<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR338389_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Maatschappelijke Ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepaste regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening Maatschappelijke Ondersteuning
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Veenendaal;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders </al>
          <al>Overwegende datde inwoners van Veenendaal passende Wmo ondersteuning
                        ontvangen;</al>
          <al>Gelet opde Wmo die per 1 januari 2015 ingaat;</al>
          <al>besluit: vast te stellen de verordening Maatschappelijke Ondersteuning
                        Veenendaal</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: </al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>
                <vet>aanbieder:</vet> natuurlijke persoon of rechtspersoon die
                                jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een
                                maatwerkvoorziening te leveren; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>aanvraag:</vet> een verzoek van een belanghebbende om een
                                besluit te nemen na het onderzoek conform artikel 2.3.2 van de wet
                                welke binnen 6 weken is afgerond dan wel nadat door het college
                                verzuimd heeft het onderzoek conform artikel 2.3.2 van de wet binnen
                                6 weken af te ronden. </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>algemeen gebruikelijke voorziening:</vet> voorziening die niet
                                speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen
                                verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder dan vergelijkbare
                                producten; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>algemene voorziening:</vet> aanbod van diensten of activiteiten
                                dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                                is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en
                                participatie, of op opvang; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>belanghebbende (artikel 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht):</vet> degene
                                wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Voor deze
                                verordening is dat de cliënt of degene die namens hem handelt. </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>beleidsregels:</vet> Een bij besluit vastgestelde
                                algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift,
                                omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de
                                uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een
                                bevoegdheid van een bestuursorgaan.</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>beschermd wonen:</vet> wonen in een accommodatie van een
                                instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op
                                het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en
                                psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch
                                ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen,
                                bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die
                                niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                samenleving; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>bijdrage:</vet> bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste
                                lid, van de wet; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>CAK:</vet> het Centraal Administratiekantoor (CAK), genoemd in
                                artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
                            </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>calamiteit:</vet> niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die
                                betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een
                                ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft
                                geleid; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>cliënt:</vet> persoon die gebruik maakt van een algemene
                                voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden
                                budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>cliëntondersteuning:</vet> ondersteuning met informatie, advies
                                en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                                zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo
                                integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                                maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg,
                                onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>college:</vet> college van burgemeester en wethouders; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>gesprek:</vet> gesprek in het kader van het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>huiselijk geweld:</vet> lichamelijk, geestelijk of seksueel
                                geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring;
                            </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>huiselijke kring:</vet> een familielid, een huisgenoot of een
                                mantelzorger; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>hulpmiddel:</vet> roerende zaak die bedoeld is om beperkingen
                                in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te
                                nemen; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>hulpvraag:</vet> behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
                                als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>maatschappelijke ondersteuning: </vet>
              </al><lijst>
                <li nr="1."><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk,
                        de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met
                        een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede
                        voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, </al></li>
                <li nr="2."><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met
                        een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen
                        zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, </al></li>
                <li nr="3."><al>bieden van beschermd wonen en opvang; </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>maatwerkvoorziening:</vet> op de behoeften, persoonskenmerken en
                        mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                        woningaanpassingen en andere maatregelen: </al><lijst>
                <li nr="1."><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf
                        in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
                        noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                        maatregelen, </al></li>
                <li nr="2."><al> ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                        noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, </al></li>
                <li nr="3."><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>mantelzorg:</vet> hulp ten behoeve van zelfredzaamheid,
                                participatie, beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend
                                uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt
                                verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>melding:</vet> melding aan het college als bedoeld in artikel
                                2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>nadere regeling:</vet> uitwerking van de door de raad aan het
                                college gedelegeerde bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen
                                verbindende voorschriften.</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>opvang:</vet> onderdak en begeleiding voor personen die de
                                thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s
                                voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in
                                staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>participatie:</vet> deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
                            </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>persoonsgebonden budget (pgb):</vet> bedrag waaruit namens het
                                college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                                woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een
                                maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft
                                betrokken;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>sociaal netwerk:</vet> personen uit de huiselijke kring of
                                andere personen met wie de cliënt een sociale relatie
                                onderhoudt;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>voorliggende voorziening:</vet> een voorziening anders dan
                                ingevolge de wet, niet op grond van een wettelijke bepaling waarmee
                                het resultaat geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>voorziening:</vet> algemene voorziening of
                                maatwerkvoorziening;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>wet:</vet> Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; </al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>wettelijk voorliggende voorziening:</vet> een voorziening op
                                grond van een wettelijke bepaling anders dan ingevolge de wet,
                                waarmee het resultaat geheel of gedeeltelijk bereikt kan
                                worden;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>woningaanpassing: </vet>bouwkundige of woontechnische ingreep
                                in of aan een woonruimte;</al></li>
            <li nr="-"><al>
                <vet>zelfredzaamheid:</vet> in staat zijn tot het uitvoeren van de
                                noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren
                                van een gestructureerd huishouden. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel>
          </kop>
          <al>Het college stelt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5
                        van de wet bij nadere regeling vast op welke wijze in samenspraak met de
                        cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                        zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.
