<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33692_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering gemeente Berkelland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 15 december 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Berkelland 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art 8, 19 lid 5, 23 lid 3 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 8 december 2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering gemeente Berkelland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering : 8 december 2009</al><al>Agendanummer : 21</al><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 november
                        2009;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19 vijfde lid, 23 derde lid en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatie-verstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtigen voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de :</al><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING GEMEENTE BERKELLAND 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente</al><al> Berkelland</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringplichtigen</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al> Het college zorgt dat de inburgeringplichtigen op een
                                        doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over
                                        hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het
                                        aanbod van en de toegang tot inburgeringvoorzieningen. </al></li><li nr="2."><al> Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                        inburgeringplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                        middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>Het inrichten van een informatiepunt in het
                                                gemeentehuis en bij de Stichting </al><al> Integratie Nieuwkomers;</al></li><li nr="b."><al>Het verstrekken van schriftelijke
                                                voorlichtingsmateriaal bij aanvragen WWB- </al><al> uitkeringen;</al></li><li nr="c."><al>Het toezenden van schriftelijk
                                                voorlichtingsmateriaal aan personen ten </al><al> aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens
                                                uit het Bestand </al><al> Potentiële Inburgeringplichtigen redelijkerwijs kan
                                                worden aangenomen dat </al><al> zij inburgeringplichtig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college beoordeelt tenminste eenmaal in de twee jaren de
                                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                                        informatieverstrekking aan de inburgeringplichtigen en
                                        rapporteert daarover aan de raad. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een inburgeringvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>Onvoldoende taalvaardigheid Nederlands</al></li><li nr="b."><al>Ontvangen van een WWB-uitkering</al></li><li nr="c."><al>hebben van een opvoedingstaak.</al></li></lijst><al>Op basis hiervan kunnen de volgende doelgroepen worden aangewezen als
                            prioritaire doelgroepen:</al><lijst><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigde inburgeringplichtigen;</al></li><li nr="-"><al>verzorgende ouders zonder inkomsten uit werk of uit
                                    uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringvoorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                                taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, zorgt het college er voor dat
                                de inburgeringvoorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt
                                afgestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringvoorziening of een taalkennisvoorziening kan, naast
                                datgene dat in de wet is geregeld, een of meer van de volgende
                                onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>Vergoeding van kosten kinderopvang</al></li><li nr="b."><al>Reiskostenvergoeding </al></li><li nr="c."><al>Vergoeding leermiddelen </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste achttien termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                inburgeringvoorziening of de taalkennisvoorziening de termijnen van
                                betaling vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de
                                algemene bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringplichtige bij beschikking een of meer van
                            de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de inburgeringvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt aangeboden
                                en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan die
                                voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al
                                dan niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot vaststelling van de inburgeringvoorziening of
                                taalkennisvoorziening overeenkomstig het gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringexamen of staatsexamen Nederlands
                                    als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 200,00 indien de
                                inburgeringplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 400,00 indien de
                                inburgeringplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                                uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringvoorziening of
                                taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet
                                of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                                wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                Inburgeringplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                Inburgeringplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 800,00 indien de
                                Inburgeringplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringexamen
                                heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000,00 indien de
                                Inburgeringplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringexamen
                                heeft behaald. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening wordt van kracht met ingang van de eerste dag na die
                            van de</al><al> bekendmaking en treedt in werking per 1 januari 2010.</al><al>2.De verordening Wet inburgering gemeente Berkelland 2007 vastgesteld
                            door de</al><al> gemeenteraad op 13 maart 2007 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Berkelland 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van</ondertekening><ondertekening>8 december 2009</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><al>NB: In de Wet inburgering is het begrip “inburgeringvoorziening” uitgebreid met
                    “taalkennisvoorziening”. In de hieronder staande toelichting worden beide
                    begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel geval wordt uit
                    overweging van leesbaarheid het woord “voorziening” gehanteerd, waarmee zowel
                    inburgeringvoorziening als taalkennisvoorziening wordt aangeduid.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                        gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en
                        de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringplichtigen in haar gemeente goed te
                        informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet
                        inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                        informatievoorziening aan de inburgeringplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                        bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                        over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringplichtigen,
                        ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van
                        het aanbod van en de toegang tot inburgeringvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                        Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast
                        te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                        inburgeringplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het eerste en derde
                        lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor worden gekozen om in
                        de verordening vast te leggen welke middelen het college (in ieder geval)
                        moet aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringplichtigen te
                        organiseren. In dat geval moet het tweede lid in de verordening worden
                        opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden gemaakt voor de instrumenten
                        die daarbij worden ingezet. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                        artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                        inburgeringplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                        informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de
                        raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringplichtigen kan op allerlei manieren
                        worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten
                        (het inburgeringloket) al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het
                        is ook mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringplichtigen onder
                        te brengen bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook
                        kunnen gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                        bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                        informatievoorziening aan inburgeringplichtigen. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval)
                        een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                        inburgeringplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                        aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen
                                ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het
                                Bestand Potentiële Inburgeringplichtigen redelijkerwijs kan worden
                                aangenomen dat zij inburgeringplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                                website.</al></li></lijst><al>Gemeente Berkelland heeft de voorbeelden a, b en c opgenomen in de
