Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Barendrecht

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBarendrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014
CiteertitelOnbekend
Vastgesteld doorgeattribueerde functionaris
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 5 wet maatschappelijke ondersteuning

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

10-04-201401-01-2015Onbekend

25-02-2014

gemeenteblad nr.19876

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014

 

 

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014  

Besluit van de raad

Onderwerp

Datum vergadering

Kenmerk

Vaststelling ' Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014' (432247)

25 februari 2014

432381

De raad van de gemeente Barendrecht;

overwegende, dat artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning bepaalt dat de gemeenteraad een verordening voor individuele voorzieningen op grond van prestatieveld 6 dient vast te stellen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 januari 2014 ;

gelet op het advies van de Commissie Samenleving van 4 februari 2014;

besluit:

  • 1.

    de verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014 vast te stellen;

  • 2.

    de verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2010 in te trekken;

    • 3.

      het besluit in werking te laten treden per 1 maart 2014.

       

      HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

       

      Artikel 1.1 Begripsbepalingen

      In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:

      • a)

        Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;

      • b)

        Beperkingen: Moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten;

      • c)

        Persoon met beperkingen: Een persoon die als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Deze beperkingen zijn objectief, door arts of deskundige, vastgestelde beperkingen;

      • d)

        Zelfredzaamheid: Het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen van de aanvrager om zelf voorzieningen te treffen en de algemeen dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren;

      • e)

        Mantelzorger: Een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de wet;

      • d)

        Participatie normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten:

      • ·

        het voeren van een huishouden;

      • ·

        het normale gebruik van de woning;

      • ·

        het zich in en om de woning verplaatsen;

      • ·

        het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen;

      • ·

        het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;

      • g)

        Algemene voorziening: Een voorziening die direct beschikbaar is en wordt verleend na een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een aanvrager ondervindt;

      • h)

        Individuele voorziening: Een voorziening die individueel wordt verleend indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt;

      • i)

        Besluit: Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, waarin het college nadere regels stelt over de voorzieningen die op grond van de verordening verleend kunnen worden;

      • j)

        Pgb: Persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de bepalingen van deze verordening en het Besluit van toepassing zijn;

      • k)

        Eigen bijdrage: Een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de verlening van een voorziening in natura of een pgb betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit van toepassing zijn.

      • l)

        Financiële tegemoetkoming: Een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening, die wordt afgestemd op het inkomen van de aanvrager;

      • m)

        Voorziening in natura: Een voorziening die in eigendom, bruikleen of huur, dan wel in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verleend;

      • n)

        Algemeen gebruikelijk: Naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;

      • o)

        Meerkosten: Kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover deze kosten meer bedragen dan de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening voor de aanvrager;

      • p)

        Huisgenoot: Iedere meerderjarige met wie de cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;

      • q)

        Budgethouder: Een persoon aan wie ingevolge deze verordening een pgb is verleend en die aan het college verantwoording schuldig is over de besteding van het pgb;

      • r)

        Hoofdverblijf: De woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de aanvrager zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie staat of wordt ingeschreven, of het feitelijke woonadres indien de aanvrager een briefadres heeft;

      • s)

        Gemeenschappelijke ruimte: Gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om te betreden om de woning van de aanvrager te kunnen bereiken en ruimten die onder het gehuurde vallen en waarvan de aanvrager gebruik moet kunnen maken;

      • t)

        Hulp bij het huishouden: Ondersteuning bij het voeren van een huishouden van de persoon met beperkingen dan wel dan wel van de leefeenheid waartoe de persoon met beperkingen behoort. De ondersteuning kan bestaan uit een schoonmaakvoorziening of een voorziening voor persoonlijke dienstverlening;

      • u)

        Gebruikelijke zorg: De normale, dagelijkse ondersteuning die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden;

      • v)

        AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

      • w)

        Compensatieplicht: De opdracht aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat zijn tot maatschappelijke participatie;

      • x)

        Motiveringsplicht: De motivatie van het college waarom al dan niet een bepaalde voorziening verstrekt wordt, incl. (bij een positief besluit) een vermelding van de wijze waarop deze verstrekking bijdraagt aan de maatschappelijke participatie en (het bevorderen van) de zelfredzaamheid;

      • y)

        Keuzevrijheid: De mate waarin een cliënt binnen de grenzen van de goedkoopst adequate voorzieningen een keuze kan maken tussen een persoonsgebonden budget of zorg in natura, en indien mogelijk bij zorg in natura een voorkeur kan aangeven voor een bepaalde leverancier;

      • z)

        Indicatiestelling: De objectieve beoordeling van een aanvraag voor een bepaalde voorziening.

      a. Woonwagen: Voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

      b. Standplaats: Een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsvoorzieningen, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

      c. Ligplaats: Een door de gemeente aangewezen ligplaats die door een woonschip wordt ingenomen;

      d. Forfaitaire vergoeding: Een bijdrage ineens die los van het inkomen en los van de werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt;

      e. Gemaximeerde vergoeding: Een vergoeding in de kosten van een voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt verstrekt;

      f. Normbedrag: Een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding;

      g. ADL-woning: Een woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende, aangepaste huurwoningen, waarvan de bewoners voor hun dagelijkse levensverrichtingen zijn aangewezen op persoonlijke assistentie zoals bedoeld in de subsidieregeling ADL-clusters en ADL-assistentie 1996;

      h. College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht;

      j. Verstrekkingenboek: Het verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, waarin het college nadere regels stelt over de voorzieningen die op grond van de verordening en het Besluit verleend kunnen worden;

      k. Inkomen: Onder inkomen wordt het verzamelinkomen van de aanvrager bedoeld. In het geval er sprake is van een partner, is dat het gezinsinkomen, zijnde het gezamenlijke verzamelinkomen. Het verzamelinkomen wordt bepaald door de belastingdienst;

      l. Algemeen toegankelijke voorziening voor zorg-, gemaks- en welzijnsdiensten: Een voorziening die open staat voor alle inwoners van Barendrecht en die door de inwoners zelf betaald wordt wanneer zij geen indicatie Wmo hebben;

      m. Persoonlijke dienstverlening: Dienstverlening die in principe ook door een mantelzorger geboden zou kunnen worden, zoals bijvoorbeeld schoonmaakactiviteiten bij mensen met een verminderd vermogen tot regie. Ook de tijdelijke ondersteuning bij de dagelijkse zorg voor kinderen die tot het gezin

      behoren valt hieronder;

      n. Schoonmaakvoorziening: Voorziening voor mensen met een (tijdelijke) beperking die zelf in staat zijn regie te voeren over het huishouden, gericht op het behalen van een of meer van de volgende resultaten:

      • ·

        wonen in een schoon en leefbaar huis;

      • ·

        kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

      • ·

        kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

      o. Hulp verbonden aan een belangenbehartigingsorganisatie: Een professionele dienstverlener die werkt via de regeling Dienstverlening Aan Huis en via een belangenbehartigingsorganisatie;

      p. Respijtzorg: Beroepsmatige of vrijwillige zorg aan een zorgbehoevende, met als doel om diens mantelzorger(s) te ontlasten.

       

      Artikel 1.2 Beperkingen

      • 1.

        Een voorziening wordt verleend voor zover:

      • a. Deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te heffen of te verminderen op het gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich verplaatsen in en om de woning, het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan aangaan van sociale verbanden;

      b. Deze in overwegende mate op het individu is gericht;

      c. Deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

      d. In het kader van het beleid maatschappelijke ondersteuning geen of onvoldoende collectieve voorziening geboden wordt.

       

      2.Geen voorziening wordt verleend:

      a. Indien deze voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;

      b. Indien de aanvrager zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Barendrecht heeft;

      c. Voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

      d. Voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;

      e. Voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;

      f. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager heeft gemaakt voordat het college op zijn aanvraag heeft besloten;

      g.Indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verleend en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;

       

      3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan in bijzondere omstandigheden hulp bij het huishouden en deeltaxivervoer voor korte duur worden verleend.

       

      HOOFDSTUK 2 VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

       

      Artikel 2.1. Keuzevrijheid

      Een individuele voorziening kan verleend worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als pgb.

       

      Artikel 2.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

      1.Een pgb wordt alleen verleend voor individuele voorzieningen.

      2.De omvang van het pgb is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verlenen voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor Instandhoudingkosten, minus de eigen bijdrage.

      3.Het besluit tot verlening van een pgb bevat een program van eisen waarin staat vermeld aan welke eisen de met het pgb te verwerven voorziening dient te voldoen.

      4.Het college gaat (steekproefsgewijs) na of het verleende pgb besteed is aan de voorziening(en)waarvoor het is verleend. Op verzoek van het college verstrekt de budgethouder de hiervoor noodzakelijke stukken per omgaande aan het college.

      5.Op grond van de in het vorige lid bedoelde bescheiden kan het college besluiten een pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.

      6.Voor de in lid 5 genoemde terugvordering voor zover het hulp bij het huishouden betreft, geldt een vrijlating. Nadere regels hieromtrent worden in het Besluit vastgelegd.

       

      Artikel 2.3 Eigen bijdrage en eigen aandeel

      Bij het verlenen van individuele voorzieningen wordt voor de aanvrager een eigen bijdrage of een eigen aandeel vastgesteld. De hoogte daarvan wordt afgestemd op het inkomen. Het college stelt op basis van de door het Rijk gestelde inkomensgrenzen, nadere regels omtrent de hoogte van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast. De vaststelling en inning van het eigen aandeel vindt plaats door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

       

      HOOFDSTUK 3 HULP BIJ HET HUISHOUDEN

       

      Artikel 3.0.1 Een schoon en leefbaar huis

      • 1.

        Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat schoon en leefbaar is. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer, aanwezige gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. Ook een balkon of eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen worden. Meer specifiek: die ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn.

      • 2.

        Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele voorziening getroffen worden voor het droog, nat, schoon en stofvrij maken en houden van de woning.

       

      Artikel 3.0.2 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften

      • 1.

        Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Ook de noodzakelijke bereiding van maaltijden kan hieronder vallen.

      • 2.

        Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede het bereiden van maaltijden.

       

      Artikel 3.0.3 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

      • 1.

        Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen, gedroogde en zo nodig gestreken staat. Heel soms gaat het om licht verstelwerk zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop.

      • 2.

        Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken van de dagelijkse was.

       

      Artikel 3.0.4 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

      • 1.

        Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor in het huishouden aanwezige kinderen.

      • 2.

        Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter overbrugging van een periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve maatregelen – vervangen van de ouder die in principe voor de kinderen zorgt. Het gaat hierbij om het wassen en aankleden, hulp bij het eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten.

         

        Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden

        Ondersteuning op het gebied van het voeren van een huishouden kan bestaan uit:

        • a.

          Een schoonmaakvoorziening in natura of als persoonsgebonden budget;

        • b.

          Persoonlijke dienstverlening in natura of als persoonsgebonden budget.

         

        Artikel 3.2 Recht op hulp bij het huishouden

        1.Bij de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte wordt rekening gehouden met de eigen kracht van de burger, huisgenoten en de sociale omgeving, de mogelijkheid om gebruik te maken van de algemeen toegankelijke voorziening voor zorg-, gemaks- en welzijnsdiensten en voorliggende voorzieningen zoals een boodschappenservice, maaltijdvoorziening of mogelijkheden van kinderopvang. Pas als blijkt dat dit onvoldoende compensatie biedt bij

        het voeren van een huishouden, wordt gekeken naar voorzieningen die (aanvullend hierop) de burger in staat stellen een huishouden te voeren.

        2.Een persoon met een (tijdelijke) beperking die zelf in staat is zijn regie te voeren over het huishouden kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1 onderdeel a.

        3.Een persoon met een beperking voor wie de voorziening als bedoeld in artikel 3.1 onderdeel a niet toereikend is kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 3.1 onderdeel b.

        4.Bij de bepaling van de omvang van hulp bij het huishouden wordt rekening gehouden met gebruikelijke zorg.

        5.De aanvrager kan voor hulp bij het huishouden een eigen bijdrage verschuldigd zijn

         

        Artikel 3.3. Geen recht op hulp bij het huishouden

        Er bestaat geen recht op hulp bij het huishouden voor zover de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen.

         

        Artikel 3.4. Omvang van hulp bij het huishouden

        Er wordt een indicatie afgegeven gericht op het te behalen resultaat

         

        Artikel 3.5 Omvang van het Persoonsgebonden Budget

        Het college stelt de hoogte van het persoonsgebonden budget voor de schoonmaakvoorziening en persoonlijke dienstverlening vast in het Besluit.

         

        Artikel 3.6 Respijtzorg

        1.Een mantelzorger die zijn taken tijdelijk niet kan uitvoeren komt in aanmerking voor respijtzorg;

        2.De aanvrager kan in aanmerking komen voor respijtzorg in de vorm van hulp bij het huishouden ter ontlasting van zijn mantelzorger(s);

        3.Nadere regels hieromtrent worden in het Besluit vastgelegd.

         

        Artikel 3.7 Overgangsrecht

        Cliënten met een bestaande indicatie HH1 en/of HH2 behouden het recht op deze indicatie(s) gedurende 4 maanden van 01-03-2014 tot 01-07-2014.

       

      HOOFDSTUK 4 THUISBEGELEIDING

       

      Artikel 4.1 Vormen van thuisbegeleiding

      De door het college te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

      • a)

        het in natura verlenen van thuisbegeleiding;

      • b)

        het verlenen van een pgb voor thuisbegeleiding.

         

      Artikel 4.2 Recht op thuisbegeleiding

      1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor thuisbegeleiding indien aantoonbare beperkingen of problemen als gevolg van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden deze voorziening noodzakelijk maken met als doel te zorgen dat het huishouden niet verder ontregelt raakt en de aanvrager weer de regie over het leven krijgt.

      2.schuldigd zijn.

       

      Artikel 4.3 Geen recht op thuisbegeleiding

      Er bestaat geen recht op thuisbegeleiding voor zover de kosten van de aangevraagde voorziening meer bedragen dan het bedrag genoemd in het Besluit.

       

      Artikel 4.4 Omvang van het persoonsgebonden budget

      Het college stelt de bedragen vast die voor thuisbegeleiding voor het persoonsgebonden budget worden verleend en legt deze bedragen vast in het Besluit.

       

      HOOFDSTUK 5 WOONVOORZIENINGEN

       

      Artikel 5.1 Vormen van woonvoorzieningen

      De door het college te verlenen woonvoorziening kan bestaan uit:

      • a)

        een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting;

      • b)

        een pgb of zorg in natura verstrekking voor woningaanpassing;

      • c)

        een pgb of zorg in natura verstrekking voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard en aanpassingen daaraan;

      • d)

        een pgb of zorg in natura verstrekking voor onderhoud, keuring en reparatie;

      • e)

        een pgb voor tijdelijke huisvesting.

       

      Artikel 5.2 Kosten woningaanpassing

      Bij de vaststelling van het pgb bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende kosten:

      • a)

        de aanneemsom voor het treffen van de voorziening;

      • b)

        de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten;

      • c)

        het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA;

      • d)

        de kosten van het toezicht op de uitvoering, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

      • e)

        de leges;

      • f)

        de verschuldigde en niet verrekenbare of terug te vorderen omzetbelasting;

      • g)

        renteverlies in verband met betaling aan derden voordat het pgb is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;

      • h)

        de prijs van bouwrijpe grond, als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, tot een door het college vast te stellen maximum;

      • i)

        de kosten in verband met technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

      • j)

        de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;

      • k)

        de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzienbaar waren;

      • l)

        administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor een persoon met een beperking;

      • m)

        verwijderen van voorzieningen.

       

      Artikel 5.3 Primaat van de verhuizing

      1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen en het normale gebruik of de bereikbaarheid van de woning belemmeren.

       

      2.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 5.1, onderdelen b en c, indien:

      a. De in artikel 5.1, onderdeel a genoemde voorziening niet te realiseren is of niet de goedkoopste adequate voorziening is;

      b. De kosten van de woonvoorziening als bedoeld in artikel 5.1, onderdelen b en c, lager zijn dan een door het college in het Besluit vast te stellen bedrag.

       

      3.Een aanvrager die in aanmerking komt voor een woonvoorziening, als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, kan ervoor kiezen niet te verhuizen. In dat geval kan hij de financiële tegemoetkoming, die was toegekend voor kosten van verhuizing en inrichting, aanwenden voor woningaanpassing c.q. woonvoorzieningen. In het verstrekkingenboek worden nadere regels gesteld.

       

      4.De aanvrager kan voor een woonvoorziening een eigen bijdrage of een eigen aandeel in de kosten verschuldigd zijn.

       

      Artikel 5.4 Uitraaskamer

      Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, indien sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij tot rust kan komen.

       

      Artikel 5.5 Primaat van de losse woonunit

      Het college kan een herplaatsbare losse woonunit als woonvoorziening verstrekken indien:

      • a)

        een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning, waarvan de verhuurder niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen aan personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning; en

      • b)

        daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.

         

      Artikel 5.6 Pgb voor bezoekbaar maken woning

      1.Indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een pgb verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning.

      2.Onder het in het vorige lid genoemde bezoekbaar maken van de woonruimte wordt verstaan dat de aanvrager de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken.

      3.De woonvoorziening als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt vergoed tot een door het college in het Besluit vastgelegd maximum.

       

      Artikel 5.7 Weigeringsgronden woonvoorziening

      Een woonvoorziening wordt geweigerd indien:

      • a)

        De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden aanwezig was;

      • b)

        De aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment beschikbare en meest geschikte woning, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend voor de verhuizing;

      • c)

        Deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, tenzij sprake is van voorzieningen genoemd in artikel 5.11;

      • d)

        Geruime tijd voor de aanvraag op grond van de medische situatie, leeftijd en gezins- of woonsituatie voorzienbaar was dat de woonvoorziening noodzakelijk zou worden en om die reden geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;

      • e)

        De verhuizing heeft plaatsgevonden voordat het college op de aanvraag besloten heeft, tenzij het college vooraf schriftelijke toestemming voor de verhuizing heeft gegeven;

      • f)

        De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

      • g)

        De aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden;

      • h)

        De aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;

      • i)

        In de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning werden ondervonden, tenzij het een ADL-woning betreft;

      • j)

        De aanvrager verhuisd is op een moment dat op grond van leeftijd en gezins- en woonsituatie de verhuizing ook zonder beperkingen algemeen gebruikelijk zou zijn;

      • k)

        De aanvrager niet zijn hoofdverblijf zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij artikel 5.6 van toepassing is;

      • l)

        De woning waaraan de voorziening wordt getroffen niet behoort tot het grondgebied van de gemeente Barendrecht;.

      • m)

        Het op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen betreft voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.

         

      Artikel 5.8 Terugbetaling bij verkoop

      1.De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van de woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop onverwijld aan het college te melden.

      2.Het college kan besluiten de meerwaarde van de woning terug te vorderen.

      3.De terugvordering zoals bedoeld in het tweede lid en opgenomen in het Besluit, is in alle gevallen minus, indien van toepassing, de door de eigenaar van de woonruimte betaalde eigen bijdrage in de kosten van de getroffen voorzieningen.

       

      Artikel 5.9 Aanvang werkzaamheden en inzicht woning

      Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten indien:

      • a)

        Niet reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden, waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder hun toestemming;

      • b)

        door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woonaanpassing wordt verricht;

      • c)

        aan de onder b genoemde personen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, die betrekking hebben op de woonaanpassing;

      • d)

        de door b genoemde personen de gelegenheid is geboden tot controleren van de woonaanpassing.

