<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR335249_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Uden (Car-Uwo)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 05-08-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Uden (Car-Uwo)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 160, eerste lid, onder c, Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 11-02-2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>N.v.t.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Uden (Car-Uwo)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van Uden;</al><al>Gelezen de ledenbrief van het LOGA van 4 juli 2013, kenmerk
                        ECCVA/U201300476;</al><al>Gelet op artikel 160, eerste lid, onder c, van de Gemeentewet</al><al>b e s l u i t</al><al>Vast te stellen de gewijzigde Regeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Uden
                        (Car-Uwo) </al><al>vanaf 1 maart 2014, luidende als volgt:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al><onderstreept>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld
                                        om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie
                                        een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                                        aangegaan;</al></li><li nr="b."><al>betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de
                                        ambtenaar is te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die
                                        gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d."><al>pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement
                                        van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="e."><al>arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal
                                        uren in een bepaalde periode gedurende welke door de
                                        ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f."><al>arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de
                                        ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="h."><al>feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die
                                        voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="i."><al>vervallen</al></li><li nr="j."><al>arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele
                                        arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;</al></li><li nr="k."><al>volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur
                                        per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele
                                        arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="l."><al>overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht
                                        verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;</al></li><li nr="m."><al>werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                        verrichten;</al></li><li nr="n."><al>werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                        gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden
                                        verricht;</al></li><li nr="o."><al>uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige
                                        betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per
                                        maand;</al></li><li nr="p."><al>Zvw: de Zorgverzekeringswet;</al></li><li nr="q."><al>CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector
                                        gemeenten;</al></li><li nr="r."><al>UWO: Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="s."><al>functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar
                                        wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid,
                                        geschiktheid en ijver;</al></li><li nr="t."><al>waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan
                                        de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het
                                        college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking
                                        waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal
                                        geldt dan voor de eigen betrekking;</al></li><li nr="u."><al>LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                        Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v."><al>WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="w."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van
                                        artikel 18, eerste lid, van de WAO;</al></li><li nr="x."><al>WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="y."><al>WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li><li nr="z."><al>IVA: regeling inkomensvoorziening volledig
                                        arbeidsongeschikten;</al></li><li nr="aa."><al>IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al></li><li nr="bb."><al>WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                        arbeidsgeschikten;</al></li><li nr="cc."><al>WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                        arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al></li><li nr="dd."><al>WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                        gehandicapten;</al></li><li nr="ee."><al>WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                        zelfstandigen;</al></li><li nr="ff."><al>Waz :Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="gg."><al>SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                        Inkomen;</al></li><li nr="hh."><al>uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld
                                        in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale
                                        verzekeringen 1997;</al></li><li nr="ii."><al>pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="jj."><al>WPA: de Wet privatisering ABP;</al></li><li nr="kk."><al>FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden,
                                        bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst
                                        overheids- en onderwijspersoneel;</al></li><li nr="ll."><al>FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement
                                        zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale
                                        Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;</al></li><li nr="mm."><al>deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur
                                        per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele
                                        arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="nn."><al>ZW: de Ziektewet;</al></li><li nr="oo."><al>ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;</al></li><li nr="pp."><al>UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als
                                        bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                bedrijven door de gemeente beheerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                        onderwijs;</al></li><li nr="b."><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                        openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de
                                        zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                        zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231,
                                        tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; </al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                        benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                        belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening
                                        en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in
                                        dienst is van de gemeente, met uitzondering van de
                                        geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader
                                        van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet
                                        sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”,
                                        van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de
                                ondernemingsraad.</al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van
                                toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b en
                                de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing</al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die
                                behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3."><al>De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten
                                hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een
                                werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan
                                opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als
                                ambtenaar.</al></li><li nr="4."><al>Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende.</al></li><li nr="5."><al>Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan
                                het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst
                                aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.</al></li><li nr="6."><al>De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt
                                bezoldigd overeenkomstig schaal 1.</al></li><li nr="7."><al>Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op
                                kosten van de gemeente.</al></li><li nr="8."><al>Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van
                                toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
                                17.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:2:3 Instapplan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een
                                instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.</al></li><li nr="2."><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3."><al>In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende
                                een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:3 Toepassing</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden
                                ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of
                                krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor
                                zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is
                                geregeld.</al></li><li nr="2."><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:3a Toepassing</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al><onderstreept>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</onderstreept></al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de
                                vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
                                regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen
                                welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of
                                worden getroffen.</al></li><li nr="2."><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het
                                vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot
                                        het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                        van Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van
                                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de
                                        onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor
                                hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter
                                uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of
                                welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven,
                                tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke
                                plaats ter inzage liggen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk
                                te zijner kennis gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</onderstreept></al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al><onderstreept>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</onderstreept></al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal
                        te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al><onderstreept>Artikel 1:6 Vrijstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen
                                voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan
                                worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor
                                bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van
                                het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor
                                georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de
                                criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies
                                zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is
                                ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                                regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij
                                het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste
                                van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die
                                projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te
                                bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen
                                worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate
                                zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de
                                werkzaamheden.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al><onderstreept>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</onderstreept></al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al><onderstreept>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene
                        dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                uitvoering van dit artikel.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is
                                met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene
                                dienst van de gemeente.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene
                        dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang
                                van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een
                                passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in
                                verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem
                                bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                                ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                        verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te
                                        nemen;</al></li><li nr="b."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                        vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                        vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd
                                        periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt
                                        de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten
                                        ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode
                                        van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen
                                        uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid
                                en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden
                                redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij –
                                onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te
                                vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond
                                kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter
                                zake neemt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                            geschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na
                                een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij
                                in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten
                                van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                                gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde
                                onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></li><li nr="3."><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in
                                het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al></li><li nr="4."><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan
                                slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt
                                over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting
                                is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid
                                vreemdelingen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig
                        onderzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde
                                functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen
                                op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld,
                                aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht
                                op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het
                                vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren
                                bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de
                                geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.</al></li><li nr="2."><al>Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36
                                maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en
                                vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste
                                aanstelling.</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke
                                aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en
                                uniek karakter.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling
                                die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van
                                proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen
                                daarin begrepen.</al></li><li nr="5."><al>Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke
                                aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden
                                hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen
                                inbegrepen, overschrijden.</al></li><li nr="6."><al>Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar
                                hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden,
                                geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a
                                        tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,
                                        635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                        aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter;</al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                                        praktische opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een
                                        door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt
                                        door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                                        arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot
                                        één of meer bepaalde groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></li><li nr="3."><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet
                                van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:4:2 Vacatures</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen
                                verzet.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens
                                hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst
                                naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep
                                verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend
                                karakter.</al></li><li nr="2."><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing
                                op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is
                                gesloten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</onderstreept></al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij
                            oproepkrachten</onderstreept></al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15
                        uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats
                        indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt
                        gewerkt.</al><al><onderstreept>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</onderstreept></al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang
                                van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt
                                te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden
                                zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk
                                de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke
                                werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien
                                afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                                nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder
                                de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht
                                zich schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                                gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een
                                omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht
                                alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan
                                genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de
                                oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de
                            oproepkracht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te
                                baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2
                                .</al></li><li nr="2."><al>De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de
                                vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge
                                hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan
                                van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het
                                kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is
                                ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in
                                belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand
                                kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende
                                een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde
                                arbeidspatroon van de oproepkracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:6 Overgangsrecht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen
                                aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van
                                toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie
                                maanden.</al></li><li nr="2."><al>Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli
                                2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het
                                einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van
                                toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.</al></li><li nr="3."><al>Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen
                                van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 ,
                                onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze
                                luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een
                                aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos
                                bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4:1 .</al></li><li nr="4."><al>Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van
                                werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn
                                aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2,
                                zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2
                                .</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></li><li nr="2."><al>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te
                                breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten
                                aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit
                                in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van
                                subsidie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
                                is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week,
                                worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></li><li nr="2."><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="§"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                        vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="§"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 ,
                                        tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 ,
                                        eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="§"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                        is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het
                                college dit vooraf aan de OR.</al></li><li nr="4."><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over
                                het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar
                                maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan
                                de OR.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 3 Salaris en vergoedingsregelingen</al><al><onderstreept>Artikel 3:1 Bezoldiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het
                                kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een
                                bezoldiging toegekend.</al></li><li nr="2."><al>In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen
                                gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>schaal:</vet> de in het kader van de
                                        bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een
                                        betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter
                                        bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van
                                        bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden
                                        ter verhoging van het salaris als gevolg van
                                        diensttijduitloop;</al></li><li nr="b."><al><vet>salaris:</vet> het bedrag van de schaal hetwelk aan de
                                        ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een
                                        vast bedrag geldt, dit bedrag;</al></li><li nr="c."><al><vet>bezoldiging:</vet> het salaris, vermeerderd met het
                                        bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en
                                        toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven
                                        in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het
                                        bedrag van de functioneringstoelage en de
                                        waarnemingstoelage.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel
                                uit bijlage II en IIa van de CAR.</al><lijst><li nr="a."><al>Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het
                                        tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die
                                        ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot
                                        op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde
                                        onder b, tweede gedachtestreepje, bijlage IIa op hem van
                                        toepassing is.</al></li><li nr="b."><al>Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen,
                                        bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing
                                        op: </al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een
                                                betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder
                                                direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin
                                                van de CAR te hebben vervuld en</al></li><li nr="§"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe
                                                betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct
                                                voorafgegaan door een andere betrekking in de zin
                                                van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een
                                                beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt
                                                een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een
                                                bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt
                                                gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te
                                                voeren taken.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid
                                worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de
                                wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de
                                ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is
                                vastgesteld op grond van bijlage II .</al></li><li nr="5."><al>Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de
                                afspraken:</al><lijst><li nr="§"><al>dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die
                                        voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de
                                        schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft
                                        op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat
                                        ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal
                                        ingevolge bijlage IIa ;</al></li><li nr="§"><al>en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die
                                        op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en
                                        binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere
                                        schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de
                                        schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum
                                        van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per
                                week, en uitgekeerd per maand.</al></li><li nr="7."><al>Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of
                                ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een
                                functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een
                                dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.</al></li><li nr="8."><al>Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar
                                worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een
                                lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van
                                het salaris. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:1:1 Bezoldiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald
                                met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de
                                ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen
                                bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het
                                belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot
                                zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking
                                worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook
                                andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en
                                gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1,
                                eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen
                                met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet
                                anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per
                                maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het
                                college nadere regels stellen.</al></li><li nr="4."><al>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen,
                                wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                                verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt,
                                ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan
                                voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een
                                vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen
                                salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding
                                tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet
                                meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was
                                ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal,
                                hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het
                                maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van
                                deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze
                                vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van
                                zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk
                                geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen
                                heeft alsnog wordt uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                                verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt
                                waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking
                                gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid
                                - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel
                                3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat
                                artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste
                                zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de
                                uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd
                                ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in
                                artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer
                                dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als
                                een geval van waarneming.</al></li><li nr="4."><al>Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door
                                de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere
                                regeling geldt.</al></li><li nr="5."><al>Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar
                                het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de
                                ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur
                                en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te
                                kennen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:2 Overwerkvergoeding</onderstreept></al><al>De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een
                        vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder
                        meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de
                        mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste zin. </al><al><onderstreept>Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan
                                het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat
                                voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid
                                bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover
                                de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren
                                dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van
                                het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar
                                wenst.</al></li><li nr="3."><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren
                                die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden
                                verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in
                                vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal
                                verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als
                                bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur
                                bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
                                van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager
                                aantal uren als maximum.</al></li><li nr="4."><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het
                                tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde
                                vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend
                                overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande,
                                dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
                                100.</al></li><li nr="5."><al>Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor
                                elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage
                                van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al>100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur</al></li><li nr="§"><al>50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 0 en 6 uur;</al></li><li nr="§"><al>50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag,
                                        donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 6 en 20 uur</al><lijst><li nr="a."><al>Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in
                                                artikel 4:5 , derde lid, en op de dag volgende op
                                                die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage
                                                ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een
                                                zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur,
                                                bepaald.</al></li><li nr="b."><al>Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van
                                                een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel
                                                4:5, derde lid, of een zaterdag, een andere vrije
                                                dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag
                                                beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren
                                                verricht op onderscheidenlijk een zondag, een
                                                feestdag, bedoeld in artikel 4:5, derde lid, of een
                                                zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien
                                                zulks naar het oordeel van het college wenselijk is,
                                                een regeling vast te stellen waarbij in afwijking
                                                van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde
                                                vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de
                                                plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in
                                                artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een
                                                gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het
                                niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor
                                overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van
                                het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in
                                bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe
                                te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college,
                                gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid
                                daarvan, redelijk is te achten.</al></li><li nr="7."><al>Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren
                                met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende
                                betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden
                                verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze
                                ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.</al></li><li nr="8."><al>Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit
                                een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college
                                regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op
                                een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en
                                        tussen 18.00 uur en 24.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;</al></li><li nr="c."><al>zondag tussen 0.00 en 24.00 uur. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar
                                geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één
                                aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder
                                a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar
                                zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd,
                                indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op
                                zaterdag werd vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in
                                welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering
                                geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding,
                                als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:3:1</onderstreept></al><al>Vervallen per 1-1-2014</al><al><onderstreept>Artikel 3:3A Beschikbaarheidsdiensten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting bedoeld
                                in artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, is opgelegd, regelen ter
                                vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend indien
                                uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling van de bezoldiging
                                met vorenbedoelde verplichting rekening is gehouden. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen
                                is voor het verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in
                                artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, heeft over de uren buiten het
                                dagvenster dat hij daadwerkelijk arbeid verricht recht op een
                                buitendagvenstervergoeding. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding</onderstreept></al><al>Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de vastgestelde werktijden
                        per week van de ambtenaar als bedoeld in artikel 4:3 en 4:8 anders dan op
                        verzoek van de ambtenaar aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader
                        vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een
                        verschuivingsvergoeding. </al><al><onderstreept>Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar
                                als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 recht op een vergoeding,
                                indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde
                                werktijd, de werktijden worden verschoven. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in
                                geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde
                                arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd
                                plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de
                                periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de
                                betreffende week dan wel de werktijd.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25%
                                van het uurloon.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie</onderstreept></al><al>De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder meer bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid
                                aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de
                                overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend
                                overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de
                                vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum
                                aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk
                                vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt
                                een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele
                                bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin
                                hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt
                                ontslagen:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:3 ;</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>op grond van 8:11 indien en voorzover het een volledig
                                        ontslag betreft;</al></li></lijst></li></lijst><al>en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie
                        vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen
                        vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze
                        proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou
                        hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te
                        vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het
                        feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar
                        boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren
                        dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen.
