<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR333731_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad d.d. 07-07-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 10, tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-06-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-13-08355</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>N.V.T.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sint Anthonis;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        22 april 2014; gelet op artikel 147, eerste lid van de gemeentewet en de
                        bepalingen van de Algemenewet bestuursrecht (Awb);</al><al>gelet op de artikelen 7, 8 en 10, tweede lid van de Wet werk en bijstand
                        en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 34,
                        35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat met betrekking tot het ondersteunen bij
                        arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling van belanghebbenden, bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onderdeel a van de Wet werk en bijstand te regelen;</al><al/><al>BESLUIT :</al><al>vast te stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    WWB, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan
                                    onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>de IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschiktegewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet
                                    onderdeel uitmakend van een re-integratietraject, dat bijdraagt
                                    aan inschakeling in de arbeid;</al></li><li nr="e."><al>duurzame uitstroom: gedurende een dusdanige periode
                                    verzekeringsplichtige reguliere arbeid verrichten waardoor wordt
                                    voldaan aan het gestelde in de artikelen 17, 17a, 17b en 17c van de
                                    Werkloosheidswet. Met reguliere
                            arbeid wordt gelijkgesteld het verrichten van arbeid als zelfstandige in
                            een rechtmatig gevestigd, levensvatbaar beroep of bedrijf, mits
                            gedurende een periode van 3 jaargeen beroep wordt gedaan op een
                            uitkering voor levensonderhoud ingevolge het Bijstandsbesluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Niet als duurzameuitstroom wordt
                            beschouwd, het verrichten van gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>Re-integratietraject: een met belanghebbende overeengekomen, dan
                                    wel door het College aan hem opgelegd geheel van activiteiten of
                                    voorzieningen gericht op het verkrijgen van betaalde
                                    arbeid;</al></li><li nr="g."><al>Plan van aanpak: de ondersteuning en de verplichtingen die als
                                    bijlage bij een besluit tot toekenning van algemene bijstand
                                    voor een jongere zijn opgenomen,zoals bedoeld in artikel 44,
                                    vierde lid van de wet;</al></li><li nr="h."><al>Tegenprestatie: door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                            reguliere arbeid die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="i."><al>Participatieplaats: tijdelijke, onbeloonde en additionele
                                    werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen worden
                                    verricht door belanghebbenden, zijnde uitkeringsgerechtigden,
                                    die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="j."><al>college: het College van burgemeester en wethouders;</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het College van burgemeester en wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt ondersteuning aan belanghebbenden tot 65 jaar,
                                    aan Anw-ers, aan niet-uitkeringsgerechtigden, alsmede aan
                                    personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid WWB,
                                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het
                                    college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                    arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid WWB is van
                                    overeenkomstige toepassing. In verband met de samenwerking van
                                    de 5 gemeenten in het Land van Cuijk kan het college afzien van
                                    het begrip eigen inwoners.</al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen wordt bij het college een afweging
                                    gemaakt, waarbij gekeken wordt ofde ondersteuning of de
                                    voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten
                                    vanbelanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op
