<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">33359_11</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Leidschendam-Voorburg</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2017-01-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-187935.html" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Gemeenteblad 2016, 187935</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2016-12-13</dcterms:issued><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2:11</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1715032 / 1730367</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit vergunningsvrije en meldingsplichtige voorwerpen op de openbare plaats
                    of een gedeelte daarvan en daaraan verbonden nadere regels (ex art. 2:10 D).
                </al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg;</al><al>gezien het voorstel van het college d.d. 21 juli 2009 (registratienummer
                        raadsvoorstel 2009/19787);</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie AZ;</al><al>overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving
                        van de openbare orde;</al><al>Besluit:</al><al>1. [...]</al><al>2. Vast te stellen de [...] Algemene plaatselijke verordening
                        Leidschendam-Voorburg, zoals opgenomen in [...]</al><al>3. [...]</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten de grenzen bij besluit hebben vastgesteld overeenkomstig
                                    artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1.1 van de Bouwverordening
                                    Leidschendam-Voorburg 2012 daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="-"><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="-"><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 A, derde lid,
                                artikel 2:11, 2:12 of artikel 4:10 B.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich
                            daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel></titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al> Artikel 2:6: Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                    gedrukte stukken of afbeeldingen;</al></li><li nr="-"><al> Artikel 2:9: Straatartiest e.d.;</al></li><li nr="-"><al> Artikel 2:29 Ontheffing sluitingstijd</al></li><li nr="-"><al> Artikel 2:29A Ontheffing sluitingstijd terrassen </al></li><li nr="-"><al> Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister;</al></li><li nr="-"><al> Artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:10</nr><titel></titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            volgende artikelen in deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:25 Vergunning evenementen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:39 Exploitatievergunning speelgelegenheid;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                    kampeerterreinen</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            een toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                            samenscholing;</al></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 4 x 24 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                            en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaat vóór 12.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids
                                    op te treden op door de burgemeester in het belang van de
                                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het
                                    milieu aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>A Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op een openbare
                                    plaats in strijd met de publieke functie van die plaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college
                                    een openbare plaats of gedeelte daarvan anders te gebruiken dan
                                    overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                            openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                            van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig
                                            gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                            het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare
                                            plaats;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>B Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod in artikel 2:10 A, eerste lid, geldt niet
                                        voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:28, achtste lid
                                                en artikel 2:28 A;</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of
                                        stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de
                                        bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                        gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst><al>3.</al><lijst><li nr="a."><al>Het verbod in artikel 2:10 A, eerste lid, geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                        wegenverordening.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van artikel 2:10 A, tweede lid, onder a,
                                        geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van artikel 2:10 A, tweede lid, onder b,
                                        geldt niet voor bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van artikel 2:10 A, tweede lid, onder c,
                                        geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>C Beslistermijn en silencio positivo</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>D Vrij te stellen categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod in artikel 2:10 A, eerste lid, geldt niet voor door
                                    het college aangewezen categorieën van voorwerpen en mits deze
                                    voorwerpen voldoen aan het bepaalde in de nadere regels als
                                    bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels voor de aangewezen categorieën
                                    vaststellen ter bescherming van belangen als bedoeld in artikel
                                    2:10 A, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor
                                    een meldingsplicht geldt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg mede
                                    verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene
                                    verordening ondergrondse infrastructuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                    uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een
                                    bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag voor vergunning wordt een situatieschets van de
                                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie
                                    overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden
                                    indien door het realiseren van de gewenste uitweg:</al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het
                                            wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                            onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of
                                            dreigt te worden geschaad.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd
                                    in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag weigert de vergunning in ieder geval indien
                                    door de aanleg van een uitweg of de verandering van een
                                    bestaande uitweg een voor het verkeer gevaarlijke situatie
                                    ontstaat die niet door het verbinden van voorschriften aan de
                                    vergunning kan worden voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien de aanleg of
                                    verandering van de uitweg in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                    werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                    4<sup>e</sup>, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van
                                    de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam
                                    van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de
                                    omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op een openbare
                                    plaats te bevinden buiten een straal van 300 meter van het
                                    bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf
                                    gelegen is in een winkelcentrum, buiten een straal van 300 meter
                                    van het winkelcentrum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje dat gebruikt is op een
                                    openbare plaats, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op
                                    een daartoe aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                                    betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                                    veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                    aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)
                                    fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de
                                    uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van
                                    een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen
                                op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer, verlichting of
                                    cameratoezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer, de openbare verlichting of
                                    cameratoezicht worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, daarin een bijt te
                                            maken, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                            andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening .</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg;</al></li><li nr="e."><al>een klein evenement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder klein evenement wordt verstaan een eendaagse,
                                    kleinschalige activiteit die zich in de openbare ruimte afspeelt
                                    met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 500
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>er een organisator is en deze zorg draagt voor voldoende
                                            toezicht tijdens het evenement;</al></li><li nr="c."><al>de organisator tenminste 3 weken voorafgaand aan het
                                            evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester; de melding gaat vergezeld van een
                                            plattegrond op schaal 1:100 van het evenemententerrein,
                                            die in ieder geval bevat: de indeling van het
                                            evenemententerrein, de te plaatsen objecten, de vrije
                                            rijstrook voor hulpdiensten, en de straatnamen;</al></li><li nr="d."><al>het evenement plaatsvindt in de openlucht;</al></li><li nr="e."><al> het evenement plaatsvindt op maandag tot en met
                                            zaterdag tussen 09.00 en 23.00 uur plaats vindt of op
                                            zondag tussen 13.00 en 23.00 uur;</al></li><li nr="f."><al> er een minimale rijstrook met een breedte van 3,5 meter
                                            vrij blijft voor de hulpdiensten en zich op deze
                                            rijstrook géén obstakels bevinden die niet gemakkelijk
                                            verplaatsbaar zijn bij calamiteiten; niet toegestaan op
                                            de minimale rijstrook zijn in ieder geval een brandende
                                            barbecue en een springkussen;</al></li><li nr="g."><al> er tijdens het evenement geen opbreking van de weg is;
                                        </al></li><li nr="h."><al> het openbaar vervoer niet hoeft te worden omgeleid en
                                            geen verkeersregelaars hoeven te worden ingezet;</al></li><li nr="i."><al> er slechts kleine objecten worden geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 10 m2 per object, met
                                            uitzondering van één tent met een oppervlakte van minder
                                            dan 25 m2;</al></li><li nr="j."><al> er geen vuurwerk wordt afgestoken;</al></li><li nr="k."><al> het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)
                                            veroorzaakt door het ten gehore brengen van versterkte/
                                            onversterkte muziek en/of door het gebruik van
                                            geluidsapparatuur ter plaatse van de gevel van woningen
                                            van derden en andere geluidsgevoelige bestemming niet
                                            meer bedraagt dan 70 dB(A); </al></li><li nr="l."><al> in het geval van een wandeltocht, spoorzoeken,
                                            puzzeltocht e.d. waarbij (groepen van) mensen zich
                                            lopend over grotere afstanden verplaatsen, er enkel
                                            trottoirs of voetpaden worden gevolgd en de regels voor
                                            voetgangers worden aangehouden;</al></li><li nr="m."><al> het evenement niet plaatsvindt op een industrieterrein.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester kan binnen 2 weken na ontvangst van de melding
                                    besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het
                                    tweede lid te verbieden dan wel nadere voorschriften stellen aan
                                    het evenement, indien daardoor de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft een zakelijk
                                    karakter.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere algemene voorschriften vaststellen ten
                                    behoeve van evenementen die overeenkomstig het bepaalde in het
                                    tweede lid zijn vrijgesteld van een evenementenvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> openbare inrichting:</al><al>i. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                            snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;</al><al>ii. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten
                                            ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                            worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                            consumptie worden verstrekt of bereid;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                            inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                            vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                            voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                            verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>leidinggevende:</al><al>i. de natuurlijke personen of de bestuurders van een
                                            rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wier rekening
                                            en risico de openbare inrichting wordt
                                            geëxploiteerd;</al><al>ii. de natuurlijke personen die de algehele leiding
                                            geven aan een onderneming waarbinnen één of meer
                                            openbare inrichtingen worden geëxploiteerd; of</al><al>iii. de natuurlijke personen die onmiddellijke leiding
                                            geven aan één inrichting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                    besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan
                                    waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester. Een leidinggevende is niet in
                                    enig opzicht van slecht levensgedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is
                                            met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening,
                                            exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>de leidinggevende niet voldoet aan de eis gesteld in het
                                            eerste lid, tweede volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien
                                    naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of
                                    leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
                                    Bij de toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester
                                    rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                    openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van
                                    de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu
                                    ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                    exploitatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in:</al><lijst><li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                            Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                            openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van en
                                            ondersteunend zijn aan de winkelactiviteit;</al></li><li nr="b."><al>een zorginstelling, voor zover de openbare inrichting
                                            uitsluitend gericht is op de bewoners/patiënten en hun
                                            bezoekers;</al></li><li nr="c."><al>een museum, crematorium of rouwcentrum, voor zover de
                                            openbare inrichting wordt gebruikt als ondersteuning van
                                            de bedrijfsvoering; of</al></li><li nr="d."><al>een bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze
                                            uitsluitend als zodanig in gebruik is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Eveneens is geen vergunning vereist voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap
                                            of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
                                            die zich richt op activiteiten van recreatieve,
                                            sportieve, educatieve, sociaal-culturele,
                                            levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;</al></li><li nr="b."><al>een tearoom verbonden aan een bakkerij;</al></li><li nr="c."><al>een ijssalon;</al></li><li nr="d."><al>een hotel; of</al></li><li nr="e."><al>een pension.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of
                                    meer bij de openbare inrichting behorende terrassen op de weg,
                                    beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die weg ten
                                    behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan de ingebruikneming van de weg als bedoeld in
                                    het zesde lid weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="c."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van het terras of
                                            de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                            beïnvloed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het zesde en zevende lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28 A</nr><titel>Terrasvergunning voor openbare inrichtingen vrijgesteld van
                                    exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een of
                                    meer terrassen op de weg te hebben of in te richten, indien dit
                                    terras of deze terrassen behoren bij een openbare inrichting als
                                    bedoeld in artikel 2:28, vierde of vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren of
                                    intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud aan de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="c."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van het terras of
                                            de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                            beïnvloed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met
                                    vrijdag tussen 24.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                    tussen 01.00 uur en 09.00 uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde
                                    lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29 A</nr><titel>Sluitingstijd terrassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2:29 zijn terrassen van openbare
                                    inrichtingen gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 24.00
                                    uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 24.00 uur en
                                    09.00 uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2:29 zijn terrassen van een openbare
                                    inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid
                                    onder a, gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 22.00 uur
                                    en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 22.00 uur en 09.00
                                    uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een terras van een openbare inrichting voor
                                    bezoekers geopend te hebben, of bezoekers op een terras te laten
                                    verblijven na sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste, tweede, en vierde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting
                                    enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel></titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalocaliteit,</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank, </al></li></lijst><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur
                                    voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van
                                    activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het
                                    eerste lid zich richten op activiteiten van sportieve aard,
                                    verstrekken zij uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de
                                    periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2
                                    uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de
                                    statutaire doelomschrijving van de desbetreffende
                                    paracommerciële rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke
                                    mededinging. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>Verbod verstrekken van sterke drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank
                                    voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting of in
                                    een onderdeel van een inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al> waarin uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren,
                                            zoals belegde broodjes, patat frites of ander snacks en
                                            ijs worden verkocht;</al></li><li nr="b."><al> waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt
                                            gegeven;</al></li><li nr="c."><al> die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij
                                            jeugdorganisaties of -instellingen;</al></li><li nr="d."><al> die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij
                                            sportorganisaties of -instellingen;</al></li><li nr="e."><al> die in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van
                                            een openbaar vervoersbedrijf;</al></li><li nr="f."><al> die gelegen is op een kampeer- of caravanterrein;</al></li><li nr="g."><al> die kan worden aangemerkt als dorps- of buurthuis of
                                            wijkgebouw gedurende de tijd dat deze uitsluitend of in
                                            hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of
                                            -instellingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de
                                    openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de
                                    volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van
                                    de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning
                                    beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                            Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
                                            vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                            a, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                    toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan,
                                    met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                    aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                    een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                    inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                                    winkeldiefstal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van
                                    winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of ander
