waarvan
                                de toepassing wordt bepaald door de hoogte van het
                                subsidiebedrag.</al></li><li nr="-"><al>Uniformering en vereenvoudiging van begrippen en verplichtingen in
                                het subsidieproces (onder andere termijnen, voorschotten,
                                rapportages).</al></li><li nr="-"><al>Rijksbreed beleid om misbruik te voorkomen.</al></li></lijst><al>Hieronder worden enkele elementen uit het Rijksbrede subsidiekader belicht,
                        die ook relevant kunnen zijn voor de gemeentelijke subsidiepraktijk.</al><al>Proportionaliteit tussen subsidiebedrag en lasten</al><al>Het subsidiekader gaat uit van proportionaliteit tussen het subsidiebedrag
                        en de administratieve lasten. Hoe lager het subsidiebedrag per ontvanger is,
                        hoe minder of eenvoudiger voorwaarden worden gesteld en hoe efficiënter de
                        verantwoording wordt ingericht. Dit leidt tot de volgende verdeling:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="78*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tot € 25.000</al></entry><entry colname="col2"><al>direct vaststellen of desgevraagd verantwoording over de
                                            prestatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf € 25.000 tot € 125.000</al></entry><entry colname="col2"><al>verantwoording over de prestatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf € 125.000</al></entry><entry colname="col2"><al>verantwoording over kosten en prestaties</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor subsidiebedragen, kleiner dan 25.000 euro, wordt de subsidie verleend
                        op basis van vertrouwen; er wordt niet meer standaard om een verantwoording
                        gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de
                        ontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden. Achteraf kan een
                        risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de ontvanger. Een meer
                        risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere risicoacceptatie.
                        Belangrijk hierbij is dat incidenten niet gelijk tot een systeemaanpassing
                        zouden moeten leiden. De verantwoordingsfocus bij kleine subsidies ligt op
                        het leveren van de prestatie of dienst in plaats van op de kosten. Hierdoor
                        kan het ook voorkomen, dat de werkelijke kosten uiteindelijk lager zijn dan
                        het subsidiebedrag.</al><al>Uniformering en vereenvoudiging van het subsidieproces</al><al>In het Rijkssubsidiekader zijn processtappen, begrippen en verplichtingen,
                        die bij iedere subsidie terugkeren, vereenvoudigd en geüniformeerd. Het gaat
                        hierbij om gestandaardiseerde termijnen voor de subsidieaanvrager en
                        subsidieverstrekker. Daarnaast worden de informatieverplichtingen voor de
                        subsidieontvangers verminderd, doordat bijvoorbeeld de huidige tussentijdse
                        rapportages voor kortlopende subsidies vervallen en doordat de procedure
                        voor het ontvangen van een voorschot fors wordt vereenvoudigd door het
                        invoeren van automatische bevoorschotting in plaats van bevoorschotting op
                        aanvraag. De termijnen worden daarbij zoveel mogelijk gestandaardiseerd. In
                        de tabel is dit verder uitgewerkt.</al><al>Tabel 1.Overzicht standaardtermijnen Rijksbrede subsidiekader</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Termijnen voor subsidieverstrekker</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Termijnen bij afgifte van een beschikking tot verlening
                                            van een subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>Standaardregel: Maximaal 13 weken na aanvraag of
                                            sluiting aanvraagtermijn.</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Uitzonderingen: Maximaal 22 weken na aanvraag of
                                            sluiting aanvraagtermijn bij: subsidieverlening bij
                                            EU-cofinanciering; subsidieverlening, waarbij advies
                                            wordt ingewonnen; nadere controle. Maximaal 40 weken in
                                            het geval van internationale peer reviews en/of
                                            internationale beoordelingscommissies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Termijnen bij afgifte van een beschikking tot
                                            (ambtshalve) vaststelling van een subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximaal 13 weken na aanvraag van de subsidie bij
                                            directe vaststelling (zonder vaststellingsaanvraag).
                                            Maximaal 22 weken na aanvraag vaststelling. Voor de
                                            ambtshalve vaststelling gaat de termijn in vanaf het
                                            moment, dat de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn
                                            uitgevoerd. Dit wordt opgenomen in de
                                            subsidiebeschikking.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Termijn voor subsidieontvanger:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Standaardtermijn voor aanvraag van vaststelling van een
                                            (project)subsidie (alleen relevant bij arrangementen 2
                                            en 3).</al></entry><entry colname="col2"><al>Standaardregel: Maximaal13 weken na voltooiing van de
                                            gesubsidieerde activiteiten of afgesproken termijn.
                                            Indien wordt verantwoord via de jaarrekening of tesamen
                                            met andere subsidies (volgens SiSa-principe) geldt een
                                            uitzondering op de13-weken termijn voor indiening van de
                                            aanvraag voor vaststelling.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Standaardberekeningswijzen en eenduidige definities voor
                        kostenbegrippen</al><al>Ook de uniformering van tarieven en begrippen draagt bij aan de
                        rechtszekerheid van de aanvrager. Een subsidiebedrag kan op verschillende
                        manieren worden bepaald. Er kan een vast bedrag per prestatie of activiteit
                        worden gegeven, maar de subsidie kan ook bestaan uit een bijdrage in de
                        kosten van de subsidiabele activiteiten. Zo komt het voor dat wordt
                        uitgegaan van uurtarieven. Een uurtarief kan echter op verschillende wijzen
                        worden berekend. Dit brengt hoge lasten met zich mee. Vooral de
                        verschillende uitgangspunten en definities per subsidie ten aanzien van de
                        subsidiabele kosten (bijv. overheadkosten) leggen een grote (lasten)druk op
                        de administratieve systemen van subsidieontvangers. Omdat het wenselijk is
                        hier één lijn te hanteren, gaat het subsidiekader uit van drie
                        standaardberekeningsmethoden.</al><al>Standaardberekeningswijzen en uniforme kostenbegrippen</al><al>Om de totstandkoming van het subsidiebedrag van uurtarieven te
                        vereenvoudigen, wordt voorgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>1. Uit te gaan van drie standaardberekeningswijzen voor de
                                berekening van uurtarieven: </al><lijst><li nr="o"><al>a. berekening op basis van integrale kosten;</al></li><li nr="o"><al>b. berekening op basis van een uurtarief per kostendrager
                                        (bijvoorbeeld loonkosten), vermeerderd met een forfaitair
                                        vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of</al></li><li nr="o"><al>c. hanteren van forfaitair vastgestelde uurtarieven,
                                        bijvoorbeeld op basis van de Handleiding
                                        Overheidstarieven.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>2. Eenduidige definities te gebruiken voor kostenbegrippen, zoals
                                subsidiabele kosten, kostendrager, integrale kosten, uurbasis,
                                loonkosten, indirecte kosten of overhead, kosten derden en
                                niet-subsidiabele kosten.</al></li><li nr="·"><al>3. Uniforme forfaitaire elementen voor de berekening van uurtarieven
                                (1b en 1c), zoals het aantal werkbare uren op jaarbasis.</al></li></lijst><al>Ad 1. Standaardberekeningswijzen</al><al>Voor de toepassing van de berekeningsmethoden wordt in principe aangesloten
                        bij de praktijk van de subsidieontvanger. Dat wil zeggen dat de
                        subsidieverstrekker de subsidieontvanger de keuzemogelijkheid geeft om de
                        subsidiabele kosten volgens één van de drie gestandaardiseerde methodes te
                        berekenen. Bij de afweging tussen het al dan niet bieden van een
                        keuzemogelijkheid aan de subsidieontvanger weegt de subsidieverstrekker de
                        administratieve en uitvoeringslasten. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen
                        voor het hanteren van forfaitaire elementen, omdat de lasten hierbij voor
                        beide partijen (ontvanger en verstrekker) gering zijn.</al><al>Bij het hanteren van de berekeningswijzen b en c worden in de specifieke
                        subsidieregeling vastgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>- het opslagpercentage voor indirecte kosten verplicht toe te passen
                                bij berekeningsmethode b) en</al></li><li nr="·"><al>- het uurtarief per kostendrager verplicht toe te passen bij
                                berekeningsmethode c).</al></li></lijst><al>Ad 2. Eenduidige definities voor kostenbegrippen</al><lijst><li nr="·"><al>- Subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen
                                van de subsidie worden meegenomen, respectievelijk de feitelijke
                                hoogte van die kosten.</al></li><li nr="·"><al>- Kostendrager: kostenplaats of volume-eenheid voor
                                kostenberekening, bijvoorbeeld personeels-/arbeidsuren,
                                apparaat-/machine-uren en overige kostendragers als output van
                                apparaten en machines en verbruikte materialen.</al></li><li nr="·"><al>- Afschrijvingskosten: kosten die de economische waardevermindering
                                weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende
                                de economische levensduur (periode, waarna de investering economisch
                                verouderd is). De eventuele restwaarde na de economische levensduur
                                hoort niet tot de subsidiabele kosten.</al></li><li nr="·"><al>- Loonkosten: de optelsom van de bruto loonkosten, niet
                                winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het
                                loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en,
                                indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor
                                een eventuele wachtgelduitkering na ontslag voor personeel, dat
                                werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele
                                activiteiten.</al></li><li nr="·"><al>- Urenbasis: het aantal werkbare uren per fte per jaar.</al></li><li nr="·"><al>- Directe kosten: kosten van een kostendrager en kosten derden, die
                                rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit worden toegerekend.</al></li><li nr="·"><al>- Indirecte kosten of overhead: kosten die niet rechtstreeks aan een
                                subsidiabele activiteit worden toegerekend, maar via toerekening van
                                een kostendrager.</al></li><li nr="·"><al>- Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde
                                kosten, die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt,
                                bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele
                                activiteit en kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde
                                goederen en diensten.</al></li></lijst><al>Ad 3. Uniforme forfaitaire elementen voor de berekening van uurtarieven</al><al>Forfaitaire elementen zijn hulpmiddelen om de bepaling van de subsidiabele
                        kosten en daarmee het subsidiebedrag te vereenvoudigen en te uniformeren.