                                    inschakeling in het arbeidsproces binnen een redelijke
                                    termijn.</al></li><li nr="3."><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                            voorliggendevoorziening welke naar mening van het college in voldoende
                            mate bijdraagt aan de re- integratie van belanghebbende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– De vorm van de ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ondersteuning en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ondersteuning is afgestemd op de mogelijkheden van
                                    belanghebbende en kan bestaan uit verschillende vormen die tot
                                    inschakeling in de arbeid leiden indien algemeen geaccepteerde
                                    arbeid niet voorhanden is en sollicitaties tot onvoldoende
                                    resultaat hebben geleid.</al></li><li nr="2."><al>De ondersteuning dient bij te dragen tot een spoedige terugkeer
                                    naar de reguliere arbeidsmarkt en kan onder meer bestaan uit de
                                    volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanbieden van scholing welke gericht dient te zijn op het
                                    behalen van eenstartkwalificatie arbeidsmarkt en/of gericht
                                    dient te zijn op uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt; het
                                    aanbieden van de mogelijkheid tot werken met behoud van
                                    uitkering door middel van stageplaatsen of leerwerkplaatsen voor
                                    een periode van maximaal 3 maanden, welke éénmalig met maximaal
                                    3 maanden kan worden verlengd. Alvorens tot verlenging
                                    overgegaan kan worden dient op basis van een evaluatie de
                                    noodzaak hiervan vastgesteld te zijn;</al></li><li nr="b."><al>het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats, waarbij de te
                            verstrekken loonkostensubsidie maximaal voor 6 maanden wordt
                            toegekend;met de mogelijkheid van een éénmalige verlenging van maximaal
                            6 maanden. Alvorens tot verlenging overgegaan kan worden dient op basis
                            van eenevaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld te zijn.</al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 50% van de netto
                            loonkosten. Indien de omstandigheden van de belanghebbende daartoe</al><al>aanleiding geven kan de loonkostensubsidie verhoogd worden. De subsidie
                            kan echter nooit meer bedragen dan de van toepassing zijnde</al><al>uitkeringsnorm als bedoeld in artikel 20 en 21 van de WWB, en artikel 5
                            IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="c."><al>het aanbieden van sociale activering;</al></li><li nr="d."><al>het opleggen tot het verrichten van een tegenprestatie, als naar
                                    oordeel van het college een andere voorziening zoals beschreven
                                    in dit artikel voor diepersoon niet of nog niet aan de orde is
                                    of indien een dergelijke voorziening slechts voor een beperkt
                                    aantal uren per week ingezet kan worden, en er geenbelemmeringen
                                    zijn om van deze persoon een extra inzet in de vorm van een
                                    tegenprestatie te vragen.</al></li><li nr="e."><al>het aanbieden van overige vergoedingen die kunnen bijdragen aan
                            de arbeidsinschakeling dan wel aan een terugkeer naar de reguliere
                            arbeidsmarkt en die niet door de werkgever worden vergoed (waaronder
                            kinderopvang en reiskosten);</al></li><li nr="f."><al>het bieden van nazorg: activiteiten die er op gericht zijn
                                    uitstroom te continueren ten einde hier een duurzaam karakter
                                    aan te geven;</al></li><li nr="g."><al>het aanbieden van activiteiten in het kader van
                                    schuldhulpverlening indien de schulden een belemmering vormen
                                    voor de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al>het aanbieden van een detacheringsbaan gedurende een periode van
                                    maximaal 6 maanden, als onderdeel van een traject gericht op
                                    inschakeling met als doelstelling het opdoen van vaardigheden
                                    die nodig zijn om betaaldearbeid te verrichten. De periode van 6
                                    maanden kan éénmalig met maximaal 6 maanden verlengd worden.
