<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR336172_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad nr. 2012/0280991</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005645">Provinciewet, art. 145</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0025458">Waterwet, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-16</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PS/2012/161</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 16-5-2012</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal blad nr. 2012/0280991</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-40812</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-40813</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-40814</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-40815</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-40816</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De Waterwet voorziet in een modern juridisch instrumentarium om het
                            waterbeheer te ondersteunen. Naast de integratie van wetgeving is
                            modernisering, stroomlijning en vermindering van regels en
                            administratieve lasten leidraad geweest bij de ontwikkeling van deze
                            wet. </al><al>Naast een provinciale waterverordening die provinciebrede onderwerpen
                            zoals het regionale waterplan en het onderwerp grondwater (voor zover
                            nog een provinciale bevoegdheid) regelt, is er per waterschap een
                            interprovinciale waterverordening die de waterschapseigen onderwerpen
                            regelt. </al><al>Deze verordening voorziet daarin. In verband met de fusie van de
                            waterschappen Veluwe en Vallei en Eem wordt een nieuwe waterverordening
                            vastgesteld voor het nieuwe waterschap. Deze waterverordening is
                            gebaseerd op de waterverordeningen van de beide op te heffen
                            waterschappen. Nieuw is artikel 2.6, waarin is opgenomen de regionale
                            verdringingsreeks Valleikanaal en Eem.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 BEGRIPSBEPALINGEN, TOEPASSINGSBEREIK, TOEDELING BEHEER EN
                            TOEDELING AANWIJZING</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e78"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In hoofdstuk 1 zijn de
                                    begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen die in de wet
                                    en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld
                                    oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze
                                    verordening herhaald. Gemakshalve wordt voor de uitleg van die
                                    begripsbepalingen verwezen naar de wet en het Waterbesluit. </noot.al><noot.al>De wet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is
                                    bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen.
                                    Hiertoe is in artikel 3.1 van de wet bepaald dat alle
                                    watersystemen of onderdelen daarvan die bij het rijk in beheer
                                    zijn, worden aangewezen bij Algemene Maatregel van Bestuur. In
                                    artikel 2.2, tweede lid van de Waterschapswet is bepaald dat de
                                    zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan
                                    waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is
                                    met een goede organisatie van de waterstaatskundige verzorging.
                                    De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent
                                    dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een
                                    waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een
                                    uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid van
                                    de Waterschapswet.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr=""><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_1_">algemeen bestuur: algemeen bestuur
                                    van het waterschap;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_2_">beheerplan: plan als bedoeld in
                                    artikel 4.6 van de wet;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_3_">buitengebied: gebied van een gemeente
                                    buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_4_">dagelijks bestuur: college van
                                    dijkgraaf en heemraden van het waterschap;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_5_">gedeputeerde staten: gedeputeerde
                                    staten van Gelderland en Utrecht, tenzij anders is bepaald;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_6_">Minister: Minister van Infrastructuur
                                    en Milieu;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_7_">peilbesluit: besluit als bedoeld in
                                    artikel 5.2 van de wet;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_8_">profiel van vrije ruimte: ruimte ter
                                    weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering
                                    die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve
                                    van een toekomstige versterking van de waterkering;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_9_">projectplan: plan als bedoeld in
                                    artikel 5.5 van de wet;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_10_">regionale waterkering: een
                                    waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in
                                    de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en als zodanig
                                    is aangewezen in deze verordening;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_11_">reglement: Reglement voor het
                                    waterschap Vallei en Veluwe</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_12_">waterschap: waterschap Vallei en
                                    Veluwe;</al></li><li nr=""><al id="anker-H51597_0_0_1_13_">wet: Waterwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op het gebied van het waterschap,
                            bedoeld in artikel 2.1, van het reglement.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Toedeling beheer</titel></kop><al><noot id="d1925e147"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van artikel 3.2, eerste
                                    lid van de wet moeten voor de niet bij het rijk in beheer zijnde
                                    watersystemen of onderdelen daarvan bij provinciale verordening
                                    beheerders worden aangewezen. Hierbij dient artikel 2, tweede
                                    lid van de Waterschapswet in acht te worden genomen. Ter
                                    uitvoering van artikel 3.2 van de wet is in artikel 1.3 van deze
                                    verordening het waterschap aangewezen als beheerder van het
                                    regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de regleme
                                    ntaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde de
                                    waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze
                                    taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is
                                    opgedragen.</noot.al><noot.al>Met de in de taakopdracht opgenomen clausulering wordt
                                    bereikt dat de toedeling van beheer geen betrekking heeft op
                                    watersystemen die in beheer zijn bij het rijk of op
                                    vaarwegbeheer dat als onderdeel van het watersysteembeheer bij
                                    een gemeente of provincie berust. De aanwijzing van
                                    vaarwegbeheerders zal plaatsvinden in provinciale verordeningen.
                                    De Invoeringswet Waterwet geeft overigens voor die aanwijzing
                                    uitstel van drie jaar tot 22 december 2012).]</noot.al></noot></al><al>Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort
                            tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 2.3 van het
                            reglement.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Toedeling aanwijzing</titel></kop><al><noot id="d1925e164"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Wat betreft het interprovinciale
                                    toezicht met betrekking tot aanwijzing en in de plaatstreden is
                                    de normale systematiek gevolgd. Dit betekent dat de provincie
                                    bevoegd is op wiens grondgebied het besluit in hoofdzaak
                                    betrekking heeft.]</noot.al></noot></al><al>Voor de toepassing van artikel 3.12 van de wet wordt het toezicht
                            uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie op wier
                            grondgebied het besluit, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid in
                            hoofdzaak betrekking heeft.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Normen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>§ 2.1 Regionale waterkeringen</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e184"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van artikel 2.4 van
                                        de wet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan
                                        te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer
                                        zijn bij een andere beheerder dan het Rijk,
                                        veiligheidsnormen worden vastgesteld. In deze titel wordt
                                        daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste
                                        beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van
                                        hun functie van regionale betekenis worden geacht. De
                                        desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de
                                        als bijlage 1 bij deze verordening behorende kaarten. Op die
                                        kaarten is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm
                                        aangegeven.</noot.al><noot.al>Door het stellen van normen wordt nader invulling
                                        gegeven aan de reglementair opgedragen taak van de
                                        waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van
                                        hun gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het
                                        watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet
                                        aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm
                                        van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze
                                        titel een specifieke beheersopdracht op te nemen die inhoudt
                                        dat het waterschap er voor zorgdraagt dat de regionale
                                        waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen.
                                        Hetzelfde geldt voor de normen wateroverlast (zie artikel
                                        2.5).]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen</titel></kop><al>Deze titel is van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn
                                aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende
                                kaarten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2 Veiligheidsnorm</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e207"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om een bepaald
                                            veiligheidsniveau voor een gebied te verzekeren behoeven
                                            de rond dat gebied gelegen waterkeringen niet alle aan
                                            dezelfde veiligheidseisen te voldoen. De te stellen
                                            eisen kunnen afhankelijk gesteld worden van factoren als
                                            het watervolume dat door een waterkering wordt gekeerd,
                                            het landgebruik direct achter de waterkering en de
                                            aanwezigheid van polderkades in het gebied. Om die reden
                                            is ervoor gekozen niet een gebied te normeren, maar de
                                            waterkeringen rondom een gebied. </noot.al><noot.al>Voor regionale waterkeringen gelden verschillende
                                            veiligheidsnormen. Voor de regionale waterkeringen die
                                            direct regionaal water keren is de gemiddelde
                                            overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen
                                            van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm. Het
                                            wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de
                                            economische schade die bij het falen van de waterkering
                                            kan optreden. Hiertoe zijn de desbetreffende
                                            waterkeringen die op de als bijlage 1 bij deze verord
                                            ening behorende kaarten zijn opgenomen, naar gelang de
                                            mogelijk optredende schade in klassen ingedeeld,
                                            oplopend van een overschrijdingskans van 1/10 per jaar
                                            tot een overschrijdingskans van 1/1250 per jaar. De
                                            uitgangspunten voor de berekening van de schade en de
                                            vertaling naar de klassen zijn mede afgeleid van de
                                            IPO-Leidraden ter bepaling van normen voor boezemkaden
                                            en waterkeringen langs regionale wateren. Voor elk van
                                            de regionale waterkeringen, die direct regionaal water
                                            keren, is de veiligheidsnorm op de als bijlage 1
                                            opgenomen kaarten opgenomen. </noot.al><noot.al><vet>Tweede en derde lid</vet></noot.al><noot.al>Zoals hiervoor is aangegeven is op de kaarten voor
                                            de verschillende regionale waterkeringen of delen
                                            daarvan de veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte
                                            norm dient voor de dagelijkse praktijk
                                            geoperationaliseerd te worden. Dit geschi edt enerzijds
                                            in de vorm van een voorschrift voor de toetsing en
                                            anderzijds in de vorm van een technische leidraad voor
                                            het ontwerp van een regionale waterkering. Omdat het
                                            hierbij om een uitwerking van de veiligheidsnorm gaat,
                                            is de bevoegdheid tot vaststelling in handen van
                                            gedeputeerde staten gelegd. </noot.al><noot.al>Om te bereiken dat de toetsing van de actuele
                                            veiligheidssituatie door de beheerders op uniforme wijze
                                            tot stand komt, hebben de daarvoor gestelde regels het
                                            karakter van een bindend voorschrift. Afwijking hiervan
                                            is niet mogelijk. Wat betreft het ontwerp hebben de
                                            regels het karakter van een richtlijn. Dat betekent dat
                                            de beheerder een bepaalde ruimte wordt gelaten om in
                                            verband met specifieke plaatselijke omstandigheden af te
                                            wijken. Een afwijking kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om
                                            voor de langere termijn een optimum te realiseren tussen
                                            aanleg- en onderhoudskosten.</noot.al><noot.al><vet>Vierde lid</vet></noot.al><noot.al>Ten behoeve van de beoordeling van het waterkerend
                                            vermogen is het nodig dat gedeputeerde staten naast
                                            voorschriften over de wijze van toetsing tevens de
                                            maatgevende hoogwaterstanden vaststellen. Voor regionale
                                            waterkeringen langs de boezem wordt de maatgevende
                                            waterstand bepaald door het maatgevend boezempeil, de
                                            scheefstand van de boezem door opwaaiing en de werking
                                            van de boezemgemalen. Voor de regionale waterkeringen
                                            langs vrij afstromende wateren wordt de maatgevende
                                            waterstand berekend door middel van een hydrologische
                                            analyse. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van
                                            afvoernormen, metingen en/of modellen. </noot.al><noot.al>Het vaststellen van het tijdstip waarop de
                                            verschillende regionale waterkeringen aan de gestelde
                                            veiligheidsnorm moeten voldoen, is bepalend voor de
                                            zorgplicht van de beheerder en is derhalve een
                                            aangelegenheid van het provinciaal bestuur. Er is echter
                                            om de volgende reden niet voor gekozen dat tijdstip in
                                            deze verordening vast te leggen. De omvang van het door
                                            de beheerder uit te voeren maatregelenpakket wordt
                                            bepaald door de uitkomst van het toetsingsproces. De
                                            (financiële) inspanningen die de beheerder zal moeten
                                            leveren om de regionale waterkeringen te laten voldoen
                                            aan de vastgestelde veiligheidsnorm worden verder in
                                            hoge mate bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de
                                            gevraagde inspanning geleverd moet worden. Het bepalen
                                            van het tijdstip waarop de waterkeringen op orde moeten
                                            zijn, vereist een afweging tussen enerzijds wat
                                            wenselijk is wat betreft veiligheid en anderzijds wat
                                            aanvaardbaar is wat betreft lastenstijging. Dat is
                                            maatwerk. Om die reden is die bevoegdheid in handen van
                                            gedeputeerde staten gelegd en is bepaald dat
                                            gedeputeerde staten overleg voeren met het dagelijks
                                            bestuur van de beheerder alvorens zij een dergelijk
                                            besluit nemen.</noot.al><noot.al><vet>Vijfde en zesde lid</vet></noot.al><noot.al>Omdat de verordening van toepassing is op het
                                            gebied van meer provincies wordt de verordening
                                            vastgesteld door provinciale staten van de betreffende
                                            provincies. Uitdrukkelijk is bepaald dat een
                                            gemeenschappelijk besluit vereist is voor een besluit
                                            tot een wijziging van een kaart of tot een wijziging van
                                            een veiligheidsnorm die betrekking heeft op een
                                            regionale waterkering die in meer provincies is gelegen.