                        De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven
                        afgerond op een veelvoud van vijf euro.</al><al>2.Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie
                        berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.</al><al><onderstreept>Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van
                                6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op
                                jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag
                                naar rato vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></li><li nr="3."><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar
                                dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:7:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:2 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:3 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:4 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:5 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:6 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:7 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal
                                heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend,
                                wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid
                                en ijver aanleiding bestaat.</al></li><li nr="2."><al>De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage
                                werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van
                                oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of
                                gedeeltelijk te handhaven.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 3:8 Buitendagvenstervergoeding </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden
                                en die door het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten
                                het dagvenster als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht
                                op een buitendagvenstervergoeding. </al></li><li nr="2."><al>De buitendagvenstervergoeding bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren
                                        buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag
                                        24:00 uur; </al></li><li nr="§"><al>75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                        zaterdag; </al></li><li nr="§"><al>100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt
                                        op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde
                                        lid. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11
                                of hoger verbonden is heeft geen recht op een
                                buitendagvenstervergoeding. </al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4 Arbeidsduur en werktijden</al><al><onderstreept>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </onderstreept></al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van
                        hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden
                        </onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                                dagvenster.</al></li><li nr="2."><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en
                                22:00 uur.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar
                                afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de
                                werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. </al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt
                                dat</al><lijst><li nr="a."><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar
                                        en het college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet
                                        blijven; </al></li><li nr="c."><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                        week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                        wordt afgeweken. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                                werktijden aangepast worden. </al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al></li><li nr="7."><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt
                                tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de
                                afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college
                                het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar
                                onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de
                                overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar
                                ontvangt voor elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van
                                het uurloon of een uur vakantieverlof. </al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is.. Voor de uren
                                die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                buitendagvenstervergoeding als bedoeld in artikel 3:8. </al></li><li nr="9."><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="10."><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college
                                wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met
                                afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten
                                aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling
                                als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. </al></li><li nr="11."><al>Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
                                verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken
                                van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde
                                lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen
                                overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een
                                vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                                buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede
                                lid, eerste aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van
                                overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="12."><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over
                                de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                                verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                gemotiveerd kan afwijken. </al></li><li nr="13."><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                                dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan
                                blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden
                        </onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:3 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                        eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al><al><onderstreept>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></li><li nr="2."><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                week. </al></li><li nr="3."><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het
                                college deze vast in een rooster. </al></li><li nr="4."><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in
                                acht genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                        bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                        vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT
                                        wordt ontweken. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.
                            </al></li><li nr="2."><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel
                                mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende
                                kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn
                                zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></li><li nr="3."><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de
                                nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede
                                Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van
                                de koning wordt gevierd. </al></li><li nr="4."><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in
                                dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is
                                bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of
                                plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn
                                aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is
                                gesloten.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de
                                zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe
                                strekkend verzoek heeft ingediend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</onderstreept></al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. </al><al><onderstreept>Artikel 4:7 Nadere regels</onderstreept></al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere
                        regels stellen. </al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in
                            dienstroosters</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
                        </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van
                                dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></li><li nr="3."><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg
                                voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                            verlofspaarmogelijkheid </onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                            verlofspaarmogelijkheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet> het voor 1 april 2006
                                        opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</vet>
                                        het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een
                                        geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten
                                        hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon
                                        van de ambtenaar</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door
                                het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer
                                de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het
                                gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een
                                bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden
                                gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een
                                verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde
                                verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden
                                voldaan. </al></li><li nr="4."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                                opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de
                                opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de
                                maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de
                                ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking,
                                niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet
                                opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge
                                het bepaalde in het tiende lid. </al></li><li nr="5."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10
                                of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                                aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen.
                                Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde
                                verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.
                            </al></li><li nr="6."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></li><li nr="7."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het
                                tiende lid. </al></li><li nr="8."><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2,
                                het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                                bepaalde in het tiende lid. </al></li><li nr="9."><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende
                                opgebouwde verloftegoed. </al></li><li nr="10."><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon
                                van de ambtenaar. </al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al><onderstreept>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen
                            geld</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding
                                als bedoeld in het vijfde lid.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid –
                                minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als minimum.</al></li><li nr="3."><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72
                                uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></li><li nr="4."><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></li><li nr="5."><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar
                                waarop het verzoek betrekking heeft.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen
                            vakantie-uren</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een
                                vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal
                                72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></li><li nr="4."><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer
                                verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met
                                de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het
                                kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering,
                            vakantietoelage of urenvergoeding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als
                                bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in
                                artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of
                                zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen
                                voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 5 Seniorenmaatregelen</al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al><al>Hoofdstuk 5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al><onderstreept>Paragraaf 1 FPU Gemeenten</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</onderstreept></al><al>De ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en</al></li><li nr="b."><al>geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in
                                hoofdstuk 5 genoemde regelingen en</al></li><li nr="c."><al>geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als
                                bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,</al></li></lijst><al>heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling
                        werkgever.</al><al><onderstreept>Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de
                                pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar
                                voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van
                                de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct
                                voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling
                                werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van
                                de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de
                                betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever
                                ontstaat.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als
                                berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde
                                berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de
                                deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het
                                pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het
                                recht op een Aanvulling werkgever.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling
                        werkgever</onderstreept></al><al>1.De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de
                        berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij
                        voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd
                        van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="64*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aanvulling werkgever als percentage van
                                                berekeningsgrondslag bij uittreden op
                                                spilleeftijd</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>56</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>57</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>58</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>59</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>11,3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>60</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>61 of ouder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal
                                herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later
                                moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                                geboren</al><lijst><li nr="I."><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; </al></li><li nr="II."><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. </al></li><li nr="a."><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                        genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                        spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel
                                        42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal
                                        dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43
                                        jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee
                                        maanden bereikt. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                            die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU
                        Gemeenten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd
                                gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de
                                Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt
                                dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het
                                ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al></li><li nr="2."><al>Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd
                                gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                                geboren:</al><lijst><li nr="I."><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; </al></li><li nr="II."><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al></li><li nr="a."><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                        genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                        spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel
                                        42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal
                                        dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43
                                        jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee
                                        maanden bereikt. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                            die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de
                            FPU Gemeenten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de
                                spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                                Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen.
                                Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel
                                5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig
                                tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever
                                doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65
                                jaar. </al></li><li nr="2."><al>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de
                                spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                                Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen.
                                Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel
                                5a:4b eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                ambtenaar geboren:</al><lijst><li nr="a."><al>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al></li><li nr="b."><al>na 1 april 1947: 61 jaar</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                            die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU
                        Gemeenten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de FPU-uitkering;</al></li><li nr="b."><al>de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een
                                        deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van
                                        artikel 8:11;</al></li><li nr="c."><al>de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2,
                                        eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die
                                        ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van
                                        artikel 8:11;</al></li><li nr="d."><al>de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                                        deeltijdbetrekking.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het
                                totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de
                                berekeningsgrondslag. </al></li><li nr="3."><al>De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de
                                berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond
                                van artikel 8:11.</al></li><li nr="4."><al>Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft
                                buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals
                                geregeld in het pensioenreglement. </al></li><li nr="5."><al>Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is
                                verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel
                                pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en
                                aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met
                                inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met
                                uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de
                                toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde
                                FPU-uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling
                            werkgever</onderstreept></al><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op
                        grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een
                        uitkering krachtens de FPU-regeling.</al><al><onderstreept>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</onderstreept></al><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten
                        een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in
                        de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de
                        periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin
                        genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking
                        waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</al><al><onderstreept>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</onderstreept></al><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van
                        de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de
                        aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</al><al><onderstreept>Artikel 5a:8 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</al><al><onderstreept>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop
                        loopbaan</onderstreept></al><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of
                        een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een
                        gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd
                        op de oude inschaling.</al><al>Hoofdstuk 6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)
                        verlof</al><al><onderstreept>Artikel 6:1 Recht op vakantie</onderstreept></al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        bezoldiging.</al><al><onderstreept>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1,
                                wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel
                                6:2:6.</al></li><li nr="2."><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2 Duur vakantie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige
                                betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</al></li><li nr="2."><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                                verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar
                                te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een
                                maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als
                                bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
                                een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:1 Nadere regels</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
                                algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een
                                formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar
                                evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="3."><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien
                                van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een
                                vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of
                                bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het
                                tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene
                                regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten
                                aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien
                                regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt
                                gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde
                                verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar
                                rust.</al></li><li nr="5."><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                bijzondere regels vast.</al></li><li nr="6."><al>Vervallen.</al></li><li nr="7."><al>Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde
                                lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de
                                ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in
                                hoofdstuk 5a.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten
                                minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen,
                                aaneensluitend verleend.</al></li><li nr="2."><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor
                                wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid,
                                verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt
                                in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële
                                feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond
                                anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in
                                eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden
                                verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie
                                eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de
                                vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen
                                van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel
                                mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                            arbeidsongeschiktheid en andere redenen van
                        afwezigheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
                                wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato
                                van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het
                                eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking
                                vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende
                                en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid
                                verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                                vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de laatste 6 maanden van de periode van
                                        afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan
                                        schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar,
                                        voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de
                                        ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor
                                        eerste oefening;</al></li><li nr="c."><al>indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van
                                        de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn
                                        schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn
                                        betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het
                                        bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes
                                        maanden buiten beschouwing gelaten.</al></li></lijst></li></lijst><al>Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking
                        wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde
                        periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering
                        beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken
                        zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft
                        hervat.</al><lijst><li nr="4."><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                                werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte
                                daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal
                                vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet
                                gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het
                                bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn
                                oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.</al></li><li nr="5."><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met
                                ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een
                                vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de
                                ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens
                            dienstbelang</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar
                                de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet
                                genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch
                                uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten
                                het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het
                                college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan
                                met 1/3 worden verlengd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:5 Intrekking</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen
                                van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge
                                daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                                vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag
                                niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten
                                vakantie-uren.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
                                geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet
                                is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                                        eerste oefening,</al></li></lijst></li></lijst><al>wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij
                        het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven,
                        indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te
                        bepalen aantal uren. </al><lijst><li nr="2."><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk
                                kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren
                                verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande,
                                dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan
                                opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1
                                toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de
                                ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit
                        betrekking</onderstreept></al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                        toegekend.</al><al><onderstreept>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand
                                waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een
                                ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen
                                dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                                vakantietoelage over die maand.</al></li><li nr="2."><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de
                                ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat
                                aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk
                                is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk
                                bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar
                                evenredigheid wordt verminderd. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende
                                met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking
                                van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij
                                ontslag van de ambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van
                                toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk
                                is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren
                                militaire dienst;</al><lijst><li nr="a."><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                        anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                        werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van
                                        artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en
                                        die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft
                                        vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het
                                        verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering
                                        uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de
                                        zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en
                                        het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij
                                        zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                        toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op
                                        basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                        bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                                gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                                schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten
                                beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de
                                strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en
                                vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                nadere regels stellen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en
                                ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof
                                aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging. </al></li><li nr="2."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere
                                gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met
                                behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</al></li><li nr="3."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid,
                                toegelaten organisatie.</al></li><li nr="4."><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                wordt opgebouwd, is het verhaal van de VUT-fonds bijdrage als
                                bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende
                                uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is
                                verschuldigd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud
                                van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                plaatsvinden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend
                                zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op
                                doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen
                                opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                                vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op
                                zijn volledige bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                langdurend zorgverlof.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de
                                duur van de vakantie beëindigd.</al></li><li nr="6."><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd
                                in het eerste lid.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de
                                vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige
                                bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel: </al></li></lijst></li><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); </al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel
                                (CCOOP); </al></li><li nr="3."><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid,
                                onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). </al><lijst><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren
                                        welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van
                                        overheidspersoneel. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
                                verleend aan de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                        verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                        verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren
                                        dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van
                                        algemene vergaderingen van een landelijke groep van
                                        gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                        hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                        afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat
                                        van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte
                                        daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum
                                        van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; </al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij
                                        lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                        bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                                        bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid
                                        is van een landelijke groepsraad; </al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                        centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar
                                        is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                                        vereniging aan die vergadering deelneemt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door
                                het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                        overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of
                                        door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen,
                                        bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                        ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                                        vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                        apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                        centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten
                                        vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste
                                        216 uren per kalenderjaar; </al></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren
                                        - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten
                                        behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt
                                        gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee
                                        kalenderjaren. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid
                                onder a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></li><li nr="5."><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten
                                hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat
                                ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar
                                die: </al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                        overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1
                                        of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                        rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; </al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in
                                        het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een
                                        sector of sectie van de centrale. </al></li></lijst></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid
                        verminderd.</al><lijst><li nr="6."><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan
                                de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld
                                in het eerste lid, onder b. </al></li><li nr="7."><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij
                                lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel
                                12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
                                verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie,
                                alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                                commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is
                                bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van
                                ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend
                                lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al></li><li nr="8."><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels
                                stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede,
                                derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
                            </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:2a Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
                                per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond
                                van de Waz. </al></li><li nr="2."><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van
                                minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="3."><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en
                                voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging
                                en vakantietoelage.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft
                                op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt
                                op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat
                                artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                boven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                vaststellen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon
                            verlof</onderstreept></al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde
                        nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn
                        genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend
                        voor maximaal één jaar.</al><al><onderstreept>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon
                            verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                functie voor ten hoogste twee jaren.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                                van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het
                                bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen
                            vakantie</onderstreept></al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al><onderstreept>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit
                                verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur
                                per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn
                                bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de
                                fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar
                                aanspraak kan maken.</al></li><li nr="2."><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar
                                die wordt bezoldigd volgens:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="60*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>a </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>schaal 1:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>90%;</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>b</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col3"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>c </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col3"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>d </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col3"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>e </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col3"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>f </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col3"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. </al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5:1 Voorwaarden</onderstreept></al><al>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste
                        drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het
                        daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</al><al><onderstreept>Artikel 6:5:2 Meerlingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op
                                betaald ouderschapsverlof.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                                kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                                mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5:3 Ziekte</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte
                                niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting
                                van het ouderschapsverlof plaats.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                                vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak
                                op zijn volledige bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en
                            vakantietoelage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                ouderschapsverlof.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></li><li nr="3."><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging,
                                die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</al></li><li nr="4."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige
                                bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1,
                                eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op
                                grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></li><li nr="2."><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een
                                        andere gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                        werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag
                                        heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde
                                        partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken
                                        noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor
                                minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof
                                vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel
                                6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                verminderd, terug te betalen.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt,
                                dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het
                                eerste en derde lid bepaalde.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5:6 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen) </al><al><onderstreept>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                            bepaling</onderstreept></al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al><onderstreept>Artikel 6:5a Overgangsrecht
                        ouderschapsverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit
                                verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur
                                per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend
                                naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die
                                        jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen
                                        ouderschapsverlof is genoten, en</al></li><li nr="b."><al>hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van
                                        de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de
                                bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de
                                bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof
                                geldt.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de
                                bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk
                                90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het
                                ouderschapsverlof geldt.</al></li><li nr="4."><al>Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</al></li><li nr="5."><al>Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet
                                wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het
                                tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale
                                uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst
                                waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</al></li><li nr="6."><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald
                            ouderschapsverlof</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald
                        ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van
                        overeenkomstige toepassing. </al><al><onderstreept>Artikel 6:6 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft. </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV. </al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt
                                opgelegd, dan wel het recht op de Waz-uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te
                                wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering
                                gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                dan wel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                                geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de
                                Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</al></li><li nr="5."><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                artikel 7:3, niet op.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de
                            gemeentelijke levensloopregeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente
                                kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een
                                periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                                onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één
                                periode van onbetaald verlof. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                voorwaarden.</al></li><li nr="4."><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                wordt ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                                onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al></li><li nr="8."><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                hiermee instemmen.</al></li><li nr="9."><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald
                            verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet
                                wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald
                                verlof. </al></li><li nr="2."><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                                vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></li><li nr="4."><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en de VUT-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                                van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het
                                bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is,
                                eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in
                                schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake
                                is van verlof voorafgaand aan pensionering. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof</onderstreept></al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. </al><al>Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al><onderstreept>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:2 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname
                            levensloopregeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname
                            levensloopregeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat. </al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet
                                aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname
                                stelt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:5 Inleg</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg
                                per jaar.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                                wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></li><li nr="3."><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                                bronnen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:6 Bronnen</onderstreept></al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering
                                van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd
                                met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage
                                van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op
                                jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking
                                minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar
                                rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan
                                ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen
                                recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien
                                en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage
                                van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9,
                                eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></li><li nr="5."><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat
                                de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></li><li nr="6."><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het
                                eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel
                                3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:7a Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname
                            levensloopregeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden</al></li><li nr="2."><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</onderstreept></al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname
                        van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt
                        de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het
                        college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed.
