<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR336830_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zandvoortse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art.3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop (Stb. 2010, 145 en 146)</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-08-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-09-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2014-003512</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Hulpdiensten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16
                        juli 2014, nr. 2014/07/000269;</al><al/><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                        (Stb. 2010, 145 en 146) alsmede het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en
                        676); </al><al/><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al/><al><vet>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING 2014</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 DE VERORDENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>een inrichting; een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                            plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                            ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren,</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Verbodsbepaling</label></kop><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin: a. meer dan 50 personen tegelijk aanwezig
                            zullen zijn of, b. aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het
                            kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of, c. aan meer
                            dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10 lichamelijk of
                            geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft.</al><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Weigeringgronden</label></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Gebuikseisen</label></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige
                            toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                            inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Brandveiligheidsvoorzieningen</label></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)
                            zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Melden van brand en broei</label></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de</al><al>brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Bossen, heidevelden, venen</label></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1, eerste
                            lid van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) en dat met
                            brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te
                            volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het
                            beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Bestuurlijke boete</label></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1
                                <cursief>°.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Overgangsrecht</label></kop><al>Vergunningen verleend onder werking van de brandbeveiligingsverordening
                            2010 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van
                            deze</al><al> verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag</al><al> om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening 2010 is
                            ingediend </al><al> waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                            toegepast.</al><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag
                            om</al><al> vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening 2010wordt beslist
                            met </al><al> toepassing van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 augustus 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop><al/><al><cursief>ALGEMEEN</cursief></al><al/><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas in werking op 1 januari 2015. Tot die tijd
                    zal op de grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. Als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's, het niet beschikbaar zijn van de
                    hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant overgangsrecht in de
                    Wetveiligheidsregio's zal de raad een nieuwe brandbeveiligingsverordening moeten
                    vaststellen. De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van
                    rechtswege bij de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's. </al><al/><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels
                    voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al/><al><cursief>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING IS VANGNET</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien, Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al/><al><cursief>ONDERWERP VAN DE REGELING: OBJECTEN DIE GEEN BOUWWERK
                    ZIJN</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    debrandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar we! van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: “<cursief>niet
                        bouwwerken”</cursief>'.</al><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel,
                    eendrijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te
                    bepalen.De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van
                    doel, n.l.brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften)
                    geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken, Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                    geval het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing.
                    Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing
                    ervan in het Bouwbesluit 2012 is een constructie die drijft op het water meestal
                    geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                    de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde
                    object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor
                    de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde
                    plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde
                    tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond
                    van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over de lastige
                    vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van
                    staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    demodelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al><cursief>-bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><al>1) constructie,</al><al>2) van enige omvang,</al><al>3) met de grond verbonden,</al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuistisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de modelbouwverordening
                    van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening.</al><al/><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998,
                    5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al/><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al/><al><cursief>GEBRUIKSVERGUNNING VOOR EEN INRICHTING</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al/><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij.</al><al/><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld (niet-bouwwerk) kunt u
                    dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden
                    drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><al/><al><cursief>WABO</cursief></al><al/><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al/><al><cursief>DIENSTENRICHTLIJN</cursief></al><al/><al>De modelbrandbeveiligingsverordening is aangepast aan de Dienstenrichtiijn.</al><al/><al/><al><cursief>TOEZICHT OP DE NALEVING</cursief></al><al/><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                    wijst op grond van artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan
                    belast met de opsporing van strafbare feiten.</al><al/><al/><al><cursief>BESTUURLIJKE BOETE</cursief></al><al/><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1 °. De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere
                    beschrijving van de uitvoering van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de
                    Awb rekening hoeft te houden. Een alternatief artikel is aan het model van de
                    verordening toegevoegd.</al><al/><al/><al><cursief>STRAFBEPALING</cursief></al><al/><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie De welgever heeft bier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al/><al><cursief>INTREKKEN VERGUNNING</cursief></al><al/><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>