                        Voorbeelden zijn: het aantal werkbare uren op jaarbasis, het uurtarief voor
                        categorieën van loonkosten, bijvoorbeeld op basis van de Handleiding
                        Overheidstarieven.</al><al>Het belang van het Rijksbrede subsidiekader voor gemeenten</al><al>Veel van de elementen van het Rijksbrede subsidiekader kunnen ook door
                        gemeenten worden overgenomen zonder dat de beleidsvrijheid van gemeenten
                        wordt aangetast. De voorstellen voor uniformering en vereenvoudiging richten
                        zich op de uitvoering en verantwoording en niet op de beleidsmatige
                        afwegingen inzake de verstrekking van subsidies. Hiermee kan
                        lastenvermindering voor zowel de subsidieontvanger als de
                        subsidieverstrekkende gemeente worden gerealiseerd. Meer uniformiteit en
                        vereenvoudiging in de uitvoering en verantwoording is bovendien van belang
                        voor een groot aantal (vrijwilligers-)organisaties en instellingen, die van
                        meerdere gemeenten (en andere overheden) subsidie ontvangen.</al><al>In deze Modelverordening is ervoor gekozen om de subsidieverstrekking onder
                        te verdelen in drie vergelijkbare arrangementen, vanzelfsprekend met
                        aangepaste bedragen, om zo te bezien welke verantwoordingsplicht het beste
                        aansluit bij de hoogte van het subsidiebedrag. In de onderhavige
                        Modelverordening is in de artikelen 15, 16 en 17 aansluiting gezocht bij dit
                        systeem door de omvang van de verantwoordingsverplichting te koppelen aan de
                        hoogte van het subsidiebedrag.</al><al>Bij de verstrekking van kleine subsidies aan bijvoorbeeld
                        toneelverenigingen, muziekkorpsen of ouderenbonden lopen gemeenten slechts
                        een beperkt financieel risico. Het subsidiebedrag is vaak niet zo hoog,
                        terwijl de administratieve en bestuurlijke lasten naar verhouding vaak wel
                        hoog zijn. In dat verband wordt erop gewezen, dat een gemeente ervoor kan
                        kiezen om over te gaan tot directe vaststelling van en/of het verlenen van
                        verantwoordingsvrije subsidies. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de
                        periode, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, te verlengen.</al><al>In deze Modelverordening is ervoor gekozen om subsidies tot aan een bedrag
                        tot 5.000 euro direct vast te stellen of te verlenen en later ambtshalve
                        vast te stellen binnen 13 weken na afloop van de activiteit. Kenmerkend voor
                        subsidies van minder dan 5.000 euro is, dat een vast bedrag (lump sum) wordt
                        verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording
                        hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft
                        geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen.
                        Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                        subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>Een andere wijze om de administratieve lasten te verminderen, is om subsidie
                        voor langere tijd te verlenen; zo hoeft de aanvrager niet jaarlijks een
                        aanvraag in te dienen. Daarnaast levert het de ambtenaar tijd en geld op,
                        doordat hij niet iedere keer opnieuw de aanvragen moet beoordelen. In de
                        beschikking tot verlening kan worden aangegeven aan welke tussentijdse
                        verantwoordingseisen moet worden voldaan. In deze verordening is gekozen
                        voor het principe, dat slechts bij meerjarig verstrekte subsidies jaarlijks
                        een verantwoording moet worden ingediend. Het college kan bepalen welke
                        gegevens zij in een tussentijdse rapportage verlangt. Het ligt voor de hand
                        om hier aan te sluiten bij de principes, zoals die zijn opgesteld voor de
                        eindverantwoording in het algemeen, dus slechts indien noodzakelijk en het
                        subsidiebedrag meer bedraagt dan 50.000 euro naast een inhoudelijk verslag
                        ook een accountantsverklaring. Ook kan veel voordeel worden behaald door het
                        instellen van een automatisch bevoorschottingsregime in plaats van de
                        subsidieontvanger slechts een voorschot op aanvraag te verlenen.</al><al>Best practice: gemeente Beesel</al><al>De gemeente Beesel (NB) heeft het verstrekken van een structurele subsidie
                        voor een termijn van 4 jaar geïntroduceerd in haar deelverordening Welzijn.
                        Dit levert een aanzienlijke kostenbesparing op. In de subsidieverordening
                        kan de gemeente eisen dat eventuele wijzigingen, die van belang zijn voor de
                        hoogte van de subsidie, tijdig worden doorgegeven.</al><al>Best practice: gemeente Zaanstad</al><al>In de gemeente Zaanstad zijn de subsidies tot 5.000 euro
                        verantwoordingsvrij, maar de gemeente kan een steekproef uitvoeren. Vanwege
                        deze steekproef dient de aanvrager zijn boekhouding 5 jaar te bewaren, zoals
                        dat ook voor de Belastingdienst geldt. Maar een vrijwilligersorganisatie,
                        zoals de ANBO, de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, heeft helemaal
                        niets van doen met de Belastingdienst! De steekproef is voor een organisatie
                        als de ANBO dan ook zeer belastend. De ANBO heeft aangegeven liever
                        jaarlijks de subsidie te willen verantwoorden dan jaren te leven met de
                        zorg, dat de gemeente op een zekere dag om papieren kan vragen. Met andere
                        woorden: als een vrijwilligersorganisatie als deze een boekhouding moet
                        bewaren voor een eventuele steekproef, is de ANBO van mening dat ze deze net
                        zo goed kan indienen.</al><al>In deze Algemene subsidieverordening is ervoor gekozen dat de
                        steekproefsgewijze controle zich richt op het aantonen dat</al><al>de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
                        voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</al><al>Hiertoe hoeft niet een gedetailleerd overzicht van inkomsten en uitgaven
                        (boekhouding) te worden bewaard, maar kan worden volstaan met het bewaren
                        van een bewijs, dat de activiteit heeft plaatsgevonden. Dat kan ook een foto
                        van of een krantenartikel over bijvoorbeeld een gesubsidieerde bijeenkomst
                        zijn. Daardoor hoeft bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie géén extra
                        documenten te bewaren dan zij ten behoeve van haar reguliere werkzaamheden
                        doet.</al><al>Gemeenten lopen niet zoveel financiële risico’s bij verstrekking van kleine
                        subsidies. Ga eens op bezoek bij subsidieaanvragers en -ontvangers, bekijk
                        welke activiteiten ze ontplooien en waar ze de subsidie voor nodig hebben.