                        Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al><onderstreept>Artikel 6a:10 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is. </al><al><onderstreept>Artikel 6a:11 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al>Hoofdstuk 7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</al><al>Paragraaf 1 Definities</al><al><onderstreept>Artikel 7:1 Definities</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten
                                        en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="b."><al><vet>werkzaamheden in het kader van de re-integratie:</vet>
                                        loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer
                                        in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                                        vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                                        derde lid;</al></li><li nr="c."><al><vet>scholing in het kader van de re-integratie:</vet>
                                        scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel
                                        passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het
                                        plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                        overwegende mate haar oorzaak vindt in: en die niet aan
                                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; </al><lijst><li nr="§"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                worden verricht of;</al></li><li nr="§"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard
                                                van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere
                                                omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten
                                                worden verricht;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                        stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en
                                        bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                        verdienen;</al></li><li nr="f."><al><vet>arbodienst:</vet> een dienst als bedoeld in artikel 17,
                                        eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g."><al><vet>inactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                        aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                        WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die
                                        direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een
                                        gemeente;</al></li><li nr="h."><al><vet>post actieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                        functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering,
                                        ouderdomspensioen van het ABP of ABP KeuzePensioen, die
                                        direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                                        dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                            onderzoek</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                            onderzoek</onderstreept></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al><onderstreept>Artikel 7:2:1 Arbodienst</onderstreept></al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                        deskundige(n).</al><al><onderstreept>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige
                        begeleiding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                                overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door
                                een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door
                                het college te stellen regels.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door
                        ambtenaar</onderstreept></al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de Arbodienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn
                        arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al><onderstreept>Artikel 7:2:4 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd de Arbodienst opdracht te geven de ambtenaar
                                aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                        aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                        gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                        gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn
                                        betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische
                                        oorzaken zijn aan te wijzen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het
                                eerste lid, te onderwerpen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel
                                7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand
                                van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de Arbodienst de belangen
                                van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening
                                betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking
                                verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst
                                gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                plaats indien, naar het oordeel van de Arbodienst, de lichamelijke
                                of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij
                                tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor
                                zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                                toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld
                                met een verhindering wegens ziekte.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                            ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien daartoe naar het oordeel van de Arbodienst aanleiding
                                bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te
                                laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het
                                herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud,
                                het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
                                van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid
                                gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn
                                volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende
                                de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van
                                90% van zijn bezoldiging.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand
                                recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling
                                van 70% van zijn bezoldiging </al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                                verstaan.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                bezoldiging over de uren waarop hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie
                                        verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn re-integratie. </al></li></lijst></li><li nr="7."><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht
                                op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. </al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50%
                                van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid,
                                werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie verricht of
                                scholing volgt in het kader van zijn re-integratie, genoemd in het
                                zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van
                                5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge
                                dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het
                                eerste lid. </al></li><li nr="9."><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon,
                                berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al></li><li nr="10."><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is
                                als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het
                                eerste tot en met het vierde lid, op. </al></li><li nr="11."><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden
                                perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij
                                elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of
                                indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel
                                6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
                                geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></li><li nr="12."><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede,
                                derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                herplaatst in een andere functie.</al></li><li nr="13."><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht
                                op bezoldiging.</al></li><li nr="14."><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of
                                ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste
                                lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                            onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</onderstreept></al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft
                        recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met
                        dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging
                        doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien
                        hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al><onderstreept>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door
                            de dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst,
                                een aanvullende uitkering verleend. </al></li><li nr="2."><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering,
                                vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke
                                aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de
                                bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand
                                aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                van:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="43*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>80% of meer: </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>95% </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>65 tot 80% </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 55 tot 65% </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>45 tot 55% </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>35 tot 45% </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
                                        eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van
                                dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van
                                wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of
                                bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:6 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                            arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                behandeling of verzorging.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                voorschriften geven.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:8 Nadere regels</onderstreept></al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al><onderstreept>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak
                            toelagen</onderstreept></al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit
                        hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al><onderstreept>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</onderstreept></al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al><onderstreept>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                            toepassing van artikel 2:7a</onderstreept></al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan
                        voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald,
                        worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur
                        overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode
                        waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting
                        voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor
                        de formele arbeidsduur.</al><al><onderstreept>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:9 Verplichtingen college</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te
                                treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat
                                de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat
                                wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.
                            </al></li><li nr="2."><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht
                                en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid
                                voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de
                                ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de
                                gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan
                                van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het
                                plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen
                                met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en
                                herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking
                            bij ziekte</onderstreept></al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al><onderstreept>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                            re-integratie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld
                                        in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking
                                te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1
                                te verrichten en hij door het college of een andere werkgever
                                daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid
                                te verrichten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch
                            onderzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                beantwoording van de vragen: </al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                        betrekking wegens ziekte; </al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                        onder a; </al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                                        betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; </al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                        behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich
                                        niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende
                                        geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen
                                        voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een
                                        ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; </al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                        wordt belemmerd of vertraagd; </al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het
                                        belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het
                                        belang van het behoud, het herstel of de bevordering van
                                        zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan
                                        worden hervat. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van
                                medisch onderzoek. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling
                            bezoldiging</onderstreept></al><al>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3
                        bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft
                                veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn
                                geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half
                                jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige
                                keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste
                                informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
                                gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat
                                tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
                                aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de
                            bezoldiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                                gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het
                                        verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                        Arbodienst in te stellen medische onderzoek na te
                                        komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte
                                        heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te
                                        stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                        voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                        uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                        ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                        schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
                                        belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                        onderzoek door een door de Arbodienst aangewezen arts niet
                                        kan plaatshebben;</al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                        tenzij dit door de Arbodienst in het belang van zijn
                                        genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe
                                        toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij
                                        heeft in verband met het verrichten van door de Arbodienst
                                        in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid
                                        voor zichzelf of derden;</al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbodienst
                                        bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate,
                                        indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door
                                        de Arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om – op verzoek van het college – informatie te
                                        verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                                        hoofdstuk.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de
                                ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan
                                worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                            ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in
                                artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft
                                wegens plichtsverzuim.</al></li><li nr="2."><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                                gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of
                                        getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste
                                        lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in
                                        staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;
                                    </al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe
                                        hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid,
                                vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in
                                het tweede lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en
                            nabetaling aan ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere
                                omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging,
                                geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden
                                uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog
                                aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de
                                second opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft
                                aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in
                                het gelijk gesteld wordt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende
                        arbeid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke
                                        duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="b."><al> door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van
                                        proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling; </al></li><li nr="c."><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel
                                7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve
                                herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door
                                wijziging van de aanstelling.</al></li><li nr="3."><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode
                                van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                                passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</al></li><li nr="4."><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan
                                80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar
                                met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer
                                benut.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder
                                een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde
                                werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></li><li nr="6."><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                betrekking ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></li><li nr="7."><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden
                                voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></li><li nr="8."><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie
                                die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na
                        ziekte</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking
                                slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor
                                toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de
                                hervatting kan geschieden.</al></li><li nr="2."><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet
                                op het advies van de Arbodienst of van het UWV.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist
                                indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd
                                is geweest zijn betrekking te vervullen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met
                            arbeid</onderstreept></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van
                        de re-integratie op de bezoldiging.</al><al><onderstreept>Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering
                            brengen op bezoldiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van
                                zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies
                                door de Arbodienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing
                                of zijn re-integratie, dan wel in het kader van herplaatsing
                                wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht,
                                worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de
                                bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel
                                7:3.</al></li><li nr="2."><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend
                                een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van
                                het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke
                                benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid
                                bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met
                            ZW-uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering,
                                wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het
                                bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW
                                gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is,
                                wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering
                                ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met
                                een volledige ZW-uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering
                                geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of
                                toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de
                                ZW-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere
                                aan de ambtenaar uitbetaald. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een
                            WW-uitkering</onderstreept></al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op
                        een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al><al><onderstreept>Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met
                            uitkering op grond van de WIA</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot
                                het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een
                                IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                                gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht
                                heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel
                                een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame
                                arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een
                                bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar
                                rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering
                                gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging
                                wordt doorbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de
                                in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of
                                IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een IVA-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking
                                komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan
                                wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem
                                dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd
                                genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van
                                het bedrag plaatsvond.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                                IVA-uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                            Pensioenreglement</onderstreept></al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><onderstreept>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</onderstreept></al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al><onderstreept>Artikel 7:23:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:24 Zorgverzekering</onderstreept></al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de
                        Zorgverzekeringswet.</al><al><onderstreept>Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra
                                Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4
                                bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming
                                in zijn ziektekosten.</al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar
                                in de maand december uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                                ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de
                                ziektekosten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 6 Ziektekosten</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of
                                gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van
                                schaal 6.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen
                                wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van
                                de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></li><li nr="4."><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt
                                is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste
                                maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</onderstreept></al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een
                        tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de
                        tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is
                        verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke
                        tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</al><al><onderstreept>Artikel 7:25b Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:25:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:25:2 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen) </al><al><onderstreept>Artikel 7:25:3 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 7:25:4 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Paragraaf 7 Overige bepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van
                                dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt,
                                blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31
                                december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de
                                betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de
                                betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                Ziektewet.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem,
                                die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien
                                hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet
                                wordt toegekend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid
                                onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op
                                een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid
                                is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                                toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                                wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
                                waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en
                                bekwaamheden.</al></li><li nr="2."><al>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang
                                van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%,
                                vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de
                                bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                                betrekking.</al></li><li nr="3."><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is
                                herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering,
                                invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in
                                verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die
                                kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij
                                weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk
                                inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag
                                van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde
                                of de verloren gegane inkomsten.</al></li><li nr="5."><al>De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                        leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:28 Overgangsartikel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van
                                toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden
                                op 31 december 2005, van toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van
                                de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5,
                                7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1,
                                7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december
                                2005 , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste
                                lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een
                                verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1
                                januari 2006 . </al></li><li nr="5."><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte
                                van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring
                                van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel
                                7:3, eerste tot en met het vierde lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet
                                van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals
                                dat gold op 31 december 2005 , van toepassing. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:28a Overgangsartikel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van
                                toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat
                                gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 7:28b Overgangsartikel</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al><al>Hoofdstuk 8 Ontslag</al><al><onderstreept>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li><li nr="3."><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang
                                van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie
                                maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste
                                lid worden afgeweken.</al></li><li nr="3."><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig
                                is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor
                                disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek
                                om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de
                                strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf
                                onherroepelijk is geworden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                            leeftijd</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag
                                waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet
                                (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend
                                met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de
                                65-jarige leeftijd bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                                instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:2:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 8:2a Ontslag wegens
                        ouderdomspensioen</onderstreept></al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente,
                        alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2,
                        derde lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                        Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al><al><onderstreept>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li><li nr="3."><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd,
                                ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</onderstreept></al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld. </al><al><onderstreept>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                            arbeidsongeschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                                ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.
                                Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan
                                gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al></li><li nr="3."><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al></li><li nr="4."><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                                herbeoordeling.</al></li><li nr="5."><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze
                                melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste
                                ziektedag. </al></li><li nr="6."><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></li><li nr="7."><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></li><li nr="8."><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></li><li nr="9."><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                                vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
                                wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></li><li nr="10."><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                verlengd: </al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte
                                mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al></li><li nr="2."><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                        betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                        maanden;</al></li><li nr="b."><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                        ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op
                                        te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een
                                mogelijke herbeoordeling.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake
                                is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan
                                de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld.
                                Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de
                                eerste ziektedag.</al></li><li nr="5."><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></li><li nr="6."><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></li><li nr="7."><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand
                                aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></li><li nr="8."><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens
                                ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
                                minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan
                                en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                dezelfde oorzaak. </al></li><li nr="9."><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel
                                a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></li><li nr="10."><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende
                                arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig
                                is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid
                                op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn
                                van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel
                                7:16 overeenkomstig toegepast. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:5a Ontslag wegens
                            arbeidsongeschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij
                                zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door het college of een door hem aangewezen
                                        deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
                                        de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten
                                        waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het
                                eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies
                                van het UWV in.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:5:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                            ongeschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                grond van dit artikel wordt. eervol verleend</al></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</onderstreept></al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                                gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de
                                betrekking geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                betrekking zou uitsluiten;</al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                                uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan
                                worden gemaakt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</onderstreept></al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van even genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder
                        ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor
                        het eerst aanwezig was.</al><al><onderstreept>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
                                een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden
                                in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</onderstreept></al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al><onderstreept>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</onderstreept></al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al><onderstreept>Artikel 8:10 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 8:10:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
                                grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het
                                bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
                                overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting
                                pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben
                                vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een
                                uitkering op grond van die regeling.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van
                                de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden
                                verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten.
                                Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele
                                arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat
                                het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele
                                arbeidsduur.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van
                                de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling
                                bestaat.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                            tijdelijke urenuitbreiding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                                rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien
                                na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is
                                verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd
                                te zijn aangegaan.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding
                                is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor
                                dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan
                                ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                aanstelling leidde is vervallen.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag
                                worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding
                                leidde, is vervallen. </al></li><li nr="5."><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                                plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                                overschreden.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                                tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                stellen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke
                            aanstelling of urenuitbreiding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                            aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter
                                        dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                        geduurd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de
                                bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire
                        straf</onderstreept></al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al><onderstreept>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                            vakorganisaties</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet:</vet> Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b."><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                        bedoeld in de wet; </al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in artikel 1,
                                        tweede lid, van de wet. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst
                                        als bedoeld in artikel 9 van de wet; </al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel
                                        15 van de wet; </al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit
                                dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is
                                aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te
                                ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q.
                                binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag
                                op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene
                                schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></li><li nr="5."><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                                toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
                                op die secretaris. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door
                                het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                        onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de
                                        oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van
                                        het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                        misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                                        belang van de dienst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                        ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                        omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing
                                        aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                        schorsing.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b
                                of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden;
                                na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                                vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag
                                van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het
                                derde lid. </al></li><li nr="2."><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a,
                                kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van
                                ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden
                                ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van
                                de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging
                                geheel gestaakt. </al></li><li nr="3."><al>Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de
                                ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft
                                de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan
                                het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen. </al></li><li nr="4."><al>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de
                                strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in
                                zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.
                            </al></li><li nr="5."><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de
                                ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot
                        ontslagverlening</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                                aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                vervuld.</al></li><li nr="2."><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld,
                                met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een
                                omschrijving of aanduiding van die datum.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het
                                ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:16:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot
                                en met de dag van het overlijden.</al></li><li nr="2."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd
                                gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden
                                vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening
                                van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking
                                genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende
                                bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar
                                of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve
                                van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de
                                overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen,
                                broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid,
                                nalaat, kan het daar bedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan
                                geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten
                                van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de
                                nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten
                                ontoereikend is.</al></li><li nr="4."><al>Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven
                                verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond
                                en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende
                                gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de
                                ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het
                                college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.</al></li><li nr="2."><al>Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een
                                vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden
                                deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning
                                behouden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door
                            de dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks
                                gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de
                                weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt.