                                    Alvorens tot verlenging overgegaan kan wordendient op basis van
                                    een evaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld te zijn;</al></li><li nr="i."><al>het toepassen van de vrijlatingbepaling als bedoeld in artikel 31,
                            tweede lid onder n van de WWB voor zover de aanvaarding van
                            deeltijdarbeid naar het oordeel van het college bijdraagt aan de 
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="j."><al>het toepassen van de vrijlatingbepaling als bedoeld in artikel 31,
                            tweede lid, onder r van de WWB voor zover de aanvaarding van
                            deeltijdarbeid naar hetoordeel van het college bijdraagt aan de
                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>Pa</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>c</onderstreept><onderstreept>ipa</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>iep</onderstreept><onderstreept>l</onderstreept><onderstreept>aa</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>s</onderstreept><onderstreept>,</onderstreept><onderstreept>P</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>m</onderstreept><onderstreept>ie,</onderstreept><onderstreept>S</onderstreept><onderstreept>c</onderstreept><onderstreept>holi</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>g</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan, ter uitvoering van artikel 7 eerste lid onderdeel a
                            van de WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ, aan een belanghebbende, zijnde
                            een</al><al>uitkeringsgerechtigde, die vooralsnog niet bemiddelbaar is op de
                            arbeidsmarkt een Participatieplaats aanbieden gedurende maximaal twee
                            jaar.</al></li><li nr="b."><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, zijnde
                            uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden
                            verricht, conform artikel 10a, zesde lid van de WWB en conform artikel
                            38a IOAW en IOAZ een premie van telkens</al><al>€ 300,-- per half jaar. Deze premie kan gedurende een periode van
                            maximaal 2 jaar verstrekt worden.</al></li><li nr="c."><al>Het recht op deze premie wordt elke 6 maanden beoordeeld.De premie
                            wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende
                            de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande 6 maanden heeft geschonden.</al></li><li nr="d."><al>Onverminderd het gestelde in sub b van dit lid komen ook
                                    personen als bedoeld in artikel 7, derde lid van de WWB voor een
                                    premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden
                                    voldoen.</al></li><li nr="e."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                    startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                    onbeloonde additionelewerkzaamhedendoor het college bekeken in
                                    hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van
                                    de kans op inschakeling in het arbeidsproces.Het college betrekt
                                    bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="•"><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                            belanghebbende de additionele werkzaamheden
                                            uitvoert;</al></li><li nr="•"><al>de scholingswens van de belanghebbende.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al><onderstreept>P</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>m</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>e
                                        </onderstreept><onderstreept>du</onderstreept><onderstreept>u</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>z</onderstreept><onderstreept>a</onderstreept><onderstreept>me
                                        </onderstreept><onderstreept>ui</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>s</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>o</onderstreept><onderstreept>o</onderstreept><onderstreept>m:</onderstreept></al></li></lijst><al>Het college kan aan belanghebbende die gedurende een periode van 3 jaar
                            uitkering heeft ontvangen éénmalig een premie verstrekken indien er
                            sprake is van duurzame</al><al>uitstroom. De hoogte van de premie is gelijk aan 50% van het in artikel
                            31 lid 2 onder j van de WWB genoemde bedrag en artikel 8 lid 2
                            IOAW/IOAZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Verplichtingen aan het recht op ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende doet op verzoek van het college of onverwijld
                                    uit eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden
                                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                    invloed zijn op het recht op ondersteuning.</al></li><li nr="2."><al>Indien het recht op ondersteuning naar mening van het college
                                    bestaat, verbindt het college hier, op belanghebbende nader
                                    afgestemde, verplichtingen aan. Dezeverplichtingen worden in een
                                    beschikking dan wel trajectplan opgenomen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college van oordeel is dat een gesubsidieerde arbeidsplaats
