<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR337062_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Gemeente Dantumadiel 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-09-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dantumadiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kollumer Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Gemeente Dantumadiel 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderwijs, welzijn, cultuur en sport</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Dantumadiel, </al><al>gelezen het voorstel van het college van 29 mei 2012; </al><al/><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; </al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs; </al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen; </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende: <vet>Verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>Inhoudsopgave Verordening huisvesting onderwijs Gemeente Dantumadiel
                            (2012)</nr></kop><structuurtekst><al><vet>In</vet><vet>houdsopgave Verordening voorziening huisvesting
                                onderwijs Gemeente
                                </vet><vet>Dantumadiel</vet><vet>(2012)</vet></al><al/><al><vet>Tekst van de verordening</vet></al><al/><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 1</onderstreept><onderstreept>_Algemene
                                bepalingen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 1 </al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting 2 </al><al>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen 3 </al><al>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen 3 </al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking 3 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 2_</onderstreept><onderstreept>Programma en
                                overzicht</onderstreept></al><al/><al><cursief>Paragraaf 2.1</cursief><cursief> Aanvragen
                            programma</cursief></al><al>Artikel 6 Indiening aanvraag 4 </al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                            behandelen onvolledige aanvraag 4 </al><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen 5 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 2.2</cursief><cursief> Overleg voorafgaand aan
                                vaststelling programma en overzicht</cursief></al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 5 </al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 5 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 2.3</cursief><cursief> Vaststelling bedrag, programma
                                en overzicht</cursief></al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststelling 6 </al><al>Artikel 12 Inhoud programma 6 </al><al>Artikel 13 Inhoud overzicht 7 </al><al>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                            overzicht 7 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 2.4</cursief><cursief> Uitvoering
                            programma</cursief></al><al>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering 7 </al><al>Artikel 16 Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                            bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en feiten en
                            omstandigheden; overlegging offertes 8 </al><al>Artikel 17 Aanvang bekostiging 9 </al><al>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging 9 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 3_</onderstreept><onderstreept>Aanvragen met
                                spoedeisend karakter</onderstreept></al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 3.1</cursief><cursief>
                                Aanvraag</cursief></al><al>Artikel 19 Indiening aanvraag 9 </al><al>Artikel 20 Inhoud aanvraag 9 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3.2</cursief><cursief>Beoordeling aanvraag;
                                uitvoering besluit</cursief></al><al>Artikel 21 Tijdstip beslissing 10 </al><al>Artikel 22 Inhoud beslissing 10 </al><al>Artikel 23 Uitvoering beslissing 10 </al><al>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging 10 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk
                                4</onderstreept><onderstreept>_B</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>kostiging</onderstreept><onderstreept>
                                bouwvoorbereiding</onderstreept></al><al/><al>Artikel 25 Aanvraag 11 </al><al>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag 11 </al><al>Artikel 27 Beschikking op aanvraag 11 </al><al>Artikel 28 Vervallen aanspraak vergoeding 11 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 5</onderstreept><onderstreept>_Medegebruik en
                                verhuur</onderstreept></al><al/><al><cursief>Paragraaf 5.1</cursief><cursief> Medegebruik ten behoeve van
                                onderwijs of educatie</cursief></al><al>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden 12 </al><al>Artikel 30 Omschrijving leegstand 12 </al><al>Artikel 31 Nalaten verordening; volgorde van vorderen 13 </al><al>Artikel 32 Overleg en mededeling 13 </al><al>Artikel 33 Vergoeding 13 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 5.2</cursief><cursief> Medegebruik ten behoeve van
                                culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                </cursief><cursief>doeleinden</cursief></al><al>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden 14 </al><al>Artikel 35 Overleg en mededeling 14 </al><al/><al><cursief>Paragraaf 5.3</cursief><cursief> Verhuur</cursief></al><al>Artikel 36 Toestemming college 14 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 6_</onderstreept><onderstreept>Einde gebruik
                                gebouwen en terreinen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud 15</al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 7</onderstreept><onderstreept>_Gebruik en
                                vergoeding gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                (voorgezet)</onderstreept><onderstreept>speciaal
                                onderwijs</onderstreept></al><al/><al>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                            inroostering gebruik 15 </al><al/><al><onderstreept>Hoofdstuk 8_</onderstreept><onderstreept>Overgangs- en
                                slotbepalingen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet 16 </al><al>Artikel 40 Indexering 16 </al><al>Artikel 41 Citeertitel; inwerkingtreding 16 </al><al/><al><vet>Bijlage 1</vet><vet> Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                                voorzieningen</vet></al><al/><al><onderstreept>Deel
                                A_</onderstreept><onderstreept>Lesgebouwen</onderstreept></al><al/><al>1 School voor basisonderwijs 17 </al><al>1.1 Nieuwbouw 17 </al><al>1.2 Vervangende bouw 17 </al><al>1.3 Uitbreiding 17 </al><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen 17 </al><al>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisschool met een speellokaal
                            17 1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw 18 </al><al>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen 18 </al><al>1.6 Terrein 19 </al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 19 </al><al>1.8 Medegebruik 19 </al><al>1.9 Aanpassing 20 </al><al>1.10 Onderhoud 21 </al><al>1.11 Herstel van constructiefouten 21 </al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 21 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>2.1 Nieuwbouw 22 </al><al>2.2 Vervangende bouw 22 2.3 Uitbreiding 22 </al><al>2.3.1 Uitbreiding algemeen 22 </al><al>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal 23 </al><al>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw 23 </al><al>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen 23 </al><al>2.6 Terrein 23 </al><al>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 24 </al><al>2.8 Medegebruik 24 </al><al>2.9 Aanpassing 24 </al><al>2.10 Onderhoud 25 </al><al>2.11 Herstel van constructiefouten 25 </al><al>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 26 </al><al/><al>3 School voor voortgezet onderwijs 26 </al><al>3.1 Nieuwbouw 26 </al><al>3.2 Vervangende bouw 26 </al><al>3.3 Uitbreiding 27 </al><al>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw 27 </al><al>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen 27 </al><al>3.6 Terrein 27 </al><al>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair 28 </al><al>3.8 Medegebruik 28 </al><al>3.9 Herstel van constructiefouten 28 </al><al>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 28 </al><al/><al><onderstreept>Deel B_</onderstreept><onderstreept>Voorzieningen voor
                                lichamelijke oefening</onderstreept></al><al/><al> 1 School voor basisonderwijs 29 </al><al>1.1 Nieuwbouw 29 </al><al>1.2 Vervangende bouw 29 </al><al>1.3 Uitbreiding 29 </al><al>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte 30 </al><al>1.5 Terrein 30 </al><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket 30 </al><al>1.7 Eerste inrichting meubilair 30 </al><al>1.8 Medegebruik 30 </al><al>1.9 Aanpassing 30 </al><al>1.10 Onderhoud 31 </al><al>1.11 Herstel van constructiefouten 31 </al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 31 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 32 </al><al>2.1 Nieuwbouw 32 </al><al>2.2 Vervangende bouw 32 </al><al>2.3 Uitbreiding 32 </al><al>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte 32 </al><al>2.5 Terrein 33 </al><al>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket 33 </al><al>2.7 Eerste inrichting meubilair 33 </al><al>2.8 Medegebruik 33 </al><al>2.9 Aanpassing 34 </al><al>2.10 Onderhoud 34 </al><al>2.11 Herstel van constructiefouten 34 </al><al>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 34 </al><al/><al>3 School voor voortgezet onderwijs 35</al><al> 3.1 Nieuwbouw 35 </al><al>3.2 Vervangende bouw 35 </al><al>3.3 Uitbreiding 35 </al><al>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte 35 </al><al>3.5 Terrein 36 </al><al>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs 36 </al><al>3.7 Medegebruik 36 </al><al>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte 36 </al><al>3.7.2 Huur van een sportterrein 36 </al><al>3.8 Herstel van constructiefouten 36 </al><al>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden 36 </al><al/><al>I -1 Overzicht “Onderhoud PO” 37 </al><al/><al><vet>Bijlage </vet>II Criteria voor opstelling en toetsing van
                            leerlingprognoses 38 </al><al/><al><vet>Bijlage </vet>III Criteria voor oppervlakte en indeling </al><al/><al><onderstreept>Deel A</onderstreept><onderstreept>_De bepaling van de
                                capaciteit</onderstreept></al><al/><al> 1 School voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                            basisonderwijs 35 </al><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de
                            T&amp;B-dislocaties) met een permanente of tijdelijk bouwaard 35 </al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met permanente of tijdelijke bouwaard 35 </al><al>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties 35 </al><al>1.4 Terrein 35 </al><al>1.5 Inventaris 40 </al><al>1.6 Gymnastiekruimten 40 </al><al>1.6.1 Gymnastiekruimte 40 </al><al>1.6.2 Terrein 40 </al><al>1.6.3 Inventaris 40 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 41 </al><al>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard 41 </al><al>2.2 Dislocaties, gebouwen met permanente of tijdelijke bouwaard 41 </al><al>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties 41 </al><al>2.4 Terrein 41 </al><al>2.5 Inventaris 42 </al><al>2.6 Gymnastiekruimten 42 </al><al>2.6.1 Gymnastiekruimte 42 </al><al>2.6.2 Terrein 42 </al><al>2.6.3 Inventaris 42 </al><al/><al>3 School voor voortgezet onderwijs 42 </al><al>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                            tijdelijke bouwaard 42 </al><al>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties 43 </al><al>3.3 Terrein 43 </al><al>3.4 Inventaris 43</al><al>3.5 Gymnastiekruimten 43 </al><al>3.5.1 Gymnastiekruimte 43 </al><al>3.5.2 Terrein 43 </al><al>3.5.3 Inventaris 43</al><al/><al><onderstreept>Deel B</onderstreept><onderstreept>_Wijze van bepalen van
                                de ruimtebehoefte</onderstreept></al><al/><al>1 School voor basisonderwijs 44 </al><al>1.1 Lesgebouwen 44 </al><al>1.2 Gymnastiekruimten 45 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 45 </al><al>2.1 Lesgebouwen 45 </al><al>2.2 Gymnastiekruimten 46 </al><al/><al> 3 School voor voortgezet onderwijs 47 </al><al>3.1 Lesgebouwen 47 </al><al>3.2 Gymnastiekruimten 49 </al><al/><al><onderstreept>Deel C_</onderstreept><onderstreept>De bepaling van de
                                omvang van de toekenning</onderstreept></al><al/><al>1 School voor basisonderwijs 50 </al><al>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 51 </al><al>1.2 Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen 51</al><al>1.3 Gymnastiekruimten 52 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 52 </al><al>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 52 </al><al>2.2 Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen 53 </al><al>2.3 Gymnastiekruimten 53 </al><al/><al>3 School voor voortgezet onderwijs 54</al><al>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen 54 </al><al>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 55 </al><al>3.3 Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruikbestemde
                            voorzieningen 55 </al><al>3.4 Gymnastiekruimten 56 </al><al/><al><onderstreept>Deel D_</onderstreept><onderstreept>Minimumnormen bij
                                realisering van nieuwe voorzieningen</onderstreept></al><al/><al> 1 School voor basisonderwijs 56 </al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 57 </al><al>3 School voor voortgezet onderwijs 57 </al><al>4 Gymnastiekruimten 57 </al><al/><al>III -1 Overzicht “Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                            Vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs” 57 </al><al>III -2 Overzicht “Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                            Vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van het voortgezet onderwijs”
                            58</al><al/><al><vet>Bijlage IV Financiële normering </vet></al><al/><al><onderstreept>Deel A</onderstreept><onderstreept>_Vergoeding op basis
                                van normbedragen</onderstreept></al><al/><al>1. School voor basisonderwijs 59 </al><al>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) 59 </al><al>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) 60 </al><al>1.3 Tijdelijke voorziening 61 </al><al>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 62 </al><al>1.5 Aanpassing 62 </al><al>1.6 Gymnastiek 63 </al><al/><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 64 </al><al>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) 64 </al><al>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) 65 </al><al>2.3 Tijdelijke voorziening 66 </al><al>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair 67 </al><al>2.5 Gymnastiek 67 </al><al/><al>3. School voor voortgezet onderwijs 69 </al><al>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding 69 </al><al>3.2 Tijdelijke voorziening 71 </al><al>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair 72 </al><al>3.4 Gymnastiek 72 </al><al/><al> 4 Indexering 75</al><al/><al><onderstreept>Deel B</onderstreept><onderstreept>_Vergoeding op basis
                                van de feitelijke kosten</onderstreept> 76 </al><al/><al><onderstreept>Deel C_</onderstreept><onderstreept>Bepaling van de
                                medegebruiktarieven</onderstreept> 76 </al><al/><al><vet>Bijlage V</vet><vet> Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                                voorzieningen</vet></al><al/><al>1 Volgorde van hoofdprioriteiten 77</al><al/><al> 2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten 78 </al><al/><al><vet>Bijlage V</vet><vet>I Beleidsregels voor bekostiging gymnastiek
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs 80</vet></al><al/><al>Artikel 1 Omvang bekostiging en gebruik 80</al><al>Artikel 2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet 80</al><al>Artikel 3 Indexering 80</al><al>Artikel 4 Citeertitel 80</al><al/><al> Grondslag bekostiging materiële instandhouding Basisschool 81</al><al> Speciale school voor basisonderwijs 82</al><al> School voor (voortgezet) speciaal onderwijs 82</al><al> Vergoeding per klokuur 82</al><al> Medegebruik/huur van een niet eigen voorziening 83</al><al/><al><vet>Formulieren</vet><vet>
                                84</vet></al><al/><al><vet>Toelichting</vet><vet>
                            102</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>minister:</onderstreept> de minister van
                                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>bevoegd gezag:</onderstreept> bevoegd gezag van
                                    een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                                    expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                                    openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk
                                    gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied
                                    van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>school:</onderstreept> school voor basisonderwijs,
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>- school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><onderstreept>nevenvestiging:</onderstreept> deel van een school
                                    dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de
                                    expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>voorziening:</onderstreept> een van de
                                    voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van
                                    deze verordening;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>programma:</onderstreept> het programma als
                                    bedoeld in artikel 12 van deze verordening;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>overzicht: </onderstreept>het overzicht van de
                                    niet in het kader van de vaststelling van het programma
                                    ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>aanvrager:</onderstreept> het bevoegd gezag dat
                                    een aanvraag voor vergoeding van een voorziening of voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>aanvraag:</onderstreept> verzoek om vergoeding van
                                    een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>voor blijvend gebruik bestemde
                                        voorziening:</onderstreept> voorziening in de huisvesting
                                    die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage
                                    II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                                    is;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening:
                                    </onderstreept>voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                    uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                                    verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>permanent gebouw:</onderstreept> schoolgebouw dat
                                    door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor
                                    het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>noodlokaal:</onderstreept> verplaatsbare ruimte
                                    die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie
                                    en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting
                                    voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>gymnastiekruimte:</onderstreept> ruimte die
                                    geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>advies Onderwijsraad:</onderstreept> een advies
                                    van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in
                                    relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair
                                    onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel
                                    76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>verhuur:</onderstreept> het gebruik van een
                                    onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of
                                    gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                    recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>gezamenlijke akte:</onderstreept> de akte als
                                    bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>beslissing gedeputeerde staten:</onderstreept> de
                                    beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in
                                    artikel 110 , tweede lid van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 108 , tweede lid van de Wet op de expertisecentra,
                                    artikel 76u , tweede lid van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="t."><al><onderstreept>eigendomsoverdracht:</onderstreept> de
                                    eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra,
                                    artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li><li nr="u."><al><cursief><onderstreept>Integraal
                                            Huisvestingsplan:</onderstreept></cursief><cursief> een
                                        door het gemeentebestuur vastgesteld meerjarenplan m.b.t.
                                        nieuwbouw, uitbreiding, 1e inrichting, onderhoud,
                                        aanpassing, renovatie e.d. van
                                    onderwijsgebouwen.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><al/><lijst><li nr="1°"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2°"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest; </al></li><li nr="3°"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;
                                        </al></li><li nr="4°"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5°"><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1° tot en met 4° omschreven voorziening;
                                        </al></li><li nr="6°"><al>inrichting met onderwijsleerpakket of voor wat het
                                            voortgezet onderwijs betreft met leer- en hulpmiddelen
                                            voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van
                                            rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="7°"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="8°"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte en een bad voor
                                            watergewenning of bewegingstherapie; </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I ;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket voor wat het voortgezet onderwijs betreft;
                                    leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening].</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1° en
                            a2°, voorzover betrekking hebbend op een uitbreiding van minimaal
                            55m<sup>2</sup>, kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2a, onder lid 1, 2, 5, 6, 7 Deel B van bijlage IV
                                is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2a lid
                                3, 4, 8 en 2 lid b t/m f.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het
                                        eerste lid, neemt het college slechts in zeer bijzondere
                                        omstandigheden in behandeling, behoudens omstandigheden
                                        zoals genoemd in lid 3</cursief><cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De indieningtermijn van 1 februari kan door het college met
                                    maximaal 4 weken worden opgeschoven indien de aanvrager voor 15
                                    januari een schriftelijk verzoek voor latere indiening heeft
                                    ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2, onder d, e, f en in geval het om
                                            onderhoud gaat.</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°
                                            tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°"><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                  vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2°"><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                  basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                  speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3°"><al>herstel van een constructiefout.</al><al> Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het
                                                  door het college vastgestelde formulier
                                                  ‘Bouwkundige opname’.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het
                                    ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid.
                                    De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende
                                    gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens
                                        <cursief>niet binnen 4 weken </cursief><cursief>na de
                                        formele indieningtermijn </cursief>worden verstrekt, kan het
                                    college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het afschrift
                                        <cursief>niet binnen vier weken</cursief> na de wettelijke
                                    teldatum is verstrekt, besluit het college de aanvraag niet in
                                    behandeling te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Het overleg als bedoeld in het 1e lid vindt plaats voor
                                        15 oktober</cursief>. De bevoegde gezagsorganen worden ten
                                    minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                    schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg
                                    en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        <cursief>twee weken</cursief> plaats na toezending van het
                                    advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het
                                    college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan
                                    het verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11Tijdstip vaststelling </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing
                                    op het programma. Daarbij past het college de regels toe met
                                    betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                    voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                    urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                    voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                                    deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al><cursief>Als het college over het programma in het op
                                        overeenstemming gericht overleg</cursief><cursief>
                                        consensus heeft bereikt, dan wordt geacht dat het programma
                                        voldoet aan de in</cursief><cursief> deze
                                        verordening gestelde eisen.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen <cursief>twee weken</cursief> na de datum van
                                    vaststelling door toezending door het college van de besluiten
                                    aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                    college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treedt binnen zes weken na vaststelling van het
                                    programma, tenzij anders wordt overeengekomen, in overleg met de
                                    aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma
                                    geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie
                                    verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening.