                                    voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                    winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                    bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten
                                    de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats :</al><lijst><li nr="a."><al> te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al> zich op te houden op een wijze die aan andere
                                            gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats
                                            gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                            berokkent.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld
                                            in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, danwel op een terrein dat dienst doet als
                                wandelpromenade in een winkelcentrum, mits dit verbod kenbaar is aan
                                de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw,
                                    deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen
                                    of woonschip bevindt te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>a Sleuteladressen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gebruiker - of bij gebreke hiervan – de eigenaar van een niet
                                    voor bewoning gebezigd gebouw is verplicht om, door middel van
                                    een goed zichtbare en duidelijk leesbare kennisgeving, bevestigd
                                    in de onmiddellijke omgeving van de hoofdingang van dat gebouw,
                                    aan te geven het adres of telefoonnummer van degene die de
                                    sleutels van het gebouw voorhanden heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd van de in het eerste lid bedoelde
                                    verplichting ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op een openbare plaats en buiten
                                            de bebouwde kom in recreatiegebied Vlietland en het
                                            gebied ‘Vogelplas Starrevaart’ indien die hond niet is
                                            aangelijnd; of</al></li><li nr="c."><al>op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien
                                            van een halsband of een ander identificatiemerk dat de
                                            eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet
                                    van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: </al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of </al></li><li nr="b."><al> die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al><lijst><li nr="a."><al> vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer
                                            of van beide stoffen; </al></li><li nr="b."><al> door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en </al></li><li nr="c."><al> zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat
                                            de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening
                                            van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de
                                            korf aanwezig zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al> aanwezig te hebben; </al></li><li nr="b."><al> aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels; of </al></li><li nr="c."><al> aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van
                                            het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen zeven dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1º ,
                                                bedoelde adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                                van een misdrijf afkomstig is of voor de
                                                rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
                                horecabedrijven) onder artikel 2:32).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15.</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151 c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor de duur van ten
                                hoogste twee jaar ten behoeve van het toezicht op de volgende
                                openbare plaatsen als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
                                manifestaties en andere voor eenieder toegankelijke plaatsen:</al><lijst><li nr="-"><al>Herenstraat, Stationsplein e.o. Voorburg;</al></li><li nr="-"><al>Damlaan e.o. Leidschendam;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> J.S. Bachlaan e.o. Leidschendam;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Amstelhof e.o. Leidschendam;</al></li><li nr="-"><al>De Prinsenhof e.o. Leidschendam.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="*"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="*"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="*"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="*"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="*"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="*"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 24.00 en 08.00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 01.00 en 09.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of – veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen: Leidschendam, Stompwijk of
                                    Voorburg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) tussen 07.00 – 19.00
                                    uur; 60 dB(A) tussen 19.00 – 23.00 uur en 55 dB(A) tussen 23.00
                                    – 07.00 uur, gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een
                                    hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening- uiterlijk om 01.00 uur te worden
                                    beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A) tussen 07.00 – 19.00
                                    uur; 60 dB(A) tussen 19.00 – 23.00 uur en 55 dB(A) tussen 23.00
                                    – 07.00 uur, gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op
                                    een hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de
                                    geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om
                                    01.00 uur beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                                aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                                gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                                toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren
                                                of doen uitvoeren van geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook
                                                gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                                terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen,
                                                voor zover het woningen betreft, gelden in
                                                geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld
                                                in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt
                                                toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="35*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="21*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="21*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 3 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte
                                        elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen,
                                        wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en
                                        is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3
                                        van deze verordening van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>A (4.5.1 oud) Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal, een of meer bomen of
                                            een (grotere) lintbegroeiing van heesters en/of
                                            struiken;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een
                                            stamomtrek van meer dan 50 cm op een hoogte van 1,3 m
                                            boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt
                                            de stamomtrek van de dikste stam;</al></li><li nr="d."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                            van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats
                                            verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen,
                                            gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek
                                            noodzakelijk onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>rechthebbende: eenieder die over enig goed enige
                                            zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                            recht;</al></li><li nr="g."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet;</al></li><li nr="h."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                            Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi
                                            (Buism.) C. Moreau);</al></li><li nr="i."><al>iepenspintkever: het insect, in elk
                                            ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus
                                            scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en
                                            Scolytus pygmaeus.</al></li><li nr="j."><al>boomwaarde: het bedrag dat wordt gevonden door het
                                            product van de volgend<onderstreept>e</onderstreept>
                                            factoren: </al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakte in cm² van de dwarsdoorsnede op
                                                  1,3 m boven het maaiveld; </al></li><li nr="-"><al>De eenheidsprijs per cm²;</al></li><li nr="-"><al>De standplaatswaarde;</al></li><li nr="-"><al>De conditiewaarde; </al></li><li nr="-"><al>De waarde van de plantwijze;</al></li><li nr="-"><al>Het college stelt de eenheidsprijs,
                                                  standplaatswaarde, conditiewaarde en waarde van de
                                                  plantwijze vast.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>B (4.5.2 oud) Omgevingsvergunning voor het vellen van
                                    houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die: </al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10
                                                  are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer
                                                  dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal
                                                  rijen;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het college, zulks onverminderd het bepaalde in
                                            artikel 4:10 H</al></li><li nr="h."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als
                                            cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte
                                            boomsoorten;</al></li><li nr="i."><al>houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen of
                                            panden van bedrijven, instelllingen e.d., van welke
                                            tuinen of erven het oppervlak: </al><lijst><li nr="-"><al>kleiner is dan 50 m² voor zover het een voortuin
                                                  of -erf betreft; </al></li><li nr="-"><al>kleiner is dan 125 m² voor zover het een
                                                  achtertuin of -erf betreft.</al></li></lijst><al> Deze vrijstelling geldt niet indien het een
                                            aaneengesloten tuin of erf betreft met een
                                            totaaloppervlak van meer dan 175 m².</al></li><li nr="j."><al> bomen in tuinen of erven behorende bij woningen of
                                            panden van bedrijven, instellingen e.d., welke bomen een
                                            stamomtrek hebben van minder dan 80 cm op een hoogte van
                                            1,3 m boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid
                                            geldt de stamomtrek van de dikste stam. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen,
                                    indien sprake is grote gevaarzetting of vergelijkbaar
                                    spoedeisend belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>C (4.5.3 oud) Aanvraag vergunning en procedure</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>D (4.5.3a oud) Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst><al>Hierbij kan als criterium de boomwaarde worden gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>E (4.5.4 oud) Vergunning ex lege</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>F (4.5.4a oud) Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>Aan een krachtens deze afdeling verleende vergunning of ontheffing
                                kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
                                voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming
                                van:</al><lijst><li nr="-"><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="-"><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="-"><al>waarden van stadsschoon;</al></li><li nr="-"><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>G (4.5.5 oud) Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt van kracht zes weken na de datum van
                                    publicatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De krachtens deze afdeling verleende vergunning vervalt indien
                                    daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk worden,
                                    volledig gebruik is gemaakt. In het geval van verplanten van
                                    houtopstand, kan het college een andere termijn bepalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>H (4.5.6 oud) Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze is tenietgegaan,
                                    kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door
                                    zijn te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                    overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die
                                    bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>I (4.5.7 oud) Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4:10 B, artikel 4:10 G of artikel 4:10 H,
                                schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel
                                te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>J (4.5.8 oud) Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te
                                            vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
                                            vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding
                                            van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>K (4.5.9 oud) Afstand van de erfgrenslijn</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek
                                wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en
                                heesters.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Kapvergunning</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al> onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="b."><al> bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="c."><al> kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of </al></li><li nr="d."><al> mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin voorzien
                                    wordt krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens
                                    een Provinciale verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Bescherming cultureel erfgoed</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Detectorverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op door het
                                    college aangewezen terreinen zich met een metaaldetector te
                                    bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor degene aan wie een
                                    opgravingsvergunning is verstrekt als bedoeld in artikel 45 van
                                    de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de
                                            weg te plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste en derde lid geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                    meter te parkeren op een door het college aangewezen weg of
                                    weggedeelte, waar dit parkeren naar zijn oordeel:</al><lijst><li nr="a."><al> het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                            gebouwen, die bestemd zijn voor bewoning of ander
                                            dagelijks gebruik, aan die weg op hinderlijke wijze
                                            belemmert of hun anderszins hinder of overlast aandoet;
                                            of</al></li><li nr="b."><al> de verkeersveiligheid aantast door
                                            uitzichtbelemmering.</al></li></lijst><al>Het college bepaalt daarbij voor welke dagen en uren het verbod
                                    geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op een openbare plaats te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                            snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 18.00 en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar het verboden is te
                                    venten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Venten met gedrukte of geschreven stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare
                                            en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden,
                                            verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan
                                            te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
                                            kraam, een wagen of een tafel.</al></li><li nr="b."><al> incidentele standplaats: het éénmalig, voor de duur van
                                            één dag, innemen van een standplaats door een ideële
                                            organisatie, voor het voeren van een maatschappelijke
                                            campagne of het deelnemen aan verkiezingen met een
                                            maximum van drie dagen per jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18 A</nr><titel>Meldingsplicht incidentele standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Geen vergunning is vereist voor een incidentele standplaats,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al> degene die de incidentele standplaats wil innemen
                                            daarvan tenminste 10 werkdagen tevoren schriftelijk
                                            melding heeft gedaan aan het college; </al></li><li nr="b."><al> voldaan wordt aan het bepaalde in de nadere regels als
                                            bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ter bescherming van de belangen bedoeld in
                                    artikel 5:18 nadere regels stellen ten aanzien van incidentele
                                    standplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin
                                    voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.24</nr><titel>A Het openbaar water als werkplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden het openbaar water als werkplaats te
                                    gebruiken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer en
                                    de hierop gebaseerde voorschriften, het
                                    Binnenvaart-politiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken, de Provinciale Vaarwegenverordening, de
                                    Provinciale landschapsverordening of de Havenverordening
                                    Leidschendam- Voorburg 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Provinciale landschapsverordening of de Havenverordening
                                    Leidschendam-Voorburg 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening, de Provinciale landschapsverordening of de
                                    Havenverordening Leidschendam-Voorburg 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:25, tweede lid, en
                                5:26 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>A Gezonken vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De schipper of, bij afwezigheid van de schipper, de eigenaar van
                                    een gezonken vaartuig is verplicht dit vaartuig onmiddellijk te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken
                                    of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>A Grote vaartuigen op de tot het recreatiegebied Vlietland
                                    behorende plassen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of schipper van een vaartuig met een lengte
                                    van meer dan 7 meter verboden zich met dat vaartuig te bevinden
                                    op de tot het recreatiegebied Vlietland behorende
                                    waterplassen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder lengte:
                                    de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van
                                    de achterste vaste deel van de romp, zonder de boegspriet, de
                                    papegaaistok en het trimvlak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>vaartuigen van de politie;</al></li><li nr="b."><al>vaartuigen toebehorende aan of uitsluitend gebezigd voor
                                            werken ten behoeve van de provincie Zuid-Holland, de
                                            gemeente Leidschendam-Voorburg en het Hoogheemraadschap
                                            van Rijnland;</al></li><li nr="c."><al>vaartuigen, die, komende van het Rijn- Schiekanaal een
                                            rechte oversteek maken naar de Meerburgerwatering en
                                            terugkeren via de Bakkersloot, waarvoor het
                                            Hoogheemraadschap van Rijnland een vaarvergunning heeft
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de
                                    Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang of het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al> het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al> de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al> de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of
                                    3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen gebieden. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                            crematoriumterreinen;</al></li><li nr="c."><al>plaatsen behorend tot andermans eigendom zonder
                                            toestemming van de rechthebbende;</al></li><li nr="d."><al>overige, door het college aan te wijzen plaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Naturisme</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Naaktrecreatie</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Strafrecht is het
                                verboden zich voor ongeklede openbare recreatie te begeven buiten
                                het (de) bij besluit van de gemeenteraad aangewezen en door borden
                                aangegeven gebied(en)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van enig voorschrift, gesteld bij of krachtens deze
                                verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                                categorie of met hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan
                                bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                                uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarstelling genoemd in het eerste lid is niet van
                                toepassing op overtredingen ten aanzien waarvan straf is bedreigd in
                                of bij andere wetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: de medewerkers van de afdeling
                                Handhaving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg 2003
                                wordt ingetrokken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                                bekendgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                                eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                                deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categoriën van voorwerpen als bedoeld in artikel 2.1.5.1, derde
                                lid, onder d. tot en met h., van de verordening als bedoeld in
                                artikel 6:4, eerste lid, worden geacht te zijn aangewezen en
                                bekendgemaakt door het college krachtens artikel 2:10 D van deze
                                verordening met ingang van de dag van inwerkingtreding daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Leidschendam-Voorburg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Leidschendam-Voorburg van 22 september 2009.</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>mr. G.A. van Egmond, drs. J.W. van der Sluijs</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr></nr><titel></titel></kop><al>Deze toelichting bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs commentaar.