                                            Hoewel provinciale staten van elk van de betrokken
                                            provincies hiertoe afzonderlijk bevoegd zijn voor hun
                                            eigen gebied wordt het vanwege de onderlinge samenhang
                                            wenselijk geacht dat daarvoor een gemeenschappelijk
                                            besluit wordt genomen. </noot.al><noot.al>In geval een regionale waterkering in één provincie
                                            is gelegen, is een gemeenschappelijk besluit niet nodig
                                            en kunnen provinciale staten van die provincie
                                            afzonderlijk een dergelijk besluit nemen. Om te
                                            verzekeren dat beide provincies beschikken over een
                                            gelijkluidende tekst van de verordening inclusief
                                            bijlagen is bepaald dat een dergelijk wijzigingsbesluit
                                            wordt bekendgemaakt in het provinciaal blad van elk van
                                            de betrokken provincies.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_1_"> Op de als bijlage 1 bij deze
                                    verordening behorende kaarten is voor elke regionale waterkering
                                    of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_2_"> Gedeputeerde staten stellen een
                                    technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale
                                    waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de
                                    beheerder.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_3_"> Gedeputeerde staten stellen
                                    voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te
                                    verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale
                                    waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de
                                    maatgevende hoogwaterstanden vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_4_"> Gedeputeerde staten stellen na
                                    overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de
                                    verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten
                                    voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_5_"> Een wijziging van de kaart, bedoeld
                                    in artikel 2.1, of een wijziging van de veiligheidsnorm, bedoeld
                                    in het eerste lid, geschiedt bij besluit of gemeenschappelijk
                                    besluit van provinciale staten van de provincie of provincies
                                    waarin de regionale waterkering is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_2_6_"> De bekendmaking van een besluit als
                                    bedoeld in het vijfde lid geschiedt door plaatsing in het
                                    provinciaal blad van elk van de provincies.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Slaperdijk</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e276"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De wijze van normering van
                                            waterkeringen met (mede) een compartimenterende functie
                                            is afwijkend van de normering van regionale
                                            waterkeringen die direct regionaal water
                                            keren.</noot.al><noot.al>De Slaperdijk bij Veenendaal heeft een dergelijke
                                            functie. Zo heeft de Slaperdijk een belangrijke invloed
                                            op het overstromingsverloop bij doorbraak van de
                                            Grebbedijk. De aanwezigheid van de Slaperdijk vertraagt
                                            de overstroming van het gebied ten noordwesten van de
                                            dijk en heeft een opstuwende werking ten zuidoosten van
                                            de dijk. </noot.al><noot.al>Om duidelijkheid te verkrijgen over de wenselijke
                                            status van de Slaperdijk is een studie uitgevoerd,
                                            waarin is onderzocht op welke wijze (met welke norm)
                                            deze kering moeten worden opgenomen in de verordening.
                                            In de afwegingen is daarbij ondermeer gekeken naar de
                                            eventueel benodigde investeringskosten, effecten op de
                                            gevolgschade en het aantal slachtoffers en de effecten
                                            op bestaande LNC-waarden (landschap, natuur en
                                            cultuurhistorie). </noot.al><noot.al>Op basis hiervan geldt geen norm in de vorm van een
                                            overschrijdingskans, maar geldt de norm dat het huidig
                                            profiel van de waterkering gehandhaafd moet worden. De
                                            belangrijkste overweging daarbij is dat het versterken
                                            of verwijderen van de Slaperdijk geen significante
                                            invloed heeft op de gevolgschade bij een grootschalige
                                            overstroming ten opzichte van de huidige situatie en dat
                                            een dijkversterking bovendien grote gevolgen heeft voor
                                            de bestaande belangrijke LNC-waarden.</noot.al><noot.al>Het aanwijzen van deze kering als regionale
                                            waterkering betekent dat deze moet worden opgenomen in
                                            de legger van de beheerder. Overeenkomstig het bepaalde
                                            in artikel 4, eerste lid, van de ingetrokken Verordening
                                            waterkering Vallei en Eem is in het eerste lid
                                            vastgelegd dat het huidig profiel naar de situatie van 1
                                            september 2008 moet worden vastgelegd.</noot.al><noot.al>Door het vastleggen in de legger komt deze
                                            waterkering ook onder de werkingssfeer van de keur te
                                            vallen. Met behulp hiervan kan het waterschap
                                            activiteiten weren die de huidige waterkerende functie
                                            kunnen aantasten.</noot.al><noot.al>De keuze voor het handhaven van het huidig profiel
                                            betekent overigens dat de Slaperdijk geen volwaardige
                                            waterkerende functie heeft. De belangrijkste functie van
                                            de Slaperdijk is de vertragende functie in geval van een
                                            doorbraak van de Grebbedijk. Hierbij is het van belang
                                            dat ook diverse doorgangen in de Slaperdijk afsluitbaar
                                            worden gemaakt. Dat betreft duikers in watergangen en
                                            kruisingen met wegen. De belangrijkste is de doorgang in
                                            het Valleikanaal bij de Rode Haan. Het ter plaatse
                                            afsluiten van de Slaperdijk is ondermeer nodig om de
                                            benodigde vertraging (van een overstroming) te
                                            realiseren, waardoor er in het achterliggende gebied
                                            meer tijd is voor evacuatie en voorbereidende
                                            maatregelen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat dit
                                            gebied helemaal droog blijft.</noot.al><noot.al>Hoewel de nadelige gevolgen van een gesloten
                                            Slaperdijk beperkt zijn, wordt het toch wenselijk geacht
                                            dat bij een dreigende overstro ming pas tot sluiting van
                                            de doorgangen in de Slaperdijk wordt overgegaan na
                                            preventieve evacuatie van de overstroombare gebieden van
                                            de gemeenten Veenendaal, Wageningen, Rhenen en Ede. De
                                            betrokken overheden en instanties zullen dit moeten
                                            verwerken in hun rampenbestrijdingsplannen.</noot.al><noot.al>Om buiten twijfel te stellen dat het afsluitbaar
                                            maken van de Slaperdijk tot de beheersopdracht van het
                                            waterschap behoort, is dat expliciet opgenomen in het
                                            tweede lid van artikel 2.3.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_3_7_"> Voor de Slaperdijk, die als zodanig
                                    is aangegeven op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende
                                    kaart, geldt als veiligheidsnorm het profiel van die waterkering
                                    op 1 september 2008. Dat profiel wordt vastgelegd in de legger,
                                    bedoeld in artikel 4.1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51598_0_1_3_8_"> Het beheer van de Slaperdijk omvat
                                    tevens het afsluitbaar maken van de doorgangen in de Slaperdijk,
                                    waaronder die in het Valleikanaal ter hoogte van de Rode Haan,
                                    die als zodanig is aangegeven op de als bijlage 1 bij deze
                                    verordening behorende kaart.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4 Interprovinciale regionale waterkering</titel></kop><al><noot id="d1925e315"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Indien een waterkering in meer
                                        dan een provincie is gelegen, is het doelmatig als het
                                        toezicht daarop wordt uitgeoefend door het college van
                                        gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering
                                        in hoofdzaak is gelegen. Dit artikel voorziet
                                        daarin.]</noot.al></noot></al><al>Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan één
                                provincie, wordt het toezicht op die waterkering uitgeoefend door
                                gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in
                                hoofdzaak is gelegen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2.2 Waterkwantiteit</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5 Normen waterkwantiteit</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e336"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting:
                                            </vet>Algemeen</vet></noot.al><noot.al>Op grond van artikel 2.8 van de wet moeten bij
                                            provinciale verordening met het oog op de bergings- en
                                            afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn
                                            ingericht, normen worden gesteld met betrekking tot de
                                            gemiddelde overstromingskans per jaar van daarbij aan te
                                            wijzen gebieden. In deze titel wordt daarin voorzien. </noot.al><noot.al>Voor verschillende te onderscheiden gebieden worden
                                            normen gegeven waarbij de kans op overstroming als
                                            gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd
                                            aan de economische waarde van landgebruik en de te
                                            verwachten schade bij overstroming. De normen drukken de
                                            hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit
                                            ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. </noot.al><noot.al>De normering bakent de zorgplicht af die de
                                            waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen dan
                                            wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door
                                            inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van
                                            neerslag. Zij geeft daarmee helderheid voor de burgers
                                            en de bedrijven over het restrisico en hun eigen
                                            verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en
                                            onroerende zaken.</noot.al><noot.al>In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van
                                            2003 zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende
                                            vormen van landgebruik de hoogst toelaatbaar geachte
                                            kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte
                                            beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik
                                            die daarbij worden onderscheiden zijn grasland,
                                            akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw
                                            en bebouwd gebied. Deze werknormen zijn uitgangspunt
                                            geweest bij het bepalen van het beschermingsniveau voor
                                            de verschillende te onderscheiden delen van het
                                            waterschapsgebied. Hierbij wordt nog opgemerkt dat bij
                                            de NBW-werknormen het zogenaamde maaiveldcriterium
                                            geldt. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het
                                            gebied (op perceelsniveau bezien) niet aan die norm
                                            behoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor
                                            akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw en
                                            glastuinbouw is dat 1% en voor bebouwd gebied
                                            0%.</noot.al><noot.al>De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en
                                            afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze
                                            verordening vastgelegde norm te laten voldoen, neemt de
                                            beheerder op in het beheerplan, bedoeld in artikel 4.6
                                            van de wet.</noot.al><noot.al>De verplichtingen uit het NBW zijn bindend geworden
                                            voor de waterschappen doordat de werknormen zijn
                                            opgenomen in deze verordening.</noot.al><noot.al><vet>Eerste en tweede lid</vet></noot.al><noot.al>Binnen het gebied van het waterschap is een aantal
                                            gebieden met de daarbij behorende normen
                                            onderscheiden.</noot.al><noot.al>Wat betreft het gebied binnen de bebouwde kom
                                            (wordt geregeld in het eerste lid) is onderscheid
                                            gemaakt tussen</noot.al><noot.al>a het gebied dat in een ruimtelijk plan
                                            (bestemmingsplan, provinciaal of rijksinpassingsplan) is
                                            bestemd voor de doeleinden bebouwing,
                                            hoofdinfrastructuur en spoorwegen waarvoor de hoogste
                                            norm van 1/100 per jaar geldt, en </noot.al><noot.al>b overig gebied, zoals openbaar groen, sportvelden,
                                            lokale infrastructuur en parkeerterreinen, waarvoor de
                                            ‘graslandnorm' van 1/10 per jaar geldt.</noot.al><noot.al>Wat betreft het gebied buiten de bebouwde kom
                                            (wordt geregeld in het tweede lid) is onderscheid
                                            gemaakt tussen: </noot.al><noot.al>c natuurgebied waarvoor geen norm geldt; </noot.al><noot.al>d overig gebied waarvoor de ‘graslandnorm' van 1/10
                                            per jaar geldt.</noot.al><noot.al>Aan deze indeling liggen de volgende overwegingen
                                            ten grondslag:</noot.al><noot.al>Voor bebouwing in stedelijk gebied geldt vanwege de
                                            hoge economische waarde van het gebouwde overeenkomstig
                                            de NBW-normering de hoogste norm, de ‘bebouwingsnorm',
                                            van 1/100 per jaar.</noot.al><noot.al>Voor niet-bebouwd gebied in stedelijke kernen
                                            (parken, sportvelden etc.) is gekozen voor de
                                            ‘graslandnorm', dit vanwege de lage economische waarde
                                            van dat gebied en de kosten van de benodigde maatregelen
                                            die gemoeid zijn met het realiseren van een hogere
                                            norm.</noot.al><noot.al>Door wat betreft de stedelijke kernen aansluiting
                                            te zoeken bij het begrip ‘bebouwde kom' van een
                                            gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de
                                            Wegenverkeerswet 1994, wordt bereikt dat bij stedelijke
                                            uitbreiding de norm automatisch opschuift. Bepalend
                                            daarvoor is het tijdstip waarop het besluit van de
                                            gemeenteraad tot wijziging van de grens van de bebouwde
                                            kom onherroepelijk is. Omdat de vastgestelde norm kan
                                            worden aangemerkt als een minimumnorm, is het waterschap
                                            vrij om desgewenst reeds in de tussentijd (periode
                                            tussen de feitelijke realisering stedelijke uitbreiding
                                            en het onherroepelijke besluit tot aanpassing grens
                                            bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige
                                            ‘bebouwingsnorm'. Aldus kan het waterschap soepel
                                            inspelen op de nieuwe situatie.</noot.al><noot.al> Door ervan af te zien de bebouwde kom op de kaart
                                            bij de verordening aan te geven wordt voorkomen dat bij
                                            iedere wijziging van de bebouwde kom (de kaart bij) de
                                            verordening moet worden aangepast.</noot.al><noot.al>Het is vanwege de hoge kosten niet wenselijk en
                                            voorts om technische redenen vaak niet mogelijk om de
                                            waterstaatkundige inrichting op perceelsniveau af te
                                            stemmen op het landgebruik. Daarom is gekozen voor een
                                            benadering waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt
                                            gezocht bij het bestaande beschermingsniveau. Hiertoe is
                                            bij het bepalen van de norm voor het overige gebied
                                            buiten de bebouwde kom (gebied d) uitgegaan van het
                                            ‘overwegende landgebruik' per Kaderrichtlijn Water
                                            (KRW)-stroomgebied. De KRW-stroomgebieden zijn als
                                            waterstaatkundige eenheden onderscheiden in het
                                            waterbeheerplan van het waterschap. Van ‘overwegend
                                            landgebruik' is sprake wanneer een bepaald landgebruik
                                            minimaal 80% van een dergelijk gebied beslaat. Hierbij
                                            is uitgegaan van cultuurgrond, zijnde het gebied buiten
                                            de bebouwde kom waarop in mindering is gebracht gebied
                                            met de functies water, natuur (incl. bos en heide) en
                                            hoofdinfrastructuur en spoorwegen. In alle
                                            KRW-stroomgebieden van het waterschap op één na is het
                                            overwegende landgebruik grasland. Hiertoe wordt ook maïs
                                            gerekend. Met de toepassing van dit uitgangspunt wordt
                                            geaccepteerd dat deze gebiedsnorm ook geldt voor
                                            verspreid liggende bebouwing en percelen met akkerbouw,
                                            vormen van landgebruik waarvoor op zichzelf genomen een
                                            hogere norm zou moeten gelden. Overigens blijkt in de
                                            praktijk dat dergelijke percelen feitelijk vaak al een
                                            hoger beschermingsniveau hebben vanwege een hogere
                                            ligging en strenge ontwateringsnormen die in het
                                            verleden zijn gehanteerd (bijvoorbeeld voor
                                            ruilverkavelingen).</noot.al><noot.al> Met de toepassing van het uitgangspunt ‘overwegend
                                            landgebruik' wordt tevens bereikt dat bij tussentijdse
                                            wijziging van het landgebruik van percelen niet snel een
                                            aanpassing van de gebiedsnorm nodig zal zijn.</noot.al><noot.al> De enige uitzondering betreft het stroomgebied
                                            Zuidveluwse Beken, waar akkerbouw het overwegende
                                            landgebruik vormt. Omdat zich in dit gebied geen
                                            watergangen in de directe o mgeving van
                                            akkerbouwpercelen bevinden, heeft een normering in feite
                                            geen betekenis. Om die reden is dit gebied aangemerkt
                                            als overig gebied (gebied d) waarvoor de ‘graslandnorm'
                                            van 1/10 per jaar geldt.</noot.al><noot.al>Voor natuurgebieden geldt overeenkomstig het NBW
                                            geen norm. Hiertoe zijn enerzijds gerekend de door de
                                            Natuurbeschermingswet 1998 beschermde gebieden. Dat
                                            betreft de beschermde natuurmonumenten (artikel 10,
                                            eerste lid en 12, eerste lid, van die wet) en de Natura
                                            2000-gebieden, zoals omschreven in artikel 1, onder n,
                                            van die wet: de vogel- en habitatrichtlijngebieden
                                            alsmede de gebieden van communautair belang die door de
                                            Europese Commissie kunnen worden aangewezen op grond van
                                            artikel 4 van de Habitatrichtlijn. Anderzijds is tot
                                            natuurgebied gerekend de natuur die tot de ecologische
                                            hoofdstructuur (EHS) behoort, voor zover deze niet reeds
                                            vallen onder de door de Natuurbeschermingswet 1998
                                            beschermde gebieden. De desbetreffende EHS-gebieden zijn
                                            op de kaart bij het Utrechtse streekplan aangegeven als
                                            bestaande natuur, op de kaart bij het Gelderse
                                            Streekplan als EHS natuur en op de kaart bij de
                                            Overijsselse Omgevingsvisie als realisatie groene en
                                            blauwe hoofdstructuur. In de onderdelen c, d en e van
                                            het tweede lid is daarom volstaan met verwijzing naar
                                            deze kaarten. Wat betreft het Gelderse Streekplan hebben
                                            Provinciale Staten in juli 2009 een herziening van het
                                            streekplan vastgesteld. Deze wijziging betekent met name
                                            dat de EHS Natuur functie in omvang beperkt wordt
                                            doordat bepaalde gebieden geen natuurdoelstelling meer
                                            hebben.</noot.al><noot.al>Wat betreft de Natura 2000-gebieden wordt nog het
                                            volgende opgemerkt. Voor deze gebieden moeten op grond
                                            van de Natuurbeschermingswet 1998 beheerplannen worden
                                            vas tgesteld. In die plannen moeten maatregelen worden
                                            opgenomen die gericht zijn op het behoud of herstel van
                                            natuurlijke habitats en populaties van wilde dieren- en
                                            plantensoorten in de desbetreffende gebieden. Die
                                            maatregelen kunnen mede waterhuishoudkundige maatregelen
                                            omvatten, waarmee een bepaald beschermingsniveau voor
                                            die gebieden wordt gerealiseerd. Dit heeft evenwel geen
                                            gevolgen voor de regeling in dit artikel, nu voor die
                                            gebieden geen norm is vastgesteld</noot.al><noot.al>Het watersysteem behoeft als zodanig niet
                                            genormeerd te worden. Dat geldt ook voor de daarbij
                                            behorende waterbergingsgebieden die als zodanig in de
                                            legger van het waterschap zijn opgenomen alsmede voor
                                            buitendijks gelegen, tot het hoofdwatersysteem behorend
                                            gebied.</noot.al><noot.al><vet>Derde lid</vet></noot.al><noot.al>De in dit artikel neergelegde normen
