<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33845_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 16 december 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertiscentra</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegevoorstel 13 november 2008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering : 9 december 2008</al><al>Agendanummer : 19</al><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 13 november 2008;</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de: <vet>VERORDENING LEERLINGENVERVOER 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>school:</al><lijst><li nr="-"><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb.
                                            1998, 495);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
                                            (Stb. 1998, 496);</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512); </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="c."><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al></li><li nr="d."><al>gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door
                                    een lichamelijke-, verstandelijke- of zintuiglijke handicap
                                    niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
                                    maken;</al></li><li nr="e."><al>woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft;</al></li><li nr="f."><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="g."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="h."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                    veerdienst of auto;</al></li><li nr="i."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="j."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                    fiets;</al></li><li nr="k."><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van
                                    de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten indien en voor zover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en
                                    eventuele wachttijd en de aankomst bij de woning;</al></li><li nr="l."><al>toegankelijke school:</al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor
                                            basisonderwijs: de basisschool van de verlangde
                                            godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                                            de openbare school of de speciale school voor
                                            basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de
                                            verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                                            dan wel de openbare school; </al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de
                                            school van de soort waarop de leerling is aangewezen van
                                            de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                                            richting dan wel de openbare school van de soort waarop
                                            de leerling is aangewezen;</al></li></lijst></li><li nr="m."><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                    (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van
                                    de ouders in het tweede kalenderjaar, voorafgaande aan het
                                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                    gevraagd;</al></li><li nr="n."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="o."><al>commissie voor begeleiding: de commissie die is ingesteld door
                                    het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de
                                    bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde
                                    instellingen, die hetzelfde regionaal expertisecentrum in stand
                                    houden;</al></li><li nr="p."><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van
                                    de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de
                                    leerling en zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de
                                    goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling
                                    en zonodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer
                                    dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.</al></li><li nr="q."><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="r."><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in
                                    artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 10h, derde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;
                                </al></li><li nr="u."><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van
                                    een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
                                    de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een
                                    basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor
                                    voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd
                                    gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het
                                    speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs; </al></li><li nr="v."><al>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 28c van de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te
                                achten vervoerskosten</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders
                                    van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                    vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in
                                    deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt
                                    zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging
                                    van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten
                                    hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze
                                    verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer.
                                    Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige
                                    volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging
                                    vervallen.</al></li><li nr="3."><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                    verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                    kinderen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt
                                    de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg
                                gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl één of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                                uit cluster 4 bezoekt geldt als dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is
                                geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn
                                woonplaats heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                                waaraan voornoemde commissie is verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de
                            tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele
                            schoolperiode wordt vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, vóór 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag vóór
                                        1 juni is ingediend; </al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt
                                        niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan
                                de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voor zover die voor de betrokken leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 2 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET-GEHANDICAPTE)
                            LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                    school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a
                                    bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die
                                    school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen
                                    dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
                                    bedoeld onder a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan vier kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel
                                    11, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten
                                    behoeve van een begeleider indien de leerling jonger dan negen
                                    jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college
                                    genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is
                                    zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te
                                    maken.</al></li><li nr="2."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht; of</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken
                                    van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten,
                                    kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer
                                    leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling
                                    zelf vervoeren dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid; </al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren dan wel laten vervoeren een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto,
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde
                                    in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en
                                    het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 3 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN
                            VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer
                                dan vier kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                per bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college,
                                al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan de voornoemde commissie is
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de commissie voor de begeleiding binnen vier schoolweken na
                                verzending van de adviesaanvraag geen advies heeft uitgebracht of
                                niet schriftelijk om verlenging van de adviestermijn met ten hoogste
                                twee weken heeft verzocht, wordt door het college het besluit
                                genomen zonder het advies van de commissie voor de begeleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel
                                    15, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten
                                    behoeve van een begeleider indien door de ouders ten behoeve van
                                    het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet
                                    op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of
                                    leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer
                                    of de fiets gebruik te maken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                                    van andere deskundigen te betrekken.</al></li><li nr="3."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                                    één begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college
                                        niet in staat is -ook niet onder begeleiding- van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken, of:</al></li><li nr="b."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
                                        of</al></li><li nr="c."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de
                                    kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het
                                    geval dat de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor
                                    de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald
                                    in artikel 15, indien het college van oordeel is dat de leerling
                                    gehandicapt is.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking
                                    het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                                    van andere deskundigen te betrekken.</al></li><li nr="3."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten
                                    zoals bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 4 BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten
                                    van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin
                                    waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en
                                    terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het
                                    tweede lid bedoelde schoolvakanties.</al></li><li nr="2."><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                    leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of
                                    meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de
                                    leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor
                                    zover de vakantie voorkomt in het schoolplan van de school die
                                    de leerling bezoekt.</al></li><li nr="3."><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing,
                                    met uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid; artikel
                                    18, eerste lid onder b; artikel 18, tweede lid, en artikel
                                    20.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 5 BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer
                                    bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een
                                    van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk
                                    bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt,
                                    betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke
                                    bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het
                                    vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde
                                    verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de
                                    inkomstenbelasting 2001 en bedragen: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="52*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen in € </al></entry><entry colname="col2"><al>eigen bijdrage in €</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0 - 29.500</al><al>29.500 - 35.500</al><al>35.500 – 41.000</al><al>41.000 - 46.500</al><al>46.500 - 53.000</al><al>53.000 – 58.500</al><al>58.500 en verder</al></entry><entry colname="col2"><al>nihil</al><al>115</al><al>475</al><al>890</al><al>1.300</al><al>1.715</al><al>Voor elke extra</al><al> € 4500: € 420 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1
                            januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer
                            van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten
                            opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig
                            afgerond op een veelvoud van € 500.</al><lijst><li nr="4."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5.</al></li><li nr="5."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                    ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 6 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN
                            VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het
                                    college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
                                    met begeleiding aan de ouders van de leerling die een
                                    basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school
                                    voor voortgezet onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten
                                    aanzien van een leerling van een speciale school voor
                                    basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet
                                    of slechts gedeeltelijk toekent, dient zij bij de beschikking
                                    het advies van de permanente commissie leerlingenzorg of de
                                    ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te
                                    betrekken.</al></li><li nr="3."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                                    één begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                    bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan
                                    wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het
                                    college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van
                                    het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van
                                    het vervoer per bromfiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt
                                        is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school
                                        voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht,
                                        of:</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 24
                                        en de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer
                                        naar school en terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en
                                        de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 24
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg of de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten,
                                    kan het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer
                                    leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling
                                    zelf vervoeren dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer met begeleiding indien aanspraak zou bestaan op
                                            bekostiging op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
                                            of</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren dan wel laten vervoeren,
                                    bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                                    voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens
                                    het bepaalde in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en
                                    het college desgewenst toestaat dan wel van oordeel is dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of
                                    bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van
                                    een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets
                                    dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 7 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente
                            commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Intrekken oude regelingen</titel></kop><al>De Verordening leerlingenvervoer gemeente Berkelland 2005 wordt
                            ingetrokken met ingang van 1 januari 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het
                                    schooljaar 2001-2002 krachtens de Wet Rea een
                                    vervoersvoorziening werd verstrekt, niet zijnde een voorziening
                                    in de vorm van een bruikleenauto of een voorziening deel
                                    uitmakend van of samenhangend met een leefvervoervoorziening,
                                    blijft, indien de ouders dat wensen, zo nodig in afwijking van
                                    artikel 3 aanspraak bestaan op een gelijkwaardige voorziening
                                    van en naar de school die de leerling in het schooljaar
                                    2001-2002 bezocht.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                    praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                    vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal
                                    voortgezet onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs,
                                    praktijkonderwijs of een opdc, blijft aanspraak bestaan op een
                                    vervoersvoorziening van en naar de school of opdc die de
                                    leerling in het schooljaar 2001-2002 bezocht, indien de afstand
                                    van de woning naar de school meer dan vier kilometer bedraagt.