                                Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner
                                nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige,
                                natuurlijke en pleegkinderen.</al></li><li nr="2."><al>De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12
                                kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                overlijden.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van
                                het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele
                            arbeidsduur</onderstreept></al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit
                        te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,
                        behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al><onderstreept>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die
                                op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de
                                artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals
                                dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van
                        toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>Hoofdstuk 9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al><onderstreept>Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO</onderstreept></al><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in
                        artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum
                        van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering
                        toegekend.</al><al><onderstreept>Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO</onderstreept></al><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan
                        de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering
                        volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al><al><onderstreept>Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1, bedoelde
                                datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan
                                wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten
                                hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar
                                te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan,
                                bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst
                                wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een
                                geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan
                                worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde
                                in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig
                                onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere
                                vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met
                                ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is
                                gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:2 Bedrag en duur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                                ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan
                                diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch
                                ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal
                                volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het
                                pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt.
                                Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met
                                dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het
                                bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben
                                indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn
                                ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in
                                artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken
                                van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</al></li><li nr="2."><al>Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de
                                vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand,
                                en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande
                                dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning
                                slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag
                                dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan
                                het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan
                                de gewezen ambtenaar is toegekend.</al></li><li nr="3."><al>Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                                verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke
                                verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar
                                op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum
                                van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag
                                als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend
                                indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de
                                mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het
                                ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude
                                bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en
                                nabestaandenpensioen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector
                            Gemeenten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;
                                    </al></li><li nr="b."><al>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel
                                        uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de
                                        financiering van het functioneel leeftijdsontslag. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde
                                bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in
                                dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de
                                FPU-regeling moet worden afgedragen. </al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald
                                op de bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie
                                ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:4 Samenloop met FPU</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder
                                gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een
                                uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als
                                bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar
                                geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling
                                via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig
                                de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit
                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin
                                hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig
                                ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel rekening
                                gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben
                                genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben
                                aangevraagd.</al></li><li nr="3."><al>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat,
                                verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat
                                gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is
                                op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van
                                het pensioenreglement.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel
                                geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de
                                toepassing van lid 3 van dit artikel geacht onverminderd te zijn
                                genoten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                            arbeid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                                uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                                verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering
                                krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met
                                ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op
                                de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk
                                aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering
                                krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering
                                krachtens deze regeling is toegekend.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf
                                ter hand genomen vóór even bedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen
                                ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn
                                van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                met het ontslag.</al></li><li nr="4."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                            arbeid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen
                                ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij,
                                voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien
                                hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten
                                tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het
                                verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te
                                doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig
                                vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of
                                sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der
                                werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten
                                worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en
                                kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast
                                naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van
                                nadere verrekening aan het einde van even bedoelde termijn. Dit lid
                                vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of
                                bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en
                                derde lid.</al></li><li nr="2."><al>Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste
                                lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de
                                uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts
                                gedeeltelijk wordt uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                                uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel
                                van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken
                                welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte
                            of ongeval</onderstreept></al><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die
                        na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband
                        met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt
                        de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan,
                        verminderd met het bedrag daarvan.</al><al><onderstreept>Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</onderstreept></al><al>1.Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                        gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                        biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten
                        van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                        pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari
                        2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou
                        moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                        opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een
                        vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                        helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                        schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                                de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven
                                opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de
                                situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de
                                leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                artikel 9:5 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                                ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3
                                van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het
                                bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de
                                indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</al><lijst><li nr="2."><al>De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in
                                        de drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van
                                        62 jaar bereikt.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:6:1 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9:7:1 Verval van uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                        ambtenaar is overleden;</al></li><li nr="b."><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
                                        jaren bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard
                                indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college
                                zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn
                                ontslagen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft
                                de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens het
                                pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op
                                een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een
                                tijdvak van drie maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt
                                verminderd met de uitkering bij overlijden krachtens de
                                FPU-regeling. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner
                                als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de
                                minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering.
                                Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene
                                kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of
                                zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid
                                recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit
                                bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor de
                                betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de
                                lijkbezorging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en
                            leeftijdsgrenzen</onderstreept></al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen
                        gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen.</al><al><onderstreept>Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens
                        FLO</onderstreept></al><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd
                        op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als
                        genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag
                        verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
                        deze regeling in werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt
                        gegeven aan het bepaalde in artikel 9:1:2, eerste lid.</al><al><onderstreept>Artikel 9:11 Tijdelijke regeling</onderstreept></al><al>Vervallen</al><al><onderstreept>Artikel 9:12 Tijdelijke regeling</onderstreept></al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend en
                        die recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, heeft totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht op een maandelijkse uitkering
                        waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen van dit
                        hoofdstuk.</al><al><onderstreept>Artikel 9:13 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en die op
                        grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden
                        met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn ontslagen op grond van artikel
                        8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.</al><al><onderstreept>Artikel 9:14 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk geen
                        uitkering meer verleend worden.</al><al><onderstreept>Artikel 9:15 Vervallen</onderstreept></al><al>Vervallen</al><al><onderstreept>Artikel 9:15:1 Vervallen</onderstreept></al><al>Vervallen</al><al><onderstreept>Artikel 9:16 Vervallen</onderstreept></al><al>Vervallen</al><al>Hoofdstuk 9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op
                        een bezwarende functie </al><al><onderstreept>Artikel 9a:1 Algemeen</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 .</al><al><onderstreept>Artikel 9a:2 Definities</onderstreept></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge belasting
                                door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten
                                en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk
                                met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die
                                past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:3 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                functie.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten
                                de gemeentelijke dienst.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                                bepalingen.</al></li><li nr="2."><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan
                                de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis
                                en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen
                                opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na
                                maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een
                                tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval
                                die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.</al></li><li nr="3."><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen
                                aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                loopbaanplan.</al></li><li nr="4."><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                opgesteld.</al></li><li nr="5."><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></li><li nr="6."><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen
                                van het college als met de belangen van de ambtenaar.</al></li><li nr="7."><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
                                benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die
                                de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                voeren.</al></li><li nr="8."><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                college vergoed.</al></li><li nr="9."><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                        wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                        activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de
                                        te volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                        scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                        ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                        gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:6 Terugbetaling</onderstreept></al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten
                        dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te
                        betalen.</al><al><onderstreept>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                            dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                plaats.</al></li><li nr="2."><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door aanpassing van de aanstelling.</al></li><li nr="3."><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                functie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13
                                disciplinair ontslag verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede
                            loopbaan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                        college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en
                                        de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><lijst><li nr="2."><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                                wordt.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt;
                            overbruggingsuitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende
                                functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al></li><li nr="2."><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal
                                jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is
                                geweest.</al></li><li nr="3."><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></li><li nr="4."><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></li><li nr="5."><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                salaris.</al></li><li nr="6."><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op
                                de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al></li><li nr="7."><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger
                                is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw
                            toelagen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                        onderdeel b, </al></li><li nr="b."><al> de vakantie-uitkering, </al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d."><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e."><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                        toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                        zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede
                                        loopbaan. Indien verlofopname door de ambtenaar in deze 12
                                        maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke
                                        uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door in
                                        de oude bezoldiging. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude
                                salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging,
                                zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></li><li nr="3."><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest,
                                die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende
                                afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen
                                de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en
                                vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage
                                bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d."><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><lijst><li nr="5."><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                                waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen,
                                behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de
                                afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie
                                van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van
                                het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris,
                                inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe
                                jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt
                                berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding
                                bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december
                        2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                        beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke
                                        ambulancedienst; en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door
                                        het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                        december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft
                                        vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de
                                        leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar
                                die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                        ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps,
                                        dan wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij
                                        bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere
                                        afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de
                                functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie
                                is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                            meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                            mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop -
                            in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                            aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen
                            levensloop heeft ontvangen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al></li><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b, </al></li><li nr="II."><al> de vakantie-uitkering;</al></li><li nr="III."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met
                                uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van
                                artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met
                                uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25,
                                na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals
                                deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien
                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot
                                een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                                genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging
                                door in de bezoldiging. </al></li><li nr="b."><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden
                                in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c."><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in dienst
                                van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als
                                buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een
                                functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits
                                het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is
                                ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als
                                vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren
                                hij als vrijwilliger is ingezet; </al></li><li nr="d."><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet> de jaren werkzaam
                                bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de
                                particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of
                                trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die
                                op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e."><al><vet> FPU-uitkering:</vet> de uitkering in het kader van de
                                FPU-regeling; </al></li><li nr="f."><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt onder
                                de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="g."><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie; </al></li><li nr="h."><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na
                            1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand
                                volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van 80%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Voor zover het
                                dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum bedoeld in
                                de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof als
                                hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt
                                        een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar
                                        geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning
                                        van de bonus; </al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                        tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                        bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus
                                        wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende
                                        jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                                        bonus.</al></li></lijst></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief
                        voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling
                        van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><lijst><li nr="2."><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid
                                bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend naar
                                welke variant zijn voorkeur uitgaat. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                                dan 55 jaar. </al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a
                                en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                werken. </al></li><li nr="5."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode van
                                een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                om door te werken in de bezwarende functie. </al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover
                                het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment,
                                bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat
                                de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en
                                eventueel volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij
                                minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede lid is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011
                                gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het
                                eerste lid van dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een
                                functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden,
                                ontvangt gedurende die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De
                                ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik
                                maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato.
                                Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                                betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                                vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het
                                totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald
                                dat hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel
                            9b:4</onderstreept></al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt
                        geen pensioen wordt opgebouwd.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                            9b:4</onderstreept></al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering
                            en vakantietoelage tijdens de periode van artikel
                        9b:4</onderstreept></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk
                        artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:8 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                            artikel 9b:4</onderstreept></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                            artikel 9b:4</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4,
                                eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of
                                na de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op
                                de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van toepassing is
                                geworden.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:4.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                            geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                            bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                                doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft
                                gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf
                                de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de
                                leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.
                            </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan. </al></li><li nr="4."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer
                                het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar,
                                het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                            onbezoldigd volledig verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de VUT-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de VUT-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:13 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</onderstreept></al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:15 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:16 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</onderstreept></al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                            volledig verlof</onderstreept></al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                            leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                            dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van
                                herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel
                                9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar
                                en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze
                                ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze
                                keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog
                                wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4,
                                eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                                blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                            ziekte</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van
                                de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het
                                totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de
                                uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn
                                arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst
                                wordt in een functie met een lager totaal inkomen buiten de
                                organisatie van de gemeente, maken het college en de ambtenaar
                                afspraken over een financiële regeling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                            20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                            20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking
                                gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden.</al></li><li nr="4."><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                                pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li><li nr="5."><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                            geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                            bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></li><li nr="2."><al>De leeftijdsafhankelijke factor bedraagt:</al></li></lijst><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="4*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="4*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="16*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,278 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>20</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>22</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>23</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>24</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>26</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>27</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,362 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>28</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>29</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>30</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>32</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>62</al></entry><entry colname="col8"><al>1.019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij
                        regionalisering</onderstreept></al><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al><onderstreept>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                            dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het
                            eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                            levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet
                            in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen
                            levensloop heeft ontvangen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en
                            tenzij tweede loopbaan gestart wordt</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot
                                het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                afspraken maken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan
                            20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van
                                toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></li><li nr="2."><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li><li nr="3."><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie
                                van de gemeente. </al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure
                                voor erkenning verworven competenties zijn competenties laten
                                erkennen.</al></li><li nr="5."><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan
                                heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover
                                redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt,
                                in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een
                                garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude
                                bezoldiging en de nieuwe bezoldiging. </al></li><li nr="7."><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                                afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het
                                kader van de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente
                                een functie aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                            dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend
                                op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de
                                voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van
                                90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor
                                het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                                werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als
                                alternatief 60% van een volledige betrekking werken tegen
                                doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.
                            </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                                dan 55 jaar.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in
                                het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in
                                het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt
                                ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing.
                            </al></li><li nr="5."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door
                                te werken in de bezwarende functie. </al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                            9b:26</onderstreept></al><al>(vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst,
                            eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel
                            9b:26</onderstreept></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof
                            voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                            januari 2006 in een bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft,
                                wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                                hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof
                                verleend, tegen doorbetaling van een bepaald percentage van de voor
                                de ambtenaar geldende bezoldiging. De leeftijd en het percentage
                                zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006. De
                                leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig buitengewoon
                                verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment wordt
                                betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c."><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld
                                in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december
                                2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                voor de bezwarende functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld
                                dan 55 jaar. </al></li><li nr="3."><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                            9b:28</onderstreept></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                            artikel 9b:28</onderstreept></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                            9b:26 en 9b:28</onderstreept></al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                        ambtenaar werkt. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:32 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:33 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                            artikel 9b:26 en artikel 9b:28</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en
                                artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband
                                met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is geworden, wordt op de
                                doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                                boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is
                                geworden.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:26.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                            geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                            bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60
                                jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van
                                het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie
                                het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd
                                volledig verlof later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde
                                hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in
                                de bezwarende functie.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                            onbezoldigd volledig verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de VUT-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat
                                moment het verhaal van de pensioenpremies en de VUT-fonds bijdrage
                                als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                                bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:37 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</onderstreept></al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:39 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:40 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</onderstreept></al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                            volledig verlof</onderstreept></al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                            arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                            geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                            bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in
                                artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel
                                9b:28.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al></li><li nr="5."><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum
                                van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                            dienstjaren op 1 januari 2006</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                            dienstjaren op 1 januari 2006</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van 53
                                jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van
                                het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                                behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde
                                loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend
                                is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig
                                dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon
                                is geweest.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar. </al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van
                                59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren
                                bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte
                                van het inkomen in dat jaar x de deeltijdfactor in dat jaar x 2,85%
                                maal de leeftijdsafhankelijke factor, die hoort bij de leeftijd op
                                het moment van het recht op uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is
                                60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31 december
                                2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP
                                Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                overgemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het
                                vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt
                                berekend tot het moment van uittreden. </al></li><li nr="6."><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                                pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li><li nr="7."><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                                bezoldiging.</al></li><li nr="8."><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als
                                bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></li><li nr="9."><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren
                                niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59
                                jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31
                                december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden. </al></li><li nr="10."><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie
                                van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg
                                met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                            met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al></li><li nr="2."><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al></li></lijst><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="4*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="4*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="16*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,278 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>20</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>22</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>23</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>24</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>26</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>27</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>28</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>29</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>30</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>32</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>62</al></entry><entry colname="col8"><al>1.019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij
                        regionalisering</onderstreept></al><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al><onderstreept>Paragraaf 4 De ambtenaar in een bezwarende functie geboren
                            voor 1950</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:46 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende functie,
                        die geboren is voor 1950.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:47 Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar
                            geboren voor 1950 in een bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat hij een FPU-uitkering
                                aanvraagt en ontvangt, vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                die waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt, volledig ontslag
                                verleend op grond van artikel 8:11. </al></li><li nr="2."><al>De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel later
                                in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                inachtneming van het tweede lid, verzoeken om de datum van ontslag,
                                bedoeld in het eerste lid, later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></li><li nr="4."><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60 jaar
                                aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering
                                aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al></li><li nr="5."><al>Bij toepassing van het derde lid wordt de aanvulling bedoeld in het
                                vierde lid actuarieel neutraal verhoogd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:47a Pensioenopbouw vanaf 62
                        jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62
                                jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting
                                gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de
                                helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het
                                bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten
                                worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                                opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten
                                van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw
                                voor meer dan de helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig
                                ten laste van de gewezen ambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                                schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van
                                        62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van
                                        artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                        pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                                        in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                                        gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                                        bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel
                                        9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden
                                voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:48 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van
                            artikel 9b:47</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit
                                of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van
                                of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:47, wordt op
                                uitkering, bedoeld in artikel 9b:47, vierde lid, een vermindering
                                toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de
                                inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                                gaan.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:49 Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende
                            functie, die niet voldoet aan voorwaarden voor FPU</onderstreept></al><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                        FPU-uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer
                                had;</al></li><li nr="b."><al>zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20
                                dienstjaren had.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende
                            functie</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                            of meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende
                        functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 ,
                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage van 2% van het
                                voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat de functie
                                werd bekleed.</al></li><li nr="2."><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></li><li nr="3."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen
                                als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet
                            bezwarende functie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde dat
                                de ambtenaar een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, maakt de
                                ambtenaar een keuze uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op de
                                        eerste dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar
                                        60 jaar en drie maanden is geworden;</al></li><li nr="b."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere
                                        datum dan bedoeld onder a.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder b
                                moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                werken.</al></li><li nr="3."><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig
                                ontslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt tot de
                                leeftijd van 62 jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna
                                wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel b, is hoofdstuk 5a van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                                FPU-uitkering is artikel 9b:51 van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62
                        jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de
                                mogelijkheid van artikel 9b:52 lid 1 onder a, bij het bereiken van
                                de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die
                                artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                                voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze
                                vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1
                                januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever
                                afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog
                                verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen
                                ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname
                                waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt,
                                komen ten allen tijde volledig ten laste van de gewezen
                                ambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                                schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                                        jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel
                                        16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                        pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                                        in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                                        gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                                        bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel
                                        9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                        gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid
                                        die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                                        moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                                        de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de
                                        werkgever.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                                maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                bereikt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van
                            artikel 9b:52</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit
                                of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van
                                of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:52, wordt op
                                uitkering, bedoeld in artikel 9b:52, derde en vierde lid, een
                                vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
                                waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten
                                bezoldiging te boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                            meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                            mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop -
                            in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking
                            kwam voor een WIA/WAO uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                            levensloop heeft ontvangen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</onderstreept></al><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel 9b:22,
                        artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof
                        </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                                doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft
                                gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf
                                de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de
                                leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon verlof verleend
                                voor een periode van 3 jaar, tegen doorbetaling van 70% van de voor
                                de ambtenaar geldende bezoldiging. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het
                                vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer
                                het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar,
                                het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum
                                daartoe verzoeken.</al></li><li nr="6."><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar
                                bij uittreden recht op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in
                                het eerste lid.</al></li><li nr="7."><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, dan is het zesde lid niet van toepassing en behoudt de
                                ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en met vijfde
                                lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst,
                            eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel
                            9b:56</onderstreept></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:58 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                            artikel 9b:56</onderstreept></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                            artikel 9b:56 </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56,
                                inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                                artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van
                                de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                                geworden.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:56.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                            verlof </onderstreept></al><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof
                        </onderstreept></al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon
                        verlof.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                            leeftijd van 50 jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar
                                valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van
                                herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel
                                9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62
                                van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar
                                en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze
                                ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze
                                keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog
                                wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4,
                                eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                                blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering
                        </onderstreept></al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing.</al><al><onderstreept>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                            dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het
                            eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                            levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA
                            uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                            ontvangen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor
                        een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                        ontvangen.</al><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a
                        en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig
                                buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen
                                doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. </al></li><li nr="2."><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof
                                als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het aantal
                                dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60
                                jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                jaar.</al></li><li nr="4."><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode,
                                waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van
                                het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie
                                het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd
                                volledig verlof later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde
                                hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in
                                de bezwarende functie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het
                                college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar
                                bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste
                                lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment met een maximum
                                van 20 dienstjaren.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en behoudt de
                                ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en met zesde
                                lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst,
                            eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel
                            9b:67</onderstreept></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:69 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                            artikel 9b:67</onderstreept></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al><onderstreept>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                            artikel 9b:67</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67
                                inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                                artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van
                                de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                                geworden.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of
                                hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats
                                indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene
                                loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel
                                9b:67.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                gratificatie.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de
                                wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te
                                overleggen.</al></li><li nr="8."><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen
                                bezoldiging toe te passen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                            verlof </onderstreept></al><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon
                            verlof</onderstreept></al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof.</al><al><onderstreept>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                            arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in
                                artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.