                                            waterkwantiteit zijn nieuw. Het is van belang dat voor
                                            de burger duidelijk is welke norm waar geldt. Niet
                                            uitgesloten kan worden dat hieromtrent in de praktijk
                                            toch nog vragen rijzen. Met het oog op de gewenste
                                            duidelijkheid is daarom in dit lid aan gedeputeerde
                                            staten de mogelijkheid geboden omtrent de toepassing van
                                            het eerste en tweede lid nadere regels te stellen. </noot.al><noot.al><vet>Vierde lid</vet></noot.al><noot.al>Om te bereiken dat de toetsing van het actuele
                                            beschermingsniveau door de verschillende waterschappen
                                            op uniforme wijze tot stand komt, is in dit lid
                                            voorgeschreven dat Gedeputeerde Staten daarvoor een
                                            technische leidraad vaststellen. Deze strekt de
                                            beheerder tot aanbeveling. Daarmee wordt dat bestuur een
                                            bepaalde ruimte gelaten om bijvoorbeeld wat betreft toe
                                            te passen rekenmethodieken gemotiveerd af te wijken. Ook
                                            de beschikbaarheid van gegevens kan daarvoor een reden
                                            zijn. </noot.al><noot.al><vet>Vijfde lid</vet></noot.al><noot.al>De in dit lid opgenomen datum sluit aan bij de in
                                            het in 2008 geactualiseerde NBW (NBW-actueel)
                                            vastgelegde afspraak dat de regionale watersystemen in
                                            2015 op orde zijn. In het NBW-actueel zijn enkele
                                            uitzonderingssituaties benoemd wat betreft het
                                            tijdstip-op-orde. Dat betreft bestaand stedelijk gebied
                                            waar geen sprake is van een urgente wateropgave. Voor
                                            dergelijk gebied geldt dat de opgave uiterlijk in de
                                            periode tot en met 2027 wordt uitgevoerd door gemeente
                                            en waterschap. Eenzelfde termijn geldt voor maatregelen
                                            die veel goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op
                                            een later tijdstip dan 2015 te koppelen aan andere
                                            projecten. Deze situaties doen zich in het beheersgebied
                                            evenwel niet voor.</noot.al><noot.al>Bij het op orde zijn in 2015 moet overeenkomstig de
                                            tekst van het NBW-Actueel worden uitgegaan van het
                                            ‘middenklimaatscenario 2050' daterende uit 2000, hetgeen
                                            qua opgave overeenkomt met het KNMI'06 klimaatscenario.
                                            Het waterschap heeft het watersysteem volgens dit
                                            scenario getoetst. </noot.al><noot.al>Tot slot wordt opgemerkt dat in december 2012 (drie
                                            jaar na inwerkingtreding Waterwet) wordt bekeken of het
                                            normeringssysteem aanpassing behoeft. Deze eventuele
                                            aanpassing is dan voldoende tijdig om mee te kunnen
                                            worden genomen bij de eerste toetsingsronde.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_5_9_"> Met het oog op de bergings- en
                                    afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht,
                                    geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom,
                                    bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een
                                    ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing,
                                    hoofdinfrastructuur en spoorwegen als norm een gemiddelde
                                    overstromingskans van 1/100 per jaar en voor het overige gebied
                                    een gemiddelde overstromingskans van 1/10 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_5_10_"> Met het oog op de bergings- en
                                    afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn
                                    ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de
                                    bebouwde kom, bedoeld in het eerste lid, als norm een gemiddelde
                                    overstromingskans van 1/10 per jaar, met dien verstande dat er
                                    geen norm geldt voor:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51598_0_2_5_10_1_"> gebieden die zijn
                                            aangewezen op grond van artikel 10, eerste lid, van de
                                            Natuurbeschermingswet 1998 of gebieden die voorlopig
                                            zijn aangewezen op grond van artikel 12, eerste lid, van
                                            de Natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51598_0_2_5_10_2_"> Natura 2000-gebieden als
                                            bedoeld in artikel 1, onder n, van de
                                            Natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H51598_0_2_5_10_3_"> gebieden, voor zover niet
                                            behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, die op
                                            de kaart Gebieden binnen groene contouren, behorende bij
                                            het Streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht, als
                                            bestaande natuur zijn aangegeven;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H51598_0_2_5_10_4_"> gebieden, voor zover niet
                                            behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, die op
                                            de Beleidskaart ruimtelijke structuur, behorende bij het
                                            Streekplan 2005 van de provincie Gelderland, als EHS
                                            Natuur zijn aangegeven, en</al></li><li nr="e."><al id="anker-H51598_0_2_5_10_5_"> gebieden, voor zover niet
                                            behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, die op
                                            de Overzichtskaart ontwikkelingsperspectieven, behorende
                                            bij de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel, als
                                            realisatie groene en blauwe hoofdstructuur zijn
                                            aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_5_11_"> Gedeputeerde staten kunnen nadere
                                    regels stellen aangaande de toepassing van het eerste en tweede
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_5_12_"> Gedeputeerde staten stellen een
                                    technische leidraad vast voor de door het dagelijks bestuur te
                                    verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van
                                    de regionale wateren. Deze strekt tot aanbeveling voor de
                                    beheerder.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_5_13_"> De inrichting van de regionale
                                    wateren voldoet in 2015 aan de in het eerste en tweede lid
                                    aangegeven normen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6 Regionale verdringingsreeks Valleikanaal en
                                    Eem</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e466"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Van watertekort is sprake
                                            indien de vraag naar water vanuit de verschillende
                                            maatschappelijke en economische behoeften groter is dan
                                            het aanbod, waarbij het gaat om de beschikbaarheid van
                                            voldoende water van die kwaliteit die voor bepaalde
                                            behoeften nodig is. Het beheer van de regionale
                                            watersystemen is er onder andere op gericht alle
                                            watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te
                                            voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet
                                            meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen
                                            aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt
                                            helderheid over welke behoeften in een situatie van
                                            watertekort voorgaan boven de andere en draagt aldus bij
                                            aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de
                                            waterbeheerder in situaties van watertekorten.</noot.al><noot.al>Artikel 2.1 van het Waterbesluit legt de landelijke
                                            verdringingsreeks vast. Deze is bindend. De landelijke
                                            verdringingsreeks bepaalt de prioriteitsrangorde van de
                                            waterbehoeften waarvoor water mag worden benut in geval
                                            van watertekort. De landelijke verdringingsreeks is
                                            opgebouwd in vier categorieën van gebruikers, welke
                                            onderling zijn geprioriteerd. Binnen categorie 1 (het
                                            waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het
                                            voorkomen van onomkeerbare schade) en categorie 2
                                            (nutsvoorzieningen) is in de landelijke
                                            verdringingsreeks nog een nadere prioritering
                                            aangebracht. Binnen categorie 3 (kleinschalig
                                            hoogwaardig gebruik) en categorie 4 (overige behoeften)
                                            is in d e landelijke verdringingsreeks geen nadere
                                            prioritering aangegeven. In artikel 2.2 van het
                                            Waterbesluit is echter de mogelijkheid opgenomen om in
                                            een provinciale verordening de nadere prioritering
                                            binnen categorie 3 en categorie 4 vast te leggen. In dit
                                            artikel is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt wat
                                            betreft de categorie 4-waterbehoeften. Categorie 3,
                                            kleinschalig hoogwaardig gebruik, komt in het gebied van
                                            het Valleikanaal en de Eem slechts zeer beperkt
                                            voor.</noot.al><noot.al>Over de in dit artikel opgenomen categorie
                                            4-waterbehoeften wordt het volgende opgemerkt.</noot.al><noot.al>a. doorspoeling in geval van een milieu-incident of
                                            vanwege de volksgezondheid</noot.al><noot.al>Als gevolg van een milieu-incident kan de
                                            waterkwaliteit tijdelijk sterk verslechteren. Meestal
                                            zijn dit kortstondige (soms zeer lokale) gebeurtenissen
                                            die in die korte tijdspanne een waterbehoefte genereert.
                                            Bij lang aanhoudend warm en droog weer kan ook
                                            zuurstofloosheid optreden met negatieve effecten op de
                                            visstand (dode vis) en botulisme. Dit kan tot zeer
                                            ongewenste situaties leiden, vooral in bebouwd gebied,
                                            waarbij de volksgezondheid in het geding is. </noot.al><noot.al>Om de negatieve gevolgen van dit soort
                                            gebeurtenissen tegen te gaan kan de waterbeheerder
                                            besluiten de getroffen wateren door te spoelen. </noot.al><noot.al>Vanwege de aard van de watervraag is van tevoren
                                            niet goed in te schatten hoe groot deze zal zijn. </noot.al><noot.al>b. beroepsvaart</noot.al><noot.al>Het belang van de scheepvaart is het behouden van
                                            voldoende vaardiepte om de lading te kunnen vervoeren.
                                            Beroepsvaart komt in dit gebied alleen voor op de Eem.
                                            Omdat deze rivier in open verbinding staat met het
                                            Eemmeer en de waterstand bovendien gehandhaafd dient te
                                            worden ter voorkoming van klink en zetting zal de
                                            waterstand altijd voldoende voor de scheepvaart zijn.
