<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR335346_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van leges 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leges 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 229 lid 1b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Paspoortwet, art. 2 lid 2, art. 7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.42740/D.20456</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van leges 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6
                        november 2014;</al><al>gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet
                        en de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening op de heffing en de invordering van leges 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Hoofdstuk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>’dag’: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een
                                    gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>’week’: een aaneengesloten periode van zeven dagen;</al></li><li nr="c."><al>’maand’: een tijdvak van 30 achtereenvolgende dagen;</al></li><li nr="d."><al>’jaar’: een tijdvak van 365 achtereenvolgende dagen;</al></li><li nr="e."><al> 'kalenderjaar': de periode van 1 januari tot en met 31
                                    december.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte
                            diensten;</al></li><li nr="b."><al>het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een
                            Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument; </al><al>een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende
                            tarieventabel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst, de Nederlandse
                            identiteitskaart of het reisdocument dan wel degene ten behoeve van wie
                            de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Leges worden niet geheven voor:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden
                                    verhaald;</al></li><li nr="b."><al>diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele
                                    of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of
                                    wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor
                                    zover die aanvraag betrekking heeft op een activiteit met
                                    betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                                    lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een
                                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                    onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor
                                    zover het een activiteit betreft bedoeld in artikel 2.2a van het
                                    Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte
                                    milieutoets);</al></li><li nr="d."><al>het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent
                                    inkomen en vermogene. het in behandeling nemen van een aanvraag
                                    voor een dienstverlening zoals genoemd in de tarieventabel voor
                                    zover deze aanvraag is gedaan door een charitatieve of algemeen
                                    nut beogende instelling danwel een daaraan gelijk te stellen
                                    instelling.</al></li><li nr="e."><al>het in behandeling nemen van een aanvraag voor een
                                    dienstverlening zoals genoemd in de tarieventabel voor zover
                                    deze aanvraag is gedaan door een charitatieve of algemeen nut
                                    beogende instelling danwel een daaraan gelijk te stellen
                                    instelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaven van heffing en tarieven</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven,
                                    opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel,
                                    met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde.</al></li><li nr="b."><al>Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van
                                    een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de
                                    Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen
                                    die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor
                                    het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van
                                    een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit
                                    in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het
                                    project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter
                                    vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10,
                                    derde lid, van de Crisis- en herstelwet.</al></li><li nr="c."><al>Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de
                                    tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid
                                    aangemerkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Met uitzondering van het bepaalde in het lid b worden de leges
                                    geheven bij wege van aanslag.</al></li><li nr="b."><al>De leges, die door de afdeling burgerzaken en interne zaken
                                    wegens directe dienstverlening aan de balie in rekening worden
                                    gebracht, worden geheven bij wege van een gedagtekende kassabon
                                    met omschrijving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de leges met toepassing van het gestelde in artikel
                                    6 onder b worden betaald op het moment van het uit¬rei¬ken van
                                    de kassabon.</al></li><li nr="b."><al>De leges die met toepassing van het gestelde in artikel 6 onder
                                    a worden geheven zijn verschuldigd binnen uiterlijk één maand na
                                    de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="c."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de onder de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vermindering of teruggaaf</titel></kop><al>Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in
                            de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst wordt
                            verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die
                            tarieventabel opgenomen bepaling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de leges.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening leges 2014’, vastgesteld bij raadsbesluit van 12
                                    december 2013, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 26
                                    juni 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                    genoemde datum van inwerkingtreding van deze verordening, met
                                    dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare
                                    feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening leges
                                    2015’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 17 december
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Mw. M. Walrave B.J. van Bochove</ondertekening><ondertekening>s</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Tarieventabel</label><nr>1</nr><titel/></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de ‘Verordening Leges 2014 II’ vastgesteld in de
                    raadsvergadering van 26 juni 2014 </al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel
                    voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.</al><al>Artikel 2 Belastbaar feit</al><al>De omschrijving van het belastbaar feit valt in tweeën uiteen. Enerzijds betreft
                    het belastbaar feit het genot van verleende diensten, anderzijds betreft het
                    belastbaar feit het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van
                    een reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart.</al><al>Deze laatste omschrijving houdt verband met de wijziging van de Paspoortwet per
                    9 maart 2014 en daarvóór met HR 9 september 2011, nr. 10/04967 , LJN: BQ4105 en
                    de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, die een zelfstandige grondslag biedt voor
                    de legesheffing nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in
                    artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.</al><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden geheven.
                    Het is niet mogelijk om in artikel 2 een algemene omschrijving van het
                    belastbare feit op te nemen die betrekking heeft op alle in de heffing te
                    betrekken diensten. Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene
                    omschrijving van het belastbare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere
                    omschrijving van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen. Dat is dan
                    ook de reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘diensten, een en ander zoals
                    genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat
                    artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat het voorwerp van de belasting en het
                    tarief moeten zijn vermeld in de belastingverordening, mag er geen twijfel over
                    bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de
                    woorden ‘daarbij behorende’ zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de
                    verordening en de tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens
                    uitdrukkelijk aangegeven.</al><al>De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de
                    materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld
                    ontstaat.</al><al>Het belastbare feit zou op verschillende manieren omschreven kunnen worden. Zo
                    kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het verlenen van een vergunning’ maar ook
                    kan worden gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het
                    verlenen van een vergunning’.</al><al>In de modelverordening is gekozen voor de laatste formulering. Dit heeft als
                    voordeel dat leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling
                    nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de vergunning
                    wordt verleend. Ook is niet van belang of de vergunning wordt verleend of
                    geweigerd. Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de vergunning’ dan
                    heeft op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare
                    feit zich nog niet voorgedaan en is dus de materiële belastingschuld nog niet
                    ontstaan. Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële
                    belastingschuld is niet mogelijk. Ook kan dan niet worden geheven als de
                    vergunning wordt geweigerd, hoewel de gemeente wel de kosten van behandeling
                    heeft gemaakt.</al><al>Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle gevallen het
                    belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen van een
                    aanvraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en niet voor
                    het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven worden, dit op
                    grond van de Wet rechten burgerlijke stand. En bij de reisdocumenten en de
                    Nederlandse identiteitskaart heeft de Paspoortwet het over het heffen van
                    rechten ‘voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag’.</al><al>Artikel 3 Belastingplicht</al><al>De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel 217
                    van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende
                    diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te
                    voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou
                    kunnen worden.</al><al>Het gebruik van de woorden ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat voor
                    dezelfde dienst van twee belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te
                    wiens behoeve de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht, leges
                    worden geheven.</al><al>Vanuit de systematiek van de modelverordening ligt het voor de hand in eerste
                    instantie de aanvrager in de heffing te betrekken. Als het niet mogelijk is een
                    aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld als de aanvrager
                    duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene ten behoeve van wie de
                    dienst is verleend of de handelingen zijn verricht als belastingplichtige
                    aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals al
                    eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de
                    dienstverlening of de handelingen.</al><al>Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen
                    keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels
                    voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig. </al><al>Artikel 4 Vrijstellingen</al><al>Onderdeel a</al><al>In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten
                    waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de Wet
                    ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt verband
                    met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli 2008 in
                    werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening
                    (afdeling 6.4).</al><al>Uitgangspunt van de Grondexploitatiewet vormt een verplichting tot
                    kostenverhaal. Deze verplichting houdt in, dat een gemeente de gemaakte kosten
                    op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot
                    een ontwikkeling van de gronden overgaat. De gemeente mag hier bovendien niet
                    meer van afzien, zoals vóór 1 juli 2008 nog wel het geval kon zijn. Indien er
                    sprake is van een bouwplan zoals omschreven in artikel 6.2.1 van het Besluit
                    ruimtelijke ordening moeten de kosten (zoals opgenomen op de limitatieve
                    kostensoortenlijst van artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening)
                    worden verhaald op de particuliere ontwikkelaar. Deze kosten kunnen niet
                    nogmaals via de leges in rekening worden gebracht. Dit zou namelijk betekenen,
                    dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit bepaalde
                    kosten twee keer zou gaan betalen.</al><al>Het verplichtende karakter van het kostenverhaal op grond van de
                    Grondexploitatiewet houdt ook in, dat het niet toegestaan is voor de gemeente om
                    af te zien van het kostenverhaal van verleende diensten via het stelsel van de
                    Grondexploitatiewet, om deze kosten vervolgens alsnog via de leges te verhalen.
                    De gemeente heeft dus geen keuzevrijheid om de kosten voor verleende diensten
                    via de grondexploitatiewet, dan wel via de leges te verhalen, maar moet
                    verplicht het stelsel van de Grondexploitatiewet gebruiken.</al><al>De Grondexploitatiewet legt allereerst een nieuwe basis voor privaatrechtelijke
                    overeenkomsten over grondexploitatie tussen gemeenten en particuliere eigenaren
                    die tot ontwikkeling van hun grondeigendom willen overgaan (artikel 6.24 van de
                    Wet ruimtelijke ordening). Deze privaatrechtelijke overeenkomst biedt de
                    gemeente de mogelijkheid om met een particuliere eigenaar afspraken te maken
                    over het kostenverhaal van de betreffende bouwlocatie, over eventuele planschade
                    en over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten de locatie. De gemeente
                    kent voor deze privaatrechtelijke overeenkomst een volledige contractsvrijheid,
                    met inachtneming van wet- en regelgeving en de algemene rechtsbeginselen.</al><al>Verder omvat de wet een publiekrechtelijk spoor voor situaties, waarin de
                    partijen binnen de privaatrechtelijke onderhandelingen geen onderlinge
                    overeenkomst over het kostenverhaal hebben bereikt (artikel 6.12 tot en met
                    artikel 6.22 van de Wet ruimtelijke ordening). Van centrale betekenis binnen dit
                    publiekrechtelijke spoor is het exploitatieplan, waarin de gemeente de
                    uitgangspunten voor de grondexploitatie kan vastleggen. Dit exploitatieplan moet
                    tegelijkertijd worden vastgesteld en bekendgemaakt met het bestemmingsplan, het
                    wijzigingsbesluit of de omgevingsvergunning. Bij de aanvraag van een
                    omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit zal vervolgens via de toetsing aan
                    het vigerende ruimtelijke plan en het bijbehorende exploitatieplan de bijdrage
                    van de particuliere ontwikkelaar aan het kostenverhaal worden vastgesteld en in
                    de voorschriften bij de omgevingsvergunning worden opgenomen.</al><al>In artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening is een limitatieve lijst
                    opgenomen met kosten die moeten worden verhaald binnen het publiekrechtelijke
                    spoor van de Grondexploitatiewet. Deze lijst omvat onder meer de kosten van het
                    verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch en
                    milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek,
                    archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (artikel 6.2.4, sub a), de kosten
                    van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het
                    exploitatiegebied (artikel 6.2.4, sub i) en de kosten van andere door het
                    gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te verrichten
                    werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de
                    in het besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden
                    (artikel 6.2.4, sub j).</al><al>Per 1 november 2010 zijn op bovengenoemde verplichting tot kostenverhaal via het
                    exploitatieplan drie uitzonderingen van kracht geworden (Stb. 2010, 684; artikel
                    6.2.1a Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente hoeft geen exploitatieplan
                    vast te stellen en kan, als het kostenverhaal ook niet heeft plaatsgehad via een
                    privaatrechtelijke overeenkomst, alsnog overgaan tot het heffen van leges voor
                    de geleverde diensten:</al><al>• a. Als de netto-opbrengsten van het exploitatieplan in relatieve zin niet
                    opwegen tegen de bestuurlijke kosten (opbrengst minder dan € 10.000). De Wet
                    ruimtelijke ordening bepaalt dat de exploitatiebijdrage per omgevingsvergunning
                    wordt berekend door het totaal van de te verhalen kosten dat is toe te rekenen
                    aan de betreffende vergunning te verminderen met de inbrengwaarde van de gronden
                    waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft en de vergoeding voor door de
                    eigenaar zelf verrichte werkzaamheden (artikel 6.19 Wet ruimtelijke ordening).
                    Als naar verwachting het totaal der exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald
                    via de af te geven omgevingsvergunning gezamenlijk ten hoogste € 10.000
                    bedraagt, kan de gemeente afzien van het vaststellen van het
                    exploitatieplan.</al><al>• b. Als er via het exploitatieplan in absolute zin nauwelijks reële kosten zijn
                    die de gemeente kan verhalen of als er geen verhaalbare kosten zijn voor een
                    vijftal aangewezen kostensoorten op de kostensoortenlijst (de kostensoorten
                    bedoeld in artikel 6.2.4, sub b tot en met f, Besluit ruimtelijke ordening).
                    Deze kostensoorten omvatten de kosten van bodemsanering en grondwerken, de
                    kosten van de aanleg van voorzieningen, de kosten van maatregelen, plannen,
                    besluiten en rechtshandelingen, de aan de exploitatie toerekenbare kosten die
                    gemaakt worden buiten het exploitatiegebied en de kosten in verband met het in
                    exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in
                    aanmerking komen.</al><al>• c. Als de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op
                    de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Het gaat
                    hier om voorzieningen waarvan de gemeente de kosten meestal ook na vaststelling
                    van het ruimtelijk besluit nog zal kunnen verhalen via een overeenkomst.
                    Voorbeelden zijn het maken van een inrit naar de openbare weg of een aansluiting
                    op het riool.</al><al>Onderdeel b</al><al>Onderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen van
                    de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of mijnbouwwerk
                    (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van
                    artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    dat luidt:</al><al>‘1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van
                    een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een
                    omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een
                    inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten
                    geheven.’</al><al>Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die wij voor een goed begrip hebben
                    opgenomen in de legesverordening. Deze vrijstelling geldt ook als de gemeente
                    deze niet opneemt in de legesverordening. Het is van belang, omdat de gemeente
                    de kosten die met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze
                    milieuactiviteiten gepaard gaan, niet langs een omweg kan verhalen via de leges
                    voor bijvoorbeeld een bouw- of aanlegactiviteit. Een nauwkeurige, controleerbaar
                    vastgelegde kostentoerekening is dus noodzakelijk.</al><al>Zoals bekend zijn de milieuleges met ingang van 1 januari 1998 wettelijk
                    onmogelijk geworden (artikel 15.34a Wet milieubeheer en artikel 86a Wet
                    bodembescherming). Dat is in de Wabo dus doorgetrokken. Gemeenten zijn/worden
                    gecompenseerd via het gemeentefonds.</al><al>Onderdeel c</al><al>De vrijstelling onder c heeft betrekking op de zogenaamde ‘omgevingsvergunning
                    beperkte milieutoets’ (OBM). Dit is een toestemming van het bevoegd gezag die
                    bedrijven sinds 1 januari 2011 voor een aantal activiteiten uit het
                    Activiteitenbesluit (officiële naam: 'Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer') nodig hebben om met deze activiteiten op een specifieke locatie
                    te kunnen starten. De OBM is van toepassing op twee typen activiteiten:</al><al>- activiteiten waarvoor een m.e.r-beoordeling verplicht is; en</al><al>- activiteiten waarvoor het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te
                    beoordelen of de activiteit ingepast kan worden in de lokale situatie.</al><al>De OBM is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in
                    samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht. De OBM bestaat uit
                    een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan
                    de OBM verbinden (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht).</al><al>Zoals bekend bestaat er sinds 1998 een legesvrijstelling voor
                    milieuactiviteiten, waarvoor gemeenten destijds een extra uitkering in het
                    gemeentefonds hebben ontvangen. Omdat de OBM activiteiten betreft die voorheen
                    ‘gewoon’ milieuvergunningplichtig waren en dus onder de wettelijke
                    legesvrijstelling voor milieuvergunningen vielen, zou ook voor de OBM een
                    wettelijke legesvrijstelling moeten gelden. De wetgever heeft bij de invoering
                    van de Wabo verzuimd deze vrijstelling in artikel 2.9a van de Wabo te regelen,
                    maar heeft artikel 2.9a, eerste lid, inmiddels aangepast (Stb. 2012, 114). Het
                    wachten is nog op de amvb die de vrijstelling invult. In verband met een en
                    ander hebben wij vooruitlopend op de wettelijke legesvrijstelling een
                    vrijstelling in de modelverordening leges opgenomen. Er is geen sprake van een
                    nieuwe of verzwaring van de taak van gemeenten (eerder het tegendeel), er hangt
                    alleen een ander label op: de ‘i-vergunning’.</al><al>Onderdeel d</al><al>De vrijstelling voor het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen
                    omtrent inkomen en vermogen (onderdeel d) is vrij algemeen en heeft bijna iedere
                    gemeente in zijn verordening opgenomen.</al><al>Onderdeel e</al><al>Onderdeel e is opgenomen vanaf 1997. Het gaat hierbij om verzoeken van
                    instel¬lingen die een goed doel nastreven. Er is geen winstoogmerk en de
                    opbrengsten gaan naar derden. Enkele voorbeelden zijn inzamelingsactie voor
                    derde wereld landen, kledinginzamelingsactie, collecte van de nierstichting,
                    hartstichting, maar ook bepaalde doelgroepen zoals milieugroepen
                    (milieudefensie, Green Peace), het Leger des Heils en dergelijke. Het gaat niet
                    om het "spekken" van de eigen verenigingskas, dus bijvoorbeeld een
                    ledenwerfactie van de voetbalvereniging of een sponsorloterij. Ook VVW-
                    activiteiten, culturele activiteiten (synagoge), sinterklaasoptochten
                    (commer¬cieel doel) en dergelijke vallen er buiten. Wij zijn van mening dat het
                    opnemen van deze vrijstellingsbepaling niet leidt tot een precedentwerking voor
                    andere dan de bedoelde groepen. </al><al>Overigens zal bij twijfel geen vrijstelling worden verleend. Eventuele
                    bezwaar¬schriften van deze strekking zullen na overleg met de desbetreffende
                    porte¬feuillehouder worden afgehandeld. </al><al>Andere wettelijke vrijstellingen</al><al>In artikel 4 zijn niet vermeld de vrijstellingen die voorkomen in andere hogere
                    wettelijke regelingen. De legesverordening kan geen inbreuk maken op of bepaalde
                    beperkingen opnemen met betrekking tot de bij wet verleende vrijstellingen.</al><al>Die vrijstellingen zijn onder meer:</al><al>- de diplomatieke internationale vrijstellingen. Op grond van artikel 243 van de
                    Gemeentewet kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën vrijstelling
                    van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht dan wel het
                    internationale gebruik daartoe noopt. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt,
                    althans voor zover voor de leges van belang, in de ‘Regeling diplomatieke en
                    internationale vrijstellingen gemeentelijke belastingen 1997’ (Regeling van 20
                    december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996, 249, Belastingblad 1997, blz. 91,
                    nadien gewijzigd).</al><al>- de vrijstelling voor het doen van naspeuringen (door de aanvrager zelf) in de
                    gemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare
                    karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995).</al><al>- de vrijstellingen opgenomen in de artikelen 2 en 4 van de Wet rechten
                    burgerlijke stand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 27
                    november 2008, Stb. 500 (inwerkingtreding 1 maart 2009).</al><al>- de ‘vrijstelling’ met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van
                    een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel 15.34a Wet
                    milieubeheer).</al><al>- de ‘vrijstelling’ voor beschikkingen krachtens de Wet bodembescherming
                    (artikel 86a Wet bodembescherming).</al><al>Voorts komen in talloze andere wetten vrijstelling voor, onder andere:</al><al>- artikel 55 van de AWR;</al><al>- artikel 32a van de Wet waardering onroerende zaken;</al><al>- artikel 93 van de Pensioenwet;</al><al>- artikel 111 van de Pensioenwet politieke ambtsdragers;</al><al>- artikelen 78, eerste lid, 79, eerste en tweede lid, 95 en 99, tiende lid, van
                    de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; </al><al>- artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945;</al><al>- artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;</al><al>- artikel 55, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. </al><al>Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven</al><al>Voor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke
                    belastingen (algemene toelichting), onder 6, Maatstaf van heffing en onder 7,
                    Belastingtarief. Meer specifiek merken wij met betrekking tot de leges nog het
                    volgende op. In de memorie van toelichting van de Wet materiële
                    belastingbepalingen wordt als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de
                    huwelijksleges voor mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor
                    inwoners van de gemeente.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de
                    bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op
                    artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening.</al><al>Tweede lid</al><al>Voor woningbouwprojecten en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
                    projecten kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve een
                    projectuitvoeringsbesluit nemen (artikel 2.9 en 2.10 Crisis- en herstelwet). Het
                    projectuitvoeringsbesluit vervangt de bestaande vergunningen, ontheffingen,
                    vrijstellingen of andere besluiten die zonder de Crisis- en herstelwet (CHW)
                    voor de ontwikkeling en verwezenlijking voor het project nodig zouden zijn. In
                    veel gevallen zal sprake zijn van grondexploitatie, waarop afdeling 6.4 van de
                    Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is. Een groot aantal
                    kostencomponenten moet in deze gevallen via het exploitatieplan worden verhaald
                    (afdeling 6.4 Wro; artikel 6.2.4 Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente zal
                    alleen overgaan tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als dit
                    kostenverhaal verzekerd is.</al><al>Als een verzoek tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit wordt gedaan,
                    kan de gemeente voor de (administratieve) behandeling van dat verzoek leges
                    heffen. Het tweede lid voorziet hierin. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter
                    vervanging van de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en andere
                    benodigde besluiten. De toetsingskaders blijven echter van kracht, tenzij het
                    projectuitvoeringsbesluit op grond van wet of verordening anders bepaalt
                    (artikel 2.10, vijfde lid, CHW). In verband hiermee hebben wij bij de
                    tariefstelling aangesloten bij de in de tarieventabel opgenomen tarieven die
                    voor de vergunningen, ontheffingen en dergelijke verschuldigd zouden zijn
                    geweest als de CHW niet zou gelden. Voor de overzichtelijkheid hebben wij de
                    tariefbepaling in artikel 5 opgenomen. </al><al>Bij die keuze hebben de volgende overwegingen meegespeeld:</al><al>- De CHW is eerder in werking getreden dan de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (omgevingsvergunning). In de legesverordening was nog
                    overgangsrecht opgenomen totdat de Wabo in werking trad (oude hoofdstuk 5,
                    bouwgerelateerde leges, van de tarieventabel was nog van toepassing tot 1
                    oktober 2010; daarna is titel 2 van de tarieventabel van toepassing).</al><al>- De CHW geldt voor het grootste deel tot 1 januari 2014.</al><al>Inmiddels is de werking van de Chw tot onbepaalde tijd verlengd (Stb. 2013, 144
                    en 145) met het oog op de permanente verankering van de voorzieningen in de
                    hoofdstukken 1 en 2 van de Chw in de Awb en de nieuwe Omgevingswet. Wij hebben
                    hierin geen aanleiding gezien de bepaling in het tweede lid over te hevelen naar
                    de tarieventabel.</al><al>Derde lid</al><al>In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten,
                    waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is
                    gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden
                    vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of
                    een gehele bladzijde zullen worden gerekend.</al><al>Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring; profijtbeginsel</al><al>Het is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter
                    beoordeling van de belastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden tot
                    strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke
                    belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de
                    heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Tussen de hoogte van de leges
                    enerzijds en de omvang van de terzake van gemeentewege verstrekte diensten dan
                    wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen
                    rechtstreeks verband vereist (zie onder meer: Hoge Raad 18 september 1991, nr.
                    27457, BNB 1991/351; Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB
                    1998/70).</al><al>Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de legesverordening als geheel
                    bezien maximaal kostendekkend zijn. Ook de belastingrechter heeft zich op dit
                    standpunt gesteld (zie onder meer: Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38860;
                    LJN:AP1951; Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Niet elke post
                    zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste
                    zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de
                    individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Dat neemt niet weg dat een
                    gemeente wel een kostendekkendheid per dienst of per samenhangende groep van
                    diensten mag nastreven, als de gemeente in dit opzicht maar een consequente lijn
                    volgt (vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN:
                    AE9620). En bij de reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart heeft de
                    Paspoortwet het over het heffen van rechten ‘voor het verrichten van handelingen
                    ten behoeve van een aanvraag’.</al><al>Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te
                    passen. Onder kruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van tarieven
                    van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere diensten laag
                    te kunnen houden. Daarnaast kan bij de tariefstelling uitdrukking worden gegeven
                    aan het profijtbeginsel. Dat is een aparte beleidsmatige afweging. Onderlinge
                    verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen
                    groepen van diensten zijn niet in strijd met de wet of met enig algemeen
                    rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is niet vereist (Hoge Raad
                    14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943).</al><al>Europese Dienstenrichtlijn en Wabo in relatie tot artikel 229b Gemeentewet</al><al>De mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese
                    Dienstenrichtlijn (EDR) beperkter geworden.</al><al>De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van samenhangende
                    vergunningstelsels mogelijk. Dit betreft alleen de diensten aan
                    dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft hierin geen
                    aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te wijzigen. De EDR
                    doorkruist daarmee de wettelijke regeling van artikel 229b Gemeentewet.</al><al>Bij de introductie van de Wabo (omgevingsvergunning) gaat de wetgever ervan uit
                    dat kruissubsidiëring tussen het cluster omgevingsvergunning en andere in de
                    legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken
                    29515 2005/2006, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve lasten).