         

      Artikel 5.10 Gereedmelding

      1.Zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de werkzaamheden in verband met een woningaanpassing, doch uiterlijk binnen twaalf maanden na de verzenddatum van het besluit waarbij het college de voorziening heeft verleend, meldt de budgethouder aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid.

      2.Het vorige lid is niet van toepassing op een pgb waarbij de aanvrager huurder is van de woning en hij van de verhuurder toestemming heeft gekregen om de woningaanpassing zelf te regelen, tenzij het bedrag van de woningaanpassing hoger is dan een door het college in het Besluit vast te stellen bedrag.

      3.De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb bij bedragen hoger dan het bedrag dat het college heeft vastgesteld in het Besluit en bij een pgb voor aanpassing van een woning waarvan de aanvrager de huurder is.

      4.De gereedmelding, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorschriften die aan het pgb zijn verbonden.

      5.De gereedmelding gaat vergezeld van alle rekeningen en betalingsbewijzen.

       

      Artikel 5.11 Het verwerven van grond

      1.Het college kan een pgb verlenen voor extra te verwerven grond indien de woningaanpassing betreft:

      a. Het uitbreiden van een bestaande woning; of

      b. Het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn.

       

      2.Het pgb, bedoeld in het vorige lid, kan nooit groter zijn dan het pgb voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, als vastgesteld door het college in het Besluit.

       

      3.De hoogte van het pgb, bedoeld in het eerste lid, is mede afhankelijk van de prijs van de extra te verwerven grond.

       

      Artikel 5.12 Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten

      1.Het college kan een pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de aanvrager.

       

      2.Het pgb of natura verstrekking, bedoeld in het vorige lid, kan slechts worden verleend voor:

      a. Het verbreden van toegangsdeuren;

      b.Het aanbrengen van elektrische deuropeners;

      c. Aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel;

      d. Drempelhulpen of vlonders;

      e.Het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning.

       

      3.Een pgb of natura verstrekking zoals bedoeld in lid 1 wordt slechts toegekend indien de Vereniging van eigenaren of de eigenaar van de gemeenschappelijke ruimte de helft van de kosten voor zijn rekening neemt.

       

      Artikel 5.13 Financiële tegemoetkoming achterblijver

      Degene die samen met een persoon met beperkingen als leefeenheid een gezamenlijke huishouding voerde, kan na het vertrek of overlijden van die persoon in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting indien hij op verzoek van het college de woning verlaat zodat deze beschikbaar komt voor de doelgroep.

       

      Artikel 5.14 Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie

      1.Het college verleent slechts een voorziening, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel d, indien de voorziening waarvoor onderhoud, keuring en reparatie nodig is, is verleend op grond van deze verordening of de Verordening voorzieningen gehandicapten.

      2.De voorziening als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel d, wordt vastgesteld op de werkelijke kosten tot een maximum dat door het college wordt vastgesteld in het Besluit.

       

      Artikel 5.15 Kosten in verband met huurderving

      1.In geval van huurbeëindiging kan het college de eigenaar/verhuurder van aangepaste woonruimte een financiële tegemoetkoming verlenen in verband met derving van huurinkomsten.

      2.De hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld op de werkelijke kosten per maand tot maximaal het bedrag van de maximale subsidiabele huur op grond van de Wet op de huurtoeslag.

      3.Bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming, blijft de eerste maand huurderving buiten beschouwing. De tegemoetkoming wordt verleend voor maximaal vijf maanden huurderving

       

      Artikel 5.16 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting

      1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel e, indien sprake is van kosten voor tijdelijke huisvesting in verband met het aanpassen van:

      a. Zijn huidige woning;

      b. De nog te betrekken woning.

       

      2.De in het eerste lid bedoelde voorziening wordt uitsluitend verleend indien de aanvrager redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij dubbele huurlasten heeft.

       

      3.De in het eerste lid bedoelde voorziening wordt voor maximaal zes maanden verleend.

       

      4.De in het eerste lid bedoelde voorziening wordt uitsluitend verleend voor kosten gemaakt in verband met:

      a. Het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte;

      b. Het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte;

      c. Het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte.

       

      5.Het pgb bedraagt even veel als de werkelijke huurkosten van de aanvrager voor de door hem bewoonde of nog te betrekken woning minus de huurtoeslag, doch maximaal het bedrag van de maximale huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag.

       

      Artikel 5.17 Aanpassingen aan woonwagens

      1.Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen als:

      a. De technische levensduur van de woonwagen nog minstens 5 jaar is;

      b. De standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt;

      c. De woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente Barendrecht op de standplaats stond;

      d. De hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet;

       

      2.De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 1 is opgenomen in het Besluit.

       

      Artikel 5.18 Aanpassingen aan woonschepen

      1.Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip als:

      a.De technische levensduur van het woonschip nog minstens 5 jaar is;

      b. Het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen.

       

      2.De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 1 is opgenomen in het Besluit.

       

      Artikel 5.19 Beperkte gebruiksduur van aanpassingen

      Als de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder dan 5 jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog 5 jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten € 908,-

       

      Artikel 5.20 Aanpassingen van binnenschepen

      Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip als de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1.2e lid onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466) van een binnenschip, dat:

      • a)

        in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel teboekgestelde schepen 1992;

      • b)

        bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef genoemde personen.

       

      HOOFDSTUK 6 VERVOERS VOORZIENINGEN

       

      Artikel 6.1. Vormen van vervoersvoorzieningen

      De door het college te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit:

      • a)

        een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;

      • b)

        een voorziening in natura in de vorm van:

        • 1.

          een scootmobiel;

        • 2.

          een ander vervoermiddel;

        • 3.

          een aanpassing aan een onder 1° en 2° genoemde voorziening;

      • c)

        een pgb voor de kosten van:

        • 1.

          aanpassing van een eigen vervoermiddel;

        • 2.

          aanschaf van een ander vervoermiddel;

        • 3.

          reparatie en onderhoud van een ander vervoermiddel;

        • 4.

          gebruik van een taxi of eigen auto;

        • 5.

          gebruik van een rolstoeltaxi;

      • d)

        een pgb waarvan de hoogte door het college in het Besluit is vastgesteld voor het aanschaffen van een scootmobiel of een ander vervoermiddel;

      • e)

        een combinatie van de onder a,b en c genoemde voorzieningen

      • f)

        een combinatie van de onder a, c en d genoemde voorzieningen.

      • 2.

        Bij het vaststellen van het pgb en het verstrekken van een voorziening in natura, wordt rekening gehouden met de meerkosten als vastgesteld door het college in het Besluit.

         

      Artikel 6.2 Het recht op een vervoersvoorziening

      1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, voor zover:

      a.Aantoonbare beperkingen of problemen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken;

      b. Sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte.

       

      2.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdelen b, c, d en e voor zover:

      a. Een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a gelet op persoonlijke omstandigheden niet adequaat is;

      b. Een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a gelet op de vervoersbehoefte niet toereikend is.

       

      3.De aanvrager kan voor een vervoersvoorziening een eigen bijdrage of een eigen aandeel in de kosten verschuldigd zijn.

       

      Artikel 6.3 Primaat collectief vervoer

      1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdelen b en c, indien:

      a. Aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid onderdeel a onmogelijk maken;

      b. Een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a niet aanwezig is.

       

      2.Een begeleidingsindicatie wordt verstrekt op basis van in het Verstrekkingenboek vastgelegde criteria.

       

      Artikel 6.4 Omvang gebied vervoersvoorziening

      1.Bij het verlenen van de vervoersvoorziening houdt het college uitsluitend rekening met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.

      2.Het college kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid, indien het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden en het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om vereenzaming te voorkomen. In deze uitzonderingssituatie wordt tevens beoordeeld of het Rijksvervoer Valys een adequate passende oplossing kan bieden.

       

      HOOFDSTUK 7 ROLSTOELVOORZIENINGEN

       

      Artikel 7.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen

      De door het college te verlenen rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

      • a)

        een algemene rolstoelvoorziening;

      • b)

        verstrekking van een rolstoel voor verplaatsing binnen of buiten de woning en aanpassing van de rolstoel;

      • c)

        een pgb voor aanschaf van een rolstoel;

      • d)

        een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening, dan wel een aanpassing daaraan.

      • e)

        In het Besluit zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot de hoogte van het pgb en de Financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in sub c en d.

         

      Artikel 7.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik

      • 1.

        Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel a, indien hij zich vanwege aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, incidenteel zittend in en om de woning moet kunnen verplaatsen en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

      • 2.

        Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel b, indien hij zich vanwege aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, meerdere malen per week zittend moet verplaatsen en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ niet toereikend zijn.

         

      Artikel 7.3 Rolstoel in bruikleen

      1.Het college verleent een voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel b door een rolstoel in bruikleen te verstrekken.

      2.Onderhoud, reparatie en aanpassing van de in bruikleen verstrekte rolstoel geschiedt in opdracht en voor rekening van het college.

       

      Artikel 7.4 Sportvoorziening

      • 1.

        Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel d, indien hij zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening.

      • 2.

        Bij de financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening zijn inbegrepen de kosten van onderhoud, service en reparatie.

      • 3.

        In het Besluit zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot de hoogte vergoeding voor een Sportvoorziening

         

      Artikel 7.5 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners

      Een aanvrager die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling of op de wachtlijst staat voor een dergelijke instelling, komt uitsluitend in aanmerking voor een rolstoelvoorziening indien hij niet in aanmerking komt voor een rolstoel op grond van de AWBZ.

       

      HOOFDSTUK 8 Procedures

       

      Artikel 8.1 Gebruik aanvraagformulier

      De aanvraag om een voorziening wordt ingediend met een door het college vastgesteld en volledig ingevuld aanvraagformulier.