                            bijdraagt aan de inschakeling in de arbeid, kan aan de toe te kennen
                            loonkostensubsidie de verplichting verbonden worden dat de werkgever belanghebbende in vaste
                            dienst neemt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Ten behoeve van belanghebbenden die op de datum van inwerkingtreding van
                            de Wet werk en bijstand, 1 januari 2004, werkzaam zijn op een
                            gesubsidieerde arbeidsplaats op grond van de Wet inschakeling
                            werkzoekenden (Wiw) dan wel het Besluit In- en Doorstroombanen
                            (ID-banen), wordt deze gesubsidieerde arbeidsplaats op grond van
                            voornoemde regelgeving gecontinueerd en de aan de werkgever verleende
                            subsidie gehandhaafd op het niveau van 2003.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en harheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Re-integratieverordening
                            WWB, IOAW en IOAZ 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2012 (vastgesteld
                                    in de vergadering van 21 oktober 2013) vervalt bij
                                    inwerkingtreding van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2014.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Sint Anthonis van 23 juni 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers M.L.P. Sijbers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013
                        Algemene toelichting</titel></kop><al>Met de re-integratieverordening geeft de gemeenteraad inhoudelijk invulling aan
                    het uitgangspunt “werk boven uitkering”. De verordening regelt de aanspraak op
                    het aanbod van voorzieningen dat er op gericht is te komen tot inschakeling in
                    de arbeid. Uiteindelijk doel is duurzame uitstroom naar reguliere arbeid.</al><al>De re-integratieverordening geeft de kaders aan waarbinnen het
                    re-integratiebeleid van de gemeente vorm wordt gegeven. Gekozen is voor een
                    zogenaamde kaderstellendeverordening waarbij het re-integratiebeleid bepaald
                    wordt, de aanspraak op deondersteuning, de inzet van de voorzieningen en de
                    rechten en plichten van belanghebbende.</al><al>Oorspronkelijk zou de Participatiewet op 1 januari 2014 in werking treden. Op
                    basis hiervan waren geen ingrijpende beleidswijzigingen beoogd. Door de gemaakte
                    afspraken in het Sociaal Akkoord is deze datum niet haalbaar. De invoering van
                    de Participatiewet zal hierdoor waarschijnlijk per 1 januari 2015 in werking
                    treden. Of en welke consequenties dit heeft voor de Re-integratieverordening is
                    momenteel niet duidelijk.</al><al>De mogelijkheid om de plicht tot het leveren van een tegenprestatie naar
                    vermogen op te leggen is in 2012 in de WWB opgenomen. Dit is een bevoegdheid van
                    het college. Aan het opleggen ervan kleven de nodige risico’s zoals het
                    verzekeren tegen mogelijke aansprakelijkheid bij schade; er vindt geen
                    financiële compensatie plaats vanuit het Rijk terwijl er toch de nodige manuren
                    in geïnvesteerd moeten worden.</al><al>In 2012 is vooralsnog geen invulling gegeven aan de mogelijkheid om de
                    tegenprestatie naar vermogen op te leggen, oftewel als voorziening in de
                    Re-integratieverordening op tenemen. Dit gezien de genoemde risico’s en het feit
                    dat de gemeente Boxmeer al opdiverse manierenuitkeringsgerechtigden verplicht
                    kan laten werken of participeren binnen de samenleving.</al><al>In de regio Noordoost-Brabant is eind 2012 bij Optimisd een pilot met de
                    tegenprestatiegestart. In afwachting van de evaluatie is met de gemeenten
                    afgesproken om de tegenprestatie niet als voorziening op te nemen in de
                    Re-integratieverordening. Met de komst van de Participatiewet wordt de
                    bevoegdheid mogelijk een verplichting. Anticiperend hierop wordt de
                    tegenprestatie nu al opgenomen in artikel 4 van deze Verordening. In de loop van
                    2013 wordt hiervoor beleid ontwikkeld en worden aanvullende beleidsregels door
                    het college vastgesteld.</al><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>In deze verordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de gebruikte
                    begrippen in de WWB, de IOAW, de IOAZ, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen (Suwi) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Artikel 2. Opdracht aan het college</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vorm gegeven analoog aan
                    artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                    consistentie. In de WWB is in artikel 10, derde lid WWB aangegeven dat de
                    aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk
                    inwoners van de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40,
                    eerste lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college
                    te koppelen, wordt aangegeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                    willen zetten. In verband met de samenwerking van de 5 gemeenten in het Land van