                    De wens van de wetgever is echter niet in een wettelijke bepaling vastgelegd,
                    zodat artikel 229b van de Gemeentewet onverkort geldt. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden
                    28 januari 2014, nr. 13/00081, ECLI:NL:GHAR:2014:494.</al><al>De EDR en bovengenoemde wens van de wetgever zijn de reden dat wij de
                    tarieventabel in drie titels hebben verdeeld.</al><al>Soms alleen kopieerkosten door te berekenen</al><al>Soms mogen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie
                    bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde lid,
                    van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een
                    aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof
                    Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, LJN:
                    AD9760, en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een
                    redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de
                    hoven tot de conclusie dat voor het verstrekken van kopieën als de onderhavige
                    uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge
                    zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot
                    de kosten die in dat geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer
                    wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken
                    en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage
                    leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert
                    eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd.</al><al>Meer informatie over kostenberekening en kostentoerekening</al><al>Voor een verdere beantwoording van de vraag welke kosten wel en welke kosten
                    niet kunnen worden doorberekend, verwijzen wij naar:</al><al>- de modellen kostenonderbouwing die de VNG sinds najaar 2009 op haar website
                    beschikbaar stelt;</al><al>- de Handreiking kostentoerekening leges en tarieven, die het ministerie van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sinds juli 2007 via haar website
                    beschikbaar stelt. Deze handreiking geeft inzicht in de doorberekening van de
                    kosten in de rechten, heffingen en tarieven die maximaal 100% kostendekkend
                    mogen zijn;</al><al>- het boekje Kostentoerekening en gemeentelijke heffingen, VNG-uitgeverij
                    (thans: SDU uitgevers), Den Haag 1999.</al><al>Artikel 6 Wijze van heffing</al><al>Op grond van artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                    worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op
                    andere wijze. </al><al>In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Van alle
                    dienstverleningen ontvangt de afdeling belastingen een opgave. Aan de hand
                    hiervan wordt een aanslag opgelegd. De vordering wordt dus in de administratie
                    opgenomen. Bij niet betaling volgen een herinnering, aanmaning en dwangbevel. </al><al>Een uitzondering hierop vormen de leges die aan de legeskas bij de afdeling
                    burgerzaken door middel van een kassabon worden afgerekend. </al><al>Artikel 7 Termijnen van betaling</al><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. </al><al>Het ontstaan van de (materiële) belastingschuld is overigens niet in de
                    veror¬dening geregeld. Dit hangt samen met het feit dat bij de leges het
                    ontstaan van de belastingschuld samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar
                    feit zich voordoet.</al><al>Artikel 8 Vermindering of teruggaaf</al><al>Bij een teruggaaf wordt een op zich juist vastgesteld belastingbedrag niet
                    verlaagd, maar teruggegeven als gevolg van een omstandigheid waarmee bij de
                    heffing geen rekening kon of mocht worden gehouden. De teruggaaf leidt dus niet
                    tot vermindering van de aanslag of het gevorderde bedrag, maar tot een
                    terug¬gaaf. Deze wordt bij afzonderlijke beschikking vastgesteld. Een voorbeeld
                    hiervan is de teruggaaf van bouwleges indien van een verleende bouwvergunning
                    geen gebruik wordt gemaakt. De teruggaaf kan min of meer als een in de
                    verordening geregelde hardheidsclau¬sule worden gezien.</al><al>Er zijn gevallen denkbaar waar de verordening niet in teruggaaf voorziet,
                    terwijl deze teruggaaf toch gerechtvaardigd moet worden geacht. Leidt
                    bijvoor¬beeld het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een
                    stuk niet tot uitreiking daarvan en zijn er door de gemeente geen werkzaamheden
                    verricht, dan kan er reden bestaan voor een ambtshalve teruggaaf van leges (op
                    grond van de zogenoemde hardheidsclausule; artikel 63 AWR). Afhankelijk van de
                    verrichte werkzaamheden kan ook gedeeltelijk teruggaaf worden verleend.</al><al>Dit artikel is nieuw en houdt verband met hoofdstuk 4 van titel 2 van de
                    tarieventabel. Hierin is opgenomen dat aanspraak bestaat op vermindering van
                    leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning
                    als de aanvraag op meer dan vijf activiteiten betrekking heeft.</al><al>Artikel 8 is algemeen gesteld. U kunt hierdoor bijvoorbeeld ook in titel 1 een
                    hoofdstuk vermindering opnemen, waarin is bepaald dat aanspraak bestaat op
                    vermindering als de aanvraag en/of afhandeling van een aanvraag langs
                    elektronische weg plaatsvindt. Al naar gelang en beperkt tot de mogelijkheden in
                    de gemeente.</al><al>De vermindering of teruggaaf kan ambtshalve worden toegepast (artikel 65 AWR) of
                    op aanvraag worden verleend (artikel 242 Gemeentewet). </al><al>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</al><al>Het college kan nadere beleidsregels vaststellen met betrekking tot de heffing
                    en invordering van gemeentelijke belastingen.</al><al>Onder andere met betrekking tot de volgende zaken zijn beleidsregels
                    vastge¬steld:</al><al>- de gemeentelijke ‘Leidraad invordering’. Dit betreft een instructie hoe te
                    handelen in voorkomende gevallen bij de invordering van belastingen;</al><al>- het nemen van aanwijzingsbesluiten en aanstellingsbesluiten;</al><al>- aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie (n.v.t. op
                    leges);</al><al>Artikel 10 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke
                    belastingen (algemene toelichting). </al><al>Vanaf 1 januari 2014 is bekendmaking langs elektronische weg verplicht voor de
                    decentrale overheden en dus voorwaarde voor de inwerkingtreding. Daarnaast geldt
                    op grond van artikel 140 Gemeentewet en artikel 7, derde lid, van de Europese
                    Dienstenrichtlijn dat de legesverordening elektronisch beschikbaar en
                    raadpleegbaar moet zijn.</al><al>Voor eensluidend afschrift,</al><al>de griffier,</al><al>Mw. M. Walrave</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Toelichting tarieventabel</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>Toelichting op de tarieventabel 2015</al><al>(behorende bij de 'Verordening leges 2015’ vastgesteld door de raad op 17
                    december 2014)</al><al>1 Algemeen</al><al>1.1 Inleiding</al><al>De tarieventabel maakt deel uit van de verordening. In de tarieventabel zijn
                    diensten opgenomen</al><al>waarvoor de meeste gemeenten leges heffen. De tarieventabel is afgeleid van het
                    model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)</al><al>1.2 Indeling van de tarieventabel</al><al>Gelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot
                    kruissubsidiëring als gevolg</al><al>van de Europese Dienstenrichtlijn en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (zie de toelichting</al><al>op artikel 5 van de verordening) is de tarieventabel in drie titels
                    onderverdeeld:</al><al>- titel 1 Algemene dienstverlening;</al><al>- titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke
                    leefomgeving/omgevingsvergunning;</al><al>- titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet
                    vallend onder titel 2.</al><al>De nummering van de onderdelen in de tarieventabel is als volgt:</al><al>titel.hoofdstuk.onderdeel.subonderdeel.subsubonderdeel.</al><al>Kruissubsidiëring</al><al>Binnen titel 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende
                    hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor</al><al>titel 2. De wetgever gaat er bij de omgevingsvergunning van uit dat alleen
                    binnen de</al><al>omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met
                    dienstverlening daarbuiten.</al><al>Maar kruissubsidiëring tussen titel 1 en titel 2 is niet verboden, nu de
                    wetgever artikel 229b van de Gemeentewet niet heeft gewijzigd. Dit blijkt ook
                    uit Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494.
                    Het hof oordeelt dat de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b
                    Gemeentewet niet strenger is geworden door de komst van de Wabo. </al><al>Overigens hebben wij in titel 2 ook een paar andere diensten opgenomen die
                    verband houden met de</al><al>fysieke leefomgeving of de omgevingsvergunning (hoofdstukken 2, 8 en 9).</al><al>Op basis van artikel 13, tweede lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt
                    voor titel 3 dat slechts</al><al>kruissubsidiëring binnen elk hoofdstuk mogelijk is. Een hoofdstuk in titel 3
                    betreft een individueel</al><al>vergunningstelsel dan wel een cluster van samenhangende vergunningstelsels. Elk
                    hoofdstuk van titel</al><al>3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle
                    blijkt dat er op het</al><al>betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt
                    gemaakt, dienen de</al><al>tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid.</al><al>Een en ander betekent dat (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare
                    wijze vastgelegde kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de
                    gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is. Vervolgens
                    kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van kruissubsidiëring (voor
                    zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en de mate waarin zij het
                    profijtbeginsel wil laten doorwerken in het tarief. Zie het model
                    kostenonderbouwing leges omgevingsvergunning, te vinden op www.vng.nl.</al><al>In de eerdergenoemde uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014,
                    nr.13/00081, ECLI:NL:GHARL:2014:494, oordeelt dit hof:</al><al>‘Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 229b van de Gemeentewet
                    volgt ondubbelzinnig dat de wetgever heeft bedoeld dat de opbrengstlimiet wordt
                    toegepast op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een
                    verordening zijn geregeld en het totaal van de geraamde lasten die de
                    werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden. Daarbij gaat het
                    dus niet om de kostendekking per dienst of groep van diensten, maar om de
                    kostendekking van alle in de verordening opgenomen diensten ((Kamerstukken II
                    1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 61 en HR 4 februari 2005, nr. 38860,
                    ECLI:HR:2005:AP1951). Wel dient de gemeente, die ervoor kiest in één verordening
                    tarieven voor verschillende (groepen van) diensten op te nemen, op
                    controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door
                    heffing van elk van de tarieven beoogt te dekken (vgl. HR 31 maart 1999, nr.
                    33427, ECLI:HR:1999:AA2720). Deze controleerbare vastlegging dient met name om
                    toetsing van een bepaalde heffing aan algemene rechtsbeginselen mogelijk te
                    maken. Voor de toetsing aan de opbrengstlimiet heeft zij geen betekenis (vgl. HR
                    4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:HR:2005:AP1951).’</al><al>Voor de toets aan de opbrengstlimiet blijven de totaal geraamde baten en lasten
                    van alle tarieven uit de legesverordening dus van belang.</al><al>1.3 Belastbare feit</al><al>In de toelichting op artikel 2 van de modelverordening staat dat is gekozen voor
                    het omschrijven van</al><al>het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het
                    verlenen van een</al><al>vergunning’ en niet als ‘het afgeven van een vergunning’. Dit heeft namelijk als
                    voordeel dat de leges</al><al>al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de
                    aanvraag.</al><al>Voor het overige verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de toelichting
                    op artikel 2 van de</al><al>modelverordening.</al><al>1.4 Hoogte van de tarieven</al><al>In de tarieventabel zijn geen voorbeelden van tarieven opgenomen (zie het
                    algemeen deel van de toelichting). In de toelichting op artikel 5 hebben wij
                    aandacht besteed aan de tariefstelling, de</al><al>kostendekkendheid van de leges, de mogelijkheid van kruissubsidiëring en
                    toepassing van het</al><al>profijtbeginsel. Voor een aantal diensten is de hoogte van het te heffen
                    legesbedrag wettelijk geregeld. Dit geldt onder andere voor de diensten
                    opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Voor een aantal andere
                    diensten is wettelijk geregeld dat de tarieven niet boven een bepaald bedrag uit
                    mogen gaan (in de tabel onderstreept aangegeven). Gemeenten mogen wel een lager
                    bedrag opnemen dan het in de wettelijke regeling genoemde maximum.</al><al>Leges voor het in behandeling nemen van Wob-verzoeken</al><al>Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb.
                    1991, 703) hoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag verstrekt te
                    worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke
                    stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij
                    of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. Deze
                    tarieven binden gemeenten echter niet. Gemeenten moeten hiervoor dus zelf een
                    regeling treffen, bijvoorbeeld in de legesverordening. Leges kunnen alleen
                    worden geheven als sprake is van dienstverlening. </al><al>Een gemeente mag bij inwilliging van een Wob-verzoek kosten via legesheffing in
                    rekening brengen voor het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels
                    of samenvattingen van de inhoud daarvan. Met de vorm waarin de gegevens aan de
                    verzoeker worden verstrekt is volgens de Hoge Raad in het bijzonder een
                    particulier belang gediend. In zoverre is sprake van dienstverlening als bedoeld
                    in art. 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet. Legesheffing is niet mogelijk
                    voor het doen van naspeuringen naar aanleiding van een verzoek om informatie op
                    basis van de Wob. De Hoge Raad leidt uit het samenstel van de wettelijke
                    bepalingen in de Wob af dat de openbaarmaking van informatie naar aanleiding van
                    een Wob-verzoek, behoudens de hiervoor genoemde werkzaamheden die verband houden
                    met de vorm waarin de gegevens worden verstrekt, niet in overheersende mate
                    verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar
                    belang. De gemeente mocht geen leges heffen voor het opzoeken van declaraties,
                    het anonimiseren van documenten en het vervaardigen van overzichten. (Hoge Raad
                    8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en
                    Hoge Raad 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad
                    2013/97).</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 31 mei 2011
                    aan de Tweede Kamer geschreven met nadere plannen over de WOB te komen
                    (Kamerstukken II 2010/11, 32802, nr. 1). Een vervolg op deze brief heeft de
                    minister op 13 januari 2012 aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II
                    2011/12, 32802, nr. 3). Er komt een uniforme kostenregeling waarbij – in lijn
                    met het Verdrag van Tromsø – in de Wob wordt opgenomen dat ten hoogste de
                    werkelijke kosten van reproductie en levering in rekening mogen worden gebracht
                    (marginale verstrekkingskosten). Op 2 juli 2012 is een conceptwetsvoorstel tot
                    aanpassing van de WOB voor consultatie op internet geplaatst
                    (www.internetconsultatie.nl). Daarnaast is op 16 december 2013 een gewijzigd
                    initiatief wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 33328, nr.
                    8, Wet open overheid). In afwachting van de nadere plannen zijn nog geen
                    wijzigingen aangebracht in de modelverordening leges. </al><al>1.5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordening</al><al>Een belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van hem
                    te heffen bedrag</al><al>kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 217 van de
                    Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de belastingverordening onder andere het
                    tarief moet vermelden.</al><al>Dit wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van de belasting moet
                    vermelden. In zijn arrest van</al><al>22 juli 1985 (nr. 22.780, BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente
                    IJlst) overwoog de</al><al>Hoge Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft
                    te vermelden, maar</al><al>dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen
                    het belastbare feit</al><al>leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige
                    inzicht wordt gegeven in het</al><al>beloop van het van hem te heffen bedrag.</al><al>De bepaling in de verordening van de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde
                    legesbedragen</al><al>konden worden verhoogd met de kosten van door de gemeente in te winnen externe
                    adviezen, gaf de</al><al>belastingplichtige naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het
                    beloop van het van</al><al>hem te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend.</al><al>Het komt bij gemeenten regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van
                    aanvragen tot het</al><al>verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor
                    bouwactiviteiten) het</al><al>advies van een extern bureau gevraagd wordt.</al><al>Doorberekenen externe kosten</al><al>Om de kosten van die externe adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat
                    de gemeenten na</al><al>het hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking:</al><al>1 verwerken in bestaande tarieven;</al><al>2 opnemen van een maximumtarief;</al><al>3 begrotingsconstructie.</al><al>Ad 1 Verwerken in bestaande tarieven</al><al>Allereerst kan de gemeente ervoor kiezen de externe advieskosten in de bestaande
                    tarieven te</al><al>verwerken. Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de aanvragers
                    van de dienst kunnen</al><al>worden toegerekend.</al><al>Ad 2 Opnemen van een maximumtarief</al><al>Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van
                    externe advieskosten in</al><al>bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn.</al><al>In het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1989 (nr. 25.996, BNB 1989/127,
                    Belastingblad 1989, blz. 320, gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een
                    maximum van ƒ 250.000,- niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat
                    het behoudens zeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult.
                    Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de
                    belastingplichtige in het onzekere over de omvang van het van hem te heffen
                    bedrag.</al><al>De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te veronderstellen dat als een
                    bepaling een</al><al>maximumtarief bevat en de hoogte van dat tarief een wezenlijke functie vervult,
                    de belastingplichtige</al><al>op voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het beloop van het van hem te
                    heffen bedrag.</al><al>Toekomstige jurisprudentie zal nader invulling moeten geven over de vraag in
                    welke gevallen er</al><al>sprake is van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult.</al><al>Ad 3 Begrotingsconstructie</al><al>Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening de zogenaamde
                    ‘begrotingsconstructie’ op te</al><al>nemen. De systematiek van deze constructie is als volgt. Is voor het in
                    behandeling nemen van een</al><al>aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk
                    dan wordt door de</al><al>externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan over de hoogte van de door hem
                    voor de aanvraag</al><al>in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen
                    van de aanvraag</al><al>aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld in een door of vanwege het college
                    van</al><al>burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf
                    dagen na het</al><al>overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog
                    intrekken.</al><al>Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het
                    in behandeling</al><al>nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de
                    aanvrager ter</al><al>kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is door het Hof ‘s-Gravenhage
                    aanvaard in zijn uitspraak</al><al>van 12 juli 1989, nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307, (gemeente
                    Zoetermeer) en door de Hoge</al><al>Raad in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769 (gemeente
                    Heerde).</al><al>De begrotingsconstructie kan worden gebruikt bij het doorberekenen van de
                    externe advieskosten bij</al><al>aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie de onderdelen
                    1.18, 2.3.17 en 2.3.18</al><al>van de tarieventabel). Voor de wijze van redigeren van een bepaling in de
                    verordening verwijzen wij</al><al>dan ook naar deze onderdelen. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan
                    deze constructie</al><al>gebruikt worden.</al><al>Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (in
                    1996 afgeschafte)</al><al>preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het
                    hanteren van de</al><al>begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van
                    externe advieskosten, en</al><al>niet voor het doorberekenen van interne advieskosten.</al><al>Weesp maakt voor het doorberekenen van de kosten van interne dienstverlening
                    alleen gebruik van de begrotingsconstructie, indien niet met een gemiddeld
                    tarief kan worden gewerkt.</al><al>Titel 1 Algemene dienstverlening (toelichting bij de tariefnummers)</al><al>Algemeen</al><al>Deze titel hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van
                    de twee andere titels. Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om
                    kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen, ook met diensten buiten
                    titel 1. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081,
                    ECLI:NL:GHARL:2014:494.</al><al>Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand</al><al>Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting</al><al>In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten
                    gelegenheid moeten</al><al>geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap
                    of omzetting van een</al><al>geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke
                    stand bepaalt de</al><al>daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2009 is het niet meer mogelijk
                    een huwelijk om te</al><al>zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap
                    en zorgvuldige</al><al>scheiding; Stb. 2008, 500).</al><al>Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap
                    of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid
                    wordt gegeven tot het kosteloos</al><al>voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van
                    een geregistreerd</al><al>partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot
                    het kosteloos voltrekken</al><al>van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een
                    geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis.</al><al>Onderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap
                    en omzetting</al><al>Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de
                    mogelijkheid leges te heffen voor</al><al>het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting
                    van een partnerschap</al><al>op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie
                    Kosteloze voltrekking</al><al>huwelijk, registratie partnerschap en omzetting).</al><al>De onderdelen 1.1.2 en 1.1.3 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de
                    huwelijken of</al><al>registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van
                    partnerschappen die niet</al><al>kosteloos geschieden. Daarbij is de mogelijkheid geboden de hoogte van de te
                    heffen leges</al><al>afhankelijk te stellen van de dag en het uur waarop het huwelijk of de
                    registratie van het partnerschap</al><al>wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt.
                    Ook andere vormen</al><al>van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet
                    uitleggen van een loper, het</al><al>gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc.</al><al>Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari
                    1995) zijn</al><al>tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening
                    mogelijk. In de memorie van</al><al>toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger
                    tarief voor</al><al>huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen
                    dat het</al><al>gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de
                    gemeente hebben.</al><al>In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de onderdelen 1.1.2
                    en 1.1.3 niet gekozen</al><al>voor de omschrijving van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van
                    een aanvraag tot het</al><al>sluiten van een huwelijk’. Reden hiervan is het volgende. Artikel 1 van de Wet
                    rechten burgerlijke</al><al>stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin de wet voorziet.
                    Artikel 5, tweede lid,</al><al>bepaalt vervolgens dat legesheffing gerechtvaardigd is voor een
                    ‘huwelijksvoltrekking, registratie van</al><al>een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in
                    de tarieventabel het</al><al>belastbare feit het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een
                    partnerschap of de omzetting</al><al>van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat onverlet dat bij
                    het vaststellen van de</al><al>tarieven de kosten van voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen
                    worden.</al><al>Hiervoor is een separaat tarief opgenomen. Deze kosten worden verrekend met de
                    werkelijke kosten van huwelijksvoltrekking, tenzij de voltrekking niet doorgaat
                    of er sprake is van een kosteloos huwelijk. </al><al/><al>Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen waarin
                    de</al><al>huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een
                    partnerschap in een</al><al>huwelijk niet in het gemeentehuis maar in een andere ruimte plaatsvindt, anders
                    dan op grond van</al><al>artikel 64 van het Burgerlijk wetboek.</al><al>Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de
                    registratie van een</al><al>partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een in de
                    gemeente gelegen fraai</al><al>kasteel. Daarvoor kan in de verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling
                    opgenomen worden,</al><al>waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de
                    dienstverlening op die</al><al>dagen en uren anders is.</al><al>De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen op
                    grond van het</al><al>Besluit rechten burgerlijke stand niet in rekening worden gebracht bij de
                    aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten geschieden door middel
                    van een ceremonie (gelijk te stellen met een huwelijksvoltrekking) is het wel
                    mogelijk om de kosten van gebruik van de zaal e.d. in rekening te</al><al>brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde differentiatie worden toegepast als
                    bij het sluiten van een</al><al>huwelijk of registreren van een partnerschap is gebeurd.</al><al>Incidenteel aanwijzen van een trouwlocatie</al><al>Het komt steeds vaker voor dat men zijn eigen trouwlocatie wil kiezen.
                    Beoordeeld moet worden of deze locatie voor een ieder toegankelijk en geschikt
                    is. Voorts moeten de vereiste vergunningen aanwezig zijn, bijvoorbeeld een
                    veiligheidscertificaat van de scheepvaartinspectie en moet de brandweer
                    inspecteren op het punt van de brandvoorschriften. Daarnaast moet er een extra
                    collegebesluit komen. Een opslag als genoemd in de tabelnummers 1.1.2.4 en
                    1.1.3.3 is daarom reëel.</al><al>Onderdeel 1.1.5 Trouwboekje of partnerschapsboekje</al><al>In onderdeel 1.1.5 van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het
                    verstrekken van een</al><al>trouwboekje of partnerschapsboekje. De leges genoemd in onderdeel 1.1.5 kunnen
                    worden geheven naast de leges die ingevolge onderdeel 1.1.1 t/m 1.1.4 geheven
                    worden.</al><al>Ook in het geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap
                    is legesheffing voor</al><al>het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje toegestaan. Het
                    betreft hier een dienst</al><al>van de gemeente die wordt verleend naast het voltrekken van het huwelijk of de
                    registratie van een</al><al>partnerschap zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of
                    partnerschapsboekje</al><al>bestaat immers niet.</al><al>Onderdeel 1.1.6 Naspeuringen in registers burgerlijke stand</al><al>In onderdeel 1.1.6 is een tarief opgenomen voor het op verzoek doen van
                    naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand. Gekozen is voor een
                    tariefstelling per daaraan besteed kwartier.</al><al>Onderdeel 1.1.7 Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand</al><al>De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren van
                    de burgerlijke stand</al><al>zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van
                    deze wet luidt:</al><al>’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere
                    verrigtingen</al><al>van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de
                    wijze bij of krachtens</al><al>deze wet voorzien.’</al><al>In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke
                    verrichtingen leges geheven</al><al>kunnen worden. De hoogte van die leges is vastgesteld in het Legesbesluit akten
                    burgerlijke stand</al><al>(Stb. 1969, 36). De daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.</al><al>Hoofdstuk 2 - Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart</al><al>De legesheffing voor reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart berust
                    niet op artikel 229 van de Gemeentewet, maar op artikel 7, tweede lid, van de
                    Paspoortwet (zoals deze per 9 maart 2014 is gewijzigd), in samenhang met artikel
                    2, tweede lid, van die wet. Vanaf 22 september 2011 gold voor de legesheffing
                    voor een Nederlandse identiteitskaart al een afzonderlijke wettelijke basis in
                    verband met HR 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN: BQ4105 en de Wet van 13
                    oktober 2011, Stb. 440, nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld
                    in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.</al><al>Op grond van artikel 7, derde lid, van de Paspoortwet zijn maximumtarieven
                    vastgesteld in het Besluit paspoortgelden. Gemeenten kunnen ook minder dan de
                    maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van de maximumleges door
                    gemeenten is echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor
                    geleverde reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde bedragen aan
                    het Rijk af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges
                    vanzelfsprekend ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges.