       

      Artikel 8.2 Relatie met AWBZ

      De aanvraag wordt ingediend bij het gemeentelijk servicecentrum waar ook aanvragen zorg op grond van de AWBZ kunnen worden ingediend.

       

      Artikel 8.3 Inlichtingenplicht

      Een aanvrager is verplicht bij het indienen van de aanvraag of nadat een voorziening is verleend, aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, of de aard, hoogte of duur ervan.

       

      Artikel 8.4 Medewerking aan onderzoeken

      1.De aanvrager is verplicht aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet.

       

      2.Onder verplichting, genoemd in het voorgaande lid, wordt mede verstaan:

      a. Het gehoor geven aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen;

      b. Het meewerken aan een onderzoek door een of meer daartoe aangewezen adviseurs of deskundigen.

       

      Artikel 8.5 Heronderzoek

      Het college is bevoegd degene die krachtens een voorziening is verstrekt aan een heronderzoek te onderwerpen om vast te stellen, of de aan de toekenning ten grondslag liggende omstandigheden gewijzigd zijn en deze van invloed zijn op het recht op de verstrekte voorziening.

       

      Artikel 8.6 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening

      • 1.

        Een besluit tot verlening van een voorziening wordt geheel of gedeeltelijk ingetrokken indien:

        • a.

          de omstandigheden van de aanvrager zodanig gewijzigd zijn, dat de noodzaak als omschreven in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, is komen te vervallen;

        • b.

          de omstandigheden van de aanvrager zodanig gewijzigd zijn, dat hij in aanmerking zou moeten komen voor een andere voorziening, mede gelet op het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c;

      • 2.

        Een besluit tot verlening van een voorziening in natura of een pgb wordt ingetrokken indien de aanvrager niet langer zijn hoofdverblijf in de gemeente Barendrecht heeft;

      • 3.

        Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken, indien binnen zes maanden na verlening van het pgb blijkt dat het niet is gebruikt voor de voorziening(en) waarvoor het is verleend.

      • 4.

        Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing indien een pgb is verleend voor woningaanpassing en het pgb hoger is dan een door het college in het Besluit vastgesteld bedrag.

      • 5.

        Een besluit tot verlening van een voorziening in natura, een pgb of een financiële tegemoetkoming kan worden ingetrokken als blijkt dat de aanvrager de eigen bijdrage niet heeft voldaan.

      • 6.

        Een besluit tot verlening van een voorziening of een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat de voorziening is verstrekt op grond van valselijk gegevens.

         

      Artikel 8.7 Terugvordering

      • 1.

        Bij intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening, worden de ten onrechte gemaakte kosten teruggevorderd van de aanvrager.

      • 2.

        Een in eigendom verstrekte voorziening wordt teruggevorderd indien de verstrekking is geschied op grond van valselijk verstrekte gegevens.

         

      HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN

       

      Artikel 9.1 Hardheidsclausule

      In bijzondere gevallen kan het college afwijken van de bepalingen van de verordening, indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

       

      Artikel 9.2 Gevallen waarin de verordening niet voorziet

      In gevallen, de uitvoering van de verordening betreffende, waarin de verordening niet voorziet, beslist het college.

       

      Artikel 9.3 Beleidsregels

      • 1.

        In het Besluit stelt het college nadere regels ten aanzien van de verlening van voorzieningen genoemd in de verordening.

      • 2.

        In het verstrekkingenboek stelt het college nadere uitwerking van de regels ten aanzien van de voorzieningen genoemd in de verordening en het Besluit.

         

      Artikel 9.4 Indexering

      1.Het college kan jaarlijks de bedragen genoemd in het Besluit aanpassen conform de ontwikkelingen van de prijsindex.

      2.De gewijzigde bedragen worden gepubliceerd.

       

      Artikel 9.5 Evaluatie

      1.Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar geëvalueerd.

      2.Het college brengt elke twee jaar verslag uit aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de praktijk.

       

      Artikel 9.6 Citeertitel en inwerkingtreding

      1.Deze Verordening wordt aangehaald als: verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2014.

      2.Deze Verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2014.

       

      Aldus besloten in de openbare vergadering

      van de raad van de gemeente Barendrecht

      van 25 februari 2014

       

      De griffier De voorzitter

      Mevrouw mr. G.E. Figge drs. J. van Belzen

      Ondertekening

       

      Artikelsgewijze toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

      Barendrecht 2014

       

      HOOFDSTUK 1

      Algemene bepalingen.

      Artikel 1.1. Begripsbepalingen

      Ad a.

      Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.

      Ad b.

      De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”

      Ad c.

      De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing.

      Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).

      Ad d.

      De begripsomschrijving zelfredzaamheid komt uit de toelichting op het genoemde amendement-Miltenburg. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiele vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Met andere woorden, de meerkosten worden gecompenseerd voor zover iemand die kosten, of een deel daarvan, niet zelf kan dragen.

      Ad. e.

      De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de wet).

      Ad f.

      De begripsomschrijving maatschappelijke participatie is, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg.

      Ad. g.

      Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van al bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als een voorzieningendepot, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De versterkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte (dan wel geen) toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en mogelijk geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.

      Ad h.

      Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen zoals op dit moment bekend uit de Welzijnswet.

      Ad. i.

      De begripsomschrijving van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning behoeft geen nadere uitleg.

      Ad. j.

      Pgb: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende pgb’s vindt plaats in het Besluit gemeente Barendrecht

      Ad k.

      De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit. In de AMvB wordt bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.

      Ad. l.

      Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.

      Ad m.

      Natura voorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening (zoals bv. de huishoudelijke hulp via een zorgaanbieder)

      Ad n.

      Het is onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:

      • ·

        Die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;

      • ·

        Die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;

      • ·

        Die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel.

      Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie onder u.

      Ad o.

      Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.

      Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat de regels wat dat betreft niet van toepassing zijn.

      Ad p.

      Het uitgangspunt van de beschrijving van het begrip huisgenoot ligt in het Protocol Gebruikelijke zorg. In plaats van ‘volwassenen’ is de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.

      Ad q.

      De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.

      Ad r.

      De compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners van de gemeente. De gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geeft hierover uitsluitsel. Als de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de woning de goedkoopst adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de aanvrager vertrekt, heeft hier geen inzicht in. Ook in die gevallen dat een aanvraag wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte voor de aanvrager die in een AWBZ-instelling verblijft, is bovenstaande formulering van belang. Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten gemeente.

      Ad s.

      De begripsomschrijving van gemeenschappelijke ruimte behoeft geen nadere uitleg.

      Ad t.

      In de Wmo hebben gemeenten de verantwoordelijkheid gekregen voor lichtere vormen van hulp en ondersteuning. Een van de belangrijkste in het oog springende nieuwe verantwoordelijkheden van de gemeenten is de verantwoordelijkheid van de hulp bij het huishouden. Voor de hulp bij het huishouden zijn de kwaliteitwet zorginstellingen, de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (WMCZ) en de Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector (WKCZ) van toepassing. Hulp bij het huishouden kan ook aan mantelzorgers geboden worden die tijdelijk van hun last ontheven moeten worden. Men kent dit onder het begrip "respijtzorg".

      Ad u.

      Met het begrip Gebruikelijke zorg wordt verwezen naar wat is opgenomen in het Protocol/ Document ‘Gebruikelijke Zorg’, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. De gemeente hanteert dit protocol bij het vaststellen van de hulp bij de huishouding.

      Ad. v.

      De begripsomschrijving AWBZ behoeft geen nadere toelichting.

      Ad. w.

      Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatieplicht ontbreekt. In de verordening wordt nu gesproken van compensatieplicht. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, de ‘uitvinder’ van de compensatie. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

      Ad. x.

      De motiveringsplicht is onder de werking van de WMO verder aangescherpt. Gemeenten moeten hun besluiten verder motiveren – uitgebreider de redenen en overwegingen beschrijven - dan waar ze op grond van de Algemene wet bestuursrecht al toe verplicht zijn.

      Ad. y.

      De begripsomschrijving ‘keuzevrijheid’ behoeft geen nadere toelichting.

      Ad. z.

      De begripsomschrijving ‘indicatiestelling’ behoeft geen nadere toelichting.

      De overige begripsomschrijvingen behoeven geen nadere uitleg

      Ad al.

      Het gaat hier o.a. om diensten die mensen ondersteunen bij het voeren van een huishouden, omdat zij die activiteiten zelf niet goed meer uit kunnen voeren of omdat men op zoek is naar gemak. Het gaat om huishoudelijk werk, klussen in en om het huis, tuinonderhoud, boodschappendienst et cetera . Het diensten- en vrijwilligersaanbod van de lokale welzijnsorganisaties kan hier ook onderdeel van uitmaken. Het resultaat van de inzet van de diensten is dat het huishouden ‘op orde’ is, het effect is dat mensen (langer) hun zelfstandigheid kunnen behouden.

      De algemeen toegankelijke voorziening staat open voor alle inwoners van de gemeente en wordt door mensen zelf betaald wanneer zij geen Wmo indicatie hebben. Door het op deze manier te regelen, kunnen mensen beter worden geholpen en worden relatief goedkope oplossingen voor een brede doelgroep bereikbaar.

       

      Artikel 1.2. Beperkingen

      Artikel 1. 2. lid 1.

      Dit artikel geeft beperkingen aan, die betrekking hebben op het toekennen van een voorziening. Dit artikel geeft aan wanneer er al dan niet een voorziening wordt toegekend.