                        Ga er vanuit dat de organisatie met recht en reden om subsidie vraagt.</al><al>Om het risico van verlaging van verantwoordingsplicht voor uw gemeente in
                        kaart te brengen, kijk dan eens naar de verhouding van het aantal kleine
                        subsidies (bijvoorbeeld tot 5.000 euro), die uw gemeente verstrekt en welk
                        percentage dat is van het totaalbedrag aan verstrekte subsidies. Ervaring
                        leert dat vaak 75% van de subsidies wordt verstrekt in kleine bedragen. In
                        veel van de huidige verantwoordingsregimes wordt geen onderscheid gemaakt op
                        grond van de hoogte van het subsidiebedrag. Verantwoordingsregimes in
                        subsidieregelingen zijn ingericht met het oog op de grote verstrekte
                        bedragen (de andere 25%) en de daarmee samenhangende risico’s. Toepassing
                        van deze verantwoording op kleine bedragen leidt tot onevenredig hoge lasten
                        voor ontvangers en gemeenten. Het middel schiet daarmee zijn doel
                        voorbij.</al><al>Best practice: directe vaststelling en verantwoordingsvrije subsidies</al><al>Diverse gemeenten werken naar tevredenheid met een systeem van directe
                        vaststelling en verantwoordingsvrije subsidies. Een aantal voorbeelden met
                        daarbij het maximumbedrag:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="75*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Dantumadiel</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>1.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leiderdorp</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>1.500,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lansingerland</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>2.500,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hillegom</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>500,- tot maximaal € 7.500,- + verlening voor 4
                                            jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nieuwegein</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>1.200,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Utrecht</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>5.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rotterdam</al></entry><entry colname="col2"><al>: €</al></entry><entry colname="col3"><al>5.000,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voordelen:</al><al>Minder administratieve lasten - in tijd, kosten en ergernis - voor
                        aanvragers, zoals vrijwilligersorganisaties. Op deze manier hebben zij meer
                        tijd te besteden aan hun echte werk.</al><al>Minder bestuurlijke lasten, want de gemeente hoeft niet meer te wachten op
                        de jaarrekening van misschien wel honderden kleine instellingen. Daarnaast
                        hoeft de gemeente niet meer te controleren en vaststellingsbrieven op te
                        stellen. Dit scheelt veel tijd.</al><al>Nog een mogelijkheid om te kijken naar vereenvoudiging is kritisch te kijken
                        naar de vereisten, die aan jaarlijkse subsidies of de zogenaamde per
                        boekjaar verstrekte subsidies worden gesteld. In deze Algemene
                        subsidieverordening is bijvoorbeeld, juist wegens de hoge regeldruk,
                        afgezien van de mogelijkheid om afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van
                        toepassing te verklaren op jaarlijkse subsidies. In plaats daarvan zijn
                        enkele bepalingen eruit gelicht of in vereenvoudigde vorm overgenomen. Zoals
                        bijvoorbeeld in artikel 5, lid 5, en artikel 10, lid 2 van deze
                        verordening.</al><al>Ook in het hanteren van uniforme kostenbegrippen en het toepassen van
                        uniforme berekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kan veel
                        lastenbesparing worden gerealiseerd. Als gemeenten, daar waar van
                        toepassing, bovengenoemde rijksbrede uniforme begrippen overnemen of verder
                        aansluiten bij de Handreiking Overheidstarieven in hun gemeentelijke
                        (subsidie)regelgeving, zorgt dit er uiteindelijk voor dat het zowel voor de
                        aanvragers als de verstrekkers van subsidie een stuk duidelijker wordt.</al><al>Gemeenten wordt aangeraden bij het bepalen van standaardtermijnen aan te
                        sluiten bij hetgeen in deze Algemene verordening is opgenomen en desgewenst
                        bij wat in de tabel over de door het Rijk gehanteerde termijnen staat
                        beschreven. Deze termijnen zijn feitelijk een nadere invulling van de Awb en
                        dus ook juridisch daarop afgestemd. Als er in een individueel geval niet aan
                        kan worden voldaan, kan op grond van artikel 4:14 Awb een langere termijn
                        worden gehanteerd. Let op: dit zijn maximum termijnen. Een beschikking kan
                        ook sneller worden afgegeven!</al><al>Beslistermijnen en Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen</al><al>Per 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in
                        werking getreden. Hierdoor lopen bestuursorganen, die zich niet aan de
                        termijnen houden, het risico met een dwangsom te worden geconfronteerd. Het
                        doel van de wet is waarborgen dat de overheid een betrouwbare partner is van
                        burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. In de wet staat dat de
                        overheid dit onder andere moet doen door tijdig te beslissen op een
                        aanvraag. De aanvrager heeft daar recht op. Tijdig betekent: binnen de
                        geldende termijn. Dat kan een wettelijke of een redelijke termijn zijn. Een
                        beslissing moet zonodig kunnen worden afgedwongen. Onder bepaalde
                        voorwaarden kan de gemeente de beslistermijn verlengen. De wet omschrijft de
                        volgende situaties:</al><lijst><li nr="·"><al>1. De gemeente verzoekt de aanvrager de aanvraag aan te vullen door
                                meer informatie te verschaffen.</al></li><li nr="·"><al>2. Als de gemeente wacht op informatie uit het buitenland.</al></li><li nr="·"><al>3. Als de aanvrager schriftelijk instemt met uitstel.</al></li><li nr="·"><al>4. Als de vertraging de schuld is van de aanvrager, bijvoorbeeld als
                                hij steeds opnieuw vraagt om uitstel van aan te leveren gegevens of
                                de dag voor de beslistermijn afloopt een dik pak met aanvullende
                                gegevens opstuurt.</al></li><li nr="·"><al>5. Als de gemeente door overmacht niet in staat is te beslissen. Er
                                moeten dan wel abnormale en onvoorziene omstandigheden zijn, waarop
                                de gemeente geen invloed heeft, zoals het volledig afbranden of
                                onder water lopen van het gemeentehuis.</al></li></lijst><al>In bijna alle gevallen dient de gemeente de aanvrager direct mee te delen,
                        dat de beslistermijn is opgeschort en binnen welke termijn alsnog een
                        beslissing moet worden genomen. Met de in de verordening opgenomen
                        mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, moet dus niet al te makkelijk
                        worden omgegaan. De in deze Algemene verordening gekozen termijnen voor
                        besluiten zijn met 13 weken aan de ruime kant. Voor de beoordeling van
                        complexe subsidieaanvragen heel redelijk; voor afhandeling van een eenvoudig
                        besluit tot subsidievaststelling zeer ruim. De praktijk leert dat gemeenten
                        wel alert zijn op het verstrijken van de termijn bij een besluit tot
                        aanvraag van een subsidie en minder alert bij besluiten op verzoeken tot
                        vaststellen van een subsidie. De wet biedt voldoende handvatten om
                        pro-actief te reageren. Maak, indien nodig, vooral gebruik van de
                        mogelijkheid om de aanvrager schriftelijk te laten instemmen met onvoorzien
                        uitstel.</al><al>Sanctiebeleid</al><al>In dit model Algemene subsidieverordening zijn geen bepalingen opgenomen
                        over de werkwijze en procedures indien subsidieontvangers zich niet houden
                        aan de procedures en verplichtingen. De Awb geeft hiervoor voldoende
                        handvaten. Bijvoorbeeld, indien aanvragen niet tijdig of onvolledig worden
                        ingediend, dient de subsidieontvanger een termijn gegund te worden
                        waarbinnen de aanvraag kan worden aangevuld, dit volgt uit artikel 4:5 Awb.
                        Voldoet de aanvrager daar niet aan binnen de termijn, dan kan de gemeente de
                        aanvraag op vereenvoudigde wijze afdoen. Dat betekent dat de gemeente niet
                        op de inhoudelijke merites van de aanvraag hoeft in te gaan. Of, indien de
                        aanvrager niet voldoet aan zijn verplichtingen kan de gemeente op grond van
                        de artikelen 4:46 – 4:50 Awb de subsidieverlening intrekken of wijzigen.