                                    Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing
                                    in het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen
                                    voorafgaand aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking
                                    hebbende geschillen, blijven de regelingen zoals luidend
                                    voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2009.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                            leerlingenvervoer 2009’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>9 december 2008</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Artikelsgewijze toelichting verordening leerlingenvervoer</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In artikel 1 van de verordening is een aantal begrippen nader gedefinieerd,
                        die regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al><al/><al><cursief>Ad a School Speciale school voor basisonderwijs </cursief></al><al>De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is
                        getreden, voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het
                        onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk
                        lerende kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in
                        een wet. De scholen voor lom, mlk en iobk heten onder de WPO ‘speciale
                        scholen voor basisonderwijs’. </al><al/><al><cursief>School voor voortgezet onderwijs</cursief></al><al>Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het
                        voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen
                        voortgezet onderwijs (havo)en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
                        (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van
                        uit maken.</al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs (WEC)</cursief></al><al>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en
                        voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven,
                        slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel
                        gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het
                        ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk
                        opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische
                        instituten. De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al/><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                        gehandicapte kinderen met deze handicap;</al><al/><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen
                        met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte kinderen
                        met een van deze handicaps;</al><al/><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke
                        handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende
                        kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze
                        handicaps;</al><al/><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                        lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in
                        scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al/><al><cursief>Particuliere scholen</cursief></al><al>Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar rijksbekostigde als
                        particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school een
                        onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de particuliere school een
                        ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel zijn het individuele
                        leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school voldoende
                        lijkt op bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het voornemen dit
                        centraal te gaan bepalen.</al><al>In 2007 is daarom een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling
                        gegeven bij de Eerste en Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere
                        aanscherping van de criteria waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De
                        Raad van State heeft echter negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel en de
                        minister en de staatssecretaris zijn om opheldering gevraagd. Het is niet
                        duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.</al><al/><al><cursief>Andere onderwijsvormen</cursief></al><al>Het vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs
                        en het universitair onderwijs valt onder geen enkele omstandigheid onder het
                        leerlingenvervoer. Gehandicapte leerlingen die een dergelijke opleiding
                        volgen, kunnen zich tot het UWV wenden voor een eventuele vergoeding.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde leerling </cursief></al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet
                        adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet
                        onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de afdeling
                        bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van
                        het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school
                        voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC
                        (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een
                        uitspraak van 23 april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking </cursief></al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat
                        voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend
                        bestaan leiden (zoals scholen voor kinderen van kermisexploitanten,
                        schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten behoeve van deze
                        groepen zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen worden aangemerkt
                        als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de
                        desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere
                        basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische benadering
                        is geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen
                        maken op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het
                        vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen
                        voor basisonderwijs (Titel 2 van de verordening). </al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:</al><al>leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
                        kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende
                        bevolking);</al><al>leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C
                        Besluit trekkende bevolking).</al><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen
                            <onderstreept>niet</onderstreept> voor bekostiging van vervoer in
                        aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten
                        behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiele
                        instandhouding van die scholen.</al><al/><al><cursief>Medische behandeling en zorg</cursief></al><al>Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor
                        bekostiging van vervoer naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen
                        (zorg) krijgen, al dan niet in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier
                        in principe niet toe verplicht. </al><al>Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een school op
                        de schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om
                        een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving;
                        zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet
                        toe gerekend. Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan
                        het zijn dat ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente
                        kunnen krijgen. Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van
                        onderwijswetgeving, dus moet de instelling die het onderwijs verzorgt een
                        “school” zijn. Hierbij geldt dat gemeenten vervoeren in aansluiting op het
                        begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel
                        f, van de verordening). Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg
                        of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor het
                        leerlingenvervoer. </al><al/><al><cursief>Ad b Ouders </cursief></al><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO
                        en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO
                        verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De WEC verstaat ook
                        de verzorgers daaronder. Op dit moment ligt er een wetswijziging van de WPO
                        bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft: door deze wijziging zullen
                        ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de WPO vallen. Ook
                        pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het
                        begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening. Voor de bepaling of een
                        drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin van de Wet op de
                        inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een rechtspersoon is
                        (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet onder de
                        werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van
                        instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                        dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                        voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                        opgenomen.</al><al/><al><cursief>Ad c Leerling </cursief></al><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar
                        en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de
                        basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de
                        leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel
                        39, eerste lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun
                        kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op bekostiging van de
                        vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De
                        toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in
                        artikel 39 van de WEC. Voor leerlingen die op grond van de
                        onderwijswetgeving toegelaten zijn op een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben bereikt, of al
                        voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de
                        gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging
                        van de vervoerskosten. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een
                        leerling toegelaten is op een school voor voortgezet onderwijs, en dus
                        ‘leerling’ is van zo’n school, er aanspraak kan bestaan op bekostiging op
                        grond van titel 6 van de verordening.</al><al/><al><cursief>Illegale leerlingen</cursief></al><al>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende
                        leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld
                        moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen,
                        Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen
                        aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die
                        voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit
                        af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook
                        recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige
                        leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus
                        niet als een opsporingsambtenaar worden ingezet. </al><al/><al><cursief>Asielzoekerskinderen</cursief></al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school
                        toe gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn
                        houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit
                        betaalt het AZC uit de middelen die het via het Centraal Orgaan Opvang
                        Asielzoekers (COA) ontvangt. Leerlingen die niet in een asielzoekerscentrum
                        verblijven, vallen onder de gemeentelijke regeling leerlingenvervoer.
                        Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen voor het
                        leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke school van de soort en de richting.</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de
                        begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die
                        een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van
                        circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen
                        bezoeken. </al><al><cursief>Ad d Gehandicapte leerling </cursief></al><al>Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                        handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt
                        aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de verordening. </al><al><cursief>Ad e Woning </cursief></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling
                        structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van
                        waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke
                        gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                        officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I
                        van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk
                        in een andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen)
                        bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden
                        (dit geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die
                        vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft). </al><al><cursief>Tijdelijk verblijf </cursief></al><al>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere
                        gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de
                        vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer
                        laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande
                        gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee
                        kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij
                        deelname aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een
                        aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de
                        definitie van het begrip woning een structureel element. In een voorkomend
                        geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling
                        gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een
                        andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt
                        dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A).
                        Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                        verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen
                        school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling
                        naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal
                        uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten
                        bestaan. </al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere
                        gemeente verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen,
                        namelijk dat in de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het
                        leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit
                        verzoek op basis van de eigen verordening leerlingenvervoer. Deze
                        verordening kan uiteraard andere criteria bevatten dan de verordening
                        leerlingenvervoer van de oorspronkelijke gemeente. </al><al><cursief>Dagcentrum: twee woningen</cursief></al><al>Het uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het
                        vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt
                        bekostigd. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school
                        bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie,
                        naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de gemeente
                        derhalve niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te
                        bekostigen. Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede)
                        verblijf aangemerkt kan worden, <cursief>kan </cursief>een gemeente ervan
                        uitgaan dat het kind twee woningen in de zin van de verordening heeft, te
                        weten de ouderlijke woning en het dagcentrum en daarom toch besluiten tot
                        bekostiging. Dit is een keuze van de gemeente. Als de gemeente wel
                        bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school en van school naar het
                        dagcentrum worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede
                        woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan niet onder het
                        leerlingenvervoer. </al><al><cursief>Gescheiden ouders: twee woningen</cursief></al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de
                        verordening. Waneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het
                        kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft, kan gezegd worden
                        dat er sprake is van twee hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op
                        bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de
                        dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij
                        de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de leerling staat
                        ingeschreven doet niet terzake; doorslaggevend is de feitelijke
                        verblijfplaats van de leerling. De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag
                        elk aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt
                        bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de
                        school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de
                        afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten
                        aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school is. </al><al><cursief>Ad f Afstand </cursief></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient aanbeveling om
                        altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en de ouders
                        bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.
