<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR334636_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zoek.officielbekendmakingen.nl">Gemeenteblad 32096</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0010086"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-05-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>VERORDENING</vet></al><al/><al><vet>Domein</vet> : Maatschappij</al><al><vet>Afdeling</vet> : Samenleving</al><al>De raad van de gemeente Oisterwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Oisterwijk dd. </al><al>gelet op artikel 4 van de Wet op het primai onderwijs, artikel 4 van de
                        Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs en de Gemeentewet </al><al>besluit vast te stellen de</al><al><vet>VERORDENING LEERLINGENVERVOER GEMEENTE OISTERWIJK
                        2014</vet><vet>.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, taxibus, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="b."><al>afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                                    kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="c."><al>begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om
                                    de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;</al></li><li nr="d."><al>commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41,
                                    tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="e."><al>commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel
                                    40b van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="f."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;</al></li><li nr="g."><al>inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en
                                    onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het
                                    peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="h."><al>leerling: leerling van een school als bedoeld in dit
                                    artikel;</al></li><li nr="i."><al>ondersteuningsplan:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als
                                            bedoeld in artikel 18a, zevende tot en met tiende lid,
                                            van de Wet op het primair onderwijs of</al></li><li nr="2."><al>voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als
                                            bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid,
                                            van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                                    bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;</al></li><li nr="l."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="m."><al>ouders: ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="n."><al>regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel
                                    10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="o."><al>reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de
                                    woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de
                                    aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het
                                    openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij gebruikmaking van
                                    aangepast vervoer;</al></li><li nr="p."><al>samenwerkingsverband:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als
                                            bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de
                                            Wet op het primair onderwijs of</al></li><li nr="2."><al>voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als
                                            bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="q."><al>school: </al><lijst><li nr="1."><al>basisschool of speciale school voor basisonderwijs als
                                            bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet
                                            speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als
                                            bedoeld in de Wet op de expertisecentra of</al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet
                                            op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="r."><al>stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;</al></li><li nr="s."><al>toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen
                                    van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                                    dan wel de openbare school;</al></li><li nr="t."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="u."><al>vervoersvoorziening: </al><lijst><li nr="1."><al>bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van
                                            openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens
                                            begeleider; </al></li><li nr="2."><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente
                                            verzorgt of doet verzorgen; of</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het
                                            college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de
                                            leerling en zo nodig diens begeleider;</al></li></lijst></li><li nr="v."><al>woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                                  vervoersvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders
                                    van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                    vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in
                                    deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt
                                    zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging
                                    van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten
                                    hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze
                                    verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer.
                                    Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige
                                    volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de
                                    vervoersvoorziening vervallen</al></li><li nr="3."><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                    verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                    kinderen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt
                                    de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de
                                    leerling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde
                                                  toegankelijke school</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen
                                    de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de
                                    leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                    weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee
                                    zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school
                                    schriftelijk instemmen.</al></li><li nr="2."><al>Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het
                                    bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                    gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort,
                                    ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar
                                    eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt
                                    verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar
                                    onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle
                                    bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is
                                    aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.</al></li><li nr="3."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een
                                    vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is
                                    vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de
                            wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling,
                            alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door
                                    indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                    ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                    vermelde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag
                                    noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende
                                    gegevens te verstrekken.</al></li><li nr="3."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                    hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="5."><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de
                                            door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat
                                            de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de
                                            aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft,
                                            met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de
                                            door de ouders verzochte datum.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen
                                    zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van
                                    de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                    aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                    toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en
                                    kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening
                                    toe.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste
                                    lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid
                                    vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een
                                    vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de
                                    vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet
                                    opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt zijn
                                    besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></li><li nr="4."><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                    teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw
                                    verstrekte vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 11
                            is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar
                            waarop de voorziening betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling
                            betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering
                            gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN
                                                  VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van
                                                  leerlingen van scholen voor primair
                                                  onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            de Wet op de expertisecentra. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet
                                    onderwijs volgen.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een
                                    vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning
                                    dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                                            speciale school voor basisonderwijs in het
                                            samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                                            leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het
                                            onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het
                                            vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten
                                            met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder
                                            a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen
                                    die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                                                  en vervoer per fiets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand
                                    van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke
                                    school meer dan zes kilometer bedraagt.</al></li><li nr="2."><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het
                                    eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al
                                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer
                                    per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis
                                    van de kosten van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                                                  of vervoer per fiets ten behoeve van een
                                                  begeleider</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per
                                    fiets van de leerling en een begeleider indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 10 en de leerling jonger dan tien jaar is, en
                                            door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                            wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is
                                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik
                                            te maken, of</al></li><li nr="b."><al>de leerling door een structurele lichamelijke,
                                            verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig
                                            van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan
                                            maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                                                  vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                    zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                            artikelen 10 of 11 en de leerling met gebruikmaking van
                                            openbaar vervoer naar school of terug, meer dan
                                            anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                            vervoer kan worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                            artikelen 10 of 11 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij
                                            de leerling naar het oordeel van het college al dan niet
                                            onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                            fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 11 en door de ouders ten behoeve van het college
                                            genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de
                                            leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel
                                            tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een
                                            andere oplossing niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op
                                            zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of
                                            zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder
                                            begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt
                                    het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke
                                    verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het
                                    aangepast vervoer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                                  vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het
                                    college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                    zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid; of</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde
                                    in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het
                                    college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor
                                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals
                                    bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het
                                    inkomen tezamen meer bedraagt dan € 24.300,- wordt slechts
                                    bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van
                                    die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in
                                    artikel 10 bepaalde afstand te boven gaan.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen
                                    de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                    een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling
                                    per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten
                                    van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand,
                                    indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan €
                                    24.300,-.</al></li><li nr="3."><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                    lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik
                                    van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende
                                    OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand
                                    redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid
                                    van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het
                                    bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen
                                    die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al></li><li nr="4."><al>Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid,
                                    wordt met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van
                                    volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het
                                    voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €
                                    450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het
                                    eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 24.300,-.</al></li><li nr="5."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                    handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen,
                                    dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
                                    openbaar vervoer gebruik kunnen maken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de
                                    Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de
                                    vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële
                                    draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de
                                    ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage
                                    tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders.