                    In het algemene deel worden aanleidingen en achtergronden toegelicht van
                    wijzigingen die betrekking hebben op meerdere artikelen. Bij de artikelen zelf
                    wordt dan vaker verwezen naar dit algemene deel.</al><al>Het algemene deel is evenals het artikelsgewijze commentaar ontleend aan de
                    tekst van de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en daar waar
                    dat nodig of wenselijk werd geacht aangepast aan de lokale situatie. </al><al></al><al><vet>Lijst van gebruikte afkortingen in de APV</vet></al><al> AA =Ars Aequi </al><al>AB= Administratiefrechtelijke Beslissingen </al><al>Adr =Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving </al><al>ABRS= Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State </al><al>APV = Algemeen Plaatselijke Verordening</al><al>ARRS =Afdeling rechtspraak van de Raad van State </al><al>Afd.= Afdeling </al><al>Awb =Algemene wet bestuursrecht </al><al>Awbi =Algemene wet op het binnentreden </al><al>BABW =Besluit algemene bepalingen inzake het wegverkeer </al><al>BR =Bouwrecht </al><al>BW =Burgerlijk Wetboek </al><al>CBB =College van Beroep voor het bedrijfsleven </al><al>CRvB =Centrale Raad van Beroep </al><al>DHW =Drank- en Horecawet </al><al>Gst. =Gemeentestem </al><al>HR =Hoge Raad </al><al>Ivb =Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm</al><al>JB =Jurisprudentie bestuursrecht </al><al>JG =Jurisprudentie voor Gemeenten </al><al>KB =Koninklijk Besluit </al><al>KG =Kort Geding </al><al>Lbr. =Ledenbrief van de VNG </al><al>LJN-nr.= nummer Landelijk jurisprudentie netwerk, www.rechtspraak.nl </al><al>m.nt. =met noot </al><al>MenR =Tijdschrift voor Milieu en Recht</al><al>Model-APV =Model Algemene plaatselijke verordening </al><al>NJ =Nederlandse Jurisprudentie </al><al>OB =Openbaar Bestuur </al><al>PG =Parlementaire Geschiedenis </al><al>Pres. =President </al><al>Rb. =Rechtbank (sector bestuursrecht) </al><al>RVV 1990 =Reglement verkeersregels en verkeerstekens </al><al>Stb. =Staatsblad </al><al>Trw =Tijdelijke referendumwet </al><al>VR =Verkeersrecht </al><al>Vz. =Voorzitter </al><al>W. =Weekblad voor het recht </al><al>Wm =Wet milieubeheer </al><al>wnd. =Waarnemend (voorzitter) </al><al>Wok =Wet op de kansspelen </al><al>WOM =Wet openbare manifestaties </al><al>WvSr =Wetboek van Strafrecht </al><al>WvSv =Wetboek van Strafvordering </al><al>WVW 1994 =Wegenverkeerswet 1994</al><al></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><vet>Vreemdelingen</vet></al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al><cursief></cursief> Per 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Deze beoogt
                    de toegang tot overheidsvoorzieningen voor vreemdelingen afhankelijk te stellen
                    van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland. In 2000 is de
                    Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden. Artikel 10, eerste lid, van
                    de Vw 2000 bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in
                    Nederland geen aanspraak kan maken op verstrekkingen, voorzieningen en
                    uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan
                    (koppelingsbeginsel). Artikel 8.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb
                    2000) bepaalt dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van
                    artikel 8 van de Vw 2000 (artikel van de verblijfstitels), geen aanspraak kan
                    maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van
                    gemeenten, provincies, waterschappen en met toepassing van de Wet
                    gemeenschappelijke regelingen ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke
                    regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking hebben op
                    standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan
                    wel bedrijfsmatige activiteiten. </al><al></al><al>Het besluit schrijft dwingend voor dat voor de verlening van een vergunning en
                    ontheffing die een beroeps- dan wel een bedrijfsmatig karakter heeft, een
                    verblijfsrechtelijke toets dient plaats te vinden. Uitgangspunt van de
                    Koppelingswet blijft dat er geen recht is op voorzieningen evenmin als op het
                    verwerven van een inkomen. Door het verlenen van een vergunning of ontheffing
                    aan een vreemdeling die géén rechtmatig verblijf heeft, kan deze een inkomen
                    verwerven hetgeen in strijd is met de Vreemdelingenwet.</al><al></al><al><cursief>Verblijfsdocumenten</cursief></al><al>Van verblijfsdocumenten is er een aantal modellen in omloop. Een overzicht van
                    de diverse verblijfsdocumenten is te vinden op de website van Immigratie en
                    Naturalisatiedienst (IND): www.ind.nl, onder het kopje Dutch
                    ID’s-Vreemdelingendocumenten. Op deze documenten wordt de verblijfstitel
                    gekoppeld aan het al dan niet mogen verrichten van arbeid. Dit is van belang
                    voor de verificatie van de verblijfsrechtelijke toets.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Opname bepaling verificatieplicht in APV niet toegestaan</cursief></al><al>Verificatie van persoonlijke gegevens is bij formele wet geregeld in de Wet op
                    de Identificatieplicht (WID) zodat opname van een dergelijke bepaling in een
                    gemeentelijke verordening niet aan de orde is. De Afdeling bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State heeft op 18 januari 2000, 199900327/1, JG 00.0043 m.nt
                    W.A.G. Hillenaar, JB 2000, 51 m.nt. A.W. Heringa, met betrekking tot opname van
                    de legitimatieplicht in de APV geoordeeld dat de WID exclusief is bedoeld, zodat
                    daarnaast niet nog een aparte gemeentelijke identificatieplicht kan worden
                    opgelegd.</al><al></al><al><cursief>Conclusie voor de gemeentelijke praktijk</cursief></al><al>Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                    een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een
                    document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Dit houdt dus in
                    dat op grond van de Vw 2000 voor de toepassing van een aantal APV-artikelen wél
                    een verblijfsdocument moet worden gevraagd ten behoeve van de
                    verblijfsrechtelijke toets. Het voorstaande geldt voor de volgende artikelen:
                    2:9 (straatartiest), 2:25 (evenement), 2:28 (exploitatievergunning
                    horecabedrijf), 2:36 (kennisgeving exploitatie), 2:39 (exploitatie van een
                    speelgelegenheid), 3:4 (seksinrichtingen), 5:13 (collecteren), 5:18
                    (standplaatsen) en tenslotte 5:23 (snuffelmarkten e.d.).</al><al></al><al><vet><cursief>Artikelgewijs</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</cursief></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><al><vet>Bebouwde kom</vet><vet></vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de
                    bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de
                    aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid
                    2, van de Wegenwet.</al><al><vet>Bevoegd gezag</vet><vet></vet></al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of
                    veranderen van een weg (artikel 2:11), het maken van een uitweg (2:12) en het
                    vellen van houtopstanden (artikel 4:10 B). De vergunning voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de
                    Wabo, de vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid onder e. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van
                    houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g van de Wabo. De Wabo kan ook
                    van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de
                    publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende
                    zaken (artikel 2:10 A). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo.</al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10 A, 2:11, 2:12 en 4:10 B van
                    deze verordening.</al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al><vet>Bouwwerk</vet><vet></vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren”.</al><al><vet>Gebouw</vet><vet></vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al><vet>Handelsreclame</vet><vet></vet></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing
                    op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal
                    niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
                    verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</al><al><vet>Openbaar water</vet><vet></vet></al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><al><vet>Openbare plaats</vet><vet></vet></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1,
                    eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die
                    krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie
                    kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al><vet>Rechthebbende</vet><vet></vet></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al><vet>Weg</vet><vet></vet></al><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><al>a. de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen
                    van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                    wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft;</al><al>b. de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de
                    noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van
                    de weg in te grijpen.</al><al><vet>Op of aan de weg</vet><vet></vet></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                    van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen
                    het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
                    Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er
                    bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar
                    geen weg, maar wel openbare plaats.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In
                    deze verordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit
                    is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb,
                    wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere,
                    beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit
                    laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn
                    redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk
                    bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere
                    adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in navolging van de VNG in
                    deze verordening op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een
                    individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft
                    altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot
                    kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager
                    meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep
                    gaan.</al><al></al><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium.</al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het tweede lid
                    van artikel 1:2 is een implementatie van deze verplichting.</al><al></al><al><vet>Ontvangstbevestiging</vet></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex
                    silencio.</al><al></al><al>Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><al></al><al><vet>Opschorting van de termijn</vet></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop
                    alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een
                    aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij
                    aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen
                    dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde
                    documenten zijn ontvangen.</al><al>Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven
                    van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                    bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te
                    vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.</al><al></al><al><vet>Wabo</vet></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art. 2:11), de uitwegvergunning (art. 2:12) en
                    de kapvergunning (art 4:10 B) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het
                    aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid
                    onder d. van de Wabo, die voor het maken van een uitweg in art. 2.2, eerste lid
                    onder e. van de Wabo en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in
                    artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het
                    gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan,
                    namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10 A). De
                    ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid, onder j en k van de Wabo.</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><al>1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><al>a de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch
                    adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt
                    ingediend;</al><al>b het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;</al><al>c een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al><al>d indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en
                    woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de
                    aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;</al><al>e indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn
                    naam, adres en woonplaats.</al><al>2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de
                    aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp
                    van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.</al><al>3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                    verrichten werkzaamheden. </al><al>In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn
                    in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang.
                    Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:10 B.</al><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><al></al><al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als
                    wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen
                    verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de
                    algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.