                        Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de
                        weg op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart
                        1989, R03.87.2599; zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met
                        verwijzing naar een minder veilige alternatieve route. Indien de afstand van
                        de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium, dan dienen de
                        ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen indien de af
                        te leggen route onveilig is, aldus de afdeling bestuursrechtspraak van de
                        Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5575; zie jur.1.6
                        ).</al><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in
                        alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer
                        (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7). </al><al><cursief>Ad g Vervoer </cursief></al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te
                        worden opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1,
                        onderdeel l). Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen
                        plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                        aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                        bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen
                        voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te
                        jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de
                        structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen
                        van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval
                        wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden. </al><al><cursief>Ad h Openbaar vervoer </cursief></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                        begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                        personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder
                        ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                        trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet
                        personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar
                        schema van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving
                        ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’. </al><al><cursief>Ad k Reistijd </cursief></al><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening verstaan, de tijdspanne die ligt
                        tussen het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de
                        tijdspanne die ligt tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het
                        huis. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het
                        leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen
                        op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten
                        van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de
                        schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag wordt wel
                        meegerekend bij de totale reistijd. </al><al><cursief>Schooltijden</cursief></al><al>Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal
                        onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf
                        in te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de
                        leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en
                        in de laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs ontvangen. Als
                        voorwaarde is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de
                        dag verdeeld moeten worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt
                        daarnaast nog dat het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste
                        880 uren per schooljaar omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste
                        1000 uren per schooljaar. Het is mogelijk om voor alle groepen naast de
                        woensdagmiddag een tweede vrije middag in te voeren, of de verplichte
                        lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook kiezen voor
                        een zesdaagse lesweek. Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer
                        wordt aangesloten op de schoolgids die een school heeft uitgegeven. Indien
                        een school dus van de nieuwe regelgeving gebruikmaakt en dat vastlegt in de
                        schoolgids dan moet de gemeente dit honoreren.</al><al><cursief>Ad l Toegankelijke school </cursief></al><al>De WPO kent het orgaan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel
                        23 WPO). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op
                        het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen.
                        Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school
                        voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling
                        van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit
                        is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                        In het kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat,
                        indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een
                        basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke
                        school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat
                        derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden
                        bekostigd. </al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                        praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO). </al><al><cursief>Ad n Opstapplaats </cursief></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
                        organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de
                        leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem
                        worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij
                        zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door
                        de gemeente aangewezen opstapplaats. </al><al><cursief>Reistijd naar opstapplaats</cursief></al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het kennelijk redelijk
                        dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het
                        vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die in dit geval
                        niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee is echter
                        nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk acht.
                            <cursief>Veiligheid en begeleiding</cursief></al><al>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van
                        belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar
                        de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande
                        halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar een beschutte
                        halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het
                        feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig
                        genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het
                        aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht
                        worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun
                        kinderen in het voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus 1992, nr.
                        R03.90.1504/83-105). </al><al><cursief>Ad o Commissie voor de begeleiding </cursief></al><al>De commissie voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie
                        van onderzoek. De indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de
                        regionale commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent
                        toewijzing van (ambulante) begeleiding liggen bij de commissie voor de
                        begeleiding, verbonden aan een school. </al><al><cursief>Ad p Vervoersvoorziening </cursief></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel
                        doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader
                        uitgewerkt. Er dient een keuze te worden gemaakt tussen één van de drie
                        weergegeven mogelijkheden: 1. een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de
                        door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en
                        zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking van een abonnement of
                        strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of 3.
                        aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. </al><al><cursief>Ad q Permanente commissie leerlingenzorg </cursief></al><al>De WPO kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de
                        pcl over de toelating van een leerling tot een speciale school voor
                        basisonderwijs dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag
                        voor leerlingenvervoer betrokken te worden, ingeval het college een
                        negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie tevens de
                        toelichting bij onderdeel j. </al><al><cursief>Ad r Samenwerkingsverband </cursief></al><al>Op basis van de WPO moeten basisscholen en speciale scholen voor
                        basisonderwijs die samenwerken, een zodanige zorgstructuur inrichten, dat
                        voor elke leerling de benodigde zorg kan worden geboden. Artikel 18 van de
                        WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden. </al><al><cursief>Ad s Regionale verwijzigingscommissie </cursief></al><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO
                        tot taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar
                        is. </al><al><cursief>Ad t Opdc </cursief></al><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening
                        bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs
                        gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor
                        voortgezet onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                        vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor
                        leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs
                        volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet
                        onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de
                        school voor voortgezet onderwijs. </al><al><cursief>Ad w Ambulante begeleiding </cursief></al><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs
                        en geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair
                        en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van
                        gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag
                        leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte
                        van die leerlingen. </al><al><cursief>Ad v Commissie voor de indicatiestelling </cursief></al><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden
                        geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand
                        van onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt
                        voor leerling-gebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt
                        geplaatst.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                            vervoerskosten</titel></kop><al>In de verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of
                        gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar
                        scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en
                        (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer
                        zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de
                        vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit
                        vervoer gebruik maken Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een
                        gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen
                        bijdrage te betalen aan het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede
                        lid, van de verordening). </al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders
                        van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                        basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de
                        afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren
                        of nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen
                        bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan
                        wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot
                        stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het
                        aangepast vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een
                        zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van aangepast vervoer te
                        organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het
                        eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit
                        hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de
                        Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde
                        lid, van de verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                        vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                        overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de
                        gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de
                        ouders.</al><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en
                        handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in
                        plaats van de ouders/verzorgers. </al><al/><al><cursief>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school</cursief></al><al>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is
                        dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college
                        bij de uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders
                        berustende keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde
                        artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt
                        tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd
                        in artikel 3. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de
                        afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem
                        toegankelijke school. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de
                        school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste
                        voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs:
                        de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                        dan wel de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs
                        wordt hier nog een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort
                        waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of
                        geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn schooltypen zoals
                        vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO
                        dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te worden
                        bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de verordening. </al><al/><al><cursief>Scholen met wachtlijsten</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de
                        leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de
                        dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een
                        wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende
                        dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze
                        verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor
                        de dichtstbijzijnde school. Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente
                        dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de bekostiging
                        beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer
                        toegankelijk is geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat moment
                        ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij
                        om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader
                        van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de
                        dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt. Van belang
                        hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging afwijst in
                        verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de
                        aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de
                        leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog
                        worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                        leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                        verder niet toegankelijk is. De leerling zal, indien hij niet toegelaten
                        wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een
                        andere school. Deze school is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging van vervoer
                        te worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde) school. </al><al/><al><cursief>Stagevervoer</cursief></al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling
                        dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel
                        aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers aan te
                        merken als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan
                        scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben
                        voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing
                        van leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het
                        leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’</cursief></al><al>Ten aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig
                        geconfronteerd met aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen
                        die zich richten op dit type kinderen. In 2001 heeft de rechter een
                        uitspraak hieromtrent gedaan over een zaak die speelde in Emmen. De gemeente
                        Emmen wees een soortelijk verzoek af, omdat er voldoende
                        onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men vond geen reden
                        de hardheidsclausule toe te passen. </al><al>Met de gemeente was de rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft
                        aangetoond dat dichter bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De
                        rechter merkte op dat zelfs als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt
                        is, dit nog niet meebrengt dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou
                        kunnen zijn naar de verder weg gelegen school. Het staat immers niet
                        objectief vast dat deze school voor de leerling wèl geschikt is en of dit
                        dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. De rechter vindt het dan
                        wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te geven welke dichterbij
                        gelegen school geschikt is. </al><al/><al><cursief>Onderwijsrichting</cursief></al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen
                        leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het
                        onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging
                        in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling
                        voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                        school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is,
                        door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in
                        de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de
                        dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer
                        met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder
                        kosten met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die
                        school instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school
                        bezoekt die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting,
                        verder van de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe
                        beperkt blijft tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de
                        dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is echter geen
                        verplichting. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te
                        verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven
                        ongeacht het aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de
                        woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente
                        goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college
                        aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school
                        wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie.