                                    Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt
                                    over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li><li nr="f."><al><cursief>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met
                                                als uitgangspunt dat op opdrachten onder het
                                                Europese drempelbedrag de richtlijnen zoals
                                                vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen
                                                van toepassing zijn.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het <cursief>derde lid</cursief>
                                    is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de
                                    bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is
                                    daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen <cursief>zes weken , tenzij anders wordt
                                        overeengekomen</cursief>, na ontvangst van de stukken
                                    beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan
                                    de aanvrager, deze termijn verlengen met <cursief>zes
                                        weken</cursief>. Indien niet binnen deze termijn is
                                    besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                    bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het
                                    door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de
                                    beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                    tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee
                                    weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                        <cursief>binnen 6 weken </cursief><cursief>na</cursief>
                                    ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief
                                    beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening
                                    en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                    nemen. De aanvrager wordt <cursief>binnen 6 weken</cursief> na
                                    de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label> Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager <cursief>vóór 1 oktober</cursief> van het
                                    jaar volgend op de vaststelling van het programma een
                                    bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst heeft gesloten</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Indien het college op 1 oktober niet beschikt over de
                                        stukken zoals in het vorige lid bedoeld, dan wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld de stukken aan te
                                        vullen.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al><cursief>Indien de noodzakelijke stukken niet binnen 4 weken na
                                        dagtekening brief worden aangeleverd, dan vervalt de
                                        aanspraak op bekostiging</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor <cursief>1
                                        september</cursief> een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                    verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij
                                    het college heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist <cursief>binnen 4 weken.</cursief> op het
                                    verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                    ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de
                                    termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in <cursief>artikel 2 onder a, onderdelen
                                                </cursief>6°<cursief> tot en met
                                                8</cursief>°<cursief> en artikel 2 onder d, e en
                                                f</cursief>;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit <cursief>binnen
                                        vier weken</cursief> indiening van de aanvraag schriftelijk
                                    medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen <cursief>vier
                                        weken</cursief> na ontvangst van de mededeling in te dienen
                                    bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                    gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn
                                    heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                    behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17
                                    is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overleg wordt vastgesteld voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan het college moet zijn gezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen afspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor <cursief>de in artikel 23,
                                        2</cursief><cursief><sup>e</sup></cursief><cursief>
                                        lid</cursief> bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is
                                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is
                                    gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college,
                                    vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud
                                    van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk <cursief>vier weken</cursief> voor het
                                    verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                                    heeft ingediend bij het college tot verlenging van de
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.<cursief>De procedure ex. artikel 7
                                    en 8 is van toepassing.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, lid 1 t/m 4</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                            meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis
                                            van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                            in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                            vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat
                                            er ten minste een aantal vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage
                                            III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de
                                            daar gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al><al/><al><cursief>Peuterspeelzaalwerk (of een </cursief><cursief>andere
                                        sociaal culturele </cursief><cursief>werkvorm).
                                        </cursief><cursief>Het college gaat niet over tot vordering
                                        ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag, met
                                        goedkeuring van het college, de leegstand van het gebouw
                                        waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in
                                        gebruik heeft gegeven aan een peuterspeelzaal danwel een
                                        andere sociaal culturele werkvorm. </cursief></al><al><cursief> De in gebruik gegeven m² worden niet tot de capaciteit
                                        van de school</cursief><cursief> gerekend.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot
                                overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op het
                                bedragvoor elke groep bij meer dan zes groepen door het ministerie
                                van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke
                                programma,s van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het
                                ministerie van OCW, overeenkomstig. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaats vindt,
                                een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs en het college
                                overleggen jaarlijks tijdig voor het nieuwe schooljaar over het
                                onderwijsgebruik van gymnastiekruimten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door
                                        de gemeente in aanmerking komt. Het college kan bepalen dat
                                        deze klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                        de school.</al><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                        onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                        zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening
                                        is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college na vaststelling
                                toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs en. De
                                bevoegde gezagsorganen worden daarbij in de gelegenheid gesteld te
                                reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer naar voren gebrachte reacties, dan
                                wordt dit gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende
                                bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college
                                over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de
                                onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende
                                schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in
                                de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in
                                de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs gemeente Dantumadiel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2012</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 juni
                            2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al></li></lijst><al/><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><al/><al/><tussenkop><vet>1 School voor
                    basisonderwijs</vet></tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden
                    niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts
                    in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                    bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al/><tussenkop><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren. </al><al/></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al><al/></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>1.3.1 Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende extra huisvesting
                            voor de school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor
                        basisonderwijs met een speellokaal</vet></tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand
                    gebouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.5 Verplaatsing bestaande
                    noodlokalen</vet></tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                    dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                            terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.6 Terrein</vet></tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                    uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming
                    te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen
                    gesteld in bijlage III, deel D.</al><al/><tussenkop><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</vet></tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en
                    meubilair blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor <vet>1
                        augustus 1985</vet> nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van een extra
                    onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school
                    na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak
                    voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal
                    blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt
                    met een speellokaal.</al><al/><tussenkop><vet>1.8 Medegebruik</vet></tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste
                    zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><tussenkop><vet>1.9 Aanpassing</vet></tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li><li nr="g."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad a</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs,
                    terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                    te verwezenlijken zijn.</al><al/><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw
                    te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen
                    of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak voor een integratieverbouwing in een
                    gebouw van een speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12
                    kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw
                    niet geschikt is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al/><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale
                    school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte
                    groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een
                    speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de
                    noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger
                    dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal
                    meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond
                    van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening
                    is.</al><al/><al><vet>Ad d</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen
                    van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al/><al><vet>Ad e</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Ad f</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van
                    een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven. </al><al/><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><vet>Ad g</vet></al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.10 Onderhoud</vet></tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al><al/></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al/><al> Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                            en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van <vet>1.500</vet> meter
                            hemelsbreed.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>1.11 Herstel van constructiefouten
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een
                    bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van)
                    een constructiefout.</al><al/><tussenkop><vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door
                    de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd. </al><al/><tussenkop><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    </vet></tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening
                    genoemd onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen.
                    Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met
                    het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><tussenkop><vet>2.1 Nieuwbouw </vet></tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.2 Vervangende bouw </vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al><al/></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al><al/></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.
                    </al><al/><tussenkop><vet>2.3 Uitbreiding </vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet> 2.3.1 Uitbreiding algemeen
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende extra huisvesting
                            voor de school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en,</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of;</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                            terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.6 Terrein</vet></tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al/><tussenkop><vet>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</vet></tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor <vet>1
                        januari 1988</vet> nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. </al><al/><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van een extra
                    onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school
                    na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak
                    voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal
                    blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt
                    met een speellokaal.</al><al/><tussenkop><vet>2.8 Medegebruik</vet></tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste
                    minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld
                    op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld
                    op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                    genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><tussenkop><vet>2.9 Aanpassing</vet></tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad a </vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al/><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al/><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                    leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                    beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al/><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer
                    dan 60 leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose
                    als vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren
                    aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al/><al><vet>Ad d </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    de keuze voor een ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is
                    goedgekeurd.</al><al/><al><vet>Ad e </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                    overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al/><al><vet>Ad f </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Ad g </vet>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de
                    aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de
                    handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het
                    aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                    organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de
                    begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk gegeven. </al><al/><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><tussenkop><vet>2.10 Onderhoud</vet></tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al><al/></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                            school nodig zijn; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik elders.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>2.11 Herstel van constructiefouten</vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een
                    bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van)
                    een constructiefout.</al><al/><tussenkop><vet>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van</vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door
                    de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al/><tussenkop><vet>3 School voor voortgezet onderwijs
                    </vet></tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college. </al><al/><tussenkop><vet>3.1 Nieuwbouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>3.2 Vervangende bouw </vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren. </al><al/></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al><al/></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al/><tussenkop><vet>3.3 Uitbreiding </vet></tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of a2. het feit dat het huidige gebouw
                            voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al/><tussenkop><vet>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen
                    </vet></tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                    dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                                <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen <vet>1.500</vet> meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al/><tussenkop><vet>3.6 Terrein </vet></tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een
                    terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                    uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming
                    te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen
                    gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><tussenkop><vet>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair </vet></tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak op een
                    tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en meubilair indien door
                    middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort wordt gecreëerd. Bij
                    fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen. </al><al/><tussenkop><vet>3.8 Medegebruik </vet></tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a. </al><al/><tussenkop><vet>3.9 Herstel van constructiefouten </vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een
                    bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van)
                    een constructiefout. </al><al/><tussenkop><vet>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><tussenkop><vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening
                    </vet></tussenkop><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.5 Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.8 Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al/><al><vet>1.9 Aanpassing </vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad 1 </vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                    wasgelegenheden zijn. </al><al/><al><vet>Ad 2 </vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                    kleedruimten zijn. </al><al/><al><vet>Ad 3 </vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                    het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd
                    onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen
                    voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al/><al><vet>Ad 4 </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                    overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl
                    onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
                    </al><al/><al><vet>Ad 5 </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien
                    zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>1.10 Onderhoud </vet>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is. </al><al/><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten </vet>De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. </al><al/><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in
                            2.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.5 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de
                    nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>2.7 Eerste inrichting meubilair </vet>De noodzaak van eerste
                    inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.8 Medegebruik </vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit
                    dat het door het college getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en
                    waarvoor binnen de huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.
                    </al><al/><al><vet>2.9 Aanpassing </vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/></li></lijst><al><vet>Ad 1 </vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. </al><al/><al><vet>Ad 2 </vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><al/><al><vet>Ad 3 </vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al/><al><vet>Ad 4 </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                    overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl
                    onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
                    </al><al/><al><vet>Ad 5 </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien
                    zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>2.10 Onderhoud </vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is. </al><al/><al><vet>2.11 Herstel constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door
                    de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet> 3.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <vet>1.500</vet> meter
                            hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <vet>1.500</vet> meter
                            hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet> 3.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <vet>1.500</vet> meter
                            hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <vet>1.500</vet> meter
                            hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en het feit dat
                            de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.5 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de
                    nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs </vet>De noodzaak van
                    eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.7 Medegebruik </vet></al><al/><al><vet>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het
                    feit dat klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in
                    gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al/><al><vet>3.7.2 Huur van een sportterrein </vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al><al/></li></lijst><al><vet>3.8 Herstel constructiefouten </vet>De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. </al><al/><al><vet>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet> I Overzicht 'Onderhoud PO' </vet></al><al/><al><vet> Activiteiten die behoren tot het onderhoud: </vet></al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding. </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit). </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al/></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel></kop><al> De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld
                    in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al/><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose. </al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al/></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan <onderstreept>twee jaar</onderstreept> oud. </al><al/><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al/><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al><al/><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid van de van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Gemeente
                    Dantumadiel.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><al/><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor
                    basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een
                    gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                    'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al/><al><cursief>Basisschool </cursief>De capaciteit van een gebouw voor een
                    basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De
                    capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                    tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al> Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><al/><al> Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht<cursief>.</cursief></al><al/><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard </vet>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor
                    basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs geldt het gestelde onder
                    1.1.</al><al/><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet>De vaststelling van
                    de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                    gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                    leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al><al/><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. </al><al/><al>Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen
                    moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het
                    meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de
                    regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit. </al><al/><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist.</al><al/><al><vet>1.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                    kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>1.5</vet><vet> Inventaris </vet>Voor de inventaris is het
                    uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor (speciaal) basisonderwijs
                    in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De
                    bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de
                    omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte </vet>De capaciteit van een
                    gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet> 1.6.2 Terrein </vet>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                    vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><vet>1.6.3 Inventaris </vet>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                    geacht voldoende te zijn.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. </al><al/><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of
                    recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </vet>De
                    bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'. </al><al/><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><al/><al><vet> 2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                        tijdelijke bouwaard. </vet>Voor het bepalen van de capaciteit van
                    dislocaties voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde
                    onder 2.1.</al><al/><al><vet>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet>De vaststelling van
                    de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                    gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                    leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al><al/><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld. </al><al/><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al/><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist.</al><al/><al><vet>2.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                    kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>2.5</vet><vet> Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle
                    scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                    voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de
                    school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                    inventaris.</al><al/><al><vet>2.5 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>2.5.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet>2.5.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                    Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al><vet>2.5.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                    zijn.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet
                    onderwijs wordt vastgelegd in gegevens over: </al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al><al/></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                        een tijdelijke bouwaard </vet>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te
                    duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het
                    gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de
                    schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.</al><al/><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van
                    welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                    daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                    rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                    hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde
                    tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals vastgelegd in de
                    Basisregistratie Huisvesting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. </al><al/><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. De vaststelling van de
                    rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na overleg tussen het
                    bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><al/><al><vet>3.3 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                    kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>3.4 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle
                    instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De
                    bruto-vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>3.5 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>3.5.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs
                    bedraagt 40 uur.</al><al><vet>3.5.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                    Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al><vet>3.5.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                    zijn. </al><al/><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Lesgebouwen</vet></al><al/><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al/><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al/><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al/><al>B= basisruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al/><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al/><al>T=toeslag in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters, en</al><al>G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al/><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="*"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="*"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="*"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al/></li></lijst><al>Speciale school voor basisonderwijs </al><al/><al> Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al/><al> R= 250+7,35*L, waarbij</al><al/><al>R= ruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m<sup>2</sup> .</al><al/><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het
                    aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregelvoor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs . </al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al><al/><al> Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><al/><al> Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor
                    basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                    maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over
                    een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan
                    van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend
                    voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs
                    is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                    achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar
                    beneden afgerond.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs is de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal),
                    het type vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. </al><al/><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al/><al> R=V+f*L, waarbij</al><al/><al>R= ruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al><al>V= vaste voet in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte. </al><lijst><li nr="-"><al>Voor hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten 370 m<sup>2</sup>
                            behalve voor VSO-ZMLK, voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250
                            m<sup>2</sup><sup>.</sup></al></li><li nr="-"><al>Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing.</al></li></lijst><al>f= factor (m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens
                    onderstaande tabel, en</al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>De tabel geeft een overzicht van f (m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte per
                    leerling), per onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>SO</al></entry><entry colname="col3"><al>VSO</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Slechthorende kinderen (SH) </al><al>-Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES) </al><al>-Visueel gehandicapten (VISG) </al><al>-Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>-Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>-Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI) </al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Dove kinderen (DO) </al><al>-Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al><al>-Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N = 3 geldt 57,5.</al><al/><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing. </al><al/><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd. </al><al/><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m<sup>2</sup></al><al/><al><vet>2.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs :</al><al/><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                    uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek . </al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. </al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet>3.1 Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al><al/></li></lijst><al>ad 1 Een leerlinggebonden component Deze wordt bepaald door aan de hand van in
                    tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen
                    met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de
                    soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al/><al>ad 2 Een vaste voet De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b
                    Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of
                    sector. </al><al/><al>De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                    onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het
                    aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en
                    verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste
                    voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale
                    ruimtebehoefte van de instelling. </al><al/><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. </al><al/><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al/><al><vet>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                        voortgezet onderwijs </vet></al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO= leerwegondersteunend onderwijs GLW =
                    gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al><vet>Tabel 7.1.b</vet><vet> Berekening van de vaste voet per instelling ten
                        behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="63*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al/><al><vet>3.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al/><al><vet>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                        voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen. </al><al><vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening: </al><lijst><li nr="*"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="*"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="*"><al>uitbreiding, dan wel </al></li><li nr="*"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al></li><li nr="*"><al>ingebruikneming dan wel </al></li><li nr="*"><al>medegebruik </al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="*"><al><vet>55 m</vet><vet><sup>2</sup></vet> bruto-vloeroppervlakte voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="*"><al><vet>40 m</vet><vet><sup>2</sup></vet> bruto-vloeroppervlakte voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="*"><al><vet>50 m</vet><vet><sup>2</sup></vet> bruto-vloeroppervlak voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening speciaal basisonderwijs.</al></li><li nr="*"><al><vet>80 m</vet><vet><sup>2</sup></vet> bruto-vloeroppervlak voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening speciaal
                            basisonderwijs.</al><al/></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. </al><al/><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m<sup>2</sup> bvo.</al><al/><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde </vet><vet>voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan
                    wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                    terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij
                    of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D. </al><al/><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende
                    nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals
                    aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    </vet>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening: </al><lijst><li nr="*"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="*"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: </al><lijst><li nr="*"><al>uitbreiding, dan wel </al></li><li nr="*"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al></li><li nr="*"><al>ingebruikneming dan wel </al></li><li nr="*"><al>medegebruik </al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m<sup>2</sup>
                    bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al/><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m<sup>2</sup> bvo.</al><al/><al><vet>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan
                    wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                    terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij
                    of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in
                    m<sup>2</sup> bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                    het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>2.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende
                    nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven
                    in onderdeel D van deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </vet>De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                        <onderstreept>voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende
                        nieuwbouw</onderstreept>, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De
                    hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <onderstreept>voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                        gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming</onderstreept> wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de
                    huisvesting die aanwezig is. Om in aanmerking te komen voor uitbreiding geldt
                    een drempel van 10% van de aanwezige capaciteit. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                        <onderstreept>voorziening ingebruikneming</onderstreept> wordt bepaald door
                    de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. Om in
                    aanmerking te komen voor uitbreiding geldt een drempel van 10% van de aanwezige
                    capaciteit. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde
                        <onderstreept>voorziening in de huisvesting medegebruik</onderstreept> wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                    Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan
                    beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm
                    van in te roosteren lessen. </al><al/><al><vet>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet>De omvang van
                    de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde <onderstreept>voorziening
                        nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw</onderstreept>, wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van
                    het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <onderstreept>uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                        bestaand gebouw</onderstreept>, wordt bepaald door het verschil tussen de
                    ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten
                    minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is
                    minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met
                    behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <onderstreept>ingebruikneming</onderstreept> wordt bepaald door de omvang
                    van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen,
                    waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting <onderstreept>medegebruik</onderstreept> wordt bepaald door het
                    verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig
                    op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                    feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                    onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te
                    roosteren lessen. </al><al/><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                        <onderstreept>verplaatsing van noodlokalen </onderstreept>wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al/><al><vet>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde <onderstreept>voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het
                        terrein</onderstreept>, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk
                    oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor <onderstreept>blijvend gebruik bestemde
                        voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                        aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de
                        eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair,</onderstreept> is
                    gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting. </al><al/><al>De omvang van de tegemoetkoming <onderstreept>in eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair </onderstreept>als er sprake is van een inpandige
                    aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke
                    en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste
                    inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van
                    de te creëren ruimte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </cursief>wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al/><al><vet>3.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende
                    nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals
                    beschreven in de toelichting bij deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop wordt het aantal
                    in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A,
                    paragraaf 3.5.1). </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322. </al><al/><al/><al><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al><al/></li></lijst><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al><al/></li></lijst><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al> Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><al/><al><vet>III-1</vet><vet> overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'
                    </vet></al><al> De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw: </al><al>geschiedt voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN
                    2580, met de volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="*"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="*"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="*"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al><al/></li></lijst><al><vet>III-2</vet><vet> Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'
                    </vet></al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW. De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de
                    bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare'
                    binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de
                    buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. </al><al/><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al><al/></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Financiële normering (prijsniveau 2012)</titel></kop><al><vet>Bijlage IV Financiële normering </vet><vet>(prijsniveau
                        2012)</vet></al><al/><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><lijst><li nr="-"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al/></li></lijst><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al/><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW. </al><al/><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragenvoor het jaar 2012 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk , Indexering.</al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1); </al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2); </al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); </al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4);
                        </al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en </al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6);</al><al/></li></lijst><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet>De financiële normering
                    voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein; </al></li><li nr="-"><al>bouwkosten; </al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal;</al><al/></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al/><al><onderstreept>Kosten voor terreinen</onderstreept></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D. In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude
                    gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten</onderstreept></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantel m<sup>2 </sup> en een bedrag per m<sup>2 </sup>voor
                    de overige m<sup>2</sup>.bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding
                    voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 721.164,93 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.234,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.168.504,20 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.292,28 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo) </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.870,00 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><onderstreept>Toeslag voor het herstel van terrein en
                        verhuiskosten</onderstreept> bij vervangende bouw op dezelfde plaats Indien
                    vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende
                    terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een
                    tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten,
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2 </sup>
                    bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. De
                    vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50,03 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34,33 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet>Voor uitbreiding van de
                    huisvesting in permanente bouwaard tot 1.035 m2 brutovloeroppervlakte is
                    onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient
                    te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente
                    bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al><onderstreept>Kosten voor terrein</onderstreept></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten</onderstreept></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m<sup>2 </sup>. Met deze vergoedingsbedragen kan
                    en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al/><al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.607,42 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 70.404,94 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.406,80 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.602,88 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 72.401,93 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo, waarin
                                        niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.434,84 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo) in combinatie met uitbreiding van
                                        de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126.612,38 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding
                                        van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 232.784,49 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Toeslag voor het herstel van terrein en
                        verhuiskosten</onderstreept> bij vervangende bouw op dezelfde plaats.