                    Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een
                    bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden
                    aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken.</al><al></al><al>Er kan ook een regeling voor te vroeg ingediende aanvragen worden opgenomen. In
                    het model van de VNG en in deze verordening is hiervoor niet gekozen omdat er in
                    de praktijk weinig behoefte aan is. Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt
                    gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld, volstaat een gemotiveerde
                    mededeling daarvan aan de aanvrager.</al><al></al><al><vet>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</vet></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie
                    ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide
                    aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde
                    aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur,
                    en de andere op de Archiefwet<vet>.</vet></al><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al></al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al></al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al></al><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                    ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van
                    het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al></al><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging
                    gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles
                    waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen
                    is, niet mogen overlappen.</al><al></al><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn
                    als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al></al><al><cursief>Zakelijk karakter</cursief></al><al>Een vergunning of ontheffing is zakelijk van karakter indien die afhangt van en
                    gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de
                    persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de
                    zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid
                    van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere
                    hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke
                    vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of
                    bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk
                    gerechtigde, ondernemer enz. </al><al>Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van
                    de Wet milieubeheer (of reclamevergunning). Deze vergunning is van de persoon
                    van de aanvrager of vergunninghouder onafhankelijk. </al><al></al><al>Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning
                    persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de
                    aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar
                    niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook
                    niet licht geweigerd kunnen worden.</al><al>Zo is aan de exploitatievergunning voor horecabedrijven als bedoeld in artikel
                    2:28 een persoonlijk karakter toegekend. Bij het besluit tot weigeren van een
                    dergelijke vergunning i.v.m. aantasting van het woon- en leefklimaat zal niet
                    zonder meer voorbij gegaan kunnen worden aan het feit dat voorheen wel
                    vergunning aan een ander was verleend. </al><al>Een “gemengd” karakter heeft de ontheffing sluitingsuur (taptoeontheffing). De
                    voorschriften met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven moeten
                    in de eerste plaats gezien worden als bepalingen die ten doel hebben
                    geluidhinder en andere overlast, die ontstaan door het ‘s avonds en ’s nachts
                    drijven van een “inrichting”, te voorkomen of te beperken. In zoverre kan men
                    zeggen dat een ontheffing sluitingsuur een zakelijk karakter draagt. Aan de
                    andere kant dient bedacht te worden dat de persoon van de exploitant bij de
                    beslissing inzake de ontheffingsverlening niet geheel onbelangrijk is en dat de
                    ontheffingsfiguur gebruikt is.</al><al></al><al>In de APV is in artikel 1.5 gekozen voor de persoonsgebondenheid van de
                    vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken zoals blijkt uit de
                    zinsnede "tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald." Het
                    zakelijk karakter moet dan expliciet vermeld worden in de desbetreffende
                    APV-bepaling of in de verleende vergunning of ontheffing.</al><al></al><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Voorheen kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een
                    krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden
                    konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden
                    verlengd.</al><al></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen
                    afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal
                    beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen
                    belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                    algemeen belang.</al><al></al><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor
                    bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is
                    en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al></al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels
                    kenden tot 2008 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze
                    werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende
                    bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het
                    geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten
                    is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de
                    systematiek en duidelijkheid binnen de APV is in navolging van de VNG ervoor
                    gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de
                    afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen.
                    Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in
                    artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een
                    enkel geval (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor
                    seksinrichting) is van artikel 1:8 afgeweken. </al><al></al><al><vet>Europese Dienstenrichtlijn</vet></al><al></al><al><vet>Vergunningen</vet></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn
                    deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><al></al><al><vet>Meldingen</vet></al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen.<cursief></cursief></al><al>Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de
                    Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt
                    dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een
                    ‘vergunning’zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te
                    schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze
                    verordening is een eendaags klein evenement.</al><al></al><al><vet>Vestiging of tijdelijke overschrijding</vet></al><al>Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                    hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan. </al><al></al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake
                    van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                    activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht.
                    Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                    wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer
                    zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de richtlijn). </al><al></al><al>In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een vergunningstelsel is
                    toegestaan. </al><al></al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de
                    volgende vereisten is voldaan: </al><lijst><li nr="*"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt; </al></li><li nr="*"><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn);
                        </al></li><li nr="*"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al></al><al>De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst
                    te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de
                    Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere
                    criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><lijst><li nr="*"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; </al></li><li nr="*"><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9;</al></li><li nr="*"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al></al><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk. </al><al></al><al>Het wordt op dezelfde gronden evenmin wenselijk geacht een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                    grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders
                    zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een
                    bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om
                    zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                    onderdanen.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd
                    zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten
                    bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. </al><al></al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening
                    voor wat betreft de weigeringsgronden.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al></al><al><vet>Overlast</vet></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al></al><al><vet>Verkeersveiligheid</vet></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. </al><al></al><al><vet>Veiligheid van personen en gezondheid</vet></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Zedelijkheid</vet> Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare
                    orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de
                    bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling
                    (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang
                    van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een
                    ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een
                    zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</vet> In het verleden is het
                    beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van
                    de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat
                    gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet
                    in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren.
                    Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt
                    dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                    belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts
                    één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van
                    de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel
                    in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                    worden.</al><al></al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. </al><al></al><al><vet>Détournement de pouvoir</vet></al><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet
                    kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel.
                    Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </al><al></al><al><vet>Motivering</vet></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</al><al></al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 2. Openbare orde</cursief></vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting afdeling 1- 6: Orde en veiligheid op openbare
                        plaatsen</vet></al><al>In deze afdelingen zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het
                    gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de
                    openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van
                    de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten,
                    vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al><vet>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</al><al></al><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat het geven van een bevel in
                    een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld
                    via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de APV.</al><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van
                    de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk.
                    Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of
                    aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in
                    mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Afdeling 2 Betoging</vet></al><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al><al>(vervallen)</al><al>In 2007 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting
                    bij die artikelen.</al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al></al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al></al><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige
                    activiteiten zijn ongereguleerd gebleven.</al><al></al><al>In verband hiermee heeft artikel 2:3 alleen betrekking op betogingen. Het
                    artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot “processies”.</al><al></al><al><vet>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</vet></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voorzover die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al></al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al></al><al>Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als
                    artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de
                    wetgever acht dat niet nodig.</al><al></al><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                    ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij
                    geopenbaard worden wel.</al><al>De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten
                    aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder
                    andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De
                    gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen
                    opgedaan.</al><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><lijst><li nr="*"><al>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor
                            betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                            godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een
                            zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke
                            activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een
                            kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd
                            worden;</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al></li><li nr="*"><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen.</al></li></lijst><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een
                    dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme
                    regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de
                    volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):</al><lijst><li nr="*"><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM);</al></li><li nr="*"><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid);</al></li><li nr="*"><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voorzover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden” (artikel 9 WOM);</al></li><li nr="*"><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al></li><li nr="*"><al>de bescherming van de zondagsrust, voorzover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden”
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM).</al></li></lijst><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een
                    kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze
                    bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.</al><al></al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><al></al><al><vet>Openbare en andere dan openbare plaatsen</vet></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                    verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering van
                    manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een
                    terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt de
                    redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de
                    beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten
                    aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging “buiten gebouwen en
                    besloten plaatsen”. De regering geeft de voorkeur aan een functionele
                    omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet- openbare
                    plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van gebruik van een
                    plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet
                    afgescheiden zijn van de plaats (TK 1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al></al><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “openbare en andere dan openbare
                    plaatsen”?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al></al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al></al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al></al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al></al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al></al><al><vet>Betoging</vet></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr=""><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al></al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven
                    als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek
                    gebied”.</al><al></al><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al></al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al></al><al><vet>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</vet></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al></al><al><vet>Klokgelui en oproepen tot gebed</vet></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen
                    met betrekking tot duur en geluidsniveau.</al><al></al><al>De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het
                    grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het
                    recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en
                    daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de
                    beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</al><al></al><al>Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van
                    geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome
                    bepalingen.</al><al></al><al>Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 APV (overige
                    geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.</al><al></al><al><vet>Gemeentelijke bevoegdheden</vet></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of
                    als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In
                    die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag
                    rijst of de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten,
                    zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al></al><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                    gesteld dat de clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”
                    inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid bevoegd is
                    tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de omvang van de
                    grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is thans expliciet
                    opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan afwijken van
                    andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften.</al><al></al><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel
                    176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding
                    tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet (in formele
                    zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening
                    van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al></al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt: “De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                    worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
                    grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft
                    dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de
                    bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de
                    gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden.”</al><al></al><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken</al><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al><al></al><al><vet>Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</vet></al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen
                    gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel
                    2:42.</al><al></al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet.</al><al></al><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al></al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><al>1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                    gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                    wet.</al><al>2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                    toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al><al>3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                    voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig
                    wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
                    De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan
                    zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</al><al>4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                    handelsreclame.</al><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al><al></al><al><vet>Daklozenkrant</vet></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6</al><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                    daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                    verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers
                    zijn.</al><al></al><al><vet>Wabo</vet></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><al></al><al><vet>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet></vet><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>In 2007 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij
                    die artikelen.</al><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>Artikel 2.1.4.2 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening.
                    Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep,
                    de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld
                    verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan
                    besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. De VNG heeft
                    het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar
                    vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven
                    (deregulering). De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling
                    niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en
                    zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek
                    al uit het optionele karakter van het oude artikel. Voorts geldt voor wat
                    betreft de verkeersveiligheid artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat
                    bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt
                    veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd. Als de dienstverlener optreedt
                    als venter, dat wil zeggen dat hij ambulant is, gelden bovendien de artikelen
                    over venten (5:14 e.v.).</al><al></al><al>Kort samengevat: De risico’s van het schrappen van het vergunningstelsel afgezet
                    tegen het aanzienlijke voordeel van vermindering van administratieve lasten voor
                    dienstverleners en gemeenten - immers er hoeft geen vergunning meer aangevraagd
                    te worden - heeft onze gemeente, in navolging van de VNG, doen kiezen voor het
                    niet meer opnemen van het artikel.</al><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest</vet></al><al>Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2007 geschrapt.
                    Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Echter het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                    straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9.</al><al></al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het
                    commentaar onder artikel 1.8.</al><al></al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip
                    “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de
                    toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke
                    uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van
                    degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986,
                    Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
                    derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof
                    nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                    betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking
                    aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat
                    uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten
                    en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                    onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden
                    zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag.
                    Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke
                    bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal
                    vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen,
                    bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is
                    geen reden om van een lex silencio af te zien. In artikel 1:9 van deze
                    verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb op het gehele artikel van toepassing
                    verklaard. </al><al><vet>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 </vet><vet>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op
                        andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of
                        plaats</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, terrassen of
                    containers.</al><al></al><al><cursief>Deregulering: vergunningstelsel of algemene regel</cursief></al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    heeft de VNG bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is
                    een discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen.
                    De VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen
                    in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. Een dergelijke
                    nadrukkelijke keuze biedt meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte
                    daarbij is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden
                    geplaatst een vergunning overbodig wordt geacht, omdat deze voorwerpen volstrekt
                    geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid.</al><al>Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten “zorgplicht”
                    neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid
                    niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden wordt voldaan. De
                    burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij
                    van mening is dat het verbod van het eerste lid wordt overtreden, zal daarover
                    al snel discussie ontstaan. Dat vraagt inschattingsvermogen, zelfstandigheid en
                    tact van de toezichthoudende ambtenaren. De gemeente zal haar handhavingsbesluit
                    zeer nauwkeurig dienen te motiveren</al><al></al><al>Dit probleem, dat voortvloeit uit de inherente onduidelijkheid van een algemene
                    regel, zou kunnen worden verholpen door de algemene regel aan te vullen met een
                    lijst voorschriften die in detail regelt wat er wel en niet is toegestaan. Een
                    aantal gemeenten heeft daarvoor gekozen. Nadeel van die aanpak is dat zo’n regel
                    onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat voor een heel scala aan
                    voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers, straatmeubilair, etc) moet
                    worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden geplaatst, en wat de omvang mag
                    zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel niet overal in de gemeente
                    dezelfde zal zijn.</al><al>Maar net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde
                    voorschriften voor de nodige duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning
                    weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder.</al><al>Onze gemeente heeft vooralsnog de keuze gemaakt (raadsbesluit december 2007) om
                    het vergunningstelsel te behouden en niet te werken met een algemene regel.</al><al></al><al><cursief>Overige deregulering</cursief></al><al>Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is overigens ook in dit artikel een
                    dereguleringsslag gemaakt. Zo is vanwege de overzichtelijkheid een aantal
                    artikelen in de APV, waaronder ook artikel 2:10., onderverdeeld in een aantal
                    afzonderlijke artikelen. Verder is een aantal gedetailleerde bepalingen waar de
                    vergunningplicht niet voor geldt, uit de APV gehaald en opgenomen in een
                    aanwijzingsbesluit van het college.</al><al></al><al>Ook voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode
                    wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die
                    per definitie tijdelijk worden geplaatst maar waarvan wenselijk is dat ze niet
                    onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.</al><al></al><al>Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de
                    APV zijn twee algemene artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt
                    dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd tenzij de
                    aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie de
                    toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 A: Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op een openbare
                        plaats in strijd met de publieke functie van die plaats</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De vergunningsplicht. Hier zijn geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van de
                    vorige APV.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hier is naast de genoemde algemeen geldende weigeringsgronden een
                    verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde
                    problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan.</al><al></al><al><vet>Wabo</vet></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2,eerste lid onder j of onder k van de Wabo.