                        Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan
                        niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde
                        ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om
                        stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder
                        onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar
                        onderwijs, tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder
                        onderwijs gerekend worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen
                        voor protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd
                        (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen
                        voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB
                        15 december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). Daarnaast kunnen in het christelijk
                        onderwijs, wat betreft het leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden
                        onderscheiden: gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel,
                        christelijk-nationaal, hervormd.</al><al>In jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een
                        afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28).</al><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te
                        merken. Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan
                        dat ook zij een eigen richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor
                        Hindoeïstische scholen.</al><al/><al><cursief>Interconfessioneel onderwijs </cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
                        geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit
                        de fusie van een protestante en een katholieke school. Gezien de statuten
                        van deze scholen wordt dit type onderwijs niet als aparte richting ten
                        opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt. </al><al/><al><cursief>‘Vrije scholen’</cursief></al><al>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte
                        en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een
                        bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het
                        onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18
                        juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in Nederland bekend
                        onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de Zonneschool. </al><al/><al><cursief>Overige scholen</cursief></al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige
                        methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                        Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze
                        scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de
                        school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. </al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante
                        signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen
                        een ‘reguliere’ katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool,
                        etc. Relatief nieuw zijn de zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn
                        particuliere scholen die sinds 2000 op verschillende plaatsen in Nederland
                        gestart zijn. In het algemeen worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de
                        zin van de onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op
                        de onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er
                        is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een
                        afzonderlijke richting.</al><al/><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief></al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening dienen ouders, indien
                        een leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan
                        bepaald in de verordening, terwijl zich dichterbij andere (openbare en
                        bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij
                        overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                        richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. </al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                        bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                        onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                        totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                        onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                        onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden:
                        het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde
                        richting inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze
                        gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. </al><al>Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van het
                        onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald,
                        in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun
                        bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10
                        april 1989, R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992,
                        R03.89.0685/72-107; zie Jur. 5.7). </al><al>Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient
                        te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun
                        verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs
                        indien ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool
                        sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk wederom
                        naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (ABRS, 24 maart
                        1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op
                        twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste richting
                        sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de
                        overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te
                        respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te
                        jong achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17
                        februari 1989, R03.89.0286/S5137-58; zie Jur. 5.6). Ook het feit dat
                        kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert
                        onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet
                        met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald (ABRS, 9
                        december 1989, R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5). </al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs</cursief></al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het
                        bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van
                        de soort waarop de leerling is aangewezen. In dit kader is van belang dat de
                        Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd dat voor het antwoord op de
                        vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen slechts
                        een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de WEC) onderscheiden
                        soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en R03.89.160/62-129; zie Jur.
                        21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere onderverdeling aangebracht op
                        basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen (...) kan worden gemaakt’.
                        Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met name via
                        deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van de gewenste
                        richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen school,
                        neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school
                        feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of
                        met toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen
                        school dient te worden bekostigd.</al><al>Op grond van de Wet leerling-gebonden financiering kunnen leerlingen die
                        geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het
                        regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                        gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd aanspraak op
                        leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                        opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                        instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt
                        dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de
                        commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven.
                        Artikel 4, vijfde lid WEC bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor
                        de cvi een advies heeft afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde,
                        toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied van
                        het regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is verbonden. </al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer
                        afstand van de woning van de leerling. School B is een
                        protestants-christelijke basisschool en ligt op drie kilometer afstand van
                        de woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk verklaren
                        overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de school die
                        dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging
                        voor het vervoer van de leerling naar school A. </al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op
                        drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling
                        naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes
                        kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen
                        bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand
                        (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of
                        bekostiging plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is
                        afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.
                            <cursief>Voorbeeld 3</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven
                        kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe
                        gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de
                        bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand.
                        Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij
                        de gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee
                        jaren reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een
                        dergelijke overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten
                        naar de school op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                        school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de
                        nieuwe school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe
                        basisschool, is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde
                        afstandsgrens. </al><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de
                        woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in
                        dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde
                        school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand
                        van acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging
                        naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch
                        op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke
                        overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen -
                        indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te
                        verlenen voor het resterende schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt
                        naar de dichterbij gelegen school is afhankelijk van de door de gemeenteraad
                        bepaalde afstandsgrens. </al><al><cursief>Voorbeeld 5</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor
                        basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                        rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                        protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd
                        (respectievelijk op twee kilometer en drie kilometer). </al><al>De ouders komen voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking indien
                        zij schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting
                        van de dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de rooms-katholieke
                        speciale school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop
                        de leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij
                        gelegen toegankelijke school.</al><al><cursief>Voorbeeld 6 </cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van
                        de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool
                        gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder
                        basisonderwijs aanwezig zijn. Het college verstrekt bekostiging van de
                        vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning, indien
                        de ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen
                        de richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school
                        op zes kilometer afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke school. </al><al>V<cursief>oorbeeld 7</cursief></al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een
                        reformatorische basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een
                        reformatorische basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op
                        deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde
                        modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen
                        reformatorische school. In dit geval bekostigt het college niet de kosten
                        van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht
                        kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie
                        kilometer afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde
                        kilometergrens. </al><al><cursief>Voorbeeld 8</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor
                        basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling,
                        omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de
                        leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                        vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op
                        een afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college
                        verstrekt een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school
                        gelegen op vijf kilometer afstand. </al><al><cursief>Voorbeeld 9</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen
                        het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig
                        is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van
                        de leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor
                        basisonderwijs is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen
                        het samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de verordening). Voor alle
                        hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                        toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                        verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding
                        is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat
                        het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. </al><al>In dat kader verdient het de aanbeveling om als gemeente te bezien of het
                        passend en mogelijk is om voor de gehele schoolperiode de bekostiging toe te
                        wijzen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering optreedt in de
                        situatie van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft
                        voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een verstrekking voor de gehele
                        schoolperiode. </al><al>Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de bekostiging direct
                        door te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te
                        wijzen op het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden
                        teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook artikel 6).</al><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering
                        valt te verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een
                        termijn van één schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan
                        worden gedacht aan de noodzaak van het passend vervoer: deze kan per jaar
                        sterk veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw te worden bekeken. </al><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor
                        dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt
                        de bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen
                        als de gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan
                        opvragen. </al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de verordening
                        bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                        termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel
                        aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 van de
                        verordening laat zoals gezegd de ruimte om per geval de termijn van de
                        bekostiging te bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt
                        dat de bekostiging te allen tijde tot het einde van het aangevraagde
                        schooljaar dient te lopen, verdient het aanbeveling om de verordening in die
                        zin aan te passen. Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging
                        de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder
                        andere dienen te worden of:</al><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis,
                        dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt;</al><al>de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer,
                        rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip
                        van betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de verordening
                        geen expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de
                        lokale wensen kan hieraan invulling worden gegeven. Wel kan in dit verband
                        opgemerkt worden dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het
                        overleggen van strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste
                        indicator is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij
                        hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor
                        een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het is wenselijk om de
                        aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. In dit kader kan worden gedacht aan
                        een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier. Hierbij kan
                        gebruik worden gemaakt van gegevens van voorgaande jaren, die reeds bekend
                        zijn bij de gemeente.</al><al>De aanvrager kan dan volstaan met het controleren van vermelde gegevens, het
                        doorgeven van de noodzakelijke wijzigingen en het zetten van zijn
                        handtekening. Hierdoor blijven de administratieve lasten voor de burger
                        beperkt.</al><al>In artikel 5 van de verordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                        aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                        aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                        worden;</al><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de aanvraag
                        gedurende het schooljaar worden ingediend.</al><al><cursief>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe
                            schooljaar </cursief>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het
                        nieuwe schooljaar bekend zijn dat een leerling in het nieuwe schooljaar een
                        bepaalde school gaat bezoeken. Ook continuering van het schoolbezoek is in
                        veel gevallen ruim voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bij de ouders
                        bekend. In dergelijke gevallen bepaalt artikel 5, tweede lid, van de
                        verordening dat de ouders, die in aanmerking wensen te komen voor
                        bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande aan het nieuwe
                        schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.</al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                        aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het
                        schooljaar gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in
                        verband met de - in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de
                        commissie van onderzoek.</al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het
                        college op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het
                        nieuwe schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te
                        geven. De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en
                        voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen.</al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                        verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken.
                        In dit kader zij erop gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening
                        2004 geconfronteerd zijn met een rechtmatigheidoordeel van de accountant.
                        Deze beoordeelt of baten, lasten en balansmutaties in de jaarrekening in
                        overeenstemming met relevante wet- en regelgeving tot stand zijn gekomen.
                        Aanvragen die na 1 juni binnenkomen kunnen door de accountant als
                        onrechtmatig worden beoordeeld. </al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het
                        voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de
                        gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                        vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                        andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                        situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten
                        hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de verordening).