                    De maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd.</al><al>Vanaf 1 januari 2010 geldt voor kinderen tot en met 13 jaar voor de Nederlandse
                    identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief (jeugdtarief) De korting ten opzichte
                    van de ‘normale’ NIK betreft het rijkskostendeel en komt dus volledig ten laste
                    van het rijk en geldt vanaf 9 maart 2014 voor personen jonger dan 18 jaar.</al><al>In verband met Europese regelgeving is het sinds 26 juni 2012 niet meer mogelijk
                    om kinderen in de paspoorten van de ouder(s) of voogd bij te schrijven. De
                    geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers is op 26 juni 2012
                    vervallen. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op 26 juni
                    2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de ouder(s) of
                    voogd waarin ze staan bijgeschreven. </al><al>Tariefdifferentiaties</al><al>Gemeenten kunnen tariefdifferentiaties aanbrengen. In artikel 7, tweede lid, van
                    de Paspoortwet staat:</al><al>’Het tarief van de rechten kan verschillen al naar gelang de leeftijd van de
                    aanvrager, het feit of deze in de basisregistratie personen als ingezetene is
                    ingeschreven, de soort en de geldigheidsduur van het reisdocument en de snelheid
                    van de uitreiking.’</al><al>Het is niet meer mogelijk zogenaamde ‘vermissingsleges’ te heffen als de
                    aanvrager bij de aanvraag het eerder verstrekte (oude) reisdocument niet kan
                    overleggen.</al><al>In hoofdstuk 2 is geen tarief opgenomen voor het verlengen van een reisdocument.
                    Dit hangt samen met het feit dat de Paspoortwet niet de mogelijkheid tot het
                    verlengen van een reisdocument kent.</al><al>Hoofdstuk 3 – Rijbewijzen</al><al>De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs
                    berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden. Er
                    geldt sinds 1 januari 2014 een maximumtarief van € 38,48 (€ 28,78 gemeentelijk
                    kostendeel, vermeerderd met het rijkskostendeel van € 9,70). Het maximumtarief
                    voor het gemeentelijke kostendeel is geregeld in artikel 104b van het Reglement
                    rijbewijzen, dat is gebaseerd op artikel 111, zesde lid, van de Wegenverkeerswet
                    1994. Voor bijzondere dienstverlening zijn verhogingen mogelijk. Te denken valt
                    hierbij aan spoedaanvragen, aanvragen of afgiften buiten de reguliere
                    openingstijden (‘op afspraak’) en aan aanvragen in verband met (beschadiging of)
                    vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs. Deze verhogingen zijn in dit
                    hoofdstuk opgenomen. Het rijkskostendeel voor een spoedaanvraag is sinds 1
                    januari 2015 € 43,80 (€ 9,70 standaard + € 34,10 spoed). De gemeente moet het
                    rijkskostendeel afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie voor de wettelijke
                    regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de Wegenverkeerswet 1994,
                    artikel 1 van de Regeling vergoeding afdracht afgifte rijbewijzen en artikel 123
                    van het Reglement Rijbewijzen.</al><al>De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het
                    rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is bij
                    paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd. De
                    kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. </al><al>De rijkskosten bestaan onder andere uit:</al><al>- de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde rijbewijzen; </al><al>- de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de gemeente; </al><al>- het beheer van de bij de RDW aanwezige registers.</al><al>Voor 2015 bedraagt de rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen € 9,45
                    (Staatscourant 2014.24520 (29 augustus 2014); de toeslag voor een spoedprocedure
                    bedraagt € 33,85.</al><al>De gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen.</al><al>De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor:</al><al>- het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket; </al><al>- het scannen van het aanvraagformulier; </al><al>- het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs; </al><al>- het uitreiken van het rijbewijs aan het loket.</al><al>Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze kosten
                    nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een rijbewijs
                    staan, zoals de kosten van:</al><al>- huisvesting; </al><al>- het beheer van de basisregistratie personen; </al><al>- de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen; </al><al>- de maandelijkse controle van de fysieke voorraad; </al><al>- het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad; </al><al>- andere ondersteunende diensten. </al><al>Het rijks- en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (onderdeel
                    1.3.1).</al><al>In onderdeel 1.3.4 is een tarief opgenomen voor het afgeven van een formulier
                    ‘Eigen verklaring’. Het formulier kent alleen een (vast) bedrag aan rijksleges.
                    De gemeente fungeert slechts als doorgeefluik en maakt geen kosten. Aangezien
                    niet steeds voortijdig bekend is wat de rijksleges zijn is in de
                    legesverordening opgenomen dat het tarief gelijk is aan het tarief dat is
                    vermeld op het formulier ‘eigen verklaring’.</al><al>Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens</al><al>In dit hoofdstuk zijn tariefbepalingen opgenomen voor verstrekkingen van
                    persoonsgegevens uit de basisregistratie personen. De Wet basisregistratie
                    personen (Brp) kan in een artikel aangeven dat een handeling kosteloos moet
                    worden uitgevoerd, ze kan ook bepalen dat er rechten kunnen worden geheven en ze
                    kan niets bevatten betreffende het heffen van rechten. In het laatste geval is
                    het ook mogelijk om rechten (leges) te heffen als sprake is diensten die door of
                    vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt.</al><al>In de volgende twee tabellen staan de diverse verstrekkingen opgesomd met
                    vermelding naar het betreffende artikel en is aangegeven hoe met kosten,
                    vergoedingen en bijdragen omgegaan wordt, eveneens met een verwijzing naar het
                    desbetreffende artikel. Met ‘bijdrage’ wordt gedoeld op de (budgettaire)
                    bijdrage in de kosten in verband met de uitvoering van de Wet brp verschuldigd
                    door gemeenten en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van
                    artikel 3.2, 3.3, 3.13 of 3.14 van de Wet brp gegevens worden verstrekt of
                    informatie ter beschikking wordt gesteld (artikel 1.14 Wet brp). Verstrekkingen
                    aan overheidsorganen zijn overigens kosteloos (artikel 3.17 Wet brp).</al><al>De afkorting PL staat voor persoonslijst, de afkorting Gw staat voor
                    Gemeentewet, de afkorting d.t.v. staat voor ‘door tussenkomst van’.</al><al/><al>Verstrekkingen in verband met de rechten van de burger</al><al>Nr. Grondslag in de BRP Aard van de verstrekking Door wie Vergoeding of
                    kosteloos Grondslag vergoeding of kosteloos</al><al>1a 2.54 lid 1 Volledig overzicht van de PL aan de burger als deze ingezetene
                    wordt College bijhoudingsgemeente Kosteloos Is geen dienst</al><al>1b 2.55 lid 1 Op aanvraag mededeling of over betrokkene gegevens worden verwerkt
                    College bijhoudingsgemeente Kosteloos 2.55 lid 1</al><al>1c 2.55 lid 2 Op aanvraag inzage aan betrokkene in hem betreffende gegevens
                    College bijhoudingsgemeente Kosteloos 2.55 lid 2</al><al>1d 2.55 lid 3 Op aanvraag afschrift van de persoonsgegevens en de oorsprong van
                    die gegevens College bijhoudingsgemeente Vergoeding kan 229-1-b Gw</al><al>2a 2.53 lid 2 Conform 1b Elk college Kosteloos 2.55 lid 1</al><al>2b 2.53 lid 2 Conform 1c Elk college Kosteloos 2.55 lid 2</al><al>2c 2.53 lid 2 Conform 1d Elk college Vergoeding kan 229-1-b Gw</al><al>3a 2.53 lid 3 Conform 1b De minister Kosteloos 2.55 lid 1</al><al>3b 2.53 lid 3 Conform 1c De minister Kosteloos 2.55 lid 2</al><al>3c 2.53 lid 3 Conform 1d De minister Vergoeding? </al><al>4a 2.81 lid 1 Volledig overzicht van de PL aan de niet-ingezetene bij
                    inschrijving De minister Kosteloos Is geen dienst</al><al>4b 2.81 lid 3 Conform 1b De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Kosteloos 2.55
                    lid 1</al><al>4c 2.81 lid 3 Conform 1c De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Kosteloos 2.55
                    lid 2</al><al>4d 2.81 lid 3 Conform 1d De minister d.t.v. inschrijfvoorziening Vergoeding 36
                    Besluit brp (volgt leges gemeente waar inschrijfvoorziening is
                    ondergebracht)</al><al>5a 2.81 lid 4 Conform 1b Elk college Kosteloos 2.55 lid 1</al><al>5b 2.81 lid 4 Conform 1c Elk college Kosteloos 2.55 lid 2</al><al>5c 2.81 lid 4 Conform 1d Elk college Vergoeding kan 229-1-b Gw</al><al/><al>Verstrekkingen op grond van hoofdstuk 3 Wet brp</al><al>Nr. Grondslag in de BRP Aard van de verstrekking Door wie Vergoeding of
                    kosteloos Grondslag vergoeding of kosteloos</al><al>6a 3.2 Systematische verstrekking aan overheidsorganen De minister Bijdrage 1.14
                    lid 1 en 3.17 lid 1</al><al>6b 3.3 Systematische verstrekking aan derden De minister Bijdrage 1.14 lid 1 en
                    3.17 lid 1</al><al>7a 3.5 Plaatsonafhankelijke verstrekking aan overheidsorganen Elk college Geen
                    bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3</al><al>7b 3.6 Plaatsonafhankelijke verstrekking aan derden Elk college Geen bijdrage,
                    vergoeding kan 1.14 lid 1 en 229-1-b Gw</al><al>8a 3.8 Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan organen van de (eigen)
                    gemeente College bijhoudingsgemeente Geen bijdrage, kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17
                    lid 3</al><al>8b 3.9 Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen aan derden College
                    bijhoudingsgemeente Geen bijdrage, vergoeding kan 1.14 lid 1 en 229-1-b Gw</al><al>9 3.12 Verstrekking gegevens aan basisadministraties Caribische rijksdelen De
                    minister en elk college Geen bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3</al><al>10 3.13 Verstrekking voor onderzoek en dergelijke De minister en het college
                    Bijdrage en kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3</al><al>11 3.14 Verstrekking bewerkte gegevens De minister en het college Bijdrage en
                    kosteloos 1.14 lid 1 en 3.17 lid 3</al><al>Onderdelen 1.4.1 en 1.4.2 Verstrekkingen aan derden; abonnementen</al><al>In onderdeel 1.4.1 van de tarieventabel is geregeld wat voor de toepassing van
                    hoofdstuk 4 onder één</al><al>verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is problemen omtrent de
                    invulling van dat begrip te</al><al>voorkomen. Van belang hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle
                    verstrekte gegevens</al><al>omtrent één persoon.</al><al>In onderdeel 1.4.2.1 is voor het verstrekken van gegevens een tarief opgenomen
                    per verstrekking.</al><al>Ook zouden nog tarieven opgenomen kunnen worden voor het doen van meer dan één
                    verstrekking.</al><al>Daarbij kan dan een degressief tarief gelden. In de modelverordening hebben wij
                    geen afzonderlijke</al><al>tarieven opgenomen voor het doen van meer dan één verstrekking. Reden hiervan is
                    dat in die situatie de aanvrager vermoedelijk toch gebruik zal maken van de
                    mogelijkheid van het afsluiten van</al><al>abonnement, nu een abonnement betrekking heeft op de periode van een jaar. Naar
                    onze mening ligt</al><al>het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de
                    mogelijkheid van het afsluiten</al><al>van een abonnement indien dit voor hem goedkoper is.</al><al>In onderdeel 1.4.2.2 zijn tarieven opgenomen voor het afsluiten van een
                    abonnement tot het doen van</al><al>verstrekkingen gedurende een bepaalde periode. Het ligt voor de hand daarbij
                    degressieve tarieven op te nemen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag
                    dat het doen van verstrekkingen in die</al><al>gevallen minder kosten met zich mee kan brengen dan bij incidentele verzoeken om
                    verstrekkingen.</al><al>Een gemeente kan zelf bepalen op hoeveel verstrekkingen een abonnement
                    betrekking heeft. In</al><al>zoverre moeten de aantallen die in de onderdelen 1.4.2.2.1 tot en met 1.4.2.2.5
                    zijn opgenomen als</al><al>voorbeelden worden gezien. Uitgaande van de verordening zal iemand die 400
                    verstrekkingen vraagt kunnen kiezen of hij vier abonnementen van 100
                    verstrekkingen afsluit of één van 500. Ook hier ligt het voor de hand dat de
                    betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de voordeligste constructie.</al><al>In onderdeel 1.4.2.3 is een tarief opgenomen voor het afsluiten van een
                    abonnement tot het periodiek</al><al>verstrekken van opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de
                    gemeente en</al><al>vestigingen in de gemeente.</al><al>In hoofdstuk 4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van
                    het voor het</al><al>abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder
                    verstrekkingen zijn</al><al>gedaan dan waarop het abonnement ziet. Reden hiervan is dat bij het opnemen van
                    een dergelijke</al><al>teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden
                    afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief
                    tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is
                    weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden
                    tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal
                    verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt
                    stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het
                    abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft
                    afgesloten.</al><al>Onderdelen 1.4.3 en 1.4.4 Verstrekken van aangehaakte gegevens</al><al>In onderdeel 1.4.4 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van
                    persoonsgegevens die niet zijn</al><al>opgenomen in de basisregistratie personen zelf. Het betreft de zogenaamde
                    aangehaakte gegevens. In onderdeel 1.4.3 is aangegeven wat in dit verband onder
                    één verstrekking moet worden verstaan. Een gemeente kan voor het op verzoek
                    verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond
                    van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste
                    geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al>Onderdeel 1.4.5 Verstrekkingen op papier aan afnemers en bijzondere derden</al><al>In onderdeel 1.4.5 zijn leges opgenomen voor het aan betrokkenen verstrekken van
                    schriftelijke gegevens als bedoeld in artikel 17 van het Besluit brp. In artikel
                    10, tweede lid, van de Regeling basisregistratie personen is hiervoor een
                    maximumtarief opgenomen van € 7,50.</al><al>De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling
                    van artikel 41 van de Wet</al><al>Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen
                    burger-oorlogsslachtoffers,</al><al>waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In
                    dat geval kunnen</al><al>deze leges dus niet worden geheven (Hoge Raad 10 juni 2005, nr. 39814, LJN:
                    AT7214).</al><al>De in onderdeel 1.4.6 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de
                    gemeente wordt</al><al>verzocht de basisregistratie personen, inclusief de aangehaakte gegevens, door
                    te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel
                    geregistreerde honden er in de</al><al>gemeente zijn. Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van
                    de tijd die met het</al><al>doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen
                    van de gevraagde</al><al>inlichtingen. Naast een bedrag voor het doornemen van de basisadministratie is
                    de verzoeker</al><al>eventueel een bedrag verschuldigd ingevolge onderdeel 1.4.2, 1.4.4 of 1.4.5 als
                    vervolgens</al><al>persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat onderdeel
                    1.4.6 een afzonderlijk</al><al>belastbaar feit vormt.</al><al>Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister</al><al>Op grond van de Kieswet (Stb. 1989, 423) is het niet toegestaan inlichtingen
                    over de</al><al>kiesgerechtigdheid van bepaalde ingezetenen aan derden ter beschikking te
                    stellen. De gemeente kan op grond van artikel D 4 van de Kieswet alleen
                    inlichtingen verstrekken over de kiesgerechtigdheid van de aanvrager zelf.
                    Daarvoor kunnen leges geheven worden.</al><al>Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens</al><al>Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het verstrekken van gegevens op grond van de Wet
                    bescherming</al><al>persoonsgegevens (Stb. 2000, 302; hierna: Wbp). Op grond van artikel 35 Wbp is
                    het mogelijk</al><al>gegevens te verstrekken. Artikel 39 Wbp voorziet in de mogelijkheid om voor een
                    verstrekking op</al><al>grond van artikel 35 een vergoeding te vragen. Het bedrag is sinds 26 maart 2008
                    gesteld op</al><al>maximaal € 5,00. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in bijzondere
                    gevallen andere bedragen</al><al>worden gesteld. Dat is gebeurd in het Besluit kostenvergoeding rechten
                    betrokkene Wbp (Besluit van</al><al>13 juni 2001, Stb. 305). Voor een verstrekking op papier is de vergoeding
                    vastgesteld op € 0,23 per</al><al>pagina, met een maximum van € 5,00 (onderdeel 1.6.1.1). Voor een verstrekking
                    van meer dan 100</al><al>pagina’s of een afschrift uit een moeilijk toegankelijke gegevensverwerking mag
                    de in rekening te</al><al>brengen vergoeding ten hoogste € 22,50 bedragen (onderdelen 1.6.1.1.2 en
                    1.6.1.3). Voor een</al><al>verstrekking anders dan op papier mag ten hoogste € 5,00 worden gerekend
                    (onderdeel 1.6.1.2). </al><al>Het maximumbedrag van € 5,00 geldt sinds 1 juli 2012 (Stb. 2012, 90 en 169). Het
                    maximumtarief van € 22,50 geldt vanaf 1 juli 2012 ook voor een mededeling die
                    bestaat uit afdrukken van één of meer röntgenfoto’s, maar dat zal in de
                    gemeentelijke dienstverleningspraktijk niet voorkomen.</al><al>In onderdeel 1.6.2 is bepaald dat indien meerdere tarieven tegelijk kunnen
                    worden toegepast, het</al><al>hoogste tarief geldt.</al><al>Als gegevens het voorwerp zijn van verwerking omdat deze noodzakelijk zijn voor
                    de goede vervulling</al><al>van de publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan of voor de behartiging van
                    het</al><al>gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van een
                    derde aan wie de</al><al>gegevens worden verstrekt, kunnen betrokkenen vanwege hun bijzondere
                    persoonlijke</al><al>omstandigheden verzet tegen de verwerking aantekenen bij de verantwoordelijke
                    (artikel 40 Wbp).</al><al>Voor de behandeling van een verzet mogen leges worden geheven. Onderdeel 1.6.3
                    voorziet hierin.</al><al>De leges mogen ten hoogste € 4,50 bedragen (artikel 4 Besluit kostenvergoeding
                    rechten betrokkene</al><al>Wbp).</al><al>De in het kader van de Wbp geheven leges moeten worden teruggegeven indien
                    verbetering,</al><al>aanvulling, verwijdering of afscherming plaatsvindt, dan wel het verzet gegrond
                    wordt bevonden (artikel 39, tweede lid, en artikel 40, derde lid, Wbp).</al><al>Hoofdstuk 7 Bestuursstukken</al><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verstrekken van de volgende
                    stukken:</al><al>– de programmabegroting en het jaarrapport van de gemeente;</al><al>– gemeentelijke verordeningen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet dienen de programmabegrotingen en de daarbij
                    behorende stukken (artikel 189 van de Gemeentewet) en de jaarrapporten met de
                    daarbij behorende stukken en toelichtingen (artikel 197 van de Gemeentewet)
                    verstrekt te worden. De hiervoor genoemde stukken moeten ter inzage worden
                    gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. De
                    stukken worden tegen kostprijs afgege¬ven. Overigens is er weinig
                    belangstel¬ling voor deze stukken.</al><al>Hoofdstuk 8 – Vastgoedinformatie</al><al>Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld (1.8.1)</al><al>Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal gepubliceerd
                    in Stb. 1996, 473;</al><al>daarna gewijzigd) is het voor gemeenten mogelijk, onder gebruikmaking van een
                    permanente</al><al>aansluiting op de basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een
                    loketfunctie namens het Kadaster</al><al>te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten namens het
                    Kadaster te</al><al>verstrekken kadastrale informatie valt onder de vigeur van de Kadasterwet. Het
                    door gemeenten aan</al><al>derden in rekening te brengen tarief voor het verstrekken van informatie namens
                    het Kadaster is het</al><al>tarief genoemd in de Regeling tarieven Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17).
                    In de overeenkomst</al><al>met het Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie
                    verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden.</al><al>Onderdeel 1.8.2.1 Verstrekkingen uit gemeentelijk beperkingenregister of
                    -registratie</al><al>In onderdeel 1.8.2.1 is een tarief opgenomen voor informatie uit de
                    gemeentelijke</al><al>beperkingenregistratie en het gemeentelijke beperkingenregister. Volgens de Wet
                    kenbaarheid</al><al>publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb; Stb. 2004, 331) is de
                    inzage van de</al><al>gemeentelijke beperkingenregistratie en van documenten uit het gemeentelijke
                    beperkingenregister</al><al>kosteloos. Alleen voor het verstrekken van een afschrift, uittreksel of
                    verklaring als bedoeld in artikel 9,</al><al>eerste lid, van de Wkpb mag de gemeente kostendekkende leges heffen (artikel 9,
                    derde lid, Wkpb).</al><al>Het gaat dan om:</al><al>a een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van een in het gemeentelijke
                    beperkingenregister</al><al>ingeschreven beperkingenbesluit, beslissing in administratief beroep of
                    rechterlijke uitspraak, dan wel vervallenverklaring van een publiekrechtelijke
                    beperking;</al><al>b een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van in de gemeentelijke
                    beperkingenregistratie</al><al>opgenomen gegevens, of;</al><al>c een schriftelijke verklaring dat er blijkens de in de gemeentelijke
                    beperkingenregistratie</al><al>opgenomen gegevens geen publiekrechtelijke beperking van kracht is ten aanzien
                    van de daarbij aangegeven onroerende zaak of zaken.</al><al>Overigens kan een gemeente, als of zolang zij geen afzonderlijke bepaling in de
                    legesverordening</al><al>heeft staan, de tariefbepalingen uit hoofdstuk 20 (Diversen) toepassen.</al><al>Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken</al><al>Op grond van hoofdstuk 9 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van
                    een verklaring</al><al>omtrent het gedrag, een bewijs van in leven zijn, of een legalisatie van een
                    handtekening. Desgewenst kan de gemeente hoofdstuk 9 aanvullen met andere
                    dienstverlening die niet in deze tarieventabel zijn</al><al>genoemd en tot de overige publiekszaken kunnen worden gerekend.</al><al>Onderdeel 1.9.1 Verklaring omtrent het gedrag</al><al>Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van
                    Justitie over het afgeven</al><al>van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale hoogte van de hiervoor te
                    heffen leges wordt</al><al>door het Rijk vastgesteld. Vanaf 1 januari 2006 bedraagt die maximale vergoeding
                    € 30,05. De</al><al>gemeente moet hiervan € 22,55 aan het Rijk afdragen. Het verschil is een
                    vergoeding die de</al><al>gemeente krijgt voor de werkzaamheden die zij voor de behandeling van een
                    dergelijke aanvraag moet uitvoeren (Regeling vergoeding verklaring omtrent het
                    gedrag en gedragsverklaring aanbesteden, Stcrt. 2013, 8864; vóór 1 april 2013:
                    Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent het gedrag voor
                    natuurlijke personen en rechtspersonen; Stcrt. 2004, 63, pag. 12, Stcrt. 2005,
                    242, pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12), Aangezien het Rijk een maximaal te
                    heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in de
                    legesverordening opneemt.</al><al>Onderdeel 1.9.2 Bewijs van in leven zijn</al><al>Wij hebben de naamgeving attestatie de vita vervangen door ‘bewijs van in leven
                    zijn’ in verband met een wetswijziging die op 1 juli 2011 in werking is getreden
                    (Wet van 21 april 2011, Stb. 2011, 245). </al><al>Bij deze wet is artikel 19k ingevoegd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
                    Sinds 1 juli 2011 wordt de attestatie de vita afgegeven door de ambtenaar van de
                    burgerlijke stand en is de Wet rechten burgerlijke stand en het daarop
                    gebaseerde Legesbesluit akten burgerlijke stand van toepassing </al><al>(zie onderdeel 1.1.9). Deze ‘internationale’ attestatie de vita is ingevoerd ter
                    uitvoering van de op </al><al>10 september 1998 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de
                    afgifte van een attestatie de vita (Trb. 2004, 283) en wordt afgegeven
                    overeenkomstig het model dat bij de voormelde Overeenkomst werd vastgesteld.