                    Een vergunning wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van
                    de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een nieuw derde lid
                    ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel
                    1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval
                    een omgevingsvergunning verleent.</al><al>Daarnaast blijft het eerste lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) vergunning kan verlenen
                    voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat
                    om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.</al><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de vergunning van het
                    bevoegd bestuursorgaan (eerste lid) als de omgevingsvergunning (derde lid) nodig
                    is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Met
                    het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van artikel 2.2,
                    tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of aan de weg
                    worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat de
                    zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. De VNG
                    verwacht dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2, tweede
                    lid van de Wabo in de APV dan ook niet toegepast.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 B: afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</vet></al><al><vet>Eerste lid, onder a: evenementen</vet></al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2:10.A. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de
                    voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de
                    verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder b: terrassen horecabedrijf</vet></al><al>Het in artikel 2:10 A bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                    terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                    vergunning is verleend op grond van artikel 2:28 Zo’n terras maakt blijkens de
                    definitie in artikel 2:27 deel uit van dat bedrijf. Het verbod geldt evenmin
                    voor terrassen van niet-exploitatievergunningplichtige horecabedrijven waarvoor
                    een afzonderlijke terrasbepaling is opgenomen in artikel 2:28 A. Gelet hierop is
                    hier een afbakeningsbepaling opgenomen.</al><al></al><al>In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    of een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de weg
                    of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden
                    gesteld en is het college het bevoegd gezag.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder c: standplaatsen</vet></al><al>Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5:17 van
                    toepassing is.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het verbod van artikel 2:10 A is niet van toepassing op voorwerpen waarop
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke
                    uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van
                    meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:1 wel verboden om uitingen te doen
                    als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</al><al></al><al><vet>Derde lid, onder a.</vet></al><al>Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving.</al><al><vet>Artikel 2:10 C: beslistermijn en silencio positivo</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 2:10 D: vrijstellingen</vet></al><al> Op basis van dit artikel kan het college categorieën van voorwerpen aanwijzen
                    die vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. Hierbij kan gedacht worden aan,
                    vlaggen, zonneschermen, reclameborden, uitstallingen en allerlei bouwobjecten
                    zoals bouwborden, steigers, afval-, puin- of zeecontainers, schaftketen,
                    chemische toiletten, etc. Voor sommige van deze vrij te stellen voorwerpen is
                    het dan wel noodzakelijk om nadere regels te kunnen stellen en eventueel een
                    meldplicht in het leven te kunnen roepen. Op die manier blijft het mogelijk om
                    de in het geding zijnde belangen te beschermen zoals de bruikbaarheid en het
                    veilig gebruik van de weg, de vrije doorgang van verkeer etc. In het tweede en
                    derde lid is daarom de bevoegdheid voor het college opgenomen om nadere regels
                    te stellen en voor sommige voorwerpen eventueel een meldingsplicht in het leven
                    te roepen.</al><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij
                    hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband
                    met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat
                    niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen
                    van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel
                    overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek
                    maatwerk gaat.</al><al></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen
                    genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De
                    beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er
                    meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de
                    Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6
                    maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg
                    zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al></al><al></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al></al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al>Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                    op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                    “alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen” opgenomen. De plicht
                    om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te
                    sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet><vet></vet></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen,
                    bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                    samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                    landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                    Landinrichtingswet, een uitzondering te maken.</al><al>De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar
                    wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet><vet></vet></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven.
                    In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer
                    gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet
                    nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter
                    bescherming van het algemeen belang. In navolging van de VNG is er daarom
                    destijds voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het
                    stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen,
                    maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk
                    gaat.</al><al>Op de wijze waarop dit artikel toen is vormgegeven heeft de VNG terechte kritiek
                    gekregen: door het college de gelegenheid te geven op een melding te reageren
                    met nadere voorschriften, wordt in die gevallen een verkapt vergunningstelsel
                    gecreëerd. De tekst is daarom opnieuw aangepast en weer gewijzigd in een zuiver
                    vergunningsstelsel.</al><al></al><al>De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste
                    plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden
                    gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de
                    bescherming van openbare groenvoorzieningen.</al><al></al><al>Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een
                    weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de
                    vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al></al><al>Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar
                    te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer
                    ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar
                    groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms
                    (zeer) schaarse parkeerruimte.</al><al></al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden
                    gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde
                    eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de
                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de
                    hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste
                    uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke
                    voorschriften.</al><al></al><al><vet>Derde tot en met zesde lid</vet></al><al>Een vergunning voor een uitweg kan slechts worden geweigerd of een uitweg kan
                    slechts door het verbinden van voorschriften aan de vergunning worden
                    gerealiseerd, indien belangen in het geding zijn die in deze artikelleden zijn
                    verwoord, te weten:</al><lijst><li nr="*"><al>de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van
                            de weg) </al></li><li nr="*"><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg (gevaar of hinder voor het
                            openbaar wegverkeer ter plaatse; bescherming van het gebruik van
                            openbare parkeerplaatsen)</al></li><li nr="*"><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente</al></li><li nr="*"><al>bescherming van openbare groenvoorzieningen.</al></li></lijst><al></al><al>Ten einde het gebruik van openbare parkeerplaatsen te waarborgen is het
                    toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop de
                    uitweg wordt gerealiseerd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd
                    met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de
                    onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de
                    bruikbaarheid daarvan. Als voorschrift kan o.a. een onderhoudsplicht worden
                    opgelegd. </al><al>Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld,
                    strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de
                    weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente wordt gesteld. </al><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als daarbij een
                    (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter
                    bescherming van groenvoorzieningen voorschriften worden gesteld, zodat de
                    groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al></al><al>Indien er een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het
                    verbinden van voorschriften kan worden voorkomen, moet de vergunning in ieder
                    geval worden geweigerd.</al><al></al><al>Als het geldende bestemmingsplan een uitweg ter plaatse niet toelaat, is het
                    moeilijk uit te leggen dat in een voorkomend geval de uitwegvergunning wel moet
                    worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt wegens strijd
                    met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als een
                    imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Volgens jurisprudentie is dit
                    aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische
                    regeling bevat.</al><al></al><al><vet>Zevende lid</vet> Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving
                    geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV
                    van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een
                    provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122
                    betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten
                    grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling.</al><al></al><al><vet>Afdeling 6 Veiligheid op de weg</vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting.</vet></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins).</al><al></al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al></al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al></al><al>Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel
                    andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke
                    regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander
                    motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling
                    uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.</al><al></al><al>Verder geldt hier - evenals bij de eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de
                    gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag
                    maken.</al><al></al><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van
                    het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid </vet></al><al>Artikel 2:13 bevat een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie
                    te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de
                    openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke
                    situatie kan ontstaan.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>In artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat
                    met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets plaatst op
                    of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat door of ten
                    gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan
                    ondervinden.</al><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het
                    probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De
                    consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50
                    eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden zijn
                    wij er toe over gegaan om in onze APV bepaling een verbod jegens de burger op te
                    nemen. <cursief></cursief></al><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. </al><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet></vet><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</vet></al><al>Artikel 427, onder 1 en 3 , Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar tot het
                    treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en
                    toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van
                    voorbijgangers.</al><al>De onderhavige APV bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven,
                    ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het
                    publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee
                    tegengegaan worden.</al><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al>(niet opgenomen)</al><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien
                    van de veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische
                    schrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden
                    (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen.</al><al></al><al>Nadat het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel
                    47 ARBO-wet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de
                    inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb.
                    60). Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek
                    gericht op schrikdraadinstallaties.</al><al></al><al>Elektrische schrikdraadinstallaties worden inmiddels ook door particulieren
                    gebruikt ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen
                    dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen eisen gesteld. Wanneer daaraan
                    behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke eisen opgenomen worden die zijn
                    ontleend aan het VBES.</al><al></al><al>De voorschriften die het college aan de vergunning kan verbinden, kunnen
                    afgeleid worden van de eisen die het VBES stelde, waarbij in ieder geval
                    voorgeschreven zou moeten worden dat daar waar de schrikdraden van een weg af
                    aangeraakt kunnen worden er voldoende waarschuwingsborden aangebracht moeten
                    worden.</al><al></al><al>Artikel 2:19 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het
                    aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.</al><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen </vet></al><al><vet></vet> Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer, verlichting of
                        cameratoezicht</vet></al><al>De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de
                    openbare verlichting of cameratoezicht het gebruiksrecht van de eigenaar niet
                    aantasten.</al><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>(niet opgenomen)</al><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>Afdeling 7 Toezicht op evenementen</vet></al><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><al>a. In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                    voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</al><al>b. Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het
                    college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor
                    regels vaststellen in een marktverordening. Snuffelmarkten zijn specifiek
                    geregeld in artikel 5:22 van de APV. Uitgebreide informatie over markten is te
                    vinden onder de toelichtingen bij artikel 5:22 en de modelmarktverordening van
                    de VNG.</al><al>c. De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al><al>d. Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat
                    dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer
                    incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen
                    (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel
                    als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder onder
                    feest.</al><al>e. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie
                    voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</al><al>f. Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9
                    (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele
                    regelgeving te voorkomen.</al><al>Indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de
                    begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren
                    te worden vrijgesteld, kunnen deze evenementen ook als uitzondering worden
                    opgenomen.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al></al><al><cursief>Braderie</cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in
                    de zin van artikel 5:22. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke
                    verrichting van vermaak is, is het een evenement.</al><al></al><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><al></al><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij
                    feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                    worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                    uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                    schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader
                    van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast.</al><al></al><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud)
                    vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).</al><al></al><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</al><al></al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de Apv geven het
                    college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                        inrichting.<vet><cursief></cursief></vet>Voorschriften met betrekking tot geluid
                    buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de Apv in de
                    vergunning worden opgenomen.</al><al></al><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24,
                    tweede lid, onder d.</al><al></al><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
                    en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel
                    10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994
                    bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen
                    van die ontheffing geschiedt:</al><al>a. voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                    Waterstaat;</al><al>b. voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de
                    ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing
                    wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</al><al>Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                    geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</al><al>Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke
                    grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW
                    1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer.