                                            Dit belang lift dus mee met het belang van categorie 1
                                            sub 2 van het Waterbesluit (het voorkomen van klink en
                                            zettingen). </noot.al><noot.al>c. doorspoeling van stedelijk gebied ter
                                            verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van
                                            stankoverlast</noot.al><noot.al>Er zijn vijf stedelijke kernen waar doorspoeling
                                            plaatsvindt om redenen van waterkwaliteit: Veenendaal,
                                            Amersfoort-Noord, Amersfoort Centrum, Bunschoten en
                                            Eemnes. Doorspoelen voorkomt stilstaand water. Daarmee
                                            wordt de kans op algenbloei aanzienlijk verkleind, omdat
                                            algen en kroos minder goed gedijen in stromend water en
                                            omdat bij doorspoelen de temperatuur van het water lager
                                            blijft. Effectieve doorspoeling vraagt een
                                            stroomsnelheid van enkele centimeters per seconde.
                                            Afhankelijk van de omvang van de watergang vergt dit een
                                            relatief groot debiet. Verreweg het meeste van dit water
                                            wordt alleen verplaatst en is herbruikbaar voor
                                            doorspoeling of andere belangen. Het doorspoelen van het
                                            centrum van Amersfoort lift bovendien mee met het belang
                                            van categorie 1 sub 2 van het Waterbesluit (het
                                            voorkomen van klink en zettingen). </noot.al><noot.al>Zoals aangegeven vraagt het doorspoelen van de
                                            wateren op zich geen extra water. Als de afvoerweg van
                                            het water verlengd wordt treedt wel extra
                                            verdampingsverlies op. </noot.al><noot.al>d. akkerbouw en vollegrondstuinbouw</noot.al><noot.al>In akkerbouwgebieden kan aanzienlijke schade
                                            ontstaan door droogte, als gevolg van een vochttekort in
                                            de bodem. Het watertekort in de bodem ontstaat wanneer
                                            er een neerslagtekort is en er onvoldoende water met een
                                            goede kwaliteit gebruikt kan worden als
                                            beregeningswater. In het gebied van het Valleikanaal en
                                            Eem bestaat minder dan 1% van het gebied uit akkerbouw
                                            en vollegrondstuinbouw. De hieraan gerelateerde
                                            watervraag is verwaarloosbaar. </noot.al><noot.al>e. sportvelden en greens</noot.al><noot.al>Voor het in standhouden van de velden en greens van
                                            golfbanen wordt in droge perioden beregend. Op basis van
                                            gebiedskennis is ingeschat in het voorzieningengebied
                                            van de Grebbesluis ongeveer ongeveer 6 ha sportveld
                                            aanwezig is. Er zijn geen golfbanen in het gebied
                                            aanwezig, die water uit het Valleikanaal of de Eem
                                            kunnen gebruiken. Voor eventuele toekomstige situaties
                                            worden de greens genoemd in de
                                            verdringingsreeks.</noot.al><noot.al>De benodigde hoeveelheid water voor de beregening
                                            van sportvelden is niet bijzonder groot, terwijl de
                                            schade aan de velden aanzienlijk is als er geen water
                                            beschikbaar is. </noot.al><noot.al>De droogteschade die op sportvelden kan ontstaan is
                                            (veel) hoger zijn dan voor gewoon agrarisch grasland,
                                            mede vanwege het feit dat sportvelden in de zomer worden
                                            vernieuwd en dan intensief moeten worden beregend. Als
                                            beregening niet mogelijk is dan gaat de investering in
                                            de nieuwe grasmat verloren. Overigens is de verhouding
                                            tussen het gebruik van oppervlaktewater en grondwater
                                            voor dit doel niet bekend. </noot.al><noot.al>f. beregening van gras- en maïsland</noot.al><noot.al>Ruim tweederde van het voorzieningengebied van de
                                            Grebbesluis is in gebruik als mais- of grasland. Op
                                            basis van het vergunningenbestand van Waterschap Vallei
                                            &amp; Eem is een schatting gemaakt van de behoefte aan
                                            oppervlaktewater voor beregening uit het Valleikanaal of
                                            Woudenbergse Grift. Deze behoefte bedraagt 0,3 m³/s. Dit
                                            komt in orde van grootte overeen met afvoermetingen bij
                                            droogte. </noot.al><noot.al>g. recreatievaart </noot.al><noot.al>In het Valleikanaal en de Heiligenbergerbeek zijn
                                            recreatieve kanoroutes aanwezig
                                            (Valleikanaal/Woudenberg). Bovendien is er een
                                            rondvaartroute over de Amersfoortse grachten, singels en
                                            beken. </noot.al><noot.al>Om de routes te kunnen laten functioneren is een
                                            minimale waterstand nodig. In praktijk zal de waterstand
                                            altijd voldoende hoog zijn, omdat die door de aanvoer
                                            van water ter voorkoming van klink en zetting op peil
                                            wordt gehouden. Dit belang lift dus mee met het belang
                                            van categorie 1 sub 2 van het Waterbesluit (het
                                            voorkomen van klink en zettingen) . </noot.al><noot.al>h. overige natuur, voor zover het omkeerbare schade
                                            betreft, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn
                                            voor het realiseren van de doelstellingen van de
                                            Kaderrichtlijn Water</noot.al><noot.al>De watervraag van dit belang betreft een aantal
                                            subbelangen die onderling niet nader zijn geprioriteerd.
                                            Dit zijn: </noot.al><noot.al>Handhaving stroming ten behoeve van
                                            stromingsminnende soorten (ecologie); </noot.al><noot.al>Het laten functioneren van vispassages (ecologie); </noot.al><noot.al>Chemische waterkwaliteit; </noot.al><noot.al>Verdrogingsgevoelige natuur; </noot.al><noot.al>Natuurgebied Vogelreservaat Eemland. </noot.al><noot.al>Over elk van die subbelangen wordt het volgende
                                            opgemerkt. </noot.al><noot.al>Handhaving stroming ten behoeve van
                                            stromingsminnende soorten (ecologie) </noot.al><noot.al>Voor sommige waterlichamen is een continu minimaal
                                            debiet nodig om de KRW-doelstellingen te kunnen
                                            bereiken. Het gaat hier om drie waterlichamen, te weten
                                            de Heiligenbergerbeek, het Valleikanaal en de Eem. </noot.al><noot.al>Voor de Heiligenbergerbeek is een minimale
                                            stroomsnelheid gewenst van ongeveer 10 cm/s. In een
                                            droge situatie betekent dat een minimaal debiet van 0,9
                                            m³/s.</noot.al><noot.al>Voor het Valleikanaal is een stroomsnelheid van
                                            minimaal 5 cm/s gewenst. Dit vergt een minimaal debiet
                                            van 0,8 m³/s. </noot.al><noot.al>In de Eem is er nauwelijks stroming. Die situatie
                                            is ook niet veranderbaar. Bij het afleiden van het
                                            ecologisch doel is hier rekening mee gehouden. Wel is er
                                            enige stroming noodzakelijk. Omdat de Eem aanvoerroute
                                            is voor het water dat naar de veenweidegebieden in
                                            Eemland getransporteerd moet worden, lift deze vraag mee
                                            met het belang van categorie 1 sub 2 van het
                                            Waterbesluit (het voorkomen van klink en zettingen). </noot.al><noot.al>Het laten functioneren van vispassages (ecologie) </noot.al><noot.al>Voor het laten functioneren van vispassages
                                            (vismigratie) is op het Valleikanaal een debiet van ca.
                                            0,5 m3/s nodig. In het Valleikanaal liggen zes
                                            vispassages achter elkaar. De vismigratie is met name in
                                            het voorjaar van belang, tijdens de paaitijd. </noot.al><noot.al>Chemische waterkwaliteit (ecologie ondersteunende
                                            stoffen) </noot.al><noot.al>De chemische waterkwaliteit van Valleikanaal en Eem
                                            wordt bepaald door de samenstelling van het aangevoerde
                                            water. Bij droogte valt de aanvoer uit de zijbeken
                                            volledig of bijna volledig weg en worden Valleikanaal en
                                            Eem gevoed door zes rioolwaterzuiveringen en het
                                            inlaatwater uit de Nederrijn. Uiterlijk in 2015 alle
                                            zuiveringen voorzien zijn van een extra zuiveringstrap,
                                            waarmee de fosfaatconcentratie in het effluent
                                            aanzienlijk wordt verminderd. In die situatie is het
                                            benodigde doorspoeldebiet ongeveer gelijk aan die voor
                                            vismigratie en stroming in de Heiligenbergerbeek en
                                            Valleikanaal. </noot.al><noot.al>Verdrogingsgevoelige natuur </noot.al><noot.al>In het voorzieningengebied van deze
                                            verdringingsreeks is een aantal natuurgebieden gelegen,
                                            waar zogenaamde "natte natuurdoelen" worden nagestreefd.