                        Aangezien met deze bevoegdheden een inbreuk gemaakt wordt op het
                        vertrouwensbeginsel, dient hiermee terughoudend en in alle redelijkheid te
                        worden omgegaan. Daarbij zijn de ernst van de tekortkoming en de gevolgen
                        van de verlaging voor de subsidieontvanger van belang zijnde factoren.</al><al>Afstemming en uniformering van hoe gemeenten in dit soort situaties zullen
                        handelen is gewenst. Rijksbreed is bijvoorbeeld overeengekomen dat bij
                        onregelmatigheden bij verstrekte subsidies in het eerste arrangement, tot
                        25.000 euro, de subsidie in zijn geheel kan worden teruggevorderd. Voor wat
                        betreft het tweede en derde arrangement zijn de afspraken over het
                        stroomlijnen van kortingen nog onderwerp van overleg. Voor wat betreft het
                        opleggen van een boete ontbreekt een wettelijke basis.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>Leeswijzer: De opzet van dit model Algemene subsidieverordening is om gemeenten
                    een handreiking te bieden met basisvoorwaarden voor de Algemene
                    subsidieverordening die zij op dienen te stellen. De handreiking en de
                    artikelsgewijze toelichting zijn geschreven voor de jurist en beleidsambtenaar
                    bij de gemeente die deze Algemene subsidieverordening gaan opstellen. Daarom
                    zijn er in de artikelsgewijze toelichting voorbeelden en uitleg opgenomen die
                    kunnen helpen bij de beleidskeuzen die de gemeente in het kader van de
                    feitelijke inrichting van hun Algemene subsidieverordening zal moeten maken. Het
                    is derhalve niet de bedoeling dat de artikelsgewijze toelichting bij dit model
                    integraal wordt overgenomen in de toelichting bij de door de gemeente op te
                    stellen Algemene subsidieverordening.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, dat in de
                        verordening wordt gehanteerd.</al><al>Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen
                        van subsidie. De jaarlijkse subsidie, die bij voorkeur voor meerdere jaren
                        wordt verleend en veelal op voortdurende activiteiten van een instelling
                        betrekking heeft. Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies en
                        subsidie in de loonkosten. In de onderhavige verordening is bepaald dat deze
                        voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het
                        verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een
                        jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen,
                        omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van de raad (hoewel
                        die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede
                        termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden
                        en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie
                        voor langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de
                        uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie,
                        zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de
                        subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden
                        genomen. In deze verordening is er bewust niet voor gekozen het regime van
                        afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de
                        jaarlijkse subsidie. Afdeling 4.2.8 biedt een regeling voor subsidies
                        waarbij het bestuursorgaan financieel en beleidsmatig sterk betrokken is,
                        hetgeen zeker niet bij iedere door gemeenten verstrekte jaarlijkse subsidie
                        het geval is. Bovendien kunnen bij de jaarlijks verstrekte subsidies in de
                        subsidiebeschikking zeer goed afspraken op dit punt worden vastgelegd. Juist
                        bij per jaarlijks verstrekte subsidies is de aard en grote van de instelling
                        en de hoogte van de subsidie bepalend voor de omvang van aanvullende
                        afspraken.</al><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die voor een eenmalige activiteit of een
                        activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren bepaalde tijd
                        van maximaal 4 jaar subsidie wil verlenen. Te denken valt aan een subsidie
                        ten behoeve van het doorgang doen vinden van de gebruikelijke activiteiten
                        van de subsidieontvanger, terwijl die doorgang door bijzondere, incidentele
                        omstandigheden anders niet gewaarborgd zou zijn. Hierbij kan worden gedacht
                        aan inhuur van uitzendkrachten voor de vervanging van niet-verzekerd,
                        arbeidsongeschikt geworden personeel, het vervangen van een teloor gegaan
                        bedrijfsgebouw en dergelijke. Of aan projectsubsidies die worden gegeven
                        voor door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals
                        bijvoorbeeld een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies
                        hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder
                        omstandigheden dus een looptijd hebben van langer dan een jaar.</al><al>Een bijzondere vorm van eenmalige subsidies betreft de waarderingssubsidies.
                        Het is een benaming die door gemeenten veelal wordt gebruikt, maar in
                        juridische zin niet veel toevoegt aan de benaming ‘eenmalige subsidie’.
                        Waarderingssubsidies zijn subsidies die, zoals het woord al zegt, verstrekt
                        worden om waardering voor de activiteiten van de ontvanger uit te drukken.
                        Overigens dient in een afwijzing van een dergelijke subsidieaanvraag altijd
                        helder te worden gemotiveerd dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt
                        gevraagd, niet in aanmerking komen voor de waarderingssubsidie en niet de
                        aanvrager pur sang. Deze subsidies mogen naar eigen wens van de ontvanger
                        worden besteed en kunnen dus zowel worden gestoken in de reguliere
                        activiteiten van de ontvanger als in extra activiteiten. Hiermee wordt nog
                        steeds recht gedaan aan de reden, dat subsidies worden verstrekt: het
                        bevorderen van bepaalde voor de gemeente, dan wel haar ingezetenen positieve
                        doelen. Een uiting van waardering voor degenen, die die doelen bevorderen,
                        draagt bij aan hun motivering en dus ook aan de wijze, waarop zij de doelen
                        behartigen. Nu de besteding van deze subsidie geheel ter keuze van de
                        ontvanger is, wordt ter zake van de besteding geen verantwoording geëist en
                        is geregeld dat het moment van verlening van de subsidie tevens dat van de
                        vaststelling daarvan is. Hiermee worden onnodige administratieve en
                        bestuurlijke procedures voorkomen. Er wordt hierop nader ingegaan bij de
                        toelichting op artikel 15 van deze verordening. Overigens is het zeer wel
                        mogelijk om achtereenvolgens meerdere “eenmalige” waarderingssubsidies te
                        verlenen. De facto is een waarderingssubsidie, dus een eenmalige subsidie,
                        waaraan geen verantwoordingseisen worden gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><al>In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies
                        kunnen worden verstrekt. Het ligt voor de hand dat de opsomming van
                        beleidsterreinen aansluit bij de indeling van de programmabegroting.</al><al>Er kan ook worden gekozen voor een bepaling, waarbij in de verdeling de
                        bevoegdheid van het college voor bepaalde subsidies wordt vastgelegd.
                        Gedacht kan worden aan een bepaling als “het college besluit over subsidies
                        tot 10.000 euro” of “het college besluit over subsidies op het gebied van
                        ……………….”. Ook voor deze subsidies geldt dan uiteraard, dat die moeten passen
                        in de door de raad vastgestelde regels.</al><al>Er is voor gekozen om zo veel mogelijk op te nemen in deze algemene
                        verordening. Op die manier wordt bereikt dat zowel burger als bestuur direct
                        en zonder zich teveel in onderliggende zaken als beleidsregels en
                        raadsbesluiten, hoeven te verdiepen om na te gaan aan welke voorwaarden zij
                        moeten voldoen om voor verlening van een subsidie in aanmerking te
                        komen.</al><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is uiteraard
                        niet te vermijden, dat op onderdelen nadere regels noodzakelijk zullen
                        blijken. Die verscheidenheid onderbrengen in een algemene verordening is
                        mogelijk, maar komt de met een algemene verordening nagestreefde
                        overzichtelijkheid niet ten goede. Daarbij komt dat beleidsdoelen en
                        prioriteiten wijzigen en dit, naar aangenomen mag worden, in een hoger tempo
                        zullen doen dan de Algemene subsidieverordening aan wijziging toe is.</al><al>Wijziging van een alsdan complexe en uitgebreide verordening, die veel
                        beleidsterreinen bestrijkt, gaat gepaard met aanzienlijke bestuurlijke en
                        administratieve lasten. Met deze algemene verordening, die de kaders geeft
                        voor nadere regels, worden deze lasten beperkt in aantal en kwaliteit. Zo
                        zal het bij een eventuele wijziging van de verordening niet noodzakelijk
                        zijn alle beleidsafdelingen van de gemeente daarbij anders dan in
                        informerende zin te betrekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad
                        vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze
                        Algemene subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen subsidies
                        kan verlenen, die niet stroken met de door de raad vastgestelde algemene
                        regels. Met besluiten over het verstrekken van subsidies in plaats van
                        verlenen van subsidies wordt beoogd de bevoegdheid te besluiten over het
                        gehele subsidieproces, dus ook het bevoorschotten, lager vaststellen,
                        terugvorderen en dergelijke.</al><al>In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de gemeentebegroting en
                        subsidieplafonds in acht neemt. Als de gemeentebegroting nog niet is
                        vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad
                        beschikbaar is gesteld, wordt subsidie slechts verleend onder de voorwaarde
                        dat de raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen, het zogenoemde
                        begrotingsvoorbehoud.</al><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden
                        aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 Awb en voor het
                        verschil met verplichtingen artikel 4:37 Awb.</al><al>N.B.</al><al>Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een
                        uitvoeringsovereenkomst te verbinden, berust bij het college.</al><al>In beginsel is in afdeling 4.2.4 Awb zeer uitvoerig en nauwgezet bepaald
                        welke verplichtingen onder welke voorwaarden bij een subsidieverlening
                        kunnen worden opgelegd en kunnen alle toegestane verplichtingen in beginsel
                        bij subsidieverlening of subsidiewijziging worden opgelegd. Ingevolge
                        artikel 3:14 BW mogen bepalingen in subsidieovereenkomsten er niet toe
                        leiden, dat een bestuursorgaan handelt in strijd met de Awb, de
                        publiekrechtelijke subsidieregeling, waarop de subsidie berust, of de andere
                        ongeschreven regels van het publiekrecht. Gezien het bovenstaande is het
                        maar de vraag wanneer het opstellen van een uitvoeringsovereenkomst bij de
                        beschikking extra bevoegdheden geeft. In het geval de subsidieontvanger moet
                        worden verplicht bepaalde activiteiten te verrichten, is het de vraag of er
                        niet veeleer sprake is van een opdracht situatie.</al><al>Waar de subsidiebeschikking slechts gericht is op één partij, kan middels
                        een uitvoeringsovereenkomst meerdere partijen aan elkaar worden gebonden.