                    Hiermee kan de burger in het buitenland aantonen dat hij in leven is. Het in
                    onderdeel 1.9.2 genoemde bewijs van in leven zijn is een uittreksel uit de
                    gemeentelijke basisadministratie (GBA) waarin staat vermeld dat een bepaalde
                    persoon in leven is. Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan
                    aantonen dat het voor pensioen is.</al><al>Onderdeel 1.9.3 Legalisatie van een handtekening</al><al>Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester dat een
                    handtekening op een bepaald</al><al>document 'echt' is. Dat wil zeggen dat deze overeenkomt met de handtekening op
                    uw</al><al>legitimatiebewijs. De handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie
                    van een handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het
                    buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges worden
                    geheven. Onderdeel 1.9.3 voorziet hierin.</al><al>Onderdeel 1.9.5 Aanvragen chauffeurspas</al><al>Per 1 januari 2000 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het gewijzigd
                    wetsvoor¬stel ‘Deregulering taxivervoer’. Dit betekent dat de taxichauffeur
                    thans verplicht zijn een zogenaamde chauf¬feurspas bij zich te dragen. Deze pas
                    wordt weliswaar door de Rijksverkeersinspectie afgegeven, maar daar¬voor is
                    benodigd een verklaring omtrent het gedrag en een gewaarmerkte kopie van hun
                    rijbewijs B, af te halen bij het team Burgerzaken. Met name het waarmerken van
                    de kopie is voor burgerzaken een nieuwe taak. Deze extra werkzaamheden komen
                    overeen met de werkzaamheden die nodig zijn voor het legaliseren van een
                    handtekening (zie 1.9.3 van de tarieventabel). </al><al>Voor het waarmerken is daarom eenzelfde tarief opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 10 Gemeentearchief</al><al>Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de zin
                    van de</al><al>Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven.</al><al>Op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in
                    een</al><al>archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de artikelen
                    15, 16 en 17), en</al><al>kunnen deze archiefbescheiden kosteloos geraadpleegd worden. Als iemand zelf
                    de</al><al>archiefbescheiden raadpleegt, kunnen dus geen leges geheven worden.</al><al>Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in de
                    Archiefwet 1995 niet geregeld</al><al>dat deze openbaar zijn en dat deze kosteloos geraadpleegd kunnen worden. In
                    beginsel zou daarvoor, indien raadpleging wordt toegestaan, dus legesheffing
                    mogelijk zijn. In de modelverordening zijn hiervoor geen tarieven opgenomen. Als
                    iemand zelf de archieven raadpleegt, zullen er immers</al><al>nauwelijks kosten voor de gemeente zijn.</al><al>Onderdeel 1.10.1 Doen van naspeuringen</al><al>In onderdeel 1.10.1 een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in het
                    gemeentearchief.</al><al>Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van gemeentewege doen van naspeuringen.
                    Het tarief is</al><al>afhankelijk gesteld van de tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het
                    doen van de</al><al>naspeuringen heeft besteed. Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft
                    geleid tot het</al><al>gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd.</al><al>Opgemerkt wordt dat voor het doen van naspeuringen in verband met een verzoek om
                    informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geen leges geheven
                    kunnen worden (Hoge Raad 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693,
                    Belastingblad 2013/96 en Hoge Raad 8 februari 2013, nr. 11/03758,
                    ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97).</al><al>Onderdeel 1.10.2 Verstrekken van kopieën of uittreksels uit gemeentearchief</al><al>In onderdeel 1.10.2 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën of
                    uittreksels uit de in</al><al>het gemeentearchief berustende stukken. Ook met betrekking tot
                    archiefbewaarplaatsen is een</al><al>dergelijk tarief toelaatbaar. Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 14 van de
                    Archiefwet 1995.</al><al>De onderdelen 1.10.1 en 1.10.2 kunnen cumuleren.</al><al>Hoofdstuk 11 Huisvestingswet</al><al>De Huisvestingswet geeft in artikel 5 aan gemeenten de mogelijkheid, niet de
                    verplichting, een</al><al>huisvestingsverordening vast te stellen waarin de (soorten) woonruimten worden
                    aangewezen</al><al>waarvoor het vergunningvereiste geldt. Het gaat hierbij om een vergunning in de
                    zin van artikel 7,</al><al>eerste lid, van de Huisvestingswet (huisvestingsvergunning).</al><al>Een gemeente die gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de
                    Huisvestingswet kan voor</al><al>het verhaal van de met de vergunningprocedure samenhangende kosten een tarief in
                    de</al><al>legesverordening opnemen. Onderdeel 1.11.1 van de tarieventabel bevat daarvoor
                    een bepaling.</al><al>De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige
                    verdeling van woonruimte</al><al>in de huisvestingsverordening bepalen dat het college van burgemeester en
                    wethouders een register</al><al>van woningzoekenden bijhoudt (artikel 14 van de Huisvestingswet). Aan het
                    inschrijven van woningzoekenden zijn voor de gemeente kosten verbonden. Verhaal
                    kan plaatsvinden door het heffen van leges. In uw vergadering van september 2001
                    is de huisvestingsverordening gewijzigd, waarbij is bepaald dat de uitvoering
                    van het register van woningzoekenden bij de corporatie komt te liggen. Om enige
                    tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen, vragen de corporaties € 13,61
                    inschrijfgeld per twee jaar. De afspraak was dat het bedrag tot en met 2005 niet
                    zou worden aangepast. Inmiddels (oktober 2014) is het bedrag nog steeds
                    ongewijzigd. Onderdeel 1.11.2 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling.
                    Ten slotte is de toekenning van een urgentie gedelegeerd aan het Gewest
                    (1.11.3).</al><al>Hoofdstuk 12 Leegstandwet</al><al>Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van
                    burgemeester en</al><al>wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot
                    tijdelijke verhuur van</al><al>woonruimte. De verwachting is dat in verband met de economische crisis meer van
                    de mogelijkheid van tijdelijke verhuur gebruik zal worden gemaakt.</al><al>Met ingang van 1 juli 2013 zijn de mogelijkheden tot tijdelijke verhuur
                    vergemakkelijkt en verruimd (Kamerstukken 33436). Hierdoor kan tijdelijke
                    verhuur vaker een oplossing vormen in situaties waarin bewoning, reguliere
                    verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de
                    mogelijkheden behoort. Op grond van het gewijzigde artikel 15 Leegstandwet
                    gelden de volgende regels: </al><al>- Voor woonruimten in een gebouw (zoals kantoren of scholen):</al><al>- indien een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan is verleend: </al><al>vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot
                    maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 4a);</al><al>- indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar,
                    met mogelijkheid van jaarlijkse verlenging tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid
                    5).</al><al>- Voor woonruimten in een voor verkoop bestemde verkoop: vergunning tijdelijke
                    verhuur voor 5 jaar; geen verlening mogelijk (artikel 15, lid 5a).</al><al>- Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop
                    of renovatie: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar, met mogelijkheid van
                    jaarlijkse verlenging tot maximaal 7 jaar (artikel 15, lid 5).</al><al>Voor de vergunningaanvraag hebben wij in subonderdeel 1.12.1 en voor een
                    aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in subonderdeel 1.12.2 een
                    tariefbepaling opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie</al><al>Op grond van hoofdstuk 13 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van
                    een</al><al>gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1 januari 1995
                    geen</al><al>gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken van huiseigenaren. In
                    veel gemeenten is</al><al>per die datum de gemeentegarantie volledig vervangen door de Nationale
                    hypotheekgarantie (NHG)</al><al>die wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW).</al><al>Uiterlijk 1 januari 2011hebben gemeenten hun achtervangovereenkomsten met de WEW
                    beëindigd.</al><al>Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in andere
                    gevallen worden</al><al>verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder winstoogmerk, uitsluitend
                    een publieke taak of</al><al>ideëel doel dienen.</al><al>Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden)
                    gegarandeerde</al><al>hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. Onderdeel 1.13
                    voorziet hierin. Het gaat</al><al>daarbij onder andere om het omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het
                    omzetten van een</al><al>lineaire hypotheek in een spaarhypotheek.</al><al>Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet</al><al>Op 1 juli 2013 is een wijziging van de Winkeltijdenwet in werking getreden (Stb.
                    2013, 217 en 218; zie ook ledenbrief 13/060 – Modelverordening winkeltijden 2013
                    – 19 juni 2013)). Op grond van de gewijzigde Winkeltijdenwet blijven de
                    wettelijke verboden om winkels op zon-, feestdagen en op werkdagen voor 6 uur en
                    na 22 uur open te stellen, op zichzelf bestaan. Gemeenten kunnen door de
                    wetswijziging echter zelf bepalen of – en in hoeverre – zij vrijstelling of
                    ontheffing verlenen van deze verboden. De uitzonderingsbepalingen, zoals de
                    toerismebepaling en de avondwinkelbepaling, zijn vervallen.</al><al>Voor zover gemeenten niet besluiten tot een algemene of categoriale vrijstelling
                    van in artikel 2 van de Winkeltijden vervatte verboden, kunnen zij besluiten de
                    mogelijkheid voor burgemeester en wethouders te creëren om voor (een deel van)
                    de ‘resterende’ verboden individuele ontheffingen te verlenen (zie artikel 3 van
                    de Modelverordening winkeltijden 2013). Voor het in behandeling nemen van een
                    aanvraag voor een ontheffing is in onderdeel 1.15.1 een tariefbepaling
                    opgenomen. Een ontheffing kan op verzoek van de houder worden ingetrokken of
                    gewijzigd (artikel 5 van de Modelverordening winkeltijden 2013). In onderdeel
                    1.15.2 hebben wij voor een verzoek tot wijziging een tariefbepaling opgenomen. </al><al>Hoofdstuk 16 Kansspelen</al><al>Onderdeel 1.16.1 Aanwezigheidsvergunning</al><al>Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet
                    op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te
                    geven door de burgemeester.</al><al>De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor
                    bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven.</al><al>In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
                    regels worden vastgesteld</al><al>betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren
                    tarieven. Deze</al><al>nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000
                    (Stb. 2000, 223). De in</al><al>dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen
                    legesbedragen. De</al><al>tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt
                    afgegeven en het aantal speelautomaten. In Weesp gold de vergunning maximaal één
                    jaar, maar vanaf 1 januari 2011 is in het kader van de lastenverlichting gekozen
                    voor onbepaalde tijd.</al><al>In hoofdstuk 16 is geen tarief opgenomen voor het wijzigen van een vergunning
                    zodat een aan te</al><al>brengen wijziging alleen via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk
                    is.</al><al>Door de wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband
                    met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 2005 en 206), is
                    er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning nodig voor
                    kansspelautomaten. Voor behendigheidsautomaten is de vergunningplicht vervallen.
                    Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van de Wet op de kansspelen is
                    vervallen.</al><al>Onderdeel 1.16.2 Loterijvergunning</al><al>In onderdeel 1.16.2 is een tarief opgenomen voor zogenaamde
                    ‘loterijvergunningen’. Op grond van</al><al>artikel 3 van de Wet op de kansspelen kan het college van burgemeester en
                    wethouders een</al><al>vergunning verlenen tot het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen
                    of premies</al><al>uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het
                    college van</al><al>burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning verlenen als de
                    gezamenlijke waarde van</al><al>de prijzen minder bedraagt dan € 4.500. In andere gevallen verleent de minister
                    van Justitie de</al><al>vergunning.</al><al>Indien het gezamenlijke bedrag van de prijzen en premies geen hogere waarde
                    heeft dan € 4.500 is</al><al>het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot verlening van de
                    loterijvergunning (artikel 3</al><al>Wet op de kansspelen). Bij hogere waarden is de minister van Justitie bevoegd.
                    Voor de gevallen</al><al>waarin de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen
                    van de</al><al>vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit (Stb.
                    1997, 616). Dit besluit</al><al>bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen dat het college van burgemeester en
                    wethouders</al><al>bevoegd is voor het behandelen van de aanvraag om een loterijvergunning. Dat
                    betekent dat de</al><al>gemeente zelf de hoogte van het legestarief kan vaststellen.</al><al>Onderdeel 1.16.3 Vergunning speelgelegenheid</al><al>Op grond van artikel 2:41, tweede lid, van de APV geldt een vergunningplicht
                    voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. In onderdeel 1.16.3 is
                    hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2:41 verstaat onder
                    speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar
                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen
                    kunnen worden gewonnen of verloren. Artikel 2:41 heeft het beschermen van de
                    openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander
                    motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het
                    in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te
                    worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>Hoofdstuk 17 Telecommunicatie</al><al>Hoofdstuk 17 ziet op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond nodig
                    zijn voor het</al><al>leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders van een openbaar
                    elektronisch</al><al>communicatienetwerk in het kader van de Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan
                    het college van</al><al>burgemeester en wethouders een coördinerende rol met betrekking tot deze
                    graafwerkzaamheden</al><al>teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar af
                    te stemmen. In verband</al><al>hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet geregeld dat
                    genoemde aanbieders</al><al>het voornemen tot het verrichten van werkzaamheden melden aan het college van
                    burgemeester en</al><al>wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan nadat
                    zij van het college</al><al>instemming hebben verkregen over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van de
                    werkzaamheden. Bij</al><al>gelegenheid van de herziening van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet die 1
                    februari 2007 in</al><al>werking is getreden, is opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een
                    aanvraag in de zin van</al><al>de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de aanbieder
                    met betrekking</al><al>tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden
                    (Kamerstukken II 2004–</al><al>2005, 29834, nr. 3, blz. 52). Omdat de Europese Dienstenrichtlijn niet van
                    toepassing is op elektronische communicatiediensten en -netwerken, wat de
                    aangelegenheden betreft die vallen onder (onder andere) de Machtigingsrichtlijn,
                    hebben wij de tariefbepalingen in titel 1 opgenomen. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft
                    echter beslist dat voor de legesheffing artikel 12 van deze Machtigingsrichtlijn
                    geldt. Op grond hiervan kunnen alleen bepaalde administratiekosten worden
                    doorberekend en moeten deze aan de onderneming worden opgelegd volgens
                    objectieve, transparante en evenredige verdeling (Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli
                    2013, nr. 12/00627, ECLI:NL:GHARL:2013:4677). Omdat tegen de hofuitspraak beroep
                    in cassatie is ingesteld, hebben wij vooralsnog dit hoofdstuk in titel 1
                    gehandhaafd. Gemeenten doen er wel verstandig aan een goede baten-lastenraming
                    op hoofdstukniveau te hebben en wat dit hoofdstuk betreft geen meer dan
                    kostendekkende tarieven te stellen.</al><al>Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de Richtlijn
                    Tarieven</al><al>(graaf)werkzaamheden. Zie Ledenbrief 04/26 - Richtlijn Tarieven
                    (graaf)werkzaamheden telecom (29</al><al>maart 2004). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (bekendmaking via
                    nieuwsbericht op</al><al>www.vng.nl, beleidsveld Ruimte). In deze richtlijn is onder meer een
                    beheerkostenvergoeding</al><al>geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de kosten van toezicht op de
                    uitvoering van het</al><al>herstel, ongeacht of de uitvoering van dit herstel is gedaan door de
                    telecomaanbieder of de gemeente.</al><al>Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn:</al><al>- toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel;</al><al>- toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel;</al><al>- monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de
                    onderhoudsperiode;</al><al>- administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn gebracht;</al><al>- eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden.</al><al>De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van het
                    instemmingbesluit</al><al>leges worden geheven, vallen niet onder de berekening van de beheerkosten in
                    deze richtlijn. De</al><al>berekening van de beheerkosten is gebaseerd op een strikte scheiding van
                    werkzaamheden die onder</al><al>de leges vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen.</al><al>De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en cementbeton,
                    grootschalige en</al><al>kleinschalige verhardingselementen, gefundeerde verharding, plantsoenen en
                    bomen. Dit betekent dat hiervoor geen tarieven zijn opgenomen in de richtlijn.
                    Over een en ander dienen tussen de gemeente en de aanbieder op projectniveau, of
                    indien mogelijk generiek, afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd
                    met de tariefbepaling in de legesverordening.</al><al>Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de leges te worden verdisconteerd.
                    De kosten van</al><al>de volgende activiteiten zouden onder de legesheffing kunnen worden
                    gebracht:</al><al>- overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de
                    werkzaamheden;</al><al>- opstellen (verkeerskundige) adviezen;</al><al>- (technisch) beoordelen van het werk;</al><al>- beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen;</al><al>- eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de bereikte
                    overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager;</al><al>- onderzoek naar de status van het werk;</al><al>- aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse)
                    infrastructuur;</al><al>- indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en leidingen,
                    verstrekken gegevens aan de aanvrager, beoordelen van het grondgebruik,
                    afstemming met andere kabel- en leidingbeheerders, maken van revisietekeningen
                    en updaten van digitale of analoge bestanden;</al><al>- coördinatie en afstemming met overige werken in de openbare ruimte; -
                    beoordelen en sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke
                    bereikbaarheid;</al><al>- publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten;</al><al>- administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten (vergaderkosten,
                    reiskosten,</al><al>personele kosten, kosten van bijhouden van (geautomatiseerde) bestanden,
                    uitwerken alternatieve plannen e.d.).</al><al>In onderdeel 1.17.1 hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt
                    vermeerderd met een bedrag</al><al>per strekkende meter sleuflengte. Meer sleuflengte betekent meer meters kabels
                    of leidingen, wat de</al><al>complexiteit van de coördinatie zal verhogen. Er is geen tariefonderscheid
                    gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak (tegel-, klinker- en
                    sierbestratingen, gesloten verhardingen) en onverhard oppervlak (bermen,
                    groenstroken en dergelijke).</al><al>Het tarief van onderdeel 1.17.1 kan eventueel ook worden gedifferentieerd naar
                    gebied waarbinnen de</al><al>graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Deze differentiatie gaat ervan uit dat
                    in bijvoorbeeld het</al><al>centrum de coördinerende taak meer kosten oproept, dan wel dat de kosten
                    toenemen naarmate het</al><al>graaftraject groter is.</al><al>Onderdeel 1.17.1.1 ziet op de gevallen dat er andere beheerders van het openbaar
                    gebied in het</al><al>geding zijn.</al><al>Onderdeel 1.17.1.2 heeft betrekking op de incidentele gevallen dat een nader
                    onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt. Voor de mededeling van deze,
                    bij het indienen van de melding vaak nog onbekende kosten, hebben wij gekozen
                    voor de zogenaamde begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden
                    gesteld van deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken
                    voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Onderdeel 1.17.2 voorziet
                    daarin.</al><al>De Hoge Raad heeft de begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2
                    december 2005, nr.</al><al>40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de meerdaagse
                    bedenktijd in</al><al>de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot onverbindendheid. In voorkomend
                    geval kan de</al><al>belastingplichtige de heffing bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag
                    in behandeling</al><al>neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn
                    of de kostenopgaaf de</al><al>aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken.</al><al>Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer</al><al>Onderdeel 1.18.1.1</al><al>Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                    (RVV 1990, Stb.</al><al>459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in een aantal
                    in artikel 87</al><al>genoemde artikelen. Het college van burgemeester en wethouders, de door hem
                    ingestelde</al><al>bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente, is het bevoegde
                    gezag voor het</al><al>verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het
                    waterschap (artikel 1, onder h,</al><al>RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994).
                    Onderdeel 1.18.1.1 heeft betrekking op de hiervoor genoemde ontheffingen.
                    Daarbij kan gedacht worden aan ontheffingen die worden verleend bij
                    wielerwedstrijden of straatfeesten.</al><al>Onderdeel 1.18.1.2</al><al>De Dienst voor het wegverkeer (RDW) is sinds 1 januari 2006 bevoegd voor het in
                    behandeling nemen van een aanvraag en de afgifte van een ontheffing voor
                    exceptionele transporten voor alle</al><al>wegbeheerders in heel Nederland (artikel 149a, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994
                    en het Besluit</al><al>ontheffingverlening exceptionele transporten (Stb. 2005, 438). Op grond van
                    artikel 9.1 van de</al><al>Regeling voertuigen (Stcrt. Suppl. 2009, 81) kan het bevoegde gezag echter
                    ontheffing verlenen voor</al><al>bijzondere transporten van ongekentekende voertuigen, zoals landbouwvoertuigen
                    (vóór 1 mei 2009</al><al>was die bevoegdheid gebaseerd op artikel 7.1 van het Voertuigreglement, dat per
                    die datum is</al><al>vervallen; Stb. 2009, 184). De ontheffingsbevoegdheid betreft de ontheffing van
                    bepalingen en</al><al>voorwaarden waaraan een voertuig moet voldoen om daarmee te mogen rijden. De
                    ontheffingen</al><al>kunnen niet alleen betrekking hebben op wegen gelegen binnen, maar ook op wegen
                    buiten de</al><al>bebouwde kom. Aanvragen voor ontheffingen voor ongekentekende voertuigen kunnen
                    bij de</al><al>gemeente worden ingediend als zij wegbeheerder is (zie bij onderdeel
                    1.18.1).</al><al>Artikel 9.4, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat het bevoegde
                    gezag tarieven kan</al><al>vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing. Onderdeel 1.18.1.2
                    voorziet hierin. Artikel 9.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen bepaalt
                    verder dat het bevoegde gezag kan bepalen dat in geval van weigering of buiten
                    behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt
                    terugbetaald aan de aanvrager. Het spreekt voor zich dat een dergelijke bepaling
                    niet voorbehouden behoeft te blijven aan de ontheffing als bedoeld in artikel
                    9.1 van de Regeling</al><al>voertuigen. Wij hebben - gelet op de hoogte van de tarieven - alleen bij de
                    omgevingsvergunningen</al><al>voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten teruggaafbepalingen wenselijk
                    geoordeeld (zie hoofdstuk 5</al><al>van titel 2 van de tarieventabel).</al><al>De gemeentelijke wegbeheerder kan haar ontheffingsbevoegdheid mandateren aan de
                    RDW (die dan</al><al>dus het gemeentelijk tarief moet hanteren). Als de ontheffingverlening is
                    gemandateerd aan de RDW,</al><al>moet ook de heffing van de leges via mandaatverlening (door de
                    heffingsambtenaar) worden geregeld. De heffingsbevoegdheden kunnen daarbij
                    bijvoorbeeld worden beperkt tot het vaststellen van het verschuldigde bedrag. De
                    invordering (in eerste aanleg) kan door middel van een machtiging aan de
                    directeur van de RDW worden opgedragen (door de invorderingsambtenaar).</al><al>Onderdeel 1.18.1.5</al><al>Onderdeel 1.18.1.5 heeft betrekking op het verstrekken van
                    gehandicaptenparkeerkaarten en het aanleggen van
                    gehandicaptenparkeerplaatsen.</al><al>Op grond van artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het
                    wegverkeer kan aan een gehandicapte die zich niet of nauwelijks te voet kan
                    voortbewegen door de raad of, krachtens besluit van de raad, door het college
                    van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als</al><al>ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, een
                    gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.</al><al>Onderdeel 1.18.1.8</al><al>Tot 2006 werden de kosten voor het treffen van voorzieningen (het trekken van
                    strepen en het plaatsen van een bord) door middel van een factuur in rekening
                    gebracht door de afdeling financiën. Vanwege meer efficiency is deze
                    dienstverlening thans in de legesverordening geregeld.</al><al>Het tarief betreft het aanleggen en (te zijner tijd) weghalen van de
                    gehandicaptenparkeerplaats.</al><al>Voor een gehandicaptenparkeerplaats hoeft men niet meer apart gekeurd te worden;
                    de keuring heeft al plaatsgevonden bij de aanvraag voor de
                    gehandicaptenparkeerkaart.</al><al>De kosten van het aanleggen van een gehandicaptenparkeerplaats blijken in de
                    praktijk veel hoger te liggen dan tot nu toe werd aangenomen (€ 385.-).