      Langdurig noodzakelijk

      Ingevolge onderdeel a dienen de voorzieningen langdurig noodzakelijk te zijn om belemmeringen op het gebied van het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om de woning verplaatsen en het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden, op te heffen. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk ondersteuning nodig heeft, bijvoorbeeld door een ongeval, terwijl objectief is vastgesteld dat de beperkingen of problemen van voorbijgaande aard zijn, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Voor deze groep aanvragers is het AWBZ-pakket (bv. uitleen van rolstoelen tot zes maanden), dat aangeboden wordt door de Kruisvereniging, de aangewezen voorziening. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Luidt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. Uitzondering is de hulp bij het huishouden die in sommige gevallen voor korte duur kan worden geïndiceerd, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname én het kortdurende gebruik van het collectief vervoer.

      Individueel gericht

      Met uitzondering van collectief vervoer moet een voorziening in overwegende mate op het individu gericht zijn. Hiermee worden aanvragen om gemeenschappelijke voorzieningen uitgesloten, hoewel voorzieningen die naast een individueel ook een gezamenlijk karakter kunnen hebben, wel passen in het kader van deze verordening. Op dit moment is het collectief vervoer het voorbeeld voor een collectieve voorziening die individueel gericht is. De bedoeling van de Wmo is om meer van dit soort voorzieningen te ontwikkelen. Het gaat hier steeds om collectieve voorzieningen die op basis van een individuele aanvraag worden toegekend door de gemeente. De verordening richt zich niet op welzijnsvoorzieningen die weliswaar ook collectief kunnen zijn en ook op het individu gericht kunnen zijn, maar die niet tot stand komen op basis van een individuele aanvraag waarop de gemeente besluit. Deze voorzieningen worden in deze verordening als voorliggende voorzieningen aangemerkt waarop iemand in eerste instantie een beroep moet doen.

      Goedkoopst adequaat

      Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkoopste voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het kostencriterium een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Voor wat betreft het kwaliteitsniveau wordt bij een verantwoord niveau aangesloten, maar ook niet meer dan dat. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het verstrekken van een voorziening, die duurder is dan de meest adequaat goedkoopste voorziening, is niet onmogelijk mits de aanvrager bereid is het prijsverschil voor eigen rekening te houden. Het begrip goedkoopst adequate zal vooral betekenis hebben als het gaat om pakketten van voorzieningen waaruit een keuze gemaakt kan worden.

      Onvoldoende collectieve voorziening

      Een aantal voorzieningen wordt als ‘voorliggend’ beschouwd. Dat wil zeggen dat wanneer een goede oplossing wordt geboden door het gebruik van deze voorzieningen, deze optie voorgaat boven een aanspraak op een Wmo voorziening. Hierbij word een onderscheid gemaakt naar wettelijke en algemeen gebruikelijke voorzieningen.

      Tot de algemeen gebruikelijke voorzieningen behoren (niet limitatieve lijst):

      • ·

        kinderopvang

      • ·

        voor- en naschoolse opvang

      • ·

        oppascentrale

      • ·

        maaltijddienst

      • ·

        alarmering

      • ·

        hondenuitlaatservice

      • ·

        boodschappendienst

       

      Artikel 1.2. lid 2.

      Ad a.

      Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de –financiële - situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.

      Ad b.

      In de wet is geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is.

      Ad c.

      Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin door de aanvrager zelf gebruikte materialen voor problemen zorgen. Aanvragers kunnen dus wel in aanmerking komen voor een voorziening, indien de materialen niet door hen zelf zijn aangebracht maar bijv. door de vorige bewoner of bij de bouw van de woning door de aannemer en deze niet had kunnen weten (door informatie van de aanvrager en/of de huidige stand van de wetenschap) dat het gebruik van het materiaal voor deze aanvrager schadelijk zou zijn.

      Ad d.

      Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing daarom. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.

      Ad e.

      In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.

      Ad f. en g.

      In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

       

      HOOFDSTUK 2. VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN.

       

      Artikel 2.1 Keuzevrijheid

      De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een pgb en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een pgb. Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen pgb te verstrekken. Als er sprake is van het aanbieden van Huishoudelijke Hulp 2 wordt een pgb alleen verstrekt als er een wettelijke vertegenwoordiger is, die het beheer op zich neemt. Als betrokkene de regie over het huishouden niet kan voeren, is het beheren van een pgb ook een probleem. Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het verstrekkingenboek uitgewerkt. In de praktijk kan de keuzevrijheid beperkt zijn door de marktwerking.

       

      Artikel 2.2. Pgb.

      Het pgb dient gezien te worden als een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder 1, van dit artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een pgb moet worden geboden. Onder 2. is bepaald dat de hoogte van het pgb is gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop

      het pgb kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar

      referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingkosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit gemeente Barendrecht, dat door het college moet worden vastgesteld. Het college bepaalt dat in het Besluit de omvang van een pgb. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende pgb’s voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit en eventuele beleidsregels. Lid 3 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het pgb in de beschikking worden vastgelegd. Het gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om

      de periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. In lid 3 is ook neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het pgb te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een belangrijk document; als

      niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. Lid 4 regelt de feitelijke betaling van het pgb. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingbedragen. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun pgb’s besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle. Lid 5 regelt dat het college teveel betaalde pgb kan terugvorderen. Lid 6 regelt dat het college een vrijlating toepast. Voer het in het besluit genoemde bedrag hoeft geen verantwoording te worden afgelegd. Dat bedrag wordt niet teruggevorderd.

       

      Artikel 2.3 Eigen bijdrage en eigen aandeel

      Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen in natura of een pgb eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij als gevolg van de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit gemeente Barendrecht worden opgenomen.

       

      HOOFDSTUK 3. HULP BIJ HET HUISHOUDEN

       

      Artikel 3.2. Recht op hulp bij het huishouden

      De gemeenten gaat de gekantelde werkwijze toepassen. Dit betekent in de eerste plaats dat niet de claim beoordeeld zal worden, maar dat gekeken wordt hoe de beperkingen gecompenseerd kunnen worden om er daarmee voor te zorgen dat mensen naar vermogen hun huishouden kunnen voeren. De nadruk zal veel meer liggen op wat de cliënt en zijn/haar omgeving zelf kunnen doen. In dit artikel is omschreven wanneer een persoon met beperkingen in aanmerking kan

      komen voor de schoonmaakvoorziening of de persoonlijke dienstverlening.

      Het doel van hulp bij het huishouden is ervoor te zorgen dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en functioneren. Bij de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte wordt rekening gehouden met de eigen kracht van de burger en van de sociale omgeving (mantelzorg en vrijwilligers). Pas als blijkt dat zowel de burger als zijn sociale omgeving onvoldoende in staat zijn

      compensatie te bieden bij het voeren van een huishouden, wordt gekeken naar voorzieningen die (aanvullend hierop) de burger in staat stellen een huishouden te voeren.

      Onder lid 4 is bepaald dat bij het recht op hulp bij het huishouden rekening gehouden wordt met gebruikelijke zorg, die niet voor vergoeding in aanmerking komt.

       

      Artikel 3.6 Respijtzorg

      In dit artikel is de respijtzorg geregeld in de vorm van hulp bij het huishouden. De zorg wordt verleend ten behoeve van de mantelzorger en aan hem of haar toegekend. De omvang wordt vastgesteld aan de hand van de geïndiceerde zorgbehoefte. De mantelzorger zelf hoeft geen eigen bijdrage te betalen. Wel zal een eventuele eigen bijdrage van de verzorgde tijdens de respijtzorg onverminderd gehandhaafd blijven.

      In lid 2 wordt geregeld dat de cliënt Huishoudelijke hulp toegekend kan krijgen, zodat de mantelzorger een aantal uren voor zichzelf kan besteden, terwijl de cliënt begeleidt wordt. Hiervoor worden in het besluit nadere regels gesteld betreffende de indicatiestelling.

       

      HOOFDSTUK 4. THUISBEGELEIDING

      Per 1 januari 2009 is de AWBZ gewijzigd. De grondslag psychosociaal is verdwenen. Dit heeft gevolgen voor de Ondersteunende begeleiding voor ontregelde huishoudens. Deze taak is naar de gemeente overgedragen. Hiervoor worden bij de aanbesteding huishoudelijke hulp ook trajecten in gekocht onder de naam BG (thuisbegeleiding). In de verordening is daarom ook een artikel hiervoor opgenomen. Onder thuisbegeleiding wordt verstaan:

      • ·

        psychosociale begeleiding van de zorgmijder naar een diagnose;

      • ·

        Advies, uitleg en voorlichting in eren multi-problem setting;

      • ·

        Begeleiding bij het aanbrengen van structuur in het huishouden in combinatie met structuur aanbrengen op opvoedkundig, psychosociaal en financieel gebied;

      • ·

        Dagstructuur met als doel mensen met een verstandelijke, lichamelijke of psychische beperking thuis helpen om tot een zinvolle dagbesteding te komen waardoor men lichamelijk, geestelijk en sociaal beter gaat functioneren;

      • ·

        Signalering.

      De regels voor de eigen bijdrage en de PGB zijn dezelfde als die voor de huishoudelijke hulp.

