<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33609_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 2 februari 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 44, lid 2 en 3, 95 tot en met 99 en 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering 27 januari 2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering : 27 januari 2010</al><al>Agendanummer : 25 A</al><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 december
                        2009;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet;</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de </al><al><vet>VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN COMMISSIELEDEN
                            2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212; </al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;
                                </al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181; </al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder; </al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 10 vastgestelde maximum. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 10,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor Gemeenteklasse 10, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur vergoed.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslid-maatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag verleent het college het raadslid ten laste van de
                                gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een vaste
                                maandelijkse vergoeding voor </al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software die algemeen
                                gebruikelijk is. De vergoeding wordt gebaseerd op een
                                afschrijvingstermijn van 3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanlegkosten en
                                verleent een vaste vergoeding voor de kosten voor de
                                internetverbinding voor de in het eerste lid genoemde
                                computerapparatuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt € 175 per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkosten-vergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing
                                op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een
                                raadslid dat ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag
                                heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag vermeld in artikel 25 van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>1.Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding van de reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders; </al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten; </al></li><li nr="d."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland,
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de
                                    krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. </al></li></lijst><al>De kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de uitoefening van het ambt van wethouder.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag verleent het college de wethouder ten laste van de
                                gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een vaste
                                maandelijkse vergoeding voor </al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software die algemeen
                                gebruikelijk is. De vergoeding wordt gebaseerd op een
                                afschrijvingstermijn van 3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college de wethouder de aanlegkosten en
                                verleent een vaste vergoeding voor de kosten voor de
                                internetverbinding voor de in het eerste lid genoemde
                                computerapparatuur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>1.De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel
                            37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. </al><al>Naar keuze van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                            onkostenvergoe-ding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                            vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling. </al><al>2.Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: </al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders; </al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder; </al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd; </al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en </al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>1.Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                            niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                            benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van
                            de commissie vergoed. </al><al>De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                    noodzakelijke reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de
                                    in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig
                                    het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders; </al><lijst><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                            redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter
                                            zake van reizen binnen en buiten het grondgebied van de
                                            gemeente vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                            4, onderdeel c, van de Regeling rechtspositie
                                            wethouders. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                    seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. </al></li></lijst><al>De kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de vervulling van het commissielidmaatschap.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag verleent het college een lid van een op grond van
                                artikel 82 van de Gemeentewet ingestelde commissie ten laste van de
                                gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een vaste
                                maandelijkse vergoeding voor </al><lijst><li nr="c."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software, of</al></li><li nr="d."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software die algemeen
                                gebruikelijk is. De vergoeding wordt gebaseerd op een
                                afschrijvingstermijn van 3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college het in het eerste lid bedoelde
                                commissielid de aanlegkosten en verleent een vaste vergoeding voor
                                de kosten voor de internetverbinding voor de in het eerste lid
                                genoemde computerapparatuur. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of </al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20 en
                                24 kan plaats-vinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidings-formulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007,
                            vastgesteld door de raad op 12 juni 2007 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 11 maart 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2010. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van</ondertekening><ondertekening>27 januari 2010</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>TOELICHTING </al><al/><al>ALGEMEEN </al><al/><al><vet>Wettelijke regelingen </vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen. </al><al/><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers. Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                    commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van
                    die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en
                    commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele aanspraken voor raads- en
                    commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets
                            is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 14);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19, 27 en
                            28);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 24)</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders, raads-en commissieleden (artikelen 8, 21, 22 en 30) en
                            faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders, raads- en
                            commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 20 en
                            29);</al></li><li nr="-"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals voor zowel
                            wethouders als raadsleden zoals de spaarloonregeling of
                            levensloopregeling (artikelen 10 en 23);</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34).</al></li></lijst><al/><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid </vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006,
                    660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van
                    een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan
                    de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder). </al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering. </al><al/><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting </vet></al><al/><al><vet>Opting in regeling </vet></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. </al><al>Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij
                    zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                    zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen
                    premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. </al><al>Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling. </al><al/><al><vet>Fiscale standaardpositie </vet></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling
                    zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen
                    inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal
                    aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                    raadslidmaatschap. </al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling en
                    fietsregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3). </al><al/><al><vet>Eénmalige keuze per zittingsperiode </vet></al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode. </al><al/><al><vet>De vergoedingssystematiek </vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. </al><al>Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn
                    met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit
                    betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen
                    moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft
                    het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven
                    bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van
                    redeneren: </al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende. </al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering </al><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                    vergoed </al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed </al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat. </al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend. </al><al/><al><vet>Controle en verantwoording </vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de </al><al>eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun
                    functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden
                    omtrent de financiering van de functionele uitgaven. </al><al>Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en administratieve
                    organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en
                    rechtmatigheid van de uitgaven. </al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                        raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                        vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden aangegeven. </al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag.