                    Voorgesteld wordt om dit bedrag op te nemen in de tarieventabel.</al><al>Onderdeel 1.18.2 </al><al>Weesp heeft de ontheffingen om gevaarlijke stoffen te vervoeren op niet
                    aangewezen routes gemandateerd aan de brandweer. De ontheffingen moeten
                    gepubliceerd worden. De verschuldigde leges brengen wij in rekening.</al><al>Hoofdstuk 20 Diversen</al><al>In onderdeel 1.20.1 zijn tarieven opgenomen worden voor vergunningen,
                    vrijstellingen of</al><al>ontheffingen die op grond van bepalingen in gemeentelijke verordeningen worden
                    verleend.</al><al>De daarvoor in rekening te brengen leges spreken in het algemeen voor zich. De
                    volgende toelichting kan gegeven worden.</al><al>1.20.1.3 Woonarken</al><al>Het komt geregeld voor dat op grond van de Apv een ontheffing wordt gevraagd
                    voor de vervanging of verbouwing van een woonark. Bij dergelijke aanvragen zijn
                    de verschuldigde leges onder andere afhankelijk van de ligging van de arken. Bij
                    een deel van de arken is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding. Voor deze
                    arken is een zwaardere procedure vereist dan voor de arken die al zijn opgenomen
                    in een bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanprocedures moet ook nog getoetst
                    worden op bouwkundige niveau. Hoewel de zwaarte van de procedure niet te
                    vergelijken is met de aanvragen voor bouwvergunningen die wel binnen de
                    Woningwet vallen is de desbetreffende afdeling toch de nodige tijd kwijt aan de
                    bouwkundige beoordelingen. Vaak is daarbij overleg nodig of het voeren van
                    correspondentie.</al><al>De tijd die hier aan besteed wordt is gemiddeld voor elke aanvraag gelijk, dus
                    ongeacht de hoogte van de (ver)bouwsom. Met genoemd tarief zijn onze kosten
                    voldoende gedekt.</al><al>1.20.2 Afschriften van stukken </al><al>Deze tarieven hebben betrekking op het verstrekken van stukken door ambtenaren
                    uit het archief </al><al>(facilitaire zaken) . Vanaf 1998 is een tarief opgenomen voor het plotten van
                    kaartmateriaal en vanaf het jaar 2000 de kosten van het afdrukken van digitaal
                    kaartmateriaal.</al><al>Onder tabelnummer 1.20.2.12 is een tarief opgenomen voor het verstrekken van
                    afschriften van tekeningen, kaarten en lichtdrukken van een groter formaat dan
                    A3. Het betreft het in afschrift verstrekken van stukken uit het archief,
                    voornamelijk bouwtekeningen. Het kopiëren van deze geschriften is uitbesteed aan
                    een particuliere instelling. Het ontbreekt ons aan capaciteit en aan de juiste
                    apparatuur. De leges zijn aangepast aan de kostprijs, vermeerderd met 25% wegens
                    onze bemoeienis, zoals het wegbrengen en vouwen van het materiaal.</al><al>Alle afschriften worden standaard in A0 formaat gekopieerd.</al><al>1.20.4 Opteren/naturaliseren Nederlanderschap</al><al>Het in behandeling nemen van een naturalisatieverzoek is per 1 januari 1996
                    overgedragen aan de gemeente.</al><al>De tarieven worden vastgesteld door het Ministerie van Justitie en de gemeente
                    mag daarvan niet afwijken. De tarieven zijn niet integraal in deze verordening
                    opgenomen. De reden is dat de tarieven veelvuldig wijzigen, waardoor wij vaak
                    achter de feiten aanlopen en inkomsten derven. Vanaf 26 juni 2003 (besluit van
                    de raad) wordt daarom in de tarieventabel verwezen naar de wettelijke
                    regeling.</al><al>1.20.5 Uitstel tot begraven</al><al>Ingevolge artikel 17 van de Wet op de lijkbezorging kan de burgemeester voor de
                    begraving of verbranding van een lijk een andere termijn stellen. Het komt
                    geregeld voor dat begrafenisondernemers door uiteenlopende oorzaken een beroep
                    hierop doen.</al><al>1.20.6 Stroomvoorziening/aansluitkosten</al><al>Op plaatsen waar gemeentelijke stroomkasten aanwezig zijn, kan de gemeente
                    stroom leveren. Het aantal gebeurtenissen waarbij de gemeente om stroomlevering
                    wordt gevraagd neemt toe evenals het stroomverbruik. Naast het faciliteren van
                    stroom worden ook door de gemeente kosten gemaakt. Te denken valt aan:</al><al>- de kosten van controles en onderhoud aan de elektrische installaties;</al><al>- de kosten van uren verbonden aan de voor- en eindbeschouwingen voor het
                    daadwerkelijk leveren van de stroom;</al><al>- de kosten verbonden aan de administratie en het in rekening van de leges.</al><al>Het is de bedoeling dat de tarieven zodanig zijn, dat deze de directe kosten
                    voor stroomlevering kan dekken, wat inhoudt dat er een onderbouwde inschatting
                    van kosten en baten voor een reële prijs per te leveren kWh is gemaakt. Ter
                    beperking van administratieve handelingen worden de kleine stroomgebruiken (tot
                    10 kWh) vrijgesteld van kosten. </al><al/><al>Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/
                    omgevingsvergunning</al><al>Algemene opmerkingen bij Titel 2</al><al>In deze titel zijn de diensten opgenomen die invloed hebben op de fysieke
                    leefomgeving en</al><al>plaatsgebonden zijn. Aanleiding is de invoering van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht</al><al>(Wabo; Stb. 2008, 496), die de omgevingsvergunning regelt, en de daarbij horende
                    invoeringswet. Wij</al><al>hebben in deze titel zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het door SGBO
                    ontwikkelde Model hoogte</al><al>leges omgevingsvergunning, dat eind 2006 door het ministerie van VROM is
                    gepubliceerd (zie</al><al>omgevingsvergunning.vrom.nl). Dat model bouwt voort op het Model transparantie
                    bouwgerelateerde</al><al>leges uit 2004, dat wij in hoofdstuk 5 (bouwgerelateerde leges) van de oude
                    tarieventabel hadden</al><al>verwerkt. In artikel 5, tweede lid, van de legesverordening hebben wij een
                    tariefbepaling opgenomen voor projectuitvoeringsbesluiten in het kader van de
                    Crisis- en herstelwet.</al><al>Kruissubsidiëring en profijtbeginsel</al><al>Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het
                    profijtbeginsel toe te passen. In het</al><al>kader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten heeft de minister van
                    Economische Zaken</al><al>aan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet er bij de omgevingsvergunning van
                    uitgaat ‘dat de</al><al>totale legesomvang voor deze vergunning niet de totale kosten van verlening van
                    deze vergunning</al><al>mag overschrijden’ (Kamerstukken II 2005- 2006, 29515, nr. 140, pag. 26).
                    Kruissubsidiëring bij de</al><al>Wabo heeft ook de bijzondere aandacht van de Tweede Kamer (Handelingen II
                    2008–2009, 31953, nr. 24, pag. 27). Het verdient daarom aanbeveling
                    kruissubsidiëring of toepassing van het profijtbeginsel binnen de kolom van de
                    omgevingsvergunning te houden. Dit uitgangspunt is ook gehanteerd in het Model
                    hoogte leges omgevingsvergunning (paragraaf 1.3, uitgangspunt 3).</al><al>Wij tekenen hierbij nog aan dat weliswaar sprake is van een wens van de
                    wetgever, die wij door plaatsing in een aparte titel hebben ondersteund, maar
                    dat dit onverlet laat dat kruissubsidiëring tussen titel 1 en titel 2 wettelijk
                    niet verboden is. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, nr.13/00081,
                    ECLI:NL:GHARL:2014:494, waarin het hof oordeelt dat er voor de toets aan de
                    opbrengstlimiet geen strengere eisen zijn gaan gelden door de komst van de Wabo.
                    Alleen bij de vergunningstelsels genoemd in titel 3 van de tarieventabel kan
                    door werking van de Europese dienstenrichtlijn geen kruissubsidiëring
                    plaatsvinden in die zin dat de tarieven in titel 3 per hoofdstuk meer dan
                    kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van andere, niet-kostendekkende
                    tarieven in de verordening. Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel
                    229b van de Gemeentewet blijven de op basis van alle vastgestelde tarieven
                    totaal geraamde baten en lasten van belang (toets op verordeningenniveau).</al><al>Transparantie van de legesheffing (artikel 2.9, derde lid, Wabo)</al><al>Artikel 2.9, derde lid, van de Wabo bepaalt dat de minister van VROM bij
                    algemene maatregel van</al><al>bestuur regels kan stellen over de berekening en de bedragen van de leges. Dit
                    lid is er door een</al><al>amendement ingekomen. De VNG, IPO, BZK en VROM (nu: I&amp;M) hebben afspraken
                    gemaakt over transparantie (uitvoering motie; Kamerstukken II 2007/2008, 30844,
                    nr. 33). Deze zijn vastgelegd in de Handreiking tarieven leges
                    omgevingsvergunningen, die op de website van de VNG en van BZK is te vinden. Een
                    uniforme berekeningswijze maakt de tarieven transparanter en beter
                    vergelijkbaar. Het is de bedoeling dat gemeenten deze handreiking volgen ten
                    behoeve van de tariefstellingen in hun legesverordening. Voor de minister van
                    I&amp;M bestaat er dan naar onze inschatting geen aanleiding bij algemene
                    maatregel van bestuur regels voor de leges te stellen.</al><al>Opschorten invorderingsbevoegdheid bij verouderd bestemmingsplan (artikel 3.1,
                    vierde lid, Wro)</al><al>De financiële prikkel die in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro)
                    aan gemeenten is</al><al>gegeven (opgelegd) om bestemmingsplannen actueel te houden, is door de komst van
                    de Wabo niet</al><al>gewijzigd (artikel 3.1, vierde lid, Wro). Als een bestemmingsplan meer dan tien
                    jaar oud is, vervalt de</al><al>bevoegdheid om de leges in te vorderen voor omgevingsvergunningen en dergelijke
                    die verband</al><al>houden met dat bestemmingsplan. In feite komt dat neer op het niet meer kunnen
                    heffen van leges</al><al>voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het geldende overgangsrecht (tot 1
                    juli 2013) is niet gewijzigd. Gedurende de overgangsperiode kan de gemeente toch
                    leges heffen als de dienstverlening een relatie heeft met het verouderde
                    bestemmingsplan.</al><al>Opschorting invorderingsbevoegdheid bij omgevingsvergunning (voorheen:
                    projectbesluit)</al><al>De Crisis- en herstelwet (CHW) heeft de bepalingen in de Wro en de Wabo over het
                    opschorten van de invorderingsbevoegdheid gewijzigd. Tot 31 maart 2010 gold een
                    opschorting van de invorderingsbevoegdheid als een projectbesluit waarbij van
                    het bestemmingsplan of de beheersverordening werd afgeweken, niet tijdig in het
                    bestemmingsplan of de beheersverordening werd ingepast (artikelen 3.13 en 3.40
                    Wro; artikel 2.9 en nieuw 2.9a Wabo). Dat moest binnen het jaar gebeuren. Na 18
                    maanden verviel zelfs de invorderingsbevoegdheid. Die regeling is sinds 31 maart
                    2010 anders:</al><al>De bevoegdheid tot het invorderen van leges wordt opgeschort tot het tijdstip
                    waarop het projectbesluit, onderscheidenlijk de omgevingsvergunning langs
                    elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens
                    algemene maatregel van bestuur gestelde regels. De bevoegdheid vervalt indien
                    het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is
                    gesteld.</al><al>Hierbij wordt gedoeld op de digitale raadpleegbaarheid van planologische
                    besluitvorming. De materiële inhoud van de omgevingsvergunning (voorheen: het
                    projectbesluit) zal daarom op zodanige wijze elektronisch beschikbaar moeten
                    worden gesteld dat deze door een ieder kan worden geraadpleegd als hij het
                    elektronisch bestemmingsplan raadpleegt (de gemeente heeft sinds </al><al>1 januari 2010 de verplichting om de inhoud van (ruimtelijke) visies, plannen,
                    besluiten en verordeningen in elektronische vorm vast te leggen en in die vorm
                    vast te stellen. Voor de digitale vormgeving van deze ruimtelijke instrumenten
                    is een pakket (digitale) standaarden ontwikkeld, dat is verankerd in de Regeling
                    standaarden ruimtelijke ordening 2008.)</al><al>In verband met bovenstaande opschortingsregeling, verdient het aanbeveling met
                    het opleggen van nota’s of aanslagen te wachten totdat genoemde elektronische
                    beschikbaarstelling heeft plaatsgevonden (binnen twee maanden; anders vervalt de
                    invorderingsbevoegdheid).</al><al>Als sprake is van leges voor dienstverlening met betrekking tot een
                    reconstructieplan als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden geldt
                    de volgende (oude) opschortingsregeling: de bevoegdheid om leges in te vorderen
                    wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan of de
                    beheersverordening is vastgesteld overeenkomstig het reconstructieplan. Dat moet
                    binnen één jaar gebeuren. De invorderingsbevoegdheid vervalt indien het
                    bestemmingsplan dan wel de beheersverordening niet binnen zes maanden na het
                    verstrijken van die jaartermijn is vastgesteld (artikel 3.9a CHW; nieuw artikel
                    27a Reconstructiewet concentratiegebieden).</al><al>Zekerheidsstelling</al><al>Als voor de versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met
                    nationale betekenis (afdeling 7 CHW) de gemeenteraad een omgevingsvergunning
                    verleent waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°,
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het
                    inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken (voorheen: een
                    projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 Wro neemt), kan hij daaraan het
                    voorschrift verbinden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het betalen
                    van de verschuldigde leges voor de gemeentelijke dienstverlening die verband
                    houdt met de omgevingsvergunning (voorheen: het projectbesluit) (artikel 2.23
                    CHW). In het voorschrift wordt het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in
                    stand moet worden gehouden. Ook kan het voorschrift inhouden dat hiervoor een
                    verzekering wordt gesloten en in stand gehouden.</al><al>Omgevingsvergunning van rechtswege (Lex silencio positivo)</al><al>Voor het beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning gelden
                    beslistermijnen. De Wabo</al><al>kent twee voorbereidingsprocedures: de reguliere (paragraaf 3.2 Wabo) en de
                    uitgebreide (paragraaf</al><al>3.3 Wabo). Op de uitgebreide procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht van</al><al>toepassing. Artikel 3.10 van de Wabo geeft aan in welke gevallen deze procedure
                    van toepassing is.</al><al>Dit is bijvoorbeeld het geval bij buitenplanse en tijdelijke afwijkingen van het
                    bestemmingsplan.</al><al>Meestal zal de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Alleen bij
                    de reguliere</al><al>procedure kan sprake zijn van een omgevingsvergunning van rechtswege als de
                    beslistermijn</al><al>ongebruikt is verstreken. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen en ter
                    bescherming van belangen</al><al>van derden is de regeling met diverse waarborgen omkleed. Een belangrijke
                    waarborg is dat</al><al>gedurende de bezwaartermijn van zes weken, van de vergunning nog geen gebruik
                    kan worden</al><al>gemaakt. Indien er bezwaar is ingesteld mag pas van de vergunning gebruik worden
                    gemaakt nadat</al><al>op het bezwaar is beslist. Dit is geregeld in artikel 6.1, vierde lid, van de
                    Wabo.</al><al>De vraag komt dan op of desondanks leges kunnen worden geheven. Aan deze vraag
                    is bij de</al><al>herziening van de Woningwet (1992) aandacht besteed. De bewindslieden van het
                    ministerie van</al><al>Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) hebben in dat
                    verband opgemerkt dat legesheffing niet in de rede ligt indien sprake is van
                    werkelijk ‘stilzitten’ van een gemeente.</al><al>Legesheffing zou dan in strijd zijn met behoorlijk bestuur (Kamerstukken II
                    1988/89, 20066, nr. 9, p.</al><al>30). Dit betekent naar onze mening echter niet dat legesheffing achterwege moet
                    blijven als een</al><al>omgevingsvergunning van rechtswege wordt verleend. De leges zijn immers (al)
                    verschuldigd voor het</al><al>in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Als een
                    omgevingsvergunning</al><al>van rechtswege wordt verleend en de gemeente aannemelijk maakt dat de aanvraag
                    in behandeling is</al><al>genomen, kunnen leges worden geheven (vergelijk Hof Arnhem 1 februari 2002, nr.
                    01/00943, LJN:</al><al>AD9872). Wel kan het redelijk zijn om een teruggaaf te verlenen indien bepaalde
                    werkzaamheden niet</al><al>zijn uitgevoerd (vergelijk Hof Arnhem 8 november 2001, nr. 99/1821, LJN: AD6167,
                    Belastingblad</al><al>2002/ 552). Indien de legesverordening niet in een teruggaafbepaling voorziet,
                    kan in voorkomend</al><al>geval ook de hardheidsclausule worden toegepast.</al><al>Legesvrijstelling voor milieu-inrichtingen en mijnbouwwerken (artikel 2.9,
                    eerste lid, Wabo)</al><al>In artikel 2.9, eerste lid, van de Wabo staat de vrijstelling van leges voor
                    aanvragen om</al><al>omgevingsvergunningen voor activiteiten met betrekking tot milieu-inrichtingen
                    en mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.
                    Wij hebben deze vrijstelling opgenomen in</al><al>artikel 4, onderdeel b, van de verordening. Zie de toelichting op dat
                    artikelonderdeel.</al><al>Geen wettelijke vrijstelling meer voor toegelaten instellingen</al><al>Er geldt geen wettelijke legesvrijstelling meer voor toegelaten instellingen
                    voor zowel sociale</al><al>woningbouw als ingrijpende voorzieningen aan sociale huurwoningen. De artikelen
                    die deze vrijstelling</al><al>regelden, zijn vervallen: artikel 88 van de Woningwet dat de vrijstelling
                    bevatte, is met ingang van </al><al>13 juni 2008 vervallen (Stb. 2008, 197) en de uitwerking van de vrijstelling in
                    artikel 34 Besluit</al><al>woninggebonden subsidies 1995 al eerder, namelijk met ingang van 27 december
                    2005 (Stb. 2005,</al><al>498). Daarmee was het vervallen van de legesvrijstelling voor toegelaten
                    instellingen wettelijk</al><al>geregeld. Er was naar de mening van de regering niet langer reden om
                    woningcorporaties wat betreft</al><al>de leges in een gunstiger positie te plaatsen dan andere partijen op de
                    woningmarkt.</al><al>Planschade</al><al>Sinds 1 september 2005 kunnen gemeenten een vergoeding (recht) vragen voor een
                    aanvraag om</al><al>planschadevergoeding (Stb. 2005, 305). Zie hiervoor Lbr. 05/55 – Planschade
                    nieuwe stijl (7 juni</al><al>2005). De huidige regeling staat in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening.
                    Hoewel de wetgever</al><al>spreekt van het heffen van een recht, is dit niet een recht in de zin van
                    artikel 229 Gemeentewet. Dit is</al><al>in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 13 augustus 2004, nr. 37863, LJN:
                    AI0408. De Hoge</al><al>Raad heeft daarin beslist dat legesheffing voor planschadeverzoeken niet
                    mogelijk is, aangezien geen</al><al>sprake van het verlenen van een dienst in de zin van artikel 229 van de
                    Gemeentewet. In de wettelijke</al><al>regeling is een vast bedrag opgenomen van € 300,00. In een gemeentelijke
                    verordening (let op: geen</al><al>legesverordening) kan dit bedrag naar boven of beneden worden aangepast tot ten
                    hoogste € 500,00 of € 100,00.</al><al>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</al><al>De begripsomschrijvingen van aanlegkosten, bouwkosten en sloopkosten zijn in dit
                    hoofdstuk</al><al>geclusterd.</al><al>Onderdeel 2.1.1.1 Aanlegkosten</al><al>Onderdeel 2.1.1.1 bevat een begripsomschrijving van de aanlegkosten. Doorgaans
                    is dat de</al><al>aannemingssom waarvoor het werk of de werkzaamheden worden verricht, exclusief
                    omzetbelasting.</al><al>Als het werk of de werkzaamheden door zelfwerkzaamheid plaatsvinden, geldt een
                    geobjectiveerde</al><al>aannemingssom als heffingsgrondslag.</al><al>Onderdeel 2.1.1.2 Bouwkosten</al><al>Bij de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten is het tarief afhankelijk
                    gesteld van de hoogte van</al><al>de bouwkosten. In onderdeel 2.1.1.2 is een definitie gegeven van het begrip
                    bouwkosten. Daarbij is</al><al>aansluiting gezocht bij het begrip aannemingssom zoals dat is gedefinieerd in de
                    Uniforme</al><al>administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische
                    installatiewerken 2012 (UAV 2012). Indien nog geen aannemingssom bekend is, moet
                    een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten
                    behoeve van de fysieke realisatie (= het bouwen) van de bouwwerken. Deze
                    definitie van ‘bouwwerken’ stemt overeen met de definitie ervan in het normblad
                    van het Nederlands normalisatie-instituut NEN 2699:2013, voor investerings- en
                    exploitatiekosten van onroerende zaken. Dit normblad is in de plaats gekomen van
                    NEN 1979, nr 2631). Inhoudelijk is het begrip bouwkosten niet gewijzigd. Het
                    college van burgemeester en wethouders kan in beleidsregels, mede op grond van
                    artikel 11 van de legesverordening, aansluiting zoeken bij de specificatie van
                    de bouwkosten in dit normblad of kiezen voor een bepaalde
                    normkostensystematiek.</al><al>Volgens NEN 2699 omvatten de bouwkosten:</al><al>• 1. kosten van bouwkundige werken</al><al>• 2. kosten van installaties</al><al>• 3. kosten van vaste inrichtingen en voorzieningen</al><al>• 4. kosten van terrein</al><al>• 5. algemene uitvoeringskosten/diversen.</al><al>Deze kosten zijn in het normblad naar verschillende niveaus uitgesplitst
                    (uitklaptabel in Excelbestand). Voor de bouwkosten kan bijvoorbeeld worden
                    aangesloten bij de definitiefontwerpbegroting (DO-begroting) als bedoeld in NEN
                    2699 (niveau 4 of 5).</al><al>Omdat de bouwkosten in de zin van het normblad NEN uitsluitend genoemde kosten
                    omvatten, kan dit ertoe kunnen leiden dat het bedrag van de bouwkosten lager
                    uitvalt dan de aannemingssom geweest zou zijn. Oorzaak hiervan kan zijn dat
                    bepaalde ‘bijkomende kosten bouw’ als bedoeld in het normblad NEN wel verwerkt
                    zijn in de aannemingssom maar niet in de bouwkosten in de zin van het normblad
                    NEN. Bijkomende kosten zijn kosten die betrekking hebben op voorbereiding en
                    begeleiding. Het voorgaande kan ertoe leiden dat de aannemingssom in de zin van
                    de UAV en de raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN van elkaar
                    verschillen. Indien beoogd wordt de aannemingssom en de bouwkosten in de zin van
                    het normblad zoveel mogelijk tot een zelfde uitkomst te laten leiden zou in
                    onderdeel 2.1.1.2 geregeld kunnen worden dat voor zover een aannemingssom
                    ontbreekt een raming van de bouwkosten en een aantal nader te noemen ‘bijkomende
                    kosten bouw’ moet plaatsvinden (zie hiervoor bijvoorbeeld NEN 2699). De
                    bouwkosten in onderdeel 2.1.1.2 zijn exclusief omzetbelasting. Dat sluit aan bij
                    de gegevens die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten
                    moeten worden verstrekt.</al><al>Kosten van installaties, zoals liften, cv, airco en dergelijke behoren tot de
                    bouwkosten. Het derde lid van artikel 1 van de Woningwet bepaalt uitdrukkelijk
                    dat onder een bouwwerk mede de daarvan deel uitmakende installaties wordt
                    verstaan. Daarmee behoort elke discussie over de vraag of installaties, zoals
                    liften, cv, airco e.d., behoren tot het bouwwerk tot het verleden. En in het
                    verlengde daarvan, eveneens de discussie of de kosten van deze installaties tot
                    de bouwkosten behoren. Hof Arnhem 13 maart 2012, nr. 11/00466 (Buren), LJN:
                    BV9733, VNG-5099, beslist dat de volledige kosten voor de bouw van een
                    windturbine, tot de bouwkosten horen. Zonder de installatietechnische
                    voorzieningen beantwoordt de windturbine niet aan haar doel.</al><al>Overigens is de belastingrechter bevoegd om over de juistheid van de
                    vaststelling van de bouwkosten</al><al>door de gemeente een oordeel uit te spreken. Dit blijkt uit het arrest van de
                    Hoge Raad van 6 oktober</al><al>1982, nr. 21.332, BNB 1982/289, Belastingblad 1983, blz. 11.</al><al>Uit dit arrest blijkt bovendien dat de keuze voor de aannemingssom als maatstaf
                    van heffing aansluit</al><al>bij de opvattingen van de Hoge Raad hieromtrent. De Hoge Raad overwoog namelijk:
                    ‘dat toch op</al><al>grond van het objectieve karakter van de onderhavige heffing dient te worden
                    aangenomen dat onder</al><al>oprichtings- en vernieuwingskosten in artikel 39, eerste lid, letter a, van de
                    verordening moet worden</al><al>verstaan de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten
                    worden betaald voor</al><al>het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd
                    verleend’.</al><al>De Hoge Raad overwoog verder ‘dat zulks ook strookt met de bedoeling van de
                    gemeentelijke wetgever, die klaarblijkelijk een verband heeft willen leggen
                    tussen de hoogte van het wegens de onderhavige dienst, bestaande uit het
                    verlenen van een bouwvergunning, geheven recht en de waarde van die dienst, welk
                    verband met de zojuist bedoelde prijs het beste wordt benaderd’.</al><al>Uit dit arrest blijkt dat tevens van de aannemingssom uitgegaan kan worden voor
                    het vaststellen van</al><al>de bouwkosten, in de gevallen waarin het werk niet door een aannemer wordt
                    uitgevoerd, maar door</al><al>de eigenaar van een woning zelf.</al><al>De Hoge Raad heeft het voorgaande bevestigd in zijn arrest van 9 oktober 1991,
                    nr. 27.576,</al><al>Belastingblad 1992, blz. 219. Een raming van de bouwkosten door de gemeente
                    dient in</al><al>overeenstemming te zijn met de geraamde prijs welke aan een derde in het
                    economische verkeer zou</al><al>moeten worden betaald. Dit is ook in onderdeel 2.1.1.2 tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al>Hof ’s-Gravenhage 2 maart 2011, 10/00187 (Alblasserdam), LJN:BP7476, VNG-435,
                    beslist dat de lagere werkelijke bouwkosten in de leges moeten worden meegenomen
                    zolang de aanslag nog niet definitief is. De eerste opgave betreft een
                    schatting, indien er latere cijfers beschikbaar zijn die de werkelijke
                    bouwkosten beter benaderen dient dat te worden meegenomen bij het bepalen van de
                    aanslag.</al><al>Tot de bouwkosten kunnen niet worden gerekend kosten van werkzaamheden waarvoor
                    geen</al><al>omgevingsvergunning vereist is. Onderhoudskosten kunnen zodoende niet tot de
                    bouwkosten worden</al><al>gerekend, tenzij deze omgevingsvergunningplichtig zijn. Er is geen reden aan te
                    nemen dat de</al><al>jurisprudentie die over leges voor bouwvergunningen is gewezen, niet zou gelden
                    voor de</al><al>omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Wij wijzen op de uitspraken over
                    bouwvergunningen van:</al><al>- Hof Leeuwarden van 17 september 1982, nr. 398/80 EI, Belastingblad 1983, blz.