                    Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al/><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten
                    ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                    onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding
                    van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande
                    tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</onderstreept></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In
                    deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de
                    toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                    aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.069,17 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 m² tot 80 m² bvo of
                                        groter </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.390,20 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.009,26 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen </onderstreept>
                    De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In
                    deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                    toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo
                                        of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.085,31 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.057,53 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen </al><al/><al> Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al/><al><vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al/><al><onderstreept>Basisschool</onderstreept></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                    meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>.
                    De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een
                    gegeven aantal m<sup>2</sup> Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag
                    bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de
                    school met en zonder uitbreiding..</al><al/><al/><al><onderstreept>De vergoeding voor een basisschool</onderstreept> wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.910,69 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129,12 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Speciale school voor basisonderwijs</onderstreept> De vergoeding
                    voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen in euro):. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.311,23 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133,58 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 7.146,25
                    .</al><al/><al><vet>1.5 Aanpassing</vet></al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                    deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>1.6 Gymnastiek </vet><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
                    </vet></al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al/><al> Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.248,88 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.021,37 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.523,60 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 176.141,14 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 214.123,75 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de <onderstreept>uitbreiding van de oefenvloer</onderstreept>
                    paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                    benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.826,66 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.536,10 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 11.824,16 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.776,39 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.331,20 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.164,00 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>OLP/meubilair</onderstreept> De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 49.448,86. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al><al/></li></lijst><al><vet>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw.</al><al/></li></lijst><al>In het geval van <onderstreept>vervangende nieuwbouw</onderstreept> waarbij
                    sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw en
                    in het geval van nieuwbouw van een nevenvestiging, gelden de bedragen zoals
                    opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente
                    bouwaard).</al><al/><al><onderstreept>Kosten voor terreinen</onderstreept></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. In
                    geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren
                    de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten</onderstreept></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantal m<sup>2 </sup> en een bedrag per m<sup>2 </sup>voor
                    de overige m<sup>2</sup> bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al/><al> De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.124.496,34 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.284,62 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.870,00 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Toeslag voor liftinstallatie</onderstreept></al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.973,68 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Toeslag voor het herstel van terrein en
                        verhuiskosten</onderstreept> bij vervangende bouw op dezelfde plaats Indien
                    vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende
                    terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een
                    tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten,
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2 </sup>
                    bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="76*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57,38 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 28,71 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot
                    1000 m2 bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering
                    weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de
                    financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit
                    geldt ook voor de nieuwbouw van een nevenvestiging.</al><al/><al><onderstreept>Kosten voor terreinen</onderstreept> Er is geen genormeerd bedrag
                    per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk
                    is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek
                    gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten</onderstreept> De bouwkosten omvatten de bouwkosten van
                    het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een startbedrag, een bedrag per m<sup>2 </sup>.Met deze
                    vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding wordt bepaald op basis
                    van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup><sup/> bvo
                                        of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.362,00 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 65.574,67 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo, waarin
                                        niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.437,68 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo) in combinatie met uitbreiding van
                                        de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.870,00 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding
                                        van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 232.784,49 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Toeslag liftinstallatie</onderstreept> Indien bij uitbreiding van
                    het gebouw tevens een liftinstallatie wordt aangebracht kan aanspraak worden
                    gemaakt op de volgende vergoeding: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 130.984,38 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Toeslag voor het herstel van terrein en
                        verhuiskosten</onderstreept> bij vervangende bouw op dezelfde plaats Voor
                    deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><al/><al><vet>2.3 Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten
                    ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                    onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding
                    van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande
                    tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik
                    bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een
                    tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                    gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van
                    terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</onderstreept>De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede
                    eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. De vergoeding voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="76*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 43.044,86 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 988,85 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van
                        terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing</onderstreept> van de
                    leerlingen kan een aparte toeslag worden gegeven. Voor de bedragen wordt
                    verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><al><onderstreept>Uitbreiding van bestaande tijdelijke
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In
                    deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en
                    inrichting van terreinen. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo
                                        of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.407,57 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.045,49 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van
                        terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing van de
                        leerlingen</onderstreept> kan een aparte toeslag worden gegeven. Voor de
                    bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><al>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwenNaast aankoop kan
                    een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn
                    er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand
                    gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                    deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al/><al><vet>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                    tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. De hierna
                    opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal
                    m<sup>2</sup> Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand
                    van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                    uitbreiding:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 131.946,95 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 230,32 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 119.863,29 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 298,50 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.692,07 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 148,43 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 158.513,28 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 283,30 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.082,06 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 139,59 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 119.002,04 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 272,12 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.512,11 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 118,41 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.133,38 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 136,13 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.992,03 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 147,83 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.489,61 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 120,75 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 7.146,25. </al><al/><al><vet>2.5 Gymnastiek</vet></al><al/><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    en € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al/><al> Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                    toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag
                    is een bedrag gemoeid van € 76.051,06 . Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2
                    beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag (tussen haakjes vermeld). De
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.248,88 </al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 19.226,66) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.021,37 </al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 26.627,42) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.523,60 </al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 38.321,34) </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Uitbreiding </onderstreept> Bij uitbreiding van gymnastiekruimte
                    wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine
                    gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of
                    minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2.
                    Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 176.141,14 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 214.123,75 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de <onderstreept>uitbreiding van de oefenvloer
                        paalfundering</onderstreept> noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                    afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis
                    van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.826,66 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.536,10 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 11.824,16</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.776,39 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.331,20 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.164,00 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>OLP/meubilair</onderstreept> De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ziet er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.432,47 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.201,15 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.458,90 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.986,66 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.287,92 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.287,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.211,19 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.230,05 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.436,33 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.433,75 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.895,61 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.562,02 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.562,02 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.672,61 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.874,72 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.320,89 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.563,63 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 59.471,44 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.445,47 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.445,47 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.134,13 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet>De financiële normering voor
                    het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al><al/></li></lijst><al><vet>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding </vet>Er bestaat geen onderscheid in de
                    normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook
                    aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het
                    bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). </al><al/><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Kosten van terreinen</onderstreept></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten</onderstreept></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. </al><al/><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. </al><al/><al>De bedragen in de tabel omvatten vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en
                    vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de
                    ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van
                    de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel
                    C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al/><al> Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=2500m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.930,78</al></entry><entry colname="col3"><al> € 1.145,86</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.118,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.885,82</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.525,48</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.525,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.289,96</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.929,62</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.929,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Specifieke ruimte: </vet></al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al><al/></li></lijst><al><vet>Werkplaatsen: </vet></al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 121.828,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 121.828,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 239.139,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 333.893,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.217,65</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 44.217,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><al/><al><onderstreept>Aanvullende normkosten</onderstreept></al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. </al><al/><al> In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op
                    staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het
                    criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te
                    stellen sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde
                    paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding
                    kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:</al><al/><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.551,45</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.780,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 31,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.221,33</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 56,41</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.336,96</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.656,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 8.590,41</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,24</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 12,10 per m2
                    terrein.</al><al/><al><vet>3.2 Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het
                    voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het
                    type voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</onderstreept></al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: </al><al/><al> € 614,40* A + € 42.240,72 </al><al/><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.
                    Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><al/><al><onderstreept>Huur van tijdelijke lokalen</onderstreept></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met
                    inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw),
                    uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van
                    een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
                    overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                    medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien
                    inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet
                    geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat
                    wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al/><al> Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="58*"/><colspec colname="col3" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 152,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 356,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 217,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 292,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 373,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 723,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.382,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al/><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al/><al><vet>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de
                    bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke
                    kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de
                    aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk
                    is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.248,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.021,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.523,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</onderstreept></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al> Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
                        </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al/><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden. </al><al/><al>Huur sportvelden</al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 20,18 per klokuur.</al><al/><al><onderstreept>Eerste inrichting leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair</onderstreept></al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="28*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.044,35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 62.276,68</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 63.321,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.044,35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 48.580,54</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 49.624,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.044,35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 21.120,55</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 22.164,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 13.753,69</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.753,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.587,68</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.587,68</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet> 4 Indexering </vet></al><al/><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                    prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar
                    alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al/><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. </al><al/><al> Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar. </al><al/><al>Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2005 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin
                    het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken
                    van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit
                    is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                    programma en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al/><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><al/><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><al/><al/><al><vet> DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al/><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.</al><al/><al><vet>Europese aanbesteding</vet></al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald
                    bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de
                    richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden
                    vanaf de volgende bedragen:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>€ 200.000 (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li><li nr="·"><al>€ 5.000.000 (exclusief BTW) voor werken. </al><al/></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen,
                    zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.
                    Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van
                    het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                    wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist.</al><al/><al/><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven </vet>Een bevoegd gezag van een
                    school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs, voor
                    voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde
                    een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag
                    dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld
                    binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs,
                    zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen; </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs. </al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet></al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al/><al><vet>Ad 2</vet></al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al/><al><vet>Ad 3</vet></al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al/><al><vet>Ad 4</vet></al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al/><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</vet>
                    Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast. Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen:
                    kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw. Onder
                    het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                    aan het terrein.</al><al/><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                        bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al><al/></li></lijst><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan
                        bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                        zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en
                        </al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en </al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>VI</nr><titel>Modelbeleidsregel voor bekostiging Gymnastiek-ruimte voor basisonderwijs
                        en (voortgezet) speciaal onderwijs.</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Omvang en bekostiging gebruik </vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>De omvang van het door de gemeente bekostigde gebruik van een
                            gymnastiekruimte door een school voor basisonderwijs en een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs is gebaseerd op het aantal klokuren per
                            week waarin volgens het activiteitenplan door de school de
                            gymnastiekruimte wordt gebruikt. Voor een basisschool wordt het maximaal
                            aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt vastgesteld op
                            basis van het aantal groepen volgens het bepaalde in artikel 14 van het
                            Besluit Bekostiging WPO en de splitsingstabel zoals opgenomen in de
                            bijlage bij deze beleidsregel.</al><al>Het aantal klokuren bedraagt ten hoogste 1,5 klokuur per week per groep
                            leerlingen van 6 jaar en ouder. Voor een speciale school voor
                            basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                            het maximaal aantal klokuren dat voor bekostiging in aanmerking komt
                            vastgesteld op basis van het aantal groepen volgens respectievelijk het
                            bepaalde in het vierde lid van artikel 136 WPO en artikel 14 van het
                            Besluit bekostiginging WEC. </al><al>Het aantal klokuren bedraagt ten hoogste <vet>3,75</vet> klokuur per
                            week per groep leerlingen jonger dan zes jaar indien de school niet de
                            beschikking heeft over een speellokaal en ten hoogste <vet>2,25</vet>
                            klokuur per groep leerlingen van zes jaar en ouder. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school
                            voor basisonderwijs of school voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat
                            eigenaar is van een gymnastiekruimte ontvangt jaarlijks bekostiging. De
                            hoogte van de bekostiging wordt vastgesteld volgens het bepaalde in de
                            bijlage bij deze regeling, op basis van de door het betreffende bevoegd
                            gezag ingevolge artikel 38, eerste lid van de verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs verstrekte gegevens. Het maximaal aantal voor
                            bekostiging in aanmerking komende klokuren wordt op grond van het eerste
                            lid vastgesteld. Wanneer er sprake is van medegebruik van de
                            gymnastiekruimte door een of meer andere scholen voor basisonderwijs of
                            (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de bepaling van de hoogte van
                            de vergoeding het aantal klokuren getotaliseerd. </al></li><li nr="3."><al>Het college keert de ingevolge het tweede lid vastgestelde jaarlijkse
                            vergoeding uit aan het bevoegd gezag als bedoeld in het tweede lid.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                        voorziet</vet></al><al>In gevallen, de uitvoering van deze regeling betreffende, waarin
                    deze regeling niet voorziet, beslist het college.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Indexering</vet></al><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze regeling
                    gehanteerde normbedragen voor de klokuurvergoeding bij op basis van de in
                    bijlage IV , deel A van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Citeertitel; inwerkingtreding </vet> Deze regeling kan worden
                    aangehaald als: beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs
                    gemeente Dantumadiel. </al><al/><al><vet> Grondslag bekostiging </vet><vet>voor materiële instandhouding
                        lichamelijke oefening</vet></al><al/><al><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal
                    klokuren gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek vergoed. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen. Bij de bepaling van het aantal formatieplaatsen en daarop
                    gebaseerde aantal groepen wordt uitgegaan van de formule en bepalingen zoals
                    vastgelegd in artikel 14 van het Besluit Bekostiging WPO. Dit vloeit voort uit
                    het derde lid van artikel 136 WPO.</al><al>Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt aangesloten bij het
                    normatieve overzicht 'splitsing aantal groepen leerlingen' zoals weergegeven in
                    tabel 1. </al><al/><al>Tabel 1 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen Deze tabel geeft inzicht in de
                    genormeerde splitsing van het aantal gymgroepen leerlingen in groepen 4- en
                    5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen ten behoeve van het onderwijs in
                    de lichamelijke oefening. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal gymgroepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal gymgroepen 4/5-jarigen</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal gymgroepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen
                    bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger
                    dan 6 jaar wordt, indien de school niet de beschikking heeft over een
                    speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek vergoed. Per groep met leerlingen
                    van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25 klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal
                    groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor’
                    zoals bepaald in vierde lid van artikel 136 WPO. De 'N-factor' is bepalend voor
                    de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is
                    15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                    achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar
                    beneden afgerond.</al><al/><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek.
                    Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar word maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                    vergoed, indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft over een
                    speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25
                    klokuur gymnastiek vergoed. Bij de bepaling van het aantal groepen wordt
                    uitgegaan van het bepaalde in artikel 14 van het Besluit bekostiging WEC. Dit
                    vloeit voort uit het derde lid van artikel 130 WEC.</al><al/><al><vet>Vergoeding per klokuur</vet></al><al>Ingevolge artikel 117 en 136 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 115
                    en 130 van de Wet op de Expertisecentra worden de volgende vergoedingsbedragen
                    voor het gebruik van een gymnastiekzaal vastgesteld. De bedragen bevatten een
                    vergoeding voor onderhoud aan de binnenzijde van het gebouw, de materiële
                    instandhouding alsmede een vergoeding voor vervanging en aanpassing van
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van
                    het stichtingsjaar van de gymnastiekaccommodatie en de oppervlakte van de
                    oefenzaal. </al><al/><al>De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag per vastgesteld
                    klokuur. </al><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colwidth="16*"/><colspec colname="col7" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>stichtingsjaar en omvang</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>vast bedrag</al></entry><entry colname="col7"><al>variabel bedrag</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>tot 1987</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-&lt; 90 m²</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>2.781,54</al></entry><entry colname="col7"><al>337,96</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-90-130 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>3.569,18</al></entry><entry colname="col7"><al>427,67</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-130-170 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>3.902,62</al></entry><entry colname="col7"><al>461,52</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-170-190 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>3.724,34</al></entry><entry colname="col7"><al>504,97</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-190-230 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>3.566,92</al></entry><entry colname="col7"><al>556,31</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-&gt; 230 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>4.036,91</al></entry><entry colname="col7"><al>622,32</al></entry></row><row><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>vanaf 1987</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>-&gt;= 252 m²</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>3.205,26</al></entry><entry colname="col7"><al>565,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De bovenstaande normbedragen zijn van toepassing voor het <vet>jaar 2012</vet>. </al><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens
                    gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van
                    medegebruik of huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële
                    exploitant). Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de
                    volgende vergoeding: </al><al/><lijst><li nr="·"><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs
                            wordt gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de
                            eigenaar vergoed. </al></li><li nr="·"><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed. </al></li><li nr="·"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt,
                            volstaat ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal
                            klokuren. </al><al/></li></lijst><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt,
                    zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed.