                    </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Cliëntondersteuning</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                            kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van
                            de cliënt uitgangspunt is.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                            gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                    beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                    andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                    gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                    van het door de gemeente ingestelde onderzoek zoals verwoord in
                                    artikel 2.3.2 van de wet, een passende bijdrage aan het
                                    realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk
                                    in de eigen leefomgeving kan blijven,en</al></li>
              <li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                    samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                    problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al
                                    dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg
                                    van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar
                                    het oordeel van het college niet op eigen kracht, met
                                    gebruikelijke hulp, met mantelzorg (bijvoorbeeld bij sprake van
                                    overbelasting van de mantelzorger) of met hulp van andere
                                    personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                    van het door de gemeente ingestelde onderzoek zoals verwoord in
                                    artikel 2.3.2 van de wet, een passende bijdrage aan het voorzien
                                    in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en
                                    aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                                    wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te
                                    handhaven in de samenleving<cursief>.</cursief></al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                            zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                            maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                                    vermijdbaar was;</al></li>
              <li nr="b."><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                    redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben
                                    getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het college
                            verstrekte voorziening, wordt slechts verstrekt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>indien de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                    afgeschreven, tenzij de cliënt niet meer voldoet aan de
                                    voorwaarden voor het verkrijgen van een maatwerkvoorziening,
                                    of</al></li>
              <li nr="b."><al>indien de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                    oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                    maatschappelijke ondersteuning;</al></li>
              <li nr="c."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                    gevolg van omstandigheden die aan de cliënt zijn toe te
                                    rekenen;</al></li>
              <li nr="d."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                    veroorzaakte kosten.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst adequate voorziening.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Advisering</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen indien het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om
                        een maatwerkvoorziening. Het college betrekt de cliënt en zijn eventuele
                        gemachtigde of mantelzorger bij de adviesaanvraag en informeert hem over de
                        uitkomsten daarvan. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Inhoud beschikking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde doel
                                    daarvan is;</al></li>
              <li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li>
              <li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                    toepassing;</al></li>
              <li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor welk doel het pgb moet worden aangewend;</al></li>
              <li nr="b."><al>welke (kwaliteits)eisen gelden voor de besteding van het
                                    pgb;</al></li>
              <li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li>
              <li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li>
              <li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Regels voor pgb</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college verstrekt in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet
                            een pgb.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het college stelt bij nadere regeling vast op welke wijze de hoogte van
                            een pgb wordt vastgesteld waarbij geldt dat de hoogte van het pgb
                            toereikend moet zijn.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Het college stelt bij nadere regeling vast onder welke voorwaarden een
                            cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om
                            diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te
                            betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Voor maatwerkvoorziening dan wel pgb is een cliënt een bijdrage volgens
                            nadere regeling is verschuldigd tot maximaal de kostprijs van de
                            voorziening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college stelt bij nadere regeling vast op welke wijze de kostprijs
                            van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het college kan bij nadere regeling vaststellen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                    verschuldigd;</al></li>
              <li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                    is;</al></li>
              <li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve
                                    van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd
                                    door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                    tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                    Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan
                                    als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                                    cliënt.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt;</al></li>
              <li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li>
              <li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden
                            voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kanhet college kan een
                            beslissing herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt
                            dat:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li>
              <li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li>
              <li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li>
              <li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li>
              <li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien
                            blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, vordert het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van de ten
                            onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb
                            terug.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kunnen de voor de voorziening door de gemeente gemaakte
                            kosten worden teruggevorderd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7.</lidnr>
            <al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel>
          </kop>
          <al>Het college stelt bij nadere regeling vast waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel>
          </kop>
          <al>De tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                        problemen wordt buiten de Wmo geregeld en gekoppeld aan het minimabeleid.