                        verordening Wet inburgering.</al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                        inburgeringplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen,
                        zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de
                        informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou
                        vervolgens door de raad getoetst kunnen worden waarbij eventuele
                        verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om efficiënt aan de verplichting van
                        het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting mogelijk bij
                        de uitvoering van de actieve informatieplicht van het college aan de raad op
                        grond van artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college kan aan alle inburgeringplichtigen een aanbod doen voor een
                        inburgeringvoorziening (artikel 19, eerste lid, WI). Het college is echter
                        verplicht een inburgeringvoorziening of een taalkennisvoorziening aan te
                        bieden aan asielgerechtigden en een inburgeringvoorziening aan geestelijke
                        bedienaren. </al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad
                        bij verordening regels stellen met betrekking tot de criteria die worden
                        gehanteerd bij het doen van een aanbod aan inburgeringplichtigen. Dit
                        artikel vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het
                        college opgedragen om vast te stellen aan welke groepen
                        inburgeringplichtigen bij voorrang een inburgeringvoorziening kan worden
                        aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke kaders
                        het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is van belang dat
                        deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een
                        inburgeringvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren. Het
                        college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten
                        kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel
                        steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet te
                        strak vast te stellen is dat gemeenten op dit moment wellicht geen duidelijk
                        zicht hebben op de precieze omvang van bepaalde mogelijke doelgroepen
                        (bijvoorbeeld oudkomers zonder werk of uitkering). Te strenge criteria
                        zouden wel eens kunnen leiden tot het niet benutten van de beschikbare
                        middelen voor het aanbieden van inburgeringvoorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                            voorrang </cursief>een inburgeringvoorziening krijgen aangeboden. Dit
                        betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een
                        inburgeringvoorziening aan te bieden aan inburgeringplichtigen die niet
                        behoren tot de groep of groepen die hij heeft aangewezen. Om te voorkomen
                        dat inburgeringplichtigen die behoren tot de groep of groepen die het
                        college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het
                        krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de groepen
                        die hij aanwijst een inburgeringvoorziening <cursief>kan</cursief>
                        aanbieden. </al><al>Voorbeelden van criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd en
                        op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al>Gemeente Berkelland had in de vorige Verordening Wet inburgering reeds een
                        keuze gemaakt voor doelgroepen. In deze verordening is ervoor gekozen deze
                        gemaakte keuze aan te houden. Er zijn geen redenen af te wijken van deze
                        eerdere gemaakte keuze. </al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad
                        (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college
                        zijn besluit aan welke groepen inburgeringplichtigen bij voorrang een aanbod
                        zal worden gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                        vaststelling door het college van een passende inburgeringvoorziening of
                        taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                        van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit
                        artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht
                        heeft voor iedere inburgeringplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een
                        op de persoon toegesneden inburgeringvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                        inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                        bepalen van de passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren
                        een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringplichtige van de Nederlandse taal en de
                                Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringplichtige vervult of gaat
                                vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht
                                aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van
                                kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringplichtige. Daarbij kan
                                bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                inburgeringplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringvoorziening voor geestelijke bedienaren
                        wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                        mogelijkheid om de inburgeringvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                        aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringplichtigen die een voorziening
                        gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                        inburgeringvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                        uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                        inburgeringvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringplichtige
                        niet wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringvoorziening gecombineerd
                            <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een inburgeringvoorziening
                        wordt aangeboden aan een inburgeringplichtige die bijstandsgerechtigd is of
                        een uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                        socialezekerheidsregeling <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is
                        om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Het
                        college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                        inburgeringvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                        artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat
                        de inburgeringvoorziening wordt afgestemd op de reïntegratievoorziening.
                        Aangezien deze voorzieningen in het kader van de uitkeringsverstrekking op
                        grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen
                        dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college afspraken moeten
                        maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of
                        –regeling: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                        eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                        onderdeel van de inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening kan
                        opnemen. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringvoorziening in ieder
                        geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het inburgeringexamen of
                        het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos
                        afleggen van het desbetreffende examen (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                        maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                        inburgeringvoorziening of de taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid,
                        WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                        van de inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringplichtigen kan opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding
                        of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken met de
                        inburgeringplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een uitbreiding van de
                        opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke stage of een
                        aparte module die gericht is op het verwerven van kennis van de Nederlandse
                        samenleving. </al><al>Gemeente Berkelland zal genoemde mogelijkheden op klantniveau bekijken en
                        afwegen. Indien nodig zullen genoemde opties ingezet worden bij de
                        inburgeraar. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                        belang zijn bij inburgeringplichtigen die geen inburgeringvoorziening in
                        combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij
                        voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten
                        reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringexamen ook een
                        praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                        getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                        inburgeringvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van
                        deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een belangrijke
                        rol vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                        inning van de eigen bijdrage van de inburgeringplichtige door het college en
                        de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De
                        hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                        bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                        tweede lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringplichtige
                        het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen.