                        Uiterlijk een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een
                        beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als
                        blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld
                        als gevolg van het uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek,
                        is het van belang dat er toch een beschikking wordt afgegeven. In een
                        dergelijk geval ligt het voor de hand een beschikking te geven, zonder
                        bijvoorbeeld het advies van de commissie van onderzoek af te wachten. Dit is
                        dan ook geregeld in artikel 16, derde lid.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt
                        (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de verordening
                        zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een
                        genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de
                        Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te
                        worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht
                        weken geen beschikking heeft gegeven.</al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van
                        vier weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van
                        artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het
                        onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden
                        (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt
                        niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel
                        6:12, derde lid).</al><al><cursief>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                            weken </cursief>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve
                        van het nieuwe schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni
                        indienen, is het in de meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het
                        begin van het nieuwe schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de
                        aanvraag - weliswaar ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is
                        ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente
                        binnen is).</al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                        aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is
                        bepaald dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag
                        met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
                        ongebruikt is verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is
                        artikel 5, vierde lid, van de verordening van toepassing. Hierin wordt
                        bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een
                        beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn
                        gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een
                        aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop
                        van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van
                        basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van
                        het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat
                        bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        van 6 maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van
                        een verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de
                        ouders wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te
                        dienen mag van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk
                        binnen een week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een
                        aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de
                        nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode
                        vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente tot aan de
                        uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te
                        bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                        afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor
                        geldt dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria
                        en sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep
                        een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van
                        welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld
                        worden dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het
                        geval een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de
                        ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de eerste
                        schooldag van het nieuwe schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a).
                        Hieronder dient dan de werkelijke start van het schooljaar verstaan te
                        worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De bekostiging gaat uiteraard
                        pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk plaatsvindt. </al><al><cursief>Geen bekostiging met terugwerkende kracht </cursief></al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht
                        zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                        aanvraagformulier verzochte datum van ingang, <onderstreept>echter niet voor
                            de datum waarop de aanvraag wordt gedaan</onderstreept> (artikel 5,
                        zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de
                        gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele
                        rechten op bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag </cursief></al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in
                        het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te
                        schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                        opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                        aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                        verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                        medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur
                        der belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                        bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                        overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling
                        van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                        beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip
                        ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van
                        invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het
                        college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. </al><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te
                        worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in
                        de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college
                        te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren.
                        Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te
                        maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid,
                        van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een
                        voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag
                        niet in behandeling wordt genomen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                        van de Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1)
                        wordt duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet
                        louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld
                        aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken
                        wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De voorzitter overweegt het
                        volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is gebleken dat het
                        aanvraagformulier voor de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist dan
                        wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk bedoeling van verzoeker, gezien de
                        aanvragen van de voorafgaande jaren, duidelijk is. </al><al>Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in
                        behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de
                        kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                        voorafgaande jaren gebleken is.</al><al><cursief>Verdagen </cursief>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college
                        de mogelijkheid om de beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen.
                        Een beslissing van een bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een
                        beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere dat het
                        bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16
                        van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient
                        te worden (artikel 3:41 van de Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders verplicht zijn
                        wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op
                        de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                        wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder
                        andere:</al><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het
                        openbaar vervoer;</al><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                        verhuizing;</al><al>wijziging van de gezinssamenstelling;</al><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                        begeleiden van leerlingen;</al><al>wijziging van het adres van de school;</al><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet
                        speciaal onderwijs);</al><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van andere
                        wet en regelgeving. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte
                        bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van
                        de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening). Indien de
                        wijziging geen invloed op de bekostiging heeft gebeurt dit uiteraard niet.
                        Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor
                        basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in
                        principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het
                        desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging
                        in het inkomen van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het
                        college vooruitlopend op het volgende schooljaar de bekostiging aanpassen.
                        Indien het college, zonder hiervan door de ouders onverwijld op de hoogte te
                        zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van invloed kunnen zijn op de
                        bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben)
                        ontvangen.</al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke situaties een
                        kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in
                        mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook in
                        onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                        bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De
                        beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41
                        Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Aangezien in de verordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als
                        een van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan
                        niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het
                        aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien
                        de leerling in aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in
                        de verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de
                        leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen
                        te worden afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar
                        is en voor de periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar heeft
                        bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal wat extra administratieve
                        werkzaamheden in.</al><al>In de verordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die
                        geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1
                        augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de
                        wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de
                        leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het
                        kader van de verordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt
                        aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar).
                        Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden
                        afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                        leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder
                        in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO,
                        WEC of WVO school volstaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een
                        andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de
                        kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken
                        van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de
                        verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die
                        worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming
                        onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in
                        het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit
                        verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet
                        puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden
                        afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer. </al><al><cursief>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            speciale school voor basisonderwijs in het
                            samenwerkingsverband</cursief></al><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle
                        onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4
                        van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het
                        vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te
                        worden bekostigd. </al><al>Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school
                        van zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij
                        gelegen speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever
                        getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband
                        te realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het
                        toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met
                        de toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of
                        levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt
                        gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op
                        grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke
                        basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast
                        geldt als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de verordening bij
                        toepassing van onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke
                        instemming van de ouders. </al><al><cursief>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</cursief></al><al>In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak
                        opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot
                        een speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling
                        van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast
                        kunnen door het samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden
                        opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het advies van de
                        commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is
                        het college daaraan echter niet gebonden. Om de bestuurslast beperkt te
                        houden is bepaald, dat het advies van de pcl alleen moet worden betrokken,
                        als het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. </al><al><cursief>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                            vervoer per fiets</cursief></al><al>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die een
                        school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                        bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten
                        van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de
                        woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer
                        dan vier kilometer bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                        verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                        niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                        dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de
                        eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route
                        en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de
                        maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden
                        bekostiging voor ander passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om
                        ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten.
                        Hierbij geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar
                        vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets’.</al><al><cursief>Afstandscriterium</cursief></al><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling
                        kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de
                        afstand. In de verordening is deze afstand nader ingevuld door het stellen
                        van een kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de verordening vier
                        kilometer gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO is zes kilometer
                        als bovengrens vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft
                        over de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden.
                        Als er een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat
                        tussen de meting van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet
                        volstaan worden met het meten van de afstand door een autodagteller. In dit
                        geval dient een methode gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan
                        worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van een geijkte
                        teller, of een recente versie van een routeplanner of navigatiesysteem. </al><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand
                        niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s
                        morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg
                        onder de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de
                        terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de
                        afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen
                        de heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van
                        de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en
                        artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor
                        de hand liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is
                        niet mogelijk. </al><al><cursief>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel</cursief></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de
                        gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog
                        twee andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van
                        de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                        draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar
                        speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven
                        worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie
                        verder de toelichting bij artikel 23.</al><al><cursief>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen</cursief></al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening bepalen dat het
                        college bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de
                        afstand van de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de
                        leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of
                        (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst
                        de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als
                        school in de zin van de verordening leerlingenvervoer dienen te worden
                        beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name
                        de schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze
                        operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen
                        omgevormd tot nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht
                        bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding in het
                        primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel
                        15, eerste lid van de verordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt
                        dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school
                        kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al><cursief>1 Nevenvestiging in het basisonderwijs. </cursief></al><al>Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een
                        deel van de school op de plaats waar voor de vorming van de nevenvestiging
                        een zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke positie van een
                        nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke
                        normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de
                        rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de
                        hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                        afzonderlijke leerling-administratie bij te houden.</al><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt
                        het voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de
                        verordening te beschouwen.</al><al><cursief> 2 Dislocaties in het primair onderwijs.</cursief></al><al>Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens
                        als een school in de zin van de verordening worden beschouwd.</al><al><cursief> 3 Bekostiging. </cursief></al><al>Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van
                        de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan.