       

      HOOFDSTUK 5. WOONVOORZIENINGEN

       

      Artikel 5.1. Vormen van woonvoorzieningen

      a. Verhuis- en inrichtingskosten

      Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en inrichtingskosten, als verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning. Als aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn wordt uit doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte van de aanvrager. Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het aanpassen van de huidige woonruimte. Tevens moet bij de afweging verhuizen of aanpassen rekening gehouden worden met de sociale omstandigheden waarin de aanvrager zich bevindt zoals de aanwezigheid van mantelzorg. De gemeente maakt de afweging of zij een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten wil geven of dat de woning van de aanvrager aangepast moet worden. Uitgangspunt van beleid is dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente. Niet-aanvragenden die een woning voor een aanvrager vrij maken kunnen ook in aanmerking worden gebracht voor een verhuis- en

      Inrichtingskostenvergoeding. Voor deze groep wordt primair gestreefd naar een optimaal woonruimteverdeelsysteem. Daarnaast kunnen afspraken gemaakt worden met corporaties in verband met een betere doorstroming in deze gevallen. Om zo doelmatig mogelijk met de aangepaste voorraad woningen om te kunnen gaan kan het wenselijk zijn dat als de band tussen aanvrager en woning is verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van de aanvrager) deze woning opnieuw aan een andere aanvrager wordt toegewezen. In dat geval zullen de achterblijvende huurders worden gestimuleerd naar een andere woonruimte te verhuizen. Het college kan – ook ambtshalve – besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Het verlenen van een verhuis- en inrichtingskostentegemoetkoming kan dan als stimuleringsmaatregel gezien worden. Er kunnen verschillende redenen zijn om het vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een verhuis- en inrichtingskostentegemoetkoming. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning. Een andere reden voor het verstrekken van een verhuis- en inrichtingskosten tegemoetkoming kan zijn dat daarmee voorkomen wordt dat een woning voor meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden aangepast. De financiële tegemoetkoming is een vast bedrag, waarvan slechts in zeer bijzondere gevallen van kan worden afgeweken, op grond van de afwijkingsbevoegdheid ex. Artikel 9.1 (hardheidsclausule) van deze verordening.

      Als een woning wordt vrijgemaakt, kan er twee maal een tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting worden verstrekt: allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de aanvrager die naar de vrijgemaakte woning verhuisd. De totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de afweging of er een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten verstrekt zal worden, dan wel een woning aangepast moet worden.

      b. Woningaanpassingen

      Bij een pgb voor woningaanpassingen gaat het om bouwkundige (onroerende) woningaanpassingen die de aantoonbare beperkingen van de aanvrager wegnemen of zoveel mogelijk verminderen. Deze voorziening kan ook als zorg in natura worden verstrekt ofwel de bouwkundige woningaanpassing wordt via de gemeente gerealiseerd.

      c. Woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard

      In de praktijk gaat het voornamelijk om hulpmiddelen in de keuken, badkamer en toilet (zoals een douchestoel of een badlift). Specifiek voor kleinere kinderen vallen hieronder ook een aangepaste aankleedtafel of box. Ook valt een pgb in de kosten van stoffering hieronder (bv. woningsanering in verband met COPD). Tenslotte valt ook de patiëntenlift onder dit begrip. Hoewel de verordening voorziet in een pgb, zal bij structureel gebruik van een dure patiëntenlift deze voorziening in bruikleen verstrekt kunnen worden en daarmee als zorg in natura voorziening worden verstrekt. Dit geldt ook voor de overige voorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard.

      d. Onderhoud, keuring en reparatie

      Deze kosten worden vergoed vanuit het belang om de voorziening zo lang mogelijk goed te laten functioneren. In plaats van deze kosten periodiek uit te betalen, kan in overleg met de eigenaar/ verhuurder ook een afkoopsom voor de kosten van onderhoud toegekend worden aan de eigenaar van de woning onder de voorwaarde dat een en ander goed onderhouden wordt. Deze verstrekking kan ook als natura voorziening wordt verstrekt.

      e. Tijdelijke huisvesting

      In die gevallen waarin de aanvrager tijdens het aanbrengen van de voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een pgb in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Het pgb wordt nader geregeld in artikel 2.3.

       

      Artikel 5.2 Kosten woningaanpassing

      Op deze plaats wordt limitatief aangegeven welke kosten onder het in het eerste lid sub b genoemde begrip ‘woningaanpassingen’ worden verstaan.

      • a.

        In de aanneemsom is begrepen de loon- en materiaalkosten voor het treffen van de voorziening.

      • B.

        Als de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt.

      • c.

        Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen.

      • d.

        Als de kosten voor het toezicht op de uitvoering noodzakelijk zijn, worden deze betrokken bij het vaststellen van het pgb tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

      • e.

        De kosten van leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

      • f.

        Indien – en voor zover – over de totale kosten BTW is verschuldigd, kan ook voor deze kosten een pgb worden gegeven.

      • g.

        De tegemoetkoming in de kosten wordt door de gemeente vooraf betaald, tenzij de kosten voor een woningaanpassing hoger zijn dan het bedrag als genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. In die gevallen zal de opdrachtgever tenminste een gedeelte van de kosten echter vooraf moeten voldoen. Hieruit voortvloeiende rentekosten komen ook voor tegemoetkoming in aanmerking.

      • h.

        Een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw kan leiden tot noodzakelijke uitbreiding van het oorspronkelijke perceel. De kosten van aankoop van de grond behoren in dat geval tot de kosten van de te treffen voorziening. De in beschouwing te nemen kosten zijn gebonden aan een maximum.

      • i.

        Ten aanzien van de kosten van technisch onderzoek en technische adviezen geldt eenzelfde toelichting als gegeven onder sub. b.

      • j.

        Hieronder worden verstaan de kosten van heraansluiting op de openbare riolering, het elektriciteitsnet en de water- en gasleiding.

      • k.

        Als na beoordeling van de offerte door de gemeente onvoorziene kosten optreden, kan de aanvrager de gemeente alsnog om een pgb verzoeken.

      • l.

        Deze kosten kunnen gezien worden als onderhandelingsfactor, waarmee de medewerking van de verhuurder eerder kan worden verkregen.

         

      Artikel 5.3. Primaat van verhuizing

      De beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1 van de WMO ondervindt m.b.t. het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd via woonvoorzieningen. De manier waarop de woonvoorzieningen in de verordening zijn gegroepeerd geeft een rangorde aan. Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt. Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden. Is geen geschikte woning beschikbaar dan kan het college besluiten één van de andere voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen hierbij ook andere omstandigheden een rol spelen, zoals de bereidheid van de aanvrager te verhuizen, opgebouwde mantelzorg etc. Bij de indicatie zal hier goed naar gekeken worden. Indien de aanvrager – in tegenstelling tot het advies – niet wil verhuizen, maar besluit om in de eigen woning te blijven wonen, dan kan de aanvrager in aanmerking komen voor een vergoeding die gelijk is aan de verhuiskostenvergoeding. De aanvrager ziet daarmee wel voor een bepaalde redelijke periode – bij gelijk blijvende omstandigheden – af van verdere woningaanpassingen en/of het op een later tijdstip nogmaals in aanmerking willen komen voor een verhuiskostenvergoeding.

       

      Artikel 5.4 Uitraaskamer

      Een verblijfsruimte waarin een gehandicapte die ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Dit artikel is in de verordening opgenomen, omdat dit nadrukkelijk geadviseerd is in het landelijke besluitvormingstraject. Naast een uitraaskamer zijn er natuurlijk nog veel meer specifieke woonvoorzieningen die verstrekt kunnen worden.

       

      Artikel 5.5 Primaat van de losse woonunit

      Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In situaties waarin de mogelijkheid in een concrete situatie bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling. Bezwaren van overwegende aard kunnen zowel aanvrager- als omgevingsgebonden zijn.

       

      Artikel 5.6 PGB voor bezoekbaar maken woning

      De compensatieplicht die gemeenten met betrekking tot de verlening van woonvoorzieningen heeft, beperkt zich tot het hoofdverblijf van de aanvrager. Een uitzondering hierop is de situatie waarbij de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk dat eenmalig een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte waar de aanvrager vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt in deze verordening verstaan dat de aanvrager de woonruimte en de woonkamer kan bereiken en dat een toiletbezoek mogelijk is. Hierbij moet echter wel rekening gehouden worden met het gegeven dat uitdrukkelijk toestemming van de eigenaar van de woning nodig is. De aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat. Dit omdat de gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag zou indienen.

       

      Artikel 5.7 Weigeringsgronden woonvoorziening

      Als een gehandicapte in een voor de handicap adequate woning woont, bestaat uiteraard altijd het recht tot verhuizing. Bij die verhuizing mag van de gehandicapte verwacht worden dat deze rekening houdt met de aanwezige omstandigheden, ook de omstandigheden die te maken hebben met de handicap. Dat betekent dat gezocht zal moeten worden naar een woning die weer adequaat is. Dit kan in een tweetal situaties anders liggen. Indien op basis van ziekte of gebrek de handicap zal verergeren en op korte termijn belemmeringen bij het normale gebruik van de woning zullen optreden zal een uitzondering op deze situatie gemaakt moeten worden. In die situatie moet het wel vaststaan of zeer waarschijnlijk zijn dat de belemmeringen op korte termijn zullen toenemen. In die situatie hoeft niet gewacht te worden tot de belemmeringen daadwerkelijk zijn toegenomen. Een tweede situatie betreft een situatie waarin er belangrijke redenen zijn om te verhuizen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het aanvaarden van een andere werkkring door de gehandicapte of zijn partner op een afstand die niet bereisbaar geacht moet worden. Of de noodzaak tot mantelzorg die niet realiseerbaar is in de woning waar de gehandicapte op dat moment woont, terwijl een afweging is gemaakt ten aanzien van professionele ondersteuning of zorg. Ook in die situatie kan verhuizing vanuit een adequate woning leiden tot medewerking aan nieuwe aanpassingen in een te betrekken woning, mits daarbij gezocht is naar de meest adequate woning die op dat moment beschikbaar is en in de situatie van de gehandicapte passend geacht moet worden. Als niet verhuisd wordt naar de meest geschikte woning kan daar aanleiding toe bestaan. Dit artikel regelt dat in die situatie aan de aanpassing toch meegewerkt kan worden mits tevoren schriftelijk toestemming daartoe is verleend door burgemeester en wethouders. De toestemming tevoren is belangrijk, zodat beoordeeld kan worden of inderdaad gesproken kan worden van de meest geschikte woning. Ook kan beoordeeld worden of de kosten binnen de WMO passen en of mogelijk andere oplossingen de voorkeur verdienen.

