<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR334945_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-07-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns Stadsblad, d.d. 15 januari
                2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning van 29 juni 2006 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 201</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit maatschappelijke ondersteuning</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn;</al><al/><al>gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning van 29 juni 2006 en de
                        Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2012;</al><al/><al>dat de raad in voornoemde Verordening heeft bepaald dat het college ter
                        uitwerking van die Verordening nadere regels dient te stellen in een
                        besluit;</al><al/><al>BESLUITEN:</al><al/><al>vast te stellen het navolgende Besluit maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Apeldoorn 2014.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen opgenomen die aanvullend zijn
                            op de begripsbepalingen van de Verordening.</al><al><vet>aanschafprijs:</vet> de prijs waarvoor een voorziening wordt
                            ingekocht door het college </al><al><vet>afschrijvingstermijn:</vet> de periode waarover een voorziening
                            economisch wordt afgeschreven.</al><al><vet>Bmo: </vet>Besluit maatschappelijke ondersteuning zoals is
                            opgesteld door de minister</al><al><vet>CAK: </vet>Centraal Administratie Kantoor</al><al><vet>eigen aandeel:</vet> een door het college op te leggen en door het
                            Centraal Administratie Kantoor (CAK) vast te stellen bijdrage, die bij
                            de verstrekking van een financiële tegemoetkoming betaald moet worden en
                            waarop de regels van het Bmo op van toepassing zijn;</al><al><vet>eigen bijdrage:</vet> een door het college op te leggen en door het
                            Centraal Administratie Kantoor (CAK) vast te stellen bijdrage, die bij
                            verstrekking van een voorziening in natura of persoonsgebondenbudget
                            betaald moet worden en waarop de regels van het Bmo op van toepassing
                            zijn</al><al><vet>Huishoudelijke Verzorging 1 (HV</vet><vet>-</vet><vet>1):</vet>
                            overname van uitvoerende huishoudelijke taken </al><al><vet>Huishoudelijke Verzorging 2 (HV</vet><vet>-</vet><vet>2):</vet></al><lijst><li nr="·"><al>regievoering over het huishouden (toezicht en signalering), het
                                    aanleren van taken aan de belanghebbende of een huisgenoot of
                                    samen opwerken met de belanghebbende en/of een huisgenoot,
                                    altijd in combinatie met overname van 1 of meer uitvoerende
                                    taken of</al></li><li nr="·"><al>het overnemen van zorgtaken van de ouder(s) voor hun kinderen
                                    (wassen, kleden, maaltijden) of</al></li><li nr="·"><al>kortdurende opvang van kinderen in crisissituaties door uitval
                                    van de ouder(s) met het doel ontwrichting in het gezin te
                                    voorkomen en de ouder(s) in staat te stellen andere maatregelen
                                    te kunnen treffen. </al></li></lijst><al><vet>instandhoudingskosten:</vet> kosten van een mogelijk krachtens de
                            wet te verlenen voorziening voor onderhoud en reparatie van deze
                            voorziening </al><al><vet>kostprijs: </vet>de aanschafprijs inclusief eventuele kosten van
                            onderhoud, reparatie, verzekering en depotbeheer.</al><al><vet>leaseprijs</vet>: de prijs waarvoor een bruikleenauto, gesloten
                            buitenwagen of bruikleenbus wordt geleasd </al><al><vet>organisatie:</vet> een bij de Kamer van Koophandel (KvK)
                            ingeschreven onderneming die zich blijkens de bedrijfsomschrijving zoals
                            vermeld in het handelsregister van de KvK, primair richt op het leveren
                            van hulp bij het huishouden/ schoonmaken;</al><al><vet>periode: </vet>een vierwekelijkse termijn die gehanteerd wordt door
                            het CAK bij de inning van de eigen bijdrage of het eigen aandeel. Een
                            jaar kent 13 perioden. </al><al><vet>periodebedrag: </vet>een omrekening van het maandelijks toegekende
                            persoonsgebonden budget naar een vierwekelijkse termijn zoals gehanteerd
                            door het CAK </al><al><vet>zelfstandige zonder personeel:</vet> een bij de Kamer van
                            Koophandel (KvK) geregistreerde zelfstandige zonder personeel die zich
                            blijkens de bedrijfsomschrijving zoals vermeld in het handelsregister
                            van de KvK, primair richt op het leveren van hulp bij het huishouden /
                            schoonmaken</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Regels rond verantwoording</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden
                                    budget voor huishoudelijke verzorging, moet de belanghebbende
                                    rekening houden met controle door het college naar de besteding
                                    van het persoonsgebonden budget en moet de belanghebbende
                                    hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar houden.</al></li><li nr="2."><al>Het persoonsgebonden budget voor een eenmalige voorziening wordt
                                    door de belanghebbende na aanschaf van of besteding aan de
                                    voorziening maar uiterlijk binnen 3 maanden na toekenning van
                                    het persoonsgebonden budget aan het college verantwoord. </al></li><li nr="3."><al>Voor zover het een persoonsgebonden budget voor een periodieke
                                    voorziening betreft, controleert het college na afloop van een
                                    kalenderjaar of anders steekproefsgewijs.</al></li><li nr="a)"><al>de belanghebbende mag tot 1 februari van het jaar volgend op het
                                    kalenderjaar waarover verantwoording moet worden afgelegd,
                                    betalingen vanuit het persoonsgebonden budget doen die
                                    betrekking hebben op het te verantwoorden jaar;</al></li><li nr="b)"><al>heeft de belanghebbende het persoonsgebonden budget twee
                                    kalenderjaren correct besteed en verantwoord, kan het college
                                    besluiten de belanghebbende ieder 5e kalenderjaar te laten
                                    verantwoorden of eerder als het college daarvoor aanleiding
                                    ziet;</al></li><li nr="c)"><al>wordt het persoonsgebonden budget lopende het kalenderjaar
                                    beëindigd, dan is de belanghebbende verplicht aansluitend aan de
                                    einddatum de besteding van het persoonsgebonden budget dat is
                                    verstrekt in het jaar van beëindiging te verantwoorden;</al></li><li nr="d)"><al>het college moet de verantwoording volledig en voorzien van de
                                    benodigde bewijsstukken binnen 8 weken nadat het college hierom
                                    schriftelijk heeft verzocht, van de belanghebbende hebben
                                    ontvangen;</al></li><li nr="e)"><al>Bij het persoonsgebonden budget – bemiddeling stelt het
                                    bemiddelingsbureau ten behoeve van de belanghebbende en het
                                    college een jaaroverzicht op dat voorziet in inzichtelijke
                                    weergave van de door de hulp geleverde uren en het – namens en
                                    in opdracht van de belanghebbende – aan de hulp (en) betaalde
                                    vergoeding. Hiermee wordt tevens het persoonsgebonden budget aan
                                    het college verantwoord.</al></li><li nr="f)"><al>Bij gebruikmaking van de dienst Betaling &amp; Overzicht van de
                                    Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelt de SVB ten behoeve van de
                                    belanghebbende en het college een jaaroverzicht op dat voorziet
                                    in inzichtelijke weergave van de door de hulp geleverde uren en
                                    het – namens en in opdracht van de belanghebbende – aan de hulp
                                    (en) betaalde vergoeding. Hiermee wordt tevens het
                                    persoonsgebonden budget aan het college verantwoord.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Regels rond terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de in lid 1, 2 en 3 genoemde controle op de verantwoording wordt
                                door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het
                                persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of
                                te verrekenen. Bij gebruikmaking van de dienst Betaling &amp;
                                Overzicht wordt het persoonsgebonden budget dat niet is besteed door
                                de Sociale Verzekeringsbank terugbetaald aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende het terug te vorderen persoonsgebonden
                                budget niet of niet volledig binnen de schriftelijk gestelde termijn
                                terugbetaald, kan overdracht aan de gerechtsdeurwaarder
                                plaatsvinden. De openstaande vordering wordt in dat geval verhoogd
                                met buitengerechtelijke en eventuele gerechtelijke kosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bedragen tot € 50,- worden niet teruggevorderd of verrekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nadat het door de belanghebbende of de Sociale Verzekeringsbank
                                terug te betalen bedrag door het college is ontvangen, meldt het
                                college het aangepaste periodebedrag bij het Centraal Administratie
                                Kantoor (CAK). Het CAK voert vervolgens een berekening van de eigen
                                bijdrage uit en informeert de belanghebbende over de uitkomst
                                hiervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Regels rond beëindiging</titel></kop><al>Bij het overlijden van de belanghebbende eindigt de periodieke uitkering
                            van het persoonsgebonden budget op de eerste dag van de maand volgend op
                            de maand waarin de belanghebbende is overleden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.</nr><titel>Het vergoeden van de meerkosten</titel></kop><al>Een vergoeding van de meerkosten van een voorziening wordt in de vorm
                            van een financiële tegemoetkoming verstrekt. </al><lijst><li nr="1."><al>Een meerkostenvergoeding wordt in ieder geval gehanteerd bij de
                                    verstrekking van:</al><lijst><li nr="a."><al>een auto in bijzondere uitvoering naar de richtprijs van
                                            een referentie- auto, indien de belanghebbende niet voor
                                            een bruikleenvoorziening in aanmerking komt. De
                                            meerkostenvergoeding wordt afgeleid van het normbedrag
                                            dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
                                            (UWV) voor een referentieauto hanteert;</al></li><li nr="b."><al>vloerbedekking en gordijnen en bankstel voor het reeds
                                            afgeschreven deel van de te vervangen voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een eenhendel mengkraan in bijzondere uitvoering naar de
                                            richtprijs van een algemeen gebruikelijke eenhendel
                                            mengkraan.</al></li><li nr="d."><al>aanpassingen aan keukens en badkamers voor het reeds
                                            afgeschreven deel van de te vervangen voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De meerkostenvergoeding die bij de verstrekking van de
                                    voorzieningen wordt gehanteerd, wordt, waar mogelijk, afgeleid
                                    van de richtlijnen van het Nationaal Instituut voor
                                    Budgetvoorlichting (Nibud). Waar het Nibud geen richtprijs heeft
                                    opgenomen, wordt de meerkostenvergoeding vastgesteld naar de
                                    prijs van de goedkoopst compenserende algemeen gebruikelijke
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.</nr><titel>Regels rond beëindiging financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>1.Bij het overlijden van de belanghebbende eindigt een periodieke
                            financiële tegemoetkoming op de eerste dag van de maand volgend op de