                        Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringplichtigen die algemene
                        bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met
                        deze uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat
                        worden vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de
                        inburgeringvoorziening. </al><al>Als de inburgeringplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                        college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                        houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                        geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze
                        van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt
                        dus niet in deze verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt
                        dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten
                        van de inburgeringplichtige voor wie een inburgeringvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid
                        aan het college om de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                        inburgeringplichtigen in het kader van een inburgeringvoorziening of
                        taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot
                        de vaststelling van de inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening deze
                        verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen
                        dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang
                        omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is –
                        leidt tot een besluit tot het toekennen van een inburgeringvoorziening of
                        taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod
                        van een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                        inburgeringplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt
                        toegestuurd naar het adres waar de inburgeringplichtige staat ingeschreven
                        in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid ontstaan over het feit
                        dat het college de inburgeringplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                        uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met
                        het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot het
                        vaststellen van de inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening (die
                        eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel
                        dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringplichtige
                        het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                        meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                        mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                        inburgeringplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringplichtige aan de gemeente
                        meldt dat hij wel een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening wil,
                        maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou
                        willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief
                        reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                        inburgeringplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                        voorbereiden op het inburgeringexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er
                        geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                        inburgeringexamen moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college
                        in een dergelijke situatie een handhavingbeschikking neemt: een besluit op
                        grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de
                        inburgeringplichtige het inburgeringexamen moeten hebben behaald (vijf jaar
                        na aanvang van deze termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college
                        deze handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen
                        duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van
                        een aanbod voor een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                        inburgeringplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                        beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder
                        geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                        rechten en plichten van de inburgeringplichtige nauwkeurig moeten worden
                        vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringplichtige is verplicht zijn
                        medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringvoorziening of
                        de taalkennisvoorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is
                        alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringplichtige duidelijk
                        zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                        beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringplichtige het inburgeringexamen moet
                        hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In de
                        beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                        (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                        termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                        plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                        bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                        college een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening vaststelt voor
                        een oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag
                        opnemen waarop de termijn van handhaving van de inburgeringplicht van start
                        gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen vijf jaar ná
                        deze datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben
                        behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van
                        de inburgeringplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn
                        direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop
                        de voorziening van start gaat). De precieze datum waarop de
                        inburgeringvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het
                        moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van een
                        datum van aanvang van handhaving van de inburgeringplicht, onafhankelijk van
                        het moment waarop met de inburgeringvoorziening kan worden begonnen bij het
                        uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                        inburgeringplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het
                        voldoen aan de inburgeringplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                        bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen
                        kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende
                        overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                        gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan
                        ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen
                        en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de
                        bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de
                        mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het
                        college daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder
                        de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). Deze bepaling
                        brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete
                        zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele
                        omstandigheden van de betrokken inburgeringplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                        inburgeringvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                        (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens
                        te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een
                        bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op
                        grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het opleggen van
                        een boete of maatregel op grond van een andere scocialezekerheidswet of –
                        regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit
                        artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke boete
                        kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                            overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                        overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                        mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen de verordening worden opgenomen als
                        in artikel 9, eerste en tweede lid, <onderstreept>lagere</onderstreept>
                        maximum boetebedragen zijn opgenomen dan de maximum bedragen in de wet. De
                        verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                        uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI worden
                        genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                        overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld
                        12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn vaststellen.
                        Gemeente Berkelland houdt de termijn van 12 maanden aan. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, Wi biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                        bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in
                        het geval dat de inburgeringplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                        verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringexamen te behalen.
                        Dit is geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. </al><al>Als de inburgeringplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                        inburgeringexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                        boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel
                        9, derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het
                        college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                        inburgeringplichtige alsnog het inburgeringexamen moet behalen dan wel op
                        een andere wijze aan zijn inburgeringplicht heeft voldaan. Als de
                        inburgeringplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringexamen
                        niet heeft behaald, maakt het derde lid het mogelijk dat het college een
                        hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34,
                        onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe
                        termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringplichtige het
                        inburgeringexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringplichtige ook binnen deze (derde) termijn niet aan de
                        inburgeringplicht heeft voldaan, regelt het vierde lid dat het college
                        wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                        vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van
                        termijnen door de inburgeringplichtige. </al><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het
                        derde lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen in
                        dat geval is er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de
                        bestuurlijke boete (tot maximaal € 1000). </al><al>De gemeente Berkelland stelt een lager bedrag vast in het derde lid,
                        namelijk € 800,00, en kan daarmee het vierde lid handhaven in deze
                        verordening.</al><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van
                        maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte
                        van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen
                        deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het college heeft in het
                        reeds vastgestelde Beleidsplan Wet Inburgering beleidsregels vastgelegd hoe
                        dit beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel opgelegd bij welke
                        overtreding en met welk bedrag wordt de boete in beginsel verhoogd als de
                        betrokken inburgeringplichtige dezelfde overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </al><al>8 december 2009</al><al>de griffier, de voorzitter, </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>