                    De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Formulieren</label></kop><al><vet>FORMULIEREN</vet></al><al/><al> Formulier voor aanvragen van voorzieningen in de
                    onderwijshuisvesting</al><al/><al>Per type aanvraag (programma, spoedeisende aanvraag of bouwvoorbereiding) 1
                    formulier invullen </al><al/><al><onderstreept>1. Bestuursgegevens van het bevoegd gezag</onderstreept></al><al>Naam:</al><al>Adres:</al><al>Postcode/Plaats:</al><al>Contactpersoon huisvestingszaken:</al><al>Telefoonnummer:</al><al>Telefaxnummer: </al><al/><al><onderstreept>2. Type aanvraag [1]</onderstreept></al><al>De aanvraag betreft een:</al><al>o 0 opneming in het programma</al><al>o 0 aanvraag op basis van de spoedprocedure</al><al>o 0 aanvraag bouwvoorbereiding </al><al/><al>Bij bouwvoorbereiding na invullen van 3a verder gaan met invullen van 5! </al><al/><al><onderstreept>3. Gegevens over de gewenste voorziening</onderstreept></al><al>o De aanvraag is bedoeld voor:</al><al>schoolnaam:</al><al>BRIN-nummer:</al><al>gebouwadres:</al><al>te gebouw(deel)nr.: </al><al/><al>functie gebouw: 0 hoofdgebouw van hoofdvestiging</al><al>0 hoofdgebouw van nevenvestiging</al><al>0 dislocatie van de hoofd-/nevenvestiging [2] </al><al/><al> o Gevraagde voorziening </al><al/><al>Te overleggen gegevens</al><al>1 0 nieuwbouw A, B of C, E, F, J</al><al>2 0 vervangende bouw B of C, D, E, F, J</al><al>3 0 uitbreiding B of C, D (alleen invullen bij vervanging van gebouw), E, F, J 4
                    0 ingebruikneming A (alleen bij nieuwe bekostiging), B of C, E/F, J</al><al>5 0 verplaatsing noodlokalen C, E, J</al><al>6 0 terrein ?</al><al>7 0 eerste inrichting olp (PO) ?</al><al>8A 0 eerste inrichting meubilair (PO) ?</al><al>8B 0 toeslag meubilair als gevolg van de groepsgrootteverkleining (PO)</al><al>9 0 eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (VO)</al><al>10 0 medegebruik G</al><al>11 0 aanpassing B, D (enkel voor VO), E, F, J</al><al>12 0 onderhoud (PO) C, D, E, J</al><al>13 0 herstel van constructiefouten D, E</al><al>14 0 herstel/vervanging van schade in geval van bijzondere omstandigheden E,
                    H</al><al>15 0 huur sportterrein VO I </al><al/><al><onderstreept>Codering benodigde gegevens: </onderstreept></al><al/><al>Beschikking van de minister inzake schikking van school of afdeling.</al><al>§ Prognose voor ten minste 15 jaren bij permanente bouwaard.</al><al>§ Prognose voor ten minste 4 jaren bij tijdelijke bouwaard.</al><al>§ Bouwkundige opname volgens het formulier ’bouwkundige opname’ </al><al/><al> a voor onderhoud en constructiefouten: desbetreffende element(en);</al><al>b voor vervangende bouw: alle gebouwelementen.</al><al>§ Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is:
                    kostenraming.</al><al>§ (Eventueel) na bouwvoorbereiding: bouwplan en bouwbegroting.</al><al>§ Opgave van aantal groepen waarvoor medegebruik wordt gewenst en - indien
                    bekend - gebouw waarin medegebruik wordt gewenst.</al><al>§ Aard van de schade, aard van de bijzondere omstandigheden en - bij inbraak -
                    aangifte bij politie.</al><al>§ Opgave noodzaak en aantal lestijden gebruik.</al><al>§ Indien van toepassing: opgave (voorgenomen) beschikkingen </al><al> (fusies/opheffingen/verplaatsingen en dergelijke. </al><al/><al> o Gewenste omvang voorziening:</al><al>0 bij voorziening 1/2/3/4/5/7/8A/8B/9/10/15: groepen/leerlingen</al><al>0 bij voorziening 11/12/13/14 omschrijving werkzaamheden:</al><al>o Gewenste bouwaard voorziening:</al><al>0 permanent</al><al>0 tijdelijk </al><al/><al> o Gewenste plaats voorziening (bij nieuwbouw/vervangende bouw ingebruikneming
                    en verplaatsing noodlokalen):</al><al/><al> o Gewenste datum aanvang uitvoering </al><al/><al><onderstreept>4. Spoedprocedure</onderstreept></al><al>o Aanduiding omstandigheden spoedeisendheid:</al><al>o Reden waarom voorziening niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog </al><al> vast te stellen programma:</al><al>5. Bouwvoorbereiding</al><al>Te overleggen gegevens</al><al>0 nieuwbouw A, B of C, E, J</al><al>0 vervangende bouw B of C, D, E, J</al><al>0 uitbreiding B of C, D (enkel bij vervanging van een gebouw), E, J </al><al/><al>Gewenste locatie van de voorziening: </al><al/><al>Gewenst tijdstip realisering: </al><al/><al><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></al><al>Aantal bijlagen bij dit formulier:</al><al>Omschrijving bijlagen:</al><al>1</al><al>2</al><al>3</al><al>4 </al><al/><al>Ondertekening</al><al>Ondergetekenden verklaren dat de aanvraag namens het bestuur van het bevoegd
                    gezag is ingediend.</al><al>Plaats,</al><al>datum, </al><al/><al>Voorzitter </al><al/><al>Secretaris </al><al/><al><onderstreept> Toelichting</onderstreept></al><al>Het formulier is bedoeld om de werkzaamheden van de gemeente voor
                    onderwijshuisvesting zo effectief mogelijk gestalte te geven. Het formulier
                    ondersteunt de gemeente bij de verwerking en beoordeling van aanvragen voor de
                    huisvesting van het onderwijs. Essentiële gegevens over de aanvraag, de gewenste
                    voorziening en dergelijke kunnen op het formulier worden ingevuld. Daarnaast zal
                    een aantal gegevens worden geleverd in rapporten, formulieren en dergelijke, die
                    ook onderdeel uitmaken van de onderbouwing van de noodzaak van de gewenste
                    voorziening. </al><al/><al>Aanvragen worden onderscheiden in aanvragen voor het programma, voor
                    spoedvoorzieningen en (eventueel afhankelijk van hetgeen opgenomen is in de
                    gemeentelijke verordening) voor bouwvoorbereiding. Per type aanvraag, als
                    hiervoor aangegeven, en per gebouw wordt gevraagd één formulier in te dienen. Zo
                    ontstaat voor de gemeente optimale duidelijkheid over hetgeen het schoolbestuur
                    in één bouwsituatie in of bij een gebouw wenst te realiseren In het onderdeel
                    ’gevraagde voorziening’ kunnen verschillende - met elkaar verband houdende -
                    voorzieningen tegelijk worden aangekruist. De formulieren maken het voor de
                    gemeente mogelijk de aanvragen eenvoudig te rubriceren voor de bekendmaking van
                    ingediende aanvragen aan alle schoolbesturen in de gemeente. </al><al/><al>Het gebouw(deel)nummer wordt gevraagd in de veronderstelling dat veel gemeenten
                    de nummers van OCenW/C¦i wensen te handhaven. Eventueel kan daar een eigen
                    nummer of in het geheel geen nummer ingevuld worden. Achter elke gevraagde
                    voorziening (ook bij de aanvraag voor bouwvoorbereiding) is door middel van een
                    codering aangegeven welke gegevens overgelegd moeten worden. In de verordening
                    is de verplichting de gegevens te leveren vastgelegd. Voor de prognose kan
                    afhankelijk van de bouwaard van de voorziening (permanent of tijdelijk) of de
                    prognosevereiste bij de voorziening met name bij aanpassing en onderhoud worden
                    gekozen voor een kortetermijnprognose of een langetermijnprognose.
                    Vanzelfsprekend dient de prognose te voldoen aan het gestelde voor de
                    desbetreffende onderwijssoort in bijlage II. </al><al/><al>Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is, moet de
                    begroting van de kosten worden ingediend. Indienen van een bouwplan en
                    bouwbegroting is slechts van toepassing bij een aanvraag nadat daaraan
                    voorafgaand bouwvoorbereiding heeft plaatsgevonden. Om een goed oordeel over de
                    aanvraag mogelijk te maken, moeten alle relevante factoren worden vermeld, dus
                    ook eventuele herschikkingen die het bevoegd gezag voornemens is uit te voeren.
                    Indien de gemeente in de verordening bouwvoorbereiding voor andere
                    voorzieningen, zoals nieuwbouw en uitbreiding, mogelijk heeft gemaakt, kan de
                    gemeente bij bouwvoorbereiding het formulier uitbreiden met de desbetreffende
                    voorzieningen. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Formulier voor het verstrekken van informatie over
                            lesgebouwen</onderstreept></cursief></al><al/><al>Per gebouw 1 formulier invullen. <cursief>Dit formulier is bedoeld voor ’turn
                        around’-gebruik: eenmalig worden alle noodzakelijke gegevens verstrekt.
                        Daarna worden de wijzigingen doorgegeven. </cursief></al><al/><al>Datum ingang wijzigingen: (In te vullen door het bevoegd gezag)</al><al>Datum vastlegging gegevens: (In te vullen door de gemeente) Basisgegevens</al><al>Huidig gegeven</al><al>Te wijzigen in: </al><al/><al><onderstreept>1. Bestuursgegevens van het bevoegd gezag</onderstreept></al><al>Naam:</al><al>Adres:</al><al>Postcode/plaats:</al><al>Bestuursnummer:</al><al>Contactpersoon huisvestingszaken:</al><al>Correspondentieadres:</al><al>Telefoonnummer:</al><al>Telefaxnummer: </al><al><onderstreept>2. Gegevens van het instituut of de instelling</onderstreept></al><al>Schoolnaam:</al><al>Denominatie(s):</al><al>BRIN-nummer:</al><al>Onderwijssoort en (eventueel) - afdelingen:</al><al>o 0 Instituut bestaat enkel uit hoofdvestiging [3]</al><al>o 0 Instituut bestaat uit hoofd- en nevenvestiging.</al><al>o Aantal nevenvestigingen: waarvan in deze gemeente: </al><al/><al><onderstreept>3. Gegevens lesgebouw</onderstreept></al><al>o Status gebouw:</al><al>0 hoofdgebouw van de hoofdvestiging</al><al>0 hoofdgebouw van de nevenvestiging</al><al>0 dislocatie van de hoofd-/nevenvestiging [4]</al><al>o Gebouwgegevens:</al><al>- Adres:</al><al>- Bouwaard: permanent / noodbouw</al><al>- Brutovloeroppervlakte (BVO) ---m² ---m²</al><al>- Bouwjaar </al><al/><al>Bij gebouw dat in verschillende bouwjaren gebouwd is:</al><al>0 Bouwjaar deel 1 BVO deel 1 m²</al><al>0 Bouwjaar deel 2 BVO deel 2 m²</al><al>0 Bouwjaar deel 3 BVO deel 3 m²</al><al>Huidig gegeven </al><al/><al>Te wijzigen in:</al><al>- PO: capaciteit feitelijk:</al><al>--- groepen --- groepen genormeerd:</al><al>--- groepen --- groepen</al><al>o Additionele gegevens: .............................. </al><al/><al><onderstreept>4. Gegevens over medegebruik</onderstreept></al><al>(PO) aantal groepen medegebruik</al><al>(VO) brutovloeroppervlakte m2 m2</al><al/><al>Ondertekening</al><al>Ondergetekenden verklaren namens het bevoegd gezag dat de doorgegeven
                    wijzigingen in de gemeentelijke administratie nodig zijn om een juiste weergave
                    van de gegevens van de vermelde school te continueren.</al><al/><al>Plaats, datum </al><al/><al>Voorzitter </al><al/><al>Secretaris </al><al/><al><onderstreept>Toelichting algemeen:</onderstreept></al><al>Dit formulier is bedoeld voor zogenaamd ’turn around’-gebruik, dat wil zeggen na
                    de eerste opgave behoeft het formulier slechts indien er wijzigingen zijn te
                    worden ingezonden. Alleen de te wijzigen gegevens worden dan door het bevoegd
                    gezag vermeld. Bij elektronische uitwisseling van het formulier kunnen slechts
                    de van toepassing zijnde gegevens worden afgedrukt.</al><al>Na verwerking zendt de gemeente een nieuw formulier met gegevens in de kolom
                    ’huidig gegeven’ toe aan het bevoegd gezag. Dit maakt het mogelijk voor het
                    bevoegd gezag te controleren of verwerking van de wijzigingen conform de opgave
                    is geschied.</al><al/><al><onderstreept>Basisgegevens</onderstreept></al><al>Nauwkeurig vastleggen en bijhouden van de gegevens voorkomt dat gemeente en
                    schoolbestuur uitgaan van verschillende huisvestingsgegevens. Er wordt gevraagd
                    voor elk gebouw een formulier te verstrekken. Voor elk gebouw wordt een aantal
                    gegevens gevraagd. De meeste hiervan zijn al bekend en liggen vast in de
                    historische gegevens of BRHU voor het VO zoals C¦i die heeft verstrekt. Het kan
                    voorkomen dat een gebouw bestaat uit gedeelten die elk in een verschillend jaar
                    zijn gebouwd. In dat geval dient elk van de bouwjaren apart te worden vermeld
                    tezamen met de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende deel. Bij het
                    verstrekken van de gegevens is in het formulier uitgegaan van de beschrijving
                    van de informatieverstrekking zoals opgenomen in de verordening. Indien
                    burgemeester en wethouders het noodzakelijk achten om aanvullende gegevens te
                    vervangen, dan kan in het formulier worden voorzien in de mogelijkheid tot het
                    verstrekken van deze informatie. Het kan dan gaan om:</al><al>• gebouw(deel)nummer;</al><al>• aantal bouwlagen;</al><al>• kadastraal nummer;</al><al>• oppervlakte terrein;</al><al>• aanwezige lokalen, zo nodig te splitsen in:</al><al>o groepslokalen (PO)/theorie(vak)lokalen (VO);</al><al>o speellokaal (PO)/vaklokalen (VO);</al><al>o werkplaatsen (VO);aanwezige overige ruimten/nevenruimten;</al><al>• aanwezigheid van voorzieningen voor gehandicapten;</al><al>• aanwezigheid van een rijwielberging.</al><al>Alvorens van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de gemeente wel overleg
                    te voeren met de schoolbesturen. </al><al/><al><onderstreept>Periodieke gegevens</onderstreept> Het is niet mogelijk om met dit
                    formulier te voorzien in verstrekking van periodieke gegevens aan burgemeester
                    en wethouders. Levering van periodieke gegevens vindt op basis van de
                    verordening plaats door een afschrift van het leerlingtelformulier inclusief een
                    opgave van het aantal leerlingen per locatie naar burgemeester en wethouders te
                    zenden. Om als gemeente goed inzicht te hebben in de benutting van de
                    onderwijshuisvesting is het nodig steeds inzicht te hebben in de actuele
                    situatie. Gevraagd wordt daarom wijzigingen steeds zo spoedig mogelijk door te
                    geven. Bij wijzigingen dient het bevoegd gezag ook de datum van ingang van de
                    wijzigingen op te geven. </al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Formulier voor het verstrekken van informatie over eigen
                            gymnastiekruimten en jaarlijkse opgave gebruik
                            gymnastiekruimten</onderstreept></cursief></al><al/><al>Opgave eigen gymnastiekruimte eenmalig en bij wijzigingen verstrekken. Opgave
                    gewenst gebruik eerstvolgende schoollaar jaarlijks indienen per instituut. </al><al/><al> a. Opgave gymnastiekruimte [5]</al><al>Datum opgave:</al><al>a. Gebouwgegevens: Huidig gegeven Wijziging Adres: Bouwjaar: Oppervlakte
                    oefenvloer: m2 m2</al><al>b. Additionele gegevens: ..............</al><al>b. Opgave gewenst gebruik gymnastieklokaal voor het komend schooljaar </al><al/><al>Gebruiker (instituut):</al><al>Aanduiding gymnastiekruimte waarvan het gebruik wordt gewenst:</al><al>Totaal aantal klokuren gewenst: </al><al/><al>Opgave gewenste tijden [6] : aantal klokuren</al><al>0 maandagochtend maandagmiddag</al><al>0 dinsdagochtend dinsdagmiddag</al><al>0 woensdagochtend</al><al>0 donderdagochtend donderdagmiddag</al><al>0 vrijdagochtend vrijdagmiddag</al><al/><al>Ondertekening</al><al>Ondergetekenden verklaren dat de opgave namens het bestuur van het bevoegd gezag
                    is ingediend. </al><al/><al>Plaats, datum </al><al/><al>Voorzitter </al><al/><al>Secretaris </al><al/><al><onderstreept>Toelichting</onderstreept></al><al>Dit formulier ondersteunt de gemeente bij de planning van het gebruik van de
                    gymnastieklokalen. Tevens biedt het formulier de mogelijkheid een (wijziging van
                    een) opgave te doen van noodzakelijke gegevens van een gymnastiekruimte in
                    eigendom van het schoolbestuur.</al><al/><al><onderstreept>Gegevens over de gymnastiekruimte</onderstreept></al><al>Eenmalig, op basis van de situatie per 1 januari 1997, geeft het schoolbestuur
                    dat zelf eigenaar is van de gymnastiekruimte de gegevens op. Bij wijzigingen in
                    de gegevens - anders dan het gebruik - wordt hernieuwd een opgave gedaan. Dit
                    vorenstaande geldt zowel voor het primair onderwijs als het voortgezet
                    onderwijs. Het formulier beperkt zich tot de gebouwgegevens opgenomen in de
                    verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Eventueel gewenste aanvullende
                    gegevens (over brutovloeroppervlakte, over aanwezigheid van was- en
                    kleedgelegenheid bijvoorbeeld) kan de gemeente vragen opnemen in het formulier.