                                    Zij bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet><cursief>Inkomen in
                                                  </cursief></vet><vet><cursief>€</cursief></vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet><cursief>Eigen bijdragen
                                                  in</cursief></vet><vet><cursief>
                                                €</cursief></vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>0 - 32.500</al></entry><entry colname="col3"><al>Nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>32.500 - 39.000</al></entry><entry colname="col3"><al>130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>39.000 - 45.000</al></entry><entry colname="col3"><al>545</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>45.000 - 51.000</al></entry><entry colname="col3"><al>1015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>51.000 -58.000</al></entry><entry colname="col3"><al>1.485</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>58.000 - 64.000</al></entry><entry colname="col3"><al>1.955</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>64.000 en verder</al></entry><entry colname="col3"><al>Voor elke extra € 5.000: € 480 erbij </al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="4."><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.</al></li><li nr="6."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                    handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen,
                                    dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
                                    openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN
                                                  VAN SCHOLEN VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van
                                                  leerlingen van scholen voor voortgezet
                                                  onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal en voortgezet speciaal
                                            onderwijs of een school voor voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                                            expertisecentra.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                    leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen
                                    die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer
                                                  met begeleiding en vervoer per fiets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt bekostiging op
                                    basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en
                                    een begeleider, indien de leerling door een structurele
                                    lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
                                    zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan
                                    maken.</al></li><li nr="2."><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                    komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                    begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                    bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets,
                                    indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet
                                    onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                    fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                                                  vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoeraan de ouders van de leerling die een
                                    school zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar
                                            vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur
                                            onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                                            of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                                            worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de
                                            leerling naar het oordeel van het college al dan niet
                                            onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                            fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                            artikel 17 en door de ouders ten behoeve van het college
                                            genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de
                                            leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel
                                            tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een
                                            andere oplossing niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op
                                            zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of
                                            zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder
                                            begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te
                                            maken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is,
                                    vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten
                                    welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het
                                    aangepaste vervoer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen
                                                  vervoer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het
                                    college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                    zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling
                                    zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar
                                            vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op
                                            basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                            het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                            auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                            aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                            aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                    verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                    leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                    bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto
                                    afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde
                                    in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door
                                    andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of
                                    meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de
                                    Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het
                                    college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt
                                    het college aan de ouders een bedrag op basis van een
                                    kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling
                                    binnenland.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>4</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN
                                                  VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het
                                                  weekeinde en de vakantie aan in de gemeente
                                                  wonende ouders</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in
                            de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                            volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een
                            internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze
                            paragraaf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en
                                                  vakantie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor
                                    het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin
                                    waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en
                                    terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het
                                    tweede lid bedoelde schoolvakanties.</al></li><li nr="2."><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor
                                    het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per
                                    schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het
                                    internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de
                                    woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt
                                    in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.</al></li><li nr="3."><al>Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                                    toepassing, met uitzondering van artikel 12, eerste lid, aanhef
                                    en onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>5</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Regeling</titel></kop><al>Het college kan bij regeling nadere invulling geven aan de bepalingen in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de
                                                  regeling niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2014.</al></li><li nr="2."><al>Op 1 augustus 2014 wordt ingetrokken de Verordening
                                    leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2012. </al></li><li nr="3."><al>Op aanvragen om vervoersvoorzieningen ingaande 1 augustus 2014
                                    die zijn ingediend vóór 1 augustus 2014 zijn de bepalingen van
                                    de Verordening leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2012 van
                                    toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                                    leerlingenvervoer gemeente Oisterwijk 2014.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 mei 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al><vet>Domein</vet> : Maatschappij</al><al><vet>Afdeling</vet> : Samenleving</al><al><vet>VERORDENING LEERLINGENVERVOER GEMEENTE OISTERWIJK
                                2014</vet><vet>.</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de
                            afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele
                            handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen
                            op de verordening leerlingenvervoer.</al><al><onderstreept>Wettelijke plicht</onderstreept></al><al>De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen
                            voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het
                            primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op
                            het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de
                            Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de
                            door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van
                            het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor
                            basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs
                            en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij
                            samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om
                            instellingen voor cluster 1 en cluster 2.</al><al>De verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van het
                            gemeentebestuur tot vaststelling van de Verordening leerlingenvervoer
                            gemeente Oisterwijk 2014, hierna te noemen: de verordening.</al><al><onderstreept>Inhoud en indeling
                                </onderstreept><onderstreept>verordening</onderstreept></al><al>Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen
                            indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders
                            aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij
                            is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij
                            de ouders blijft.</al><al>De verordening volgt de indeling van de samenwerkingsverbanden passend
                            onderwijs voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs.</al><al><onderstreept>Vervoersvoorziening</onderstreept></al><al>In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat
                            houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling.