       

      Artikel 5.8 Terugbetaling bij verkoop

      In geval dat een eigen woning of huurwoning wordt aangepast en door deze aanpassing de waarde van het huis stijgt, bijvoorbeeld door het realiseren van een aanbouw, kan middels een anti-speculatiebeding in de verordening voorkomen worden dat de meerwaarde die het huis door de aanpassing heeft gekregen bij verkoop ten goede komt aan de aanvrager. Als de aanvrager binnen tien jaar nadat de woning is aangepast de woning verkoopt moet de extra-opbrengst (deels) aan de gemeente worden teruggestort. Het bepalen van de meerwaarde van de woning, die als gevolg van het realiseren van een woningaanpassing is opgetreden, is niet eenvoudig. Om te voorkomen dat eindeloze discussies ontstaan over de hoogte van de toename van de waarde van de woning, zal op het moment dat de voorziening wordt getroffen door een onafhankelijke (vb. door een taxatierapport van makelaar) bepaald moeten worden wat de stijging in waarde is als gevolg van die aanpassing. Ook moet op dat moment vastgesteld worden welk bedrag de aanvrager aan de gemeente moet terugstorten op moment van verkoop. Als uitgangspunt moet dit bedrag dus terugbetaald worden op het moment van verkoop. In het financiële besluit behorende bij deze regeling zal het college het afschrijvingschema vastleggen. Het afschrijvingschema gaat ervan uit dat naarmate de aanpassing langer geleden is de hoogte van de terugbetaling afneemt. Bij verhuizing binnen één jaar dient in principe (afhankelijk van de meerwaarde) het gehele bedrag van de tegemoetkoming te worden terugbetaald. Gereedmelding is alleen van toepassing bij duurdere woningaanpassingen en bij woningaanpassingen waarbij de aanvrager huurder is. Dit moet gebeuren uiterlijk twaalf maanden na het afgeven van de beschikking om te voorkomen dat het treffen van de voorziening te lang op zich laat wachten. De gemeente controleert – steeksproefsgewijs – of aan de voorwaarden bij het verlenen van een pgb zijn voldaan. In eerste aanleg dient hiertoe een verklaring te worden afgegeven. Als bij controle alsnog zou blijken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, kan het pgb alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. Op grond van de verklaring en van de betalingsbewijzen, die overgelegd dienen te worden, kan het pgb worden vastgesteld. Bij aanpassingskosten lager dan een bedrag als vastgesteld in het Besluit is geen gereedmelding nodig bij huurders waarbij de woningeigenaar toestemming heeft gegeven aan de aanvrager om de aanpassing zelf te regelen.

       

      Artikel 5.11. Het verwerven van grond

      Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft, kan de gemeente een pgb verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard wordt geen pgb verstrekt als de extra te verwerven grond als tuin of iets dergelijks wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een pgb, waarbij een maximum aantal m² wordt gehanteerd voor de verschillende vertrekken. Dit aantal m² en de daarbij behorende pgb staan in het Besluit nader uitgewerkt.

      Overigens zal in dit soort situaties onderzocht moeten worden in hoeverre een tijdelijke inzet van een woonunit een oplossing kan bieden. Vanuit een oogpunt van hergebruik verdient dit dan de voorkeur.

       

      Artikel 5.12 Aanpassingen van gemeenschappelijke ruimten

      Een pgb voor het treffen van voorzieningen of een voorziening zelf wordt alleen verstrekt als het woonruimtes betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag als zodanig aangemerkt worden. De verordening is niet van toepassing op kamerverhuur, uitzonderingen hierop zijn situaties waarbij de aanvrager bij familie inwoont vanwege mantelzorg. Voor woningen die specifiek bestemd zijn voor mensen met een beperking of problemen of ouderen worden geen voorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten. Ook voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden, worden niet verstrekt. Het pgb voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt alleen dan verstrekt als door het realiseren van deze woningaanpassing de woning bereikbaar wordt voor de aanvrager. De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van woongebouwen betreffen.

       

      Artikel 5.13 Financiële tegemoetkoming achterblijver

      Het verlenen van een financiële tegemoetkoming kan als stimuleringsmaatregel gezien worden. Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te verstrekken aan de achterblijvende gezinsleden ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning.

       

      Artikel 5.14. Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie

      Alleen van bepaalde voorzieningen, genoemd in het Besluit, komen de kosten van onderhoud, keuring en reparatie in aanmerking voor een pgb. De maximale hoogte van dit pgb staat in eveneens in het Besluit vermeld. Het pgb wordt in principe alleen verleend voor voorzieningen die zijn getroffen op grond van deze verordening.

       

      Artikel 5.15. Kosten in verband met huurderving

      De grens voor het toepassen van deze regeling is neergelegd bij het bedrag dat gehanteerd wordt bij de afweging wel of niet verhuizen. Hiermee wordt bereikt dat de regeling zich alleen richt op woningen waarin substantiële aanpassingen zijn verricht. Door de eigenaar van de woning een pgb in de gederfde huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor aanvragers.. Een algemene termijn die redelijk geacht kan worden is zes maanden. In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat mag dit als normaal beschouwd worden.

      Het pgb is afhankelijk van het werkelijke huurbedrag. Daarmee bestaat er een relatie met het huurtoeslagbeleid. Nadere regels staan in het Besluit.

       

      Artikel 5.16. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting

      In die gevallen waarin de aanvrager tijdens het aanbrengen van de voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een pgb in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de aanvrager ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden, kan tot het verstrekken van een pgb voor extra woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden overgegaan. Aangezien sprake is van woonlasten voor twee woningen, dient voor de bepaling van het pgb de huur van de woning die de aanvrager werkelijk bewoont als uitgangspunt. De hoogte van het pgb voor dubbele woonlasten is gekoppeld aan de maximaal subsidiabele huur voor de Wet op de huurtoeslag. De kale woninghuur is daarbij uitgangspunt. Nadere regels staan in het Besluit.

       

      Artikel 5. 18 t/m 20

      Het is ook mogelijk om een woonschip of woonwagen aan te passen. Hiervoor gelden een aantal aanvullende regels.

       

      HOOFDSTUK 6. VERVOERSVOORZIENINGEN

       

      Artikel 6.1. Vormen van vervoersvoorzieningen

      De door het college te verstrekken vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit vijf vormen van voorzieningen:

      • ·

        een collectief systeem van aanvullend al dan openbaar vervoer,

      • ·

        de voorzieningen in natura,

      • ·

        pgb voor de kosten van voorzieningen genoemd onder artikel 6.1, onder lid 1 sub c,

      • ·

        een pgb voor het aanschaffen van een scootmobiel of een ander vervoermiddel

      • ·

        een combinatie van de bovengenoemde voorzieningen.

      Dit onderscheid is gemaakt gezien het verschillende karakter van deze vormen van verstrekkingen. Vanuit de compensatieplicht moet aansluiting worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen.

      Vervoersvoorzieningen in natura

      • ·

        een scootmobiel voor (binnen- en) buitengebruik. Een dergelijke voorziening kan worden verstrekt als aanvulling op het gebruik van een collectief systeem dan wel een taxi- of autokostenvergoeding. Het gaat hier om vervoermiddelen die voorzien in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de eigen woning;

      • ·

        een ander vervoermiddel; met name wordt hier de mogelijkheid gelaten ook aangepaste rijwielen in natura te verstrekken. Ook de volgende groep voorzieningen dient vervangend voor- of aanvullend op een collectief systeem gezien te worden. De hoogte van het daaruit voortvloeiende pgb kan daarom afhankelijk worden gesteld van de mate waarin een collectief systeem in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien.

      Pgb

      Deze groep voorzieningen bestaat uit een pgb in de kosten van:

      • ·

        aanpassingen aan het eigen vervoermiddel. Wanneer de ondersteuningvrager een eigen auto bezit, bestaat de mogelijkheid financieel tegemoet te komen in de kosten van aanpassing aan de eigen auto. Daarnaast kan gedacht worden aan specifieke aanpassingen aan een standaardfiets; 2 en 3. aanschaf, onderhoud en reparatie van een specifiek vervoermiddel: scootmobielen in bruikleen zullen 'in natura' worden verstrekt. De mogelijkheid voor een pgb wordt echter opengelaten. In het geval van een pgb zijn de kosten van onderhoud en reparatie voor rekening van de aanvrager.

      • ·

        gebruik van taxi of een eigen auto: als het collectieve systeem geen gebruiksmogelijkheid biedt voor de aanvrager, wordt een pgb gegeven in de kosten van het gebruik van de eigen auto of een taxi. Bij de bepaling van de hoogte van het pgb wordt hierbij rekening gehouden met de vervoersbehoefte van de aanvrager.

      • ·

        gebruik van een rolstoeltaxi. Bij de bepaling van de hoogte van het pgb wordt hierbij rekening gehouden met de vervoersbehoefte van de aanvrager. De tegemoetkoming voor vervoerskosten is nader geregeld in het Besluit.

         

      Artikel 6.2. Het recht op een vervoersvoorziening

      Lid 1 van artikel 6.2 geeft aan dat een aanvrager voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen of problemen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer deels onmogelijk maken. Deze formulering wordt doorgetrokken ten aanzien van de indicatie voor niet-collectieve voorzieningen. Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen of problemen van de ondersteuningvrager in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoersystemens bepalend zijn voor de vraag of, de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening ter zake. Doordat het OV, bijvoorbeeld, voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening getroffen worden, hetgeen wellicht beter gevonden kan worden in een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan is de problematiek tijdelijk en wordt tijdelijk een voorziening verstrekt behalve als dat een belemmerende factor zou zijn binnen de therapie. Als de problematiek niet met therapie op te lossen is, kan een voorziening verstrekt worden. Voorts moet sprake zijn van het zelfstandig onderhouden van sociale contacten. Jonge kinderen hebben in dit opzicht een lagere vervoersbehoefte; de tegemoetkoming wordt hierop afgestemd. Dit is in het Besluit geregeld. Hetzelfde geldt voor aanvragen, die in een inrichting zijn opgenomen. Als de vervoersbehoeften van een echtpaar (deels) samenvallen, wordt het pgb daarop afgestemd. Een 'zelfstandige vervoersbehoefte' impliceert overigens niet, dat de aanvrager zich zelfstandig moet kunnen verplaatsen. Een aantal zal immers aangewezen zijn op begeleiding.