                    In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende
                    motieven worden genoemd:</al><lijst><li nr="*"><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade;</al></li><li nr="*"><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden;</al></li><li nr="*"><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</al></li></lijst><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze
                    sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator
                    van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen
                    voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De
                    veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig
                    verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften
                    van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als
                    voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze
                    voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt,
                    kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die
                    wedstrijd alsnog verboden worden.</al><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                    Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is
                    namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals
                    openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid,
                    weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de
                    openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de
                    westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met
                    een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een
                    weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de
                    burgemeester op grond van artikel 2:25.</al><al>Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg
                    eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
                    “vossenjachten”, droppings e.d.</al><al></al><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al> Voor het organiseren van kleine evenementen, zoals een buurtbarbecue of een
                    straatfeest, is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor
                    de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het
                    begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het
                    derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om
                    kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de
                    openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de
                    eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                    belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                    gemaakt.</al><al></al><al>Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van
                    een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Het vervangen van
                    vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van
                    een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid
                    voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Met de invoering de
                    meldingsplicht voor de kleinschalige evenementen vervalt het eerder in dit
                    artikel opgenomen derde lid, dat bepaalde dat de burgemeester voor bepaalde
                    categorieën evenementen vrijstelling kon verlenen.</al><al></al><al>Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel
                    geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een
                    dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: 1. de
                    vergunning niet discriminatoir is, 2. het vergunningstelsel gerechtvaardigd is
                    om een dwingende reden van algemeen belang (noodzaakvereiste), en 3. het
                    nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt,
                    met name omdat controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te
                    zijn (proportionaliteitsvereiste).</al><al></al><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid
                    e.d.</al><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al></al><al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</al><al></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al> Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om
                    zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als
                    zonder deze melding zo’n evenement wordt georganiseerd. </al><al></al><al>De voorwaarden voor zo’n meldingsplichtig klein evenement zijn opgenomen onder a
                    tot en met m. Voorheen gold een meldingsplicht alleen voor een buurtbarbecue of
                    een straatfeest met niet meer dan 100 personen. De voorwaarden zijn nu zodanig
                    verruimd dat een meldingsplicht geldt voor alle kleine evenementen die vanuit
                    veiligheidsoogpunt gezien weinig of geen risico’s opleveren. De voorwaarden zijn
                    een zo goed mogelijke vertaling van de ervaringen in de praktijk en van de
                    “Algemene voorwaarden bij kleine evenementen”, zoals de regionale hulpdiensten
                    die hanteren en hebben opgenomen in de “Handreiking Multidisciplinair
                    Veiligheidsplan (middel)grote evenementen”. [Vastgesteld in 2009 door de Politie
                    Haaglanden, Brandweer Haaglanden en de Geneeskundige hulpverleningsorganisatie
                    (GHOR)] </al><al></al><al>De meeste voorwaarden spreken voor zich. </al><al></al><al>Tweede lid , onder b</al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn. </al><al></al><al>Tweede lid, onder i</al><al> Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden.</al><al></al><al>Tweede lid, onder m </al><al>Industrieterreinen kunnen locaties bevatten die vallen binnen de invloedsfeer
                    van risicovolle activiteiten, waarop onder andere het Besluit externe veiligheid
                    inrichtingen milieubeheer en het Besluit risico zware ongevallen van toepassing
                    is. Uit voorzorg is het daarom raadzaam om bij een klein evenement op een
                    industrieterrein niet te volstaan met een melding. </al><al></al><al> De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd
                    en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden alle
                    drie vereisten. Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een vaste
                    bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken
                    van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad
                    van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de
                    burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het
                    eendaagse evenement een ontheffing verlenen.</al><al></al><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden.
                    Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria van de
                    Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding, omdat de
                    Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.</al><al></al><al><vet>Rol van de burgemeester en de raad</vet></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip “toezicht” is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al></al><al>Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van
                    voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen.
                    Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak
                    dat dit van een goede motivering is voorzien.</al><al></al><al>De raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te
                    stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn
                    beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180
                    Gemeentewet).</al><al>Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende bevoegdheid (artikel 147
                    Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de gemeente actief is met het
                    aantrekken van evenementen in de gemeente, bijvoorbeeld het binnenhalen van
                    minimaal één groot landelijk evenement per jaar.</al><al></al><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                    onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><vet>Aansprakelijkheid</vet></al><al>Vergunninghouder/organisator.</al><al>Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die
                    bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich
                    vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor
                    veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ
                    1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de houder van de
                    evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een
                    Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat
                    eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet
                    behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder.</al><al></al><al>Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan
                    ook niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door
                    de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren
                    zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al></al><al>Toezicht houden</al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op de
                    aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij
                    evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat
                    komt zijn artikel op het volgende neer.</al><al>Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere
                    regels bij overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden
                    vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in
                    artikel 6:162 BW en de door het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965,
                    NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is
                    een afweging nodig van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming
                    van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de
                    hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de
                    gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen
                    veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de toezichthouder een
                    zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit betekent dat niet van hem gevergd kan worden
                    dat hij op alles waarop hij toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet,
                    omdat zijn middelen beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder
                    gemaakte keuzes redelijk zijn.</al><al></al><al>Affourtit trekt de volgende conclusies:</al><lijst><li nr="*"><al>Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is
                            verleend, bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht
                            (HR 22 juni 2001, Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een
                            dergelijk toezicht te houden, zal dan ook niet snel tot
                            aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een
                            vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt
                            een algemene controleplicht voor de hand.</al></li><li nr="*"><al>Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde
                            wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in
                            afwijking van de vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een
                            verplichting tot ingrijpen. Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij
                            het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen,
                            is actief toezicht en eventueel ingrijpen met gebruikmaking van
                            bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een
                            onrechtmatig nalaten.</al></li></lijst><al>Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende) schade, is
                    het in ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te stellen (HR 8 januari
                    1999, NJ 1999, 319, Waterschap West-Friesland/Kaagman).</al><al></al><al>Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet
                    voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de
                    derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken
                    gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een
                    aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op
                    hem/hen verhalen.</al><al></al><al><vet>Belastingheffing</vet></al><al>Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een
                    evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan
                    hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De gemeentelijke legesverordening
                    is gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.
                    De tarieven in die verordening worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten
                    niet uitgaan boven de geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn bepaalt in artikel
                    13, tweede lid, dat de kosten redelijk en evenredig met de kosten van de
                    vergunningsprocedures in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten van de
                    procedures niet overschrijden. Binnen deze grens van kostendekkendheid op
                    verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als zich dat
                    beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de behandeling
                    van een vergunning voor een groot evenement meer werk en dus kosten met zich
                    brengen dan een kleinschalig evenement zoals een straatfeest. Naast dit
                    kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator van een groot evenement
                    heeft van de evenementenvergunning groter zijn dan het profijt van de
                    organisator van een straatfeest. Veelal zal een groot evenement ook door een
                    professionele organisatie worden georganiseerd, terwijl bijvoorbeeld een
                    straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd.</al><al></al><al>Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te
                    nemen dat de leges voor een vergunning voor een groot evenement hoger moet zijn
                    dan die voor een kleinschalig evenement. Of dat voor het kleinschalig evenement
                    helemaal geen leges worden geheven.</al><al></al><al>Opmerking verdient dat de tarieven niet naar het inkomen, de winst of het
                    vermogen mogen worden gedifferentieerd.</al><al></al><al>Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het
                    mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen.
                    Vereiste daarvoor is dat gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking
                    van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen.
                    Hieronder valt ook een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht. De
                    gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in verband met het evenement. De
                    gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen. Het is dus niet zonder
                    meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond
                    van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een
                    evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor
                    extra onderhoudskosten heeft.</al><al></al><al>Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening
                    moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich
                    veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in de gemeente.</al><al></al><al>De vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het evenement
                    organiseert. Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als een
                    toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan de
                    vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden
                    opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan
                    worden.</al><al></al><al><vet>Eerste lid Voorschriften</vet></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                    voorwaarden:</al><al>a. De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                    regeling.</al><al>b. De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                    voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8.</al><al>c. De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk
                    bestuur.</al><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester
                    aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet
                    hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de
                    voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch,
                    LJN-nr AO8495.</al><al>Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond
                    opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere
                    administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al></al><al><vet>Doorlopende vergunning</vet></al><al>Een doorlopende vergunning is voor de evenementenvergunning niet aangewezen.
                    Immers het evenement loopt per definitie af. Hier verzet de aard van de
                    vergunning zich tegen een vergunning met onbeperkte duur.</al><al></al><al><vet>Privaatrechtelijke voorschriften</vet></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                    mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften
                    zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden
                    geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke
                    vereisten.</al><al></al><al><vet>Entreeheffing</vet></al><al>Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op de vraag of het
                    heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al dan niet geoorloofd
                    is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met de bezoeker overeenkomt
                    om tegen betaling van een bepaald bedrag het door de organisator geboden
                    evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree
                    geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.</al><al></al><al><vet>Evenementen en bestemmingsplan</vet></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd
                    is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet
                    worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de
                    weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige
                    weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-03-2003, LJN-nr. AF8028. Dus is strijd met
                    het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden van
                    terugkerende, meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar
                    omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is
                    met het bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden.</al><al></al><al>Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval
                    niet regelmatig worden herhaald. Artikel 17 WRO, bedoeld als planologische
                    vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast.
                    Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen
                    eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische vrijstelling
                    vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond
                    van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor
                    muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het is daarom van belang dat gemeenten
                    naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in
                    de te houden evenementen. ABRS 13-04-2005, LJN-nr. AT3708 (Schuttersfeest
                    Diepenheim, Hof van Twente), Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden
                    27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al></al><al><vet>Evenementen op de openbare weg</vet></al><al>Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als
                    titel Evenementen op de openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding
                    tussen het normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het
                    houden van een evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de
                    evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke)
                    openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement. Hierna wordt de
                    vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten
                    en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de
                    openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al><al><vet>Evenementen op het water</vet></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                    plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de
                    openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder advies
                    inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord
                    doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van
                    waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook
                    verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet
                    bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De
                    vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare
                    orde en veiligheid.</al><al></al><al>Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een evenementenvergunning
                    aanvragen bij de gemeente waar het schip aanlegt om de passagiers aan boord te
                    laten gaan en tevens een vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de
                    passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds
                    aanlegt.</al><al></al><al><vet>Handhaving op het water</vet></al><al>Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en de
                    openbare orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden,
                    bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbaar dronkenschap.</al><al></al><al>De regels over de orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de
                    APV, het Binnenvaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de
                    Scheepsvaartverkeerswet.</al><al></al><al><vet>Evenementen met dieren</vet></al><al>In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en adviesbureau
                    van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van de wet-
                    en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de daaruit voortvloeiende
                    verplichtingen en bevoegdheden voor provincies en gemeenten (SGBO, “Dierwelzijn
                    in provincie en gemeente, het juridisch kader”, 2003). Het volgende is aan dit
                    rapport ontleend.</al><al></al><al>De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen met dieren splitst zich toe
                    op twee soorten evenementen:</al><lijst><li nr="*"><al>circussen waar dieren optreden;</al></li><li nr="*"><al>folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje
                            tikken of gansslaan.</al></li></lijst><al>Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen met
                    dieren gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de
                    evenementenregeling in de APV en de voorschriften in de Gezondheids- en
                    welzijnswet voor dieren (GWWD).</al><al>Hoewel dierwelzijn in de APV geen aparte weigeringsgrond is, kan uit diverse
                    rechterlijke uitspraken worden afgeleid dat gemeenten de mogelijkheid hebben om
                    evenementen met dieren (mede) te beoordelen op dierwelzijnsaspecten. Gemeenten
                    kunnen in de volgende twee situaties een vergunning voor het organiseren van
                    evenementen met dieren weigeren:</al><al>1. als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep
                    worden gedaan op het openbare-ordemotief);</al><al>2. als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die
                    situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond).</al><al>Een uittreksel waarin de belangrijkste juridische instrumenten en mogelijkheden
                    worden besproken is te vinden op het VNG-net (www.vng.nl/juridsche
                    zaken/APV/publicaties).</al><al></al><al><vet>MKZ (Mond en Klauwzeer), vogelpest, gekke koeienziekte</vet></al><al>Op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet heeft de minister van LNV
                    bevoegdheden om op grond van veterinaire overwegingen (beperking verspreiding
                    dierziektes) aanvullende eisen te stellen aan evenementen of deze te
                    verbieden.</al><al>Veelal zijn gemeenten, wanneer besmettelijke dierziekte zich manifesteren,
                    uiteindelijk verantwoordelijk voor het al dan niet laten doorgaan van een
                    evenement. In artikel 2:25 zijn de gronden opgenomen op grond waarvan de
                    burgemeester een vergunning voor een evenement kan weigeren en een verleende
                    vergunning kan intrekken. Bij openbare orde en het voorkomen of beperken van
                    overlast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beperkte mogelijkheid tot inzet van
                    politie ter handhaving van de openbare orde. Hierbij kan ondermeer in overweging
                    worden genomen: a. de aantallen en aard van de te verwachten bezoekers, b. de
                    kans op ordeverstoring als een evenement veel door inwoners uit de direct
                    getroffen gebieden zouden worden bezocht, c. de plaats van het evenement (al dan
                    niet in relatie tot de besmettingshaarden). Over dit onderwerp is in april 2001
                    door de VNG een Nieuwsbrief, nummer 1293, naar gemeenten toegestuurd.</al><al></al><al><vet>Evenementen en Vuurwerk</vet></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het
                    bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning
                    aanvragen.</al><al>Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels over de
                    opslag van het vuurwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek. De
                    politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt contact
                    op met de gemeente voor de door de gemeente af te geven verklaring van geen
                    bezwaar. De gemeente kan hier aanvullende regels stellen in het kader van de
                    openbare orde en veiligheid.</al><al></al><al><vet>Meldingen</vet></al><al>Voor het afsteken van maximaal 10 kg theatervuurwerk of 100 kg
                    consumentenvuurwerk moet het ontbrandingsbedrijf ten minste tien werkdagen vóór
                    het evenement plaatsvindt melding doen bij Gedeputeerde Staten van de Provincie.