                            Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm van aangepast vervoer, dat
                            de gemeente verzorgt of doet verzorgen. </al><al>Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het
                            vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. </al><al>Uitgangspunt van de verordening is bekostiging van het openbaar vervoer.
                            Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in
                            aanmerking voor aangepast vervoer.</al><al>Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor
                            toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is
                            vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in
                            aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de
                            kosten.</al><al><onderstreept>Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage
                            </onderstreept></al><al>De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor
                            basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een
                            drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij
                            gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil
                            zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan
                            bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens
                            vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan
                            de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag
                            wordt per leerling in rekening gebracht.</al><al>Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen
                            die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer
                            van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de
                            draagkracht en wordt per gezin geheven.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>-<cursief>afstand</cursief></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke
                                afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De
                                gemeente hanteert de routeplanner van de ANWB. </al><al>De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn
                                voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling
                                Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni
                                1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand –
                                op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een
                                uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309). </al><al><cursief>- inkomen</cursief></al><al>Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de
                                onderwijswetgeving worden aangemerkt het tweede kalenderjaar
                                voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor
                                bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.</al><al><cursief>- leerling</cursief></al><al>Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat
                                kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als
                                leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO).
                                In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen
                                vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen
                                (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen
                                zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders
                                kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat
                                ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak
                                kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de
                                voorwaarden van de verordening. De leeftijd van de leerling is
                                hierbij niet van belang.</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen
                                bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van
                                circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO).
                                Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen
                                aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor
                                noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het
                                schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van
                                die scholen.</al><al><cursief>- ondersteuningsplan</cursief></al><al>Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een
                                belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een
                                ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat
                                leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke
                                plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het
                                basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt. </al><al>Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria
                                voor de verdeling, besteding en toewijzing van de
                                ondersteuningsmiddelen en – voorzieningen aan de scholen. Ook moeten
                                de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op
                                speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en
                                op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden
                                opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of
                                overplaatsing naar reguliere scholen.</al><al><cursief>- opdc</cursief></al><al>Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als
                                ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</al><al><cursief>- openbaar vervoer</cursief></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten
                                bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van
                                de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede
                                ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi
                                desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. In de
                                verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met
                                ‘veerdienst’.</al><al><cursief>- opstapplaats</cursief></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor
                                goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale
                                opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden
                                vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis
                                voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder
                                begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                                aangewezen opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van
                                dertig minuten achtte deABRvS alleszins redelijk (26
                                februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).</al><al><cursief>- ouders</cursief></al><al>De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de
                                WEC.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee
                                onder het begrip ‘ouders’.</al><al><cursief>- reistijd</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd
                                die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen
                                vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met
                                aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer
                                de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking
                                voor aangepast vervoer (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a,
                                en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a van de
                                verordening).</al><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de
                                afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang
                                van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand
                                deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd
                                voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel
                                meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt
                                vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus)
                                te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd op te
                                tellen bij de berekende duur van de rit. Een periode van tienminuten
                                periode vond ook deABRvS in elk geval redelijk (5 oktober
                                1990, nr. R03.90.6236/86538).</al><al><cursief>- samenwerkingsverband</cursief></al><al><cursief>Onder </cursief><cursief>1°</cursief>: Een
                                samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van
                                de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen
                                vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs,
                                scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en
                                voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs
                                wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een
                                uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is
                                aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en
                                voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4,
                                die geen vestigingen hebben in het gebied van het
                                samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot
                                het samenwerkingsverband.</al><al><cursief>Onder </cursief><cursief>2°</cursief>: Een
                                samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a
                                van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen
                                vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor
                                voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet
                                speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs
                                wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een
                                uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is
                                aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal
                                en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster
                                4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het
                                samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot
                                het samenwerkingsverband.</al><al><cursief>- school</cursief></al><al><cursief>Speciaal onderwijs:</cursief> In de WEC gaat het om
                                onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met
                                ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen,
                                lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer
                                moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen,
                                meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden
                                aan pedologische instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                                meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, </al><al>Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
                                kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig
                                gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,</al><al>Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een
                                lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer
                                moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen
                                met een van deze handicaps,</al><al>Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                                lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen
                                in scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al>Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in
                                instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip
                                ‘school’.</al><al><cursief>Voortgezet onderwijs:</cursief> In de WVO gaat het om
                                scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo),
                                hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend
                                middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs
                                (hierna: pro). </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar
                                betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</al><al><cursief>- stage</cursief></al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen
                                voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                                arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                                onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                                hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid,
                                van de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan
                                te merken als ‘school’.</al><al><cursief>- toegankelijke school</cursief></al><al>Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke
                                toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is
                                bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of
                                een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor
                                basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal
                                onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de
                                WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door
                                deskundigen.</al><al>De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband
                                voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot
                                het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de
                                WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat
                                adviseren door deskundigen.</al><al>Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de
                                toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO)
                                en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is
                                aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015
                                wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in
                                het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het
                                samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het
                                praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend
                                onderwijs. </al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende
                                procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek
                                beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op
                                de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de
                                leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41,
                                tweede lid, van de WEC).</al><al>Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de
                                schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de
                                leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een
                                deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend
                                geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden,
                                lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen
                                grond voor het vervoer tijdens schooltijd.</al><al>Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet
                                onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De
                                vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met
                                leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en
                                -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een
                                bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</al><al><cursief>- vervoersvoorziening</cursief></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen,
                                dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’
                                is dit nader uitgewerkt.</al><al>-<cursief>woning</cursief></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de
                                leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet
                                relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan
                                ingeschreven.</al><al>Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft,
                                bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag
                                voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden.