       

      Artikel 6.3 Primaat collectief vervoer

      In eerste instantie wordt (ook) een aanvrager geacht gebruik te maken van OV. Mocht dit onmogelijk zijn, dan staat een aanvullende collectieve voorziening open. Slechts als aantoonbare beperkingen of problemen door ziekte en gebrek ook het gebruik van een dergelijk systeem niet mogelijk maken worden aanvullende voorzieningen getroffen. In het tweede lid wordt aangegeven dat van een op het individu gerichte voorziening, in plaats van of aanvullend op een collectieve vervoersvoorziening, slechts dan sprake kan zijn, als door omstandigheden die met de persoon te maken hebben het collectief vervoer de belemmeringen niet (voldoende) kan opheffen. In het Besluit worden hiervoor nadere regels gesteld. Als de vervoersbehoefte zodanig is, dat hierin door collectief vervoer slechts voor een beperkt deel voorzien kan worden, kan daarnaast een andere voorziening worden verstrekt. Daarbij gaat het voornamelijk om een voorziening (hulpmiddel) voor vervoer over de korte afstand.

       

      Artikel 6.4. Omvang gebied vervoersvoorziening

      In het eerste lid wordt expliciet bepaald dat de te verstrekken voorzieningen slechts bedoeld zijn voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van de aanvrager. Dit is in lijn met het uitgangspunt van maatschappelijke participatie in de dagelijkse woonomgeving van de aanvrager. In dit kader voorziet het vervoersgebied van het collectief vervoer (5 zones, vanaf het woonadres) ruim in het uitgangspunt van directe woon- en leefomgeving. In het tweede lid wordt een uitzonderingssituatie geschetst. Hier moet worden vastgesteld dat het verstrekken van een vervoersvoorziening onvoldoende is om een sociaal isolement te voorkomen. Indien dit het geval is, kan een individuele voorziening worden verstrekt.

       

      HOOFDSTUK 7. ROLSTOELVOORZIENINGEN

      Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met de Wmo niet werd beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom dient hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen zoals iedereen die kent. De rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet. Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken. De sportvoorziening valt in het kader van deze verordening onder het begrip rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd verstrekt.

       

      Artikel 7.1 Vormen van rolstoelvoorziening

      In artikel 7.1 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor incidenteel gebruik. Deze optie geeft een regeling waarbij wel incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene rolstoelvoorziening. De algemene rolstoelvoorziening is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad hebben. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in een verzorgingstehuis, waar veel cliënten dicht bij elkaar in de buurt wonen. Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, terwijl onder d. de sportvoorziening wordt genoemd.

       

      Artikel 7.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik

      In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een pgb verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de beleidsregels. Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt worden als voorziening in natura of als pgb. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate voorziening.

       

      Artikel 7.4 Sportvoorziening

      Een sportvoorziening, in principe altijd te verstrekken als een financiële tegemoetkoming, zal verstrekt worden als zonder de sportvoorziening sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Op grond van recente jurisprudentie kan ook een andere voorziening dan een rolstoel worden verstrekt. Betrokkene dient dan wel aantoonbaar een sport te beoefenen en daarvoor de voorziening of aanpassing nodig te hebben. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling middels dit artikel een alternatieve c.q. extra vervoersvoorziening toe te kennen.

       

      Artikel 7.5 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners

      Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling.

       

      HOOFDSTUK 8. PROCEDURES

       

      Artikel 8.1 Gebruik aanvraagformulier

      Dit aanvraagformulier kan zowel een papieren als een digitaal formulier zijn.

       

      Artikel 8.2 Relatie met AWBZ

      Voor het aanvragen van voorzieningen op grond van de WMO én de AWBZ kunnen aanvragers terecht bij De Wijzerplaats. Dit loket beschikt ook over de aanmeldmodule voor AWBZ-voorzieningen en kan een aanvrager behulpzaam zijn bij het indienen van zijn aanvraag bij het CIZ als toegang tot AWBZ-voorzieningen.

       

      Artikel 8.3 Inlichtingenplicht

      Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken voorzieningen.

       

      Artikel 8.4 Medewerking aan onderzoeken

      Als het college het nodig acht wordt een medisch advies opgevraagd of een selectieadvies. Als er sprake is van verschil van mening bijvoorbeeld bij een bezwaarschrift kan een advies worden gevraagd. Het is wel van belang dat een cliënt hieraan meewerkt.

       

      Artikel 8.5 Heronderzoek

      In dit artikel is de motie van de raadsleden Louter en van Houwelingen-Saugerud inzake de herindicatie verwerkt. De motie was ingediend bij het vaststellen van het Wmo beleidsplan in februari 2008. Het gevaar van het niet herindiceren is, dat een verslechtering van de situatie niet wordt opgemerkt. Het college kan er voor kiezen om wel een mutatieformulier te sturen, zodat een cliënt de optie heeft om aan te geven dat de situatie gewijzigd is.

       

      Artikel 8.6 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening

      Aansluitend op artikel 4.2.6.1 lid 1 onder c AWB kan de gemeente volgens het eerste lid de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken als zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat als de juiste gegevens bekend waren geweest het College niet tot toekenning zou zijn overgegaan, of (een) andere voorzieningen dan wel lagere tegemoetkoming of pgb zou hebben toegekend. Ook als de juiste gegevens niet zouden leiden tot een andere voorziening, maar het eigen aandeel in de kosten van de voorziening hoger zou uitvallen, geeft dit een grond tot (gedeeltelijke) intrekking van het besluit. Het gaat hierbij om situatie waarbij sprake is van het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens. Maar ook als de aanvrager zonder opzet foutieve gegevens overgelegd heeft, is op grond van dit artikel intrekking van het besluit mogelijk. Intrekking is, conform het gestelde onder b, ook mogelijk als de situatie van de aanvrager dusdanig wijzigt, dat dit gevolgen met zich meebrengt voor de noodzakelijke voorzieningen.

      Ten slotte kan een beschikking worden ingetrokken als niet voldaan is aan een of meer voorwaarden, die in de beschikking vermeld zijn. In lid 2 wordt verwezen naar de situatie waarin de aanvrager vertrekt naar een andere gemeente, of opgenomen wordt in een AWBZ-instelling, zonder de gemeente expliciet in kennis te stellen. Lid 3 bepaalt dat een voorziening in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming wordt ingetrokken als deze binnen de daar gestelde termijn niet aan het doel wordt besteed. Dit geldt niet voor een pgb voor woningaanpassingen. Als wordt besloten tot intrekking van een toekennende beschikking, maar de gemeente al heeft gepresteerd (meestal: betaald), kan sprake zijn van een onverschuldigde betaling. De gemeente kan dan beslissen tot geheel of gedeeltelijk terugvordering. In dat geval is sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van het Burgerlijk Wetboek (boek 6, artikel 203 e.v.). Als regel zal in een dergelijk geval eerst geprobeerd worden de vordering 'in der minne' met de aanvrager te regelen. \

      Artikel 8.7 Terugvordering

      Parallel aan artikel 4:48 lid 1 onder c Awb kan het college volgens het eerste lid de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat zo de juiste gegevens bekend waren geweest het college niet tot toekenning zouden zijn overgegaan.

      Wanneer reeds uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het college de verstrekking geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Er is dan sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waartoe het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Het ligt voor de hand dat van deze mogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt wanneer er sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer de aanvrager dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Wanneer blijkt dat een pgb of financiële tegemoetkoming niet binnen de gestelde termijn na de uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de het pgb of de tegemoetkoming aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.

      Op grond van de Awb dient een besluit tot intrekking van een voorziening betrokkene schriftelijk te worden medegedeeld. Hierover hoeft in de WMO-verordening dus geen afzonderlijke bepaling te worden opgenomen. Uiteraard dient bij de beëindiging van een voorziening ten gevolge van wijziging van het beleid (in casu de invoering van de nieuwe verordening) rekening te worden gehouden met de zorgvuldigheidstermijn zoals die blijkens de jurisprudentie in acht moet worden genomen

       

      HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

       

      Artikel 9.1. Hardheidsclausule

      In dit artikel is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na het inwinnen van advies. Afwijken op grond van dit artikel kan uiteraard alleen maar ten gunste van de aanvrager en nimmer ten nadele. Verder is met nadruk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Daarom moet in verband met precedentwerking altijd duidelijk aangegeven worden waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.

       

      Artikel 9.2. Gevallen waarin de verordening niet voorziet

      Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid in alle niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Het gebruik maken van dit artikel moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Daarom moet in verband met precedentwerking altijd duidelijk aangegeven worden waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. De inhoud en strekking van dit artikel is wezenlijk anders dan die van artikel 8.1. Artikel 8.2 heeft een aanvullende werking ten aanzien van de verordening, waar artikel 8.1 een afwijkingsbevoegdheid inhoudt.

       

      Artikel 9.3. Beleidsregels

      In dit artikel is de bevoegdheid van het college geregeld met betrekking tot de vaststelling van beleidsregels. Deze regels zijn een gedetailleerde uitwerking van het beleid, zoals dat in de verordening is vastgelegd. Door deze bevoegdheid te leggen bij het college, wordt bereikt dat regels in overeenstemming met de maatschappelijke werkelijkheid kunnen worden aangepast, zonder dat dit ogenblikkelijk leidt tot een procedure tot bijstelling van de verordening.

       

      Artikel 9.4. Indexering

      Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de verordening gebaseerde Besluit gemeente Barendrecht, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren pagina 36 van 36