                                            Deze gebieden zijn als zodanig aangemerkt op de
                                            provinciale "TOP-lijsten verdroging". Het gaat om het
                                            centrale deel van het Binnenveld, het zuiden van het
                                            aanvoergebied en het natuurterrein Valse Bosjes, in het
                                            uiterste noordwesten van het aanvoergebied. In deze
                                            gebieden wordt geen water ingelaten. Wel wordt water uit
                                            de Grebbesluis gebruikt om de omgeving op peil te
                                            houden. Beide gebieden zijn gelegen in veenweidegebied,
                                            zodat het belang van het op peil houden van de omgeving
                                            meelift met het belang van categorie 1 sub 2 van het
                                            Waterbesluit (het voorkomen van klink en
                                            zettingen).</noot.al><noot.al>Natuurgebied Vogelreservaat Eemland </noot.al><noot.al>Er ligt in het aanvoergebied van deze
                                            verdringingsreeks één natuurgebied, het Vogelreservaat
                                            Eemland (weidevogelgebied), waar in tijden van droogte
                                            water wordt aangevoerd om de gewenste grondwaterstand te
                                            realiseren. Dit water kan zowel aan de Eem als aan het
                                            Eemmeer onttrokken worden. </noot.al><noot.al>Voor het deel van het natuurgebied dat op veengrond
                                            ligt, lift de watervraag mee met de watervraag voor
                                            categorie 1 sub 2 van het Waterbesluit (voorkomen van
                                            klink en zettingen).</noot.al><noot.al>Het belang van waterinlaat voor het vogelreservaat
                                            is sterk afhankelijk van de tijd van het jaar waarin de
                                            inlaat plaatsvindt. Tijdens het broedseizoen (grofweg de
                                            maanden april, mei en juni) moet het waterpeil hoog
                                            zijn, vooral om de grasgroei te remmen, zodat goed
                                            kuikenland ontstaat en de omstandigheden voor
                                            ruigteplanten ongunstig is. In de maanden daarna is het
                                            waterpeil niet kritisch voor het voortbestaan van de
                                            weidevogelpopulatie.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_6_14_"> In geval van een onmiddellijk of
                                    dreigend watertekort wordt, met het oog op de verdeling van het
                                    beschikbare water voor het aanvoergebied vanuit de inlaat
                                    Grebbesluis in de Neder-Rijn, bij het beheer van de regionale
                                    wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid onder 4°, van
                                    het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren
                                    achtereenvolgens prioriteit verleend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_6_"> doorspoeling in geval van
                                            een milieu-incident of vanwege de volksgezondheid;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_7_"> beroepsvaart;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_8_"> doorspoeling van
                                            stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit
                                            of ter bestrijding van stankoverlast;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_9_"> akkerbouw en
                                            vollegrondstuinbouw;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_10_"> sportvelden en
                                            greens;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_11_"> beregening van gras- en
                                            maïsland;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_12_"> recreatievaart;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H51598_0_2_6_14_13_"> overige natuur, voor
                                            zover het omkeerbare schade betreft, met inbegrip van
                                            maatregelen die nodig zijn voor het realiseren van de
                                            doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51598_0_2_6_15_"> Het aanvoergebied, bedoeld in het
                                    eerste lid, is aangegeven op de als bijlage 2 bij deze
                                    verordening behorende kaart.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2.3 Meten en beoordelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.7 Verslag toetsing watersysteem</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e614"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Uit artikel 2.14 van de
                                            wet volgt dat bij of krachtens provinciale verordening,
                                            regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het
                                            periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te
                                            geven grootheden en het aan de hand van de
                                            meetresultaten beoordelen van de mate van
                                            verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde
                                            normen met betrekking tot de waterkering en de
                                            waterkwantiteit. Het is gelet op de Memorie van
                                            Toelichting bij artikel 2.14 van de wet gewenst dat de
                                            beheerder de vinger "aan de pols van het watersysteem
                                            houdt" en periodiek nagaat in hoeverre de normen
                                            verwezenlijkt zijn. </noot.al><noot.al>De resultaten van de beoordeling van het
                                            watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling worden
                                            door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt
                                            toegezonden aan gedeputeerde staten. Het verslag heeft
                                            een ander karakter en wordt met een andere frequentie
                                            opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld
                                            in artikel 3.4. Om die reden maakt het verslag als
                                            bedoeld in artikel 2.7 geen onderdeel uit van de
                                            algemene voortgangsrapportage.</noot.al><noot.al>De beheerder draagt zorg voor de periodieke
                                            beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de
                                            beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de
                                            regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken.
                                            Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken
                                            voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de
                                            veiligheid van de regionale waterkering respectievelijk
                                            het tegengaan van wateroverlast. </noot.al><noot.al>De beheerder rapporteert de uitkomsten van deze
                                            beoordeling periodiek aan gedeputeerde staten, zodat
                                            gedeputeerde staten kunnen nagaan of aan de normen is
                                            voldaan.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_16_"> Het dagelijks bestuur brengt,
                                    vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de
                                    veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, periodiek
                                    verslag uit over de algemene waterstaatkundige toestand van de
                                    regionale waterkeringen onder zijn beheer aan gedeputeerde
                                    staten van de provincie waarin de regionale waterkeringen in
                                    hoofdzaak zijn gelegen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_17_"> Het verslag, bedoeld in het eerste
                                    lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling
                                    geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm,
                                    technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 2.2, en
                                    de legger, bedoeld in artikel 4.1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_18_"> Het dagelijks bestuur brengt,
                                    vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de
                                    normen, bedoeld in artikel 2.5, periodiek verslag uit over de
                                    algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren
                                    onder zijn beheer aan gedeputeerde staten van de provincie
                                    waarin deze regionale wateren in hoofdzaak zijn gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_19_"> Het verslag, bedoeld in het derde
                                    lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog
                                    op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren
                                    moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in
                                    het licht van de normen en voorschriften, bedoeld in artikel
                                    2.5.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_20_"> Indien de beoordeling daartoe
                                    aanleiding geeft, bevatten de verslagen, bedoeld in het eerste
                                    en derde lid, een omschrijving van de voorzieningen die op een
                                    daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H51598_0_3_7_21_"> Gedeputeerde staten stellen, na
                                    overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de
                                    verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste
                                    maal worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen
                                    daarna worden uitgebracht.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Beheerplannen</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e664"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De bepalingen in dit hoofdstuk
                                    hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het
                                    beheerplan en de voortgangsrapportage. provinciale staten
                                    stellen het regionaal waterplan vast. De waterschappen houden
                                    hier rekening mee bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is
                                    de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt
                                    ingebed in het breder afgewogen regionaal waterplan. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Inhoud</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e679"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het beheerplan bevat, op de
                                        schaal van het waterschap, een uitwerking van de
                                        strategische doelen die de provincie in haar regionaal
                                        waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste
                                        concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten
                                        die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.</noot.al><noot.al>Het beheerplan gaat ook in op het Gewenste Grondwater-
                                        en Oppervlaktewaterregime (GGOR). Dat betekent dat in het
                                        beheerplan de resultaten van het GGOR worden opgenomen
                                        conform de afspraken uit het NBW-actueel. In het NBW-actueel
                                        is ook opgenomen dat het gaat om de GGOR voor het
                                        buitengebied. </noot.al><noot.al>De hiervoor genoemde resultaten van het GGOR dienen
                                        verschillende doelen. Het biedt een beleidskader voor
                                        wateraanvoer en gebieden met een geringe drooglegging en
                                        gaat in op de belangrijkste knelpunten in functies.
                                        Daarnaast vormt het een toetsingskader voor onder andere
                                        (uitvoerings)besluiten die door het waterschap worden
                                        genomen zoals peilbesluiten en vergunningen voor drainage en
                                        grondwateronttrekkingen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_1_1_"> Het beheerplan bevat, naast het bepaalde
                                in artikel 4.6 van de wet, ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51599_0_0_1_1_1_"> de beschrijving van de
                                        bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer
                                        zich uitstrekt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51599_0_0_1_1_2_"> het beleid inzake het beheer
                                        van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen
                                        toegekende functies en doelstellingen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H51599_0_0_1_1_3_"> de beschrijving van de
                                        maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de
                                        gestelde doelen zijn te realiseren;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H51599_0_0_1_1_4_"> een raming van de kosten van
                                        de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht
                                        in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop
                                        van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de
                                        planperiode, en</al></li><li nr="e."><al id="anker-H51599_0_0_1_1_5_"> de resultaten voor het
                                        buitengebied van het gewenste grond en
                                        oppervlaktewaterregiem voor de aan het oppervlaktewater en
                                        het freatisch grondwater toegekende functies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_1_2_"> Het beheerplan is voorzien van een
                                toelichting, waarin ten minste is opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51599_0_0_1_2_6_"> de aan het plan ten grondslag
                                        liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel
                                        uitgevoerde onderzoeken, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51599_0_0_1_2_7_"> een overzicht van de
                                        strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die
                                        worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste
                                        lid, onder c, genoemde maatregelen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Voorbereiding</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e731"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Afdeling 3.4 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van
                                        het beheerplan. Het derde lid is opgenomen voor een
                                        herziening die ziet op een onderdeel van het beheersgebied
                                        van het waterschap. Dit kan bijvoorbeeld bij een GGOR aan de
                                        orde zijn.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_2_3_"> Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij de
                                voorbereiding van het beheerplan, de dagelijks besturen van de
                                aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten van de betrokken
                                provincies en de colleges van burgemeester en wethouders van de
                                gemeenten waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn
                                gelegen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_2_4_"> Op de voorbereiding van het beheerplan
                                is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met
                                dien verstande dat naast belanghebbenden ook de ingezetenen van het
                                beheersgebied van het waterschap hun zienswijze over het ontwerp
                                naar voren kunnen brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Goedkeuring</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e756"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het waterschap stuurt het goed
                                        te keuren beheerplan en de in het artikel g enoemde
                                        bijlagen. Deze zijn geen onderdeel van het beheerplan.
                                        Gedeputeerde staten gebruiken de bijlagen bij de beoordeling
                                        van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het
                                        behee rplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor
                                        geldende procedure. De mogelijkheid van een herziening van
                                        beperkte strekking en goedkeuring daarvan door de provincie
                                        waar de herziening plaatsvindt, kan bijvoorbeeld worden
                                        ingezet voor aanpassingen in het kader van de GGOR's. De
                                        GGOR's kunnen dan stapsgewijs aan het beheerplan worden
                                        toegevoegd. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_3_5_"> Indien het beheerplan in zijn geheel
                                wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar
                                gedeputeerde staten. Indien het een herziening van beperkte
                                strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar
                                gedeputeerde staten van de provincie waarop de herziening van het
                                beheerplan in hoofdzaak betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_3_6_"> Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur
                                toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg als
                                bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, de ingediende zienswijzen en de
                                beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51599_0_0_3_7_"> Het dagelijks bestuur stuurt het
                                beheerplan binnen vier weken na de goedkeuring aan de ingevolge
                                artikel 3.2 geraadpleegde bestuursorganen en aan de Minister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan</titel></kop><al><noot id="d1925e784"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 3.10 van de wet is
                                    bepaald dat bij provinciale verordening met het oog op een
                                    samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer regels kunnen
                                    worden gesteld omtrent de door de besturen van waterschappen te
                                    vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht
                                    is het van belang dat gedeputeerde staten over adequate en
                                    voldoende actuele informatie beschikken. </noot.al><noot.al>In dit artikel is geregeld dat de beheerder, ten minste
                                    eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over de
                                    voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin
                                    de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze
                                    voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek
                                    bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en
                                    het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de
                                    afspraken die het IPO en de Unie van Waterschappen hebben
                                    neergelegd in de rapportage "Afstemming van taken in het
                                    regionale waterbeheer" (2005) en het Bestuursakkoord
                                    Water.</noot.al><noot.al>Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en
                                    waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met
                                    ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het toezicht op de
                                    uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een afstemming van taken
                                    op basis van partnerschap en complementariteit.</noot.al><noot.al> In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen
                                    betreffende het regionaal waterbeheer, het regionaal waterplan
                                    en het waterbeheerplan aan de orde worden gesteld. Ook de wijze
                                    waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van afspraken
                                    ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen hiervan deel
                                    uitmaken. </noot.al><noot.al>In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent kan
                                    onder meer worden ingegaan op de aspecten en planonderdelen,
                                    genoemd in artikel 4.6 van de wet en hetgeen daaromtrent is
                                    bepaald in het Waterbesluit. </noot.al><noot.al>Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het
                                    programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van de
                                    uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde financiële
                                    middelen, de gekwantificeerde opgaven en de condities (zoals de
                                    mogelijkheden voor de ruimtelijke inpassing van
                                    waterhuishoudkundige voorzieningen, het draagvlak bij
                                    belanghebbenden, de acceptatie van de financiële gevolgen die
                                    nodig zijn om de strategische doelen te kunnen realiseren en
                                    overige, voor de realisatie, relevante
                                    omstandigheden).</noot.al><noot.al>Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten kan
                                    een relatie worden gelegd met het verslag inzake de beoordeling
                                    van het watersysteem, bedoeld in artikel 2.7. Op basis van het
                                    verslag en het periodiek overleg ziet de provincie erop toe dat
                                    de gestelde strategische doelen worden bereikt. In voorkomende
                                    gevallen, wanneer blijkt dat de strategische doelen niet worden
                                    bereikt, kunnen specifieke nadere afspraken worden gemaakt.