                        Dat zou een voordeel kunnen zijn. Ook is het mogelijk een derdenbeding ex.
                        art. 6:253 BW op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><al>In de Awb zijn in de artikel 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste
                        bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven. Ingevolge
                        het eerste lid van artikel 4 kan de raad subsidieplafonds per beleidsterrein
                        vaststellen. In de regel valt dit qua tijdstip samen met de vaststelling van
                        de begroting. De raad stelt subsidieplafonds vast en maakt daarbij de wijze
                        van verdeling van de beschikbare middelen bekend. Eventueel kan het college
                        nadere regels opstellen omtrent de wijze van verdeling van de beschikbare
                        middelen.</al><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het subsidieplafond
                        bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft,
                        ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld
                        beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder
                        nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond
                        bereikt is. Indien het voor subsidie beschikbare bedrag enkel op de
                        begroting vermeld staat en de gemeente deze bedragen niet als zijnde
                        subsidieplafonds heeft gepubliceerd, kan de gemeente subsidieaanvragen niet
                        ongemotiveerd weigeren wegens het bereiken van het plafond. Vandaar dat de
                        VNG het publiceren van subsidieplafonds aanbeveelt. Het is aan te bevelen om
                        enige tijd te nemen tussen het vaststellen van de begroting en het
                        publiceren van subsidieplafonds en de wijze van verdeling van de beschikbare
                        middelen.</al><al>Belangrijk is de verplichting om nadere regels te stellen over de verdeling
                        van de beschikbare bedragen. Er zijn twee mogelijkheden. De meest eenvoudige
                        vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, “wie het eerst
                        komt, het eerst maalt”, waarbij aanvragen in volgorde van ontvangst van de
                        volledige aanvraag worden behandeld.</al><al>Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt
                        verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge
                        vergelijking van de aanvragen en dat de beste aanvragen voor subsidie in
                        aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de
                        aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in
                        rangorde worden gezet. De criteria, waaraan een aanvraag wordt getoetst,
                        dienen zoveel mogelijk eenduidig te zijn. Ook is het aan te bevelen dat deze
                        regels uniform gelden over alle beleidsterreinen. De gemeente Utrecht heeft
                        bijvoorbeeld als algemene lijn, dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op
                        basis van twee criteria: de bijdrage aan gemeentelijke
                        subsidiedoelstellingen en de prijs-/kwaliteitverhouding. Alleen indien het
                        voor het specifieke beleidsterrein noodzakelijk is, kunnen hier andere
                        criteria aan worden toegevoegd. Let op: deze criteria dienen bij het
                        publiceren van de subsidieplafonds bekend te worden gemaakt, niet later.
                        Nogmaals, de criteria worden zo helder mogelijk geformuleerd; toepassing
                        ervan mag niet leiden tot willekeur. Bijvoorbeeld door gebruik van
                        rangschikking met behulp van puntentelling.</al><al>Voorbeelden van prioritering met punten:</al><al>Het college rangschikt alle aanvragen, die voor subsidie in aanmerking
                        komen, zodanig dat een activiteit hoger gerangschikt wordt naarmate de
                        activiteit naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="·"><al>a. doelmatiger of doeltreffender is door een groter effect in aantal
                                bereikte personen (max. 6 p);</al></li><li nr="·"><al>b. in verhouding tot de kosten van de activiteiten een grotere
                                bijdrage levert aan de verbetering van …. uitgedrukt in … (max. 5
                                p);</al></li><li nr="·"><al>c. betrekking heeft op beide speerpunten (max. 4 p);</al></li><li nr="·"><al>d. meer perspectief biedt voor brede toepassing van anderen dan de
                                subsidieontvanger (max. 2 p).</al></li></lijst><al>Of</al><al>Het college rangschikt de aanvragen op een prioriteitenlijst, zodanig dat
                        een project hoger genoteerd wordt:</al><lijst><li nr="·"><al>a. naarmate er bij het project meer partijen betrokken zijn;</al></li><li nr="·"><al>b. naarmate de aanvrager kan garanderen dat het project gedurende
                                meerdere jaren verzekerd is van een plaats in het
                                activiteitenprogramma van de instelling;</al></li><li nr="·"><al>c. naarmate naar het oordeel van het college de activiteiten zich
                                richten op een vernieuwend aanbod.</al></li></lijst><al>Een voorbeeld van het systeem ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’:</al><al>Het college verdeelt het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de
                        complete aanvragen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de
                        gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van
                        ontvangst van de aanvraag de dag, waarop de aanvulling is ontvangen door de
                        gemeente.</al><al>Lid 5. Indien wordt gewerkt met een begrotingsvoorbehoud moet er rekening
                        worden gehouden met het feit dat alleen de Rijksoverheid haar begroting
                        direct kan vaststellen. Gemeenten moeten hun begroting voorleggen aan de
                        provincie ter goedkeuring; pas daarna is er sprake van een definitieve
                        begroting en treedt het vierde lid van dit artikel pas in werking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk
                        dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier
                        geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het
                        college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar
                        heeft gesteld.</al><al>De vraag kan worden gesteld of het wenselijk is om
                        standaardaanvraagformulieren te hanteren of is dit nu juist een voorbeeld
                        van meer administratieve rompsloop? Uiteraard is het een vrije keuze van de
                        gemeente. Door het gebruik van standaardformulieren wordt in ieder geval de
                        rechtszekerheid bevorderd. Voor de aanvrager is meteen duidelijk welke
                        documenten hij dient te overleggen. Het is van belang dat het
                        aanvraagformulier slechts die vragen bevat, die strikt noodzakelijk zijn
                        voor de behandeling van een aanvraag, dus zo eenvoudig mogelijk. Tevens kan
                        met een aanvraagformulier de uniformiteit van behandeling van
                        subsidieaanvragen in de verschillende beleidsterreinen van de gemeente
                        worden bevorderd.</al><al>Het verdient tevens aanbeveling om de aanvraagformulieren digitaal
                        beschikbaar te stellen op de website van de gemeente. En het allermooiste is
                        natuurlijk als de aanvrager zijn formulier ook digitaal kan versturen. Dit
                        is mogelijk met behulp van DigiD. Organisaties die in het Handelsregister
                        geregistreerd staan, kunnen een toegangscode opvragen voor DigiD voor
                        bedrijven bij de Kamer Van Koophandel (www.kvk.nl). Organisaties, die niet
                        in het Handelsregister staan geregistreerd, kunnen het digitale formulier
                        met hun DigiD voor burgers versturen. De gemeente controleert dan vervolgens
                        de gegevens van de aanvrager via het Handelsregister Online.</al><al>Volgens de Awb is aan het vereiste van ondertekening door een elektronische
                        handtekening voldaan, indien de methode, die daarbij voor authentificatie is
                        gebruikt, voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en inhoud van het
                        elektronische bericht en het doel, waarvoor het wordt gebruikt.</al><al>DigiD is de gemeenschappelijke authencificatievoorziening van en voor de
                        Nederlandse overheid. Met DigiD kunnen burgers en bedrijven snel en
                        eenvoudig informatie uitwisselen met de overheid. Zij kunnen terecht bij de
                        Belastingdienst en andere overheidsinstellingen, zoals het Kadaster, veel
                        gemeenten en bij uitkeringsinstanties, zoals de UWV.</al><al>Best practice: gemeente Winterswijk</al><al>Kijk op www.winterswijk.nl voor een voorbeeld van een eenvoudig en digitaal
                        aanvraagformulier.</al><al>Mocht de gemeente nog niet zover zijn met de digitalisering, dan bestaat de
                        mogelijkheid om voorgedrukte aanvraagformulieren naar de bij de gemeente
                        bekende instellingen, die gebruik maken van subsidies, te sturen. Deze
                        aanvragers hoeven dan vervolgens alleen nog maar na te gaan of de gegevens
                        op het formulier kloppen en dan kan het heel eenvoudig, ondertekend, retour
                        worden gezonden.</al><al>Voor een aanvrager moet duidelijk zijn, waarvoor hij subsidie kan aanvragen
                        en op welke manier dit in zijn werk gaat. Van een burger kan niet worden
                        verwacht dat hij een ingewikkelde subsidieverordening volledig zal
                        begrijpen. Daarom is het van belang om als gemeente duidelijk te
                        communiceren door bijvoorbeeld in een brochure of op de gemeentelijke
                        website de informatie op begrijpelijke wijze weer te geven.</al><al>Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat
                        een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling
                        4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager
                        dient te overleggen bij zijn subsidieaanvraag. De bevoegdheid van het
                        college ter zake nadere regels te stellen, is geregeld in lid 4. Het college
                        kan zo desnoods per geval regelen welke gegevens dienen te worden verstrekt,
                        waarbij het uitgangspunt is dat het college dit doet om de administratieve
                        en bestuurlijke lasten voor alle betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden.