                        Het college stelt hiervoor nadere regeling vast.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren diensten, in ieder geval rekening met:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li>
              <li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li>
              <li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li>
              <li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren overige voorzieningen, rekening met:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li>
              <li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van
                                    de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></li>
                  <li nr="-"><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li>
                  <li nr="-"><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li>
                  <li nr="-"><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden
                                            (bijvoorbeeld sociale wijkteams).</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15.</nr>
            <titel>Klachtregeling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college handelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de
                            wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze
                            verordening, af conform “Klachtenregeling gemeente Veenendaal”.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college stelt in een nadere regeling vast met betrekking tot welke
                            voorzieningen een regeling(en), en welke regeling(en) voor de
                            afhandeling van klachten van cliënten is vereist.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16.</nr>
            <titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17.</nr>
            <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                            krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking
                            tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                            over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van
                            ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De adviesraden worden gezien als belangenbehartiger van de belangen van
                            ingezetenen die een beroep doen op Wmo-ondersteuning.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>Het college stelt nadere regeling vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18.</nr>
            <titel>Evaluatie</titel>
          </kop>
          <al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                        geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 1 jaar na de inwerkingtreding
                        van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid
                        en de effecten van de verordening in de praktijk.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19.</nr>
            <titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De Verordening compenserende maatregelen Wmo 2013 wordt ingetrokken per
                            1 januari 2015.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een cliënt houdt recht op een eerder door de gemeente Veenendaal
                            verstrekte voorziening, totdat het college een nieuw besluit heeft
                            genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                            beëindigd.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening compenserende
                            maatregelen Wmo 2013 en waarop nog niet is beslist bij het in werking
                            treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                            verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                            compenserende maatregelen Wmo 2013, wordt beslist met inachtneming van
                            die verordening.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2014.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Veenendaal.</al>
            <al/>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 25 september 2014, </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>mevrouw drs. F.A. van Hooijdonk (griffier)</ondertekening>
        <ondertekening>de heer mr. A.W. Kolff (voorzitter)</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting op de beschreven artikelen </titel>
        </kop>
        <tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen </tussenkop>
        <al>In artikel 1 van de verordening zijn de begripsbepalingen opgenomen die voor de
                    uitvoering van deze verordening noodzakelijk zijn.</al>
        <al>In het kader van de toegang tot de voorziening zijn in deze verordening de
                    wettelijk opgenomen uitvoeringsbepalingen gedefinieerd.</al>
        <al>De verschillende soorten voorzieningen zijn nader gedefinieerd in deze
                    verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning </tussenkop>
        <al>Artikel 2 van deze verordening spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning </tussenkop>
        <al>Deze bepaling is een facultatieve uitwerking van artikel 2.2.4, eerste lid,
                    onder a, en tweede lid, van de wet en is hier opgenomen om een zorgvuldige
                    procedure te waarborgen. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op
                    grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de Memorie van Toelichting op
                    artikel 2.2.4 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval
                    een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers
                    informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en
                    hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. De bepaling
                    regelt niet welke vorm de gemeente aan deze cliëntondersteuning moet geven. </al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de
                    hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van cliëntondersteuning. </al>
        <tussenkop>Artikel 4. Criteria voor een maatwerkvoorziening </tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>In het eerste lid is opgenomen dat er bij de beoordeling van de aanvraag
                            gebruik wordt gemaakt van het verslag.</al></li>
          <li nr="-"><al>In het tweede en vierde lid zijn de voorwaarden waaronder een
                            maatwerkvoorziening wordt getroffen opgenomen.</al></li>
          <li nr="-"><al>In het derde lid zijn de afwijzingsgronden ten aanzien van het treffen
                            van een maatwerkvoorziening opgenomen.</al></li>
          <li nr="-"><al>In het vijfde en zesde lid zijn nog enkele specifieke onderdelen ten
                            aanzien van de maatwerkvoorziening beschreven.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 5. Advisering </tussenkop>
        <al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. </al>