                    Voordat de gemeente daartoe overgaat, is wel overleg met het bijzonder onderwijs
                    nodig.</al><al/><al><onderstreept>Opgave gewenst gebruik gymnastiekruimte</onderstreept></al><al>Voor het inroosteren van gymnastiekruimten doet het bevoegd gezag voor elke
                    school in het primair onderwijs jaarlijks voor het volgende schooljaar een
                    opgave van het aantal klokuren gewenst gebruik. Daarbij geeft zij ook aan welke
                    gymnastiekruimte zij wenst te gebruiken en wanneer. Er is rekening gehouden met
                    opgave van gewenste dagdelen (ochtend en/of middag). Indien de gemeente ook het
                    voortgezet onderwijs wenst te betrekken bij het inroosteren van
                    gymnastiekruimten, dan neemt de gemeente het op in de verordening. Ook de
                    instellingen voor voortgezet onderwijs geven dan jaarlijks een opgave van het
                    gewenst gebruik van gymnastiekruimten in het volgende schooljaar.</al><al/><al>Berekeningsformulier Prognosemodel huisvesting voortgezet onderwijs (VO) Niet
                    opgenomen ivm keuze voor “GO4 prognose” </al><al/><al><cursief><onderstreept>Formulier bouwkundige
                    opname</onderstreept></cursief></al><al/><al>Per voorziening en per gebouw (gedeelte) 1 formulier invullen</al><al><onderstreept>1. School</onderstreept></al><al>naam</al><al>adres</al><al>plaats</al><al>BRIN-nummer</al><al>gebouw (deel)nummer</al><al>gebouw(-gedeelte) gehele
                    gebouw/theorielokaal;leslokaal/vaklokaal;speellokaal/niet lesruimte/overige
                    ruimte [7]</al><al/><al><onderstreept>2. Opname</onderstreept></al><al>opnamedatum</al><al>opname door </al><al/><al><onderstreept>3. Voorziening</onderstreept></al><al>a. (elementnummers, zoals aangegeven onder 4, vermelden)</al><al>b. 0 noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven</al><al>0 noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde eisen [8] 4.
                    Bouwkundige staat </al><al/><al> element omschrijving gebouwonderdeel conditie (in %)</al><al>PO VO 1 2 3 4 5 6</al><al><cursief>a. buitenwanden</cursief></al><al>17- - - - - - vervangen/herstel buitenwanden</al><al>18- - - - - - herstel voegwerk</al><al>20- - - - - - vervangen buitenzonwering </al><al/><al> b. binnenwanden</al><al>9- - - - - - - - - - -vervangen binnenkozijnen buitenwandopeningen</al><al>6- - - - - - - - - - -vervangen buitenkozijnen</al><al>16- - - - - - vervangen buitenkozijnen</al><al>19- - - - - - herstel entreepui</al><al><cursief>c. dakafwerkingen</cursief></al><al>1- - - - - - - - - - -vervangen dakpannen, houtw.</al><al>7- - - - - - - - - - -vervangen dakbedekking. HWA</al><al>11- - - - - - vervangen stenen dakbedekking </al><al/><al><cursief>d. warmtedistributie</cursief></al><al>101- - - - - - - - - vervangen radiatoren, conv. </al><al/><al><cursief>e. transport(-install)</cursief></al><al>31- - - - - - - - - - vervangen brandtrap</al><al>13- - - - - - vervangen buitentrap </al><al/><al><cursief>f. terrein(-afwerking)</cursief></al><al>21- - - - - - - - - - vervangen rijwielstalling, st.</al><al>41- - - - - - - - - - vervangen erfafscheiding</al><al>51- - - - - - - - - - vervangen/herstel riol./bestr</al><al>81- - - - - - - - - - vervangen buitenberging</al><al>12- - - - - - vervangen rioolloods</al><al>14- - - - - - vervangen afrastering</al><al>15- - - - - - vervangen bestrating/riolering </al><al/><al> Indien vervangende nieuwbouw wordt gevraagd, dienen naast de voorgaande
                    elementen ook de onderstaande elementen te worden ingevuld. Indien het herstel
                    van constructiefouten wordt gevraagd, wordt het element aangevuld waarop de
                    aanvraag betrekking heeft.</al><al><cursief>g. fundering</cursief></al><al><cursief>h. vloeren</cursief></al><al><cursief>i. dakconstructie</cursief></al><al><cursief>j. draagconstructie</cursief></al><al><cursief>k. vloerafwerkingen</cursief></al><al><cursief>l. plafondafwerkingen</cursief></al><al><cursief>m. warmteopwekking</cursief></al><al><cursief>n. waterleiding/ riolering</cursief></al><al><cursief>o. luchtbehandeling</cursief></al><al><cursief>p. elektrotechniek</cursief></al><al/><al>Ondertekening</al><al>Ondergetekenden verklaren dat de opname van de bouwkundige staat van het
                    betreffende gebouw namens het bestuur van het bevoegd gezag van de school is
                    opgesteld, </al><al/><al>plaats, datum </al><al/><al>voorzitter</al><al/><al>secretaris </al><al/><al/><al><onderstreept>Toelichting</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen worden in het
                    primair onderwijs en het voortgezet onderwijs vrijwel identieke methoden
                    gehanteerd. Het betreft een opnamemethodiek die is ontwikkeld door de
                    Rijksgebouwendienst (RGD). De beoordeling van de bouwkundige staat van
                    schoolgebouwen wordt gemeten aan de hand van de navolgende gebouwonderdelen: </al><al/><al> • fundering</al><al>• buitenwanden</al><al>• binnenwanden</al><al>• vloeren</al><al>• dakconstructie</al><al>• draagconstructie</al><al>• buitenwandopeningen</al><al>• vloerafwerkingen</al><al>• plafondafwerkingen</al><al>• dakafwerkingen</al><al>• warmteopwekking</al><al>• warmtedistributie</al><al>• luchtbehandeling</al><al>• elektrotechniek</al><al>• transportinstallatie</al><al>• terreinafwerkingen </al><al/><al> In het primair onderwijs is ook het onderdeel ’waterleiding/riolering’
                    opgenomen. Op grond van de bij de Wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen
                    (Stb. 1996, 402) gevoegde ’kruisjeslijst’, is het mogelijk de elementen die
                    zowel voor het primaire onderwijs (P0) als voor het voortgezet onderwijs (VO)
                    bij de gemeente kunnen worden aangevraagd, te selecteren. De ’kruisjeslijst’ is
                    het overzicht met de elementen die voor rekening van het bevoegd gezag dan wel
                    de gemeente komen. </al><al/><al><onderstreept>Onderhoud primair onderwijs en aanpassing voortgezet onderwijs
                    </onderstreept></al><al/><al><onderstreept>a. Onderhoud dat kan worden aangevraagd bij de gemeente,
                        PO</onderstreept></al><al>1. - vervangen dakpannen, houtwerk, goten</al><al>2. - vervangen rijwielstalling/-staanders</al><al>3. - vervangen brandtrap</al><al>4. - vervangen erfscheiding</al><al>5. - vervangen/herstel riolering/bestrating</al><al>6. - vervangen buitenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al><al>7. - vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al><al>8. - vervangen buitenberging</al><al>9. - vervangen binnenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al><al>10. - vervangen radiatoren, convectors, leidingen </al><al/><al><onderstreept>b. Aanpassing die kan worden aangevraagd bij de gemeente,
                        VO</onderstreept></al><al>1. - vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters, lichtkoepels 2. -
                    vervangen rijwielloods</al><al>3. - vervangen buitentrap</al><al>4. - vervangen afrastering</al><al>5. - vervangen bestrating/buitenriolering</al><al>6. - vervangen buitenkozijnen</al><al>7. - vervangen/herstel buitenwanden</al><al>8. - herstel voegwerk 9. - herstel entreepui</al><al>10. - vervangen buitenzonwering </al><al/><al>Opmerking: Indien in een gemeente geen voortgezet onderwijs voorkomt, kunnen de
                    elementen 11 tot en met 20 worden geschrapt uit het formulier.</al><al/><al>Ten behoeve van een aanvraag voor onderhoud/aanpassing kan de noodzaak worden
                    vastgesteld met behulp van de beoordeling van de bouwkundige staat. De elementen
                    uit A en B zijn onder te brengen in de rubrieken van het formulier dat wordt
                    gehanteerd voor het vastleggen van de bouwkundige staat. In het navolgend
                    overzicht is aangegeven hoe de elementen die bij de gemeente kunnen worden
                    aangevraagd, zijn ondergebracht bij de gebouwonderdelen van het formulier ter
                    beoordeling van de bouwkundige staat. </al><al/><al> • buitenwanden</al><al>o 17 vervangen/herstel buitenwanden</al><al>o 18 herstel voegwerk</al><al>o 20 vervangen buitenzonwering</al><al>• binnenwanden</al><al>o 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) </al><al/><al> • buitenwandopeningen</al><al>o 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al><al>o 16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al><al>o 19 herstel entreepui </al><al/><al> • dakafwerkingen</al><al>o 1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al><al>o 11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters, lichtkoepels o 7
                    vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer </al><al/><al> • warmtedistributie</al><al>o 1 vervangen radiatoren, convectors, leidingen </al><al/><al> • transport(-install.)</al><al>o 3 vervangen brandtrap</al><al>o 13 vervangen buitentrap </al><al/><al> • terrein(-afwerking)</al><al>o 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al><al>o 4 vervangen erfscheiding (PO)</al><al>o 5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al><al>o 12 vervangen rijwielloods (VO)</al><al>o 14 vervangen afrastering (VO)</al><al>o 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al><al>o 8 vervangen buitenberging (PO)</al><al/><al>Vervangende nieuwbouw en herstel constructiefouten</al><al/><al>De overige onderdelen (blad 2 van het formulier) behoeven alleen te worden
                    ingevuld indien de gevraagde voorziening de vervanging van het gebouw of het
                    herstel van constructiefouten betreft. Indien de vervanging vanwege de
                    bouwkundige staat van het gebouw noodzakelijk is, moeten alle onderdelen worden
                    ingevuld. Indien het herstel van constructiefouten is gewenst, moet alleen het
                    element worden ingevuld waarop de constructiefout betrekking heeft. Het betreft
                    de navolgende gebouwonderdelen: </al><al/><al> • fundering 5</al><al>• buitenwanden 13</al><al>• binnenwanden 7</al><al>• vloeren 10</al><al>• dakconstructie 12</al><al>• draagconstructie 6</al><al>• buitenwandopeningen 12</al><al>• vloerafwerkingen 5</al><al>• plafondafwerking 4</al><al>• dakafwerking 8</al><al>• warmteopwekking 4</al><al>• warmtedistributie 4</al><al>• luchtbehandeling 3</al><al>• elektrotechniek 4</al><al>• transport 1</al><al>• terrein 2</al><al>De conditie van een gebouwonderdeel bepaalt de mate waarin het wegingsgetal
                    meetelt in de totale afweging, volgens de volgende verdeling:</al><al/><al> • conditie 1 0%</al><al>• conditie 2 10%</al><al>• conditie 3 20%</al><al>• conditie 4 40%</al><al>• conditie 5 80%</al><al>• conditie 6 100%</al><al/><al>Voorbeeld: </al><al/><al>buitenwandopeningen: 40% in conditie 3 en 60% in conditie 5</al><al>40% * 20% + 60% * 80% = 56%</al><al>de score is derhalve 56% van 12 = 6.72 </al><al/><al>Op deze wijze kunnen de gebouwonderdelen in een onderlinge prioritering worden
                    gerangschikt. Indien de conditie van een gebouw ten opzichte van een ander
                    gebouw wordt afgewogen, bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw, bepaalt de som
                    van de scores per gebouwonderdeel de totale conditie van het gebouw ten opzichte
                    van een ander gebouw.</al><al/><al><onderstreept>Toelichting specifiek</onderstreept></al><al/><al>Het formulier dient te zijn toegevoegd aan het formulier voor aanvragen van
                    voorzieningen in de onderwijshuisvesting indien bij de gevraagde voorziening
                    onder ’te overleggen gegevens’ code D is vermeld. De invulling van het formulier
                    geschiedt door iemand met voldoende bouwkundige expertise om de staat van de
                    elementen van het gebouw te relateren aan de omschrijving van de onderscheiden
                    condities, zoals is weergegeven onder 4 (bouwkundige staat).</al><al/><al>1. School</al><al/><al>Bij ’school’ wordt, indien een gebouwnummer ontbreekt, de gebouwnaam
                    vermeld.</al><al/><al>Bij ’omvang’ kan worden aangegeven of het formulier betrekking heeft op het
                    gehele gebouw of op een van de onderscheiden gebouwgedeelten. Voor de
                    bouwbepalingen wordt verwezen naar bijlage V, hoofdstuk 2.2, van de verordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    het gehele gebouw of één gebouwgedeelte (bijvoorbeeld alleen het speellokaal)
                    kan worden volstaan met het formulier. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    meerdere gebouwgedeelten moet voor ieder gebouwgedeelte een apart formulier
                    worden ingevuld. Dit is noodzakelijk om op basis van bijlage V van de
                    verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, de prioriteiten te kunnen
                    stellen zoals deze zijn aangegeven in hoofdstuk 2.2 en 2.3. Indien de gewenste
                    voorziening noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen, bijlage V hoofdstuk 2.3, kan in de meeste gevallen worden
                    volstaan met een rapportage waaruit blijkt dat de gewenste voorziening
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>3. Voorziening</al><al/><al>Bij ’voorziening’ wordt, onder a, het elementnummer aangegeven dat overeenkomt
                    met de voorziening zoals deze op de aanvraag bij de gemeente is ingediend. Het
                    betreft de elementnummers zoals deze zijn aangegeven onder punt 4 (bouwkundige
                    staat) van het formulier. </al><al/><al>Tevens dient, onder b, te worden aangegeven of de gevraagde voorziening
                    noodzakelijk is om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven (2.2) of dat de
                    voorziening noodzakelijk is om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                    voorlichting (2.3). Het onderdeel dat niet van toepassing is, kan worden
                    doorgehaald.</al><al/><al>4. Bouwkundige staat</al><al/><al>Bij ’conditie’ wordt aangegeven welk percentage van een gebouwonderdeel in welke
                    conditie verkeert. De invulling geschiedt zodanig dat het totaal op 100%
                    uitkomt. Om te kunnen voldoen aan het in bijlage I van de
                    huisvestingsverordening aangegeven noodzakelijkheidscriterium dient het gehele
                    bouwelement of het in ogenschouw genomen gedeelte van het bouwelement ten minste
                    in conditie 3, 4, 5 of 6 te verkeren. Het betreft het percentage dat als
                    ondergrens wordt gehanteerd om te bepalen of bijvoorbeeld de buitenkozijnen voor
                    vervanging in aanmerking komen. In de eerste plaats wordt de conditie van een
                    gebouwonderdeel bepaald door de mate waarin de functies van het onderdeel zijn
                    aangetast. In de tweede plaats wordt de conditie van een onderdeel bepaald door
                    de mate van veroudering of aantasting. De condities zoals deze per
                    gebouwonderdeel worden aangetroffen, zijn als volgt gedefinieerd: </al><al/><al><onderstreept>Conditie 1</onderstreept></al><al>• Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit en/of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit.</al><al>• Functioneel: Functionele gebreken veroorzaakt door veroudering van materialen
                    en constructies mogen niet voorkomen of voorgekomen zijn. Wel kunnen functionele
                    gebreken voorgekomen zijn na bijvoorbeeld een calamiteit. </al><al>• Veroudering: Tamelijk ernstige gebreken, ontstaan door veroudering, mogen niet
                    voorkomen. Zeer incidenteel kunnen lichte mechanische beschadigingen voorkomen
                    die niet bedreigend zijn voor het functioneren van (het deel van) het
                    gebouw.</al><al>• Basiskwaliteit: Het werk is onder meer als goed en degelijk te typeren. Zeer
                    incidenteel kan een goed uitgevoerde en duurzame reparatie aangetroffen
                    worden.</al><al/><al><onderstreept>Conditie 2</onderstreept></al><al>• Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van feitelijke
                    veroudering.</al><al>• Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel onder ongunstige
                    omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken,
                    mogen niet voorkomen.</al><al>• Veroudering: Zeer incidenteel kan zich een ernstig gebrek in de vorm van
                    bijvoorbeeld materiaalaantasting voordoen. Tamelijk ernstige gebreken, zoals
                    duidelijke verweringsverschijnselen, kunnen zich incidenteel en plaatselijk
                    voordoen.</al><al>• Basiskwaliteit: Het werk is als redelijk tot goed te typeren. Plaatselijk
                    kunnen goed uitgevoerde en duurzame reparaties worden aangetroffen. </al><al><onderstreept>Conditie 3</onderstreept></al><al>• Algemeen: Het verouderingsproces is over de gehele linie duidelijk op gang
                    gekomen.</al><al>• Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel en plaatselijk onder
                    normale omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, mogen niet voorkomen.</al><al>• Veroudering: Plaatselijk kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen zonder te resulteren in functionele gebreken. Tamelijk
                    ernstige gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen plaatselijk tot
                    regelmatig voorkomen.</al><al>• Basiskwaliteit: Het werk is als matig te typeren. Goed uitgevoerde en duurzame
                    reparaties kunnen regelmatig voorkomen. Anderzijds kunnen ook plaatselijke
                    reparaties worden aangetroffen die slecht zijn uitgevoerd en/of zijn uitgevoerd
                    met minder geschikte materialen.</al><al/><al><onderstreept>Conditie 4</onderstreept></al><al>• Algemeen: Het verouderingsproces heeft het gebouwonderdeel duidelijk in zijn
                    greep.</al><al>• Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich plaatselijk tot regelmatig
                    voordoen onder normale omstandigheden. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, kunnen zich in de afgelopen jaren incidenteel op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan naar aanleiding van veroudering van materialen en/of
                    constructies.</al><al>• Veroudering: Plaatselijk tot regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan
                    materialen en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor
                    functionele gebreken voordoen en/of hebben voorgedaan). Tamelijk ernstige
                    gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen algemeen voorkomen. Onderdelen
                    die het directe functioneren van een deel van een gebouw niet bedreigen, kunnen
                    vrijwel volledig zijn verdwenen.</al><al>• Basiskwaliteit: Het werk is als zeer matig te typeren. </al><al/><al><onderstreept>Conditie 5</onderstreept></al><al>• Algemeen: Het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar geworden c.q.