                                    Indien nodig kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van
                                    instrumenten om te kunnen bijsturen worden overwogen.]</noot.al></noot></al><al>Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste een maal per jaar aan
                            gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het
                            beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen
                            van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken</titel></kop><paragraaf><kop><titel>§ 4.1 Legger</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e816"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 5.1 van de wet is
                                        bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling
                                        van een legger, waarin is omschreven waaraan
                                        waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en
                                        constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de wet is
                                        bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn
                                        begrepen. De wet vermeldt de basisgegevens die van de legger
                                        deel uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en
                                        daaraan grenzende beschermingszones worden aangegeven op
                                        overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel
                                        1.1 van de wet: aan een waterstaatswerk grenzende zone,
                                        waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en
                                        beperkingen kunnen gelden.</noot.al><noot.al>In de wet is bepaald dat bij provinciale verordening
                                        ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de
                                        legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van
                                        waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden
                                        gegeven. In deze titel wordt dit onderwerp nader
                                        uitgewerkt.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Legger waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e833"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De beheerder draagt er
                                            zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven.
                                            De legger voor de oppervlaktewaterlichamen,
                                            bergingsgebieden, primaire en regionale waterkeringen of
                                            ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder
                                            desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in
                                            afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel
                                            worden gecombineerd.</noot.al><noot.al>De legger is van belang voor de toetsing van de
                                            waterstaatswerken aan de gestelde normen. </noot.al><noot.al>Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de
                                            legger, waarin de vereiste toestand van de
                                            waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de
                                            feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast
                                            is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte
                                            van de verbods- en beheerbepalingen ingevolge de wet of
                                            de waterschapskeur (de werkingssfeer voor het vereiste
                                            van vergunningen of ontheffingen). </noot.al><noot.al>De legger op grond van de wet moet worden
                                            onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78
                                            van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers
                                            in één document worden gecombineerd. </noot.al><noot.al>Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de
                                            regionale waterkering (en ondersteunende kunstwerken)
                                            zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm, de
                                            technische leidraad en de voorschriften, bedoeld in
                                            artikel 2.2 van deze verordening. Met behulp van
                                            situatietekeningen en dwarsprofielen wordt in de legger
                                            aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen
                                            van de ( primaire en regionale) waterkering en de
                                            daaraan grenzende beschermingszones zijn. </noot.al><noot.al>Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de
                                            oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden zijn
                                            maatgevend de gestelde normen en de voorschriften,
                                            bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, met het oog
                                            op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale
                                            wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en
                                            tegengaan van wateroverlast). </noot.al><noot.al>Het opstellen van deze legger is mede van belang
                                            gelet op de uit het NBW voor de beheerder voortvloeiende
                                            verplichting om de regionale watersystemen te toetsen in
                                            samenhang met het GGOR.</noot.al><noot.al>Met behulp van situatietekeningen en, waar
                                            mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de
                                            bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger
                                            aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen
                                            van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of
                                            categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan
                                            grenzende beschermingszones zijn.</noot.al><noot.al>Voor de secundaire (B-)watergangen) is het in de
                                            praktijk gebruikelijk om de leggerplicht via
                                            standaardprofielen vorm te geven. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_1_1_"> De legger, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste lid van dat
                                    artikel in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51600_0_1_1_1_1_"> het lengte- en
                                            dwarsprofiel van de primaire en regionale
                                            waterkeringen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51600_0_1_1_1_2_"> het dwarsprofiel van de
                                            oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer, en</al></li><li nr="c."><al id="anker-H51600_0_1_1_1_3_"> een omschrijving van de
                                            ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies
                                            die deel uitmaken van de primaire en regionale
                                            waterkering, alsmede van de oppervlaktewaterlichamen in
                                            zijn beheer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_1_2_"> Bij het dwarsprofiel, bedoeld in het
                                    eerste lid, onder a, is tevens het profiel van vrije ruimte
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_1_3_"> Het eerste en het tweede lid zijn
                                    niet van toepassing op de Slaperdijk, bedoeld in artikel
                                    2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e889"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 5.1 van de wet
                                            is een vrijstellingsmogelijkheid ingebouwd. Van deze
                                            mogelijkheid is voor tertiaire en C-watergangen gebruik
                                            gemaakt gelet op de aard en functie van deze
                                            waterstaatswerken. Deze waterstaatswerken lenen zich
                                            niet voor het vastleggen van vorm, afmeting en
                                            constructie. Het vermelden van de ligging blijft wel
                                            verplicht in verband met het feit dat de legger de
                                            reikwijdte van de keur bepaalt.</noot.al><noot.al>Wat betreft de bergingsgebieden blijkt het
                                            praktisch vrijwel onmogelijk te zijn om naast de ligging
                                            en de afmeting ook de vorm en constructie aan te geven.
                                            Er is derhalve ook voor bergingsgebieden gebruik gemaakt
                                            van de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 5.1, derde
                                            lid van de wet voor vorm en constructie. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_2_4_"> Tertiaire watergangen, zoals deze
                                    zijn opgenomen in de legger van het waterschap worden
                                    vrijgesteld van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1 van de
                                    wet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_2_5_"> C-wateren, zoals deze zijn opgenomen
                                    in de legger van het waterschap, worden vrijgesteld van de
                                    leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, met betrekking
                                    tot vorm, afmeting en constructie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51600_0_1_2_6_"> Bergingsgebieden worden vrijgesteld
                                    van de leggerplicht, bedoeld in artikel 5.1. van de wet, met
                                    betrekking tot vorm en constructie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Procedure</titel></kop><al><noot id="d1925e919"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De gegevens in de legger zijn
                                        mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods-
                                        en beheerbepalingen ingevolge de wet of de waterschapskeur
                                        (de werkingssfeer voor het vereiste van vergunningen of
                                        ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien
                                        voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende
                                        zaken die nabij waterstaatswerken zin gelegen, ligt het in
                                        de rede dat bij de voorbereiding van de legger, de
                                        procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht, wordt gevolgd. Deze procedure is echter
                                        alleen voorgeschreven voor de situatie dat de legger niet
                                        wordt gecombineerd met de onderhoudslegger, bedoeld in
                                        artikel 78 van de Waterschapswet. Wanneer sprake is van een
                                        gecombineerde legger gelden de in artikel 79 van de
                                        Waterschapswet opgenomen bepalingen voor de totstandkoming
                                        van de onderhoudslegger.]</noot.al></noot></al><al>Op de voorbereiding van de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de
                                wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                toepassing, indien de legger niet wordt gecombineerd met de legger,
                                bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4.2 Peilbesluiten</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e935"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van artikel 5.2 van
                                        de wet moeten bij of krachtens provinciale verordening de
                                        oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen waarvoor de
                                        beheerder peilbesluiten dient vast te stellen.</noot.al><noot.al>In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit
                                        worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden
                                        opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder
                                        reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit
                                        geeft aan de ingezetenen van het waterschap die
                                        verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur,
                                        landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk
                                        peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan
                                        waar hij of zij het gebruik op kan instellen.</noot.al><noot.al>De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit
                                        is in deze verordening opgelegd voor die oppervlaktewateren
                                        waar het waterschap onder normale omstandigheden de
                                        wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende
                                        oppervlaktewateren (gebieden) zijn aangegeven op de als
                                        bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart. Deze kaart
                                        kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door
                                        het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit
                                        worden bepaald.</noot.al><noot.al>Als er geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het
                                        waterschap streefpeilen hanteren.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Aanwijzing verplichte peilbesluiten</titel></kop><al>Het algemeen bestuur stelt één of meer peilbesluiten vast voor de
                                oppervlaktewaterlichamen in gebieden die zijn aangegeven op de als
                                bijlage 3 bij deze verordening behorende kaart.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Inhoud peilbesluit</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e962"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 4.5 wordt
                                            aangegeven welke informatie het peilbesluit ten minste
                                            bevat. In verband met de wisselvalligheid van
                                            weeromstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen
                                            behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van
                                            artikel 5.2 van de wet voorziet er daarom in dat
                                            peilbesluiten door toepassing van bandbreedten flexibel
                                            kunnen zijn.</noot.al><noot.al>In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven
                                            welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het
                                            jaar worden aangehouden.</noot.al><noot.al>Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om
                                            de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te
                                            handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op
                                            grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te
                                            geven in de verhouding tussen de gekozen
                                            oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale
                                            grond- en oppervlaktewaterregime.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51600_0_2_5_7_"> Het peilbesluit bevat naast het
                                    bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart
                                    met de begrenzing van het gebied waarbinnen de
                                    oppervlaktewaterlichamen zijn gelegen en waarop het peilbesluit
                                    betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51600_0_2_5_8_"> Het peilbesluit gaat vergezeld van
                                    een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51600_0_2_5_8_4_"> de aan het besluit ten
                                            grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van
                                            verrichte onderzoeken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51600_0_2_5_8_5_"> een aanduiding van de
                                            veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de
                                            bestaande situatie, en</al></li><li nr="c."><al id="anker-H51600_0_2_5_8_6_"> een aanduiding van de
                                            gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de
                                            diverse belangen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6 Openbare voorbereiding</titel></kop><al>Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de
                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.7 Herziening</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e1007"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een peilbesluit dient ten
                                            minste eenmaal in de tien jaar te worden herzien. De
                                            termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet
                                            plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het
                                            peilbesluit is bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde
                                            in de Algemene wet bestuursrecht. Verlenging van deze
                                            termijn is voor ten hoogste vijf jaren
                                            mogelijk.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51600_0_2_7_9_"> Een peilbesluit wordt ten minste
                                    eens in de tien jaren herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51600_0_2_7_10_"> Gedeputeerde staten kunnen op
                                    verzoek van het algemeen bestuur eenmalig voor ten hoogste viif
                                    jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, genoemd in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51600_0_2_7_11_"> Indien het peilbesluit betrekking
                                    heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de
                                    vrijstelling verleend door gedeputeerde staten van de provincie,
                                    waarop het peilbesluit in hoofdzaak betrekking heeft.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4.3 Projectprocedure voor waterstaatswerken</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e1036"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De wet geeft voor de aanleg,
                                        verlegging en versterking van primaire waterkeringen een
                                        specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor
                                        waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de
                                        besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De
                                        wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire
                                        waterkeringen maar geeft de provincies de mogelijkheid deze
                                        regeling ook open te stellen voor andere projecten. Het gaat
                                        om projecten die zodanig belangrijk zijn voor het goed
                                        functioneren van het watersysteem dat deze alleen kunnen
                                        worden gerealiseerd door het gebruiken van de
                                        projectprocedure. In artikel 4.8 is aangegeven voor welke
                                        projecten de projectprocedure ook kan worden ingezet. Er is
                                        ten behoeve van de flexibiliteit van de besluitvorming voor
                                        gekozen de inzet van de projectprocedure neer te leggen bij
                                        gedeputeerde staten. Dat biedt het voordeel dat per project
                                        door het waterschap kan worden overwogen of de inzet van de
                                        projectprocedure voordelen oplevert. Daartoe kan het
                                        dagelijks bestuur van het waterschap een verzoek indien en.