                        De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de
                        minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie
                        manieren: </al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                                percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                                maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                                raadsvergoeding zijn.</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                        raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt
                        voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                        geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                        indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                        besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven dat
                        de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of
                        een percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006
                        verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van
                        indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze
                        keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in
                        artikel 11 van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding </vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q.
                        aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op
                        basis van de volgende kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                        cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                        voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 20, 21, 29 en 30). De
                        onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                        bijgesteld. De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                        onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding
                        gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%.
                        Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben
                        geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                        aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                        onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                        brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                        raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                        belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. </al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                        bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden
                        het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en
                        14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook
                        de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald,
                        dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                        maximum. </al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                        januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                        gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene
                        zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de
                        minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5,</nr><titel>6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</titel></kop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                        raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                        raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                        grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor
                        raads- en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en
                        verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                        uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                        echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in
                        verband met reizen binnen de gemeente. </al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                        Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de
                        sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de
                        ‘Regeling rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling
                        rechtspositie burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen
                        zijn in principe dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen,
                        maar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door
                        deze specifieke regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer
                        op het ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen
                        voor burgemeesters en wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de
                        rijksregeling. De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                        verblijfkosten is niet nader ingevuld. </al><al>Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een
                        voor de wethouders door het college en voor de raadsleden door de raad vast
                        te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan
                        worden bij de rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale
                        uitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen. </al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                        vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                        aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals
                        gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland.
                        Daardoor wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden,
                        beperkt. De vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt
                        verblijfkosten is ook voor raads- en commissieleden een lokale
                        aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de raad vast te stellen
                        uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting gezocht kan worden bij de
                        uitvoeringsregeling voor de wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. </al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van
                        eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                        rijkspersoneel geldt De vergoeding van de reiskosten met het openbaar
                        vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast,
                        ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007
                        wordt over de kilometervergoeding opgemerkt: </al><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                        zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                        belast. </al><al/><al><vet>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of symposium </vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                        de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                        congressen e.d. waaraan het individuele raadslid in verband met de
                        vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. </al><al>Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                        gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                        cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                        gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                        kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                        aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                        ondersteunt. </al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                        karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd. </al><al/><al><vet>Artikelen 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding </vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van wethouder of het
                        lidmaatschap van een commissie wordt maandelijks een vaste vergoeding
                        beschikbaar gesteld. De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de
                        rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste
                        van de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding
                        niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is. In dat geval is de
                        vergoeding onbelast. Zie pag. 153 Handboek loonheffingen 2007. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>en 23 Spaarloon/levensloop</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                        kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling.
                        Een combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin het mogelijk een
                        ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een
                        rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                        werknemers. </al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                        wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                        beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                        levensloopregeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>en 23a Fietsregeling</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                        kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                        rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                        werknemers. Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken.
                        Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten
                        hoogste het bedrag dat in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                        loonbelasting 2001 is vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                        aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient
                        te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te
                        blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                        indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                        verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
                        Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                        Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het
                        inkomen door een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte
                        van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                        anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding
                        van een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden.
                        Op grond van artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te
                        vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag
                        een raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                        voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de
                        wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                        iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                        werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren
                        dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs
                        en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het
                        inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve
                        iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met
                        het aantal uren dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking
                        neemt. Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding
                        voor de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de
                        mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de
                        verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                        gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                        waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een
                        ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In
                        overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                        artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming
                        van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming
                        recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en
                        van de vaste onkostenvergoeding. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of
                        de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding
                        een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%. </al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze
                        door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de
                        inkomstenbelasting. </al><al>Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het
                        maximum inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare
                        inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden
                        vastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat
                        door de Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen
                        van 4,4%. </al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel
                        11 van het </al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                        tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald.