                                Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor
                                noodzakelijke opvang van de leerling elders.</al><al>Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na
                                afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang)
                                valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                    vervoersvoorziening</titel></kop><al>Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan
                                het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor
                                het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid). De hoogte
                                van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
                                leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                                basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de
                                ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school (zie
                                artikelen 14 en 15 van de verordening). Indien de ouders weigeren de
                                bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het
                                vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik
                                wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van
                                het vervoer. </al><al>In het tweede lid van artikel 2 komt ook tot uitdrukking dat het
                                drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger
                                kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de
                                Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde
                                lid van artikel 2 is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                                vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                                overgedragen worden aan de gemeente. De wet, noch de verordening
                                beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat een leerling die
                                meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor
                                leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders/verzorgers.
                            </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school</titel></kop><al>In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de
                                gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op
                                godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een
                                school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen
                                bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen
                                openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan
                                te merken de school van de verlangde godsdienstige of
                                levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt
                                een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de
                                leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke
                                toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in
                                artikel 3. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de
                                school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de
                                kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een
                                vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de
                                woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in
                                principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van
                                de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet
                                verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan
                                besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken, als
                                vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk
                                blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik
                                maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente busjes laat rijden naar
                                de dichtstbij gelegen school.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van
                                de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor
                                de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich
                                brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen
                                dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare
                                school geldt hetzelfde. </al><al>Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het
                                (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs
                                (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de
                                Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het
                                evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox)
                                islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het
                                algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs
                                op antroposofische grondslag (vrijescholen). Een bepaalde
                                onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’
                                gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen,
                                Montessorischolen, Iederwijsscholen etc.</al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, dienen ouders van een leerling
                                die een school bezoekt die op grote afstand is gelegen, terwijl zich
                                dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen bevinden,
                                bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk te
                                verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar
                                onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen
                                bijzondere scholen. Deze verklaring van bezwaar dient zich te
                                richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen
                                het openbaar onderwijs, en niet tegen de onderwijskundige methode
                                die op de school gehanteerd wordt. Het college is niet gerechtigd de
                                bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te
                                verifiëren. </al><al>De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is een
                                van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar
                                de leerling is aangemeld niet zelf in de benodigde
                                onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid
                                van deze school om een andere school te vinden die wel een passende
                                onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen
                                het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het
                                (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan. Bij de beoordeling of
                                een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien vormt het
                                schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt
                                aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden. </al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: De
                                instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of
                                staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan
                                bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de
                                hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de
                                instelling of op begeleiding vanuit de instelling. </al><al>Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders
                                hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden
                                voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies
                                krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt
                                deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op
                                een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de
                                instelling.</al><al>Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school
                                wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet
                                zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht
                                voor de leerling.</al><al>Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een
                                leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening
                                toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke
                                school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school
                                blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde
                                school.</al><al>Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op
                                de dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar de duur van de
                                wachtlijst te informeren - kan de vervoersvoorziening beperkt worden
                                tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk
                                is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment
                                ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders
                                zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan,
                                maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een
                                vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school
                                te worden verstrekt.</al><al>Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft,
                                rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle
                                onderwijslocaties als school in de zin van de verordening moeten
                                worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de
                                huisvesting en materiële instandhouding geldt dat de feitelijke
                                locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als
                                ‘school’. </al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen
                                voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                                arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                                onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                                hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid,
                                van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het
                                stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in
                                aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij
                                staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
                                leerlingenvervoer naar het stageadres.</al><al>Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt
                                op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een
                                school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel
                                24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC).
                                Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn.