                        Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een
                        nevenvestiging of dislocatie bedoeld.</al><al>Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie
                        bezoekt die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                        artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de verordening, het college niet
                        gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het
                        leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging van de
                        school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de kilometergrens.</al><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                        leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                        onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die
                        verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                        respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze
                        kilometergrens is gelegen.</al><al><cursief>4 Toegankelijkheid. </cursief></al><al>De bekostigingsplicht van het college tot de dichtstbijzijnde voor de
                        leerling toegankelijke school kan van specifiek belang zijn indien de
                        leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een dislocatie.</al><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd
                        gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en
                        de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum
                        verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij gelegen locatie een dislocatie
                        is waar slechts onderwijs voor de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie
                        voor een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder
                        gelegen dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als
                        dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige
                        voorwaarden wordt voldaan bekostigt het college het vervoer daarheen.</al><al><cursief>Verbouwing van de school</cursief></al><al>Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie
                        opgevangen worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle
                        leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet de verordening
                        leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden toegepast. Voor
                        leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de
                        verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken
                        of er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer. </al><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                        worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt
                        (onder meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat.
                        Maken ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met
                        de school bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen.
                        Vaak regelen scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                            begeleider</titel></kop><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                        zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                        ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze
                        begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de
                        verordening is daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan vier kilometer moet
                        zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider
                        in aanmerking te komen;</al><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de leerling
                        jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat ervan uit dat
                        een leerling van negen jaar en ouder in principe zelfstandig van het
                        openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet zo,
                        dan kan op grond van artikel 28 van de verordening een uitzondering hierop
                        gemaakt worden.</al><al>In dit verband is artikel 7 van de verordening van belang. Indien de
                        leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele
                        schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de
                        leerling in de loop van het schooljaar negen jaar;</al><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in
                        staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.</al><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al><al>de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                        maken;</al><al>de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen
                        moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd,
                        te jong hiervoor is;</al><al>de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten
                        kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet
                        mogelijk is).</al><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden
                        door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar
                        vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal
                        gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die
                        gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college.
                        Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig
                        vervoer van de leerling niet mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                        Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten
                        plaats aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een
                        ouder) meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging
                        als ware er sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden,
                        indien bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar
                        vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar
                        vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12,
                        tweede lid, van de verordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar
                        vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking
                        komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                        leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                        leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin
                        volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder
                        enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig
                        kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere
                        kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                        leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                        basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen
                        te worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de
                        verordening vastgelegd.</al><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer
                        zelf organiseert. De bijdrage op grond van de draagkracht zullen dan door de
                        ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor het
                        aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                        regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                        leiden.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                            uur </cursief>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar
                        vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                        vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                        teruggebracht, wordt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                        vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het
                        criterium reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van
                        het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of
                        minder wordt teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf
                        organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                        overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                        conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                        openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                        vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                        teruggebracht. </al><al>Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op bekostiging op basis
                        van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak
                        van 17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat
                        bij de reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet
                        worden. Op grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10
                        december 1992 (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de
                        reistijd per taxi tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de
                        exacte reistijd per openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992
                        (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden vermeden door uit te gaan van de
                        desbetreffende dienstregelingen.</al><al>In de verordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over
                        een maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039,
                        R03.88.6089 en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op
                        zichzelf in strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk
                        is, dat bij het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op
                        basis van de kosten van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf
                        uur de vrijheid van ouders om voor hun kinderen een openbare dan wel een
                        bijzondere school van de door hen gewenste richting te kiezen, in
                        onaanvaardbare mate onder druk kan komen te staan van financiële
                        hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat
                        indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of
                        onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de verordening weergegeven
                        reistijd dient te worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de
                        gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                        heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de
                        reistijd, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval
                        zijn indien bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een
                        snelbus is ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de
                        aanvang van de school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In
                        dergelijke gevallen dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt
                        verstrekt wat betreft de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor
                        wat betreft de terugreis op basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van
                        vervoer te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van
                        aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een
                        centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar
                        vervoer om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van
                        combinatievervoer kan zijn dat de leerling eerst met de bus naar het station
                        gaat en vervolgens de trein neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen
                        (zie artikel 1, onder l) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5)
                        geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige
                        richtlijnen met betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen).</al><al>Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een opstapplaats te
                        lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is gemoeid van
                        ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus zodanig
                        zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet of
                        nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze constructie in beginsel
                        alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling. Wanneer de leerling gelet
                        op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer van huis naar de
                        opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de
                        begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de
                        onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                        kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                        vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                        afdeling.</al><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt </cursief></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt
                        of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen
                        maken voor het vervoer van woning naar school of vice versa. In principe
                        kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast
                        vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden overwegen:</al><al>is een combinatie van vervoer haalbaar;</al><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen in
                        de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze
                        vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school;</al><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af te
                        stemmen op de vervoertijden;</al><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                        betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende rol
                        spelen;</al><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
                        organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                        uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van
                        de kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het
                        door de gemeente verzorgde vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening het college de
                        mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met
                        de fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                        belangrijke rol:</al><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te gaan;</al><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te
                        leggen. Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook de
                        toelichting op artikel 12).</al><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                        Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een
                        bepaling in de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan
                        bekostiging wordt verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer
                        indien openbaar vervoer ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere
                        gronden dan het ontbreken van openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak
                        bestaan op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Een
                        zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd die met het gebruik van
                        het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het alternatief van
                        aangepast vervoer niet.</al><al><cursief>Begeleiding door ouders</cursief></al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is,
                        dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door
                        bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. In
                        noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel
                        28 van de verordening). Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
                        uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over
                        dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        van 5 februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende
                        ouders aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten
                        in de begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij
                        motiveren deze onmogelijkheid naar het oordeel van de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak niet voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het
                        aan de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is
                        hun kind te begeleiden. In dit concrete geval eist de afdeling, gezien de
                        cursus die de moeder volgt, lesroosters of andersoortige verklaringen
                        waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders
                        volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk) door
                        anderen kan worden begeleid. </al><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                        december 1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                        ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer
                        toe te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het
                        begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje
                        tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar afwijkende schooltijden,
                        zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders niet
                        mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker voorshands niet overtuigend
                        heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in
                        onderling overleg met de ouders van medeleerlingen beurtelings de kinderen
                        naar en van school brengen - niet op een andere minder bezwaarlijke wijze
                        zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin
                        ouders stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote
                        problemen stelt, onder meer omdat een aantal van hen thuis nog
                        niet-schoolgaande kinderen heeft, die eveneens aandacht en verzorging
                        behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak d.d. 25 april 1989
                        (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor appellanten
                        onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat gedurende de afwezigheid
                        van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de schoolkinderen door
                        anderen op de jongere kinderen wordt gepast. </al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding
                        door ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak
                        bestaat op aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder
                        meer de begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een
                        onaanvaardbare belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar
                        tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds
                        de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt
                        dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer
                        de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat
                        begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden.
                        Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente bekostiging
                        ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf
                        hoeft te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder
                        gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede
                        kind onder de hoede van een oppas kunnen stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat
                        er thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan
                        zijn van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders
                        wordt in dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor
                        het (laten) begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat
                        die mogelijkheid niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen
                        wat van ouders, die in aanmerking komen voor bekostiging van het
                        leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van de begeleiding van
                        hun kinderen dan van ouders die niet voor die bekostiging in aanmerking
                        komen. </al><al>Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder B op
                        zeven kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes
                        kilometer. Beide ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft.
                        Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou
                        mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband met de
                        gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van het feit dat er
                        sprake is van een verschil in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en
                        van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan
                        wel een andere oplossing zoekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van
                        het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen
                        zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel
                        (auto, bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van
                        fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van
                        het college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor
                        de gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld
                        geen sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een
                        aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen
                        reizen. Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen
                        bij de beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van
                        het vervoer per fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar
                        de ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in
                        aanmerking komen:</al><al>voor openbaar vervoer;</al><al>voor aangepast vervoer.</al><al><cursief>Ad a Openbaar vervoer </cursief></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van
                        openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het
                        college zelf, dan keert het college bekostiging uit op basis van het
                        openbaar vervoer.</al><al><cursief>Voorbeeld:</cursief></al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor
                        bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                        leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient nu na te
                        gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling
                        gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het
                        college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens
                        past het college het eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar
                        vervoer per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en
                        is mede afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de
                        zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente. Nadere informatie
                        hierover bij de plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is daarom
                        noodzakelijk.</al><al><cursief>Ad b Aangepast vervoer </cursief></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten
                        van aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling
                        zelf vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding
                        is gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling
                        binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met
                        vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening
                        leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                        wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een
                        kilometervergoeding afgeleid van de Reisregeling binnenland. De
                        kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het
                        kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de
                        afstand woning-school. Indien de gemeente echter de volledige
                        kilometervergoeding op basis van de Reisregeling binnenland hanteert, maken
                        ouders aanspraak op twee maal de afstand woning-school (de reis van de
                        leerling).</al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de
                        leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer
                        behoeven, mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van
                        de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders
                        aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien
                        zij meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college
                        toestemming hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe
                        slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                        vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje
                        vervoeren, kunnen het college bij wijze van uitzondering op grond van de
                        hardheidsclausule een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan
                        goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk.
