<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33596_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de ambtelijke bijstand 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de ambtelijke bijstand 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 33, lid3.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel 2 juni 2005</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de ambtelijke bijstand 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van de agendacommissie van 2 juni 2005;</al><al/><al>gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de: <vet>Verordening op de ambtelijke bijstand
                        2005</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om:</al><lijst><li nr="a."><al>feitelijke informatie van geringe omvang;</al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar
                                        zijn.</al></li><li nr="c."><al>bijstand bij het opstellen van voorstellen, amendementen en
                                        moties of andere bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, wordt
                                door de griffier, een medewerker van de griffie of op verzoek van de
                                griffier door een ambtenaar gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, stelt hij de
                                secretaris daarvan in kennis. De secretaris beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijstand, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt verleend
                                door de griffier of een medewerker van de griffie. Indien de
                                gevraagde bijstand niet door de griffier of een medewerker van de
                                griffie kan worden verleend kan de griffier de secretaris verzoeken,
                                één of meer ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo
                                spoedig mogelijk verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar verleent op verzoek van de griffier of de secretaris
                                ambtelijke bijstand tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                        betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="c."><al>er geen ambtelijke capaciteit beschikbaar is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van het
                                eerste lid geweigerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt geweigerd deelt
                                de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het
                                raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Indien het verzoek om bijstand van een ambtenaar door de secretaris
                            wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het verzoek
                            voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                            mogelijk over het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar
                                verleende bijstand, doet hij of de griffier hiervan mededeling aan
                                de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide
                                partijen bevredigende oplossing leggen zij de zaak voor aan de
                                burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig mogelijk over de
                                zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>De secretaris houdt in een register bij hoeveel uren per jaar een
                            raadslid gebruik maakt van ambtelijke bijstand als bedoeld in artikel 1,
                            eerste lid, onderdeel c.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De secretaris verstrekt de desbetreffende portefeuillehouder in het
                            college desgewenst een afschrift van het verzoek uit het register.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Indien het college of leden van het college informatie wensen over een
                            verzoek om ambtelijke bijstand of de inhoud van het gegeven advies
                            wenden zij zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2005.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 28 juni 2005</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de verordening ambtelijke bijstand</titel></kop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    is door de Wet dualisering gemeentebestuur ingrijpend gewijzigd. Het legt
                    expliciet vast dat de raad en individuele raadsleden een recht op ambtelijke
                    bijstand hebben. De uitwerking hiervan moet bij verordening worden
                    geregeld.</al><al/><al>De oude modelregeling ambtelijke bijstand is aangepast aan het nieuwe
                    dualistische bestuursstelsel. Dit heeft geleid tot de nodige veranderingen. </al><al/><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. Deze ambtenaren werken doorgaans namelijk
                    voor het college. De wijziging van artikel 103 van de Gemeentewet laat dit
                    scherp zien. Voor de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde
                    dit artikel dat de secretaris (en daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke
                    organisatie) de raad en het college terzijde stond. In dualistische verhoudingen
                    staat de secretaris het college terzijde en wordt de raad bijgestaan door de
                    griffier.</al><al/><al>Dat de raad nu beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie is, in vergelijking met de reguliere organisatie beperkt
                    in omvang. Voor specialistische hulp zal een beroep op deze organisatie dan ook
                    nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al/><al>De nieuwe formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al/><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is er sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De verordening is niet bedoeld om formele barrières op te werpen die het
                    verlenen van bijstand aan raadsleden juist bemoeilijkt. Indien het gaat om het