                    heeft het deel van een gebouw zeer duidelijk in zijn greep.</al><al>• Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich regelmatig voordoen. Functionele
                    gebreken die de onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich incidenteel plaatselijk
                    voordoen en/of in de afgelopen jaren met duidelijke regelmaat op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan.</al><al>• Veroudering: Regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor functionele gebreken
                    voordoen en/of met enige regelmaat voorgedaan hebben). Tamelijk ernstige
                    gebreken aan materialen en/of constructies kunnen tamelijk algemeen in duidelijk
                    gevorderde stadia voorkomen. Onderdelen welke het directe functioneren (van het
                    deel) van het gebouw </al><al> bedreigen, kunnen duidelijke gebreken vertonen.</al><al>• Basiskwaliteit: Het werk is als slecht te typeren.</al><al/><al><onderstreept>Conditie 6</onderstreept></al><al>• Algemeen: Een zodanig slechte toestand dat dit niet meer te classificeren is
                    onder conditie 5.</al><al><onderstreept>Omschrijving gebreken:</onderstreept></al><al/><al><cursief>1. ernstige gebreken:</cursief></al><al>o functionele gebreken zoals lekkage, vochtdoorslag, vochtoptrek, niet
                    beloopbaar zijn e.d.;</al><al>o primaire constructieve gebreken: gebreken met betrekking tot verankering,
                    oplegging, houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie e.d.;</al><al>o materiaalwezenlijke gebreken: houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie e.d </al><al/><al><cursief>2. tamelijk ernstige gebreken</cursief></al><al>o materiaaloppervlakte-gebreken; verwering, erosie, afschilfering e.d.;</al><al>o secundaire constructieve gebreken: doorbuiging, scheuren, vervorming
                    e.d.;</al><al>o gebreken aan beschermde afwerklagen.</al><al>3. geringe gebreken</al><al>o esthetische gebreken, verkleuring, bekladding, vervuiling;</al><al>o defecten aan kleine en/of ondergeschikte onderdelen.</al><al/><al><onderstreept>Omschrijving gebouwonderdelen</onderstreept></al><al/><al>De in het opnameformulier weergegeven gebouwonderdelen moeten vrij ruim worden
                    geïnterpreteerd. In principe moet het weergegeven onderdeel in zijn algehele
                    verschijningsvorm worden beoordeeld Bij de verschillende gebouwonderdelen is
                    aangegeven welke elementen, zoals deze kunnen worden aangevraagd bij de
                    gemeente, behoren bij het desbetreffende gebouwonderdeel. Indien een element
                    wordt aangevraagd, dient de conditie te worden ingevuld van het bijhorende deel
                    van het gebouw. </al><al/><al> • Buitenwanden: Zowel dragende als niet-dragende gevelwanden, inclusief
                    isolatie en afwerking. maar zonder de buitenwandopeningen. </al><al/><al><onderstreept>Elementen: </onderstreept></al><al>17 vervangen/herstel buitenwanden (VO)</al><al>18 herstel voegwerk (VO)</al><al>20 vervangen buitenzonwering (VO)</al><al>• Binnenwanden: Zowel dragende als niet-dragende binnenwanden, inclusief </al><al> binnenwandopeningen, afwerkingen etc. </al><al>Elementen: 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al><al>• Buitenwandopeningen: Alle openingen voor uitzicht, ventilatie en verkeer in
                    een gevel. </al><al>Elementen: 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al><al>16 vervangen buitenkozijnen (VO) </al><al>19 herstel entreepui (VO)</al><al>• Dakafwerkingen: De waterdichte laag inclusief de direct onder of boven de laag
                    aanwezige isolatie en inclusief eventuele goten. </al><al>Elementen: 1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al><al>11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden. dakvensters, lichtkoepels (VO) </al><al>07 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer (PO)</al><al>• warmtedistributie: Verwarmingsleidingen. radiatoren/convectors etc., koud- en
                    warmwaterleidingen. </al><al/><al> Elementen: 10 vervangen radiatoren, convectors, leidingen (PO)</al><al>• Transportinstallaties: Liftinstallaties, buitentrappen.</al><al>Elementen: 3 vervangen brandtrap (PO) </al><al>13 vervangen buitentrap (VO)</al><al>• Terrein(-afwerking): Alle afwerkingen van het terrein, bestrating en
                    begroeiing. </al><al>Buitenbergingen en erfafscheiding.</al><al>Elementen: 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al><al>4 vervangen erfscheiding (PO)</al><al>5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al><al>12 vervangen rijwielloods (VO)</al><al>14 vervangen afrastering (VO)</al><al>15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al><al>8 vervangen buitenberging (PO)</al><al>De navolgende gebouwonderdelen worden slechts geïnventariseerd indien de totale
                    vervanging van het gebouw wordt gewenst.</al><al>• Fundering: Dit onderdeel heeft zowel betrekking op de eventuele
                    dieptefundering (paalfundering), funderingsbalken, vloeren op grondslag,
                    etc.</al><al>• Vloeren: Alle horizontale vloerdelen: op begane grond en verdiepingen,
                    exclusief de afwerking.</al><al>• Dakconstructie: De volledige opbouw van het dak, inclusief dakbalken,
                    dakplaten, exclusief de dakafwerking.</al><al>• Draagconstructie: Voornamelijk kolommen en balken.</al><al>• Vloerafwerkingen: De toplaag van de vloer inclusief eventuele deklagen.</al><al>• Plafondafwerkingen: Systeemplafonds, stuclagen, sauswerk, etc.</al><al>• Warmteopwekking: Verwarmingsketels en warmwaterboilers, geisers, inclusief
                    randapparatuur.</al><al>• Waterleiding/sanitair: Warm- en koudwaterleidingen, toiletpotten, wastafels
                    etc.</al><al>• Luchtbehandeling: Mechanische ventilatie; afzuiging/toevoer
                    luchtbehandelingskasten, randapparatuur, distributieleidingen. </al><al>Elektrotechniek: Alle elektrotechnische voorzieningen. </al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><onderstreept>2.2 Algemene
                    toelichting</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>2.2.1 Inleiding</onderstreept></al><al/><al>In juli 1996 is de wetswijziging die de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting naar gemeenten regelt door het parlement aangenomen. Dit
                    betekent dat gemeenten vanaf 1 januari 1997 de opdracht hebben om te voorzien in
                    adequate huisvesting voor het primair en het voortgezet onderwijs, op basis van
                    een verordening. De VNG heeft daarvoor een model gemaakt. In deze algemene
                    toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming van de Verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs. Er wordt een kort overzicht gegeven van de overwegingen
                    die tot de decentralisatie van de onderwijshuisvesting hebben geleid, van het
                    belang ervan en van de wet. Daarna wordt ingegaan op het belangrijkste
                    instrument dat gemeenten krijgen om de nieuwe taak uit te voeren: de
                    verordening. Een ander belangrijk instrument voor het gemeentelijk beleid is het
                    overleg met het onderwijsveld. Op dat overleg, en op de functie van de
                    verordening daarin, wordt tot slot ingegaan.</al><al/><al><onderstreept>2.2.1.1 Aanloop naar de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting</onderstreept></al><al/><al>In 1991 werd in de Tussenbalans van het kabinet-Lubbers III aangekondigd dat de
                    decentralisatie van rijkstaken naar gemeenten en provincies krachtig zou worden
                    gestimuleerd. Een van de taken die volgens het rijk in principe in aanmerking
                    kwamen om te decentraliseren, was de verantwoordelijkheid voor de huisvesting
                    van het basis-, het speciaal en het voortgezet onderwijs. Met het IPO en de VNG
                    is hierover overleg gevoerd, hetgeen resulteerde in een afspraak met de VNG om
                    de mogelijkheden van decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar gemeenten
                    nader te bezien. Al snel stond vast dat het op zichzelf mogelijk was de
                    verantwoordelijkheid voor de voorzieningen die nu bij de minister van OCenW
                    aangevraagd moeten worden, over te dragen aan gemeenten. Veel belangrijker was
                    echter of het mogelijk was gemeenten in een zodanige positie te brengen dat er
                    sprake zou zijn van voldoende beleidsvrijheid, vergroting van efficiency en
                    financiële beheersbaarheid. Ook de autonomievergroting van schoolbesturen was
                    een belangrijke voorwaarde, evenals vermindering van rijksregelgeving. </al><al/><al>Met inachtneming van deze voorwaarden is beschreven op welke wijze de overdracht
                    van taken zou kunnen plaatsvinden. Daarbij is uitgegaan van de overdracht van de
                    bijbehorende middelen naar het Gemeentefonds. In 1993 hebben kabinet en VNG een
                    akkoord gesloten over de decentralisatie van de onderwijshuisvesting. In dat
                    akkoord zijn ook afspraken gemaakt over een efficiencykorting. Aanvankelijk
                    wilde het kabinet een korting van 10% van het over te hevelen rijksbudget
                    doorvoeren, net zoals dat bij de andere projecten die vielen onder de
                    Decentralisatie-impuls het geval was. Uiteindelijk is een korting van f 125
                    miljoen, oplopend van f 25 miljoen in 1996 tot f 125 miljoen in 2000,
                    overeengekomen1. In dit bedrag is f 27 miljoen opgenomen als betaling voor de
                    overdracht van het economische eigendom van gebouwen voor voortgezet onderwijs
                    aan gemeenten.</al><al/><al><onderstreept>2.2.2 Het belang van de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting</onderstreept></al><al/><al>De samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede
                    afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting van
                    de scholen. Bij de realisering van die huisvesting is het van belang een
                    situatie te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school is
                    toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de aanwending
                    van gemeenschapsgelden. In die twee uitgangspunten, maatwerk en efficiency, is
                    de belangrijkste reden voor de decentralisatie van de onderwijshuisvesting te
                    vinden. De centrale overheid is, om allerlei redenen, niet langer in staat
                    voldoende aan die uitgangspunten tegemoet te komen. Gemeenten worden daartoe wel
                    in staat geacht. Veel meer dan de rijksoverheid is het voor gemeenten mogelijk
                    bij het huisvestingsbeleid rekening te houden met de omstandigheden van de
                    school en de overige lokale omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door minder
                    rigide normen te hanteren dan de rijksoverheid en meer ruimte te creëren voor
                    overleg met het scholenveld, zonder overigens de gelijke behandeling van scholen
                    uit het oog te verliezen.</al><al/><al>De decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van
                    belang voor de scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is de
                    nieuwe taak echter van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is
                    immers sprake van huisvestingsbehoefte. Dat geldt niet alleen voor zaken waar
                    gemeenten zich nu mee bezighouden - kinderopvang, volwasseneneducatie, sociaal
                    en cultureel werk etc. - maar ook voor nieuwe gemeentelijke beleidsterreinen als
                    onderwijsachterstandsbeleid. </al><al/><al>De aan gemeenten toebedachte rol van beleidsbepalend coördinator en financier
                    biedt nieuwe mogelijkheden om een optimale afstemming tussen
                    huisvestingsbehoefte, beschikbare huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen
                    te bewerkstelligen. Dat betekent enerzijds dat meer efficiency bereikt kan
                    worden. Anderzijds betekent dit ook dat de inhoud van het lokale onderwijsbeleid
                    via de huisvesting kan worden ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het
                    kader van het achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt
                    besteed aan een bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden
                    dat daar ook in de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt
                    gecreëerd. Het spreekt voor zich dat dit gebeurt in goed overleg met de
                    betrokken schoolbesturen. </al><al/><al>Ook buiten de sfeer van het onderwijs kan de nieuwe taak van gemeenten zijn
                    vruchten afwerpen. Nieuwe vormen van bouwen, bijvoorbeeld schoolwoningen, kunnen
                    worden gestimuleerd. Op zichzelf zijn daarvoor nu ook al mogelijkheden, maar het
                    is nog te vaak een kwestie van zeer lange adem om iets dergelijks gerealiseerd
                    te krijgen. Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar
                    ook andere gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de
                    huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten.</al><al/><al><onderstreept>2.2.3 De wet</onderstreept></al><al/><al>Aan het einde van de zittingsperiode van het vorige kabinet kwam het akkoord met
                    de VNG onder zware druk te staan. Het kabinet wenste de mogelijkheid om de
                    verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting door te decentraliseren aan
                    schoolbesturen in de wet op te nemen. Het kabinet-Kok heeft echter de
                    uitgangspunten van het oorspronkelijke akkoord met de VNG in het regeerakkoord
                    opgenomen. Onder meer hierdoor heeft het tot oktober 1995 geduurd voordat er een
                    wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd ingediend (Kamerstuk 24 455). Inmiddels
                    had de staatssecretaris van OCenW op aandringen van de VNG al besloten om de
                    invoering van de decentralisatie onderwijshuisvesting, die aanvankelijk gepland
                    was op 1 januari 1996, uit te stellen tot 1 januari 1997. </al><al/><al>Het wetsvoorstel is zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer met een grote
                    meerderheid aangenomen. Tijdens de parlementaire behandeling is uitvoerig
                    stilgestaan bij de financiële implicaties van het wetsvoorstel. Dat heeft
                    geresulteerd in een verruiming van de overgangsregeling voor gemeenten die een
                    fors financieel nadeel ondervinden als gevolg van de verdeling van de
                    onderwijshuisvestingsmiddelen naar het Gemeentefonds. Ook zal door middel van
                    een evaluatie na vijf jaar worden bezien of de gekozen verdeelsystematiek
                    bijstelling behoeft en of gemeenten in staat zijn hun wettelijke verplichtingen
                    na te komen. De staatssecretaris heeft een jaarlijkse monitoring aan het
                    parlement toegezegd waarbij, naast de financiële aspecten, ook de lokale
                    ontwikkelingen op het punt van de doordecentralisatie worden bezien. Om vanuit
                    het rijk voldoende waarborgen te bieden aan de scholen is op verzoek van de
                    Tweede Kamer een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel aangebracht. Zo zullen
                    bij algemene maatregel van bestuur minimale oppervlaktenormen worden vastgesteld
                    en is geregeld dat het openbaar en het bijzonder onderwijs ook in procedurele
                    zin gelijk worden behandeld.</al><al/><al>Een belangrijke wijziging betreft de rol die de Onderwijsraad gaat vervullen.
                    Indien een bevoegd gezag meent dat bij de vaststelling van de verordening of bij
                    de vaststelling van het gemeentelijke programma voor de
                    huisvestingsvoorzieningen wordt gehandeld in strijd met de vrijheid van richting
                    of van inrichting, dan kan daarover een advies van de Onderwijsraad worden
                    gevraagd. Dat advies kan ook door de gemeente worden gevraagd. Door
                    inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn de Wet op het basisonderwijs (WBO),
                    de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs (ISOVSO), de Wet op het
                    voortgezet onderwijs (WVO) en de daarop gebaseerde overgangswetten (OWBO,
                    OISOVSO en OWVO) gewijzigd. De wijzigingen leiden ertoe dat grotendeels
                    eenzelfde huisvestingsregime voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs gaat
                    gelden. De belangrijkste elementen uit de wet zijn:</al><al/><al>• de gemeenteraad zorgt voor alle huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied
                    van de gemeente. Het betreft hier de overdracht van de zorgplicht van het rijk,
                    die tegelijkertijd een territoriale beperking krijgt;</al><al>• de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is
                    worden benoemd. Dit zijn grotendeels de voorzieningen die nu bij de minister
                    kunnen worden aangevraagd;</al><al>• de gemeenteraad krijgt de opdracht een verordening vast te stellen. In die
                    verordening moet onder andere geregeld worden welke criteria de gemeente
                    hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen voor de
                    huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke eisen schoolgebouwen
                    moeten voldoen en welke procedures gelden voor aanvragen van schoolbesturen.
                    Voordat de verordening wordt vastgesteld, wordt daarover overleg gevoerd met de
                    schoolbesturen;</al><al>• aan de gemeenteraad wordt ook opgedragen jaarlijks een bedrag vast te stellen.
                    Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van huisvestingsvoorzieningen in het
                    daaropvolgende jaar en moet zodanig worden vastgesteld dat daarmee
                    redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvestingsbehoefte;</al><al>• als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd programma te
                    worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma bevat alle aangevraagde
                    voorzieningen die het jaar daarop voor bekostiging door de gemeente in
                    aanmerking komen. Verzoeken die worden afgewezen komen op het zogenoemde
                    overzicht te staan. De afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld;</al><al>• de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt geweigerd
                    indien:</al><al>o niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan;</al><al>o de voorziening niet noodzakelijk is;</al><al>o op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien, bijvoorbeeld door
                    medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen realiseren krijgt de gemeente het
                    recht leegstaande lokalen te vorderen van een schoolbestuur; o de voorziening
                    noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare nalatigheid van het
                    schoolbestuur;</al><al>o het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend is;</al><al>• in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente met een
                    schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf verantwoordelijk wordt
                    voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor van de gemeente jaarlijks een
                    bedrag ontvangt; de zogenaamde doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle
                    huisvestingsvoorzieningen, maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan
                    voorwaarden stellen aan de doordecentralisatie. De wet kent ook een aantal
                    overgangsbepalingen. Deze dienen met name om te bewerkstelligen dat er geen
                    ’gat’ ontstaat in de toekenning van huisvestingsvoorzieningen door de overgang.
                    De overgangsbepalingen komen er in het kort op neer dat alle beschikkingen die
                    nog door de minister zijn afgegeven, door de gemeenten moeten worden
                    gefinancierd. Dit zijn merendeels beschikkingen voor permanente voorzieningen in
                    1997. Gemeenten moeten zelf beslissingen nemen ten aanzien van een deel van de
                    tijdelijke voorzieningen in 1997 en de spoedvoorzieningen in 1997. Ter
                    uitvoering van de overgangsbepalingen uit de wet voorziet de modelverordening in
                    een overgangsregeling, neergelegd in hoofdstuk 8 van de verordening. De eerste
                    keer dat gemeenten in volle omvang zelf beslissingen gaan nemen is in 1997, ten
                    behoeve van voorzieningen voor 1998.</al><al/><al><onderstreept>2.2.4 De financiën</onderstreept></al><al/><al>De overdacht van taken aan gemeenten gaat uiteraard gepaard met de overdracht
                    van middelen. Gezien de aard van de huisvestingstaak lag de keuze voor het
                    Gemeentefonds het meest voor de hand. Vanaf 1 januari 1997 zal de huidige
                    geldstroom voor huisvestingsvoorzieningen van het ministerie van OCenW aan
                    gemeenten worden stopgezet en worden vervangen door een Gemeentefondsuitkering.