                        Hierbij zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die
                        daarmee gepaard gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening dat het
                        college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers
                        fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets.
                        Hiervan kan sprake zijn:</al><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                        worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader van
                        de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming
                        geeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                            fiets</titel></kop><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                        basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                        bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van
                        oordeel is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere
                        deskundigen gehoord te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk
                        is, kan een andere wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht
                        worden, namelijk:</al><al>openbaar vervoer onder begeleiding;</al><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al><al>eigen vervoer;</al><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens
                        opgenomen, namelijk vier kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden
                        gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de verordening. Dit artikel
                        bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan vier
                        kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap
                        van de leerling dat vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen
                        voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten
                        aanzien van de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke
                        wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart,
                        een jaarabonnement of een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de
                        (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                        fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de
                        leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer
                        per fiets. Hierbij dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de
                        leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te
                        leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor
                        bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige
                        maanden bekostiging voor ander passend vervoer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster
                            4</titel></kop><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of
                        de ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van
                        de gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan
                        advies worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd
                        advies geven. </al><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                        adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                        subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de
                        ontvangende school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen
                        van het kind op de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat
                        het college een gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de
                        begeleiding. Voorts is in de verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook
                        andere deskundigen te raadplegen. </al><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                        winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                        college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                        bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                        bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                        leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een
                        onafhankelijke commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking
                        met andere gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen
                        worden; de commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde
                        school. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van
                        advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten
                        worden.</al><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                        geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                        schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                        kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze
                        kosten zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld
                        ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het
                        terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                        (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een
                        onafhankelijke positie innemen. </al><al><cursief>Advisering bij negatieve beschikking</cursief></al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het
                        college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het
                        advies van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het
                        voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling
                        passend is (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat
                        de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te
                        worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van
                        genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk
                        vindt.</al><al>Volgens de verordening vindt advisering plaats indien het college een
                        negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan
                        bijvoorbeeld gaan om:</al><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding,
                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15, tweede lid);</al><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                        voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken
                        van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke
                        handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is
                        (artikel 17, eerste lid, van de verordening);</al><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of
                        lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding -
                        van het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer
                        noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid, onder a, van de verordening);</al><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                        voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de
                        woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in
                        de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn
                        lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer te bereiken
                        (artikel 20 van de verordening);</al><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                        voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de
                        (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid,
                        onder c, van de verordening);</al><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de bepalingen
                        zoals die omschreven zijn in titel 3 van de verordening.</al><al>In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het
                        gestel van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies
                        hebben geen adviserende taak indien het betreft:</al><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door
                        middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder
                        (artikel 18, onder b, van de verordening);</al><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
                        verordening).</al><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                        college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                        commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb.
                        Dit houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn
                        gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het
                        bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies
                        wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de
                        adviseur is die het advies heeft uitgebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
                            begeleider</titel></kop><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening in
                        aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                        vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van
                        het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens
                        in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten
                        behoeve van een begeleider (artikel 17 van de verordening). Uit artikel 17
                        blijkt dat:</al><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet bezoeken
                        die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de
                        afstand van de woning naar de school voor speciaal onderwijs moet meer dan
                        vier kilometer bedragen;</al><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                        wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke of
                        zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                        zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                        noodzakelijk maakt;</al><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere
                        malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit gezien de
                        leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te gevaarlijke
                        punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke punten niet
                        mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende
                        bepaling voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor
                        basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast
                        bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n)
                        te overleggen.</al><al>Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het
                        advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen
                        (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het
                        advies betreft dan de vraag of de leerling, gezien zijn handicap dan wel
                        leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan
                        maken.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt.
                        In de regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een
                        ander familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis
                        of een klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te
                        worden met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                        groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                        begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de
                        verordening van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen
                        tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve
                        van een begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting
                        op artikel 12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                        regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                        gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt
                        de NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die
                        mensen die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap
                        niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het
                        legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                        streekvervoer;</al><al>alle metro- en tramlijnen.</al><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken
                        met de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling
                        onder begeleiding van de conducteur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt
                        dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                        uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                        noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel
                        18 van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al><cursief>Onderdeel a De handicap van de leerling vereist aangepast vervoer
                        </cursief></al><al>Indien de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder
                        begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het
                        college de kosten van het aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast
                        vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een belangrijk criterium
                        hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo goedkoop en
                        efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van de
                        school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het door het college
                        georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.</al><al>Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in
                        samenwerking met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen
                        uit verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college
                        georganiseerde vervoer.</al><al>Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route
                        verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij
                        een ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de
                        leerling kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt. </al><al><cursief>Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur
                        </cursief></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                        vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                        school of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd
                        met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer
                        kan worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie
                        voor de begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting
                        op artikel 13 onder ad 1.</al><al><cursief>Onderdeel c Openbaar vervoer ontbreekt </cursief></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening geeft een derde
                        mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van
                        aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het
                        aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan
                        het voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de
                        leerling daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist
                        dat bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt, kan het de
                        mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is
                        uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de leerling gebruik kan maken
                        van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het advies van de commissie
                        voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen daarover
                        vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of
                        driewieler of met behulp van een tandem naar school gaat (als er een
                        zogenaamde voorrijder aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA
                        bij het UWV een tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk
                        van een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen
                        van de ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal
                        voortgezet onderwijs).</al><al><cursief>Medische begeleiding</cursief></al><al>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische begeleiding in het
                        leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zwolle
                        (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN: BB8810). De gemeente
                        stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan (medische)
                        zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de wettelijke
                        bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis in het
                        zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds
                        die datum de Zorgverzekeringswet -de AWBZ). </al><al>In het verleden is de gemeente wel verantwoordelijk gesteld voor medische
                        begeleiding (Uitspraak Raad van State van 8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp.
                        179). In deze uitspraak was het college gehouden de (salaris)kosten van een
                        begeleider in aangepast vervoer te bekostigen, met betrekking tot een
                        leerling die constant op de ondersteuning van een deskundige op het gebied
                        van speciale medische apparatuur was aangewezen. Dit betrof echter een zeer
                        uitzonderlijk geval. </al><al><cursief>Advisering</cursief></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening dient het college
                        indien het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het
                        advies te vragen aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten
                        beoordelen of de leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of
                        verstandelijke handicap, niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van
                        het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college het advies van
                        andere deskundigen inwinnen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                        kan het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te
                        laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn hiervoor
                        nadere voorschriften gegeven.</al><al><cursief>a Openbaar vervoer </cursief></al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren
                        tegen een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college
                        noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het
                        college dient te bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de
                        goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college desgewenst toestaan
                        dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging
                        die hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging waarop de
                        ouders in principe recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                        wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan
                        bekostigt het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><cursief>Voorbeeld:</cursief></al><al>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer
                        naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn
                        euro 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het
                        college, zelf. De bekostiging is dan euro 500,- als ware er sprake van
                        bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><cursief>b Aangepast vervoer </cursief></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                        vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf
                        of laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een
                        bedrag per kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                        verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
                        binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de
                        toelichting op artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien
                        het college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf
                        te vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                        kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken
                        op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de
                        fiets of de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt
                        op basis van een fietsvergoeding dan wel op basis van een
                        bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                        (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of
                        andere deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                        bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de
                        bevordering van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding
                        per km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per
                        kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de
                        Reisregeling binnenland. </al><al><cursief>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat in principe voldaan dient te worden
                        aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening (afstandsgrens),
                        dat is gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald
                        dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op
                        grond van de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4,
                        zevende lid, van de WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op
                        ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze
                        dienen te worden vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een
                        leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van minder dan vier
                        kilometer aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van de verordening voorziet
                        in een dergelijke voorziening.</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de
                        school die dichterbij is gelegen dan vier kilometer, dan kunnen ouders toch
                        in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen
                        vallen dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld
                        sprake zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch
                        de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                        beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                        van andere deskundigen te betrekken. </al><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast
                        vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer.