                                De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende
                                locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een
                                vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan
                                bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de
                                school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover
                                deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat
                                dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de
                                schooldag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 4 bepaald, dat het
                                college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de
                                termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze
                                termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4
                                geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen. Tevens dient het
                                college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de wijze en het
                                tijdstip van uitbetaling te bepalen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in
                                aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De
                                gemeente stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier
                                beschikbaar. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk
                                te maken. </al><al>Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van
                                verklaringen (bewijsstukken), bijv. een medische verklaring,
                                werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                                belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Ouders zijn op
                                grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
                                Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn
                                voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en
                                volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk
                                het geval is.</al><al>Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient
                                te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders
                                worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen
                                een door het college te bepalen termijn aan te vullen of te
                                verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het
                                college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt
                                genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel
                                4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de
                                aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in
                                behandeling wordt genomen.</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende
                                beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel
                                onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun
                                beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de
                                aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren
                                gebleken is. Zie hiervoor een uitspraak van de ABRvS (9 november
                                1989, nr. R03.89.5831/S6535).</al><al>Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                                opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens
                                is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                                verstreken. In artikel 5, derde lid, van de verordening is daarom
                                bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle
                                benodigde gegevens een beslissing neemt.</al><al>Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen
                                een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken
                                indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven,
                                of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor
                                de verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn
                                van acht weken.</al><al>Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar
                                is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer
                                het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake
                                is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het
                                college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen (artikel
                                5, vierde lid). Uiterlijk één dag vóór het verstrijken van de tweede
                                termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het
                                college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn
                                onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het
                                advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden
                                afgegeven.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is
                                gemaakt (artikel 3:40 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van
                                de verordening zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college
                                nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te
                                maken.</al><al>Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging
                                aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente
                                verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een
                                taxi(busje). </al><al>In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze
                                bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier
                                verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum
                                waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 5,
                                vijfde lid, aanhef en onder a van de verordening). Er vindt dus geen
                                bekostiging met terugwerkende kracht plaats.</al><al>Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd
                                wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk
                                aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan
                                uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente
                                werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het
                                feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige
                                tijd kan kosten (artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder b van de
                                verordening).</al><al>In de verordening wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die
                                het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het
                                vaststellen van een datum zou er toe kunnen leiden dat aanvragen die
                                later worden ingediend als onrechtmatig worden beoordeeld door de
                                accountant. Er kunnen echter gegronde redenen zijn voor het laat
                                indienen van een aanvraag, bijvoorbeeld wanneer het nog niet
                                vaststaat of een leerling op een bepaalde school wordt toegelaten.
                            </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al>Ouders zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de
                                toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Ouders
                                dienen dit zo snel mogelijk te doen. Van invloed op de
                                vervoersvoorziening zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld
                                        door verhuizing;</al></li><li nr="-"><al>verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs
                                        naar voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden;</al></li><li nr="-"><al>verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging
                                        in het openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan
                                        niet kunnen begeleiden van leerlingen.</al></li></lijst><al>Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                                verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan niet
                                opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 6, tweede lid van de
                                verordening). </al><al>Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een
                                speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde
                                gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd;
                                zie artikelen 14 en 15 van de verordening. Deze bijdrage kan worden
                                verrekend met de eventuele bekostiging. Een wijziging in het inkomen
                                van deze ouders heeft in principe geen invloed op de bekostiging van
                                de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien echter sprake is van
                                een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college,
                                vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging
                                aanpassen.</al><al>Het college kan, zonder dat ouders iets hebben doorgegeven, zelf
                                wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de
                                vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ouders ten onrechte
                                bekostiging (hebben) ontvangen. Artikel 6, vierde lid van de
                                verordening, biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten
                                onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te
                                brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>In artikel 11 van de verordening is het leeftijdscriterium in het
                                basisonderwijs als een van de – wettelijk toegestane –
                                volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in aanmerking te
                                komen voor vervoer onder begeleiding. Dan verdient het aanbeveling
                                een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Om
                                administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die
                                geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke
                                start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum
                                gekozen.</al><al>De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een
                                bepaald schooljaar tien jaar is, hij in het kader van de verordening
                                het gehele schooljaar als tien jaar wordt aangemerkt, ook al wordt
                                de leerling halverwege het schooljaar elf jaar. Er hoeft dan ook
                                maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden
                                afgegeven.</al><al>Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot
                                een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school
                                volstaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer
                                via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding
                                ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente
                                die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou
                                hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook
                                is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen,
                                wanneer het om aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of
                                doet verzorgen. </al><al>Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op
                                aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet
                                onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming
                                onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit
                                verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet
                                uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding
                                niet verrekend met de vervoersvoorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                                primair onderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                    scholen voor primair onderwijs</titel></kop><al>Paragraaf 2betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten
                                bij een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van
                                instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs
                                volgen.</al><al>Het derde lid van artikel 9 is een aanvulling op artikel 3 van de
                                verordening. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van
                                artikel 3, eerste lid van de verordening: een vervoersvoorziening
                                wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet
                                echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs,
                                het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het
                                samenwerkingsverband worden bekostigd. Dat hoeft niet per se de
                                dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is
                                mogelijk dat er een speciale school voor basisonderwijs buiten het
                                samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.</al><al>Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het
                                samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het
                                onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het
                                samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van