                        Zo kan het college bijvoorbeeld bepalen dat voor duidelijk bepaalde
                        categorieën subsidies - bijvoorbeeld zogenaamde ‘waarderingssubsidies’,
                        eenmalige subsidies waaraan geen verantwoordingseisen worden gesteld - met
                        minder dan de standaard te overleggen gegevens bij aanvraag van een subsidie
                        kan worden volstaan.</al><al>In artikel 5, lid 2, sub d, wordt verwezen naar de systematiek van
                        subsidieverlening en verrekening bij jaarlijks (per boekjaar) verstrekte
                        subsidies conform artikel 4:72 Awb. Een dergelijke verplichting dient in de
                        beschikking tot subsidieverlening te worden opgenomen. Inzage in de
                        financiële reserve van een instelling is slechts aan de orde voor de
                        beoordeling van een jaarlijkse subsidieaanvraag van een grote instelling met
                        overeenkomstige subsidiebehoefte.</al><al>In artikel 5, lid 3, worden meer formele eisen gesteld aan instellingen, die
                        voor de eerste maal subsidie aanvragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><al>Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie dienen
                        te zijn ingediend bij het college. In dit artikel wordt slechts een uiterste
                        indiendatum genoemd voor (meer)jaarlijkse subsidies. Overigens worden aan
                        grote instellingen bij voorkeur meerjarige subsidies verleend. Via de
                        tussentijdse rapportage wordt de gemeente op de hoogte gesteld van de
                        resultaten. Een jaarlijkse aanvraag is daarmee overbodig.</al><al>Een subsidie kan voorafgaand of, mits sprake is van een stimulerend effect
                        van de subsidieregeling, na afloop van de subsidiabele activiteiten worden
                        verstrekt. De gemeente kan er ook voor kiezen om voor alle subsidies (dus
                        ook voor de eenmalige subsidies) indiendata (deadlines) vast te stellen.
                        Deze termijnen zijn uiteraard afhankelijk van de door de gemeente voor
                        opstelling van de begroting en de vaststelling daarvan gehanteerde termijnen
                        en kunnen per gemeente en naar eigen voorkeur worden vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te
                        beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte
                        beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de regel wordt een termijn
                        van acht tot dertien weken redelijk geacht. Indien deskundigen of een
                        commissie moet worden geraadpleegd over de kwaliteit van de
                        subsidieaanvragen, wordt deze beslistermijn tot tweeëntwintig weken
                        verlengd.</al><al>Nu de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober 2009 in
                        werking is getreden, bestaat het risico dat bestuursorganen, die zich niet
                        aan de door zichzelf gestelde termijnen houden, met een dwangsom kunnen
                        worden geconfronteerd. In gevallen, waarin de behandeling van aanvragen
                        (denk aan complexe, omvangrijke subsidies, zoals voor het bouwen van een
                        gebouw en dergelijke) zeker meer tijd zal vergen dan de hiervoor genoemde
                        termijnen, ligt het voor de hand in nadere regels te bepalen hoe en onder
                        welke voorwaarden het risico van de overschrijding van termijnen kan worden
                        beperkt. Onder omstandigheden kan het college zich een termijn van een half
                        jaar gunnen om tot een beslissing te komen. Gezien de complexiteit van
                        bepaalde subsidieaanvragen en de daarmee gemoeide gelden en nagestreefde
                        beleidsdoelen is deze termijn verdedigbaar. Gelet op de Wet dwangsom en
                        beroep bij niet tijdig beslissen verdient het echter aanbeveling een
                        voorzienbare lange beslistermijn in een nadere regels vast te leggen.</al><al>De termijnen lijken redelijk royaal. Uitgangspunt moet zijn, dat afhandelen
                        binnen 13 weken de maximale termijn is, in principe wordt de aanvraag zo
                        servicegericht dus zo snel mogelijk afgehandeld. 13)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb,
                        worden hier met een nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden grond
                        aangevuld. Dit betreft het niet of niet in overwegende mate gericht zijn van
                        de activiteiten van de aanvrager op de gemeente, dan wel haar ingezetenen of
                        daaraan niet of nauwelijks ten goede komen.</al><al>Eventueel kunnen aan deze weigeringsgronden nog de volgende gronden worden
                        toegevoegd:</al><lijst><li nr="8."><al>d de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien,
                                die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang
                                of de openbare orde;</al></li><li nr="8."><al>e de activiteiten een politieke, godsdienstige of
                                levensbeschouwelijke boodschap hebben.</al></li></lijst><al>Waarbij wordt aangetekend dat het rechtstreeks inroepen van deze gronden ter
                        weigering van een subsidieaanvraag in bezwaar en beroep tot discussie kan
                        leiden. De vraag is dan of deze gronden redelijkerwijs ter beoordeling zijn
                        van het college. Want strikt genomen mag het college zich slechts een
                        oordeel vormen over de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het
                        is vaak eenvoudiger om de subsidie te weigeren wegens de verwachting, dat de
                        activiteiten onvoldoende gericht zijn op de beleidsdoelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Wet Bibob</titel></kop><al>Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 9, eerste lid. Het
                        betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet
                        Bibob niet kan doorstaan. Indien deze weigeringsgrond niet zou zijn
                        opgenomen, dan zou het kunnen betekenen dat het college gehouden is subsidie
                        te verlenen aan aanvragers aan wie het college geen vergunning voor
                        niet-subsidiabele activiteiten zou verlenen. Daarbij is niet van belang of
                        de activiteiten, waarvoor subsidie wordt gevraagd, op zichzelf beoordeeld
                        subsidiabel zijn. Het gaat bij deze weigeringsgrond louter om de persoon,
                        dan wel rechtspersoon van de aanvrager.</al><al>De Wet Bibob is bedoeld als aanvulling op bestaande instrumenten, die het
                        college reeds ter beschikking heeft. Het college zal bij ieder beleidsdoel,
                        dat het wil subsidiëren, zich de vraag moeten stellen of er enig risico is
                        van het faciliteren van strafbare feiten en of die risico’s niet voldoende
                        worden ondervangen met de bestaande toetsing van aanvragen. Het is niet
                        mogelijk te bepalen dat de Wet Bibob generiek op alle subsidies wordt
                        toegepast. Het college dient zelf een afweging te maken in welke situatie
                        toepassing zinvol is. Voordat tot toepassing op een gemeentelijke
                        subsidieregeling kan worden overgegaan, dient daarvoor toestemming te zijn
                        verkregen van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties.</al><al>Het college heeft hier de bevoegdheid gekregen die goedkeuring te vragen. De
                        bepaling strekt ertoe inzichtelijk te maken voor zowel bestuur als aanvrager
                        van een subsidie in welke gevallen en voor welke (onderdelen van)
                        beleidsdoelen een toetsing aan de Wet Bibob kan plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verlening van de subsidie</titel></kop><al>Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot verlening
                        van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen
                        subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie
                        de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden
                        en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld
                        dat het college de ontvanger verplichtingen kan opleggen.</al><al>Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen bij
                        de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kan het college
                        daarvan eenvoudig afzien. In gevallen, dat het college van oordeel is dat
                        redelijkerwijs nadere verplichtingen dienen te worden gesteld, zal dit
                        veelal op de subsidieontvanger en de door hem te ondernemen activiteiten
                        toegesneden verplichtingen zijn. Een uitputtende opsomming in de verordening
                        van alle mogelijke aan een subsidiënt op te leggen verplichtingen komt de
                        overzichtelijkheid, noch de doelmatigheid van de verordening ten goede. Een
                        bij de beschikking verstrekte bijlage, waarin de verplichtingen zijn
                        opgenomen, is overzichtelijk en klantvriendelijk. In artikel 4:37 Awb staan
                        de standaardverplichtingen vermeld welke het college bij de beschikking tot
                        subsidieverlening aan de subsidieontvanger kan opleggen. Er kan maatwerk
                        worden gevonden door een differentiatie te maken tussen verplichtingen, die
                        worden gesteld aan eenmalige subsidies, en jaarlijkse (boekjaar)subsidies.