                            </al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50
                                jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5
                                niet van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard
                                vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></li><li nr="5."><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum
                                van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot
                                en met 9b:73 van toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering
                        </onderstreept></al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing. </al><al>Hoofdstuk 9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam
                        zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                        college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al><al>Hoofdstuk 9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of
                        die geboren is voor 1950, maar...</al><al><onderstreept>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                        geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                        geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald.</al><al><onderstreept>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31
                                december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of
                                daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof
                                verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></li><li nr="3."><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk
                                totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9d:3 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging,
                        worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b
                        gebracht.</al><al><onderstreept>Artikel 9d:4 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>Hoofdstuk 9e<sup/>De gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht</al><al><onderstreept>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van
                        hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al><onderstreept>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling
                                            FLO-overgangsrecht</vet>: een regeling als bedoeld in
                                        artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal;</al></li><li nr="f."><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                        Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als
                                        productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g."><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de
                                        netto spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het
                                        product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                        FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                        levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                        Ambulance en,</al></li><li nr="b."><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om
                                        in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                        op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage
                                        verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                        leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:3 Doel</onderstreept></al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                college.</al></li><li nr="2."><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname
                            levensloopregeling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat. </al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:6 Inleg</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                bedrag van de inleg per jaar.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                                wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al></li><li nr="3."><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                                bronnen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:7 Bronnen</onderstreept></al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                        volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al> het salaris</al></li><li nr="b."><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20
                            dienstjaren of meer op 1 januari 2006 </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van
                                ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de
                                som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.
                                De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken
                                van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed
                                en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt
                                plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang
                                van het onbezoldigd volledig verlof.</al></li><li nr="4."><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                volgt.</al></li><li nr="5."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li><li nr="6."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1.</al></li><li nr="7."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder
                            dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                                dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend
                                met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                                half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande
                                van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft
                                overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel
                                9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                                netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></li><li nr="4."><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59
                                jaar. </al></li><li nr="5."><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60
                                jaar. </al></li><li nr="6."><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.
                            </al></li><li nr="7."><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog
                                geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in
                                een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige
                                leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt. </al></li><li nr="8."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></li><li nr="9."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1. </al></li><li nr="10."><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke
                            levensloopregeling FLO-overgangsrecht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt daarnaast: </al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag. </al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></li><li nr="4."><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed. </al></li><li nr="5."><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                ontslag. </al></li><li nr="6."><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                        voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b."><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                        waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond
                                        op hele maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></li><li nr="8."><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                3:1. </al></li><li nr="9."><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                9b:2. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij
                            regionalisering</onderstreept></al><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                        ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,
                                geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                                afkoop.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting
                            overgangsrecht</onderstreept></al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde
                        voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het
                        afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al><onderstreept>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een
                                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de
                                        Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald
                                        volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b."><al>b. ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
                                        een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                        Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor
                                        zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964
                                        niet worden overschreden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                                tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat
                                hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het
                                college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></li><li nr="3."><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband. </al></li><li nr="4."><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde
                                verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                aanbieders. </al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 10 Wachtgeld</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10:1 Betrokkene</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                        artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een
                                        betrekking:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste
                                vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al><lijst><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                        artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij
                                        toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6,
                                        tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld
                                in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het
                                voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling
                                ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:2 Lichamen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al><onderstreept>Artikel 10:3 Diensttijd</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door
                                een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen
                                geldig zou zijn verklaard.</al></li><li nr="2."><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van even genoemde regeling niet is verbonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders
                                dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden,
                                worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag
                                waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd
                                buiten beschouwing wordt gelaten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:5 Bezoldiging</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></li><li nr="3."><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op
                                wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de
                                betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
                                        het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                        bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht
                                op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van
                                het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge
                                artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op de eerste dag
                                volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5,
                                onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                                wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is
                                ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten
                                toepassing laten van het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd.
                                Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in
                                die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                ingegaan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                                het ontslag ingaat.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al><al> wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="§"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                                jaar;</al></li><li nr="§"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35
                                                jaar, en</al></li><li nr="§"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                                jaar.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van: </al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><lijst><li nr="5."><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid; of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakantie.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. In geval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></li><li nr="8."><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                                bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
                                duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
                                leden.</al></li><li nr="2."><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                                        gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
                                waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
                                berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
                                mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
                                van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                                duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
                                het volgende lid, in mindering gebracht.</al></li><li nr="4."><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten
                                tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
                                som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
                                jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
                                is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                                verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt.</al></li><li nr="5."><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het
                                geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                verlenging, buiten aanmerking</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
                                wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></li><li nr="2."><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                vervolgwachtgeld een jaar. </al></li><li nr="4."><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar. </al></li><li nr="5."><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid
                                van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum. </al></li><li nr="6."><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,
                                aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel
                                10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                                bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft
                                aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
                                wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer
                                dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum. </al></li><li nr="7."><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.
                            </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen
                                maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb.
                                1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3
                                procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter
                                niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht
                                zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                                wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
                                gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen,
                                en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                toegekend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk
                                aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien
                                verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
                                wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:11 Bedrag van het
                        vervolgwachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23
                                jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld
                                in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet,
                                beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld
                                in artikel 15 van die wet.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:12 Verplichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is
                                hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></li><li nr="2."><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                                werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op
                                die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld
                                ontstaat.</al></li><li nr="3."><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                                verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                                betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben
                                bereikt.</al></li><li nr="5."><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                                verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het
                                college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van
                                inkomsten.</al></li><li nr="6."><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan
                                wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                medegedeeld.</al></li><li nr="7."><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van
                                de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></li><li nr="5."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:14 Verhuiskosten</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al><onderstreept>Artikel 10:15 Vermindering</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het
                                wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
                                inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de
                                bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                                inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging
                                overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het
                                bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en
                                waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden
                                inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
                                inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
                                ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                                wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In
                                afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
                                wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering,
                                in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van
                                het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is
                                toegekend.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen vóór even bedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
                                opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
                                verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle even
                                genoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                                eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></li><li nr="2."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
                                wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                                termijn.</al></li><li nr="3."><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></li><li nr="4."><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
                                bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:17 Verlenging</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al><onderstreept>Artikel 10:18 Opschorting</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:19 Samenloop</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>1.Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met
                        recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></li><li nr="3."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></li><li nr="4."><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de
                                termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts
                                uitbetaald voor zover het even bedoelde uitkeringen te boven
                                gaat.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:20 Betaling</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
                                werd genoten.</al></li><li nr="2."><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:21 Afkoop</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al><onderstreept>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                        eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
                                        doet; </al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                        tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt,
                                        tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
                                        gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn
                                        gesteld; </al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
                                de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan
                                wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
                                wordt toegekend. </al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
                                het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
                                of uitgesloten en of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                                oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
                                functionering van de openbare dienst. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                        derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar
                                        op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                        instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                        doen verlengen; </al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                        oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                        instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat
                                        voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
                                        werk te aanvaarden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
                                wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van
                                artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                                nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
                                over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
                                ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
                                dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
                                dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al></li><li nr="2."><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
                                een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
                                het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel
                                10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
                                wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
                                uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
                                wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
                                het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></li><li nr="3."><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
                                de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></li><li nr="4."><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
                                begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
                                begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
                                bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
                                nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
                                1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                termijnen betaald.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                                minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al></li><li nr="5."><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in even genoemde
                                verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al><onderstreept>Artikel 10:29 Slotbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                december 2000.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 10a Bovenwettelijke
                            werkloosheidsuitkering</onderstreept></al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel
                                        16 van de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden
                                        is;</al></li><li nr="c."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de
                                        Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als
                                        bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                                        werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de
                                        Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d."><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de
                                        ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                        aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit
                                        hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in
                                        paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de
                                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel
                                        10a:9, lid 3.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop
                            met suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></li><li nr="3."><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
                                mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet.</al></li><li nr="4."><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                            berekeningsgrondslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering:
                            indexering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></li><li nr="2."><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag
                                van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering:
                        bedrag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van
                                de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                                berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al></li><li nr="4."><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld
                                in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                            mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                            geworden</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
                                van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
                                is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="4."><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                            mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                            toepassing is</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                        op de aanvullende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in
                                lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                                Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                                aanvullende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent
                                het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig
                                dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag
                                waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen
                                zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></li><li nr="3."><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen
                                komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de
                                duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te
                                kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
                                komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan
                                de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                                aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:10 Anticumulatie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:11 Scholing</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering. </al><al><onderstreept>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet
                                ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een
                                aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                                als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat
                                ziekengeld.</al></li><li nr="2."><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen
                                tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op
                                grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte
                                ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</al></li><li nr="3."><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:12a Aanvulling op
                        Waz-uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het
                        voor haar geldende dagloon.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:12b Aanvulling op
                        REA-uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge
                                een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij
                                proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op
                                een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie
                                arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende
                                uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij
                                geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er
                                ook in dit geval recht op aanvulling.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een
                                WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een
                                overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag
                                van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                                betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></li><li nr="2."><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
                                WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
                                uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                woont.</al></li><li nr="2."><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
                                        ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om
                                        arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel
                                        a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering
                                        op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
                                        een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                        bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden
                                        is aan dat recht op een WW-uitkering. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht
                                heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de
                                aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al></li><li nr="4."><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
                                het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
                                van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
                                gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland
                                had gewoond. </al></li><li nr="5."><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
                                naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
                                mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
                                dezelfde periode. </al></li><li nr="6."><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10a:14 Diensttijd</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan
                                het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden,
                                alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn
                                verklaard.</al></li><li nr="2."><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
                                het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                                ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van even genoemde
                                regeling niet is verbonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee
                                        gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens
                                        onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van
                                        de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        ingaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop
                            met suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot
                                        en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                                        8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde
                                        lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die
                                door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
                                8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
                                is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
                                volzin biedt.</al></li><li nr="4."><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van
                                de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de
                                geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                                de Werkloosheidswet is verstreken.</al></li><li nr="5."><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het
                                recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.</al></li><li nr="6."><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering
                                op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering
                                ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet is verstreken</al></li><li nr="7."><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al></li><li nr="8."><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel
                                8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                                aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in
                                artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet. </al></li><li nr="9."><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en </al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
                                van de datum van het ontslag.</al></li><li nr="4."><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                            mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                            geworden</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht
                                heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003
                                maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op
                                drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de
                                        loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd
                                        in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die
                                waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
                                basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de
                                aansluitende uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                            mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                            toepassing is</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                            berekeningsgrondslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering:
                            indexering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering:
                        bedrag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag,
                                zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="2."><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al></li><li nr="3."><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op
                                een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                                uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                                Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de
                                uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
                                verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering,
                                berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van
                                het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                aansluitende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet
                                van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:23 Anticumulatie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:24 Scholing</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                                overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                                Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat
                                het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13
                                weken.</al></li><li nr="2."><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou
                                hebben gewoond.</al></li><li nr="2."><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede,
                                vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 4 Bovenwettelijke
                            </onderstreept><onderstreept>re-integratie
                            </onderstreept><onderstreept>maatregelen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming
                            verhuiskosten</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
                                nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                verhuizing.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming
                                in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het
                                eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming
                            verhuiskosten</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                                aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                        bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                        werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                        oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                        uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde
                                        tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de
                                        overlegging van het arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats
                                        van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen
                                        deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer
                                        moet bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                        hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft
                                        als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze
                                        melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat
                                        de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst
                                als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is
                                verhuisd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:28 </onderstreept><onderstreept>Re-integratie
                            </onderstreept><onderstreept>toeslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een re-integratie toeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
                                        aanvaardt en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager
                                        is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                        berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                        lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De re-integratie toeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                college.</al></li><li nr="3."><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is
                                dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                                re-integratie toeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang
                                van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3
                                genoemde berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="4."><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke
                                aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                                overeengekomen.</al></li><li nr="5."><al>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel
                                10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het
                                eerste lid genoemde re-integratie toeslag.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:29 Re-integratie toeslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de re-integratie toeslag is negen maanden voor elk vol
                                jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
                                aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet
                                zou hebben verkregen.</al></li><li nr="2."><al>Voor de bepaling van de duur van de re-integratie toeslag op basis
                                van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog
                                recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar
                                beneden afgerond.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:30 Re-integratie toeslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De re-integratie toeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                        betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
                                        maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de
                                        re-integratie toeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b
                                wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
                                betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                        arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van
                                        de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking, blijft de re-integratie toeslag gelden voor die uren
                                waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan
                                naar rato uitgekeerd.</al></li><li nr="4."><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van
                                dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een re-integratie
                                toeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te zijn.</al></li><li nr="5."><al>Indien het recht op re-integratie toeslag op grond van het eerste
                                lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                herleven.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:31 </onderstreept><onderstreept>Re-integratie
                            </onderstreept><onderstreept>toeslag</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De re-integratie toeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking
                                aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="2."><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28,
                                derde lid, vult de re-integratie toeslag de inkomsten uit de nieuwe
                                betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar
                                rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:32 Re-integratie premie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de betrokkene kan een re-integratie premie worden
                                toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                        wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                        bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig
                                        wordt opgeheven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verzoek tot toekenning van de re-integratie premie dient
                                uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de
                                Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Toekenning van een re-integratie premie is alleen mogelijk indien
                                het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien op verzoek van betrokkene een re-integratie premie wordt
                                toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene
                                op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en
                                10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent
                                de toekenning van een re-integratie premie genomen is, wordt
                                negatief besloten op dit verzoek.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:33 Re-integratie premie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De berekeningsgrondslag van de re-integratie premie is de som van de
                                maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke
                                uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is
                                op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
                                werkgever.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toekenning van een re-integratie premie wordt uitgegaan van
                                de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de
                                datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                invloed op de berekeningsbasis van de re-integratie premie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10a:34 Re-integratie premie</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De re-integratie premie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al><onderstreept>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10a:35 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al><onderstreept>Artikel 10a:38 Slotbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                                juli 2008 wordt ontslagen.</al></li><li nr="2."><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
                                moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
                                tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 10d Van Werk Naar Werk aanpak en voorzieningen bij
                            werkloosheid</onderstreept></al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Werkingssfeer en
                        begripsbepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                        organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of
                        8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6
                        of 8:8 ontslagen is.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>aanvullende uitkering</vet> uitkering tijdens de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al><vet>bezoldiging</vet> het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct
                                voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start van
                                het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage
                                en de eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke
                                salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al><vet>gemeentelijke sector</vet> de gemeenten en gemeenschappelijke
                                regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al><vet>boventalligheid:</vet> de situatie dat een ambtenaar wegens
                                reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al><vet>na-wettelijke uitkering</vet> de uitkering na afloop van de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkloosheid</vet> werkloosheid als bedoeld in de
                                Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de
                                beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                                gemeente;</al></li><li nr="g."><al><vet>werkloosheidsuitkering</vet> uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale
                        afspraken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                bepalingen in dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
                                afspraken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                            8:8</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                            8:8</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                treft het college een passende regeling.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door
                                het college gehoord.</al></li><li nr="3."><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud
                                van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit
                                hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond
                            van onbekwaamheid of ongeschiktheid
                            (art</onderstreept><onderstreept>ikel</onderstreept><onderstreept>
                            8:6)</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>re-integratiefase: </vet> de fase voorafgaand aan ontslag,
                                waarin door middel van een re-integratie plan afspraken worden
                                gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het
                                best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als
                                doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b."><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
                                staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te
                                bevorderen; </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor
                        ontslag</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                recht op een re-integratiefase.</al></li><li nr="2."><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van
                                artikel 8:6.</al></li><li nr="3."><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                                overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></li><li nr="4."><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij
                                wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van
                                indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de
                                datum van de start van de re-integratiefase. </al></li><li nr="5."><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c."><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van
                                deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt.</al></li><li nr="2."><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                re-integratieplan.</al></li><li nr="3."><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid
                                genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en
                                een na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:8 Verlenging re-integratie fase bij nalatigheid
                            gemeente</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens
                                de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                re-integratieplan.</al></li><li nr="2."><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                                oorspronkelijke re-integratie fase.</al></li><li nr="3."><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></li><li nr="4."><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken
                                uit het re-integratie plan van kracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                            levensloop</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                tijdens de re-integratie fase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                        arbeidsduur; en</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
                                        opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling;
                                        en</al></li><li nr="c."><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                        ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                        bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het re-integratie plan,
                                tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                voortgezet.</al></li><li nr="5."><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op.