                                de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school
                                voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een
                                leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40,
                                achtste lid, van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers
                                gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van
                                basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig
                                zijn.</al><al>In het derde lid van artikel 9 van de verordening wordt gesproken
                                van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                                van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                basisschool. In dat geval is artikel 9 van toepassing. Daarnaast
                                geldt, als gevolg van de verwijzing naar artikel 3, bij toepassing
                                van artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel b van de verordening,
                                ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de
                                ouders.</al><al>Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een
                                vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type
                                voorziening de leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal
                                gevallen advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal
                                gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel
                                niet van openbaar vervoer gebruik kan maken, of alleen onder
                                begeleiding daarvan gebruik kan maken, of wellicht – al dan niet
                                onder begeleiding – naar school kan fietsen.</al><al>Adviezen kunnen worden gegeven door:</al><lijst><li nr="-"><al>de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer
                                        scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3
                                        en cluster 4;</al></li><li nr="-"><al>de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer
                                        instellingen van cluster 1 en cluster 2;</al></li><li nr="-"><al>de ambulante begeleider van de leerling;</al></li><li nr="-"><al>de directeur van de school;</al></li><li nr="-"><al>het samenwerkingsverband. </al></li></lijst><al>Deze instanties staan immers, na de ouders, het dichtst bij de
                                leerling. Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het
                                van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden
                                te motiveren.</al><al>Wanneer de specifieke handicap van de leerling daarom vraagt kan
                                advies worden ingewonnen van deskundigen als de huisarts van de
                                leerling, de jeugdgezondheidsdienst, de geneeskundige dienst, een
                                sociaal-medische adviesdienst, een medicus gespecialiseerd in de
                                betreffende handicap, een orthopedagoog, kinderpsycholoog en
                                dergelijke.</al><al>Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan
                                komen voor rekening van de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                    fiets</titel></kop><al>In artikel 10 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden
                                vastgelegd waaronder ouders van leerlingen die scholen bezoeken die
                                onder paragraaf 2 vallen, aanspraak kunnen maken op bekostiging van
                                de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van de
                                kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per
                                fiets.</al><al>Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de
                                WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen
                                aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. Artikel 4,
                                zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als
                                bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening als criterium
                                aangehouden. De afstand moet per route, zowel voor de heen- als voor
                                de terugweg, worden bepaald.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op
                                grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid,
                                van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met
                                andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand
                                tussen jongere en oudere kinderen is niet toegestaan.</al><al>De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar
                                vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of
                                eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende
                                betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen
                                die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al><al>Het tweede lid van artikel 10 van de verordening bepaalt dat een
                                fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van
                                oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding,
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan
                                factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de
                                route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een
                                fietsvergoeding voor de wintermaanden te verstrekken en een andere
                                vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per
                                    fiets ten behoeve van een begeleider</titel></kop><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet
                                mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. </al><al>In artikel 10 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair
                                onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de
                                vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer dan
                                zes kilometer is. Als daarbij de leerling jonger dan tien jaar is,
                                en de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen
                                aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar
                                vervoer gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de
                                bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. </al><al>Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet
                                zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in
                                aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling
                                én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.
                                De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te
                                merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de
                                leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kan maken. Zo zijn er situaties denkbaar
                                waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel
                                degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Een
                                gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de
                                leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan
                                met de OV-chipkaart en dergelijke. Bij de aanvraag dienen ouders
                                verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook
                                advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. </al><al>Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een
                                gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de
                                verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een
                                groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld -
                                herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig
                                met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor
                                een vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van
                                drie maanden worden aangehouden. Toen de Wet Re-integratie
                                arbeidsgehandicapten nog van kracht was werd ook een termijn van
                                drie maanden aangehouden vóórdat er sprake kon zijn van een
                                vervoersvergoeding.</al><al>Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als
                                zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor
                                een oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een
                                oppas, één van de buren, een ouder van een andere leerling of een
                                klassenassistent de leerling begeleiden. Met de begeleiding van een
                                jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard heel
                                omzichtig worden omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als
                                leeftijd, verkeerssituaties en dergelijke. Wie de leerling ook
                                begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de
                                leerling. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk
                                begeleidt, wordt de begeleider slechts één maal bekostigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in
                                principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze
                                uitzonderingen zijn in artikel 12 van de verordening
                                vastgelegd.</al><al>Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de
                                vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in
                                de knel, zo oordeelde de ABRvS. Van belang is hier de omschrijving
                                van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 1 van de
                                verordening.</al><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de
                                afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang
                                van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand
                                deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd
                                voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel
                                meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt
                                vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus)
                                te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien
                                minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Zo oordeelde
                                ook deABRvS (5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).</al><al>Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd
                                van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt,
                                terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In
                                een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer
                                toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar
                                vervoer.</al><al>Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het criterium reistijd
                                aanspraak op aangepast vervoer maken, niet van het college eisen dat
                                de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                                teruggebracht.</al><al>Overigens biedt artikel 12, het eerste lid, aanhef en onderdeel b
                                van de verordening, het college de mogelijkheid om te beoordelen of
                                de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te
                                gaan; zie ook de toelichting op artikel 10.</al><al>De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te
                                tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te
                                begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het
                                gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst
                                zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun
                                kinderen, wanneer dit nodig is. </al><al>In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en
                                Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft geleid,
                                staat een en ander als volgt omschreven: “De inzet die van ouders
                                wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders mag uiteraard een
                                bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet
                                zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir
                                wordt.” Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast
                                vervoer’ bedoeld zijn. Per ouder(paar) en per aanvraag zal het
                                college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.</al><al>Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is,
                                zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te
                                maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van
                                aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als
                                gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat
                                om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet
                                zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. </al><al>Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk,
                                bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het
                                geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval
                                worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding
                                verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar
                                stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed.