        <al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                    afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de
                    adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. </al>
        <al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. </al>
        <tussenkop>Artikel 6. Inhoud beschikking </tussenkop>
        <al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al>
        <al>In artikel 6 van de verordening zijn in het eerste, tweede en derde lid de
                    bepalingen opgenomen ten aanzien van de beschikking die de cliënt ontvangt met
                    betrekking tot een toegekende maatwerkvoorziening al dan niet toegekend in de
                    vorm van een pgb.</al>
        <al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</al>
        <al>Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn
                    waarop een voorziening technisch is afgeschreven.</al>
        <al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                    immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie
                    artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald
                    datde bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een
                    persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld
                    en voor de gemeente geïnd door het CAK.</al>
        <tussenkop>Artikel 7. Regels voor pgb </tussenkop>
        <al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al>
        <al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al>
        <al>Het derde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend
                    moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet
                    hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden
                    zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben
                    daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van
                    het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende
                    vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten
                    kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld
                    onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                    netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en
                    hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s
                    e.d.). </al>
        <al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al>
        <al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al>
        <al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al>
        <tussenkop>Artikel 8. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. </al>
        <tussenkop>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door
                    hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen
                    bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het
                    bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier
                    verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige
                    informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er
                    zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken,
                    zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</tussenkop>
        <tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 9. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning </tussenkop>
        <al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al>
        <al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al>
        <al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al>
        <tussenkop>Artikel 10. Meldingsregeling calamiteiten en geweld </tussenkop>
        <al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al>
        <al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al>
        <tussenkop>Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering </tussenkop>
        <al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al>
        <al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al>
        <al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al>
        <al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief></al>
        <al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al>
        <tussenkop>Artikel 12. Jaarlijkse waardering mantelzorgers </tussenkop>
        <al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet: </al>
        <al>Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een
                    jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. </al>
        <al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus om mantelzorgers van cliënten
                    die een hulpvraag hebben aangemeld. Ook al is daar geen voorziening op basis van
                    deze wet uitgekomen. En natuurlijk ook om mantelzorgers van cliënten die wel een </al>
        <al>voorziening op basis van deze wet hebben gekregen. Tot slot is nog van belang te
                    vermelden dat de woonplaats van de cliënt bepalend is en dat het dus ook
                    mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Alle bij de gemeente
                    bekende mantelzorgers van cliënten uit de gemeente hebben dus recht op een
                    mantelzorgwaardering. </al>
        <al>Blijken van waardering kunnen bestaan uit een geldbedrag, een VVV-bon, een
                    jaarlijkse dag voor mantelzorgers, enz. Gemeenten zullen hier zelf beleid op
                    moeten ontwikkelen. Het Transitiebureau beoogt hiervoor een handreiking op te
                    stellen. </al>
        <al>De uitwerking voorziet in de delegatie van de verordeningsbevoegdheid naar het
                    college.</al>
        <tussenkop>Artikel 13. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                    chronische problemen </tussenkop>
        <al>Deze bepaling is facultatief en betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de
                    wet. </al>
        <al>Bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een
                    beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee
                    verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt
                    verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. In die
                    verordening worden in ieder geval de toepasselijke grenzen met betrekking tot de
                    financiële draagkracht vastgesteld. </al>
        <al>Gemeenten hebben beleidsvrijheid met betrekking tot de besteding van de middelen
                    voor het bieden van maatwerk aan cliënten met meerkosten vanwege een beperking
                    of chronische ziekte. </al>
        <al>gemeenten zullen hun beleid in het beleidsplan moeten formuleren. Gedacht kan
                    worden aan inzet van de middelen via de individuele bijzondere bijstand, in een
                    aanvullende collectieve ziektekostenverzekering met een ruimere dekking voor
                    burgers met een laag inkomen, of inzet op grond van artikel 2.1.7 van de wet.
