<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33698_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang gemeente Berkelland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 11 januari 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang gemeente Berkelland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering 3 januari 2005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang gemeente Berkelland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente B e r k e l l a n d;</al><al>gelezen de voorstellen van de colleges van Borculo, Ruurlo, Eibergen en
                        Neede van 2 en 16 november 2004;</al><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang;</al><al>gezien de brief van 18 augustus 2004 van de minister van Sociale Zaken en
                        Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, waarin hij
                        aankondigt artikel 6 lid 1, onder k, artikel 6, eerste lid onder l, en
                        artikel 23 van de Wet kinderopvang vooralsnog per 2005 niet in werking te
                        laten treden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening: <vet>Verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Berkelland.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de wet</cursief>: de Wet kinderopvang.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 2 VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN
                            SOCIAAL-MEDISCHE INIDCATIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Te verstrekken gegevens</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang
                                    op grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien
                                            dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het
                                            adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                            de aanvraag betrekking heeft; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al/><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische </al><al>indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen;
                                    <cursief>of</cursief></al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 3 AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens van de aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al></li><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en,
                                    indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het
                                    adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de kinderen
                                    waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau
                                    dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt
                                    aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs
                                    per uur en de aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit bnlijkt dat de
                                    ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22
                                    van de wet; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                    besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 4 VERLENGING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouders is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college bij een ouder als
                                bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming verlenen voor het aantal
                                uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk
                                is voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlenging van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;
                                        <cursief>en</cursief></al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 5 VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 6 VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijke
                                    mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TITEL 7 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op
                                haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treedt titel 2 van deze verordening
                                in werking op het moment dat artikel 23 van de wet in werking
                                treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Berkelland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van de raad van 3 januari 2005.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>VERORDENING WET KINDEROPVANG GEMEENTE BERKELLAND</vet></al><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)’. Artikel
                    25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de
                    verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming. De
                    “Verordening Wet kinderopvang gemeente Berkelland” geeft uitvoering aan deze
                    wettelijke opdracht.</al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                    tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen
                    van toepassing zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb. </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen</vet></al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.</al><al/><al><vet>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                        bevorderen </vet></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente. Om de gemeente in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                    verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                    verordening de volgende bepalingen opgenomen: </al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                            eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt
                            aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze
                            groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                            kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken. </al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                            waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst
                            is genomen.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt. </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar </vet></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur één kalenderjaar.
                    Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de
                    Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar
                    opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen
                    waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming
                    beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al/><al><vet>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen </vet></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen
                    van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming
                    een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. </al><al>Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de gemeente onderzoek doen naar
                    de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </titel></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                        toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                        gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met
                        de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                        ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’
                        (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang). Om de doorlooptijd van de
                        adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het aanbeveling dat de gemeente
                        ‘harde’ afspraken maakt de adviserende organisaties over de termijn
                        waarbinnen adviezen worden uitgebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit
                        betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                        worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                        sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                        aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit
                        over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de
                        aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het
                        besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze
                        verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. </al><al>Het kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om
                        een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal
                        hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. Het college neemt het
                        besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit advies is niet
                        bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan afwijken. Als het
                        college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal
                        het college de redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren
                        (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het geval
                        waarin een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend
                        besluit neemt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft
                        aan dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische
                        indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een
                        andere bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische
                        noodzaak. De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel
                        26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar
                        de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                        schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). Omdat een tegemoetkoming voor de
                        duur van een tegemoetkomingsjaar wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk
                        jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor de aanvragers zo beperkt
                        mogelijk te houden, verdient het aanbeveling dat de gemeente het
                        aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij
                        het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente bekend
                        zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan
                        te geven.</al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een
                        verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang
                        van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan
                        wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                        kinderopvang en artikel 16, eerste lid).Onderdeel d van het eerste lid
                        bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of contract van het kindercentrum of
                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit
                        betekent dat de aanvraag voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan
                        worden ingediend als de ouder over een offerte of contract beschikt. Op
                        basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van de
                        tegemoetkoming vaststellen. </al><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen,
                        moet ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid,
                        Wet kinderopvang). Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de
                        aanvraag gegevens of een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit
                        blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal
                        gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de
                        gemeente over de gegevens beschikt: </al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                                IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van
                                een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringprogramma volgt; </al></li><li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                        verstrekken: </al><lijst><li nr="-"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                                inkomensvoorziening kunstenaars. </al></li><li nr="-"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt
                                scholing of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van
                                de WWB of kan zo’n uitkering ontvangen. </al></li><li nr="-"><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school of
                                instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met
                                2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000. </al></li><li nr="-"><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt gebruik
                                van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="-"><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt gebruik
                                van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Indien de
                                uitkering wordt verkregen in een andere gemeente: naam van deze
                                gemeente.</al></li><li nr="-"><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut.</al></li><li nr="-"><al>Trajectplan van het UWV.</al></li><li nr="-"><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner
                                heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                                volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is
                                reeds neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                        aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                        en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding
                        van de omvang van de kinderopvang. In de modelverordening is gekozen voor
                        een beslistermijn van ten hoogste vier weken die eventueel met vier weken
                        kan worden verlengd. De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor
                        de datum waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten
                        worden aangevraagd. </al><al>Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken vóór 1 januari
                        bij de gemeente moeten indienen. Het feit dat het college een termijn van
                        vier weken heeft om te beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming,
                        wil uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen
                        moet benutten. De gemeente zal er naar moeten streven de behandelingstermijn
                        van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed
                        mee geboden is direct af te handelen. Door middel van mandatering van de
                        beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden versneld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden
                        om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                        toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                        geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen; <cursief>of</cursief></al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn. </al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager: </al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                                beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, <cursief>of
                                </cursief></al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend
                                of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                                personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe
                                bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming.