                                Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet
                                verantwoordelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Artikel 13 van de verordening geeft nadere regels voor de
                                bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders
                                de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een
                                eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling
                                gebruikmaakt van de fiets.</al><al>Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is
                                toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf
                                voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de
                                ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen
                                sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de
                                vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al
                                rijdt.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de
                                voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in
                                de verordening voor in aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de
                                        kosten van openbaar vervoer en zij de leerling, met
                                        toestemming van het college, zelf vervoeren, dan keert het
                                        college bekostiging uit op basis van de kosten van het
                                        openbaar vervoer. Het college gaat na wat voor de te
                                        overbruggen afstand betaald zou moeten worden, wanneer de
                                        leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Hierbij
                                        wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt
                                        genomen.</al></li><li nr="b."><al>Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening
                                        in de vorm van aangepast vervoer en zij met toestemming van
                                        het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding
                                        per kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                                        kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling
                                        binnenland. Het volledige bedrag wordt uitgekeerd voor de
                                        kilometers die de leerling aflegt. Geen vergoeding wordt
                                        verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt
                                        vervoerd.</al></li></lijst><al>Artikel 13, derde lid van de verordening, bepaalt dat ouders
                                aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding
                                als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling
                                tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts
                                aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                                vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet
                                per leerling verstrekt.</al><al>Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen
                                busje te vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op
                                grond van de zogenaamde hardheidsclausule een andere bekostiging
                                vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer
                                per leerling.</al><al>Ouders van een leerling kunnen het wenselijk vinden dat hun kind
                                gebruik maakt van de fiets, bijvoorbeeld ter bevordering van de
                                zelfredzaamheid. Wanneer de ouders op basis van de bepalingen in de
                                verordening voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen, kan
                                het college – na toestemming te hebben gegeven – een
                                kilometervergoeding voor de fiets toekennen. De hoogte van deze
                                kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid
                                een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de
                                verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft
                                bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald
                                deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de
                                zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening
                                gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar
                                een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag
                                naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer
                                alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt
                                toegekend, of voor enkele dagen per week.</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de
                                door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de
                                afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan
                                op een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in
                                dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens
                                voor rekening van de ouders komen. Artikel 4, zevende lid, van de
                                WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand
                                wordt in de verordening aangehouden.</al><al>Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van
                                scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs,
                                die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens
                                uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun
                                structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
                                openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen
                                drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen
                                kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan
                                ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien
                                de WEC deze mogelijkheid niet biedt.</al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het inkomensgegeven, zoals
                                bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake
                                rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het
                                drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4,
                                zevende lid, van de WPO. Als peiljaar moet worden aangemerkt het
                                tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het
                                schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                gevraagd, begint (zie artikel 1). In de verordening is de
                                grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een
                                drempelbedrag voor het schooljaar 2013-2014 vastgesteld op €
                                24.300,-.</al><al>Als een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de
                                berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet
                                worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het
                                openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de
                                door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De
                                kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de
                                OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio
                                geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend
                                met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. </al><al>Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet
                                van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het
                                openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast
                                vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de
                                ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de
                                door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat
                                geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling
                                toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen
                                het betreffende vervoersgebied.</al><al>Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de
                                inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag
                                sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een IB
                                60-formulier opvragen bij de belastingdienst. Wanneer ouders
                                weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                                wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn
                                opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens
                                is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                                verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de
                                aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                                schriftelijk op de hoogte gesteld. </al><al>Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan
                                het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als
                                voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als
                                het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve
                                berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt
                                tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend
                                op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                                voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te
                                maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 24 van de
                                verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de
                                peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet
                                studiefinanciering als richtsnoer dienen.</al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden
                                aangemerkt (zie de toelichting op artikel 1 van de verordening). Zij
                                kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen
                                voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS (31
                                augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het redelijk dat
                                als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in
                                rekening gebracht kan worden.</al><al>Artikel 2 van de verordening geeft de regels voor de invordering van
                                het drempelbedrag. Wanneer het college zelf het vervoer verzorgt of
                                laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het
                                drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders in
                                gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer
                                stopgezet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><al>Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een
                                bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand
                                tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20
                                kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een
                                school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is
                                afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. </al><al>Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die
                                wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar
                                vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet
                                zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De
                                draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in
                                tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening
                                wordt gebracht.</al><al>In artikel 15 van de verordening is gekozen voor een systeem waarin
                                met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf
                                vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is
                                gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de
                                verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze
                                die aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een
                                structurele daling van het inkomen, een aanvraag door pleegouders en
                                de invordering wordt verwezen naar de betreffende kopjes van de
                                toelichting op artikel 14 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                                voortgezet onderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                    scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><al>Paragraaf 3betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten
                                bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen van
                                instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs
                                volgen.</al><al>Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 4, eerste
                                lid, van de WVO komen leerlingen slechts voor een
                                vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op
                                ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege
                                hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                                maken.</al><al>Artikel 16, tweede lid, is identiek aan artikel 9, vierde lid van de
                                verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met
                                    begeleiding en vervoer per fiets</titel></kop><al>Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet
                                zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in
                                aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling
                                én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de
                                school.</al><al>De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te
                                merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de
                                leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie voor verdere toelichting de
                                toelichting op artikel 11 van de
                                verordening<cursief>.</cursief></al><al>Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als
                                zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor
                                een oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een
                                oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een
                                klassenassistent de leerling begeleiden. Zie voor verdere
                                toelichting de toelichting op artikel 11 van de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in
                                principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze
                                uitzonderingen zijn in artikel 18 vastgelegd. Artikel 18 van de
                                verordening is identiek aan artikel 12 van de verordening, dat geldt
                                voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een
                                toelichting op artikel 18 daarom de toelichting op artikel 12.