                            </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het
                                college gehoord. </al></li><li nr="3."><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                afspraken over: </al><lijst><li nr="§"><al>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                        neergelegd zijn in het re-integratie plan;</al></li><li nr="§"><al>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing,
                                        het begin van die scholing, het einde van die scholing, de
                                        betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="§"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="§"><al>sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten
                                voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De
                                kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits
                                redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een
                                maximum van € 7.500,00.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 5 Van werk naar
                            werk</onderstreept><onderstreept>begeleiding bij
                            boventalligheid</onderstreept></al><al><vet>Toelichting</vet> In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen
                        voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</onderstreept></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
                        ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
                        gemeente.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                            werk-traject</onderstreept></al><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                        werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
                        verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</onderstreept></al><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
                        ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
                        werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
                        plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
                        aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:14 Start Van werk naar
                        werk-traject</onderstreept></al><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                        boventallig verklaring in werking is getreden.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:15 Van werk naar
                        werk-onderzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken
                                college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al></li><li nr="2."><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                                loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></li><li nr="3."><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum
                                waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen
                                een maand na die datum afgerond.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                werk-contract op. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></li><li nr="3."><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="§"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en
                                        de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="§"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk
                                        naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="§"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                        beschikbare budget;</al></li><li nr="§"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken
                                        uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="§"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                        sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op
                                        het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt
                                        tenminste 20% van de omvang van de aanstelling; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                        voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot
                                een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien
                                van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een
                                afzonderlijk besluit.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                            werk-contract</onderstreept></al><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
                        de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
                        maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
                        verslag opgemaakt.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar
                        werk-traject</onderstreept></al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
                        dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
                        reden.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of
                                de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente
                                weigert. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van
                                het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich
                                niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                werk-contract.</al></li><li nr="3."><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het
                                eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag
                                verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op
                                die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval
                                kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid
                                en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                                na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten
                                of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd
                                loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college
                                over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de
                                evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De
                                ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al></li><li nr="2."><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op
                                de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de
                                kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn
                                vergroot.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                niet wordt overgenomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                            werk-traject</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing. </al></li><li nr="2."><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet
                                wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                                artikel 8:3.</al></li><li nr="3."><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
                                na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar
                            werk-traject</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging
                                van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de
                                ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van
                                werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of
                                geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten
                                het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat
                                een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan
                                één keer worden verleend. </al></li><li nr="2."><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                                werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                                ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></li><li nr="3."><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag
                                na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is
                                verlengd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                            werk-contract </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij
                                zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk
                                naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in
                                een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk
                                afspraken te maken over verbetering. </al></li><li nr="2."><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het
                                eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk
                                naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen
                                dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract. Deze
                                partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als
                                richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt
                                het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering
                                van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.</al></li><li nr="4."><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik
                                maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen
                                op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond
                                van artikel 8:3.</al></li><li nr="5."><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel
                                een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de
                                paritaire commissie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen
                                in deze paragraaf. </al></li><li nr="2."><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></li><li nr="3."><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een
                                bindend advies uit.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                        re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
                                        beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de
                                        orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                        werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
                                        beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        en deze ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat
                                de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende
                                uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed
                                kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij
                            ontslag</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De aanvullende uitkering kent twee fases.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van €
                                        4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                        dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een
                                        bedrag van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is; </al></li><li nr="c."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van
                                        de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de
                                        ambtenaar werkloos is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een
                                        bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een
                                        bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van
                                        het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van
                                        de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de
                                        ambtenaar werkloos is. .</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij
                            ontslag</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen
                                vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></li><li nr="2."><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop
                                van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                werkloosheidsuitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:28 Sancties</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast
                                op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast
                                op de aanvullende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie
                                op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast
                                kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering
                                geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
                                op.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</onderstreept></al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al><onderstreept>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht
                                op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                        werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b."><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                        gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                                        van zijn na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het
                                ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke
                        uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.
                            </al></li><li nr="2."><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is.</al></li><li nr="3."><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in
                                verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude
                                bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de
                                na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke
                        uitkering</onderstreept></al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a."><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar </al></li><li nr="c."><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke
                        uitkering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></li><li nr="2."><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                eindigt.</al></li><li nr="3."><al>De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9
                                maanden bereikt heeft.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke
                        uitkering</onderstreept></al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:35 Afkoop</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op
                                verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de
                                na-wettelijke uitkering. </al></li><li nr="2."><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                                waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van
                            minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                            herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                            arbeidsongeschiktheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
                                gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid,
                                is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
                                herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere
                                uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de
                                restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is
                                vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                bijzondere uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                            grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                            7:16</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging
                                voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></li><li nr="2."><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                mindering gebracht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                            van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                            7:16</onderstreept></al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al><onderstreept>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</onderstreept></al><al>In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                sector en</al></li><li nr="b."><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 +
                                (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien
                                verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X
                                staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                                factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 10e Bijzondere bovenwettelijke
                            werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met op 1 januari 2008 20
                            dienstjaren of meer</onderstreept></al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 11 Uitkeringsregeling ontslag</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 11:1 Betrokkene</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
                                        waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling
                                        minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                        regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag
                                        niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen
                                        schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen
                                        recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                                        ontlenen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
                                of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel
                                buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
                                moet veranderen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:2 Lichamen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al><onderstreept>Artikel 11:3 Diensttijd</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
                                inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></li><li nr="2."><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van even genoemde regeling niet is verbonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang
                                van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
                                diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:5 Bezoldiging</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></li><li nr="3."><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:6 Recht op uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
                                wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26
                                        weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                        11:7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
                                        drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in
                                        artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge
                                        artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
                                        11:8, vierde lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
                                waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
                                verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
                                verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
                                hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
                                lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur
                                van de perioden van de bedoelde verhindering.</al></li><li nr="3."><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
                                genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking
                                waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer
                                dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
                                plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking
                                zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                ontvangen.</al></li><li nr="5."><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
                                lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="6."><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan
                                de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is
                                voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
                                inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                plaatsgehad.</al></li><li nr="7."><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                        suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd
                                        van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                        wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
                                        moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                        werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                        heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
                                        eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
                                        een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met
                                        zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
                                        is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
                                uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen,
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                door de betrokkene.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                ontslag ingaat.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur
                                        van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een
                                        arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en; </al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar
                                        een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage
                                        op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                        het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden,
                                        indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                        gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                        aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in
                                        het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het
                                        derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakanties.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></li><li nr="8."><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
                                dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
                                van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
                                lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
                                vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
                                gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
                                wordt afgerond op hele maanden.</al></li><li nr="3."><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></li><li nr="4."><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
                                ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
                                diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
                                jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
                                uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
                                maanden een bijzondere verlenging verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:9 Vervolguitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
                                uitkering recht op een vervolguitkering.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                vervolguitkering een jaar.</al></li><li nr="4."><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van
                                zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al></li><li nr="5."><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al></li><li nr="6."><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
                                en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
                                aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                                uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
                                deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al></li><li nr="7."><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                vervolguitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
                                bezoldiging.</al></li><li nr="3."><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
                                procentpunten verhoogd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:11 Bedrag van de
                        vervolguitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste
                                lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of,
                                indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
                                leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
                                artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
                                wet.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:12 Verhuiskosten</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al><onderstreept>Artikel 11:13 Vermindering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in
                                artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
                                boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
                                vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
                                ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
                                ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
                                op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
                                was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
                                het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
                                met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
                                betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
                                doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
                                waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
                                deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                                dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
                                van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
                                toegekend.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór even bedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></li><li nr="5."><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
                                van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
                                dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                                alle even genoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen
                                van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al></li><li nr="2."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke
                                uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                                termijn.</al></li><li nr="3."><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></li><li nr="4."><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
                                bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
                                artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde
                                partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de
                                overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                                geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van
                                ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                                overledene kostwinner was.</al></li><li nr="2."><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
                                door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
                                op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
                                11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
                                uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                                aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
                                bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
                                van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></li><li nr="4."><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van
                                de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></li><li nr="5."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft
                                op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met
                                11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens
                                ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met
                                ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
                                toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene
                                deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft
                                genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit
                                luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:18 Samenloop</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                        en met 11:15, opgeschort.</al><al><onderstreept>Artikel 11:19 Afkoop</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al><onderstreept>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                            uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
                                vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
                                wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
                                toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                                laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
                                van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
                                publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                        dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
                                        een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde
                                        werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                        dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                        dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                        bestaat.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
                                opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                        ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a,
                                        arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                        werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                        Werkloosheidswet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
                                gewerkte weken.</al></li><li nr="5."><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
                                maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
                                uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
                                bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
                                bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al></li><li nr="7."><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
                                niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
                                opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:21 Verplichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is
                                hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></li><li nr="2."><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                                werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op
                                die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen
                                daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het
                                arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al></li><li nr="3."><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                                verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                                betrokkenen.</al></li><li nr="5."><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
                                te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
                                algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
                                het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al></li><li nr="6."><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:22 Opschorting</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak
                                op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten
                                bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de
                                betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of
                                verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling
                                opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                                bestaat.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:23 Samenloop</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>1.Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met
                        recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></li><li nr="3."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:24 Samenloop</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die
                        aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen
                        niet uitbetaald.</al><al><onderstreept>Artikel 11:25 Betaling</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                uitkering werd genoten.</al></li><li nr="2."><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                uitkering over langere termijnen geschieden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:26 Verval van uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                        bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan
                                        wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                        artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                        zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin
                                        hij een uitkering geniet, de in even genoemde leden bedoelde
                                        inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
                                        verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
                                        lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                        redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel
                                        indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat
                                        hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                        vinden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></li><li nr="3."><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
                                welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
                                vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
                                verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                                zijn gegaan.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
                                van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                vervanging van stakers of uitgesloten en of om werknemers behulpzaam
                                te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
                                of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:27 Einde van het recht op
                        uitkering</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
                                        op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
                                        bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
                                uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
                                artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></li><li nr="3."><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al><onderstreept>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></li><li nr="3."><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
                                tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
                                werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
                                lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
                                voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
                                13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
                                augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
                                uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
                                duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                                tweede lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in even genoemde
                                verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11:31 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 11:32 Slotbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31
                                december 2000. </al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 11a Suppletie</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in
                                        de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b."><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                        uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                        WAO;</al></li><li nr="d."><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                        artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                        ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                        vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                        tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is,
                                        met uitzondering van degene die zijn resterende
                                        verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                        betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel
                                        8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
                                        verlenen;</al></li><li nr="f."><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                        11a:6;</al></li><li nr="g."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
                                        maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                        Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
                                        bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet
                                        financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend
                                        geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van
                                        de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten
                                        particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel
                                        1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                        Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h."><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                        dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                        ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                        toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen
                                        uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                                        ontleend;</al></li><li nr="i."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering
                                        ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit
                                        enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
                                ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                van zijn betrekking wegens ziekte.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde
                                ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken
                                heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden
                                worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                                onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                                Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare
                                arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen
                                geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
                                bekwaamheden in staat is.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:6 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van
                                de suppletie.</al></li><li nr="2."><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan
                                de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:7 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
                                het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
                                in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
                                periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                                genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
                                vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
                                welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al></li><li nr="2."><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
                                maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:8 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering
                                dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het
                                bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht
                                op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer
                                recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de
                                toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
                                ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van
                                de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
                                dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                                vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                                laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
                                van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
                                bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
                                in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                                feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de toerekening wijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
                                een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
                                bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
                                toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                overeenkomt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:9 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in
                                het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                        waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                        aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                        voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en
                                        b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid
                                        of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden
                                        genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
                                        meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn
                                        van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                        het ontslag.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:10 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
                        wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:11 Suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                                suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
                                gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
                                over een tijdvak van drie maanden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                        partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
                                        echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
                                        degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
                                        kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
                                        gezinsverband leefde.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                                geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van
                                verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
                                huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie
                                bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.</al></li><li nr="4."><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
                                slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
                                voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
                                de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
                                verzorging voorzien.</al></li><li nr="5."><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
                                aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
                                waarop betrokkene recht had.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                                bestaat.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie
                                heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
                                regel per maand achteraf.</al></li><li nr="4."><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
                                betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
                                van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
                                stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
                                bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
                                suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
                                van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></li><li nr="3."><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd
                                als een suppletie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                            activiteiten</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
                                regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
                                te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
                                een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan
                                een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke
                                opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te
                                stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding
                                of scholing is geëindigd.</al></li><li nr="3."><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
                                het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                            activiteiten</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                                onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                bestuursorgaan nodig.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                        suppletie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                artikel 11a:15.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging
                            of uitkering wegens ziekte</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de
                                Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum,
                                en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft
                                recht op suppletie.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een
                                op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                van:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>1 maand</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>gedurende de eerste 27 maanden 80%</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>vervolgens 33 maanden 70%</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>16 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>17 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>19 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>20 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>21 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>22 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>23 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>24 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>25 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>26 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>27 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>28 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>29 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>30 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>32 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>33 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>34 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>35 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>36 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>37 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>39 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>40 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>41 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>42 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>43 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>45 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>46 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>47 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>48 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>49 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>50 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>51 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>52 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>53 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>54 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>55 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>56 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>57 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>58 maanden</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>59 maanden </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8,
                                11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met
                                11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
                                als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met
                                inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</al></li><li nr="5."><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met
                                dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag
                                voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in
                                artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van
                                de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></li><li nr="6."><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden
                                afgerond op een hele maand.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging
                            of uitkering wegens ziekte</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                        arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
                        Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
                        invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
                        een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem
                        als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid,
                        van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                        eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al><onderstreept>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                        neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
                        zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                        gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                        doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding
                        van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al><onderstreept>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al><onderstreept>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
                                artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
                                grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
                                met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
                                heeft op een WAO-uitkering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 12 Overleg met organisaties van
                            overheidspersoneel</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                        commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                        collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die
                                        werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                        groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                        overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn
                                        toegelaten tot het centraal overleg met het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
                                uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
                                vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></li><li nr="3."><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
                                van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van
                                Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van
                                Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs,
                                bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze
                                centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                worden.</al></li><li nr="4."><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in
                                de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
                                ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van
                                ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van
                                de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal
                                leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is
                                met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van
                                de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                                overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</al></li><li nr="5."><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden.