                            maand waarin de belanghebbende is overleden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Wel of geen eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor alle individuele voorzieningen zowel voor een verstrekking
                                    in natura als in de vorm van persoongebonden budget of in de
                                    vorm van een financiële tegemoetkoming, is de belanghebbende een
                                    eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd, met
                                    uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectieve voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de financiële tegemoetkoming verhuis- en
                                            inrichtingskosten;</al></li><li nr="c."><al>de financiële tegemoetkoming vervanging vloerbedekking
                                            en raambedekking;</al></li><li nr="d."><al>de financiële tegemoetkoming voor gebruik eigen auto en
                                            (rolstoel)taxi;</al></li><li nr="e."><al>een (sport)rolstoel;</al></li><li nr="f."><al>een voorziening waarvan de afschrijvingstermijn is
                                            verstrekken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor voorzieningen anders dan genoemd in lid 1 geldt voor de
                                    periode van de eigen bijdrage de afschrijvingstermijn van de
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel in de kosten
                                bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming bedraagt samen
                                maximaal de verschuldigde bedragen op grond van artikel 4.1 lid 1 en
                                artikel 4.5 van het Bmo dat door de Minister is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigen bijdrage of het eigen aandeel bedraagt maximaal de
                                kostprijs van de voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Bepalen kostprijs voorzieningen</titel></kop><al>Voor het bepalen van de kostprijs voor:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen in bruikleen wordt de aanschafprijs vermeerderd
                                    met instandhoudingskosten, eventuele verzekering en kosten voor
                                    depotbeheer en wordt dit totaalbedrag gedeeld door de
                                    afschrijvingstermijn;</al></li><li nr="2."><al>huishoudelijke verzorging wordt het inkooptarief van de
                                    gecontracteerde aanbieder die de huishoudelijke verzorging aan
                                    de belanghebbende biedt, aangehouden;</al></li><li nr="3."><al>bouwkundige of woontechnische aanpassingen aan een woning wordt
                                    gebruik gemaakt van calculatieprogramma Scio Calpro+;</al></li><li nr="4."><al>een herplaatsbare losse woonunit bij een woning wordt 3/25 deel
                                    van de waarde van deze voorziening inclusief omzetbelasting
                                    (btw) aangehouden, plus de volledige kosten van plaatsing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Looptijd van de eigen bijdrage of het eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de voorziening bestaat uit het verschaffen in eigendom van
                                een roerende zaak dan wel een bouwkundige of woontechnische
                                aanpassing van een woning die in eigendom is van de belanghebbende,
                                kan gedurende maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage
                                of eigen aandeel in rekening worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een
                                bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die in
                                eigendom is van de belanghebbende, kan gedurende maximaal 39
                                perioden een met toepassing van de daarvoor geldende regels
                                berekende bedrag in mindering worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de compensatie bestaat uit een voorziening in bruikleen of
                                een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt
                                een eigen bijdrage opgelegd over de periode van de
                                afschrijvingstermijn van de voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de voorziening bestaat uit huishoudelijke verzorging in
                                natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt een eigen
                                bijdrage opgelegd over de looptijd van de voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Regels rond beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval de belanghebbende overlijdt, stopt de inning van de eigen
                                bijdrage of het eigen aandeel van rechtswege per eerstvolgende
                                periode tenzij deze periode eindigt na de overlijdensdatum. In dat
                                geval stopt de inning per periode waarvan de einddatum ligt voor de
                                overlijdensdatum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval de belanghebbende verhuist naar een andere woning, maakt
                                het college hiervan melding bij het CAK en stopt de inning van de
                                eigen bijdrage of het eigen aandeel voor bouwkundige of
                                woontechnische aanpassing per eerstvolgende periode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval het college de voorziening inneemt of de
                                dienstverlening beëindigd, maakt zij hiervan melding bij het CAK en
                                stopt de inning van de eigen bijdrage per eerstvolgende
                                periode.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>DE ACHT RESULTATEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>5.1 Resultaat: Een schone en leefbare woning </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Huishoudelijke verzorging in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het uurtarief voor huishoudelijke verzorging in natura op basis
                                    waarvan de eigen bijdrage wordt berekend zoals genoemd in
                                    artikel 4.3 lid 2, bedraagt voor onderstaande gecontracteerde
                                    zorgaanbieders:</al><lijst><li nr="a."><al>Huishoudelijke verzorging 1 (HV1):</al><lijst><li nr="·"><al>Atlant: € 20,15</al></li><li nr="·"><al>Beers: € 20,63</al></li><li nr="·"><al>De Goede Zorg: € 20,95</al></li><li nr="·"><al>De Nieuwe Zorg Thuis: € 19,31</al></li><li nr="·"><al>PrivaZorg: € 20,12</al></li><li nr="·"><al>RST: € 20,83</al></li><li nr="·"><al>TSN: € 19,31</al></li><li nr="·"><al>Verian: € 21,34</al></li><li nr="·"><al>Zorggarant: € 20,32</al></li><li nr="·"><al>Zorgkompas: € 20,12</al></li><li nr="·"><al>AS Groep € 19,31</al></li><li nr="·"><al>GGNet € ---</al></li><li nr="·"><al>TZorg € 20,32</al></li><li nr="·"><al>Vitaal Thuiszorg € 19,31</al></li><li nr="·"><al>Axxicom € 20,50</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Huishoudelijke verzorging 2 (HV2):</al><lijst><li nr="·"><al>Atlant: € 22,46</al></li><li nr="·"><al>Beers: € 22,66</al></li><li nr="·"><al>De Goede Zorg: € 23,36</al></li><li nr="·"><al>De Nieuwe Zorg Thuis: € 20,63</al></li><li nr="·"><al>PrivaZorg: € 20,93</al></li><li nr="·"><al>RST: € 22,76</al></li><li nr="·"><al>TSN: € 20,83</al></li><li nr="·"><al>Verian: € 23,50</al></li><li nr="·"><al>Zorggarant: € 23,12</al></li><li nr="·"><al>Zorgkompas: € 21,54</al></li><li nr="·"><al>AS Groep € 20,63</al></li><li nr="·"><al>GGNet € 23,12</al></li><li nr="·"><al>TZorg € 22,20</al></li><li nr="·"><al>Vitaal Thuiszorg € 21,34</al></li><li nr="·"><al>Axxicom € 22,50</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De gecontracteerde zorgaanbieders (hoofdaannemers)
                                            kunnen na toestemming van het college een overeenkomst
                                            aangaan met een of meerdere onderaannemers. Voor een
                                            onderaannemer wordt het uurtarief van de hoofdaannemer
                                            gehanteerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende die wordt geïndiceerd of geherindiceerd
                                        voor huishoudelijke verzorging en deze verkrijgt in de vorm
                                        van:</al><lijst><li nr="·"><al>een persoonsgebonden budget, krijgt een bedrag per
                                                uur uitbetaald, gebaseerd op de soort huishoudelijke
                                                verzorging en het aantal uren en minuten waarvoor
                                                deze is geïndiceerd. </al></li><li nr="·"><al>een persoonsgebonden budget-bemiddeling, krijgt een
                                                bedrag per uur toegekend, gelijk aan het
                                                persoonsgebonden budget voor huishoudelijke
                                                verzorging 1 voor het inkopen van particuliere hulp
                                                (artikel 5.1.2 lid 3), vermeerderd met de
                                                bemiddelingskosten, en het aantal uren en minuten
                                                waarvoor deze is geïndiceerd. Maandelijks achteraf
                                                worden de daadwerkelijk geleverde uren hulp door het
                                                college aan het bemiddelingsbureau uitbetaald op
                                                basis van ingediende facturen, waarbij het aantal
                                                geleverde uren niet hoger mag zijn dat het aantal
                                                geïndiceerde uren.</al></li><li nr="·"><al>een persoonsgebonden budget met gebruikmaking van de
                                                dienst Betaling &amp; Overzicht, krijgt een bedrag
                                                per uur toegekend, gebaseerd op de soort
                                                huishoudelijke verzorging en het aantal uren en
                                                minuten waarvoor deze is geïndiceerd. De
                                                belanghebbende heeft het college schriftelijk
                                                toestemming gegeven om het persoonsgebonden budget
                                                uit te betalen aan de SVB. Maandelijks achteraf
                                                worden de daadwerkelijk geleverde uren hulp door de
                                                SVB in opdracht van de belanghebbende aan de
                                                particuliere hulp uitbetaald op basis van ingediende
                                                facturen, waarbij het aantal geleverde uren niet
                                                hoger mag zijn dat het aantal geïndiceerde uren. De
                                                maandelijkse kosten voor gebruikmaking van de dienst
                                                Betaling &amp; Overzicht worden door het college aan
                                                de SVB uitbetaald.</al></li></lijst><al>De geïndiceerde minuten worden voor de uitbetaling naar
                                        boven afgerond op kwartieren.</al></li><li nr="2."><al>De belanghebbende met een geldige indicatie van voor 1
                                        januari 2010 behouden het persoonsgebonden budget gebaseerd
                                        op de soort huishoudelijke verzorging en het midden van de
                                        klasse waarvoor de belanghebbende is geïndiceerd tot het
                                        einde indicatie of tot de ingangsdatum van de herindicatie. </al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 1 is gebaseerd op 1
                                        uur zorg</al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 2 is gebaseerd op 3
                                        uur zorg</al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 3 is gebaseerd op 5,5
                                        uur zorg</al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 4 is gebaseerd op 8,5
                                        uur zorg</al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 5 is gebaseerd op 11,5
                                        uur zorg</al><al>Het persoonsgebonden budget in klasse 6 is gebaseerd op 14,5
                                        uur zorg</al></li><li nr="3."><al>Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging 1
                                        voor het inkopen van particuliere hulp bedraagt maximaal €
                                        13,00 per uur. De belanghebbende mag de particuliere hulp
                                        maximaal 125% van het toegekende uurtarief betalen. </al></li><li nr="4."><al>Het persoongebonden budget voor huishoudelijke verzorging 1
                                        voor het inkopen van particuliere hulp via een door het
                                        college gecontracteerd bemiddelingsbureau bedraagt maximaal
                                        € 14,50.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende aantoonbaar een hoger