                    Cuijk kan het college gebruik maken van de mogelijkheid af te zien van het
                    begrip eigen inwoners.</al><al>Het college wenst, gelet op de ontwikkelingen van het participatiebudget,
                    uitdrukkelijk geen activiteiten/trajecten te financieren voor personen die een
                    voldoende uitgangspositie op de arbeidsmarkt hebben en/of personen die leven in
                    een gezinssituatie waar een inkomen aanwezig is hoger dan de voor belanghebbende
                    geldende bijstandsnorm.</al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. Met name in de uitvoering, komt
                    vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.</al><tussenkop>Artikel 3. Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Zie ook artikel 3 van deze
                    verordening. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden
                    zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken
                    kan de gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond ingebouwd wordt; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken. Het college zal hier terughoudend mee zijn, omdat
                    het perspectief van de belanghebbende voorop moet staan.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt ( art. 4:27 lid 1 Awb).</al><tussenkop>Artikel 4. Ondersteuning en voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel geeft het kader aan waarlangs de arbeidsinschakeling vorm kan worden
                    gegeven. Uitgangspunt hierbij is dat belanghebbende, waarvan de aanspraak op een
                    voorziening geëffectueerd wordt, allereerst gedurende een bepaalde periode op
                    eigen kracht probeert terug te keren naar de reguliere arbeidsmarkt.</al><al>Het aanbieden van gesubsidieerde arbeid kan zowel in de profit als
                    non-profitsector aan de orde zijn. Belanghebbende komt in dienst van het bedrijf
                    of de instelling waar de gesubsidieerde arbeidsplaats wordt gerealiseerd.</al><al>Een gesubsidieerde arbeidsplaats dient een vooropgezet tijdelijk karakter te
                    hebben. Doelstelling is om de belanghebbende gedurende een beperkte periode
                    werkervaring op</al><al>te laten doen waarna doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt dient plaats te
                    vinden.</al><al>Het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats, geschiedt in eerste
                    instantie voor een periode van maximaal 6 maanden.</al><al>Indien uit een evaluatie blijkt dat verlenging noodzakelijk is, kan deze termijn
                    éénmalig</al><al>met een periode van 6 maanden worden verlengd. Voor de verlenging is de
                    evaluatie dus een noodzakelijke voorwaarde.</al><al>De gesubsidieerde arbeidsplaats, kan gerealiseerd worden door middel van een
                    aanstelling dan wel het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
                    bij een reguliere werkgever, bij een re-integratiebedrijf dan wel bij de
                    gemeente. Indien de aanstelling dan wel de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd
                    vervalt de loonkostensubsidie met ingang van de datum van beëindiging van de
                    aanstelling onderscheidenlijk de arbeidsovereenkomst. Indien de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden dan wel via een juridische
                    procedure wordt ontbonden, kan de loonkostensubsidie geheel of gedeeltelijk
                    worden teruggevorderd.</al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 50% van de netto
                    loonkosten. In bijzondere gevallen kan dit verhoogd worden. Dit dient wel
                    vanwege omstandigheden van de belanghebbende het geval te zijn. Alleen een
                    verzoek van een werkgever is hiervoor niet voldoende.</al><al>De WWB biedt de mogelijkheid om aan personen een dienstverband aan te bieden
                    teneinde op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Het dienstverband (voor
                    bepaalde tijd) is gericht op de bevordering van de arbeidsinschakeling van
                    uitkeringsgerechtigden waarbij het werkgeverschap is opgedragen aan een private
                    rechtspersoon die de uitkeringsgerechtigde in dienst neemt en vervolgens
                    detacheert bij een inlener. Door de detachering mogen geen bestaande reguliere
                    arbeidsplaatsen worden verdrongen.</al><al>Onder een tegenprestatie wordt in artikel 9, lid 1 onder c, WWB en artikel 37,
                    lid 1 onder f IOAW en IOAZ, verstaan: “door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling
                    op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”.
                    Hierbij kan gedacht worden aan vrijwilligerswerk op een school, bij een
                    vereniging of organisatie.</al><al>Het verrichten van een tegenprestatie mag niet verward worden met sociale
                    activering. Een sociaal activeringstraject wordt aangemerkt als een voorziening
                    en niet als tegenprestatie. Sociale activering kan worden ingezet om mensen uit
                    een sociaal isolement te halen en weer maatschappelijk actief te maken. Een
                    lichte vorm van vrijwilligerswerk kan daarbij helpen.</al><al>Bij het verrichten van een tegenprestatie wordt er daarentegen van uit gegaan
                    dat er geen belemmeringen zijn om daadwerkelijk een prestatie te kunnen leveren.