                    Gemeenten mogen de tegemoetkoming zowel individueel of categoriaal verstrekken.
                    Tevens moeten ze aangeven voor welke inkomenscategorie de tegemoetkoming
                    beschikbaar is. Dit kunnen zowel burgers met een inkomen op minimumniveau zijn
                    als ook burgers met een hoger inkomen. Als gemeenten besluiten geen gebruik te
                    willen maken van het financiële maatwerkartikel in de Wmo moeten zij dat in het
                    beleidsplan motiveren. De verwachting is dat het beleid rondom artikel 13 in
                    2014 wordt vastgesteld.</al>
        <al>De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke
                    aanvraag is een beschikking.</al>
        <tussenkop>Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden </tussenkop>
        <al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al>
        <al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al>
        <tussenkop>Artikel 15. Klachtregeling </tussenkop>
        <al>Een bepaling over klachten is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid,
                    onder e, van de wet. </al>
        <al>In de verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld
                    afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de
                    aanbieder jegens een cliënt. </al>
        <al>In de Memorie van Toelichting (p. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten
                    kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich
                    bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een
                    gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of
                    over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Wanneer de cliënt niet tevreden
                    is over een gedraging van de aanbieder, kan dit betrekking hebben op de
                    kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de
                    deskundigheid van de medewerker, een bepaalde houding of uitlating van de
                    medewerker, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al>
        <al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten er op
                    kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de
                    klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is staat de
                    weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Gemeenten en
                    aanbieders zullen goede communicatielijnen moeten onderhouden over de ontvangst
                    en het voortouw bij de afhandeling van klachten. </al>
        <al>In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht.
                    De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                    behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                    gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid
                    werkzaam zijn. De Memorie van Toelichting (p. 58) hierover: Indien de cliënt
                    zich onheus bejegend voelt door de wijze waarop de gemeente zich heeft gedragen,
                    kan, deze op basis van de Awb een klacht indienen bij de gemeente. De gemeente
                    moet zorg dragen voor een adequate behandeling van klachten over gedragingen van
                    personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De gemeente kan
                    bijvoorbeeld een mediator inzetten voor de afhandeling van klachten. Klachten
                    kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend en in iedere fase van
                    de behandeling is het mogelijk om tot een informele oplossing te komen. Indien
                    de klager daarmee instemt, behoeft vanaf dat moment de formele weg niet meer te
                    worden gevolgd. De regering vindt het van groot belang, mede met het oog op de
                    kwetsbare positie van de doelgroep, dat juridisering en procedures zo veel
                    mogelijk worden voorkomen. </al>
        <al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek
                    in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste
                    lid worden volstaan. Indien een gemeente een klachtenverordening heeft
                    vastgesteld, ligt het voor de hand hierbij aan te sluiten. </al>
        <al>Tot slot is het van belang om uitvoering te geven aan de oproep van de wetgever
                    in de Memorie van Toelichting (p. 58): </al>
        <al>Gemeenten moeten cliënten goed informeren over de mogelijkheden om klachten in
                    te dienen. Daarbij moet het duidelijk zijn wanneer en hoe men met een klacht bij
                    de gemeente terecht kan, wanneer de klacht primair bij de aanbieder moet worden
                    ingediend en wat men kan doen als men niet tevreden is over de afhandeling van
                    de klacht. </al>
        <al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                    verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een
                    regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de
                    wet).</al>
        <tussenkop>Artikel 16. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning </tussenkop>
        <al>Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van
                    de wet. </al>
        <al>In de verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de
                    medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder. </al>
        <al>In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder.