                                Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg
                                besproken.</al></li><li nr="6."><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
                                representatief geacht worden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:1:1 Samenstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
                                bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
                                meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
                                geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
                                telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                                zijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties,
                                welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien
                                verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
                                geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties
                                gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                                bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:1:2 Samenstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                                artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der
                                op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                                aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
                                schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als
                                vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze
                                gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:1:3 Samenstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.</al></li><li nr="3."><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en
                        UWO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de
                                tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de
                                commissie voor georganiseerd overleg.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat,
                                ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het
                                college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd
                                overleg.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en
                        UWO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel,
                                wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen,
                                stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op
                                de hoogte.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                                inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
                                        bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                        betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
                                vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
                                12:2.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen
                                belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die
                                voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken
                                van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel.</al></li><li nr="2."><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie
                                voor georganiseerd overleg.</al></li><li nr="3."><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling
                                hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                overeenstemming leidt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</onderstreept></al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                        daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                        concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al><onderstreept>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                                bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
                                onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
                                beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
                                legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter
                                besluitvorming voor aan de raad.</al></li><li nr="3."><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen
                                van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
                                organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                                organisaties.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar
                                aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling
                                van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen
                                die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking
                                staan.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op
                                door hem te bepalen tijdstippen.</al></li><li nr="2."><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie
                                leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
                                verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
                                verzoek.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                                vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
                                de te behandelen onderwerpen.</al></li><li nr="2."><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste
                                de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat twee of meer
                                leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien
                                ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de
                                organisaties is vertegenwoordigd.</al></li><li nr="3."><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen
                                14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die
                                onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</onderstreept></al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al><onderstreept>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                deelnemen.</al></li><li nr="3."><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan
                                door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie;
                                zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de
                                grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken
                                aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
                                van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de
                                hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</onderstreept></al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al><onderstreept>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem
                                uit.</al></li><li nr="2."><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
                                de voorzitter.</al></li><li nr="3."><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
                                door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
                                organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
                                haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met
                                dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in
                                aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere
                                organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
                                wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</al></li><li nr="4."><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</onderstreept></al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al><onderstreept>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</onderstreept></al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:1 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn
                        slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies-
                        en arbitragecommissie.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:2 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8
                        wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
                                in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:3:3 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                        toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2,
                        eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                        ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:4 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:5 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4,
                                schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor
                                georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen
                                zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></li><li nr="2."><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten
                                het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de
                                vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat
                                het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing
                                van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
                                het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en
                                arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een
                                arbitrale uitspraak van die commissie.</al></li><li nr="3."><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van
                                alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid, bevoegd.</al></li><li nr="4."><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
                                vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
                                toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van
                                toepassing.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:3:6 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt
                                het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
                                advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de
                                deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies
                                hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud
                                van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                                geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het
                                overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het
                                onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                advies- en arbitragecommissie.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 12:3:7 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:8 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al><onderstreept>Artikel 12:3:9 Advies- en
                        arbitragecommissie</onderstreept></al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk13 Overgangsbepaling en slotbepalingen
                            CAR</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling
                        CAR</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling treedt in werking per 1 januari 1996. </al></li><li nr="2."><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan
                                wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                regeling.</al></li><li nr="3."><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23
                                tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling
                        CAR</onderstreept></al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking
                        bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet
                        is afgewezen.</al><al><onderstreept>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling
                        CAR</onderstreept></al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk </onderstreept><onderstreept>14
                            Medezeggenschap</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 14:1 Medezeggenschap</onderstreept></al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al><onderstreept>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                            werknemers</onderstreept></al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
                        daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
                        in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de
                        WOR.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk </onderstreept><onderstreept>15 Overige rechten en
                            verplichtingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 15:1 Verplichtingen</onderstreept></al><al>De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen
                        en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1a Verplichtingen</onderstreept></al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                            diensten</onderstreept></al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                betrekking ter kennis is gekomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en
                        gelden</onderstreept></al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of
                                beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen,
                                anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1d In acht nemen
                        ordemaatregelen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
                                of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is
                                hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                mededelen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te
                                bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
                                verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
                                dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
                                kunnen raken.</al></li><li nr="2."><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                eerste lid gedane opgaven.</al></li><li nr="3."><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></li><li nr="4."><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
                                van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
                                ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie verbonden is.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een
                                door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken. </al></li><li nr="3."><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
                                te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de
                                goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
                                openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent
                                dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de
                            openbare dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                dienst.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
                                ten behoeve van anderen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:9 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met
                        15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere
                            werkgever</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                                werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                heeft, ter vervanging van stakers of uitgesloten werkzaamheden te
                                verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
                                behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
                                met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                                regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
                                noodzakelijk is.</al></li><li nr="2."><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
                                artikel 12:1 tweede lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere
                        werkzaamheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
                                die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
                                en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                                aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                veiligheidsregio’s.</al></li><li nr="3."><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
                                het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van
                                de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht
                                van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                                plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
                                te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
                                oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
                                taak.</al></li><li nr="5."><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                zulks redelijkerwijs toelaten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
                                zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></li><li nr="2."><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan
                                op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar
                                in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
                                verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen
                                kenbaar te maken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige
                            ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
                                hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                                genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al></li><li nr="2."><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                                aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien
                                in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat
                                personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al></li><li nr="3."><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens
                                aanwijzing door of namens het college.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:14 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de
                        ambtenaar</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college
                                te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                                uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en
                                omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die
                                betrekking.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar
                                zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of
                                de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze
                                aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt
                                geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij
                                zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd
                                kan worden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of
                            dienstkleding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking
                                de door het college voor die betrekking of voor bepaalde
                                werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                onderscheidingstekenen te dragen.</al></li><li nr="2."><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
                                namens het college toestemming is gegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes
                                of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken
                                te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn
                                verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het
                                college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing
                                ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door
                                het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.</al></li><li nr="4."><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende
                                de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid
                                bedoelde kleding.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:17 Standplaats</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                                worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                                name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                                zijn werkzaamheden verricht.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde
                                nadere regels stellen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
                                de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
                                daaromtrent zijn gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
                                tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:19 Verbod betreden
                        arbeidsterrein</onderstreept></al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
                                een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens
                                de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt,
                                mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de
                                dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de
                                hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
                                volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor
                                overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht
                                moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan
                                het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:21 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten
                                ter zake van reizen in het belang van de dienst.</al></li><li nr="2."><al>Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de
                                daarvoor door het college gestelde regelen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                                uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke
                                hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de
                                vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat
                                uit de normale slijtage dier goederen.</al></li><li nr="2."><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van
                                zijn betrekking, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                        grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
                                        rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een
                                        vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                        belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</onderstreept></al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                        vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem
                        daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze
                        toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</onderstreept></al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</onderstreept></al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</onderstreept></al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd. </al><al><onderstreept>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</onderstreept></al><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de
                        betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een
                        bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>extra verlof;</al></li><li nr="b."><al>gratificatie.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke
                            bepalingen</onderstreept></al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</onderstreept></al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al><onderstreept>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke
                            organisatie</onderstreept></al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
                        hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
                        hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
                        in de gemeentelijke organisatie.</al><al><onderstreept>Artikel 15:2 Klokkenluiders</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></li><li nr="2."><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 15:3 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 16 Disciplinaire straffen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                                overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling
                                aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen
                                van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van
                                de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.</al></li><li nr="2."><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                                disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar
                                        vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                        lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren
                                        met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande
                                        dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de
                                        voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;</al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
                                        uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                        kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
                                        per jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                        bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                        maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                        verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                        herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten
                                        hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
                                        laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door
                                        de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden,
                                        vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en
                                        ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;</al></li><li nr="h."><al>plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander
                                        onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en
                                        met of zonder vermindering van bezoldiging;</al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
                                        genot van bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden
                                opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede
                                de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het
                                bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door
                                de ambtenaar vervulde betrekking.</al></li><li nr="3."><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet
                                schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de
                                bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
                                en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen
                                bijzondere voorwaarden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 16:1:3 Verantwoording</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De
                                verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
                                12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze
                                termijn worden afgeweken.</al></li><li nr="2."><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
                                uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
                                hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
                                ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
                                in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
                                melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
                                ambtenaar uitgereikt.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
                                de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
                                of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
                                betrekking hebben.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 16:1:4 Verantwoording</onderstreept></al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al><onderstreept>Artikel 16:1:5 Verantwoording</onderstreept></al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk17 Opleiding en ontwikkeling</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn
                                duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens
                                positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert. </al></li><li nr="2."><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar
                                zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                loopbaanbeleid. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren
                                en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit. </al></li><li nr="2."><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                                onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                organisatieverandering.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                                gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                500.-. </al></li><li nr="2."><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan
                                loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit
                                opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde
                                in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaan
                                gerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training, scholing,
                                loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de vergroting
                                van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve van
                                een andere functie binnen of buiten de organisatie.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op
                                een reëel loopbaanperspectief.</al></li><li nr="5."><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                                vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></li><li nr="6."><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                                aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al></li><li nr="7."><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                                loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee
                                eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt
                                vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></li><li nr="8."><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop
                                van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is
                                benut komt het resterende budget te vervallen.</al></li><li nr="9."><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het
                                college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de
                                afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                                vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
                                volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</al></li><li nr="2."><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie
                                jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></li><li nr="4."><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door
                                het college vergoed.</al></li><li nr="5."><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van
                                de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen
                                de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></li><li nr="6."><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="§"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                        redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="§"><al> de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;
                                    </al></li><li nr="§"><al> de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
                                    </al></li><li nr="§"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                        worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door
                                        de ambtenaar; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;
                                    </al></li><li nr="§"><al> eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</onderstreept></al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al><onderstreept>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</onderstreept></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met
                        een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en
                        belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                        afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al><al><onderstreept>Artikel 17:7 Flankerend beleid</onderstreept></al><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                        beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                        Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 18 Verplaatsingskosten</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in
                                        de zin van de CAR;</al></li><li nr="b."><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te wijzen
                                        gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name genoemde
                                        deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                                        werkzaamheden verricht;</al></li><li nr="d."><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde
                                        partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                        pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot,
                                        geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e."><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en voor
                                        eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen
                                        meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van
                                        het bevoegde gezag;</al></li><li nr="f."><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van de
                                        bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen
                                        daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van
                                        toepassing is – die betrokkene geniet op het
                                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                        vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
                                        met: </al></li></lijst></li><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een
                                genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel
                                hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of
                                het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering;</al></li><li nr="3."><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement;</al><lijst><li nr="g."><al><vet>berekeningstijdstip:</vet> 1e datum waarop de
                                        betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor
                                        de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum
                                        van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden
                                        of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk
                                        bezoldiging werd genoten;</al></li><li nr="h."><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen
                                        onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                        betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i."><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in
                                        de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                        voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                        tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat
                                        de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j."><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                                        betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie
                                        aangewezen woning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming
                        verhuiskosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en
                                aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt
                                verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of
                                omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen,
                                dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te
                                betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst
                                van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen
                                wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al></li><li nr="3."><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
                                verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                bekend is.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming
                        verhuiskosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in
                                verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning
                                betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag
                                op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering
                                voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan
                                betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet
                                ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een
                                gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</al></li><li nr="3."><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></li><li nr="4."><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in
                                de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend,
                                met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die
                                waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het
                                woongebied.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming
                        verhuiskosten</onderstreept></al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
                        jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van
                        het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al><onderstreept>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming
                        verhuiskosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van
                                        de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de
                                        nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en
                                        uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al> een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de
                                        noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 292,68
                                        per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten
                                        hoogste voor vier maanden wordt verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                        voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.853,12.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is
                                bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum
                                van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met
                                dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid,
                                onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></li><li nr="3."><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin
                                van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of
                                zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis
                                vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben
                                en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die
                                aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de
                                berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                                voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de
                                hoogste berekeningsbasis.</al></li><li nr="4."><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor
                                deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van
                                de berekeningsbasis.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon-
                        werkverkeer</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals
                                bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe,
                                niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het
                                dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling,
                                zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een
                                tegemoetkoming in de verhuiskosten.</al></li><li nr="2."><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel
                                van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen,
                                heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in
                                huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de
                                pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied
                                als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten
                                hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij
                                metterwoon nog gevestigd is.</al></li><li nr="3."><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
                                het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs
                                van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te
                                verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen
                                als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt
                                of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg
                                daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de
                                reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel
                                een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de
                                betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks
                                heen en weer kan reizen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar
                                vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor
                                dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het
                                bedrag van € 3.708 per jaar.</al></li><li nr="3."><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension
                                met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst
                                mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen
                                gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat
                                station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 97,82 op
                                jaarbasis.</al></li><li nr="4."><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van
                                een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling
                                die niet per openbaar vervoer is te bereiken, of indien de
                                betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van