                        Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval
                        van overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college
                        toestemming moet geven voor het eigen vervoer. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan
                            de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Artikel 21 van de verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten
                        van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente
                        wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem
                        passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin
                        verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten van
                        het weekeinde- en vakantievervoer.</al><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                        indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                        noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal
                        onderwijs.</al><al><cursief>Ad 1 </cursief></al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van
                        het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door
                        het college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door
                        het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een
                        pleeggezin verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat
                        het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het
                        pleeggezin verblijft, het dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin
                        naar de school en terug dient te bekostigen, indien de leerling daarvoor in
                        aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                        gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                        andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in
                        een andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig
                        een aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt
                        nogal eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de
                        week naar huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen.
                        Het gaat hier immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe
                        aanleiding is, kan in voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven
                        dient te worden aan artikel 28 van de verordening. </al><al><cursief>Ad 2</cursief></al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                        vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of
                        pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal
                        onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of
                        medische redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit
                        vervoer niet door de gemeente vergoed in het kader van het
                        leerlingenvervoer. </al><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                        pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                        geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                        leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                        ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                        wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                        redenen in een internaat of pleeggezin verblijft. </al><al>Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen.
                        Vanuit de ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks
                        vervoer. Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van een
                        geschikte school is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente
                        waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer indienen. </al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                        plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                        gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                        geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995,
                        nr. R03.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al><cursief>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief></al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt
                        geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of
                        pleeggezin. Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in
                        een internaat of een pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend
                        bestaan leiden - niet voor bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer
                        in aanmerking komen. Het betreft hier een vijftal categorieën:</al><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                        circusmedewerkers;</al><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                        circusmedewerkers.</al><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die
                        in internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                        bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                        weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordening nader is
                        geregeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven
                        in artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging
                        maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                        terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                        schoolvakanties;</al><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders en
                        terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                        vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling
                        bezoekt.</al><al> Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de
                        gemeente waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening
                        geeft aan dat de bepalingen van Titel 3 van de verordening van
                        overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van bekostiging voor
                        weekeinde- en vakantievervoer, met uitzondering van artikel 16, artikel 17
                        tweede lid, artikel 18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede lid en
                        artikel 20 van de verordening. Zie verder de toelichting bij deze artikelen.
                        Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening betekent dat:</al><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria van
                        artikel 15 wordt voldaan.</al><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                        begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve van het
                        college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                        verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd, niet in
                        staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 17,
                        eerste lid).</al><al>het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien:</al><al>de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                        handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar
                        vervoer gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder a);</al><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het
                        college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken.</al><al>(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten
                        worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18, eerste lid,
                        onder c).</al><al>Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een
                        combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een
                        combinatie trein-taxi, etc.</al><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                        bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop de
                        ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al><al> De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook
                        van toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><al>Artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier
                        kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten
                        minste twintig kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht
                        afhankelijke bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer. Deze
                        inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot
                        het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus
                        alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd.</al><al>In artikel 23 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal
                        inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde
                        draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen
                        van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd
                        vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                        peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag
                        wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in
                        het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te
                        maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 28 van de verordening. Door
                        het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere
                        peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven
                        te betalen. </al><al><cursief>Artikel 24 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
                            met begeleiding</cursief></al><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
                        primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het
                        openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor
                        leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen
                        afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die
                        verbonden is aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs,
                        advies vragen over passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting
                        artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan
                        de gemeente het advies van de schooldirecteur of andere deskundigen vragen
                        (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al><cursief>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder
                            titel 6 vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op
                            vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                            samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel 24.
                        </cursief></al><al/><al><cursief>Structurele handicap</cursief></al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een
                        structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen
                        tijdelijke handicap. Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te
                        verzorgen om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een
                        gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In
                        sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte. </al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan
                        of een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of
                        zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of
                        krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling
                        eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6.
                        De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het herstel en/of
                        de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de
                        leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn
                        van drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een
                        vervoersvergoeding op basis van de destijds geldende Wet Rea. Dit zou een
                        richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                        leerlingenvervoer</al><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente bekijkt
                        of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van titel
                        6.</al><al><cursief>Overgangsrecht </cursief></al><al>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen
                        naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs,
                        leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis van de
                        overgangsregeling (zie artikel 30) aanspraak blijven maken op die
                        voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar
                        vervoer kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het
                        openbaar vervoer in de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op
                        artikel 13 ad 2. Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet
                        zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op
                        aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij
                        zijn dan immers niet in staat om onder begeleiding met het openbaar vervoer
                        te reizen, omdat het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter wel de
                        plicht om passend vervoer teverzorgen in zo’n geval, dus aangepast vervoer.
                        Daarom is in artikel 25 opgenomen dat indien de leerling op grond van
                        artikel 24 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding, terwijl openbaar
                        vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op aangepast
                        vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 24.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 24. Over eigen vervoer is een uitgebreide
                        toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 26 wordt de
                        bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis
                        van de verordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6
                        betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding
                        (artikel 24) ofwel aangepast vervoer (artikel 25).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                            voorziet</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van
                        het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                        leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete
                        gevallen voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder
                        andere aan:</al><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar
                        vervoer);</al><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is
                        in artikel 27 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij
                        dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze
                        besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening
                        gehandeld wordt.</al><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in
                        eigen beheer</al><al>gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is dat
                        de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                        Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer
                        gelden dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven. </al><al><cursief>Artikel 28 Afwijken van bepalingen</cursief></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor
                        onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen
                        in de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders
                        voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt
                        aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid,
                        van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld
                        sprake zijn indien:</al><al>een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking
                        komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                        handicap - begeleid moet worden;</al><al>leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van
                        aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in
                        aanmerking komen;</al><al>sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een
                        daarop geënte bekostiging wil betalen;</al><al>sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel
                        onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke
                        school.</al><al> Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan
                        bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen
                        toegankelijke school (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van
                        28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992,
                        R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).</al><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van
                        de hardheidsclausule te weten:</al><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die
                        zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen
                        van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is
                        niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan
                        rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en
                        sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12
                        mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3).</al><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
                        verordening worden afgeweken.</al><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                        precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd
                        met op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling
                        betrekking hebbende argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 28 van de verordening bepaald dat het college zo
                        nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale
                        verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een
                        verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een
                        verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de
                        leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij
                        anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging
                        van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling
                        (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer definieert het
                        begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule
                        blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten
                        behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt worden door
                        beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan opgenomen
                        worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt blijft
                        tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan eventueel
                        ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>In het eerste lid wordt gesproken over een bruikleenauto of
                        leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te vragen bij en worden
                        verstrekt door het UWV en niet de gemeente.</al><al>Met een ‘gelijkwaardige voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in
                        het schooljaar 2001-2002 op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in
                        het schooljaar 2002-2003 van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of
                        openbaar vervoer met begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een
                        busje door de wetgever niet worden opgevat als gelijkwaardig aan
                        taxivervoer. Wel mogen gemeenten in gevallen waar dat praktisch mogelijk is,
                        individuele taxiritten met elkaar combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk
                        zijn als twee leerlingen elk een individuele taxivoorziening naar dezelfde
                        school ontvangen en de twee ritten, zonder dat de leerlingen daar
                        aantoonbaar nadeel van ondervinden, kunnen worden gecombineerd.</al><al>Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een
                        school die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de
                        betreffende leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet
                        gehanteerd.</al><al>In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een
                        opdc. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdel r.</al><al>De aanspraak op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen
                        indien de leerling binnen de afstandsgrens komt te wonen.</al><al>De gemeente kan leerlingen die op basis van de overgangsregeling (artikel
                        30, lid 2) een vervoersvergoeding krijgen naar een school voor
                        praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs, een drempelbedrag of
                        een draagkrachtafhankelijke bijdrage opleggen. Daarom in dit artikel een
                        verwijzing naar titel 5 ‘Eigen bijdrage en bekostiging naar financiële
                        draagkracht’.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>