                    Deze mensen moeten dus in staat zijn om bijvoorbeeld onder leiding bepaalde
                    taken te verrichten en om samen te werken met anderen, indien de aard van dat
                    werk dat vereist. Er is dus een</al><al>groot verschil met voorzieningen gericht op het aanleren van sociale
                    vaardigheden, werknemersvaardigheden, etc.</al><al>De essentie van de tegenprestatie is dat iemand die daartoe geschikt bevonden
                    wordt, niet thuis zit met een uitkering als er nuttige werkzaamheden verricht
                    kunnen worden die ten goede komen aan de maatschappij.</al><al>Een tegenprestatie kan niet worden gevraagd van uitkeringsgerechtigden als
                    sprake is van belemmeringen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als iemand
                    mantelzorg verleend naast een voorziening gericht op het vinden van werk. Ook is
                    het mogelijk dat helemaal geen inspanning van iemand gevraagd kan worden,
                    bijvoorbeeld door ziekte of zorgtaken. In dat geval is er ook geen
                    tegenprestatie mogelijk.</al><al>Een tegenprestatie kan worden opgelegd als een voorziening niet of nog niet aan
                    de orde is, bijvoorbeeld omdat men enige tijd moet wachten voordat een cursus of
                    opleiding start. Ook kan een tegenprestatie worden opgelegd aan
                    uitkeringsgerechtigden die op dat moment geen voorzieningen krijgen aangeboden
                    omdat ze geacht worden zelf reguliere arbeid te kunnen vinden of indien ze
                    minder uren werken dan nodig is om uit de uitkering te komen. In het laatste
                    geval kan het aantal uren dat men een tegenprestatie moet verrichten afgestemd
                    worden op het aantal uren dat men werkt en mag zoeken naar aanvullende arbeid
                    waardoor men uit de uitkering kan stromen.</al><al>In de WWB is een nieuwe voorziening geschapen voor alleenstaande ouders, te
                    weten de verlengde vrijlating. Tegenover afschaffing van de vrijlating van de
                    (aan de zorg gerelateerde) inkomensafhankelijke combinatiekorting staat een
                    nieuwe vrijlating van 12,5% van de arbeidsinkomsten (tot maximaal € 120,33 per
                    maand; bedrag per 1 juli 2012) per maand voor een maximale periode van 30
                    maanden. Een en ander onder voorwaarde dat de zesmaandenperiode van de
                    ‘reguliere’ inkomensvrijlating is verstreken, dat de ouder de volledige zorg
                    heeft van een ten laste komend kind tot 12 jaar en dat de arbeid bijdraagt aan
                    de arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 3 Participatieplaats, Premie en Scholing</tussenkop><al>Tengevolge van de invoering van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP)
                    per 1 januari 2009 is aan het bestaande re-integratie-instrumentarium de
                    zogeheten Participatieplaats toegevoegd. Participatieplaatsen zijn tijdelijke,
                    onbeloonde en additionele werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen
                    worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar
                    zijn op de arbeidsmarkt. Hierbij moet sprake zijn van re-integratie. De
                    toenadering tot de arbeidsmarkt staat voorop; de uitkeringsgerechtigde moet baat
                    hebben bij het opdoen van werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan
                    werkgerelateerde aspecten, zoals regelmaat.</al><al>Voorts moet het gaan om een additionele functie. Dat wil zeggen een speciaal
                    gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten.</al><al>Een participatieplaats kan maximaal 2 jaar worden aangeboden. Omdat het niet de
                    bedoeling is dat uitkeringsgerechtigden onnodig lang op een dergelijke plaats
                    zitten, en zo snel als mogelijk op een ander traject of regulier werk ingezet
                    moeten kunnen worden, wordt in deze verordening geen gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid voor een verdere verlenging dan de vermelde twee jaar.</al><al>Omdat het belangrijk is dat de uitkeringsgerechtigde er financieel op vooruit