                                        persoonsgebonden budget nodig heeft om huishoudelijke
                                        verzorging 1 bij een organisatie of bij een bij de kamer van
                                        koophandel geregistreerde zelfstandige zonder personeel te
                                        kunnen inkopen, bedraagt het persoonsgebonden budget
                                        maximaal het laagst geoffreerde uurtarief bij de
                                        aanbesteding van huishoudelijke verzorging, te weten € 19,31
                                        per uur. De belanghebbende mag de organisatie of
                                        zelfstandige zonder personeel maximaal 125% van het
                                        toegekende uurtarief uitbetalen.</al></li><li nr="6."><al>Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging 2
                                        voor het inkopen van particuliere hulp bedraagt maximaal €
                                        16,00 per uur. De belanghebbende mag de particuliere hulp
                                        maximaal 125% van het toegekende uurtarief uitbetalen.</al></li><li nr="7."><al>Indien de belanghebbende aantoonbaar een hoger
                                        persoonsgebonden budget nodig heeft om huishoudelijke
                                        verzorging 2 bij een organisatie of bij een bij de kamer van
                                        koophandel geregistreerde zelfstandige zonder personeel te
                                        kunnen inkopen, bedraagt het persoonsgebonden budget
                                        maximaal het laagst geoffreerde uurtarief bij de
                                        aanbesteding huishoudelijke verzorging, te weten € 20,63 per
                                        uur. De belanghebbende mag de organisatie of zelfstandige
                                        zonder personeel maximaal 125% van het toegekende uurtarief
                                        uitbetalen.</al></li><li nr="8."><al>Het persoonsgebonden budget wordt iedere maand bruto vooraf
                                        uitbetaald.</al></li><li nr="9."><al>Indien de belanghebbende een persoonsgebonden budget voor
                                        huishoudelijke verzorging ontvangt kan deze klant kosteloos
                                        ondersteuning ontvangen van een door de gemeente
                                        gecontracteerde partij voor: informatie en advies,
                                        loondoorbetaling bij ziekte, arbodienstverlening en
                                        loonadministratie. </al></li><li nr="10."><al>De belanghebbende heeft niet de mogelijkheid om het
                                        persoonsgebonden budget te besteden aan:</al><lijst><li nr="a."><al>vergoeding van reiskosten of een attentie voor de
                                                hulp;</al></li><li nr="b."><al>bekostiging van ondersteuning zoals omschreven in
                                                artikel 5.1.2.8 door een niet door de gemeente
                                                gecontracteerde partij, die wel kosten voor deze
                                                dienst in rekening brengt;</al></li><li nr="c."><al>het inkopen van voorliggende, algemene en algemeen
                                                gebruikelijke diensten of producten waarvoor het
                                                college niet heeft gecompenseerd zoals strijk-,
                                                was-, maaltijd- of boodschappenservice.</al></li></lijst></li><li nr="11."><al>De belanghebbende wordt geacht periodieke betalingen vanuit
                                        het persoonsgebonden budget per bank over te schrijven,
                                        tenzij er sprake is van overwegende bezwaren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2 Resultaat: Wonen in een geschikte woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, waarvoor geen
                                financiële tegemoetkoming geldt, wordt vastgesteld met behulp van
                                bouwcalculatieprogramma Calpro+.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Kostenposten bouwkundige of woontechnische
                                    woonvoorziening</titel></kop><al>De volgende kostenposten bij het aanpassen van een woning kunnen in
                                aanmerking komen voor compensatie:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten)
                                        voor het treffen van de voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met
                                        inachtneming van de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw
                                        1991.</al></li><li nr="3."><al>Het architectenhonorarium tot ten hoogste 2% van de
                                        aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het
                                        maximale honorarium als bepaald in Standaard voorwaarden
                                        (SR) 1997 van de Bond van Nederlandse Architecten. Alleen in
                                        die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor
                                        de woningaanpassing moet worden ingeschakeld komen deze
                                        kosten voor compensatie in aanmerking. </al></li><li nr="4."><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit
                                        noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de
                                        aanneemsom.</al></li><li nr="5."><al>De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen
                                        van de voorziening.</al></li><li nr="6."><al>De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                        omzetbelasting.</al></li><li nr="7."><al>De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet
                                        binnen de oorspronkelijke kavel kan worden gebouwd. </al></li><li nr="8."><al>De door het college (schriftelijk) goedgekeurde
                                        kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                        redelijkerwijs niet voorzien konden worden.</al></li><li nr="9."><al>De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                        adviezen met betrekking tot het verrichten van de
                                        aanpassing.</al></li><li nr="10."><al>De kosten van (her)aansluiting op de openbare
                                        nutsvoorziening.</al></li><li nr="11."><al>Bouwplaatskosten.</al></li><li nr="12."><al>Werkvoorbereidings- en uitvoerderskosten.</al></li><li nr="13."><al>Eventuele constructeurskosten.</al></li><li nr="14."><al>De administratie- en begeleidingskosten die verhuurder maakt
                                        ten behoeve van het treffen van een woonvoorziening, voor
                                        zover de kosten onder 1 t/m 13 minder dan € 1.000,-
                                        bedragen, een vaste vergoeding van € 56,82, voor zover de
                                        kosten onder 1 t/m 13 gelijk zijn aan of meer dan € 1.000,-
                                        bedragen, een vaste vergoeding van € 113,64. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanpassing van gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het
                                    treffen van de volgende voorzieningen voor een
                                    gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex, als zonder deze
                                    voorziening de woning voor de belanghebbende ontoegankelijk
                                    blijft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het verbreden van toegangsdeuren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Het aanbrengen van elektrische toegangsdeuren;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de
                                    toegang van het gebouw.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid is
                                    niet mogelijk ten behoeve van wooncomplexen die specifiek
                                    bestemd zijn voor ouderen of personen met een beperking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Financiële tegemoetkoming verhuis- en
                                    inrichtingskosten</titel></kop><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en
                                inrichtingskosten bedraagt de werkelijk te maken kosten met een
                                maximum van € 2.500,00. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Begrenzing woonvoorziening bij voorzienbare sloop of
                                    onbewoonbaarverklaring</titel></kop><al>Indien de aan te passen woonruimte binnen vijf jaar niet meer
                                bewoond mag worden of gesloopt gaat worden mag de te verstrekken
                                bouwkundige of woontechnische aanpassing niet meer kosten dan
                                €1.000,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.6</nr><titel>Afschrijvingstermijn</titel></kop><al>Voor het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming ter
                                vervanging van keuken of badkamer wordt een afschrijvingsperiode van
                                20 jaar gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.7</nr><titel>Financiële tegemoetkoming vervanging vloerbedekking en
                                    raambedekking</titel></kop><al>1.Normbedragen</al><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming ter vervanging van vloer-
                                en raambedekking wordt berekend aan de hand van de benodigde
                                oppervlakte, de richtprijs voor vinyl van het Nibud en wat reeds is
                                afgeschreven.</al><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming ter vervanging van een
                                bankstel wordt berekend aan de hand van de richtprijs van het
                                Nibud.</al><al>2.Afschrijvingstermijn</al><al>Vloer- en raambedekking en een bankstel worden beschouwd als
                                algemeen gebruikelijke voorzieningen die over een periode van 8 jaar
                                worden afgeschreven. De financiële tegemoetkoming wordt berekend
                                over dat deel van de voorziening dat op moment van vervanging nog
                                niet is afgeschreven. </al><lijst><li nr="·"><al>Minder dan 2 jaar 100% van het normbedrag</al></li><li nr="·"><al>2 tot 4 jaar 75% van het normbedrag</al></li><li nr="·"><al>4 tot 6 jaar 50% van het normbedrag</al></li><li nr="·"><al>6 tot 8 jaar 25% van het normbedrag</al></li></lijst><al>Voor vloer- en raambedekking en een bankstel ouder dan 8 jaar wordt
                                geen tegemoetkoming verstrekt.</al><al>3.Inrichting bij verhuizing </al><al>Er wordt geen financiële tegemoetkoming voor woningsanering gegeven
                                bij verhuizing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.8</nr><titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent slechts een voorziening voor onderhoud,
                                    keuring en reparatie indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de woonvoorziening in het kader van de wet, de Wet voorzieningen
                                    gehandicapten danwel de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                                    Gehandicapten of de Beschikking Geldelijke Steun Gehandicapten
                                    is verleend.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de belanghebbende ten tijde van het onderhoud, de keuring of de
                                    reparatie de woning als hoofdverblijf bewoont.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag voor onderhoud, keuring en reparatie wordt
                                    vastgesteld op het niveau van de door het college geaccepteerde
                                    kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.9</nr><titel>Tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting kan
                                    worden verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte
                                    ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet
                                    bewoond kan worden en de belanghebbende als bedoeld in artikel
                                    1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, van de wet als gevolg
                                    daarvan voor noodzakelijke dubbele woonlasten komt te
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van deze tijdelijke huisvesting gemaakt worden in
                                    verband met het tijdelijk betrekken van een zelfstandige of
                                    niet-zelfstandige woning of het langer moeten aanhouden van de
                                    te verlaten woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor de duur van maximaal zes maanden een
                                    voorziening voor tijdelijke huisvesting treffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van tijdelijke huisvesting als door de betreffende