                    Dit geldt zowel voor het afsteken in de open lucht als in een gebouw.</al><al></al><al><vet>Vergunning (ontbrandingstoestemming)</vet></al><al>Als het ontbrandingsbedrijf tijdens het evenement grotere hoeveelheden theater
                    en/of consumentenvuurwerk of ander professioneel vuurwerk wil ontsteken, dan
                    dient het bedrijf hiervoor 14 weken van tevoren een vergunning aan te vragen bij
                    de Provincie.</al><al></al><al><vet>Lasershows</vet></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire
                    lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten
                    of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn spectaculair om te
                    zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties.
                    Dit laatste is niet zonder risico’s. Voor het geven van een vergunning voor een
                    lasershow moet daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart worden verkregen.</al><al></al><al><vet>Inspectie Verkeer en Waterstaat</vet></al><al>Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het afgeven
                    van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een lasershow kan worden
                    toegestaan en onder welke voorwaarden.</al><al></al><al>Bij de beoordeling kijkt de Inspectie naar de voorgestelde locatie van een show,
                    het type gebruikte laser en een aantal andere gegevens. Dit zijn de parameters
                    die dienen als invoergegevens voor een computerprogramma waarmee wordt bepaald
                    of de ligging van de showlocatie ten opzichte van een luchthaven zodanig is dat
                    de veiligheid gewaarborgd kan worden. Rondom ieder luchthaven bevinden zich een
                    drietal concentrisch gelegen gebieden waarbij op grotere afstand van een
                    luchthaven de energiebundels van een lasershow steeds krachtiger mogen
                    zijn.</al><al></al><al>Soms kan het nodig zijn om voorwaarden te stellen in andere gevallen hoeven geen
                    beperkingen opgelegd te worden. Indien nodig worden luchtvarenden en andere
                    organisaties zoals de luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie
                    geïnformeerd.</al><al></al><al>Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning af te geven voor een
                    laserevenement kunnen contact op nemen met de divisie Luchtvaart. De unit
                    Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn verantwoordelijk voor
                    de vergunningverlening en het toezicht met betrekking tot luchthavens en het
                    luchtruim en zijn het aanspreekpunt. Informatie is te vinden op het VNG-net
                    (www.vng.nl/juridische zaken/APV/publicaties). Meer informatie 023 - 566 31 88 (
                    Divisie luchtvaart unit infrastructuur).</al><al></al><al><vet>Kermissen</vet></al><al>De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het Besluit
                    veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat besluit tot
                    de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie Gezondheidsbescherming van
                    het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het ministerie van VWS. De toetsing
                    van de “veiligheid van personen of goederen” door de burgemeester zal zich
                    daarom meer richten op de veiligheid van personen of goederen op en rond het
                    evenemententerrein, de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar, etc.
                    Voor vragen over kermissen kunnen gemeenten terecht bij de Vereniging van
                    gemeentelijke Kermisbeheerders (VGKS).</al><al></al><al><vet>Overige regelgeving</vet></al><al>Voor het houden van evenementen zijn ook andere regels dan die van de APV van
                    toepassing. Die regels stellen vanuit andere motieven eisen aan het houden van
                    evenementen. De aanvrager van een evenementenvergunning moet zo nodig ook aan
                    andere wettelijke vereisten voldoen, zoals:</al><lijst><li nr="*"><al>Vreemdelingenwet 2000</al></li><li nr="*"><al>Winkeltijdenwet</al></li><li nr="*"><al>Warenwet</al></li><li nr="*"><al>Wet milieubeheer</al></li><li nr="*"><al>Drank- en Horecawet</al></li><li nr="*"><al>Woningwet</al></li></lijst><al></al><al><vet>Evenementenbeleid</vet></al><al>Aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de
                    burgemeester beleidsregels vaststellen.</al><al></al><al>Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met
                    betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd, in relatie tot de
                    APV en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid
                    de afstemming van processen binnen de vergunningverlening zodat deze zo
                    efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden. Zo heeft de gemeente Leiden een
                    evenementenbeleid “Samen uit, samen thuis”, spelregels vastgesteld.</al><al></al><al>De spelregels behelzen o.a.:</al><lijst><li nr="*"><al>omschrijving van het begrip evenement;</al></li><li nr="*"><al>categorieën evenementen, gemeten aan geluidsniveaus;</al></li><li nr="*"><al>spreiding categorieën over locaties;</al></li><li nr="*"><al>tijdstippen van de evenementen;</al></li><li nr="*"><al>klachtentelefoon;</al></li><li nr="*"><al>handhaving van de spelregels en gevolgen van overtreding;</al></li><li nr="*"><al>één loket:de evenementencoördinator;</al></li><li nr="*"><al>evenementenkalender;</al></li><li nr="*"><al>onvoorziene evenementen en de uitzonderingen op de spelregels.</al></li></lijst><al>De gemeente Leiden heeft er voor gekozen om drie categorieën evenementen toe te
                    staan gemeten aan de hand van geluidsniveaus. Opmerkelijk is dat Leiden sinds
                    1998 voor de aanvraag van evenementen één aanspreekpunt heeft. Het werken met
                    een dergelijk beleid levert positief resultaat op, is klantvriendelijk maar
                    vereist wel een goede afstemming met overige gemeentelijke afdelingen die te
                    maken hebben met de vergunningverlening. Het evenementenloket onder leiding van
                    evenementencoördinator geeft “verzamelvergunningen” af die door alle betrokken
                    gemeentelijke instanties is goedgekeurd. De verzamelvergunningen worden
                    tegelijkertijd met het definitief vaststellen van de evenementenkalender
                    verleend.</al><al>Een evenementenkalender wordt dan ook sterk aangeraden (door de VNG) en deze
                    wordt jaarlijks aan de hand van een bepaald seizoen vastgesteld.</al><al>De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft begin 2009 haar evenementenbeleid
                    vastgesteld.</al><al></al><al><vet>Draaiboek evenementen</vet></al><al>Een andere mogelijkheid om evenementen te beheersen is het instellen van een
                    evenementendraaiboek.</al><al></al><al>Het doel van een draaiboek is om duidelijkheid te bieden aan gemeentelijke
                    diensten, bewoners, publiek en externe partijen. Het moet voor alle betrokken
                    partijen duidelijk zijn onder welke voorwaarden een evenement kan plaatsvinden.
                    Het draagt bij aan een soepel verloop van de vergunningaanvraag, een efficiënte
                    samenwerking tussen alle betrokken partijen en daarmee een veilig en ongestoord
                    verloop van het evenement. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld zelf in samenwerking
                    met eigen diensten, politie en betrokken partijen een draaiboek evenementen
                    ontwikkelen, zoals de gemeente Amsterdam dit inmiddels in gebruik heeft.</al><al></al><al>Een evenementendraaiboek kan verduidelijking verschaffen over het soort
                    evenement, maar ook over bij wie een tapvergunning moet worden aangevraagd, of
                    de podia veilig zijn opgebouwd en wie de controle uitvoert. Ook het aantal
                    aanwezige EHBO-ers, geluidseisen, de beveiliging, informatievoorziening aan
                    omwonenden en een veiligheidsplan kunnen onderdeel van een draaiboek zijn.</al><al></al><al><vet>Toezicht en handhaven van de openbare orde</vet></al><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                    burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                    bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare
                    orde. Om de veiligheid te garanderen van bezoekers neemt de burgemeester
                    voorschriften op in de evenementenvergunning waaraan de organisator zich moet
                    houden.</al><al></al><al>De politie is in beginsel terughoudend in haar optreden bij evenementen. De
                    driehoek, bestaande uit de burgemeester, de hoofdofficier van Justitie en de
                    korpschef van politie, bepaalt welke beleids- en tolerantiegrenzen tijdens een
                    (risico) evenement wordt gehanteerd. Deze grenzen geven aan of en hoe de politie
                    namens het bevoegde gezag in algemene en specifieke situaties zal optreden,
                    zoals in het geval van drugsbezit, zwarte kaartverkoop en dreigende openbare
                    ordeverstoringen.</al><al></al><al><vet>Beveiliging</vet></al><al>De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor de orde en de veiligheid
                    van de bezoekers op het evenemententerrein. Hij moet daarom zorgen dat er
                    voldoende toezicht is. Afhankelijk van de aard van het evenement kunnen
                    vrijwilligers dit toezicht uitoefenen, of huurt de organisator een (door het
                    ministerie van justitie erkend) professioneel beveiligingsbedrijf in. De
                    burgemeester kan bepalen dat het beveiligingsbedrijf in samenspraak met de
                    politie een beveiligingsplan opstelt. Bij grote evenementen wordt- naast het
                    bevoegde beveiligingspersoneel van de evenementenorganisatie- doorgaans ook
                    (extra) politie ingezet om de orde op en rond het evenemententerrein te bewaken
                    en hulp te verlenen aan het festivalpubliek.</al><al></al><al>Over het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met betrekking
                    tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak
                    dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij
                    professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004,
                    LJN-nr. AO7140.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een wedstrijd op of aan de
                    weg, voor zover in het daarvoor geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                    10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. Zie hiervoor het commentaar van
                    artikel 2:24, tweede lid, onder d.</al><al></al><al><vet>Vijfde lid, zakelijk karakter vergunning</vet></al><al>In de praktijk is het gewenst om niet alleen aan natuurlijke personen maar ook
                    aan rechtspersonen een evenementenvergunning te kunnen verlenen. Om daaraan
                    tegemoet te kunnen komen is ervoor gekozen om de vergunning een zakelijk
                    karakter te geven. Dat betekent dat de mogelijkheid van verkrijging niet afhangt
                    van de persoonlijke kwaliteiten van de vergunningaanvrager, maar afhangt van en
                    gebonden is aan het objekt (het evenement) waarop de vergunning betrekking
                    heeft. Zie verder het commentaar bij artikel 1.5 Persoonlijk karakter van
                    vergunning of ontheffing.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. In artikel
                    1:10 van deze verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing
                    verklaard. </al><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>Deregulering</vet><vet></vet></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten heeft
                    de VNG in 2009 bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de
                    model-APV gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met
                    een overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is
                    er niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. De VNG heeft gekozen voor het
                    handhaven van het model horecaexploitatievergunning. Veel gemeenten, waaronder
                    Leidschendam-Voorburg, zijn namelijk van mening dat deze vergunning noodzakelijk
                    is voor het handhaven van de openbare orde. Het hierna volgende is bij die keuze
                    behulpzaam geweest.</al><al><vet>Europese Dienstenrichtlijn</vet><vet></vet></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, wel
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                        <cursief>vestiging</cursief> van een openbare inrichting waarvoor artikel 9
                    van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in
                    artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat
                    onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag;
                    handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het
                    stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening;
                    Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule
                    of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan
                    is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria
                    openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor
                    een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer
                    kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al><vet>Motieven Drank- en Horecawet en APV</vet><vet></vet></al><al>Er wordt wel geredeneerd dat de horeca-exploitatievergunning naast de vergunning
                    op grond van de Drank- en Horecawet overbodig is. De regelingen van de Drank- en
                    Horecawet en de APV hebben echter ieder hun eigen bestaansrecht vanwege de
                    verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen. Het motief van het
                    horeca-exploitatievergunningstelsel is het beschermen van de openbare orde. Dit
                    kan niet bereikt worden met behulp van de Drank- en Horecawet. Aan de Drank- en
                    Horecawet liggen immers primair sociaal-hygiënische en sociaal-economische
                    motieven ten grondslag.</al><al><vet>Bestemmingsplan</vet><vet></vet></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een
                    horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied
                    een maximumstelsel in het leven te roepen. En dat gebeurt ook. Maar de
                    burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot
                    tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar
                    voor) verstoring van de openbare orde of om overlast buiten de inrichting tegen
                    te gaan.</al><al><vet>Natte en droge horeca</vet><vet></vet></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    "horecabedrijf" zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig
                    ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Die vergunningplichtige bedrijven
                    duiden we aan met de term natte horeca.</al><al>In artikel 2:27, eerste lid van de APV wordt de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van
                    niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik
                    elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook
                    coffeeshops onder de APV te laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops
                    dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn geen bijzondere
                    bepalingen over coffeeshops opgenomen.</al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond
                    van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een
                    alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van
                    coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben
                    op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.