                    In de Financiële verhoudingswet is vastgelegd op welke wijze de verdeling van de
                    middelen plaatsvindt. Het gaat om een bedrag van ruim f 1,7 miljard, zijnde het
                    bedrag dat op dit moment door het rijk wordt ingezet voor de
                    onderwijshuisvesting.</al><al/><al>In de memorie van toelichting bij de wijziging van de WBO, ISOVSO en WVO i.v.m.
                    de decentralisatie van de onderwijshuisvesting, alsmede in de Junicirculaire
                    Gemeentefonds 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken, is een uitvoerige
                    passage opgenomen over de verdeling van de middelen en de maatstaven die
                    daarvoor gebruikt worden.</al><al/><al><onderstreept>2.2.5 Het overleg met het lokale onderwijsveld;
                        consensusmodel</onderstreept></al><al/><al>Alvorens in paragraaf 2.2.6 in te gaan op het formele instrument dat gemeenten
                    ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de verordening),
                    wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument van het overleg.
                    In de wet is een aantal malen overleg met bijzondere scholen of hun
                    vertegenwoordigers voorgeschreven (zie onder B1, Modelverordening procedure
                    overleg huisvesting onderwijs en onder paragraaf 2.2.6.3, De procedures van
                    aanvragen en afhandeling). Méér echter dan een wettelijke verplichting is het
                    overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te voeren. Het is
                    niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de intenties van de
                    gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de wensen en mogelijkheden
                    van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de onderwijshuisvesting wil
                    inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is goed overleg onontbeerlijk. </al><al/><al>In paragraaf 2.2.6 wordt onder andere beschreven wat het programma, het
                    overzicht en de urgentiecriteria inhouden. De toepassing van deze wettelijke
                    instrumenten kàn ertoe leiden dat het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het
                    van jaar tot jaar toe- en afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het
                    niet alleen onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van
                    een meerjarenperspectief is dan niet aan de orde. Indien echter, in overleg met
                    het onderwijsveld, gekomen kan worden tot een meerjarenplanning kunnen de
                    formele instrumenten in belangrijke mate achterwege blijven. Van de scholen
                    wordt dan gevraagd inzicht te geven in hun meerjarenplanning en de daaruit
                    voortvloeiende huisvestingswensen. De gemeente geeft aan wat, naar verwachting,
                    de financiële mogelijkheden zijn en of er ontwikkelingen op andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen verwacht worden die mogelijk van invloed zijn op de
                    onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in gezamenlijk overleg, een planning
                    voor de komende jaren vastgesteld. Dat kan met inachtneming van de
                    urgentiecriteria die in de verordening vastliggen, maar hier kan ook van worden
                    afgeweken als daarover consensus bestaat. De meerjarenplanning leidt vervolgens
                    ieder jaar tot het plaatsen van een aantal voorzieningen op het programma dat
                    door de raad wordt vastgesteld. Dat vereist overigens van de gemeente dat zij
                    een reëel inzicht, ontleend aan de meerjarenbegroting, geeft in de financiële
                    mogelijkheden op langere termijn. Dit systeem kan namelijk alleen werken als,
                    weliswaar niet formeel maar wel materieel, rechten ontleend kunnen worden aan de
                    meerjarenplanning. Dat betekent dat alleen in geval van calamiteiten van de
                    meerjarenplanning wordt afgeweken. Als die zich niet voordoen, rust op de
                    gemeente ten minste de morele plicht om de meerjarenplanning op de
                    overeengekomen wijze uit te voeren. Uiteraard geldt dan voor de schoolbesturen
                    dat zij, calamiteiten daargelaten, geen aanvragen indienen buiten de
                    meerjarenplanning om. </al><al/><al>Het vorenstaande betekent dat de urgentiecriteria in feite niet formeel
                    toegepast worden, omdat uitgegaan wordt van consensus met de schoolbesturen.
                    Slechts als er geen overeenstemming over de meerjarenplanning bereikt wordt,
                    wordt teruggevallen op de formele bepalingen uit de verordening. Dit zogenaamde
                    consensusmodel stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het zowel om de agenda
                    als de deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn als het niet wordt
                    beperkt tot de ’techniek’ van de huisvesting, maar wordt verbreed tot de
                    voornemens en wensen van alle partijen op het brede onderwijsterrein. Dat stelt
                    uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is alleen zinvol als men
                    voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft. </al><al>Bovendien geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid
                    aan te brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar
                    onderwijs. Dat betekent bij voorkeur dat aan het overleg een representant van de
                    gemeente en een representant van het openbaar onderwijs deelnemen. Afhankelijk
                    van de mate van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en de keuze van de
                    directiestructuur kan de representant van het openbaar onderwijs een ambtenaar
                    van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale) directie zijn. Het is
                    uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen op een draagvlak binnen de
                    scholen die zij representeren. Om hiervan verzekerd te zijn kunnen bijvoorbeeld
                    de medezeggenschapsraden vooraf geconsulteerd worden.</al><al/><al>Als het openbaar onderwijs is verzelfstandigd, neemt uiteraard het bevoegd gezag
                    deel aan het overleg (zie ook B1.3, Artikelsgewijze toelichting op de
                    verordening procedure overleg huisvesting onderwijs). Voor het bijzonder
                    onderwijs betekent dit deelname door het schoolbestuur zelf, een representant
                    daarvan met bestuurlijk mandaat of een vertegenwoordiger van een aantal
                    schoolbesturen. Met name in gemeenten met veel schoolbesturen zal een praktische
                    keuze gemaakt moeten worden, om het overleg niet op een ’Poolse landdag’ te
                    laten uitlopen. </al><al/><al>Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent niet dat er geen
                    verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere gemeente
                    waar zich basis-, speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een verordening te
                    hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt toegepast, hij is wel van
                    belang als ’vangnet’ voor het geval er onverhoopt niet met alle schoolbesturen
                    consensus zou kunnen worden bereikt. Bovendien zullen ook de uitkomsten van het
                    consensusmodel tot de vaststelling van een programma (de beschikkingen) door de
                    gemeenteraad moeten leiden. In het overleg kan afgesproken worden dat bepaalde
                    procedurele aspecten van de verordening, zoals ten aanzien van de uitvoering van
                    beschikkingen, wel van toepassing zijn op het consensusmodel.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6 De verordening</onderstreept></al><al/><al>De wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak gestalte
                    te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te vormen van een
                    aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening
                    zodanig moet worden opgezet dat kan worden ’voldaan aan de redelijke eisen die
                    het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt’. </al><al/><al>In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, die door iedere
                    gemeente op de gewenste lokale maat gesneden kan worden, is dat principe
                    uitgewerkt. Deze modelverordening is tot stand gekomen met medewerking van een
                    klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke vertegenwoordigers, en na uitgebreid
                    en constructief overleg met de besturenorganisaties voor het bijzonder
                    onderwijs. De verordening bestaat voor het belangrijkste deel uit bepalingen die
                    volgens de wet moeten worden opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve
                    bepalingen opgenomen. </al><al/><al>Op het eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen, vrij
                    omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de voorkeur
                    heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf 2.2.5) het
                    huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig van inhoud te
                    zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om, ook in beroep, de
                    gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven leidt tot meer
                    bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt. Bovendien vervangt de
                    modelverordening het grootste deel van het omvangrijke scala aan
                    rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu eenmaal niet
                    dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk heeft, dus alle
                    regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten. Om een indruk te
                    geven: de modelverordening vervangt (delen van):</al><al>• Bouwbesluit WBO/ISOVSO;</al><al>• Bekostigingsbesluit WBO/ISOVSO;</al><al>• Huisvestingsbesluit WBO/ISOVSO;</al><al>• Bekostigingsstelsel basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;
                    programma’s van eisen huisvesting;</al><al>• Regeling subsidieplafond en verdelingsregels basisonderwijs en (voortgezet)
                    speciaal onderwijs;</al><al>• Regeling inzending bouwopdracht basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs;</al><al>• Regelingen m.b.t. de huisvestingsmeldingsformulieren basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs;</al><al>• Regelingen m.b.t. de modelprognoses;</al><al>• Regeling invoering architectenverklaring basisonderwijs en (voortgezet)
                    speciaal onderwijs;</al><al>• Huisvestingsbesluit WVO;</al><al>• Regeling huisvesting voortgezet onderwijs;</al><al>• Programma’s van eisen blijvende voorzieningen voortgezet onderwijs;</al><al>• Programma’s van eisen tijdelijke voorzieningen voortgezet onderwijs;</al><al>• Programma’s van eisen inventaris voortgezet onderwijs;</al><al>• Ruimtelijk normeringssysteem (RNS) voortgezet onderwijs.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.1 Uitgangspunten</onderstreept></al><al/><al>In de modelverordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk
                    huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt
                    aangebracht tussen basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit niet
                    alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget vaststelt
                    voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij het opstellen
                    van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van één systematiek. </al><al/><al>Om het mogelijk te maken dat het onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk
                    wordt ingebed in het totale gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en
                    toekenningsprocedure de gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze
                    wordt bewerkstelligd dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het
                    totaal aan beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                    huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in principe
                    dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze zijn het bedrag
                    op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met elkaar in
                    overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld budget, waarna
                    vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het budget toelaat. Een
                    dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan wordt aan de opdracht
                    tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke voorzieningen niet aan
                    bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen die niet absoluut
                    noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal budget is. Dat
                    ’overtollige’ budget kan wellicht beter ingezet worden voor andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen. </al><al/><al>Een ander uitgangspunt van de verordening betreft de efficiency. Niet alleen
                    vanwege de vooraf opgelegde efficiencykorting, maar ook vanwege het algemene
                    belang om zo zorgvuldig mogelijk om te springen met gemeenschapsgelden, heeft
                    dit item een groot accent gekregen in de verordening. De inzet is het zoveel
                    mogelijk gebruik maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt tot
                    uitdrukking in de beoordelingscriteria die worden toegepast bij verzoeken om
                    nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
                    ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het uitgangspunt verlaten
                    dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht bestaat op een ’eigen’
                    gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke accommodaties die beschikbaar
                    worden gesteld voor het onderwijs. </al><al/><al>Het maatwerk, een van de andere belangrijke redenen voor decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting, komt onder andere tot uitdrukking in de vergroting van
                    autonomie die aan schoolbesturen wordt gegeven. Niet langer worden
                    gedetailleerde eisen gesteld aan de vorm waarin een huisvestingsvoorziening
                    wordt uitgevoerd; er worden slechts minimale normen vastgelegd. Zo geldt
                    bijvoorbeeld een minimumoppervlakte voor een lesruimte, om te bewerkstelligen
                    dat een gebouw ook functioneel is voor eventuele andere gebruikers, maar geen
                    minimumnorm voor het totale gebouw. De modelverordening gaat ook niet uit van
                    een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot
                    onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst worden, dan wordt
                    de noodzaak ervan getoetst. Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in de wijze
                    waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot stand komt. De
                    wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen vastlegt. In de memorie
                    van toelichting is aangegeven dat dat ook kan inhouden dat met een zogenoemde
                    offertesystematiek wordt gewerkt. In de modelverordening is ervoor gekozen de
                    vergoeding voor alle voorzieningen waarvoor dat mogelijk is te normeren in de
                    vorm van een soort van programma’s van eisen.</al><al/><al>Voor de voorzieningen waarvoor dat niet mogelijk is wordt uitgegaan van de
                    offertelijn. Die houdt in dat een schoolbestuur bij de aanvraag een begroting
                    overlegt. Na eventuele bijstelling daarvan wordt een voorlopig vergoedingsbedrag
                    vastgesteld. Als de voorziening door de raad is goedgekeurd, vraagt het
                    schoolbestuur een aantal offertes. Op basis daarvan wordt vervolgens het
                    definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op die wijze ontstaat ook in de
                    vergoeding van de voorzieningen het benodigde maatwerk. In de artikelsgewijze
                    toelichting is aangegeven dat ook de vergoedingsbedragen die genormeerd zijn,
                    kunnen worden vervangen door de offertelijn. </al><al/><al> Over het geheel genomen is in de modelverordening geen sprake van een
                    principiële breuk met het huidige rijksbeleid. Zo zijn de normbedragen afgeleid
                    van de voormalige programma’s van eisen en zijn bijvoorbeeld bij
                    verwijsafstanden grotendeels de rijkscriteria overgenomen. Waar mogelijk zijn
                    wel vereenvoudigingen aangebracht. De reden voor de vertaling van grote delen
                    van het rijksbeleid is tweeledig. Enerzijds is het bedrag dat wordt overgeheveld
                    naar gemeenten gebaseerd op dit beleid. Grote afwijkingen hiervan kunnen soms
                    tot meerkosten leiden. Anderzijds laat deze keuze alle mogelijkheden open om in
                    het overleg met de schoolbesturen tot een werkelijk lokale invulling te komen.
                    Zo kan bijvoorbeeld op lokaal niveau het beste ingeschat worden wat het betekent
                    als voor de verwijsafstand wordt gekozen voor een andere kilometergrens of een
                    afbakening van een bepaalde wijk. De modelverordening is dan ook zodanig dat er
                    voldoende ruimte is om er een gemeentespecifieke invulling aan te geven. Als
                    laatste, maar zeker niet onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke
                    behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs genoemd worden.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.2 De structuur</onderstreept></al><al/><al>De modelverordening is opgesteld volgens het ’ladenkastprincipe’. Dit houdt in
                    dat de bepalingen voor de onderwijssoorten die in een gemeente niet voorkomen,
                    gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Dat geldt ook voor facultatieve
                    bepalingen, zoals het toekennen van een vergoeding voor de kosten van
                    bouwvoorbereiding. Verder zijn alle bepalingen waar keuzen gemaakt zijn op het
                    gebied van termijnen duidelijk aangegeven. De gekozen termijnen kunnen zodoende
                    makkelijk vervangen worden. De modelverordening bevat een aanzienlijk aantal
                    vrij technische bepalingen. Dit geldt met name voor de bouwkundige en financiële
                    normering en de urgentie- en prognosecriteria.</al><al/><al>Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de modelverordening daarom uit een zgn.
                    rompverordening met bijlagen. In de romp (zie onder 2.1) staan bepalingen die in
                    hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden, zoals de begripsomschrijvingen, de
                    aanvraagprocedure en de competentieverdeling tussen raad en college van
                    burgemeester en wethouders. Verder is een aantal ’kapstokbepalingen’ opgenomen.
                    Deze maken het mogelijk dat een nadere uitwerking plaatsvindt in de bijlagen.
                    Romp en bijlagen vormen overigens in juridische zin één geheel. De
                    totstandkoming en wijziging van de bijlagen (zie onder 2.4) zullen op dezelfde
                    wijze dienen plaats te vinden als die van de romp. Dat betekent overigens niet
                    dat iedere wijziging tot een nieuwe vaststelling door de gemeenteraad moet
                    leiden. Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld moeten worden, zoals
                    normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan burgemeester en wethouders</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.3 De procedures van aanvragen en
                        afhandeling[1]</onderstreept></al><al/><al>Wat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke
                    begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien
                    noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van de
                    huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het schema op
                    blz. 11 wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten plaatsvinden,
                    waarbij met jaar ’t’ het jaar van uitvoering van de huisvestingsvoorziening door
                    het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven maanden zijn uiteraard indicatief. </al><al/><al>Het hiervoor beschreven proces kan zich in principe ieder jaar herhalen. Dit
                    betekent bijvoorbeeld dat op het moment van overleg met de schoolbesturen over
                    het raadsvoorstel voor het programma, ook het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over een eventuele wijziging van de Verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs kan plaatsvinden. Dit met inachtneming van het gestelde in de
                    Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs (B1). </al><al/><al>Er is bij de aanvraagprocedures geen onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment
                    en voor hetzelfde programma aangevraagd. Dat kan ook omdat ten opzichte van het
                    systeem van vóór 1 januari 1997 de procedure voor de voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen met één jaar bekort is. Die voorzieningen worden nu het
                    jaar voorafgaand aan de realisering aangevraagd. Indien zich calamiteiten
                    voordoen, waarbij de voortgang van het onderwijs belemmerd wordt, kan een
                    spoedprocedure gevolgd worden. Door de verkorting van de reguliere procedures
                    zal hiervan naar verwachting weinig gebruik hoeven te worden gemaakt.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.4 De normering</onderstreept></al><al/><al>De wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële normen
                    vast te leggen. Ten aanzien van de financiële normering bestaan straks geen
                    centrale voorschriften meer. Het vastleggen hiervan is dus volledig overgelaten
                    aan gemeenten. Wel moet de vaststelling zodanig plaatsvinden, dat een
                    schoolbestuur vooraf weet waar het op kan rekenen. Voor de bouwkundige normering
                    is er wel sprake van centrale regelgeving. Met name in het Bouwbesluit van VROM
                    zullen eisen aan gebouwen, waaronder schoolgebouwen, gesteld worden. Ook zijn in
                    een algemene maatregel van bestuur van OCenW minimale oppervlaktenormen gegeven
                    (Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO, Stb. 1997, 125).