                                    belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden voorkomen dat
                                    dubbele woonlasten ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De belanghebbende redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat
                                    hij deze dubbele woonlasten heeft.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming omvat de werkelijke kosten
                                    gedurende maximaal 6 maanden en bedraagt voor de genoemde
                                    huisvesting, maximaal € 454,00 per maand als het een
                                    zelfstandige woning betreft en maximaal € 226,00 per maand als
                                    het een niet-zelfstandige woning betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.10</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van huur beëindiging van een aangepaste woning, die
                                    voor € 6.807,00 of meer is aangepast, kan het college een
                                    financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar/ verhuurder
                                    van de woning in verband met derving van huurinkomsten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor huurderving is
                                    gelijk aan de bruto huur van de woonruimte en bedraagt maximaal
                                    € 454,00 per maand en wordt voor maximaal 6 maanden verleend,
                                    echter niet voor de eerste maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 1 wordt
                                    uitsluitend verleend indien de woning opnieuw verhuurd zal
                                    worden aan een belanghebbende met een beperking en wordt voor
                                    maximaal 6 maanden verleend. De eerste maand is voor rekening
                                    van de verhuurder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.11</nr><titel>Verwijderen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>Het college verleent slechts een voorziening voor het verwijderen
                                van woonvoorzieningen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woning langer dan 6 maanden leeg staat en wanneer de
                                        woning voor € 6.807,00 of meer in het kader van de wet is
                                        aangepast, tenzij bekend is dat binnen een periode van 3
                                        maanden na het verstrijken van de termijn van 6 maanden een
                                        belanghebbende in aanmerking voor de woning zal komen.</al></li><li nr="b."><al>de woningaanpassingen zo specifiek zijn dat het door de
                                        aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de
                                        woning aan een niet belanghebbende te verhuren.</al></li><li nr="c."><al>de voorziening een traplift of plafondlift betreft welke in
                                        eigendom is verstrekt aan de woningeigenaar en deze verzoekt
                                        de voorziening te verwijderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.12</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en inzicht in de woning</titel></kop><al>Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een
                                financiële tegemoetkoming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet reeds een begin met de werkzaamheden waarop het
                                        persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming
                                        betrekking heeft, is gemaakt zonder haar schriftelijke
                                        toestemming en indien van toepassing, voor deze bouwkundige
                                        of woontechnische aanpassing een bouwvergunning is
                                        verleend.</al></li><li nr="b."><al>de door het college aangewezen personen toegang is verstrekt
                                        tot de woning waar de bouwkundige of woontechnische
                                        aanpassing wordt verricht.</al></li><li nr="c."><al>aan de onder b. genoemde personen inzicht wordt geboden in
                                        bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                        bouwkundige of woontechnische aanpassing.</al></li><li nr="d."><al>de onder b genoemde personen de gelegenheid wordt geboden
                                        tot het controleren van de bouwkundige of woontechnische
                                        aanpassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.13</nr><titel>Gereedmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk
                                    binnen 12 maanden na het verlenen van de financiële
                                    tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget verklaart de
                                    eigenaar of de belanghebbende door middel van een
                                    gereedmeldingsformulier dat de bedoelde werkzaamheden zijn
                                    voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of het
                                    persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van
                                    een gereedmeldingsformulier dat bij het treffen van de
                                    voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de
                                    financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget is
                                    verleend alsmede afschriften van alle rekeningen en, indien van
                                    toepassing, een afschrift van de aangepaste
                                    opstalverzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.14</nr><titel>Opstalverzekering</titel></kop><al>Bij het vergroten van de woning wordt verlangd dat de eigenaar van
                                de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de
                                woning aanpast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.15</nr><titel>Terugbetaling kosten woonvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar-bewoner die krachtens de wet een woonvoorziening
                                        heeft ontvangen welke meer bedraagt dan € 20.000, -, dient
                                        bij verkoop van deze woning binnen de periode van 15 jaar na
                                        gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning
                                        aan het college te melden.</al></li><li nr="2."><al>De eigenaar-bewoner, als genoemd in lid 1 van dit artikel,
                                        dient de kosten van deze woonvoorziening bij verkoop van
                                        deze woning aan de gemeente terug te betalen minus de
                                        afschrijving</al></li></lijst><al>De terugbetaling wordt bepaald door de formule: (jaarlijks 6,66 %
                                afschrijving erbij).</al><al>93,34 % van de kosten bij verkoop na 1 jaar; </al><al>86,86 % van de kosten bij verkoop na 2 jaar;</al><al>80,02 % van de kosten bij verkoop na 3 jaar;</al><al>73,36 % van de kosten bij verkoop na 4 jaar;</al><al>66,7 % van de kosten bij verkoop na 5 jaar;</al><al>60,04 % van de kosten bij verkoop na 6 jaar;</al><al>53,38 % van de kosten bij verkoop na 7 jaar;</al><al>46,72 % van de kosten bij verkoop na 8 jaar;</al><al>40,06 % van de kosten bij verkoop na 9 jaar;</al><al>33,4 % van de kosten bij verkoop na 10 jaar;</al><al>26,74 % van de kosten bij verkoop na 11 jaar;</al><al>20,08 % van de kosten bij verkoop na 12 jaar;</al><al>13,42 % van de kosten bij verkoop na 13 jaar;</al><al>6,67% van de kosten bij verkoop na 14 jaar;</al><al>0 % van de kosten bij verkoop na 15 jaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.3 Resultaat: Beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften </titel></kop><structuurtekst><al>Zie 5.1 Resultaat: Een schone en leefbare woning </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.4 Resultaat: Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding </titel></kop><structuurtekst><al>Zie 5.1 Resultaat: Een schone en leefbare woning </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.5 Resultaat: Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                gezin behoren</titel></kop><structuurtekst><al>Zie 5.1 Resultaat: Een schone en leefbare woning </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.6 Resultaat: Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor een
                                    (rolstoel)voorziening wordt vastgesteld op basis van: de
                                    tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening welke
                                    het college in natura zou verstrekken plus een bedrag voor de
                                    WA-verzekering indien deze verplicht is. Daarnaast wordt
                                    achteraf en op declaratiebasis een bedrag verstrekt voor
                                    onderhoud en reparatie (instandhoudingskosten). Het bedrag voor
                                    onderhoud en reparaties is gebaseerd op de kosten die het
                                    college maakt wanneer een vergelijkbare voorziening in natura
                                    verstrekt wordt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een met een persoonsgebonden budget
                                    aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet
                                    meer gebruikt omdat deze niet meer adequaat is (anders dan ten
                                    gevolge van gewijzigde medische omstandigheden), wordt de
                                    restwaarde van de voorziening verrekend met een eventueel nieuw
                                    toe te kennen persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een eventueel nieuw toe te kennen persoonsgebonden budget
                                    wordt het persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten
                                    voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe
                                    te kennen instandhoudingskosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.7 Resultaat: Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de hoogte van de aanschafprijs van een auto
                                    welke algemeen gebruikelijk wordt geacht wordt de aanschafprijs
                                    referentieauto uit de normenlijst van het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen (UWV) aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezit van een fiets, elektrische fiets, brommer evenals een
                                    fiets- en autozitje wordt bij alle inkomensgroepen algemeen
                                    gebruikelijk geacht, zodat uitsluitend meerkosten van een
                                    dergelijke voorziening in bijzondere uitvoering in aanmerking
                                    komen voor verstrekking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.2</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor
                                    vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de
                                    tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening welke
                                    het college in natura zou verstrekken plus een bedrag voor de
                                    WA-verzekering indien deze verplicht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Achteraf en op declaratiebasis wordt tevens een bedrag verstrekt
                                    voor onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingskosten). Het
                                    bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op de kosten
                                    die het college maakt wanneer een vergelijkbare voorziening in
                                    natura verstrekt wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een met een persoonsgebonden budget
                                    aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet
                                    meer gebruikt omdat deze niet meer adequaat is (anders dan ten
                                    gevolge van gewijzigde medische omstandigheden), wordt de
                                    restwaarde van de voorziening verrekend met een eventueel nieuw
                                    toe te kennen persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een eventueel nieuw toe te kennen persoonsgebonden budget
                                    wordt het persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten
                                    voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe
                                    te kennen instandhoudingskosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.3</nr><titel>Ritbijdrage en voorwaarden collectief vraagafhankelijk
                                    vervoer (CVV)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van het collectief vraagafhankelijk vervoer
                                        worden de volgende ritbijdragen gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>de ritbijdrage, die gekoppeld is een Wmo-pas voor
                                                het CVV voor belanghebbenden, bedraagt € 0,55 per