                                        Ten behoeve van de transparantie is er voor gekozen om in de
                                        verordening de projecten te benoemen die onder de
                                        projectprocedure kunnen worden gebracht. De projectprocedure
                                        heeft immers belangrijke gevolgen. Er komt een
                                        goedkeuringsprocedure en bij het vaststellen van de
                                        bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde
                                        staten, indien nodig, in de plaats treden van medeoverheden. </noot.al><noot.al>Overigens is in de wet een nadere clausulering
                                        opgenomen. Alleen werken van bovenlokale betekenis die met
                                        spoed tot stand moeten worden gebracht kunnen door middel
                                        van de projectprocedure worden gerealiseerd. Gelet op deze
                                        clausule is in de verordening de mogelijkheid om
                                        gedeputeerde staten de projectprocedure van toepassing te
                                        laten verklaren beperkt tot regionale waterkeringen (zie
                                        bijlage 1) en waterbergingsgebieden.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.8 Projectprocedure</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H51600_0_3_8_12_">Gedeputeerde staten van de provincie
                                    waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen
                                    kunnen, op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap,
                                    paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51600_0_3_8_12_7_"> projectplannen tot de
                                            aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale
                                            watersystemen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51600_0_3_8_12_8_"> projectplannen tot aanleg
                                            of wijziging van regionale waterkeringen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.9 Toezending projectplan</titel></kop><al>Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire of regionale
                                waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is
                                gelegen op het grondgebied van de provincie Gelderland, Utrecht of
                                Overijssel wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan
                                gedeputeerde staten van die provincie.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Grondwater</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d1925e1073"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In lijn met het uitgangspunt
                                    "decentraal wat kan, centraal wat moet" zijn in de wet de eigen
                                    verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet
                                    verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit
                                    hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie
                                    en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien.
                                    Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale
                                    verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk
                                    regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege
                                    gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd
                                    zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. </noot.al><noot.al>De waterschappen zijn als watersysteembeheerder
                                    verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het
                                    regionale watersysteem. De wet maakt hierop één uitzondering
                                    voor een drietal specifieke categorieën van
                                    grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in
                                    artikel 6.4 van de wet.</noot.al><noot.al>Het betreft grondwateronttrekkingen ten behoeve van de
                                    openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en
                                    onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van
                                    industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve
                                    van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van
                                    gedeputeerde staten. </noot.al><noot.al>Onttrekkingen en infiltraties voor andere doeleinden kunnen
                                    worden gereguleerd door de waterschappen. De wet laat de
                                    waterschappen de mogelijkheid een verbodsstelsel te introduceren
                                    met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en
                                    vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering
                                    van de overige onttrekkingen en infiltraties te sturen via
                                    instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Van deze
                                    mogelijkheid is in deze verordening, met uitzondering van een
                                    instructiebepaling ten behoeve van het grondwaterregister, geen
                                    gebruik gemaakt.</noot.al><noot.al>De waterschappen zijn derhalve bevoegd om zelf te bepalen
                                    welke onttrekkingen en infiltraties vergunningplichtig zijn. Uit
                                    artikel 6.11 van de wet volgt dat de keuze om voor een bepaalde
                                    handeling een vergunning te eisen er automatisch toe leidt dat
                                    die handeling onder het regime van de watervergunning komt te
                                    vallen. Op deze wijze is verzekerd dat er voor handelingen in
                                    een watersysteem altijd slechts één vergunning vereist is, de
                                    watervergunning.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 5.1 Verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e1096"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De inrichting van het
                                        grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de wet,
                                        maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid,
                                        onder c van de wet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is
                                        daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het
                                        grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing.
                                        Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op
                                        onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en
                                        waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het
                                        grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door
                                        de provincie en het waterschap afzonderlijk worden
                                        verkregen. Het beheer van het grondwaterregister is
                                        expliciet neergelegd bij de provincie conform bestuurlijke
                                        afspraken tussen het IPO en de Unie van Waterschappen.
                                        ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51601_0_0_1_1_"> Het dagelijks bestuur verstrekt aan
                                gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de
                                onttrekking van grondwater of het infiltreren van water
                                plaatsvindt:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H51601_0_0_1_1_1_"> de gegevens die op grond van
                                        artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen, en</al></li><li nr="b."><al id="anker-H51601_0_0_1_1_2_"> een overzicht van de
                                        vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken
                                        van grondwater of het infiltreren van water
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51601_0_0_1_2_"> De opgave, bedoeld in het eerste lid,
                                wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de
                                onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H51601_0_0_1_3_"> Gedeputeerde staten kunnen nadere regels
                                stellen aangaande de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste
                                lid, worden aangeleverd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2 Melden, meten en registreren</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e1133"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel bepaalt dat het
                                        algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel
                                        6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit biedt, niet kan
                                        toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan
                                        12.000 m³ per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of
                                        infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m³. Door middel
                                        van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van
                                        het waterschap beperkt.</noot.al><noot.al>Een registratieplicht voor alle onttrekkingen
                                        (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende
                                        onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel
                                        geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan
                                        12.000 m³ van de registratieplicht kan uitzonderen. </noot.al><noot.al>Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt
                                        onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van
                                        het Waterbesluit worden verkregen aan gedeputeerde staten.
                                        Artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit bepaalt dat
                                        degene die grondwater onttrekt of water infiltreert,
                                        waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4
                                        van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij
                                        het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke
                                        melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de
                                        artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling.</noot.al><noot.al>Deze instructiebepaling hangt samen met het
                                        grondwaterregister (artikel 5.1) en is opgenomen vanwege het
                                        grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar
                                        grondwaterregister is belangrijk, zowel voor
                                        beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en
                                        waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als
                                        voor de provinciale grondwaterheffing.</noot.al><noot.al>Een betrouwbaar register heeft met name waarde indien
                                        de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die
                                        waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de
                                        registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend
                                        beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen.
                                        ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H51601_0_0_2_4_">Het algemeen bestuur kan de
                                vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van
                                het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties
                                van meer dan 12.000 m³ per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of
                                infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m³.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 Intrekken verordeningen</titel></kop><al>De Waterverordening waterschap Veluwe en de Waterverordening waterschap
                            Vallei en Eem worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d1925e1170"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van dit artikel
                                        blijven besluiten die zijn gebaseerd op de in artikel 6.1
                                        genoemde verordeningen van kracht.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H51602_0_0_2_1_"> De voor de datum van inwerkingtreding
                                van deze verordening geldende besluiten die op grond van de
                                verordeningen, genoemd in artikel 6.1 zijn genomen, blijven van
                                kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H51602_0_0_2_2_"> Het recht zoals dat gold onmiddellijk
                                voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft
                                van toepassing op procedures op grond van de verordeningen, genoemd
                                in artikel 6.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Waterverordening waterschap
                            Vallei en Veluwe.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i242801.pdf">bijlage_1_regionale_waterkeringen_deel1_jan2012.pdf (879 Kb)</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i242802.pdf">bijlage_1_regionale_waterkeringen_deel2_jan2012.pdf (795 Kb)</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i242803.pdf">bijlage_1_regionale_waterkeringen_deel3_jan_2012.pdf (765 Kb)</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i242804.pdf">bijlage_2_kaart_regionale_verdringingsreeks_valleikanaal_en_eem_febr2012.pdf (1034 Kb)</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i242805.pdf">bijlage_3_kaart_peilbesluiten_febr2012.pdf (1112 Kb)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>