                    238;</al><al>- Hof Amsterdam 1 maart 1984, nr. 3902/81 EK III, Belastingblad 1985, blz.
                    84;</al><al>- Hof Amsterdam 18 februari 2000, nr. 98/3379, LJN: AA7743, Belastingblad 2000,
                    blz. 943;</al><al>- Hof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/490, LJN: AA6004, Belastingblad
                    2000, blz. 942;</al><al>- Hof ‘s-Gravenhage 2 september 2003, nr. 02/02664, LJN: AI0336, Belastingblad
                    2003, blz. 1368;</al><al>- Hof Arnhem 2 mei 2012, nr. 11/00295 (IJsselstein), LJN: BW6275, VNG-5183.</al><al>Volgens Hof Arnhem moet de gemeente de aanvraag beoordelen voor het gehele
                    project, ook indien</al><al>slechts een deel van de bouwactiviteiten vergunningplichtig is, indien een
                    belanghebbende, hoewel</al><al>daartoe niet verplicht, de aanvraag voor een bouwvergunning uitstrekt tot het
                    volledige project en het</al><al>volledige bedrag van de bouwkosten. Ook moet in zo’n geval tot de kosten van de
                    bouwkundige</al><al>werken worden gerekend datgene wat voor het functioneren en de gehele afwerking
                    van het bouwwerk noodzakelijk is (Hof Arnhem 18 februari 2002, nr. 98/2038,
                    Belastingblad 2002, blz. 1125). Hof Amsterdam vindt dat als een splitsing tussen
                    vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig deel is te maken, de leges alleen
                    geheven kunnen worden over het vergunningplichtige deel van de</al><al>bouwkosten, ook al zijn alle werkzaamheden onlosmakelijk met elkaar verbonden
                    (Hof Amsterdam 11</al><al>februari 2003, nr. 02/00204, LJN: AF5111).</al><al>Onderdeel 2.1.1.3 Wabo</al><al>In onderdeel 2.1.1.3 is een verkorte aanduiding van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht</al><al>opgenomen.</al><al>Onderdelen 2.1.2 en 2.1.3</al><al>In de onderdelen 2.1.2 en 2.1.3 wordt aansluiting gezocht bij
                    begripsomschrijvingen die gelden bij of</al><al>krachtens de Wabo of een andere wet waar het toetsingskader voor de vergunning
                    is geregeld.</al><al>Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning</al><al>In dit hoofdstuk is geregeld waar het bij de Wabo allemaal om draait: de
                    omgevingsvergunning.</al><al>Uitgangspunt is: één aanvraag, één loket, één bevoegd gezag. Meestal is het
                    college het bevoegd</al><al>gezag (omgevingsloket). Zie hierover Lbr. 09/80 – Ledenraadpleging uitvoering
                    Wabo en handhaving</al><al>VROM-taken – 19 juni 2009. Zie ook artikel 3.3 en bijlage I van het Besluit
                    omgevingsrecht (BOR) die</al><al>de gevallen noemen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en
                    wethouders het bevoegd</al><al>gezag is.</al><al>Onderdeel 2.3</al><al>Omdat er maar één aanvraag is, is er ook maar één belastbaar feit: het in
                    behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. De verschuldigde
                    leges zijn de som van de leges voor de afzonderlijke activiteiten (en eventuele
                    extra toetsen). De activiteiten die onder de</al><al>omgevingsvergunning vallen, zijn gebaseerd op de artikelen 2.1 en 2.2 van de
                    Wabo. Deze activiteiten (en genoemde extra toetsen) vormen afzonderlijke
                    grondslagen voor de heffing van de leges. Wij hebben deze opgenomen als
                    subonderdelen van onderdeel 2.3.</al><al>Doorgaans zullen de leges voor de verschillende activiteiten waarop de
                    omgevingsvergunning</al><al>betrekking heeft als som, dat wil zeggen in één keer, via een schriftelijke
                    kennisgeving worden</al><al>geheven. Maar omdat het verschillende grondslagen betreft, is het ook mogelijk
                    om per grondslag een</al><al>bedrag te vorderen. Het is namelijk toegestaan naar elke grondslag afzonderlijk
                    een aanslag op te</al><al>leggen (Hoge Raad 7 februari 1973, nr. 16885, BNB 1973/69). Wij hebben dat
                    uitdrukkelijk in</al><al>onderdeel 2.3 bepaald. Wij geven echter in overweging te streven naar een
                    heffing in één keer.</al><al>De Wabo kent een driedeling in soort activiteiten die onder de
                    omgevingsvergunning vallen:</al><al>- volledige integratie van toestemmingen krachtens wetten;</al><al>- volledige integratie van toestemmingen krachtens verordeningen;</al><al>- incidentele integratie van toestemmingen (aanhaken).</al><al>Volledige integratie van toestemmingen krachtens wetten</al><al>Een aantal vóór inwerkingtreding van de Wabo geldende, in afzonderlijke wetten
                    opgenomen</al><al>vergunningstelsels zijn volledig in de Wabo geïntegreerd. In het Model hoogte
                    leges</al><al>omgevingsvergunning heet dit ‘volledige integratie van toestemmingen krachtens
                    wetten’.</al><al>Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo noemt de volgende activiteiten die onder de
                    omgevingsvergunning</al><al>vallen, waarvoor voorheen op grond van een specifieke wet een afzonderlijk
                    toestemmingsstelsel gold:</al><al>Activiteiten Wabo Tarieventabel</al><al>Bouwactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.1</al><al>onder a</al><al>Aanlegactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.2</al><al>onder b</al><al>Gebruik in strijd met planologische voorschriften art. 2.1, eerste lid,
                    2.3.3</al><al>onder c 2.3.4</al><al>Binnenplanse afwijking art. 2.12, eerste 2.3.3.1</al><al>lid, onder a.1 2.3.4.1</al><al>Buitenplanse afwijking in de bij amvb bedoelde art. 2.12, eerste 2.3.3.2</al><al>gevallen (binnenplanse kleine afwijking, ook wel lid, onder a.2 2.3.4.2</al><al>‘kruimelgevallen’ genoemd)</al><al>Afwijking bestemmingsplan of beheersverordening art. 2.12, eerste 2.3.3.3</al><al>(voorheen: projectbesluit en projectafwijkingsbesluit lid, onder a.3
                    2.3.4.3</al><al>of buiten toepassingverklaring beheersverordening)</al><al>Tijdelijke afwijking art. 2.12, tweede 2.3.3.4</al><al>lid 2.3.4.4</al><al>Afwijking exploitatieplan art. 2.12, eerste 2.3.3.5</al><al>lid, onder b 2.3.4.5</al><al>Afwijking provinciale of nationale planologische art. 2.12, eerste 2.3.3.6</al><al>voorschriften lid, onder c 2.3.3.7</al><al>2.3.4.6</al><al>2.3.4.7</al><al>Afwijking voorbereidingsbesluit art. 2.12, eerste 2.3.3.8</al><al>lid, onder d 2.3.4.8</al><al>Brandveilig gebruik art. 2.1, eerste lid, 2.3.5</al><al>onder d</al><al>Activiteiten bij milieu-inrichtingen of mijnbouwwerken art. 2.1, eerste lid,
                    vrijstelling art.</al><al>onder e 4, onder b</al><al>Activiteiten bij monumenten art. 2.1, eerste lid, 2.3.6.1</al><al>onder f</al><al>Sloopactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.7.1</al><al>onder g 2.3.7.2</al><al>Sloopactiviteiten in een beschermd stads- of art. 2.1, eerste lid, 2.3.6.2</al><al>dorpsgezicht onder h</al><al>Activiteiten behorend bij amvb aangewezen categorie art. 2.1, eerste lid,
                    2.3.14.1</al><al>activiteiten onder i</al><al>Volledige integratie van toestemmingen krachtens verordeningen</al><al>In artikel 2.2 van de Wabo is bepaald dat een provinciale of gemeentelijke
                    verordening een</al><al>vergunning- of ontheffingstelsel kan bevatten, dat door wetsduiding als
                    omgevingsvergunning wordt</al><al>aangemerkt (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en slotzinsnede, Wabo). In het Model
                    hoogte leges</al><al>omgevingsvergunning heet dit ‘volledige integratie van toestemmingen krachtens
                    verordeningen’.</al><al>Artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo rekent daartoe in ieder geval:</al><al>Activiteiten Wabo Tarieventabel</al><al>Activiteiten op grond van de Erfgoedverordening art. 2.2, eerste lid,
                    2.3.6.1</al><al>onder b en c 2.3.6.2</al><al>Aanleggen weg op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.8</al><al>onder d</al><al>Uitwegen op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.9</al><al>onder e</al><al>Hebben alarminstallatie op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, in
                    toelichting</al><al>onder f 2.3.9A</al><al>Kappen op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.10</al><al>onder g</al><al>Maken, voeren of toestaan handelsreclame op grond art. 2.2, eerste lid, in
                    toelichting</al><al>van de APV onder h en i 2.3.10A</al><al>Opslag roerende zaken op grond van de APV art. 2.2, eerste lid 2.3.11</al><al>onder j en k</al><al>Maar het kunnen ook provinciale, andere gemeentelijke of
                    waterschapsverordeningen zijn waarin een</al><al>vergunning is geregeld (artikel 2.2, eerste lid, aanhef, en artikel 2.2, tweede
                    lid, Wabo). Zie onderdeel</al><al>2.3.14.2 van de tarieventabel.</al><al>Bij de dereguleringsoperatie die de VNG in 2008 heeft afgerond, is een aantal
                    vergunningen uit de</al><al>model-Algemene plaatselijke verordening (APV) gehaald. Het betreft:</al><al>- de uitwegvergunning</al><al>- de vergunning alarminstallaties</al><al>- de reclamevergunning</al><al>- de opslagvergunning</al><al>Deze hebben wij daarom in beginsel niet meer opgenomen in de tarieventabel. In
                    beginsel, omdat de</al><al>provincie nog wel een vergunning- of ontheffingstelsel kan hebben. Dit kan het
                    geval zijn voor het</al><al>maken, hebben, veranderen van (het gebruik van) een uitweg, of voor de opslag
                    van roerende zaken.</al><al>Vergunningstelsels die wij hebben gedereguleerd en die de provincie ook niet
                    kent, hebben wij niet</al><al>opgenomen. Dit betreft:</al><al>- de vergunning alarminstallaties</al><al>- de reclamevergunning</al><al>De deregulering in Weesp is in 2009 uitgevoerd. De bepalingen en de eventueel
                    door te berekenen leges zijn aangepast aan de nieuwe APV.</al><al>Incidentele integratie (aanhaken)</al><al>Het kan ook dat in wetten, algemene maatregelen van bestuur, provinciale,
                    gemeentelijke of</al><al>waterschapsverordeningen vergunningen of ontheffingen worden aangewezen die,
                    voor zover zij</al><al>samenlopen met een plaatsgebonden project, aan de omgevingsvergunning worden
                    ‘aangehaakt’.</al><al>Aanhaken betekent dat de aanvraag om deze toestemming deel uit kan maken van een
                    aanvraag om</al><al>een omgevingsvergunning en dat de omgevingsvergunning ook betrekking heeft op
                    die toestemming.</al><al>Voor zover deze toestemmingen niet plaatsgebonden zijn, blijft het afzonderlijke
                    vergunning- of</al><al>ontheffingstelsel van kracht. In het Model hoogte leges omgevingsvergunning heet
                    dit aanhaken</al><al>‘incidentele integratie’. Op pag. 6 van dit model staat een aantal wettelijke
                    aanhakers genoemd. Deze</al><al>lijst, die dateert uit 2006 en is ontleend aan het wetsvoorstel Wabo uit 2006,
                    is niet meer actueel. In de</al><al>memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wabo staat hierover:</al><al>‘De volgende toestemmingen zullen aanhaken: de vergunningen ingevolge de Nb-wet
                    1998 (art 16 en</al><al>19d), de ontheffing van de Ff-wet (art. 75, derde lid) en de ontheffing van
                    regels uit de provinciale</al><al>milieuverordening voor zover het de ontheffing voor gesloten stortplaatsen
                    en</al><al>grondwaterbeschermingsgebieden betreft (1.3, eerste lid, Wm). In de memorie van
                    toelichting bij het</al><al>oorspronkelijke wetsvoorstel Wabo is een meer uitgebreide lijst opgenomen met
                    aanhakende</al><al>toestemmingen. Als gevolg van verschillende ontwikkelingen zullen vooralsnog
                    uitsluitend de vier</al><al>hierboven genoemde toestemmingen aanhaken. In Bijlage 3 bij deze memorie wordt
                    hierop ingegaan.’</al><al>(Kamerstukken II 2008/2009, 31953, nr. 3, pag. 9)</al><al>Alleen de vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998)
                    en de</al><al>ontheffing van de Flora- en Faunawet (Ffwet) kunnen legesplichtig zijn als
                    activiteit bij de</al><al>omgevingsvergunning. De andere twee genoemde activiteiten betreffen
                    milieu-inrichtingen waarvoor</al><al>geen legesheffing mogelijk is (artikel 2.9, eerste lid, Wabo).</al><al>Aangehaakte vergunningstelsels Artikel Tarieventabel</al><al>Vergunning Natuurbeschermingswet 1998 art. 16, eerste lid, 2.3.12</al><al>of art. 19d, eerste</al><al>lid, Nb-wet 1998</al><al>Ontheffing Flora- en Faunawet art. 75. derde lid, 2.3.13</al><al>Ffwet</al><al>Vergunningen of ontheffingen op grond van provin- In verordening 2.3.14.2</al><al>ciale, gemeentelijke of waterschapsverordening voor</al><al>plaatsgebonden activiteit</al><al>In het Model hoogte leges omgevingsvergunning zijn voor de tariefstelling voor
                    de verschillende</al><al>activiteiten de volgende keuzes gemaakt, die wij zoveel mogelijk hebben gevolgd
                    (zie de verwijzing</al><al>naar de betreffende tariefbepaling):</al><al>Aspect van de omgevingsvergunning Is bouwen van een bouwwerk onderdeel van de
                    desbetreffende omgevingsvergunning?</al><al>Ja Nee</al><al>Bouwen van een bouwwerk Percentage van de</al><al>bouwkosten, met een</al><al>degressief schijventarief,</al><al>met een minimumtarief</al><al>(2.3.1)</al><al>Afwijken van het bestemmingsplan in Opslag op de leges Vast tarief
                    (2.3.4.3)</al><al>gevallen dat de wet en het bouwen van een</al><al>bestemmingsplan hierin niet voorzien bouwwerk (2.3.3.3)</al><al>Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan Opslag op de leges Vast tarief
                    (2.3.4.4)</al><al>bouwen van een</al><al>bouwwerk (2.3.3.4)</al><al>Afwijken van het bestemmingsplan in Opslag op de leges Vast tarief
                    (2.3.4.1)</al><al>gevallen waarin het bestemmingsplan bouwen van een</al><al>hierin voorziet bouwwerk (2.3.3.1)</al><al/><al>Aspect van de omgevingsvergunning Is bouwen van een bouwwerk onderdeel van de
                    desbetreffende omgevingsvergunning?</al><al>Ja Nee</al><al>Afwijken van het bestemmingsplan in bij Opslag op de leges Vast tarief
                    (2.3.4.2)</al><al>amvb geregelde gevallen bouwen van een</al><al>bouwwerk (2.3.3.2)</al><al>Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk Percentage van de aanlegkosten, met een </al><al>zijnde, of van werkzaamheden, waarvoor degressief schijventarief, met een
                    minimum</al><al>op grond van het bestemmingsplan een (2.3.2; wij hebben geen schijventarief</al><al>vergunning nodig is opgenomen )</al><al>Wijzigen van een rijks-, provinciaal of Opslag op de leges Vast tarief
                    (2.3.6)</al><al>gemeentelijk monument bouwen van een</al><al>bouwwerk (2.3.6; wij</al><al>kiezen voor vast tarief)</al><al>Het in gebruik nemen van gebouwen en Vaste tarieven, waarbij onderscheid wordt
                    objecten gemaakt naar soort gebouw of inrichting</al><al>en naar oppervlakte (2.3.5; wij hebben geen</al><al>tariefdifferentiatie opgenomen, maar de </al><al>gemeente is daar vrij in)</al><al>Slopen van een bouwwerk Vast tarief (2.3.7)</al><al>Aanleggen of veranderen van een weg Vast tarief (2.3.8)</al><al>Maken, hebben of veranderen van een Vast tarief (2.3.9)</al><al>uitweg</al><al>Hebben van een alarminstallatie in, op of Vast tarief (2.3.9A, opgenomen in deze
                    aan een onroerende zaak toelichting)</al><al>Vellen of doen vellen van houtopstand Vast tarief (2.3.10)</al><al>Maken of voeren van handelsreclame op of Geen leges (2.3.10A, Vast tarief
                    (2.3.10A)</al><al>aan een onroerende zaak opgenomen in deze</al><al>toelichting)</al><al>Het opslaan van roerende zaken in een Vast tarief (2.3.11)</al><al>daarbij aangewezen gedeelte van de</al><al>provincie of van een gemeente</al><al>Vervaardigen, in voorraad hebben, te koop Vast tarief (onduidelijk waar dit
                    betrekking </al><al>aanbieden et cetera van toestellen die bij heeft; valt eventueel onder
                    2.3.14)</al><al>amvb zijn bepaald</al><al>Verrichten van handelingen in een Vast tarief (2.3.12.1)</al><al>beschermd natuurgebied die schadelijk</al><al>kunnen zijn voor het natuurschoon, de</al><al>natuurwetenschappelijke betekenis of voor</al><al>de dieren of planten</al><al/><al>Aspect van de omgevingsvergunning Is bouwen van een bouwwerk onderdeel van de
                    desbetreffende omgevingsvergunning?</al><al>Ja Nee</al><al>Het realiseren van projecten of andere Vast tarief (2.3.12.2)</al><al>handelingen met gevolgen voor habitats en</al><al>soorten in een door de minister</al><al>aangewezen gebied</al><al>Het verrichten van handelingen in een Vast tarief (2.3.13)</al><al>beschermde leefomgeving</al><al>Onderdeel 2.3.1 Bouwactiviteiten</al><al>Dit onderdeel gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk
                    (de</al><al>bouwactiviteit; de oude bouwvergunning). Voor het in behandeling nemen van een
                    aanvraag tot het</al><al>verstrekken van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten hebben wij vanaf
                    het belastingjaar 2012 gekozen voor een vast tarief (raadsbesluit van 3 november
                    2011).Voorzien is ook in een</al><al>minimumtarief.</al><al>Een degressief tarief en een maximumtarief zijn niet verplicht. Volgens de Hoge
                    Raad is het hanteren</al><al>van een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten niet onredelijk of
                    willekeurig (Hoge Raad 14</al><al>augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943, vng-3119; Nijkerk). In het betreffende
                    geval hief de gemeente</al><al>leges van 1,4% van de bouwkosten. Naarmate het percentage hoger is, verdienen
                    een degressief en</al><al>maximumtarief echter wel overweging.</al><al>De achterliggende gedachte bij het opnemen van een degressief tarief is dat de
                    te verrichten</al><al>werkzaamheden niet evenredig toenemen met de bouwkosten. Bedacht moet echter
                    worden dat niet</al><al>alleen het kostenveroorzakingsbeginsel, maar ook het profijtbeginsel – uit
                    beleidsmatige overwegingen – een rol kan spelen bij de tariefstelling.</al><al>Om dezelfde redenen kan gekozen worden voor een maximumtarief. Vooral bij grote
                    infrastructurele</al><al>bouwwerken kan de bouwsom zo hoog zijn dat de toepassing van zelfs een
                    degressieve tariefstelling</al><al>ertoe leidt dat het legesbedrag in geen verhouding staat tot de te verrichten
                    werkzaamheden. Wij hebben vooralsnog niet gekozen voor een maximumtarief.</al><al>De categorieën gevallen waarin geen omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten is
                    vereist, zijn</al><al>opgenomen in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (BOR). De in deze bijlage
                    opgesomde</al><al>bouwwerken (en het daarmee samenhangende planologische gebruik) vormen in feite
                    een voortzetting van de categorie bouwvergunningsvrije bouwwerken, die was
                    opgenomen in artikel 43, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Woningwet en
                    het daarop gebaseerde Besluit bouwvergunningsvrije en
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Beoordeling bodemrapport</al><al>Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een
                    archeologisch</al><al>of milieukundig bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept
                    extra kosten op.</al><al>Hiervoor zijn in onderdeel 2.3.16 tariefbepalingen opgenomen.</al><al>Onderdeel 2.3.1.4 Achteraf ingediende aanvraag</al><al>De extra legesheffing voor een achteraf ingediende aanvraag om een
                    omgevingsvergunning is van</al><al>toepassing als er pas een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend
                    nadat er al met de</al><al>bouwactiviteit is begonnen. Als de gemeente aannemelijk kan maken dat er extra
                    kosten – let op: geen kosten van handhaving en controle, maar extra kosten die
                    worden opgeroepen nadat de aanvraag is ingediend – worden gemaakt, zijn extra
                    leges zonder meer toegestaan. Maar die extra kosten zijn volgens ons niet
                    noodzakelijk. De gemeente kan de verhoging van het tarief ook rechtvaardigen
                    vanuit het gevoerde beleid. Dan zijn de extra leges een financiële prikkel om
                    voorafgaand aan het bouwen 'netjes' een omgevingsvergunning voor de
                    bouwactiviteit aan te vragen. Maatvoering is hierbij belangrijk. De extra leges
                    mogen niet zo hoog zijn dat het strafkarakter gaat overheersen. Een verhoging
                    van 10% met een absoluut maximum van (ruim) € 1.000,00 valt naar onze mening
                    binnen de redelijke grenzen.</al><al>Over extra leges in verband met een achteraf ingediende aanvraag is een aantal,
                    andersluidende, rechterlijke uitspraken verschenen.</al><al>- Rb. Almelo 10 juni 2009, nr. 09/45, LJN: BI8290, vng-3057: Objectieve
                    vaststelling bouwkosten en geen verhoogd tarief bij vergunningaanvraag nadat al
                    met de bouw is gestart</al><al>- Rb. Zwolle-Lelystad 20 mei 2009, nr. 07/2042, LJN: BI4905, vng-3042: Verhoging
                    aanslag wegens illegale bouw past niet in karakter belastingheffing (Ommen)</al><al>- Hof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2008, nr. 07/00312, LJN: BF1770, vng-2784:
                    Geen verhoging voor legalisatie bouwwerk</al><al>- Rb. 's-Gravenhage 26 juli 2007, nr. 06/1383, LJN: BB9896, vng-2553: Verhoging
                    bouwleges met 100%, omdat al zonder bouwvergunning met de bouw is begonnen,
                    wordt als boete aangemerkt</al><al>Deze uitspraken betreffen volgens ons specifieke situaties, waarbij is afgeweken
                    van onze</al><al>modelbepaling of van onze, hiervoor omschreven bedoeling met de bepaling of
                    waarbij de gemeente</al><al>onder andere kosten van handhaving en controle beoogd te dekken, dan wel kosten
                    die zijn gemaakt</al><al>vóór de vergunningaanvraag.</al><al>Onderdeel 2.3.1.5 Beoordeling aanvullende gegevens</al><al>Het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 kent een afzonderlijke
                    tariefstelling voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens als gevolg
                    van een onvolledige aanvraag. Achterliggende gedachte is dat de beoordeling van
                    deze aanvullende gegevens extra kosten met zich brengt. Wij vinden dat
                    afzonderlijke legesheffing hiervoor niet mogelijk is, omdat er geen sprake is
                    van een nieuwe aanvraag en bovendien een onvolledige aanvraag moet worden
                    aangevuld, waarna een normale beoordeling kan plaatsvinden. Blijft de aanvraag
                    onvolledig dan kan deze buiten behandeling worden gesteld (artikel 4:5 Algemene
                    wet bestuursrecht).</al><al>Onderdeel 2.3.2 Aanlegactiviteiten</al><al>In onderdeel 2.3.2 zijn de leges met betrekking tot de omgevingsvergunning voor
                    aanlegactiviteiten</al><al>ondergebracht (artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo). De
                    omgevingsvergunning voor</al><al>aanlegactiviteiten is nader geregeld in artikel 3.3, aanhef en onder a, of
                    artikel 3.38, derde lid, aanhef</al><al>en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan of de
                    beheersverordening kan erin</al><al>voorzien dat met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde werken (geen
                    bouwwerken zijnde) of</al><al>werkzaamheden, vooraf een omgevingsvergunning nodig is.</al><al>Conform het Model hoogte leges omgevingsvergunning hebben wij gekozen voor een
                    tariefstelling</al><al>naar een percentage van de aanlegkosten. Als alternatief hebben wij een vast
                    bedrag opgenomen.</al><al>De gemeentelijke kosten die gepaard gaan met de vergunningaanvraag nemen toe
                    naarmate de</al><al>omvang van het werk (uitgedrukt in kosten) groter is. Dat rechtvaardigt een
                    percentagetarief. De</al><al>aanlegkosten zijn gedefinieerd in onderdeel 2.1.1.1. Doorgaans zijn de
                    aanlegkosten de</al><al>aannemingssom waarvoor het werk of de werkzaamheden worden verricht, exclusief
                    omzetbelasting.</al><al>Als het werk of de werkzaamheden door zelfwerkzaamheid plaatsvinden, geldt een
                    geobjectiveerde</al><al>aannemingssom als heffingsgrondslag. Omdat de aanlegkosten in de praktijk vaak
                    lastig te bepalen</al><al>zijn, kan de gemeente ook kiezen voor een vast tarief.</al><al>Beoordeling bodemrapport</al><al>Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit
                    een archeologisch</al><al>bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op.