                                                OV-zone binnen de gemeentegrenzen plus € 0,55 voor 1
                                                opstapzone per rit. </al></li><li nr="b."><al>buiten de gemeentegrenzen tot en met maximaal 5
                                                OV-zones bedraagt de ritbijdrage een commercieel
                                                tarief van € 3,90 per zone, zijnde de
                                                kostprijs.</al><al><cursief>). </cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op grond van een medische of sociale indicatie reist de
                                        tijdens de reis benodigde begeleider gratis mee.</al></li><li nr="3."><al>Voor het verstrekken van een Wmo-pas voor het CVV wordt een
                                        bedrag van € 7,50 in rekening gebracht, ook bij vervanging
                                        vanwege verlies of diefstal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.4</nr><titel>Gebruikersbijdrage collectieve voorzieningen</titel></kop><al>Voor het gebruik van een collectieve voorziening als een
                                scootmobielpool wordt een gebruikersbijdrage gevraagd. De hoogte
                                hiervan is nog niet bekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.5</nr><titel>Eigen auto of vervoer door derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De financiële tegemoetkoming voor gebruik van eigen auto of
                                        vervoer door derden is afgeleid van het bedrag dat het UWV
                                        hanteert voor de kilometervergoeding eigen auto. Dit is een
                                        vergoeding van € 0,37 per kilometer (€ 0,47 per kilometer
                                        minus € 0,10 per kilometer voor algemeen gebruikelijke
                                        vervoerskosten). </al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming wordt voor maximaal 1.500 tot 2.000
                                        kilometer per jaar toegekend.</al></li><li nr="3."><al>De tegemoetkoming als genoemd in lid 1 wordt in maandelijkse
                                        termijnen en bij vooruitbetaling uitgekeerd (bij 1500
                                        kilometer is dit € 46,25).</al></li><li nr="4."><al>De maandelijkse financiële tegemoetkoming voor samenwonende
                                        partners, die een ten dele samenvallende vervoersbehoefte
                                        hebben, bestaat uit maximaal anderhalf maal het normbedrag
                                        dat individueel geldt.</al></li><li nr="5."><al>De financiële tegemoetkoming als genoemd in lid 4 wordt door
                                        twee gedeeld en maandelijks individueel uitgekeerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.6</nr><titel>Autoaanpassing</titel></kop><al>1.De tegemoetkoming voor een autoaanpassing, wanneer gebruik van het
                                collectief vraagafhankelijk vervoer wel mogelijk is, bedraagt de
                                werkelijk te maken kosten met een maximum van € 2.200,-.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.7</nr><titel>Bruikleenauto, bruikleenbus of gesloten buitenwagen in
                                    bruikleen</titel></kop><al>1.Voor het gebruik van een gesloten buitenwagen, auto of bus in
                                bruikleen wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.8</nr><titel>Kilometerbudget ten behoeve van de (rolstoel) taxi</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende die is aangewezen op individueel
                                    rolstoeltaxivervoer kan in aanmerking komen voor een
                                    (rolstoel)taxikilometerbudget.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het taxikilometerbudget als genoemd in lid 1 is gebaseerd op
                                    1.500 tot maximaal 2.000 taxikilometers per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de gebruikers geldt hiervoor een ritbijdrage van € 0,22 per
                                    kilometer plus een opstaptarief van € 0,55 per rit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ritbijdrage als genoemd in lid 3 wordt achteraf en
                                    maandelijks via automatische incasso geïnd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het budget voor samenwonende partners, die een ten dele
                                    samenvallende vervoersbehoefte hebben, bestaat uit maximaal
                                    anderhalf maal het taxikilometerbudget dat individueel
                                    geldt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het budget als genoemd in lid 5 wordt door twee gedeeld en
                                    individueel toegekend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.8 Resultaat: Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                                sociale verbanden aan te gaan.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.1</nr><titel>Sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de verstrekking van een door spierkracht voortbewogen
                                    sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming van maximaal €
                                    2.750,00, die bedoeld is voor de aanschaf en het onderhoud van
                                    een sportrolstoel voor een periode van minimaal drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de verstrekking van een elektrisch voortgedreven
                                    sportrolstoel geldt een financiële tegemoetkoming van maximaal €
                                    10.000,00, die bedoeld is voor de aanschaf en het onderhoud van
                                    een sportrolstoel voor een periode van minimaal drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na de periode van 3 jaar worden onderhoudskosten vergoed, indien
                                    de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.2</nr><titel>Bezoekbaar maken van de woning</titel></kop><al>De voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                                budget of een financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken
                                van één woning wordt bepaald door het programma van eisen en de
                                goedkoopst compenserende beschikbare voorziening hiervoor, en
                                bedraagt maximaal € 5.446,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.3</nr><titel>Bovenlokale verplaatsingen</titel></kop><al>De belanghebbende die krachtens de Verordening in aanmerking komt
                                voor een vergoeding voor bovenlokaal vervoer, kan in aanmerking
                                komen voor een vergoeding gelijk aan de vergoeding genoemd in
                                artikel 5.7.5. lid 1. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>OVERGANGSBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbenden met een indicatie voor huishoudelijke verzorging
                                voor bepaalde tijd, die nog niet volgens de gewijzigde regels per 1
                                juni 2011 is geherindiceerd, behouden het recht op huishoudelijke
                                verzorging tot het einde van de indicatie tenzij er sprake is van
                                tussentijdse gewijzigde feiten of omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genoemde uurtarieven voor huishoudelijke verzorging in artikel
                                5.1.2 lid 3 en lid 5 (HV-1) en lid 6 en lid 7 (HV-2) treden voor de
                                belanghebbenden aan wie voor 1 maart 2013 een indicatie voor HV- 1
                                of HV-2 in de vorm van een persoonsgebonden budget is toegekend in
                                werking per 1 januari 2014.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op
                                grond van het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2013 van 01
                                maart 2013 en de daarbij horende beleidsregels zijn genomen, dan wel
                                op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen,
                                blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie de regels
                                van toepassing die golden voor de intrekking van dit Besluit en de
                                daarbij horende beleidsregels.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Normbedragen en normtijden</titel></kop><al>In dit Besluit zijn normbedragen en normtijden opgenomen. Hiervan kan
                            beargumenteerd worden afgeweken door het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere omstandigheden kan het college ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen in dit Besluit, indien
                            toepassing van het Besluit leidt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit Besluit treedt in werking op 01 januari 2014 en vervangt het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2013 dat in werking is
                            getreden op 01 maart 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit Besluit wordt aangehaald als “Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Apeldoorn 2014”. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders </ondertekening><ondertekening>d.d. 20 december 2013.</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders voornoemd, </ondertekening><ondertekening>De secretaris de burgemeester,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP HET BESLUIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE
                        APELDOORN 2014</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Het Besluit is bedoeld om alle bedragen in op te nemen. Dit is van belang omdat
                    bedragen tenminste één maal per jaar gewijzigd worden doordat zij trendmatig
                    worden aangepast. Het Besluit wordt vastgesteld door burgemeester en wethouders.
                    Opname in de Verordening betekent dat de Verordening jaarlijks vanwege
                    trendmatige verhogingen door de raad moet worden vastgesteld. Op 17 november
                    2011 heeft de Centrale Raad van Beroep laten weten dat delegatie van deze
                    bevoegdheid van de raad aan burgemeester en wethouders is toegestaan.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen opgenomen die aanvullend zijn op de
                    begripsbepalingen van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Apeldoorn 2012.</al><al><cursief>HV2:</cursief> deze vorm van hulp kan worden ingezet als het een
                    kwetsbare belanghebbende betreft zonder sociaal netwerk waarbij de hulp toezicht
                    houdt en signaleert in het geval er andere of meer hulp nodig is. Denk aan een
                    alleenstaande, beginnend dementerende oudere zonder AWBZ-zorg of andere
                    begeleiding waar niet (regelmatig) mensen langskomen (kinderen, buren,
                    hulpverleners, familie/kennissen).</al><al><cursief>Periodebedrag</cursief>: het college kent een persoonsgebonden budget
                    op maandbasis toe. Het CAK hanteert geen maanden maar perioden van 4 weken. Dit
                    betekent dat het maandbedrag omgerekend moet worden naar een bedrag per periode.
                    Hiervoor wordt de volgende formule gebruikt: maandbedrag persoongebonden budget
                    x 12 maanden : 13 perioden.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Het persoonsgebonden budget</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Regels rond verantwoording</tussenkop><al>De keuze die gemaakt wordt ten aanzien van de verantwoording van het
                    persoonsgebonden budget wordt hier vastgelegd. Het college is zelf
                    verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond
                    van de Wet maatschappelijke ondersteuning en heeft ook zelf de bevoegdheden om
                    vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of de belanghebbenden hun
                    persoonsgebonden budget besteden conform de toekenningsvoorwaarden. </al><tussenkop>Artikel 2.2 Regels rond terugvordering</tussenkop><al>Lid 3</al><al>De belanghebbende moet eerst het terug te vorderen bedrag terugbetalen en pas
                    daarna vindt door het CAK een herberekening van de eigen bijdrage plaats. Het is
                    niet mogelijk om bij terugvordering eerst de door de belanghebbende betaalde
                    eigen bijdrage in mindering te brengen op het terug te vorderen bedrag en
                    vervolgens dit lagere bedrag te laten terugbetalen.</al><al>Voor de inning van de eigen bijdrage, geeft het college de hoogte van het budget
                    per periode door aan het CAK. Het is niet inzichtelijk wat de hoogte van de
                    eigen bijdrage is die vervolgens door het CAK aan belanghebbende wordt opgelegd
                    en geïnd. Bovendien leidt een herberekening na terugvordering niet in alle
                    gevallen tot terugbetaling van (een deel van) de eigen bijdrage. </al><tussenkop>Artikel 2.3 Regels rond beëindiging</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget wordt maandelijks vooraf uitbetaald. Na overlijden
                    van de belanghebbende bestaat er geen recht meer op huishoudelijke verzorging.