                        Voor een selectie uit de verplichtingen, die te stellen zijn bij het
                        verlenen van de jaarlijkse subsidies; zie ook titel 4.2.8 Awb. Denk hier ook
                        aan deregulering en zie artikel 12, waarin een zo licht mogelijk regime is
                        voorgesteld van tussentijdse rapportages.</al><al>Bij de in het tweede lid van artikel 10 te stellen verplichtingen kan worden
                        gedacht aan bijvoorbeeld het verzekeren van de zaken, die voor de uitvoering
                        van de gesubsidieerde activiteit noodzakelijk zijn, de arbeidsvoorwaarden
                        voor het personeel van de subsidieontvanger, reservevorming, het bestuur,
                        het aanstellen van toezichthouders, de inrichting van de administratie en de
                        benodigde toestemming van het college voor het aangaan van rechtshandelingen
                        als bedoeld in artikel 4:71 Awb.</al><al>Het is van belang voor de verantwoording, dat op een heldere manier wordt
                        aangegeven wat met de verlening van de subsidie wordt verlangd. Oftewel:
                        welke indicatoren leiden tot beantwoording van de vraag of de prestatie is
                        geleverd. Als de prestatieverlening te gedetailleerd is geformuleerd, kunnen
                        er onbedoeld problemen ontstaan bij de verantwoording, bijvoorbeeld als er
                        subsidie wordt gegeven voor een natuurlijke erfafscheiding. De
                        subsidieontvanger heeft in zijn plan aangegeven daartoe 50 bomen te willen
                        planten. De erfafscheiding is gerealiseerd; alleen zijn er twee bomen
                        overleden. Afhankelijk van de formulering van de prestatie kan er discussie
                        ontstaan of dit gevolgen heeft voor de subsidievaststelling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Betaling en bevoorschotting</titel></kop><al>Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de
                        subsidieregeling of de verleningsbeschikking opgenomen
                        bevoorschottingsritme. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve
                        gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager
                        hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse
                        overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot
                        lastenbesparingen bij zowel de subsidieontvanger als de
                        subsidieverstrekkende gemeente.</al><al>Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te
                        subsidiëren activiteit is er voor gekozen om de termijnen, waarop de
                        (automatische) bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te
                        noemen. Het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in
                        verleningsbeschikking vermeld.</al><al>De subsidieontvanger is volgens artikel 13 verplicht te melden, indien er
                        omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende
                        bedrag. De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig, door een
                        wijziging van de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de
                        hoogte van de voorschotten aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt
                        het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende
                        voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.</al><al>Met de algemene formulering van dit artikel is de mogelijkheid open gelaten
                        om, zonder dat daartoe wijziging van de verordening noodzakelijk is, recht
                        te doen aan de wijziging van de voorschotregeling, die beslag heeft gekregen
                        met de invoering van de vierde tranche Awb. Indien in de
                        verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt betaling van het
                        voorschot binnen zes weken na verzending van de verleningsbeschikking
                        plaats. Zie artikel 4:87, lid 1, Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor
                        gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies, hoger dan 50.000 euro, de
                        mogelijkheid te verbinden om jaarlijks een tussentijdse verantwoording te
                        vragen. Het college moet vooraf bepalen welke vereisten worden gesteld aan
                        de tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording, bij voorkeur
                        door middel van standaardformulieren. Het ligt voor de hand dat dit regime
                        in ieder geval lichter is dan het regime wat is opgesteld voor de
                        eindverantwoording.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer
                        vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording
                        afleggen bij subsidies tot 5.000 euro, het vragen van minder
                        tussenrapportages en automatische bevoorschotting.</al><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te
                        melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde
                        activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan
                        verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie
                        lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden
                        gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van
                        meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan
                        deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing
                        van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken,
                        omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist
                        was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele
                        subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de
                        ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag
                        ligt aan de onderhavige subsidieverordening.</al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                        vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de
                        belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de
                        verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te
                        voeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><al>In artikel 14 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de
                        subsidie opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan
                        het college. Overigens moet “schriftelijk” hier niet al te letterlijk worden
                        opgevat; een melding per e-mail kan ook voldoende zijn. Niets belet de
                        gemeente om bij twijfel direct contact op te nemen met de subsidieontvanger
                        en om nadere stukken te vragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verantwoording subsidies tot 5.000 euro</titel></kop><al>Kenmerkend voor subsidies tot 5.000 euro is dat een vast bedrag (lump sum)
                        wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard
                        verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De
                        subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling
                        (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de
                        subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de
                        bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook
                        indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a
                        worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard
                        van de subsidie (bijvoorbeeld een ‘waarderingssubsidie’) en risicoafweging
                        van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling
                        is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot
                        terugvordering.</al><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste
                        lid, onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de
                        gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt
                        vervolgens, binnen 13 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk
                        moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. De
                        ambtshalve vaststelling zal in de praktijk veelal al vóór het verstrijken
                        van de termijn gebeuren, namelijk als het vanuit oogpunt van een efficiënte
                        werkwijze wenselijk wordt geacht, dat dergelijke vaststellingsbeschikkingen
                        op een vaste datum worden genomen. Wel dient de gemeente binnen een beperkte
                        termijn, hier is gekozen voor 13 weken na afloop van de activiteit, te
                        reageren.</al><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er juridisch
                        meer mogelijkheid om op te treden, indien de gemeente bemerkt dat de
                        activiteit niet (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers niet bij
                        verstrekking reeds vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op
                        een door het college in de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de
                        activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
                        voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De
                        subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze bevoegdheid gebruik
                        maken.</al><al><vet>Tip:</vet> Neem in de subsidiebeschikking altijd een datum op wanneer
                        de activiteit wordt geacht te zijn verricht of voltooid en koppel deze aan
                        een exacte datum (dertien weken erna) voor de indiening van de vaststelling.
                        De datum van voltooiing van de activiteit is namelijk niet bij alle
                        subsidieaanvragen concreet benoemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro</titel></kop><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem
                        verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge artikel
                        10, eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot
                        verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de
                        activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij zal
                        vooraf door de subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op welke
                        manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende
                        instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een
                        managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken
                        (bijvoorbeeld een publicatie) enz.</al><al>Ook hier kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, dan
                        wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hun verleende
                        subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een
                        beperkte omvang of subsidies, die aan een vertrouwde ontvanger worden
                        verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere
                        verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit
                        laatste kan worden gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde
                        besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit, dat het
                        betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger.</al><al>Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat het voor de
                        verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan gebruikelijk
                        en uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al
                        worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen uit
                        hoofde van de wet al dienen op te stellen en die natuurlijk naar gelang van
                        de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen.</al><al>Waar het hier uiteraard om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers
                        speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij
                        gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam
                        blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de
                        subsidie werd verstrekt. Een mogelijkheid is dan ook nog, dat in de Algemene
                        subsidieverordening een bepaling wordt opgenomen, dat een subsidiedeclaratie
                        achterwege kan blijven, indien de daarmee te verlenen informatie reeds in de
                        in te zenden jaarrekening is opgenomen.</al><al>Voor kleinere subsidies (denk aan een speeltoestel) is de mogelijkheid
                        geopend in het derde lid voor het college om andere bewijsmiddelen te
                        verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van een speeltoestel
                        kunnen worden volstaan met het mailen van een foto daarvan of iets