                    Hiervoor is in</al><al>onderdeel 2.3.16 een tariefbepaling opgenomen.</al><al>Onderdelen 2.3.3 en 2.3.4 (artikel 2.12 Wabo) Planologische strijdig
                    gebruik</al><al>Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo benoemt het planologisch strijdig
                    gebruik van gronden of</al><al>bouwwerken als activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In de
                    gevallen genoemd in</al><al>artikel 2.12 van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend. Dit artikel
                    maakt</al><al>onderscheid tussen:</al><al>- strijd met bestemmingsplan of beheersverordening (eerste lid, onder a)</al><al>- binnenplanse afwijking (sub 1)</al><al>- buitenplanse kleine afwijking (‘kruimelgevallen-amvb) (sub 2)</al><al>- buitenplanse afwijking (voorheen projectbesluit of projectafwijkingsbesluit (=
                    buiten</al><al>toepassingverklaring beheersverordening) (sub 3)</al><al>- strijd met exploitatieplan (eerste lid, onder b) binnenplanse afwijking van
                    exploitatieplan</al><al>- strijd met provinciale of nationale regels (regels staan afwijking toe)
                    (eerste lid, onder c)</al><al>- strijd met voorbereidingsbesluit (voorbereidingsbesluit staat afwijking toe)
                    (eerste lid, onder d)</al><al>- tijdelijke afwijking van bestemmingsplan of beheersverordening (tweede
                    lid)</al><al>Deze afwijkingen zijn alle gekoppeld aan de activiteit ‘planologisch strijdig
                    gebruik’. Wij hebben</al><al>hiervoor tariefbepalingen opgenomen in de onderdelen 2.3.3 en 2.3.4.</al><al>Onderdeel 2.3.3 ziet op het planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake
                    is van een</al><al>bouwactiviteit. Onderdeel 2.3.4 op de overige gevallen, waaronder
                    aanlegactiviteiten. Het Model</al><al>hoogte leges omgevingsvergunning maakt dit onderscheid ook.</al><al>Voor een overzicht van de tariefstellingen verwijzen wij naar de tabel die wij
                    vóór de toelichting op</al><al>onderdeel 2.3.1 (Bouwactiviteiten) hebben opgenomen. Als ook sprake is van
                    bouwactiviteit(en) kiest</al><al>het Model hoogte leges omgevingsvergunning voor een opslag op de leges voor de
                    aanvraag om een</al><al>omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit(en). In andere gevallen voor een vast
                    tarief.</al><al>Reden hiervoor is dat in de meeste gevallen een verzoek om af te wijken van het
                    bestemmingsplan</al><al>vergezeld zal gaan van een bouwplan. De legesheffing heeft in dat geval
                    betrekking op de activiteiten</al><al>die niet bij de beoordeling van het bouwplan zijn verricht. Te denken valt
                    hierbij aan het nemen van</al><al>een besluit om van het bestemmingsplan af te wijken en het opstellen van een
                    goede ruimtelijke</al><al>onderbouwing. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de
                    aanvraag voor een</al><al>omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die in strijd zijn met planologische
                    voorschriften, mede</al><al>aangemerkt als aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het planologisch
                    strijdig gebruik.</al><al>De VNG heeft bij de planologische afwijkingen bij bouwactiviteiten de
                    tariefstelling geformuleerd als een percentage van de op grond van onderdeel
                    2.3.1.1 verschuldigde leges. Het Model hoogte leges</al><al>omgevingsvergunning gaat bij de bouwactiviteiten ook uit van een verhoging als
                    opslag op de leges,</al><al>maar formuleert dit vervolgens als een verhoogd percentage op de bouwkosten. De
                    VNG heeft gekozen voor een tariefstelling als opslag op de leges voor de
                    bouwactiviteit en niet als verhoogd percentage van de bouwkosten, omdat anders
                    ook steeds een maximum aan de bepaling toegevoegd moet worden. Door een opslag
                    op de verschuldigde leges voor de bouwactiviteit te nemen die door de VNG is
                    voorzien van een maximum, zit er bij de afwijking van het bestemmingsplan
                    automatisch een</al><al>maximum in. Weesp heeft in afwijking van de VNG gekozen voor een vast bedrag,
                    omdat de werkzaamheden onafhankelijk van de bouwsom nagenoeg gelijk zijn. </al><al>Dit is ook het geval bij andere dan bouwactiviteiten.</al><al>In bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (BOR) is de categorie van gevallen
                    aangewezen waarmee</al><al>op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, van de Wabo,
                    omgevingsvergunning kan</al><al>worden verleend. Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde
                    ‘kruimellijst’ van gevallen van</al><al>beperkte planologische betekenis welke was opgenomen in artikel 4.1.1 van het
                    Besluit ruimtelijke</al><al>ordening (buitenplanse kleine afwijking; onderdelen 2.3.3.2 en 2.3.4.2 van de
                    tarieventabel).</al><al>Wij merken bij de planologische afwijkingen nog op dat het Model hoogte leges
                    omgevingsvergunning</al><al>uit 2006 niet de afwijkingen van exploitatieplan, provinciale of nationale
                    regelgeving of</al><al>voorbereidingsbesluit noemt. Reden zal zijn dat deze pas later in de wetgeving
                    zijn vastgelegd.</al><al>Beoordeling bodemrapport</al><al>Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het planologisch
                    strijdig gebruik van</al><al>gronden of bouwwerken een archeologisch bodemrapport worden overgelegd. De
                    beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een
                    tariefbepaling opgenomen.</al><al>Onderdeel 2.3.5 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot
                    brandveiligheid</al><al>Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo is voor het
                    brandveilig gebruik van</al><al>bouwwerken een omgevingsvergunning nodig. Artikel 2.2 van het Besluit
                    omgevingsrecht (BOR)</al><al>bepaalt welk gebruik van een bouwwerk vergunningplichtig is:</al><al>a het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in
                    het kader van</al><al>verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel
                    het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de
                    Woningwet, bepaalde aantal personen;</al><al>b het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal
                    worden verschaft</al><al>aan:</al><al>1°. meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of</al><al>2°. meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen.</al><al>Onder een bouwwerk wordt mede verstaan delen van een bouwwerk die zijn ontworpen
                    of aangepast</al><al>om afzonderlijk te worden gebruikt.</al><al>Een omgevingsvergunning brandveilig gebruik is alleen nog nodig voor de meest
                    risicovolle vormen</al><al>van gebruik, bijvoorbeeld:</al><al>- kinderdagverblijven met meer dan tien kinderen</al><al>- basisscholen</al><al>- hotels</al><al>- tehuizen met meer dan tien bedden</al><al>De omgevingsvergunningen brandveilig gebruik hebben uitsluitend betrekking op
                    bouwwerken in de</al><al>zin van de Woningwet (Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, pag. 92, Wabo).
                    Hieronder vallen bij</al><al>voorbeeld niet hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants.</al><al>Gemeenten kunnen in een brandbeveiligingsverordening regelen dat het gebruik van
                    dergelijke</al><al>inrichtingen uitsluitend is toegestaan indien daarvoor een vergunning is
                    verleend. De tariefbepaling die</al><al>daarbij hoort hebben wij in hoofdstuk 6 van titel 3 opgenomen. Naar verwachting
                    treedt in de loop van 2013 een amvb in werking over het brandveilig gebruik van
                    ‘niet-bouwwerken’ die de regeling in de brandbeveiligingsverordening
                    vervangt.</al><al>Zowel bij onderdeel 2.3.5 als bij onderdeel 3.6 is het mogelijk om naast een
                    vast tarief een opslag per</al><al>m² te rekenen. Het Model hoogte leges omgevingsvergunning noemt daarnaast als
                    mogelijkheid een</al><al>tariefonderscheid naar soort gebouw of inrichting. Met een tariefdifferentiatie
                    kan bereikt worden dat</al><al>het tarief meer afgestemd is op de hoeveelheid werk die verricht moet worden om
                    de gevraagde</al><al>vergunning te verlenen.</al><al>Onderdeel 2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stads-
                    of dorpsgezichten</al><al>In onderdeel 2.3.6 hebben wij de vergunningplichtige activiteiten geclusterd met
                    betrekking tot</al><al>monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten.</al><al>Onderdeel 2.3.6.1 ziet op monumenten. Het daarin genoemde artikel 2.1, eerste
                    lid, onderdeel f, van</al><al>de Wabo heeft betrekking op rijksmonumenten en artikel 2.2, eerste lid,
                    onderdeel b, van de Wabo ziet op provinciale of gemeentelijke monumenten.</al><al>De activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, zijn:</al><al>a het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen een beschermd
                    monument,</al><al>onderscheidenlijk provinciaal of gemeentelijk monument;</al><al>b het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument,
                    onderscheidenlijk</al><al>provinciaal of gemeentelijk monument op een wijze, waardoor het wordt ontsierd
                    of in gevaar</al><al>gebracht.</al><al>In de praktijk lopen deze activiteiten vaak samen met bouwactiviteiten, waarvoor
                    eveneens een</al><al>omgevingsvergunning nodig is. De legesheffing voor de inhoudelijke beoordeling
                    van het bouwplan zit</al><al>gedeeltelijk verdisconteerd in de hogere bouwsom (dan vergelijkbare
                    niet-monumenten) via de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
                    Door het vele meerwerk bij monumenten, ook als gevolg van het in onze gemeente
                    gevoerde monumentenbeleid is het echter gerechtvaardigd om een opslag op de
                    bouwleges zoals bedoeld in 2.3.1. te heffen. De opslag (2.3.6.1.1) heeft in dit
                    geval dus vooral betrekking op de procedurele kosten.</al><al>Voor archeologische monumenten geldt de Wabo (nog) niet. Daarvoor blijft het
                    vergunningstelsel gebaseerd op artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet
                    1988. De minister van Onderwijs en Wetenschappen is voor de vergunningverlening
                    het bevoegd gezag.</al><al>Onderdeel 2.3.6.2 heeft betrekking op beschermde stads- of dorpsgezichten. Voor
                    het slopen van</al><al>bouwwerken binnen deze stads- of dorpsgezichten is een omgevingsvergunning
                    vereist. Artikel 2.1,</al><al>eerste lid, onderdeel h, van de Wabo regelt de door het rijk aangewezen
                    beschermde stads- of</al><al>dorpsgezichten, artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo de in
                    provinciale of gemeentelijke</al><al>verordening aangewezen stads- of dorpsgezichten. Ook hier hebben wij gekozen
                    voor een vast tarief.</al><al>Als externe advisering nodig is, bijvoorbeeld van een gemeentelijke
                    monumentencommissie of</al><al>gedeputeerde staten, kunnen de kosten daarvan via onderdeel 2.3.17 worden
                    doorberekend.</al><al>Beoordeling bodemrapport</al><al>Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen in een
                    beschermd stads- of</al><al>dorpsgezicht een archeologisch bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling
                    daarvan roept</al><al>extra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een tariefbepaling
                    opgenomen.</al><al>Onderdeel 2.3.7 Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of beschermde stads-
                    of dorpsgezichten</al><al>In onderdeel 2.3.7 zijn tarieven opgenomen voor sloopactiviteiten die geen
                    betrekking hebben op een monument of niet worden verricht in een beschermd
                    stads- of dorpsgezicht. Die laatste zijn geregeld in onderdeel 2.3.6. Onderdeel
                    2.3.7 betreft een omgevingsvergunning voor sloopactiviteiten bedoeld in artikel
                    2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo.</al><al>Deze omgevingsvergunning is nodig op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b,
                    en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening. Deze betreft een
                    louter planologische maatregel. De gemeente kan in het bestemmingsplan of in de
                    beheersverordening bepalen dat een omgevingsvergunning om bouwwerken te slopen
                    alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing
                    te voorkomen.</al><al>Het Model hoogte leges omgevingsvergunning kiest voor een tariefstelling
                    (eventueel tariefklassen) afhankelijk van de sloopkosten, met een minimumtarief.
                    Wij hebben gekozen voor een vast tarief omdat de toets bij deze
                    omgevingsvergunning relatief eenvoudig is.</al><al>Gemeenten waar de kosten van de te verrichten sloopwerkzaamheden wel van belang
                    zijn voor het vaststellen van de leges, kunnen hierover een vraag opnemen in dat
                    deel van het OLO (omgevingsloket online) dat kan worden gevuld met eigen
                    gemeentelijke vragen.</al><al>Onderdeel 2.3.7.2</al><al>Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 8.1.1 van de
                    bouwverordening</al><al>betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk waarin asbest of asbesthoudend
                    materiaal aanwezig is, moet aan meer (veiligheids)voorschriften worden voldaan.
                    Dit betekent een zwaardere toetsing van de aanvraag en hogere kosten voor de
                    gemeente. Door een afzonderlijke tariefstelling hiervoor worden de kosten gelegd
                    daar, waar ze worden opgeroepen. Onderdeel 2.3.7.2 voorziet hierin.</al><al>Beoordeling bodemrapport</al><al>Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen op grond
                    van artikel 8.1.1</al><al>van de bouwverordening een milieukundig bodemrapport worden overgelegd. De
                    beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een
                    tariefbepaling opgenomen.</al><al>Sloopmelding</al><al>De sloopmelding bedoeld in artikel 8.2.1 van de model-bouwverordening maakt geen
                    onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Omdat de sloopmelding daarmee wel
                    sterk verband houdt, hebben wij deze als hoofdstuk 9 in titel 2 opgenomen.</al><al>Onderdeel 2.3.8 en 2.3.10 Aanleggen of veranderen weg; kappen </al><al>Voor een toelichting op deze APV-toestemmingen die integreren in de
                    omgevingsvergunning,</al><al>verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt bij Volledige integratie
                    toestemmingen krachtens</al><al>verordeningen. De Algemene plaatselijke verordening kent ook de
                    uitwegvergunning.</al><al>niet meer. Omdat een provincie die vergunningstelsels wel kan hebben, hebben wij
                    de verwijzing naar</al><al>de gemeentelijke verordening in de betreffende tariefbepalingen gemarkeerd.
                    Conform het Model hoogte leges omgevingsvergunning hebben wij gekozen voor vaste
                    bedragen.</al><al>Onderdeel 2.3.12 Projecten of handelingen in het kader van de
                    Natuurbeschermingswet 1998</al><al>Het betreft hier een zogenaamde wettelijke aanhaker. De toestemmingen haken aan
                    bij de</al><al>omgevingsvergunning als er sprake is van een samenloop met andere activiteiten
                    waarvoor een</al><al>omgevingsvergunning is vereist. Het college van burgemeester en wethouders zal
                    dan meestal het</al><al>bevoegde gezag zijn. Het oorspronkelijk bevoegde gezag (gedeputeerde staten of
                    de minister van</al><al>Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)) wordt via een verklaring van geen
                    bedenkingen</al><al>betrokken bij de beslissing op de aanvraag (vergelijk onderdeel 2.3.17).