                        Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op
                        verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                        inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert.
                        De tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                        bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen
                        in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In
                        de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er
                        is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het
                        tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                        vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt
                        over de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer
                        binnen de termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin
                        is het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw
                        een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat
                        verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken. </al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                        waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                        beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                        behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming
                        van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het
                        einde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor
                        korter zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder
                        enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de
                        hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk
                        raadslidmaatschap als de rechtspositionele aspecten daarvan. </al><al/><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten
                        </vet></al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                        woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                        Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                        gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2007 € 0,14 per
                        afgelegde kilometer. </al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                        openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                        gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2007 € 0,28 per
                        afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt
                        dan € 0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                        woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden
                        verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel
                        belast. In het Handboek loonheffingen 2007 (§ 18.5.3) wordt over de
                        kilometervergoeding opgemerkt: </al><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                        zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                        doeleinden te salderen. Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte
                        reiskostenvergoeding voor dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk
                        vastgestelde belastingvrije vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een
                        verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in
                        mindering mag worden gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in een
                        formele vergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16,
                        tweede lid. Indien voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling
                        geldt wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan
                        geldt in ieder geval de salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het
                        volgende voorbeeld wordt toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het
                        salderen en de berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van
                        reiskostenvergoedingen. </al><al>Voorbeeld </al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                        reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit: </al><lijst><li nr="-"><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                                en</al></li><li nr="-"><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 =
                                € 840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder
                        tijdvak het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de
                        heffing betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                        salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen
                        (dit is niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat:
                        totale reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal
                        kilometers 13.000 = gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer.
                        Na saldering blijft de vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale
                        reisvergoeding onbelast blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’
                        gedeelte van € 0,09 van de dienstreiskilometers reeds heeft belast (in
                        totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270) mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de
                        eerste maand van het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als
                        negatief loon opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers
                        die betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een
                        vergoeding in geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn
                        afgelegd zonder dat sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat
                        de betrokkene daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de
                        saldering worden betrokken. </al><al>Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel dat na
                        saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                        basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                        uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                        Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                        kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend.
                        In verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij
                        wijze van voorschot uitbetaald. </al><al>Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van de in een
                        gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te worden uitgegaan
                        van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de
                        daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis </vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                        wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                        worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende
                        Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde
                        gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om
                        expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                        uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de
                        rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het
                        meereizen van de partner en het combineren van een dienstreis met een
                        (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis. </al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                        belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                        gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in
                        alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven
                        is geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders geldt mutatis
                        mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de gemeenteraad of
                        raadscommissies. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>mobiele telefoon</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                        mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10%
                        bedraagt. </al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen.
                        Voor deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                        wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn
                        van overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd
                        worden. Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé
                        telefoon voor zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters
                        maandelijk bruto een bedrag van € 25,--. Het is redelijk om, wanneer
                        plaatselijk de component telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot een
                        bedrag van € 25,-- per maand van de bruto onkostenvergoeding achterwege te
                        laten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                        spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder
                        gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan
                        een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw
                        van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de
                        wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is
                        het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van
                        het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat
                        uitbetaling ineens plaatsvindt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                        gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die
                        niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet
                        verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn
                        geworden.</al><al>In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in
                        aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                        vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De
                        vergoedingen zijn onbelast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                        geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                        commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                        rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn
                        verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                        commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                        belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                        gemeentelijk belang dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                        De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks
                        per 1 januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het
                        indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                        bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een
                        lager bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                        mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                        gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                        bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                        verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het
                        is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen. </al><al/><al><vet>Artikelen 31 t/m 33 De procedure van declaratie </vet></al><al>In artikel 31 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen
                        37 t/m 39 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze
                        aan de orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten </al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al>Rechtstreekse facturering bij de gemeente </al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in
                        de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                                raadsleden en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                wethouders.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikelen 34 t/m 36 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>