                    verzoek om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift van
                    openbare documenten, kan een raadslid contact opnemen met de griffier die het
                    verzoek kan neerleggen bij een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke
                    organisatie. Het begrip document wordt hier overigens gebruikt in de betekenis
                    die het in de Wet openbaarheid bestuur heeft. Met openbaar wordt bedoeld
                    openbaar in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur. Voor niet openbare
                    documenten wordt een regeling gegeven in de artikel 25, 55 en 86 van de
                    Gemeentewet. Deze rechten zijn uitgewerkt in het reglement van orde voor de
                    raad, het reglement van orde voor het college </al><al>en de verordening op de raadscommissies.</al><al/><al>Er is voor gekozen de griffier te noemen als centrale functionaris. Het bestaan
                    van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad en het
                    college, die bij de dualisering zijn beslag heeft gekregen, leidt ertoe dat de
                    ambtelijke organisatie parallel ontvlochten wordt. Omdat de griffier geen
                    zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal de secretaris de
                    ambtenaar die de bijstand verleent moeten aanwijzen. De ontvlechting van
                    posities leidt in dit geval dus noodzakelijk tot een verdergaande formalisering
                    van de regeling omtrent ambtelijke bijstand.</al><al/><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al/><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder gezag van het college staan en worden dus niet
                    griffiemedewerkers bedoeld. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de
                    griffie ook ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al/><al>Op grond van het derde lid is er bij twijfel een rol voor de secretaris
                    weggelegd. Deze zal moeten beslissen of het een verzoek als bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel a en b betreft.</al><al/><tussenkop>Artikelen 2 en 3</tussenkop><al>Beoordeling of één van de in artikel 3 genoemde weigeringsgronden zich voordoet
                    vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. In artikel 4 is aangegeven dat de
                    uiteindelijke beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is
                    voorbehouden aan de burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg
                    voert met de secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken
                    raadslid). Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de
                    burgemeester verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180
                    Gemeentewet).</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Ook indien - naar de mening van het raadslid - op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor.</al><al/><al>Wel dient het betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren
                    met de secretaris.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Het register dat door de secretaris kwordt bijgehouden maakt het mogelijk na te
                    gaan hoeveel tijd gemoeid raakt met het beroep op de ambtelijke organisatie. Dit
                    maakt het mogelijk verantwoord te managen en het kan een belangrijke rol spelen
                    bij het in kaart brengen en desgewenst in de toekomst begroten van de behoefte
                    aan deze voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven dat het van belang is dat de betrokken
                    portefeuillehouder op de hoogte is van het feit dat bijstand is verleend door
                    onder zijn verantwoordelijkheid functionerende ambtenaren. Gezien de vergroting
                    van de afstand tussen raad en college die met de dualisering is gecreëerd, is
                    het logisch dat desgewenst melding wordt gemaakt van het verschaffen van
                    ambtelijke bijstand. Het college en de secretaris kunnen afspreken in welke
                    gevallen hiervan melding wordt gemaakt. Zie overigens de algemene toelichting
                    vierde (alinea).</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Indien een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt, moet hij ervan uit kunnen
                    gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die werkzaamheden onafhankelijk
                    opereert van het college. Dit is een gevolg van de door de dualisering tot stand
                    gebrachte ontvlechting van posities. Geheimhouding van verzoeken van raadsleden
                    in de richting van het college door ambtenaren in dienst van het college is
                    wettelijk niet houdbaar. Een collegelid kan dus bij of via de secretaris nagaan
                    of er een verzoek om ambtelijke bijstand is gedaan. Met het oog op goede
                    verhoudingen is in het artikel bepaald dat collegeleden zich voor nadere
                    informatie evenwel direct tot het betrokken raadslid wenden en niet tot de
                    behandelend ambtenaar. Dit biedt een waarborg voor de onafhankelijke behandeling
                    van een verzoek om ambtelijke bijstand door ambtenaren en verzekert dat dat een
                    ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om zelf inlichtingen te
                    verschaffen over het verzoek van een raadslid. De ambtenaar die ambtelijke
                    bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de reguliere ambtelijke
                    organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot de normale
                    uitoefening van zijn taak. Indien hij dit gedeelte van zijn taak niet goed
                    uitoefent behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop aan te
                    spreken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>