                    Gedeputeerde staten of de</al><al>minister van LNV blijft het bevoegde gezag als er geen samenloop is met een
                    activiteit waarvoor een</al><al>omgevingsvergunning nodig is. De gemeente heeft dan geen bemoeienis met de
                    aanvraag.</al><al>Het Model hoogte leges omgevingsvergunning vermeldt dat de meeste provincies
                    voor de</al><al>toestemmingen (nog) geen leges heft. Het Interprovinciaal overleg heeft in zijn
                    modelverordening leges hiervoor nihiltarieven opgenomen. In de toelichting
                    staat: ‘Aangezien de kosten ter zake van</al><al>vergunningen en ontheffingen van verboden uit de Natuurbeschermingswet en de
                    Flora- en Faunawet</al><al>(grotendeels) door het Rijk zijn gecompenseerd, ligt het in zoverre niet voor de
                    hand om ter zake leges</al><al>te heffen.’ Het verdient daarom aanbeveling de tariefstelling af te stemmen met
                    de provincie of het</al><al>ministerie van LNV.</al><al>Onderdeel 2.3.13 Handelingen in het kader van de Flora- en Faunawet</al><al>Zie voor een toelichting onderdeel 2.3.12.</al><al>Onderdeel 2.3.14 Andere activiteiten</al><al>Dit onderdeel vormt een restbepaling voor bij amvb of provinciale, gemeentelijke
                    of</al><al>waterschapsverordening aangewezen categorieën activiteiten, als bedoeld in
                    artikel 2.1, eerste lid,</al><al>onder i, of artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo. Uit de wettekst en de
                    toelichting daarop volgt dat dit</al><al>niet alleen ‘aanhakers’ kunnen zijn, maar ook gevallen waarin sprake is van
                    volledige integratie in de</al><al>omgevingsvergunning. Voor de amvb-categorie gevallen hebben wij gekozen voor een
                    vast bedrag.</al><al>Voor de bij gemeentelijke verordening aangewezen categorie gevallen verklaren
                    wij het tarief voor de</al><al>vergunning of ontheffing voor zover de activiteit niet plaatsgebonden zou zijn
                    van toepassing. Hierbij</al><al>gaan wij ervan uit dat sprake is van ‘aanhaken’. Het tarief moet dan wel elders
                    in de tabel zijn</al><al>opgenomen. Dit zou bijvoorbeeld de splitsingsvergunning woonruimte kunnen zijn,
                    waarvan het tarief is geregeld in onderdeel 3.4. Voor gevallen waarin bij
                    gemeentelijke verordening is bepaald dat het</al><al>vergunningstelsel volledig wordt geïntegreerd in de omgevingsvergunning, hebben
                    wij een slotzin aan</al><al>de tariefbepaling toegevoegd, waarbij een vast bedrag als tariefstelling is
                    opgenomen. Desgewenst</al><al>kan bij volledige integratie ook een apart hoofdstuk in titel 2 worden
                    opgenomen, conform de</al><al>onderdelen 2.3.8 en 2.3.10. Voor de bij provinciale of waterschapsverordening
                    aangewezen</al><al>categorie gevallen hebben wij de begrotingsconstructie opgenomen, omdat de
                    kosten moeilijk van te</al><al>voren zijn in te schatten. Desgewenst kunt u vaste bedragen opnemen.</al><al>Onderdeel 2.3.15 Omgevingsvergunning in twee fasen</al><al>Met elkaar samenhangende activiteiten dienen gelijktijdig in één aanvraag te
                    worden aangevraagd,</al><al>anders is sprake van een onvolledige aanvraag. De aanvrager dient hier primair
                    voor te zorgen. Hij kan wel ervoor kiezen om de omgevingsvergunning in zo’n
                    geval in twee fasen te laten verlenen (artikel 2.5 Wabo). De aanvrager kan dan
                    bepalen welke activiteiten dan in de eerste fase, dan wel in de tweede fase
                    worden beoordeeld. Voor de combinatie van ‘bouwactiviteiten’ (artikel 2.1,
                    eerste lid, onderdeel a, van de Wabo) en ‘planologisch strijdig gebruik’
                    (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo) geldt een bijzondere
                    regeling. Een aanvraag die slechts ziet op de bouwactiviteit wordt van
                    rechtswege tevens een aanvraag om vergunning voor de activiteit ‘planologisch
                    strijdig gebruik’ (artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo). Die twee activiteiten
                    kunnen dus niet worden gesplitst.</al><al>Zowel op de aanvraag eerste fase als op de aanvraag tweede fase wordt beslist
                    bij beschikking. Beide</al><al>positieve beschikkingen vormen samen de omgevingsvergunning. In onderdeel 2.3.15
                    verwijzen wij</al><al>voor de tarieven naar de leges voor de verschillende activiteiten.</al><al>Onderdeel 2.3.16 Beoordeling bodemrapport</al><al>Onderdeel 2.3.16 voorziet in extra legesheffing voor de beoordeling van een
                    milieukundig of</al><al>archeologisch bodemrapport, omdat een dergelijke beoordeling extra kosten met
                    zich brengt.</al><al>Het beoordelen van dergelijke rapporten kan zich, voor zover wij kunnen
                    overzien, voordoen bij</al><al>bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, planologisch strijdig gebruik of
                    sloopactiviteiten in een beschermd</al><al>stads- of dorpsgezicht. Wij hebben de tariefbepaling daarom in een apart
                    onderdeel opgenomen, dat</al><al>geldt voor alle voorgaande onderdelen. Daarmee wordt tevens bereikt dat geen
                    dubbele heffing</al><al>optreedt bij een combinatie van activiteiten.</al><al>Bij een aanvraag die ziet op bouwactiviteiten kan sprake zijn van beoordeling
                    van zowel een</al><al>milieukundig als archeologisch bodemrapport (zie artikel 2.4 van de ministeriële
                    Regeling</al><al>omgevingsrecht (MOR) in samenhang met artikel 8, tweede tot en met vierde lid,
                    van de Woningwet en artikel 2.3, onder i, MOR). Op grond van artikel 8, derde
                    lid, van de Woningwet is een archeologisch bodemrapport bij bouwactiviteiten
                    uitsluitend nodig met betrekking tot bouwwerken:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven,</al><al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering
                    van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het
                    bouwen waarvan op grond van het Besluit omgevingsrecht (BOR) geen
                    omgevingsvergunning is vereist, en</al><al>c 1. die de grond raken, of</al><al>2. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                    gehandhaafd.</al><al>Als een bodemonderzoeksrapport is vereist, moet dat rapport zijn gebaseerd op
                    onderzoek dat is</al><al>uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van
                    het Besluit</al><al>bodemkwaliteit.</al><al>Bij een aanvraag die ziet op aanlegactiviteiten kan sprake zijn van beoordeling
                    van een archeologisch</al><al>bodemrapport (zie artikel 3.1, tweede lid, MOR).</al><al>Bij een aanvraag die ziet op planologisch strijdig gebruik kan sprake zijn van
                    beoordeling van een</al><al>archeologisch bodemrapport (zie artikel 3.2, onder c, MOR).</al><al>Bij een aanvraag die ziet op een sloopactiviteit in een beschermd stads- of
                    dorpsgezicht kan sprake</al><al>zijn van beoordeling van een archeologisch bodemrapport (zie artikel 6.2, tweede
                    lid, MOR; artikel 14,</al><al>tweede lid, onder e, van de model-Erfgoedverordening).</al><al>Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 8.1.1 van de
                    bouwverordening</al><al>betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk en op grond van het historisch
                    gebruik te</al><al>verwachten valt dat een te slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is
                    verontreinigd met</al><al>gevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                    vermoedelijke</al><al>verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de
                    aanvraag om de</al><al>omgevingsvergunning worden gevoegd.</al><al>Het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 gaat uit van vaste
                    bedragen. Waar nodig</al><al>kan het vaste tarief worden gedifferentieerd, al naar gelang de omvang van de
                    beoordeling die moet</al><al>plaatsvinden.</al><al>Onderdeel 2.3.17 Advies (artikel 2.26 Wabo)</al><al>In een aantal gevallen zal het voor het behandelen van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning</al><al>bevoegde bestuursorgaan advies aan een ander bestuursorgaan of andere instantie
                    moeten vragen</al><al>voordat de vergunning kan worden verleend (artikel 2.26 Wabo). Dit is uitgewerkt
                    in artikel 6.1 van het</al><al>Besluit omgevingsrecht (BOR). In de toelichting daarop staat over de advisering
                    onder meer:</al><al>‘Wat betreft de aanwijzing van adviseurs brengt de Wabo geen wijziging in het
                    systeem van</al><al>aanwijzingen van verplichte adviseurs. Het adviseurschap draait strikt genomen
                    niet om een</al><al>bepaald belang bij het besluit, maar is bedoeld om het bevoegd gezag in de
                    besluitvorming</al><al>gebruik te laten maken van informatie van een ander bestuursorgaan dat ter zake
                    van een</al><al>aangevraagde activiteit relevante deskundigheid bezit. De adviseurs die bij een
                    aanvraag van een</al><al>omgevingsvergunning verplicht moeten worden geconsulteerd, zijn aangewezen in de
                    artikelen</al><al>6.1 tot en met 6.4 van het besluit. Zo zijn in artikel 6.1, eerste lid,
                    burgemeester en wethouders</al><al>aangewezen als adviseur in die gevallen dat gedeputeerde staten (of de minister)
                    de</al><al>omgevingsvergunning zullen verlenen. Verder is de aanwijzing van bestuursorganen
                    als adviseur</al><al>afhankelijk van de aspecten en benodigde deskundigheden, die bij een aanvraag om
                    een</al><al>omgevingsvergunning een rol spelen.</al><al>Het uitbrengen van een advies laat onverlet dat het bevoegd gezag integraal
                    verantwoordelijk</al><al>blijft voor het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Het bevoegd
                    gezag zal derhalve</al><al>over een zodanige deskundigheid moeten beschikken dat zij de uitgebrachte
                    adviezen kan</al><al>beoordelen en kan integreren met de overige bouwstenen van de
                    omgevingsvergunning. Deze</al><al>verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag geldt ook voor de adviezen, bedoeld
                    in artikel 2.26,</al><al>vierde lid, van de wet.’</al><al>Omdat het advies aan een externe moet worden gevraagd, hebben wij een
                    begrotingsconstructie in</al><al>onderdeel 2.3.17 opgenomen. U kunt ook afspraken maken met bijvoorbeeld de
                    provincie over</al><al>kostendoorberekening en een (gemiddeld) vast bedrag in de tarieventabel
                    opnemen.</al><al>Onderdeel 2.3.18 Verklaring van geen bedenkingen (artikel 2.27 Wabo)</al><al>De toelichting op het Besluit omgevingsrecht (BOR)vermeldt: ‘In paragraaf 6.2 is
                    de verklaring van</al><al>geen bedenkingen (vvgb) in een beperkt aantal gevallen verder uitgewerkt. Deze
                    uitwerking is</al><al>gebaseerd op artikel 2.27 van de wet. Het gaat ten eerste om de gevallen waarin
                    de vergunning voor</al><al>in hoofdzaak een mijnbouwwerk tevens betrekking heeft op het ondergronds opslaan
                    van afvalstoffen</al><al>die van buiten het mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke
                    afvalstoffen. In de tweede gaat het om gevallen waarin de vergunning betrekking
                    heeft op een inrichting waarin niet in hoofdzaak</al><al>activiteiten met betrekking tot een mijnbouwwerk plaatsvinden.</al><al>Vervolgens wordt de vvgb toegepast in een tweetal gevallen in de ruimtelijke
                    ordening. In de eerste</al><al>plaats betreft dit gevallen waarin van een bestemmingsplan of beheersverordening
                    wordt afgeweken</al><al>(de voormalige projectbesluiten uit de Wro). De omgevingsvergunning voor deze
                    afwijking kan alleen</al><al>worden verleend als de gemeenteraad hierover een verklaring van geen bedenkingen
                    heeft</al><al>afgegeven. In de tweede plaats betreft dit gevallen in relatie tot ontheffingen
                    van een provinciale</al><al>verordening of van een amvb als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wro. Naast deze
                    gevallen is via de</al><al>Invoeringswet een vvgb-constructie opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en
                    de Flora- en</al><al>faunawet. Het gaat hierbij om vergunningverlening die thans op provinciaal of
                    nationaal niveau</al><al>plaatsvindt. Voor die gevallen dat sprake is van samenloop met een
                    omgevingsvergunningplichtige</al><al>activiteit waarvoor een ander orgaan bevoegd gezag is, zal de toetsing aan de
                    belangen in die wetten</al><al>plaatsvinden in de vorm van een vvgb.’</al><al>Hoofdstuk 4 Vermindering</al><al>Wij hebben twee omstandigheden benoemd waarin aanspraak bestaat op vermindering
                    van leges.</al><al>Onderdeel 2.4.1 bepaalt dat de voor de aanvraag om een omgevingsvergunning
                    verschuldigde leges</al><al>worden verminderd met het bedrag dat al voor vooroverleg of het beoordelen van
                    een</al><al>conceptaanvraag voor hetzelfde project is betaald.</al><al>Onderdeel 2.4.2 bevat een vermindering als sprake is van een gecombineerde
                    aanvraag. Een</al><al>gecombineerde aanvraag betreft verschillende activiteiten waarvoor een
                    omgevingsvergunning nodig</al><al>is. Naarmate de aanvraag meer vergunningplichtige activiteiten omvat, zal er
                    sprake zijn van relatief</al><al>minder administratief werk voor de beoordelende instantie(s). Omdat hierdoor
                    kostenvermindering</al><al>optreedt en om te stimuleren dat aanvragen om een omgevingsvergunning betrekking
                    hebben op zo</al><al>veel mogelijk activiteiten (bijvoorbeeld kappen, slopen, bouwen) die deel
                    uitmaken van een project,</al><al>hebben wij in dergelijke gevallen een vermindering op het legesbedrag opgenomen.
                    We onderkennen</al><al>drie klassen: 5 tot 10, 10 tot 15 en 15 of meer activiteiten. Het percentage van
                    de vermindering loopt</al><al>met de hoeveelheid activiteiten iets op. De gemeente kan de percentages invullen
                    en/of kiezen voor</al><al>meer ‘verminderingsklassen’.</al><al>Hoofdstuk 5 Teruggaaf</al><al>Onderdeel 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning
                    voor bouw-,</al><al>aanleg- of sloopactiviteiten</al><al>Onderdeel 2.5.1 ziet op de situatie dat de aanvraag wordt ingetrokken binnen een
                    bepaald tijdsbestek</al><al>na het in behandeling nemen van de aanvraag maar voor het verlenen van de
                    vergunning.</al><al>Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen
                    (of niet alle berekende</al><al>leges hoeft af te rekenen), maar dat de gemeente al wel kosten heeft gemaakt bij
                    het in behandeling</al><al>nemen van de aanvraag. Wij hebben de teruggaaf niet beperkt tot de leges voor
                    bouwactiviteiten, maar ook de leges voor aanleg- en sloopactiviteiten eronder
                    gebracht.</al><al>Niet alleen vanwege de inmiddels wettelijke ingekorte afhandelingtermijn van een
                    vergunningsaanvraag (acht weken), maar ook gezien het feit dat wij als
                    plantoetsers niet altijd brood in een aanvraag zien en deze dan geweigerd moet
                    worden, is geen onderscheid gemaakt in de tijd waarbinnen een aanvraag wordt
                    ingetrokken. De teruggave is in alle gevallen op 75% gesteld. Door dit relatief
                    hoge percentage is het veelal aantrekkelijker om de aanvraag in te trekken.
                    Hierdoor ontlopen wij het opmaken van een weigeringsbesluit, hetgeen veel tijd
                    en inspanning bespaart.</al><al>Onderdeel 2.5.2 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende
                    omgevingsvergunning voor bouw-,</al><al>aanleg- of sloopactiviteiten</al><al>In onderdeel 2.5.2 gaat het om de situatie dat de gevraagde vergunning is
                    verleend maar de bouw-,</al><al>sloop- of aanlegactiviteiten niet worden uitgevoerd. De werkzaamheden ter
                    beoordeling van de</al><al>vergunningaanvraag zijn wel verricht, maar de werkzaamheden verbonden aan het
                    houden van</al><al>toezicht hoeven niet verricht te worden, terwijl bij het vaststellen van het
                    tarief wel met de kosten</al><al>daarvan rekening is gehouden. Daarom kan worden besloten een deel van de geheven
                    leges terug te</al><al>betalen. Het is wel van belang dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat anders
                    teruggaaf</al><al>plaatsvindt terwijl de aanvrager vervolgens alsnog met de bouw of werkzaamheden
                    zou kunnen</al><al>aanvangen. In onderdeel 2.5.2 moet bepaald worden binnen welke termijn na
                    verlening van de</al><al>vergunning nog recht bestaat op teruggaaf. In de model-bouwverordening wordt bij
                    de bouwactiviteiten een termijn van zes maanden gehanteerd.</al><al>Het stellen van een maximumtermijn is als alternatief genoemd in het Model
                    transparantie</al><al>bouwgerelateerde leges uit 2004. Gelet op bovenstaande bedoeling achter de
                    teruggaaf, hebben wij</al><al>de voorwaarde gehandhaafd dat de vergunning nog niet mag zijn gebruikt. Ook
                    hebben wij de leges</al><al>voor sloop- en aanlegactiviteiten onder de teruggaafregeling gebracht.</al><al>Onderdeel 2.5.3 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een
                    omgevingsvergunning voor bouw-,</al><al>aanleg- of sloopactiviteiten</al><al>De situatie van onderdeel 2.5.3 doet zich voor indien de aanvraag niet leidt tot
                    het verlenen van de</al><al>vergunning. Ook hier zullen de controlewerkzaamheden niet worden verricht, wat
                    een lager tarief</al><al>rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan
                    terugkrijgen. Wij</al><al>hebben de sloop- en aanlegactiviteiten ook onder de regeling gebracht.</al><al>Met een weigering hebben wij gelijkgesteld het geval dat de vergunning door de
                    rechter wordt</al><al>vernietigd.</al><al>Onderdeel 2.5.4 Minimumbedrag teruggaaf</al><al>Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij bepaald dat de teruggaaf een bepaald
                    bedrag te boven</al><al>moet gaan.</al><al>Onderdeel 2.5.5 Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaringen van geen
                    bedenkingen</al><al>Als naar aanleiding van een aanvraag om een omgevingsvergunning een extern
                    advies of een</al><al>verklaring van geen bedenkingen nodig is (zie hoofdstuk 17 en 18 van deze
                    titel), zijn dit voor de</al><al>gemeente niet beïnvloedbare kosten. Daarom bestaat geen aanspraak op teruggaaf
                    van deze</al><al>legesdelen.</al><al>Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning</al><al>Op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Wabo kan het bevoegd
                    gezag de omgevingsvergunning op verzoek van de vergunninghouder geheel of
                    gedeeltelijk intrekken. Hiervoor is een tariefbepaling opgenomen. Deze
                    tariefbepaling is niet van toepassing als intrekking plaatsvindt conform het
                    bepaalde in onderdeel 2.5.2. Dan bestaat immers aanspraak op teruggaaf.</al><al>Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project</al><al>In hoofdstuk 7 is een regeling opgenomen voor de situatie dat de behandeling van
                    de aanvraag al is afgerond en de vergunning is verleend, maar nog geen gebruik
                    is gemaakt van de vergunning. Met de bouw is dus nog niet begonnen. Indien de
                    aanvrager nu het oorspronkelijke bouwplan wil wijzigen zal opnieuw een aanvraag
                    tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit ingediend
                    moeten worden, waarvoor opnieuw leges gerelateerd aan de bouwkosten betaald
                    zouden moeten worden. Wanneer de wijzigingen ten opzichte van het vorige
                    bouwplan naar de omstandigheden beoordeeld gering zijn, zullen de werkzaamheden
                    die door de gemeente verricht moeten worden gering zijn. Omdat het hier relatief
                    kleine wijzigingen betreft ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag, is in
                    het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 gekozen voor een vast
                    bedrag.</al><al>Hoofdstuk 7 is niet van toepassing indien het bouwplan in grote mate afwijkt van
                    het oude bouwplan.</al><al>Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten</al><al>Onderdeel 2.8.1 heeft betrekking op het op aanvraag vaststellen, daaronder
                    begrepen herzien, van een bestemmingsplan bedoeld in artikel 3.1 Wro.</al><al>Onderdeel 2.8.2 ziet op het op verzoek door het college wijzigen van het
                    bestemmingsplan door gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid op grond
                    van artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wro.</al><al>De Wabo bevat hierover geen bepalingen. Omdat deze aanvragen wel verband houden
                    met de fysieke leefomgeving en mogelijk aanstaande activiteiten, hebben wij ze
                    in titel 2 opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 10 In deze titel niet benoemde beschikking</al><al>Hoofdstuk 10 is een restpost (kapstokartikel). Er is alleen ‘beschikking’
                    genoemd, dit in afwijking van bijvoorbeeld titel 3, hoofdstuk 6, omdat de
                    ‘overige omgevingsvergunningen’ al zijn genoemd in onderdeel 2.3.14.</al><al>Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn</al><al>Algemene opmerkingen bij Titel 3</al><al>Ter bevordering van de vrijheid van vestiging en de vrije verrichting van
                    grensoverschrijdende diensten streeft de Europese Dienstenrichtlijn (EDR)
                    naar:</al><al>- vereenvoudiging van administratieve procedures</al><al>- de opheffing van belemmeringen voor dienstenactiviteiten en</al><al>- vergroting van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten onderling en van
                    dienstverrichters en consumenten in de interne markt.</al><al>(Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
                    Unie van 12</al><al>december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376.)</al><al>Eind 2006 is de EDR in werking getreden. Deze moet 28 december 2009
                    geïmplementeerd zijn in de</al><al>Nederlandse regelgeving. De EDR heeft consequenties voor de legesheffing voor
                    díe</al><al>vergunningstelsels die onder haar reikwijdte vallen.</al><al>Wanneer valt vergunningstelsel onder de EDR?</al><al>Een vergunningstelsel valt alleen onder de EDR als het vergunningstelsel
                    specifiek is gericht op</al><al>dienstverrichters of dienstverleners. Een algemeen vergunningstelsel (bijv. de
                    omgevingsvergunning</al><al>voor bouw- of aanlegactiviteiten) valt niet onder de EDR omdat dit zich niet
                    uitsluitend richt op</al><al>dienstverrichters/dienstverleners, maar ook op particuliere burgers. Ook bevat
                    de EDR een aantal</al><al>uitgezonderde gebieden. Alle modelverordeningen zijn gescreend op toepassing van
                    de EDR. Daaruit</al><al>is een aantal vergunningstelsels naar voren gekomen, die onder de EDR vallen.
                    Wij hebben die</al><al>‘afgezonderd’ in titel 3 van de tarieventabel leges. Als een gemeente nog andere
                    vergunningstelsels</al><al>kent dan die in de modelverordeningen zijn opgenomen, zal zij deze zelf moeten
                    toetsen aan de EDR.</al><al>Als het vergunningstelsel daaronder valt en de gemeente heft hiervoor leges, dan
                    moet deze ook in</al><al>titel 3 van de tarieventabel worden opgenomen.</al><al>EDR en leges</al><al>De EDR heeft geen betrekking op belastingen. Artikel 13, tweede lid, EDR bepaalt
                    dat eventuele</al><al>kosten voor de aanvragers in verband met hun vergunningaanvraag redelijk zijn en
                    evenredig met de</al><al>kosten van de vergunningsprocedures in kwestie en de kosten van de procedures
                    niet mogen</al><al>overschrijden. Dit betekent dat legesheffing mogelijk is. De kostentoerekening
                    hoeft niet op individuele</al><al>basis plaats te vinden. De EDR laat toe dat vaste (forfaitaire) bedragen voor
                    dienstverlening in verband met vergunningprocedures worden gehanteerd, mits die
                    forfaitaire kosten zijn gebaseerd op</al><al>gemiddelde kosten.</al><al>EDR en kruissubsidiëring</al><al>Door de formulering van de artikel 13, tweede lid, van de EDR is
                    kruissubsidiëring alleen nog</al><al>toegestaan binnen clusters van sterk samenhangende vergunningstelsels. Dit
                    betreft alleen de</al><al>diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. Wij hebben die
                    in titel 3 opgenomen. Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren
                    op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende
                    vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt,
                    dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid.</al><al>Hoofdstuk 1 Horeca</al><al>Op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (Stb. 2000, 185) is het
                    verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een
                    horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Het gaat dan om het
                    bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor
                    gebruik ter plaatse (horecabedrijf) of voor gebruik elders dan ter plaatse
                    (slijtersbedrijf). Het gaat hier om de zogenaamde 'natte horeca'. Voor het
                    afgeven van dergelijke vergunningen kunnen gemeenten leges heffen en daarbij
                    zelf de hoogte van de te heffen leges vaststellen. In onderdeel 3.1.1 is
                    hiervoor een tariefbepaling opgenomen.</al><al>In artikel 2:29 van de APV heeft de VNG gekozen voor het handhaven van de
                    horeca-exploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die:</al><al/><al>- niet onder de Drank- en Horecawet vallen, dit in verband met de Bibob-toets,
                    en</al><al>- wel onder de Drank- en Horecawet vallen en die voor ernstige overlast hebben
                    gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een
                    vrijstelling van de vergunningplicht.</al><al>Deze vergunningplicht geldt ook voor de ‘droge horeca’. Daaronder wordt
                    verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en van licht
                    alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar
                    (coffeeshops). Het staat gemeenten uiteraard vrij om de
                    horeca-exploitatievergunning geheel af te schaffen of geheel te handhaven. Wij
                    hebben voor de horeca-exploitatievergunning op basis van de model-APV in
                    onderdeel 3.1.2 een tariefbepaling opgenomen.</al><al>In onderdeel 3.1.3 staat een tariefbepaling voor een ontheffing van de
                    sluitingstijd die op grond van de model-APV geldt voor horeca-inrichtingen.</al><al>De in onderdeel 3.1.4 geregelde ontheffing betreft een ontheffing van de regels
                    waaraan paracommerciële rechtspersonen zich moeten houden bij de verstrekking
                    van alcoholhoudende drank. De burgemeester kan deze ontheffing met het oog op
                    bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode
                    van ten hoogste twaalf dagen verlenen (artikel 4, vierde lid, DHW; voorheen:
                    vijfde lid). Artikel 4 DHW is gewijzigd bij de Wet van 24 mei 2012, Stb. 237; de
                    wijziging geldt vanaf 1 januari 2013 (Stb. 2012, 379). Zie ook Lbr. 13/023 –
                    Nieuwe modelverordening Drank- en Horecawet – 15 maart 2013.</al><al>Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in
                    overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de
                    vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij burgemeester
                    en wethouders te melden. Burgemeester en wethouders verstrekken, indien nog aan
                    de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde
                    vergunning, waarin de omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. In
                    onderdeel 3.1.5 is hiervoor een tariefbepaling opgenomen.</al><al>De tariefbepaling van onderdeel 3.1.6 ziet op het wijzigen van een aanhangsel
                    bij de horecavergunning. Een horecavergunninghouder meldt aan de burgemeester
                    zijn wens:</al><al>• a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;</al><al>• b. de aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis
                    heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of
                    slijtersbedrijf.</al><al>Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel (artikel 30a,
                    eerste en tweede lid, DHW). Wij hebben hiervoor een tariefbepaling opgenomen in
                    subonderdeel 3.1.1.6. Artikel 30a DHW is ingevoegd bij de Wet van 24 mei 2012,
                    Stb. 237, en geldt vanaf 1 januari 2013.</al><al>Onderdeel 3.1.7 bevat een tariefbepaling voor ontheffingen als bedoeld in
                    artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Hiervoor kan de gemeente zelf de hoogte
                    van de leges bepalen met inachtneming van het uitgangspunt van maximale
                    kostendekking. Het Algemeen uitvoeringsbesluit Drank- en Horecawet, waarin
                    voorheen de tarieven voor ontheffingen stonden is op 1 november 2000
                    ingetrokken.</al><al>Hoofdstuk 2 Organiseren van evenementen of markten</al><al>Dit hoofdstuk bevat een evenementenvergunning, een snuffelmarktvergunning
                    (model-APV) en een</al><al>vergunning voor het organiseren van een markt (model-Marktverordening
                    (vergunning organisatie)).</al><al>Het expliciet noemen van deze vergunningen houdt verband met de Europese
                    Dienstenrichtlijn,</al><al>waaronder deze vergunningstelsels vallen. Wij beschouwen deze vergunningen als
                    samenhangende</al><al>vergunningstelsels. Daarom hebben wij ze in één hoofdstuk geplaatst.</al><al>Onderdeel 3.2.1 is afgestemd op de verschillende evenementen die in de model-APV
                    worden</al><al>genoemd. Hierin komt de omvang van het evenement tot uitdrukking, wat een
                    tariefdifferentiatie</al><al>mogelijk maakt. Wellicht dat de gemeente jaarlijks een evenementenlijst
                    vaststelt, waarnaar kan</al><al>worden verwezen. Dit komt de duidelijkheid in de regelgeving ten goede.</al><al>Eventueel kan een verdere tariefdifferentiatie worden aangebracht, bijvoorbeeld
                    een lager tarief voor</al><al>algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) die een evenement organiseren.
                    Hierbij moet wel</al><al>worden bedacht dat kruissubsidiëring alleen binnen dit hoofdstuk mogelijk
                    is.</al><al>In dit verband verwijzen wij naar de toelichting op artikel 4 van de
                    verordening, waarin wij ingaan op de mogelijkheid tot het opnemen van een
                    vrijstelling voor ANBI’s.</al><al>De ultieme (rechterlijke) toets is of de verordening niet leidt tot een
                    onredelijke en willekeurige heffing</al><al>die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot heffen niet bedoeld kan
                    hebben.</al><al>Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven</al><al>Indien een gemeente een vergunningstelsel kent voor prostitutiebedrijven zoals
                    in de model-APV, kan</al><al>ze hiervoor deze tariefbepalingen opnemen. Ook dit vergunningstelsel valt onder
                    de Europese</al><al>Dienstenrichtlijn. Dit hoofdstuk ondergaat mogelijk wijziging als de Wet
                    regulering prostitutie en voorkoming misstanden seksbranche (Kamerstukken 32211)
                    in werking treedt (vermoedelijk 1 januari 2015) en de APV daarop is
                    aangepast.</al><al>Hoofdstuk 6 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere
                    beschikking</al><al>In hoofdstuk 6 zijn tarieven opgenomen voor diensten die niet in één van de
                    eerdere hoofdstukken van deze titel afzonderlijk zijn benoemd.</al><al>Voor eensluidend afschrift.</al><al>de griffier,</al><al/><al>Mw. M.Walrave.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>