                        Er zijn twee ingangsdata mogelijk: </al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder
                                op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang
                                hebben. </al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                kinderopvang plaatsvindt. </al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                        kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                        gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van
                        artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag: </al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend; </al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend; </al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten; </al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen. De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van
                        toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang.
                        De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag
                        daarvoor door het college in ontvangst is genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                        Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                        tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                        betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. Het college kan de
                        tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het
                        geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op de
                        tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een
                        bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                        tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                        andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                        verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen
                        eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                        tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de
                        omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de
                        wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een
                        gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal
                        uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in
                        het systeem van de wet waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij
                        nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg.</al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten
                        van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke
                        eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ’Koakopje’, zie
                        artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet
                        kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem
                        op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een
                        (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten
                        betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag
                        naar kinderopvang. Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is
                        deze bepaling in de verordening opgenomen die de aanspraak op een
                        tegemoetkoming enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de
                        bevoegdheid om bij de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per
                        geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft
                        om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken. </al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig
                        is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden
                        met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of
                        een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                        ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                        sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft
                        voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd. Het is aan te
                        bevelen dat het college in beleidsregels neerlegt hoe het wil omgaan met
                        zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk
                        geobjectiveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van
                        de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de
                        wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f).
                        Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van
                        maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking
                        de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de
                        volgende verplichtingen worden gedacht: </al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode; <cursief>en</cursief></al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en
                                met derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                        waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                        (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingsjaar betreft). </al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                        niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                        machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of
                        gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets
                        aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. </al><al>Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of
                        gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming van
                        gemeente aan de ouder. Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om
                        nadere voorschriften te stellen over de wijze van bevoorschotting van de
                        tegemoetkoming. Zo kan het college bepalen dat er alleen een voorschot wordt
                        betaald op basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau.
                        Het college zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan
                        of een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                        (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen
                        houdt in dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt.
                        De ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij
                        het college in te dienen. De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken
                        na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het
                        college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                        periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is
                        verleend, dient het overzicht van de kosten uiterlijk vier weken na 31
                        december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van de kosten
                        kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                        gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het
                        college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te
                        stellen.</al><al>In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de rechtmatigheid
                        van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en
                        eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau
                        op te vragen. In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                        bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                        aangevraagd recht op heeft. </al><al>De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                        tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van de
                        tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                        basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening
                        van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                        beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan
                        van een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. Als de aanvrager
                        de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming op een lager
                        bedrag vaststellen. </al><al>Lager vaststellen kan ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft
                        deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op
                        grond van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, <cursief>of </cursief></al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger
                                dit wist of behoorde te weten. </al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                        subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten
                        waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als
                        noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie
                        niet in aanmerking genomen’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen
                        deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                        uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                        bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet
                        kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel 16).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt
                        deze verplichting hier herhaald. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                        inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau.
                        Deze bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                        burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de
                        aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;
                                    <cursief>en</cursief></al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                        tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                        terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke
                        boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                        maatregelen nader ingegaan.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                                tegemoetkoming </onderstreept></cursief></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in
                        de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                        teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: </al><al>a.de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de
                        situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van
                        de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb). </al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                        beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van
                        de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                                geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                                tegemoetkoming zou hebben geleid; <cursief>of</cursief></al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                        bepaald. Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb). Het college
                        hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het besluit
                        tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het college
                        kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te schorten. Op
                        grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van
                        een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de
                        ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                        bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken
                        of te wijzigen. </al><al>Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de
                        intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                        kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. Ad b.
                        de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                        beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw). Ook als de
                        tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen bevoegd
                        de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken of
                        ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. </al><al>Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                                vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte
                                kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
                                overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger
                                van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;
                                    <cursief>en</cursief></al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                                tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                                verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van
                        de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de
                        dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)
                            </onderstreept></cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                        tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan
                        de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel
                        38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (Wwb)
                        over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard
                        op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat
                        het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                        tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                        terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                        (artikel 60, eerste lid Wwb).</al><al/><al><cursief><onderstreept>De bestuurlijke boete </onderstreept></cursief></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college
                        in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke
                        boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke
                        boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                        verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van
                        de overtreder (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het
                        betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet
                        kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                        inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                        volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang); </al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                                kinderopvang); <cursief>en</cursief></al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                                college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid,
                                Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72,
                        eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de
                        hoogte van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                        Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete
                        wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                        overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                        persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                        geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                        bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties: </al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden; </al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;
                                    <cursief>en</cursief></al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                plaatsgevonden. </al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                        artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>