                                Wanneer daar ‘artikel 12’ staat dient er in dit geval ‘artikel 18’
                                te worden gelezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Artikel 19 van de verordening is identiek aan artikel 13 van de
                                verordening, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair
                                onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 19 daarom de
                                toelichting op artikel 13. Wanneer daar ‘artikel 13’ staat dient er
                                in dit geval ‘artikel 19’ te worden gelezen.</al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                                    vakantie aan in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening
                                bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In
                                paragraaf 4 van de verordening wordt hier invulling aan
                                gegeven.</al><al>Dit artikel bevat twee belangrijke componenten:</al><lijst><li nr="1."><al>Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                        wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in
                                        een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog
                                        op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
                                        Zo is het bepaald in de WEC. Doorslaggevend is de directe
                                        relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin
                                        en het volgen van passend onderwijs op een school die ver
                                        van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen
                                        vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                        toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een
                                        school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het
                                        ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er
                                        geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders
                                        wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale
                                        redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in
                                        de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op
                                        welke gronden een leerling op een internaat of bij een
                                        pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het
                                        regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier
                                        voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een
                                        vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.</al></li><li nr="2."><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt
                                        de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en
                                        vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen.
                                        Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente
                                        waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                                        verblijft heeft hierin geen rol.</al></li></lijst><al>Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van
                                het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het
                                college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het
                                pleeggezin verblijft deze voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><al>Artikel 21 van de verordening bepaalt dat een vervoersvoorziening
                                kan worden toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin
                                naar de woning van de ouders en terug in het weekeinde en in de
                                vakanties. Het college van de gemeente waar de ouders wonen bepaalt
                                welke vervoersvoorziening wordt toegekend.</al><al>Artikel 21, derde lid van de verordening, geeft aan dat de
                                bepalingen van paragraaf 2 en 3 van de verordening van
                                overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een
                                vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, op enkele
                                uitzonderingen na. Dit houdt het volgende in:</al><lijst><li nr="-"><al>Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs
                                        komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het
                                        weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele
                                        handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                        aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar
                                        vervoer gebruik kunnen maken.</al></li><li nr="-"><al>Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar
                                        vervoer het uitgangspunt.</al></li><li nr="-"><al>Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer
                                        voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele
                                        handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het
                                        openbaar vervoer gebruik te maken. Zie artikelen 11 en 17
                                        van de verordening.</al></li><li nr="-"><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                        aangepast vervoer als:</al><lijst><li nr="a."><al>openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk
                                                is;</al></li><li nr="c."><al>de leerling wegens zijn structurele handicap niet in
                                                staat is - ook niet onder begeleiding - van het
                                                openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></li></lijst><al>Zie artikelen 12 en 18 van de verordening. Een vervoersvoorziening
                                in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt
                                als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan
                                anderhalf uur onderweg is. </al><al>Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of
                                laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de
                                vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. Zie
                                artikelen 13 en 19 van de verordening.</al><al>De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de verordening zijn
                                uiteraard ook van toepassing, evenals de slotbepalingen van
                                paragraaf 5.</al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Regeling</titel></kop><al>Het college heeft de bevoegdheid om bij regeling de verordening
                                nader in te vullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                    voorziet</titel></kop><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de bekostiging van het
                                leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete
                                gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te denken
                                valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten,
                                combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in
                                het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 23 van de verordening
                                bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist.
                                Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming
                                dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te
                                worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Artikel 24 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige
                                zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt
                                aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4,
                                tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende lid, van de WVO. Van
                                een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake
                                zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een
                                begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is
                                georganiseerd door de ouders, of toekenning van een
                                vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De ouders
                                dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere
                                situatie.</al><al>Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten
                                behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een
                                medische behandeling bijvoorbeeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>In artikel 25 wordt het tijdstip vermeld waarop de oude verordening
                                wordt ingetrokken. Dat is De datum waarop de oude regeling vervalt,
                                is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. </al><al>Het artikel bevat tevens de overgangsbepaling.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>