                    Dit betekent dat het uitbetaalde persoonsgebonden budget over de periode tussen
                    de overlijdensdatum en einde van de betreffende maand altijd teruggevorderd moet
                    worden. Meestal omdat dit budget niet is gebruikt of in een enkel geval omdat
                    het onrechtmatig is besteed. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. De financiële tegemoetkoming </tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Het vergoeden van de meerkosten</tussenkop><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waarmee een algemeen gebruikelijke
                    voorziening wordt vervangen of kan worden vervangen zal bij verstrekking in de
                    vorm van een financiële tegemoetkoming alleen de vergoeding van de meerkosten
                    aan de orde zijn. Dat betekent dat het algemeen gebruikelijke deel niet vergoed
                    zal worden. Het algemeen gebruikelijke deel zal door de belanghebbende zelf
                    moeten worden bijgelegd. </al><al>.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Wel of geen eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><al>Lid 2 </al><al>Zie artikel 4.1., lid 3 van het Bmo. Wanneer de voorziening een bouwkundige of
                    woontechnische aanpassing van een woning betreft en de belanghebbende is tevens
                    eigenaar van deze woning, wordt belanghebbende een persoonsgebonden budget
                    toegekend en een eigen bijdrage opgelegd. Is de woning niet in eigendom van de
                    belanghebbende, oftewel de belanghebbende is huurder, kan geen persoonsgebonden
                    budget worden toegekend. In dat geval wordt een financiële tegemoetkoming aan de
                    eigenaar toegekend (vaak een woningbouwvereniging of een particuliere
                    verhuurder) en wordt de belanghebbende een eigen aandeel opgelegd. Het college
                    int dit eigen aandeel via het CAK.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Omvang van de eigen bijdrage en eigen aandeel </tussenkop><al>Lid 1</al><al>Apeldoorn hanteert de maximaal mogelijke eigen bijdrage of het eigen aandeel.
                    Hoofdstuk IV van het (rijks-) Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo)
                    handelt over eigen bijdragen. In artikel 4.1 lid 1 van dit Besluitwordt onder a,
                    b, c en d aangegeven welke bedragen de minister als maximum laat gelden voor
                    welke groepen. Overeenkomstig artikel 4.5 van het Bmo worden de in artikel 4.1
                    lid a, b, c en d genoemde maximum bedragen in Apeldoorn jaarlijks
                    bijgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>In hetzelfde besluit is geregeld dat de eigen bijdragen en het eigen aandeel de
                    kostprijs nimmer te boven mogen gaan. Ook als de eigen bijdrage de kostprijs
                    naar verwachting benadert kan het in het belang van de belanghebbende zijn om de
                    aanvraag door te zetten omdat de eigen bijdrage meetelt voor cumulatie van eigen
                    bijdragen AWBZ en Wmo, die centraal door het Centrale Administratie Kantoor
                    (CAK) wordt bewaakt. </al><tussenkop>Artikel 4.3 Bepalen kostprijs voorzieningen </tussenkop><al>Lid 2</al><al>De kostprijs van een uur HV1 en HV2 wordt bepaald aan de hand van een gewogen
                    gemiddelde inkooptarief van de gecontracteerde aanbieders. Deze kostprijs voor
                    HV 1 en HV2 wordt afzonderlijk opgevoerd bij het CAK en bepaalt mede de hoogte
                    van de eigen bijdrage die door het CAK wordt geïnd.</al><al>Lid 3</al><al>Het college maakt gebruik van een bouwcalculatieprogramma genaamd Calpro+. Dit
                    bij Scioconsult ingekochte calculatieprogramma is ontwikkeld voor het
                    vaststellen van de kosten voor een individuele woningaanpassing in het kader van
                    de Wmo.</al><al>Lid 4</al><al>Aangezien de aanschafkosten (inclusief BTW) van een herplaatsbare unit
                    afgeschreven worden over 25 jaar en de verwachting is dat de cliënt de
                    voorziening tijdelijk gaat gebruiken, wordt voor de bepaling van de kosten
                    uitgegaan van maximaal 3 afschrijvingsjaren. Hierbij komen nog de volledige
                    kosten van plaatsing. </al><tussenkop>Artikel 4.5 Regels rond beëindiging</tussenkop><al>Bij beëindiging van een voorziening waarvoor een eigen bijdrage of eigen aandeel
                    wordt geïnd, wordt de inning hiervan beëindigd per eerstvolgende periode. In
                    veel gevallen betekent dit dat er nog een eigen bijdrage of eigen aandeel wordt
                    betaald terwijl er geen voorziening meer is. Dit is een ongewenst, nadelig
                    gevolg voor de belanghebbende. Om dit te voorkomen stopt de inning niet per
                    eerstvolgende periode volgend op de beëindiging maar wordt de inning een periode
                    eerder gestopt. We handelen hierdoor ten gunste van de belanghebbende; hij
                    betaalt een aantal dagen tot maximaal 4 weken geen eigen bijdrage of eigen
                    aandeel terwijl de voorziening nog niet is beëindigd. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5. De acht resultaten</tussenkop><tussenkop>5.1 Een schone en leefbare woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1.2 Huishoudelijke verzorging in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget </tussenkop><al>Lid 1 </al><al>Tot 1 januari 2010 ontvingen de belanghebbenden een beschikking met daarin het
                    recht op een persoonsgebonden budget dat gebaseerd is op het gemiddelde van de
                    klasse. Deze indeling in klassen is destijds overgenomen uit het AWBZ. Gebleken
                    is dat het uitbetalen van een persoonsgebonden budget op het gemiddelde van de
                    klasse kan leiden tot situaties waarin een klant meer uren huishoudelijke
                    verzorging nodig heeft dan met het persoonsgebonden budget kan worden bekostigd,
                    namelijk het gemiddelde aantal uren in een klasse.</al><al>Ook zijn er belanghebbenden die meer persoonsgebonden budget ontvangen dan zij
                    op basis van een indicatie in uren nodig zouden hebben. Door per 1 januari 2010
                    te indiceren in uren en op deze uren een persoonsgebonden budget te baseren
                    kunnen de belanghebbenden de hulp inkopen waar zij op grond van de indicatie
                    recht op hebben.</al><al>Lid 2</al><al>De belanghebbenden met een indicatie van voor 1 januari 2010 behouden tot einde
                    indicatie het recht op huishoudelijke verzorging in klassen. De rechten van de
                    belanghebbenden wijzigen dus voor de looptijd van de reeds afgegeven
                    beschikkingen niet, tenzij er sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden
                    die leiden tot een tussentijdse herindicatie. In het geval de medische situatie
                    van de belanghebbende is verslechterd en hij vraagt om uitbreiding, is het
                    mogelijk dat hij door de indicatiestelling in uren minder uren krijgt dan het
                    gemiddelde van de klasse dat hij had. In dat geval mag de belanghebbende zijn
                    aanvraag intrekken en behoudt hij zijn recht op HV in klassen tot de
                    oorspronkelijke einddatum indicatie. </al><al>Betreft het gewijzigde feiten of omstandigheden zoals verbetering van de
                    medische situatie of een verhuizing of inwoning van een huisgenoot waardoor er
                    minder hulp nodig is, dan mag de aanvraag niet worden ingetrokken. De
                    belanghebbende is namelijk verplicht dergelijke gewijzigde feiten of
                    omstandigheden te allen tijden te melden.</al><al>Belanghebbenden kunnen ook zelf een herindicatie aanvragen en op deze wijze een
                    persoonsgebonden budget op basis van een indicatie in uren ontvangen. Dit kan
                    leiden tot een hoger budget als het daadwerkelijk benodigd aantal uren hoger is
                    dan het gemiddelde van de klasse.</al><al>Lid 3, 4, 5, 6</al><al>Gezien de ontstane jurisprudentie wordt per 1 januari 2010 een
                    standaardtarief</al><al>gehanteerd waarmee een budgethouder huishoudelijke verzorging kan</al><al>inkopen bij een particulier (kennis, alfahulp) en een hoger tarief om bij
                    een</al><al>organisatie of een Zelfstandige zonder Personeel (ZZP-er) te kunnen inkopen. De
                    koppeling tussen het in natura tarief wordt daarmee losgelaten. Een
                    belanghebbende ontvangt uitsluitend een hoger tarief indien hij kan aantonen
                    hulp in te kopen bij een organisatie of ZZP-er die bij de Kamer van Koophandel
                    is ingedeeld bij de thuiszorg branche en blijkens de handelsbenaming hulp bij
                    het huishouden oftewel schoonmakendiensten aanbiedt. Er is gekozen om twee
                    tarieven per type huishoudelijke verzorging te introduceren om te voorkomen dat
                    indien een budgethouder hulp inkoopt bij een particulier geld moet terugbetalen
                    aan de gemeente. Tevens is het niet wenselijk dat de prijzen op de particuliere
                    markt worden opgedreven door een hoger persoonsgebonden budget. Artikel 4 Wmo
                    (compensatiebeginsel) bevat de verplichting voor het college om compenserende
                    voorzieningen te treffen. Door twee tarieven te hanteren is het college van
                    oordeel aan het compensatiebeginsel te voldoen.</al><al>Lid 3 en 5</al><al>Het tarief van de particulier heeft verband met het wettelijk minimumloon,
                    maar</al><al>ook met de prijzen op de markt voor hulpen in de samenleving. Op die
                    particuliere</al><al>markt kost een schoonmaakhulp tussen de € 10 en € 12. Om de belanghebbende
                    voldoende concurrentiekracht te geven, is het van belang om het persoonsgebonden
                    budget daar bovenuit te laten stijgen. Voor de belanghebbende is de inhuur van
                    huishoudelijke verzorging noodzaak, terwijl de beschikbaarheid van particuliere
                    (alfa) hulpen afneemt. Het HV2 tarief is hoger vastgesteld dan het HV1 tarief,
                    omdat in het geval van HV2 een groter beroep wordt gedaan op de hulp die wordt
                    ingeschakeld. De hulp vangt eventueel kinderen op, verzorgt ze, helpt bij de
                    dagelijkse organisatie van het huishouden of geeft adviezen over huishoudelijke
                    taken.</al><al>Lid 4 en 6</al><al>De hoogte van het tarief waarmee een hulp van een organisatie of ZZP-er moet
                    kunnen worden ingehuurd, is bepaald aan de hand van de huidige tarieven die
                    aanbieders tijdens een aanbesteding huishoudelijke verzorging offreren. Door
                    budgethouders een persoonsgebonden budget op basis van het laagst geoffreerde
                    tarief te geven worden zij in staat geacht hulp van een organisatie of ZZP-er te
                    kunnen inschakelen. Een ZZP-er heeft een éénmans-/vrouwsonderneming en heeft
                    derhalve bedrijfskosten plus ondernemersrisico, hetgeen gelijkstelling qua
                    tarief met een organisatie rechtvaardigt.</al><al>Lid 7 </al><al>Het bruto persoonsgebonden budget dient in zijn geheel besteed te worden
                    aan</al><al>huishoudelijke verzorging. Naast het persoonsgebonden budget ontvangt de</al><al>budgethouder facturen van het Centraal AdministratieKantoor (CAK) voor de nog te
                    betalen eigen bijdrage.</al><al>Lid 8</al><al>Budgethouders ontvangen naast een uurtarief ook ondersteuning van een door de
                    gemeente gecontracteerde partij voor: informatie en advies, loondoorbetaling bij
                    ziekte, arbodienstverlening en loonadministratie. Voor deze diensten hoeft
                    een</al><al>budgethouder niet te betalen. </al><al>Lid 9 a</al><al>Met ingang van de inwerkingtreding van dit Besluit, is het niet langer mogelijk
                    de reiskosten van de hulp uit het persoonsgebonden budget te betalen. Het
                    persoonsgebonden budget is bedoeld voor het inkopen van de noodzakelijke hulp.