                    Aanvullend daarop zijn in de modelverordening enkele minimale eisen opgenomen. </al><al/><al>De bouwkundige normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan
                    welke eisen nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de
                    bouwkundige normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de
                    functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te
                    beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet worden. </al><al/><al>Omdat er in het primair onderwijs nog steeds discussies (en beroepszaken) lopen
                    over de precieze capaciteit van gebouwen, is het verstandig om bij de invoering
                    van de decentralisatie een zogenoemde nulmeting te houden. Aan de hand daarvan
                    kan worden vastgelegd wat de capaciteit van de gebouwen is op dat moment. Dit is
                    met name van belang als er een groot verschil is tussen de feitelijke
                    oppervlakte van een gebouw en het aantal leerlingen dat er volgens de normen in
                    zou moeten passen. De nulmeting zou eventueel uitgebreid kunnen worden met een
                    inventarisatie van de onderhoudstoestand. Bijlage III, deel A, bij de
                    modelverordening beschrijft een procedure voor de nulmeting. Zoals in paragraaf
                    2.2.6.1 al is aangegeven is voor de normering gekozen om het huidige systeem dat
                    door het rijk gehanteerd wordt, in grote lijnen over te nemen. Dat betekent voor
                    het primair onderwijs dat zal worden aangesloten bij de Bouwbesluiten WBO en
                    ISOVSO, en voor het voortgezet onderwijs bij het Ruimtebehoeftemodel (RBM). Dit
                    geschiedt vanuit drie overwegingen. Er is de afgelopen jaren niet gebleken dat
                    de bouwkundige normering in haar algemeenheid te ruim of te krap zou zijn. Dat
                    kan in individuele gevallen wel het geval zijn, maar de modelverordening biedt
                    de mogelijkheid tot maatwerk voor die specifieke omstandigheden.</al><al/><al>Als algemene norm lijken de huidige normen dus bruikbaar. Ten tweede dient er
                    rekening mee gehouden te worden dat de huidige gebouwenvoorraad grotendeels
                    voldoet aan de huidige normen. Een afwijking daarvan in gemeentelijke
                    verordeningen zou een hausse aan aanvragen met zich mee kunnen brengen. Tot
                    slot, in aansluiting hierop, is het financiële aspect van belang. Het budget dat
                    aan gemeenten beschikbaar wordt gesteld, is gebaseerd op de huidige normen. Een
                    afwijking daarvan zal vermoedelijk eerder een opwaarts dan een neerwaarts effect
                    op de kosten geven. </al><al/><al>Het overnemen van de rijksnormen betekent overigens niet dat daarmee ook de
                    starheid in uitvoering wordt overgenomen. In de toepassing van de normen zit de
                    mogelijkheid van maatwerk. Zo wordt ervan uitgegaan dat een schoolbestuur niet
                    per definitie de normoppervlakte behoeft te realiseren. Er is ten aanzien van de
                    indeling van een gebouw gekozen voor minimale eisen, om de vrijheid van een
                    schoolbestuur zo groot mogelijk te laten zijn. Wel wordt bijvoorbeeld bepaald
                    wat de minimumoppervlakte van een leslokaal moet zijn. Dit gebeurt om te
                    waarborgen dat een gebouw ook functioneel is voor een eventuele nieuwe
                    gebruiker. </al><al/><al>Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties: een strikt
                    genormeerde lijn en een offertelijn. Ook kan een combinatie van beide worden
                    gekozen. De genormeerde lijn houdt in dat, net als nu, met programma’s van eisen
                    gewerkt wordt, die precies aangeven welk bedrag voor welke voorziening staat. In
                    de verordening wordt aangegeven hoe die bedragen bijgesteld worden; uitvoering
                    daarvan is opgedragen aan burgemeester en wethouders. De offertelijn houdt in
                    dat het schoolbestuur voor een gewenste voorziening een aantal offertes vraagt,
                    op basis van vooraf vastgestelde uitgangspunten. Op basis van de overgelegde
                    offertes stelt de gemeente het vergoedingsbedrag vast. Met name voor
                    voorzieningen als aanpassingen en onderhoud kan de offertelijn uitkomst bieden,
                    vooral als gestreefd wordt naar maatwerk. Deze voorzieningen zijn immers zo
                    afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het gebouw, dat ze moeilijk
                    vooraf te normeren zijn. Die normering is echter wel mogelijk, en kan met name
                    voor gemeenten met veel scholen een uitkomst bieden.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.5 Beoordelings- en urgentiecriteria</onderstreept></al><al>Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek in
                    principe voor bekostiging in aanmerking komt. Voorbeelden van
                    beoordelingscriteria zijn een bepaling over met hoeveel leerlingen een school
                    moet groeien om in aanmerking te komen voor extra ruimte, of een bepaling dat
                    een prognose moet aantonen dat een bepaald aantal leerlingen gedurende een
                    bepaald aantal jaren de school zal bezoeken. Als voldaan is aan de
                    beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en het
                    beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk bekostigd wordt.
                    Omdat als uitgangspunt is gekozen voor één budget voor alle schoolsoorten,
                    gelden de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat betekent dat is
                    gezocht naar een methode om verzoeken van verschillende schoolsoorten onderling
                    vergelijkbaar te maken. </al><al>De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier hoofdgroepen: </al><al> 1. voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen (te
                    weinig ruimte);</al><al>2. voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                    handhaven;</al><al>3. noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of krachtens
                    de wet gestelde verplichtingen (Arbo-besluit, Bouwbesluit,
                    brandveiligheidsvoorschriften);</al><al>4. voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te heffen die
                    het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen (bijvoorbeeld andere indeling gebouw), doch die als zodanig niet
                    verplicht zijn. De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden
                    in een aantal subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken
                    om uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep
                    moet worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan
                    bijvoorbeeld door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei
                    plaatsvindt, de hoogste prioriteit heeft. Alle binnengekomen verzoeken worden
                    dus eerst beoordeeld aan de hand van wettelijke voorschriften en de
                    gemeentelijke beoordelingscriteria.</al><al/><al>De voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op het overzicht. De
                    voorzieningen die overblijven worden met behulp van de urgentiecriteria in
                    volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de hand hiervan bepaald
                    welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze komen op het
                    programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de bedragen die
                    op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het bedrag
                    bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor het
                    volgende jaar opneemt. </al><al>De voorzieningen die ’onder de streep’ belanden, worden wegens ontoereikendheid
                    van het budget op het overzicht geplaatst. Als er voldoende budget is, komen
                    alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op één moment het bedrag, het
                    programma en het overzicht vastgesteld. De voorzieningen die het volgende jaar
                    door de gemeente vergoed worden komen op het programma; alle afgewezen verzoeken
                    komen op het overzicht.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.6. Prognosecriteria</onderstreept></al><al/><al>In de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen in de
                    meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. Tot voor kort werd een aantal prognosemodellen
                    voorgeschreven (Probo II voor basisscholen, Lasso voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en het prognosemodel
                    huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de verordening burgemeester
                    en wethouders de bevoegdheid nadere regels vast te stellen. </al><al>Als model hiertoe is in samenwerking met de besturenorganisaties voor het
                    openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt ’programma van eisen voor
                    leerlingprognoses’ opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het niveau
                    van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur
                    moet voldoen. In het programma van eisen is een beschrijving gegeven van
                    definities, begrippen en formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren
                    van de juiste basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal
                    leerlingen van de school. Het zou de voorkeur verdienen dat het ’programma van
                    eisen voor leerlingprognoses’ ook gehanteerd zou kunnen worden voor de stichting
                    van nieuwe scholen. Op het moment van deze publicatie bestaat hierover echter
                    nog geen duidelijkheid. Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek ligt
                    voor de hand wanneer de specifieke positie van enkele kleinere richtingen aan de
                    orde is. Het betreft hier met name gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en
                    vrije scholen, waarbij de kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote
                    voedingsgebied een wezenlijke rol spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden
                    door op onderdelen van de standaardsystematiek af te wijken of door deze
                    systematiek op een bepaalde manier toe te passen.</al><al/><al><onderstreept>2.2.6.7 Vaststelling van de verordening</onderstreept></al><al/><al>Op de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende
                    bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO, de
                    WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen. </al><al/><al>De grondslag voor de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de
                    Grondwet. De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt
                    dientengevolge over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de
                    openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de
                    huishouding van de gemeente (artikel 149 Gemeentewet). Daarnaast is de raad op
                    grond van artikel 108, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen te
                    treffen die door hogere regelingen worden gevorderd. Daarvan is in het geval van
                    de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs sprake. </al><al/><al>De regelgevende bevoegdheid van de raad kan worden gedelegeerd aan burgemeester
                    en wethouders behalve als het verordeningen betreft die worden gehandhaafd door
                    strafbepaling of bestuursdwang. Bij de vaststelling van de
                    huisvestingsverordening is in het model niet gekozen voor delegatie aan
                    burgemeester en wethouders. Dit voornamelijk gelet op de reikwijdte van de
                    verordening en gezien burgemeester en wethouders tevens bevoegd gezag van de
                    openbare scholen kunnen zijn. De uitvoering van de verordening is in de
                    modelverordening in een aantal gevallen wel aan burgemeester en wethouders
                    opgedragen. De raad stelt de verordening vast bij volstrekte meerderheid van
                    stemmen (artikel 30 Gemeentewet). Om verbindende werking te verkrijgen moet
                    vervolgens krachtens artikel 140 Gemeentewet de bekendmaking van het besluit
                    plaatsvinden. Dit gebeurt ’door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij
                    gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen
                    verkrijgbaar gestelde uitgave’. De inwerkingtreding van de door de gemeenteraad
                    vastgestelde verordening volgt in beginsel op de achtste dag na de bekendmaking
                    van het besluit, tenzij een ander tijdstip voor inwerkingtreding is aangewezen
                    (artikel 143 Gemeentewet). In de modelverordening is voor dit laatste gekozen,
                    door uit te gaan van 1 januari 1997 als datum van inwerkingtreding. </al><al/><al>Of er een inspraakprocedure voorafgaat aan de vaststelling van de verordening,
                    hangt af van hetgeen de gemeentelijke inspraakverordening daarover bepaalt. In
                    zijn algemeenheid zal er geen inspraakprocedure gelden, omdat verordeningen
                    meestal niet onder de werking van de inspraakverordeningen vallen. </al><al/><al>Van preventief toezicht (goedkeuring) door gedeputeerde staten is in het geval
                    van de huisvestingsverordening geen sprake. De huisvestingsverordening valt niet
                    onder de categorie besluiten waarvoor die vorm van toezicht geldt. Van
                    repressief toezicht (vernietiging bij koninklijk besluit) kan theoretisch sprake
                    zijn. Artikel 265 van de Gemeentewet bepaalt dat alle besluiten van het
                    gemeentebestuur vernietigd kunnen worden voor zover zij in strijd zijn met het
                    recht of het algemeen belang. Aan de burgemeester is opgedragen om, door
                    tussenkomst van gedeputeerde staten, melding te maken van dergelijke besluiten
                    bij de kroon. Ter bescherming van de autonomie van gemeenten wordt uiterst
                    terughoudend met het repressieve toezicht omgegaan. De onderwijswetten kennen
                    ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van de
                    huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217
                    WVO dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de
                    gemeenteraad een procedure vaststellen. Een modelverordening voor dat overleg is
                    in dit handboek onder B1 opgenomen. </al><al/><al>Artikel XIX van de Decentralisatiewet onderwijshuisvesting geeft twee bepalingen
                    omtrent de huisvestingsverordening. De eerste heeft betrekking op de regeling
                    die vastgesteld moet worden voor de afhandeling van aanvragen die nog bij de
                    minister van OCenW zijn ingediend. Deze regeling moet vóór 1 januari 1997 worden
                    vastgesteld. Hiervoor geldt niet dat overleg moet zijn gevoerd met
                    vertegenwoordigers van alle scholen die niet door de gemeente in stand worden
                    gehouden. In de regeling op basis van artikel XIX is in de modelverordening
                    voorzien door een aantal overgangsbepalingen in hoofdstuk 8. Lid 2 van artikel
                    XIX bepaalt dat de gemeentelijke huisvestingsverordening ten minste wordt
                    vastgesteld acht weken voordat aanvragen voor het programma kunnen worden
                    ingediend. Uitgaande van de indieningsdatum van 1 februari in de
                    modelverordening, moet de gemeentelijke huisvestingsverordening dus vóór 7
                    december 1996 worden vastgesteld. De vaststelling van de overgangsbepalingen en
                    de eigenlijke verordening kan op hetzelfde tijdstip plaatsvinden wanneer dit
                    tijdstip ligt voor 7 december 1996. De inwerkingtreding van de verordening kan
                    vervolgens met ingang van 1 januari 1997 plaatsvinden.</al><al/><al><onderstreept>2.2.7 Rechtsbescherming</onderstreept></al><al/><al>De WPO, de WEC en de WVO verklaren wat de rechtsbescherming betreft de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Tegen de vaststelling van de verordening
                    is geen bezwaar of beroep mogelijk; de Awb sluit dat op dit moment uit. Per 1
                    januari 1999 wordt dat mogelijk anders. Het is namelijk de bedoeling dat artikel
                    8:2 Awb, dat onder andere de algemeen verbindende voorschriften uitsluit van
                    bezwaar en beroep, op die datum komt te vervallen. </al><al/><al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                    besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                    modelverordening gekregen. In diverse bepalingen zijn termijnen voorgeschreven
                    waarbinnen besluiten moet worden genomen, er wordt voldaan aan de hoorplicht
                    door middel van het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van het programma
                    en er zijn bepalingen opgenomen omtrent motivering en bekendmaking van
                    besluiten. </al><al/><al>Over de rechtsbescherming die van toepassing is nadat de gemeente een besluit op
                    grond van de verordening heeft genomen, wordt in de modelverordening zelf niets
                    bepaald; hier gelden onverkort de bepalingen van de Awb. Dit betekent dat een
                    besluit van de gemeente, genomen op grond van de verordening, openstaat voor
                    bezwaar en daarna voor beroep. In het besluit geeft de gemeente aan dat binnen
                    zes weken na bekendmaking bezwaar kan worden gemaakt, ofwel bij de raad, ofwel
                    bij burgemeester en wethouders (afhankelijk van het orgaan dat het besluit
                    genomen heeft). Tevens wordt aangegeven dat binnen zes weken na bekendmaking een
                    voorlopige voorziening bij de president van de arrondissementsrechtbank kan
                    worden gevraagd. Dit recht ontstaat tegelijkertijd met het recht om bezwaar te
                    maken. </al><al/><al>Indien de heroverweging op grond van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden, en
                    deze leidt niet tot een gewijzigd besluit, dan moet in de mededeling daarvan aan
                    degene die bezwaar heeft gemaakt worden aangegeven dat binnen zes weken na
                    ontvangst van die mededeling beroep kan worden aangetekend bij de
                    administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank. Van de uitspraak van de
                    rechtbank kan in hoger beroep worden gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State. </al><al/><al>Een nieuwe vorm van rechtsbescherming betreft de introductie van een advies van
                    de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een schoolbestuur kan een dergelijk
                    advies vragen. Het advies van de Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader
                    van de vaststelling of wijziging van de verordening, en in het kader van de
                    vaststelling van het jaarlijkse huisvestingsprogramma. Indien een schoolbestuur
                    van mening is dat het voorgenomen besluit van de gemeente ten aanzien van de
                    verordening of het huisvestingsprogramma in strijd is met de vrijheid van
                    richting of inrichting, kan daarover advies worden gevraagd. Het advies wordt
                    binnen vier weken gegeven. Bij het definitieve besluit houdt de gemeente
                    rekening met het advies; een eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd
                    worden. </al><al/><al>2.2.8 Ten slotte</al><al/><al>Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van de
                    wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de
                    verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 2.2.5 is verwoord
                    dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in overleg met de
                    schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te geven. Daarbij kunnen
                    dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen betrokken worden. De modelverordening is geschreven voor alle
                    Nederlandse gemeenten. Daarbij kan onmogelijk volledig recht gedaan worden aan
                    de verschillende lokale omstandigheden. Het is daarom van groot belang de
                    verordening te beschouwen als een dynamisch beleidsinstrument, dat op de maat
                    van de individuele gemeente gesneden wordt en dat ook, waar nodig, regelmatig
                    aangepast wordt. Naast de modelverordening zal de VNG gemeenten ook andere
                    handreikingen bieden om het huisvestingsbeleid gestalte te geven. Hierbij kan
                    gedacht worden aan een handreiking omtrent doordecentralisatie en het efficiënt
                    omgaan met bestaande en nieuwe gebouwen.</al><al/><al><onderstreept>2.3 Artikel gewijze toelichting</onderstreept></al><al/><al>In de tekst van de verordening zijn passages cursief weergegeven. Deze passages
                    betreffen:</al><al>• termijnen die worden gehanteerd (bijvoorbeeld artikel 6);</al><al>• de aanduiding van onderwijssoorten (bijvoorbeeld artikel 1 onder d);</al><al>• bepalingen die een keuzemogelijkheid bieden (bijvoorbeeld artikel 4, derde
                    lid);</al><al>• bepalingen die niet voortvloeien uit een wettelijke verplichting (bijvoorbeeld
                    artikel 3 in samenhang met hoofdstuk 4).</al><al>• Bij de vaststelling van de verordening kan worden uitgegaan van andere
                    termijnen, kunnen alleen die passages worden opgenomen die gezien de
                    aanwezigheid van onderwijssoorten in de gemeente relevant zijn en kan een keuze
                    worden gemaakt voor een geboden mogelijkheid.</al><al/><al>Considerans</al><al/><al><onderstreept>Reikwijdte verordening</onderstreept></al><al/><al>De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten over de
                    onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden. Zo
                    kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs volstaan met een
                    verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze gemeente - afgezien van
                    de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het onderscheid naar onderwijssoort
                    niet relevant is - met minder bepalingen/bijlagen kan volstaan dan een gemeente
                    die beschikt over voorzieningen voor zowel basisonderwijs, (voortgezet) speciaal
                    onderwijs als voortgezet onderwijs. Indachtig het ’ladenkast-principe’ kunnen
                    uit de tekst van de modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt
                    wanneer in een gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is.
                    Wanneer deze situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de
                    verordening alsnog aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het
                    verdwijnen van een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te
                    zijn, omdat dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van
                    de ene op andere dag voltrekken. </al><al/><al>De hiervoor geschetste benadering kan in juridische zin worden gebaseerd op de
                    wettelijke bepaling dat ’de verordening zodanig wordt vastgesteld dat kan worden
                    voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van de
                    scholen in de gemeente stelt’. Met andere woorden: wanneer er geen scholen voor
                    voortgezet onderwijs (inclusief nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente
                    aanwezig zijn, dan is er ook geen sprake van de (juridische) noodzaak om te
                    voldoen aan de redelijke eisen van de onderwijshuisvesting van de
                    ’niet-aanwezige scholen’. </al><al/><al>Delegatie raad aan burgemeester en wethouders</al><al>Tekst weggelaten tekst strookt niet met wet dualisering.</al><al/><al>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordening</al><al/><al>Het wettelijk voorgeschreven ’op overeenstemming gericht’ overleg tussen de
                    gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                    verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                    mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om
                    dit belang te benadrukken is dit overleg in de considerans aangehaald. Het op
                    overeenstemming gericht overleg dient te worden gevoerd aan de hand van een door
                    de gemeenteraad vastgestelde procedure. Met de modelverordening ’procedure
                    overleg huisvesting onderwijs’ (zie onder B1/1.1) kan hierin worden
                    voorzien.</al><al/><al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd- en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score. De
                    score wordt als volgt bepaald:</al><al>• Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                    capaciteit. Bij </al><al> aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op een aanwezige
                    capaciteit voor </al><al> 8 groepen. De 55%-score bij aanvraag e komt tot stand omdat de bestaande
                    oefenvloer </al><al> van 140 m² wordt uitgebreid tot 252 m²; </al><al> • Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de bouw
                    technische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem aan te
                    pakken;</al><al>• Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                    onderwijskundige vernieuwing.</al><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                    bedoeld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>