                        dergelijks.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro</titel></kop><al>Bij subsidies van 50.000 euro of meer wordt uitgegaan van de traditionele
                        afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en
                        baten. De vaststelling van de subsidie vindt - tenzij de voorschriften voor
                        subsidies tot 50.000 euro worden toegepast - plaats op basis van uitgevoerde
                        activiteiten en gerealiseerde kosten. Bij de financiële verantwoording mag
                        de subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld stuk vragen. Het is
                        echter niet verplicht daar in alle gevallen om te vragen. Zekerheid kan ook
                        worden verkregen door steekproefsgewijze controles van de
                        uitvoeringsinstanties of door verantwoording in de jaarrekening van een
                        instelling.</al><al>Indien er wordt gekozen voor het opvragen van een accountantsverklaring, is
                        het van belang dat de gemeente en de subsidieontvanger voorafgoede afspraken
                        maken over de wijze van verantwoorden en over de aspecten, die in de
                        controle worden betrokken. Hierbij kan het raadzaam zijn om ook de
                        accountant te consulteren. In de regel worden drie niveaus van controle
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>1. een getrouwheidsverklaring bij een financiële
                                verantwoording;</al></li><li nr="·"><al>2. een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële
                                verantwoording;</al></li><li nr="·"><al>3. een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording
                                plus een Assurance-rapport bij het activiteitenverslag.</al></li></lijst><al>In de artikelen 15, 16 en 17 is een ander regime voor de verantwoording van
                        subsidies opgenomen. Hiermee is aansluiting gezocht bij de nota ‘Kaderbeheer
                        financieel beheer rijkssubsidies’ in die zin, dat de wijze van
                        verantwoording afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de subsidies.</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van de artikelen 16
                        en 17 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden
                        gevraagd. Daarmee geven wij invulling aan het uitgangspunt, dat de
                        verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                        subsidiebedrag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake
                        van de vaststelling van de subsidie.</al><al>Ingevolge het derde lid kan het college, naast deze Algemene
                        subsidieregeling, categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen
                        voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder dat hiervoor door de
                        subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Hierdoor kunnen de
                        lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden
                        bespaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Standaardberekeningswijzen van uurtarieven en uniforme
                            kostenbegrippen</titel></kop><al>Een veel gebruikte methode voor de bepaling van de omvang van het
                        subsidiebedrag is de berekening van de (gedeeltelijke) bijdrage aan de
                        werkelijke kosten van subsidiabele activiteiten. Hierbij is een belangrijke
                        basis voor de financiering/subsidie (kostengrondslag) de inzet van
                        personeel. De subsidieontvanger moet zich verantwoorden over het aantal
                        subsidiabele uren en de totstandkoming van de uurtarieven. Dit brengt hoge
                        lasten met zich mee. Vooral de verschillende uitgangspunten en definities
                        per subsidie ten aanzien van de subsidiabele kosten (bijvoorbeeld
                        overheadkosten) leggen een grote (lasten)druk op de administratieve systemen
                        van subsidieontvangers.</al><al>Bij het bepalen van de standaardberekeningswijzen voor de berekening van
                        uurtarieven kan het college aansluiten bij de berekeningswijzen, zoals die
                        in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="·"><al>a. berekening op basis van integrale kosten;</al></li><li nr="·"><al>b. berekening op basis van kosten per kostendrager, vermeerderd met
                                een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten of</al></li><li nr="·"><al>c. een forfaitair vastgesteld uurtarief.</al></li></lijst><al>Voor de toepassing van de berekeningswijze op basis van kosten per
                        kostendrager wordt het daarin van toepassing zijnde opslagpercentage voor de
                        indirecte kosten door het college voorgeschreven. Voor de toepassing van een
                        forfaitair vastgesteld uurtarief wordt het van toepassing zijnde uurtarief
                        per kostendrager door het college voorgeschreven.</al><al>Forfaitaire elementen zijn een hulpmiddel om de bepaling van de subsidiabele
                        kosten, en daarmee van het subsidiebedrag, te vereenvoudigen en te
                        uniformeren. Voorbeelden van forfaitaire elementen zijn: het aantal werkbare
                        uren op jaarbasis, het uurtarief voor kosten van eigen arbeid (niet zijnde
                        loonkosten) en het uurtarief voor categorieën van loonkosten, bijvoorbeeld
                        op basis van de Handleiding Overheidstarieven. Zo wordt voor de berekening
                        van uurtarieven uitgegaan van een forfaitair vastgestelde standaard van
                        1.600 werkbare uren op jaarbasis.</al><al>Bij het bepalen van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven kan
                        het college aansluiten bij de volgende definities, zoals die in het
                        Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="·"><al>- Subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen
                                van de subsidie in aanmerking worden genomen, respectievelijk de
                                feitelijke hoogte van die kosten.</al></li><li nr="·"><al>- Kostendrager: kostenplaats of volume-eenheid voor
                                kostenberekening, bijvoorbeeld personeels-/arbeidsuren,
                                apparaat-/machine-uren en overige kostendragers als output van
                                apparaten en machines en verbruikte materialen.</al></li><li nr="·"><al>- Afschrijvingskosten: kosten die de economische waardevermindering
                                weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende
                                de economische levensduur (periode waarna de investering economisch
                                verouderd is), de eventuele restwaarde na de economische levensduur
                                behoren niet tot de subsidiabele kosten.</al></li><li nr="·"><al>- Loonkosten: de optelsom van de bruto loonkosten, niet
                                winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het
                                loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en,
                                indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor
                                een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat
                                werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele
                                activiteiten.</al></li><li nr="·"><al>- Urenbasis: het aantal werkbare uren per fte per jaar.</al></li><li nr="·"><al>- Directe kosten: kosten van een kostendrager en kosten derden, die
                                rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit worden toegerekend.</al></li><li nr="·"><al>- Indirecte kosten of overhead: kosten die niet rechtstreeks aan een
                                subsidiabele activiteit worden toegerekend, maar via toerekening van
                                een kostendrager.</al></li><li nr="·"><al>- Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde
                                kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt,
                                bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele
                                activiteit en kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde
                                goederen en diensten.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In de hardheidsclausule is zo concreet en nauwkeurig mogelijk (dus door het
                        benoemen van de specifieke artikelen) aangegeven op welke onderdelen van de
                        regeling deze clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die
                        niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen
                        van de subsidie te passen. De toepassing van de hardheidsclausule dient
                        beperkt te blijven tot individuele gevallen. Zodra de toepassing van een
                        hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en
                        daardoor en bestendig karakter heeft gekregen, dient dit beleid in de
                        Algemene subsidieverordening of deelverordening te worden neergelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Het is van belang dat van de vigerende subsidieregelingen wordt aangegeven
                        of ze worden ingetrokken en hoe ze zich verhouden tot de Algemene
                        subsidieverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsbepalingen, Artikel 23 Inwerkingtreding, Artikel 24
                            Citeertitel</titel></kop><al>Voor de hier opgenomen overgangs- en slotbepalingen is gebruik gemaakt van
                        de daarvoor gebruikelijke formuleringen.</al><al>Voetnoten</al><al>1) Kader financieel beheer rijkssubsidies; zie Tweede Kamer, vergaderjaar
                        2008-2009, 31865 en 31031, nr.5 Terug naar de verwijzing naar voetnoot 1) in
                        de tekst</al><al>2) Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21221, nr. 3 Terug naar de
                        verwijzing naar voetnoot 2) in de tekst</al><al> 3) ABvRS 28 februari 2000, Amsterdam, JB 2000 nr. 114 Terug naar de
                        verwijzing naar voetnoot 3) in de tekst</al><al>4) CRvb 17 december 2008 Zwolle, LJN BH1081 Terug naar de verwijzing naar
                        voetnoot 4) in de tekst</al><al>5) Het verstrekken van goederen en diensten kan wel de verwerkelijking van
                        een overheidstaak betreffen en niet louter een economische transactie.
                        Alhoewel er dus bij subsidie in nature geen sprake is van subsidie in de zin
                        van de Awb, betekent dit niet automatisch dat het besluit over de
                        verstrekking ervan niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb kan
                        worden aangemerkt. Bijvoorbeeld, indien een gemeente eerst de
                        sportverenigingen rechtstreeks subsidieert en dit wijzigt in een
                        overeenkomst met de sportaccommodatie, waardoor de sportverenigingen geen
                        huur meer hoeven te betalen. Terug naar de verwijzing naar voetnoot 5) in de
                        tekst</al><al>6) De Gemeentelijke Kredietbank (ook wel Volkskredietbank of Stadsbank
                        genoemd) is een sociale bank, die veelal op initiatief van één of meerder
                        gemeenten is opgericht. De taak van deze bank is aan diegenen, die niet
                        tegen de gebruikelijke voorwaarden bij de commerciële kredietverstrekkers
                        geld kunnen lenen, een krediet te verstrekken. Terug naar de verwijzing naar
                        voetnoot 6) in de tekst</al><al>7) Memorie van Toelichting, blz. 33 zie noot 2 Terug naar de verwijzing naar
                        voetnoot 7) in de tekst</al><al>8) Zie voor een uitvoerige uiteenzetting over dit onderwerp: B.S. ten Kate
                        &amp; T.A.M. van den Ende, ‘Subsidie of opdracht? Het moeizame onderscheid
                        tussen de publiekrechtelijke subsidie en de privaatrechtelijke opdracht’,
                        Gst. 2006, 7261, blz. 583-591. Terug naar de verwijzing naar voetnoot 8) in
                        de tekst</al><al>9) Echter, artikel 7, eerste lid Wmo bepaalt dat op de persoonsgebonden
                        budgetten en de financiële tegemoetkomingen in de zin van Wmo titel 4.2 van
                        de Awb niet van toepassing is. Terug naar de verwijzing naar voetnoot 9) in
                        de tekst</al><al>10) Zie het voorbeeld in noot 3. Terug naar de verwijzing naar voetnoot 10)
                        in de tekst</al><al>11) blz.38, zie noot 2 Terug naar de verwijzing naar voetnoot 11) in de
                        tekst</al><al>12) Zie in dit kader Overzicht Overbodige Indieningsvereisten Gemeenten,
                        SIRA Consulting, Rap OIV1.0 - 4 dec. 08, www.actal.nl. Terug naar de
                        verwijzing naar voetnoot 12) in de tekst</al><al>13) Zie ook de Code Dienstverlening. Terug naar de verwijzing naar voetnoot
                        13) in de tekst</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>