                                tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
                                vervoer is te bereiken, € 0,16 per kilometer met een maximum van 20
                                kilometer enkele reis.</al></li><li nr="5."><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                                tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan
                                geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25%
                                van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:7a Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer</onderstreept></al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
                        een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
                        bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
                        openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur
                        van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
                        hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al><onderstreept>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
                                tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met
                                gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de
                                betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de
                                door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.</al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
                                bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk
                                aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar
                                het tarief van de laagste klasse.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en
                            pensionkosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en
                                18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
                                verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van
                                betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al></li><li nr="2."><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte
                                kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in
                                geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór
                                1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het
                                bevoegde gezag is ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming
                            verhuiskosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de
                                datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn
                                ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
                                maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van
                                de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 18:1:12 Voorschot</onderstreept></al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al><onderstreept>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</onderstreept></al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze
                        regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al><onderstreept>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</onderstreept></al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
                        is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
                        ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
                        juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
                        2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
                        een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
                        de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
                        tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de
                            gemeentelijke brandweer</onderstreept></al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:1 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al><onderstreept>Artikel 19:2 Begripsbepaling</onderstreept></al><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                        loondienst is.</al><al><onderstreept>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</onderstreept></al><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
                        12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
                        overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al><al><onderstreept>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de
                            vrijwilliger</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van
                                dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                werkzaamheden heeft na te leven.</al></li><li nr="2."><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk
                                zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan
                        derden</onderstreept></al><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                        regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                        vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
                        kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="§"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="§"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke
                            dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in
                                tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></li><li nr="2."><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze
                                van proef.</al></li><li nr="3."><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                hoogste een jaar.</al></li><li nr="4."><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de
                                maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is,
                                tenzij de proef niet geslaagd is.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel
                                veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></li><li nr="2."><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger
                                voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                        karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                        werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                        zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren
                                        te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:7a Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht
                                van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                        vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling
                                        wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo
                                        nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                        vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                                mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:9 Bevordering</onderstreept></al><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
                        wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
                        minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</al><al><onderstreept>Artikel 19:10 Vervallen</onderstreept></al><al>(vervallen)</al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:11 Informatie over
                        hoofdwerkgever</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger
                                informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></li><li nr="2."><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                spoedig mogelijk over wijzigingen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:12 Informatie aan
                        hoofdwerkgever</onderstreept></al><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                        indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
                            </al></li><li nr="c."><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de
                                brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier
                                rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
                                tijdens werktijd; </al></li><li nr="e."><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 4 Vergoedingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:13 Vergoeding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                                overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                                CAR-UWO.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                                december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam
                                is, zolang de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de
                                regels van dit hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al></li><li nr="2."><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage,
                                genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie,
                                behorende bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de
                                tweede kolom.</al></li><li nr="3."><al>In de jaarvergoeding is een nettobedrag opgenomen van € 136, ter
                                vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                                beroepsuitoefening.</al></li><li nr="4."><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                                beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding
                                of andere hulpverlening.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                            werkzaamheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                                toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                                werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al></li><li nr="2."><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie
                                waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de
                                vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger voor die
                                activiteit geen recht op vergoeding. </al></li><li nr="3."><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding
                            en hulpverlening</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt
                                met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt
                                hiervoor een vergoeding.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in
                                de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de
                                functiecategorie, behorende bij de functie van de vrijwilliger, in
                                de vierde kolom. </al></li><li nr="3."><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige
                            aanwezigheid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer
                                ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
                                uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld
                                achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen
                                recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt
                                over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft,
                                een cursus gevolgd heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht
                                heeft. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</onderstreept></al><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
                        voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding
                        bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                                Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                                waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;
                            </al></li><li nr="b."><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</onderstreept></al><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
                        kazerneringsdiensten.</al><al><onderstreept>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                            zwangerschap</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode
                                dat zij niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of
                                niet deelneemt aan oefeningen recht op doorbetaling van de
                                vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag
                                dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de
                                eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon
                                in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het
                                college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel
                                sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:21 Opleidingskosten</onderstreept></al><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                        cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
                        deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.</al><al><onderstreept>Artikel 19:22 Gratificatie</onderstreept></al><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
                        van een gratificatie.</al><al><onderstreept>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke
                        regelingen</onderstreept></al><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                        gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al><onderstreept>Artikel 19:24 Salarismutaties</onderstreept></al><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
                        worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
                        van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
                        19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
                        betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
                        vergoedingen op eurocenten.</al><al><onderstreept>Paragraaf 5 Verzekeringen en
                        schadevergoeding</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                vrijwilliger.</al></li><li nr="2."><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval,
                                overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></li><li nr="3."><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                inhoud van de verzekering.</al></li><li nr="4."><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                vrijwilliger gebracht.</al></li><li nr="5."><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van
                                de polisvoorwaarden.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige
                        kosten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval
                                en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten
                                hoogste het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd. </al></li><li nr="2."><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste
                                lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan
                                het college in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in
                                de hogere kosten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig
                            ondernemers</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is
                                een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering
                                bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                dienstongeval.</al></li><li nr="2."><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien
                                dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking
                                van de verzekering.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:28 Schade aan kleding en
                        uitrusting</onderstreept></al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
                        en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                        aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of
                        nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor
                        zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.</al><al><onderstreept>Paragraaf 6 Zwangerschap</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:29 Zwangerschap</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                stadium bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                repressieve brandweeractiviteiten.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde
                                situaties vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de
                                bedrijfsarts.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten
                            vrijwilliger</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de
                            vrijwilliger</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger
                                voor de brandweerdienst.</al></li><li nr="2."><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of
                                niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet
                                daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig
                                de instructie van het college.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:31 Verplichtingen</onderstreept></al><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
                        en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al><onderstreept>Artikel 19:32 Eed of belofte</onderstreept></al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al><onderstreept>Artikel 19:33 Verboden</onderstreept></al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
                                namens het college;</al></li><li nr="b."><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming
                                is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c."><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</onderstreept></al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                        Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve
                        van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college
                        toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden
                        worden verbonden.</al><al><onderstreept>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het
                                college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te
                                dragen.</al></li><li nr="2."><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college
                                kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></li><li nr="3."><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is
                                verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></li><li nr="4."><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding
                                en uitrustingsstukken. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de
                            kleding</onderstreept></al><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
                                werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
                                waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="b."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
                                geven;</al></li><li nr="c."><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al></li><li nr="I."><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang,
                                behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II."><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen
                                daarvan door de staat of door het college toestemming is
                                verleend.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                gedeeltelijk te vergoeden. </al></li><li nr="2."><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                schadevergoeding op zijn vergoeding. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang
                            van de dienst</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                disciplinair worden gestraft. </al></li><li nr="2."><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als
                                het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in
                                gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</onderstreept></al><al>De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al> inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                19:14;</al></li><li nr="c."><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
                                vergoeding;</al></li><li nr="d."><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de
                            dienst</onderstreept></al><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem
                                het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek
                                van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
                                maakt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 9 Ontslag</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                                verzoekt.</al></li><li nr="2."><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste
                                een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst
                                van het verzoek.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of
                                        wegens verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b."><al> de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                        dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning
                                        geacht moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de
                                        brandweer te vervullen; </al></li><li nr="c."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                        gebreken;</al></li><li nr="e."><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f."><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="h."><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van
                                het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van
                                dit artikel. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19:43 Einde tijdelijk
                        dienstverband</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag
                                van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband
                                nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke
                                aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de
                                eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste
                                dienst.</al></li><li nr="2."><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al></li></lijst><al>Bijlagen</al><al>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april
                        2012</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. aspirant manschap a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>322,00</al></entry><entry colname="col3"><al>9,96</al></entry><entry colname="col4"><al>18,62</al></entry><entry colname="col5"><al>12,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>322,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,45 </al></entry><entry colname="col4"><al>21,51 </al></entry><entry colname="col5"><al>14,34 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>322,00</al></entry><entry colname="col3"><al>12,69 </al></entry><entry colname="col4"><al>23,80 </al></entry><entry colname="col5"><al>15,87 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>483,00</al></entry><entry colname="col3"><al>15,90 </al></entry><entry colname="col4"><al>29,89 </al></entry><entry colname="col5"><al>19,93 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3810,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>38,10 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5471,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>54,71 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8139,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>61,05 </al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        per 1 april 2012</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. Aspirant manschap A</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>326,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,10</al></entry><entry colname="col4"><al>18,94</al></entry><entry colname="col5"><al>12,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>326,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,66</al></entry><entry colname="col4"><al>21,95</al></entry><entry colname="col5"><al>14,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>326,00</al></entry><entry colname="col3"><al>12,92</al></entry><entry colname="col4"><al>24,19</al></entry><entry colname="col5"><al>16,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>491,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,17</al></entry><entry colname="col4"><al>30,35</al></entry><entry colname="col5"><al>20,23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3883,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>38,83</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5569,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>55,69</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8291,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>62,14</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden
                        vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
                        (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn
                        vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het
                        ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                        overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31
                        december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in
                        dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang. </al><al><onderstreept>Hoodstuk19a Keuringen brandweerpersoneel</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19a:1 Algemeen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer
                                is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van
                                bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
                                de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
                                functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
                                oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></li><li nr="2."><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen
                                in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al></li><li nr="3."><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
                                daartoe door het college zijn aangewezen.</al></li><li nr="4."><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch
                            Onderzoek</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></li><li nr="2."><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb
                                van de CAR.</al></li><li nr="3."><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig
                                of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></li><li nr="4."><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                leeftijd van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c."><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de
                                frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden
                                afgenomen. </al></li><li nr="6."><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van
                                een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde
                                tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid
                                zich voordoet, worden verlengd. </al></li><li nr="7."><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op
                                toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de
                                medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke
                                vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7
                                onverkort van toepassing.</al></li><li nr="8."><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden
                                opleggen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19a:4 Fysieke test</onderstreept></al><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
                        een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk </onderstreept><onderstreept>19b Aanvullende
                            rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling voor
                            kunsteducatie</onderstreept></al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie
                        in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een
                        onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt. </al><al><onderstreept>Artikel 19b:3 Functie-eisen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de
                                functie van docent en consulent in het bezit is van een diploma van
                                een Hbo-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al></li><li nr="2.."><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de
                                OR, afwijken van het eerste lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</onderstreept></al><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                        functioneringsgesprek gehouden.</al><al><onderstreept>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
                                        contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren
                                        zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                        niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                zijn in te delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van
                                        dezelfde instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
                                        activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op
                                        peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een
                                regeling vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus
                                niet-lesgebonden uren staat. In de regeling kan per discipline een
                                afwijking op deze verhouding en de voorwaarden daarvoor worden
                                opgenomen. Voor de vaststelling van deze regeling is overeenstemming
                                vereist tussen de werkgever en de OR. </al></li><li nr="4."><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde
                                lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding
                                lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is. </al></li><li nr="5."><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in
                                het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal
                                65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal
                                35% van zijn formele arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Salariëring</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In plaats van bijlage II en IIa , bedoeld in artikel 3:1, derde lid,
                                past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het
                                vaststellen van het salaris van de ambtenaar.</al></li><li nr="2."><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de bezoldigingsregeling,
                                bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De
                                functie van </al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering
                                en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt
                                hiervoor de functiebeschrijving vast. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds
                                voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of
                                vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de
                                aanloopbedragen van de bij de functie behorende salarisschaal. De
                                aanloopbedragen zijn opgenomen in de salaristabel, genoemd in
                                bijlage IV.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen
                                en voor de bevordering naar een bij de functie behorende
                                salarisschaal.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
                                opgenomen. </al></li><li nr="2."><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te
                                zijn in het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal
                                een periodieke verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens
                                vindt periodieke verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige
                            dienst</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op
                                een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op
                                zondag.</al></li><li nr="2."><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
                                verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
                                ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></li><li nr="4."><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
                                toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                        aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
                                        hebben gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.</al><al>2.De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en
                        eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur
                        per week. </al><al><onderstreept>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                                verplicht vrij is.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
                                voor werkzaamheden.</al></li><li nr="3."><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7
                                van de Arbeidstijdenwet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel
                                mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een
                                cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken uren.
                            </al></li><li nr="3."><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het
                                college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een
                                aangepast rooster.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31 december
                                2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de
                                arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar
                                verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat voor de ambtenaar
                                een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar. Voor een ambtenaar met
                                een deeltijdbetrekking gelden deze verhogingen naar rato.</al></li><li nr="2."><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor
                                deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren,
                                die in dienst zijn van de instelling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens
                            overgangstermijn</onderstreept></al><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien
                        en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van
                        het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.</al><al><onderstreept>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof
                            met een verplicht vrije periode</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
                                artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                heeft de ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie
                                van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al></li><li nr="2."><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                                compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per
                                jaar. </al></li><li nr="3."><al>3Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van
                                de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
                                artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. </al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 19b:16 Overtolligheid</onderstreept></al><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het
                        totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met
                        de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al><al><onderstreept>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en
                            ontslagvolgorde</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld
                                in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
                                ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in
                                        aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van
                                        het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                        anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste
                                lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met
                                dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="§"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="§"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="§"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of,
                            bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                            helft van de formele arbeidsduur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5
                                uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                ontslagen.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in
                                artikel 8:3, derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
                                grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
                                zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                                binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                                werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                                werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al></li><li nr="5."><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie
                                maanden in acht genomen. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij
                                        een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder
                                        dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                        ontslagen</al></li><li nr="§"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als
                                        bedoeld in de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond
                                        van artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in
                                        tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                        van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                        voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag
                                        is gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen
                                        per jaar loon heeft ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                        heeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte
                                van het dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                        maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                        maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                        maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                        maanden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de
                                        dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het
                                        aantal verloren arbeidsuren, en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met
                                        het aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
                                ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder
                                c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid, recht op
                                een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering
                                bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal
                                verloren arbeidsuren.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
                                verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich
                                beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden.
                                Daarnaast dient hij alle informatie te verstrekken die voor de
                                uitvoering van deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen
                                van deze verplichtingen kan het college besluiten de
                                garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend,
                                na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de
                                garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe
                                werkzaamheden omvat.</al></li><li nr="8."><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
                                zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de
                                werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden
                                te bestaan, herleeft het recht op de garantie-uitkering KV voor
                                zover er geen nieuwe rechten op enige uitkering uit hoofde van het
                                ontslag uit deze werkzaamheden zijn ontstaan.</al></li><li nr="9."><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat
                                        tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid,
                                        een andere uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                        waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP
                                        KeuzePensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op
                                        een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 20 Vergoeding piketdiensten
                            beroepsbrandweer</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst
                            beroepsbrandweer</onderstreept></al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
                        heeft aanspraak op een vergoeding.</al><al><onderstreept>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst
                            beroepsbrandweer</onderstreept></al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin
                        de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van
                        het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover
                        deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                        koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                        wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking
                        moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.</al><al><onderstreept>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst
                            beroepsbrandweer</onderstreept></al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                        vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                        voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                        zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                        Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
                        door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                        uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
                        op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk
                        duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
                        blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
                        nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al><onderstreept>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                            echtgenoot</onderstreept></al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                        "levenspartner".</al><al><onderstreept>Artikel 21:1:3 Vervallen</onderstreept></al><al>(Vervallen)</al><al><onderstreept>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                            echtgenoot</onderstreept></al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 22 Overgangs- en slotbepaling
                        UWO</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling
                        UWO</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al></li><li nr="2."><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan
                                wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van
                                het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                                verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn
                                aan de bepalingen van deze regeling.</al></li><li nr="3."><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit
                                verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt
                                overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>