                    Door het persoonsgebonden budget deels te gebruiken voor het betalen van
                    reiskosten, kan er veelal minder hulp worden ingezet dan nodig is. </al><al>Lid 9 b</al><al>Wordt de ondersteuning zoals omschreven in lid 8 geboden door een
                    niet-gecontracteerde partij, dan worden hiervoor vaak bemiddelingskosten in
                    rekening gebracht. Deze komen voor eigen rekening en mogen niet uit het
                    persoonsgebonden budget worden betaald. </al><al>Lid 10</al><al>Om transparantie te bevorderen en fraude te voorkomen wordt verwacht dat de
                    budgethouder betalingen aan de hulp per bank doet. Verzoekt het college bij de
                    verantwoording om aanvullende bewijsstukken dan zijn de bankafschriften
                    legitieme bewijsstukken waaruit blijkt op welke datum, welk bedrag aan de hulp
                    of aan de organisatie of ZZP-er is uitbetaald. Dit voorkomt dat budgethouders
                    aan het eind van het kalenderjaar onverklaarbare of onevenredig hoge
                    nabetalingen aan de hulp doen om het persoonsgebonden budget volledig te hebben
                    besteed en terugbetaling te voorkomen.</al><al>Betaalt een budgethouder de hulp periodiek contant uit en is de verantwoording
                    inzichtelijk en correct, dan is dit reden om af te zien van betalingen per
                    bank.</al><tussenkop>5.2 Wonen in een geschikte woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.2.1 Hoogte persoonsgebonden budget</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld hoe een persoonsgebonden budget voor een
                    woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat bij de vaststelling van de kosten om
                    de door het college goedgekeurde kosten. Ingeval het bouwkundige of
                    woontechnische aanpassing betreft, gaat het college uit van de bedragen genoemd
                    in Calpro+. </al><al>Betreft het een voorziening in natura, dan wordt uitgegaan van de kostprijs van
                    een naturavoorziening.</al><tussenkop>Artikel 5.2.5 Begrenzing woonvoorziening bij voorzienbare sloop of
                    onbewoonbaar verklaring</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om kapitaalvernietiging te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 5.2.6 Afschrijvingstermijn en artikel 5.2.16 Terugbetaling kosten
                    woonvoorziening</tussenkop><al>Deze artikelen geven het afschrijvingsschema aan volgens welk schema de kosten
                    van de aanpassingen bij verkoop van de woning binnen 20 jaar aan het college
                    moeten worden terugbetaald. Dit geldt alleen voor eigenaar-bewoners. </al><tussenkop>Artikel 5.2.7 financiële tegemoetkoming vervanging vloerbedekking en
                    raambedekking</tussenkop><al>Bij deels afgeschreven materialen worden uitsluitend de meerkosten vergoed. Het
                    wordt algemeen gebruikelijk geacht vloer- en raambedekking eens in de 8 jaar te
                    vervangen. De financiële tegemoetkoming is een meerkostenvergoeding voor het
                    eerder dan voorzien te vervangen van vloerbedekking en gordijnen vanwege een
                    medische dringende noodzakelijkheid. Dit kan zich voordoen bij dringend
                    noodzakelijk geworden woningsanering en bij vervanging van vloerbedekking bij
                    een eerste rolstoelgebruik c.q. als de belanghebbende voor het eerst structureel
                    gebruik moet maken van een rolstoel binnenshuis en de aanwezige vloerbedekking
                    niet rolstoelbestendig is.</al><al>De levensduur van een voorziening wordt vastgesteld aan de hand van de nota.
                    Indien deze er niet is, wordt een inschatting gemaakt op grond van de verkregen
                    gegevens van de cliënt en/of de woonduur op het adres op basis van de
                    Gemeentelijke Basis Administratie. Bij verhuizing wordt geen voorziening
                    toegekend omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en bij de
                    aanschaf van materialen dan rekening gehouden kan worden met de ondervonden
                    klachten. Bij een aanbouw kan wel een financiële tegemoetkoming voor
                    woningsanering worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.10 Huurderving</tussenkop><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                    percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de
                    eigenaar/verhuurder het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand dat
                    de woning leegstaat mag dit als normaal beschouwd worden. Het is daarentegen
                    niet onredelijk dat de gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico's die
                    een verhuurder loopt als gevolg van het feit dat er sprake van een aangepaste
                    woning is. </al><al>Het vinden van een geschikte huurder voor een aangepaste woning zal in veel
                    gevallen langer duren dan het vinden van een huurder van een niet aangepaste
                    woning. Er wordt slechts huurderving toegekend indien de gemeente verwacht dat
                    de woning binnen een termijn van 6 maanden voor een belanghebbende herinzetbaar
                    is.</al><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor personen met beperkingen. De duur van de tegemoetkoming
                    kan afhankelijk gesteld worden van de situatie ter plaatse. Een algemene termijn
                    die redelijk geacht kan worden is zes maanden. In bepaalde gevallen kan echter
                    ook geconcludeerd worden dat een kortere periode ook redelijk is. Dit is
                    afhankelijk van de situatie op de woningmarkt. </al><al>Reeds aangepaste woningen worden op deze manier voor de doelgroep langer
                    beschikbaar gehouden. </al><tussenkop>5.6 Zich verplaatsen in en om de woning </tussenkop><tussenkop>Artikel 5.6.1. Voorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget</tussenkop><al>Bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor de rolstoel
                    wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende voorziening (zoals in de
                    Verordening bepaald). Dit bedrag wordt verhoogd met de zogenaamde
                    instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie). Hiervoor wordt uitgegaan van het
                    onderhoudscontract tussen gemeente en leverancier; het maandelijkse premiebedrag
                    per type rolstoel maal het aantal maanden van de economische levensduur, vormt
                    de basis van de hoogte van de instandhoudingskosten. </al><tussenkop>5.7 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.7.2 Voorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget</tussenkop><al>Bij het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor de rolstoel
                    wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende voorziening (zoals in de
                    Verordening bepaald). Dit bedrag wordt verhoogd met de zogenaamde
                    instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie). Hiervoor wordt uitgegaan van het
                    onderhoudscontract tussen gemeente en leverancier; het maandelijkse premiebedrag
                    per type voorziening maal het aantal maanden van de economische levensduur,
                    vormt de basis van de hoogte van de instandhoudingskosten. </al><tussenkop>Artikel 5.7.3 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vraagafhankelijk
                    vervoer (CVV)</tussenkop><al>De ritbijdrage is niet te beschouwen als een eigen bijdrage in de zin van de
                    Wmo.</al><tussenkop>Artikel 5.7.3, lid 2 (gratis meereizen van een begeleider)</tussenkop><al>sociale indicatie: de rolstoelgebonden belanghebbende is niet in staat zich
                    zelfstandig voort te bewegen (hoepelen/trippelen) op de plaats van bestemming De
                    belanghebbende is afhankelijk van een begeleider die hem/haar duwt. Een sociale
                    indicatie kan eveneens worden gegeven aan een blinde belanghebbende die
                    gedesoriënteerd is in ruimte en dit niet kan compenseren, al dan niet met
                    gebruik van voorliggende voorzieningen en/of hulpmiddelen (hulphond, blindenstok
                    etc.). </al><al>medische indicatie: op medische gronden is tijdens het reizen hulp of
                    begeleiding nodig</al><tussenkop>Artikel 5.7.5 Eigen auto of vervoer door derden </tussenkop><al>Artikel 5.7.5 legt een aantal normbedragen vast voor de financiële
                    tegemoetkoming voor gebruik van (eigen) auto of vervoer door derden. Deze
                    bedragen zijn afgeleid van de gehanteerde vergoedingen door het UWV. De hoogte
                    van de financiële tegemoetkoming en het km-budget is gebaseerd op maximaal 1.500
                    kilometer, met een bandbreedte tot 2.000 km. Opplussen naar 2.000 kilometer, het
                    maximum van de door de CrvB uitgesproken bandbreedte, is afhankelijk van de
                    effectieve sociale vervoersbehoefte en de mate waarin men het in de beschikking
                    heeft over andere Wmo-vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of een
                    aangepaste fiets.</al><tussenkop>Artikel 5.7.6 Autoaanpassing</tussenkop><al>Wanneer gebruik van CVV mogelijk is, maar belanghebbende geeft de voorkeur aan