                    gaat als een langer durende inspanning wordt gevraagd is, in artikel 10a van de
                    WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ, geregeld dat men na 6 maanden op een
                    participatieplaats en vervolgens iedere 6 maanden recht heeft op een
                    premie.</al><al>Artikel 8 van de WWB en artikel 35 IOAW/IOAZ verlangt van de Raad dat zij regels
                    stelt met betrekking tot de hoogte van deze premie, alsmede de eventuele inzet
                    van scholing of opleiding, indien er sprake is van een persoon die algemene
                    bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college aangeboden
                    voorziening onbeloonde arbeid verricht. Gekozen is voor een premie van € 300,--
                    per half jaar. Omdat de wetgever heeft gesteld dat het bedrag van de premie in
                    relatie tot de armoedeval bezien moet worden, is duidelijk dat de premie niet te
                    hoog mag worden. Voorts moet bedacht worden dat de premie eens per half jaar
                    verstrekt moet worden. Door een bedrag van € 300,-- per half jaar aan te houden,
                    loopt het totaal bedrag (uitgaande van maximaal 2 jaar is dit</al><al>€ 1.200,--) niet teveel uit de pas met het bedrag van de uitstroompremie.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 4 Premie duurzame uitstroom</tussenkop><al>Deze bepaling heeft betrekking op de mogelijkheid om bij duurzame uitstroom een
                    premie te verstrekken aan belanghebbenden. Er is voor gekozen om een eventuele
                    premie te koppelen aan de uitkeringsduur. Dit om te voorkomen dat
                    belanghebbenden die slechts een beperkte periode een bijstandsuitkering hebben
                    genoten ook hiervoor in aanmerking komen. Niet valt in te zien dat een
                    belanghebbende die na een paar maanden uitkering een (nieuwe) baan vindt,
                    hiervoor extra “beloond” zou moeten worden.</al><al>De premie is bedoeld om diegenen te stimuleren die reeds langere tijd op een
                    uitkering zijn aangewezen en waarbij dus sprake is van een grote tot zeer grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt. Zij zullen over het algemeen een grotere inspanning
                    moeten leveren om weer op de arbeidsmarkt terug te keren.</al><al>Ook voor de categorie alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar geldt
                    dat zij extra inspanningen moeten leveren om reguliere arbeid te verkrijgen.
                    Vandaar dat ook</al><al>deze groep in aanmerking kan komen voor de uitstroompremie.</al><al>De hoogte van de premie is bepaald op 50% van het in artikel 31, lid 2, sub j
                    van de WWB en artikel 8, lid 2 IOAW/IOAZ vermelde bedrag (per 1 juli 2012 geldt
                    een bedrag van € 2.292,00 per kalenderjaar).</al><tussenkop>Artikel 5. Verplichtingen</tussenkop><al>Alle rechten en plichten welke aan een re-integratietraject zijn verbonden
                    worden in een beschikking dan wel een trajectplan opgenomen. Op deze wijze is
                    voor alle partijen duidelijk welke afspraken zijn gemaakt en welke inspanningen
                    (zowel door de gemeente als door belanghebbende) worden verricht.</al><tussenkop>Artikel 6. Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor personen die nog een
                    (gesubsidieerde) arbeidsplaats hebben op grond van de Wet Inschakeling
                    Werkzoekenden (WIW) dan wel de In- en Doorstroombanen (ID-banen).</al><tussenkop>Artikel 7. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behelst een hardheidsclausule en maakt het mogelijk om, indien de
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt, af te wijken van hetgeen
                    in de verordening is vastgelegd. Voorts mandateert dit artikel de bevoegdheid
                    aan het college om een besluit te nemen in gevallen waarin deze verordening niet
                    voorziet.</al><tussenkop>Artikelen 8 en 9</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>