                    Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet medezeggenschap cliënten
                    zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover
                    de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het
                    stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In de verordeningsbepaling
                    is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders met wie de gemeente een
                    contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en
                    laagdrempelige regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. </al>
        <tussenkop>Artikel 17. Betrekken van ingezetenen bij het beleid </tussenkop>
        <al>Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al>
        <al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens art. 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    Inspraakverordeningen verwijzen veelal naar de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure, zoals te vinden in afdeling 3.4 Awb. </al>
        <al>De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever. Zie de Memorie van Toelichting. </al>
        <al>op artikel 2.1.3: In het derde lid is bepaald dat in de verordening regels
                    moeten worden opgenomen over de wijze waarop periodiek met ingezetenen wordt
                    overlegd. Deze mogelijkheid tot medezeggenschap is van belang voor alle
                    ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. Daarom is niet de beperking tot personen die maatschappelijke
                    ondersteuning ontvangen of hun vertegenwoordigers gehanteerd. </al>
        <al>In het vierde lid is een delegatiebepaling toegevoegd omdat de exacte invulling
                    van de medezeggenschap aan het college kan worden overgelaten. Dit is ook nodig,
                    nu de Memorie van Toelichting dienaangaande stelt: De verordening zal in elk
                    geval moeten regelen dat betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld
                    voorstellen voor het beleid te doen en vroegtijdig in staat worden gesteld
                    gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen over ontwerpverordeningen en
                    ontwerpbeleidsplannen; ook zal moeten worden voorzien in de ondersteuning van
                    betrokkenen op zodanige wijze dat zij effectief aan het overleg kunnen deelnemen
                    en in regels over de wijze waarop agendapunten daarvoor kunnen worden aangemeld;
                    tot slot zal ook moeten worden geregeld hoe de benodigde informatie voor het
                    overleg wordt verspreid. </al>
        <tussenkop>Artikel 18. Evaluatie </tussenkop>
        <al>Deze bepaling is facultatief. Het is aan de raad om te bepalen of zij een
                    evaluatie van de werking van de verordening in de praktijk wenst. Deze evaluatie
                    is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau zal plaatsvinden, maar
                    kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. In de Memorie van Toelichting
                    (p. 92) staat het volgende over de landelijke evaluatie: Om de
                    stelselverantwoordelijkheid waar te maken, is in de decentralisatiebrief
                    aangekondigd dat het kabinet met gemeenten afspraken zal maken over een
                    intensieve monitoring van de bereikte resultaten en de gemeentelijke uitgaven
                    over het geheel van het brede sociale domein door te meten en te benchmarken. </al>
        <al>De monitor biedt inzicht in het functioneren van het stelsel en de vraag in
                    hoeverre de doelstellingen van de decentralisaties worden bereikt en biedt de
                    informatie om verantwoording af te leggen aan de Tweede Kamer over de stand van
                    zaken met betrekking tot de beleidsdoelstellingen in het sociale domein. De
                    monitor biedt ook inzicht aan gemeenten in hun eigen prestaties ten opzichte van
                    andere gemeenten om van elkaar te leren en het horizontaal verantwoordingsproces
                    te ondersteunen. De werking van het wetsvoorstel wordt ook periodiek geëvalueerd
                    door een onafhankelijke partij. </al>
        <tussenkop>Artikel 19. Intrekking oude verordening en overgangsrecht </tussenkop>
        <al>In het eerste lid wordt geregeld dat de bestaande WMO-verordening (de oude
                    verordening) wordt ingetrokken. In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen
                    voor lopende voorzieningen op basis van oude verordeningen. In het derde lid is
                    bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening
                    zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden
                    afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende
                    bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. </al>
        <al>Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ cliënten die overgaan naar
                    de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen. </al>
        <tussenkop>Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel </tussenkop>
        <al>Bij inwerkingtreding van de verordening Maatschappelijke Ondersteuning per 1
                    november 2014 geldt voor de periode november en december 2014 het volgende:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Op aanvragen die zien op toekenning van een voorziening vóór 31 december
                            2014 is de verordening van toepassing zoals deze gold voor de
                            inwerkingtreding van deze verordening;</al></li>
          <li nr="-"><al>Op aanvragen die zien op toekenning van een voorziening na 31 december
                            2014 is deze verordening van toepassing.</al></li>
        </lijst>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>