                    het gebruik van de eigen aan te passen auto, kan eventueel een tegemoetkoming
                    worden verstrekt voor het aanpassen van de eigen auto. Gebruik van het
                    collectief vervoer wordt dan afgekocht (voor maximaal 5 jaar). De maximale
                    vergoeding hiervoor is gebaseerd op het gemiddeld gebruik van actieve
                    CVV-reiziger en bedraagt € 2.200,00 voor 5 jaar (€ 36,66 per maand). Zijn de
                    kosten van de autoaanpassing lager, dan wordt de tegemoetkoming naar rato
                    aangepast. De tegemoetkoming kan uitsluitend besteed worden aan noodzakelijke
                    aanpassingen en niet voor de aanschaf van een reeds aangepaste auto.</al><tussenkop>Artikel 5.7.7 Bruikleenauto, bruikleenbus of gesloten buitenwagen in
                    bruikleen</tussenkop><al>Voor een bruikleenauto, bruikleenbus of gesloten buitenwagen in bruikleen wordt
                    geen tegemoetkoming verstrekt. Kosten voor onderhoud, reparaties en
                    verzekeringen worden reeds door het college vergoed. Wat resteert zijn algemeen
                    gebruikelijke kosten voor het vervoer, waarvan geacht wordt dan men deze voor
                    eigen rekening kan nemen. Hierbij heeft het college zich gebaseerd op de
                    normbedragen die door het UWV worden gehanteerd.</al><tussenkop>Artikel 5.5.8 Kilometerbudget ten behoeve van de
                    (rolstoel)taxi</tussenkop><al>De hoogte van het km-budget is gebaseerd op maximaal 1.500 kilometer, met een
                    bandbreedte tot 2.000 km. Opplussen naar 2.000 kilometer, het maximum van de
                    door de Centrale Raad van Beroep uitgesproken bandbreedte, is afhankelijk van de
                    effectieve sociale vervoersbehoefte en de mate waarin men het in de beschikking
                    heeft over andere Wmo-vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of een
                    aangepaste fiets.</al><tussenkop>5.8 Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                    gaan</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.8.1 Sportrolstoel</tussenkop><al>De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen is vanuit de Wvg. De
                    sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, destijds in de Wvg opgenomen
                    naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. De sportrolstoel wordt
                    verstrekt als een financiële tegemoetkoming voor de duur van 3 jaar. Deze
                    financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel hoeft niet kostendekkend te
                    zijn. </al><al>De sportvoorziening kan niet eerder dan na drie jaar van de voorgaande
                    verstrekking worden toegekend. Bij een vervolgaanvraag na drie jaar wordt de
                    technische staat van het middel herbeoordeeld. Komt de voorziening door de
                    keuring, dan worden de onderhoudskosten voor een nieuwe periode,
                    gecontinueerd.</al><al>Lid 2.</al><al>Het college heeft besloten naast de tegemoetkoming voor een door spierkracht
                    voortgedreven sportrolstoel tevens een tegemoetkoming voor een elektrisch
                    voortgedreven sportrolstoel op te nemen in het Besluit. Ingeval belanghebbende
                    een sport als rolstoelhockey wenst te beoefenen is het bedrag als genoemd in dit
                    artikel meer toereikend.</al><tussenkop>Artikel 5.8.3 Bovenlokale verplaatsingen</tussenkop><al>In eerste instantie wordt er van uitgegaan dat het sociale verkeer plaatsvindt
                    in de directe woon- en leefomgeving. De financiële tegemoetkoming voor vervoer
                    wordt verstrekt omdat de belanghebbende geen gebruik kan maken van het
                    collectief vraagafhankelijk vervoer. Dit ligt tevens in de lijn van artikel 4
                    lid 1 sub c van de Wet maatschappelijke ondersteuning (zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel). Valys wordt beschouwd als een voorliggende
                    vervoersvoorziening die verstrekt wordt vanuit het Rijk. Valys voorziet in het
                    algemeen in de bovenlokale vervoersbehoefte. En het collectief vraagafhankelijk
                    vervoer maakt reizen binnen de gemeentegrenzen tegen gereduceerd tarief
                    mogelijk. Uitsluitend bij dreigende vereenzaming en wanneer Valys of het CVV
                    buiten de gemeentegrenzen geen oplossing biedt, kan tegemoet worden gekomen aan
                    een bovenlokale vervoersbehoefte van een klant. Bijvoorbeeld in geval van
                    weekendvervoer naar de ouders van een in een instelling verblijvend gehandicapt
                    kind. Ook dan kan het km-budget of een financiële tegemoetkoming per kilometer
                    worden verstrekt.</al><al>Een andere uitzondering die gemaakt zou kunnen worden is het vergoeden van
                    noodzakelijk bovenlokaal medisch vervoer, indien hiervoor geen voorliggende
                    regelingen zijn en de behandeling niet lokaal kan plaatsvinden.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Citeertitel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit hoofdstuk geeft de citeertitel van het Besluit en geeft aan wanneer het
                    Besluit in werking treedt en welk Besluit met deze inwerkingtreding is komen te
                    vervallen.</al></nota-toelichting><bijlage><al>INHOUDSOPGAVE</al><al>HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN 4</al><al>HOOFDSTUK 2. HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET 6</al><al>Artikel 2.1 Regels rond verantwoording 6</al><al>Artikel 2.2 Regels rond terugvordering 6</al><al>Artikel 2.3 Regels rond beëindiging 7</al><al>HOOFDSTUK 3. DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING 7</al><al>Artikel 3.1. Het vergoeden van de meerkosten 7</al><al>Artikel 3.2. Regels rond beëindiging financiële tegemoetkoming 8</al><al>HOOFDSTUK 4. EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL 9</al><al>Artikel 4.1 Wel of geen eigen bijdrage en eigen aandeel 9</al><al>Artikel 4.2 Omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel 9</al><al>Artikel 4.3 Bepalen kostprijs voorzieningen 9</al><al>Artikel 4.4 Looptijd van de eigen bijdrage of het eigen aandeel 10</al><al>Artikel 4.5 Regels rond beëindiging 10</al><al>HOOFDSTUK 5. DE ACHT RESULTATEN 11</al><al>5.1 Resultaat: Een schone en leefbare woning 11</al><al>Artikel 5.1.1 Huishoudelijke verzorging in natura 11</al><al>Artikel 5.1.2 Huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget 12</al><al>5.2 Resultaat: Wonen in een geschikte woning 13</al><al>Artikel 5.2.1 Hoogte persoonsgebonden budget 13</al><al>Artikel 5.2.2 Kostenposten bouwkundige of woontechnische woonvoorziening 14</al><al>Artikel 5.2.3 Aanpassing van gemeenschappelijke ruimten 14</al><al>Artikel 5.2.4 Financiële tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten 15</al><al>Artikel 5.2.5 Begrenzing woonvoorziening bij voorzienbare sloop of
                    onbewoonbaarverklaring 15</al><al>Artikel 5.2.6 Afschrijvingstermijn 15</al><al>Artikel 5.2.7 Financiële tegemoetkoming vervanging vloerbedekking en
                    raambedekking 15</al><al>Artikel 5.2.8 Onderhoud, keuring en reparatie 16</al><al>Artikel 5.2.9 Tijdelijke huisvesting 16</al><al>Artikel 5.2.10 Huurderving 16</al><al>Artikel 5.2.11 Verwijderen van woonvoorzieningen 17</al><al>Artikel 5.2.12 Aanvang werkzaamheden en inzicht in de woning 17</al><al>Artikel 5.2.13 Gereedmelding 17</al><al>Artikel 5.2.14 Opstalverzekering 18</al><al>Artikel 5.2.15 Terugbetaling kosten woonvoorziening 18</al><al>5.3 Resultaat: Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 18</al><al>5.4 Resultaat: Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding 19</al><al>5.5 Resultaat: Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren
                    19</al><al>5.6 Resultaat: Zich verplaatsen in en om de woning 19</al><al>Artikel 5.6.1 Voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget 19</al><al>5.7 Resultaat: Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 19</al><al>Artikel 5.7.1 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen 19</al><al>Artikel 5.7.2 Voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget 20</al><al>Artikel 5.7.3 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vraagafhankelijk vervoer
                    (CVV) 20</al><al>Artikel 5.7.4 Gebruikersbijdrage collectieve voorzieningen 20</al><al>Artikel 5.7.5 Eigen auto of vervoer door derden 21</al><al>Artikel 5.7.6 Autoaanpassing 21</al><al>Artikel 5.7.7 Bruikleenauto, bruikleenbus of gesloten buitenwagen in bruikleen
                    21</al><al>Artikel 5.7.8 Kilometerbudget ten behoeve van de (rolstoel) taxi 21</al><al>5.8 Resultaat: Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan
                    te gaan. 22</al><al>Artikel 5.8.1 Sportrolstoel 22</al><al>Artikel 5.8.2 Bezoekbaar maken van de woning 22</al><al>Artikel 5.8.3 Bovenlokale verplaatsingen 22</al><al>HOOFDSTUK 6. OVERGANGSBEPALING 23</al><al>Artikel 6 Overgangsbepaling 23</al><al>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN 24</al><al>Artikel 7.1 Normbedragen en normtijden 24</al><al>Artikel 7.2 Hardheidsclausule 24</al><al>Artikel 7.3 Inwerkingtreding 24</al><al>Artikel 7.4 Citeertitel 24</al><al>TOELICHTING OP HET BESLUIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE APELDOORN
                    2014 26</al></bijlage></regeling></body></cvdr>