                    Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'De Wet 'Damocles',
                    bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en
                    informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</al><al>Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een
                    internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen
                    indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie
                    van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt,
                    is er geen vergunning nodig.</al><al><vet>Bibob-toets</vet><vet></vet></al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar
                    geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de
                    vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor
                    leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent het gedrag te vragen
                    en een Bibob-onderzoek te doen. Dit is van belang omdat de
                    horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is,
                    is een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te
                    zorgen dat overlast wordt voorkomen.</al><al>Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de APV dat als
                    inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden:
                    "inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                    anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of
                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt". Dit zijn dus
                    openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de APV. Dit
                    betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek
                    mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De
                    Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</al><al><vet>Onbepaaldheid van de duur</vet><vet></vet></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin
                    een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                    jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen
                    belang. Zie ook onder de toelichting bij artikel 1:7.</al><al><vet>Overige wet- en regelgeving</vet><vet></vet></al><al>Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog
                    vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke
                    ordening en Woningwet.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op:
                    www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.infomil.nl en
                    www.horeca.org.</al><al><vet>Geluidsnormen</vet><vet></vet></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al>Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude
                    Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>In plaats van de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge
                    horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend.</al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten heeft
                    de VNG in 2009 bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de
                    model-APV gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met
                    een overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is
                    er niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. De VNG heeft gekozen voor het
                    handhaven van het model horecaexploitatievergunning. Veel gemeenten, waaronder
                    ook Leidschendam-Voorburg, zijn namelijk van mening dat deze vergunning
                    noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare orde. In de algemene
                    toelichting op afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven worden overwegingen
                    gegeven voor het al dan niet hanteren van een vergunningplicht.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
                    bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van
                    buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Nadere uitleg hiervan
                    en van het begrip proportionaliteit vindt u onder het algemeen deel van deze
                    afdeling onder “Europese Dienstenrichtlijn” .</al><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook
                    voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur
                    wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het
                    alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen belang geoorloofd
                    een termijn te stellen. Zie verder onder het algemeen deel bij deze
                    afdeling.</al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te
                    verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met
                    het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al>Vanuit de praktijk is de wens naar voren gekomen om aan leidinggevenden van een
                    horecabedrijf eisen te kunnen stellen aan hun levensgedrag. In navolging van
                    veel andere gemeenten is daarom een extra weigeringsgrond voor een
                    horeca-exploitatievergunning opgenomen, voor het geval dat een leidinggevende
                    niet voldoet aan de eis om “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” te
                    zijn. </al><al>Indien alcoholische dranken in een horecabedrijf worden geschonken, heeft het
                    bedrijf ook en drank- en horecavergunning nodig. Om zo’n vergunning te
                    bemachtigen moet een leidinggevende eveneens niet in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag zijn. De toets die daarop wettelijk mogelijk is, is echter beperkt
                    door nadere omschrijvingen van slecht levensgedrag in het Besluit eisen zedelijk
                    gedrag Drank- en Horecawet. Zo eist dat besluit dat een leidinggevende niet
                    binnen de laatste vijf jaar wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld
                    tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Met de weigeringsgrond in de APV mag
                    de burgemeester verdergaand toetsen dan volgens het genoemde Besluit. </al><al>Ook is het mogelijk om eisen te stellen aan (leidinggevenden van)
                    horecabedrijven die geen alcoholische dranken schenken, zoals snackbars, en die
                    dus geen drank- en horecavergunning behoeven. </al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting van deze APV.</al><al><vet>Derde lid</vet><vet></vet></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn
                    geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald
                    dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Het begrip
                    openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn worden
                    geïnterpreteerd.</al><al><cursief>Woon- en leefsituatie in de omgeving</cursief></al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat
                    omschreven in het derde lid, tweede volzin.</al><al>De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag
                    daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de
                    Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</al><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van
                    horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en
                    leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of
                    aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                    is.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al>Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar
                    beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is
                    vermeld, of waarin horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen.
                    Uiteraard zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van
                    kracht of in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in
                    het bestemmingsplan zelf worden neergelegd.</al><al>In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een
                    vergunning als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de
                    burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het
                    maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers
                    zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden
                    beoordeeld.</al><al><vet>Vierde en vijfde lid</vet><vet></vet></al><al>Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen
                    alcohol wordt geschonken, en waar de openbare orde evident niet in het geding
                    is, is in de visie van de VNG geen vergunning nodig. Te denken valt aan
                    tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons, bedrijfskantines en
                    -restaurants etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de
                    Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uit te
                    sluiten. De categorieën in het vierde en vijfde lid zijn overgenomen van de VNG
                    met daarbij enkele eigen aanvullingen.</al><al>De gemeente kan – indien gewenst - het toepassingsgebied verder beperken door in
                    het artikel eisen te stellen aan de afmetingen van de ruimte. Bijvoorbeeld deze
                    mag maximaal 20 vierkante meter bedragen en niet meer dan 20 % van het
                    vloeroppervlak.</al><al><vet>Zesde, zevende en achtste lid: terrassen</vet><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 2:10 A is voor het hebben van voorwerpen op de weg een
                    vergunning van het college vereist. Volgens vaste jurisprudentie is voor
                    terrassen behorende bij een openbare inrichting niet het college maar de
                    burgemeester bevoegd. De leden zes tot en met acht regelen dat de vergunning
                    voor het terras wordt meegenomen bij de horeca-exploitatievergunning.</al><al><cursief>Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                        beslissen)</cursief></al><al>Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is
                    er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio
                    niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name
                    horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en
                    milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    vergunning kunnen openen. In artikel 1:10 van deze verordening wordt Paragraaf
                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                    niet tijdig beslissen) dan ook niet van toepassing verklaard op deze
                    vergunning.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:28 A Terrasvergunning voor openbare inrichtingen vrijgesteld van
                        exploitatievergunning</vet><vet></vet></al><al>Een afzonderlijke bepaling is ingevoerd voor terrassen van openbare inrichtingen
                    die op grond van artikel 2:28, vierde of vijfde lid, niet
                    exploitatievergunningplichtig zijn. Voor exploitatievergunningplichtige openbare
                    inrichtingen worden terrasvoorschriften opgenomen in de exploitatievergunning
                    (artikel 2:28). </al><al></al><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt
                    tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het
                    weekeinde. Uiteraard kan deze onderverdeling anders worden opgezet, indien
                    gewenst.</al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                    inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid
                    houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de
                    zondag. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad niet om
                    voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van
                    cafés e.d. mits de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende
                    regeling niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de
                    Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke
                    wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de
                    openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>Sommige gemeenten hebben, bij wijze van of na een experiment, de verplichte
                    sluitingsuren uit de APV geschrapt. Argument daarvoor is meestal, dat daardoor
                    onder meer de verstoring van de openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden
                    beperkt: er is sprake van minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet
                    langer tegelijk maar geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in
                    staat voldoende toezicht uit te oefenen. Zo’n maatregel zal meer vruchten
                    afwerpen naarmate zij tevens van kracht is in gemeenten in de directe omgeving:
                    anders bestaat immers het gevaar dat de liberalere openingstijden een
                    aantrekkingskracht uitoefenen op horecabezoekers uit aangrenzende gemeenten, en
                    dat de kans op verstoring van de openbare orde wordt vergroot.</al><al><cursief>Uitvoering</cursief></al><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de
                    sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel jurisprudentie van de
                    Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september
                    1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de
                    vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te
                    verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de
                    bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de
                    gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de
                    ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV
                    artikel, noch anderszins blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in
                    bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                    worden verleend.</al><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling
                    kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                    verzoek om ontheffing in te willigen.</al><al><vet>Derde lid</vet><vet></vet></al><al>De burgemeester kan voor onbepaalde tijd en voor bepaalde tijd (incidenteel)
                    ontheffing verlenen. In de Horecanota wordt het sluitingstijdenbeleid voor
                    horecabedrijven nader uitgewerkt.</al><al><vet>Vierde lid</vet><vet></vet></al><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te
                    voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</al><al><vet>Vijfde lid</vet><vet></vet></al><al>Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning
                    kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                    gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</al><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                    reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven
                    ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het
                    in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad
                    is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt
                    beoogd dezelfde belangen te beschermen.</al><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip "bescherming van het milieu" vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de
                    Wm.</al><al><cursief>Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                        beslissen)</cursief></al><al>Anders dan bij artikel 2:28 gaat het bij een ontheffing om een relatief
                    overzichtelijk besluit. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang om
                    van een lex silencio positivo af te zien. De lex silencio positivo is hier van
                    toepassing en is voor deze ontheffing geregeld in artikel 1:9 van deze
                    verordening.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:29 A Sluitingstijd terrassen</vet><vet></vet></al><al>Artikel 2:29 bevat een algemene regeling voor het sluitingsuur van openbare
                    inrichtingen. Vanzelfsprekend is het onwenselijk dat deze ook geldt voor
                    terrassen. Terrassen zullen immers, vanwege hun ligging in de buitenlucht, in de
                    avonduren eerder overlast opleveren voor de openbare orde en veiligheid dan
                    inpandige delen van een horecabedrijf.</al><al><vet>Tweede lid (terrassen bij winkels)</vet></al><al>Voor een openbare inrichting in een winkel, geldt dezelfde sluitingstijd als
                    voor die winkel zelf. (artikel 2:29, vierde lid APV) Zonder nadere regeling zou
                    ook voor een terras behorende bij die openbare inrichting, diezelfde
                    sluitingstijd gelden. Die situatie is onwenselijk. Volgens de Winkeltijdenwet
                    kan een winkel geopend zijn tussen 06.00 uur en 22.00 uur. Het college kan van
                    genoemde (winkelopenings)tijden ontheffing verlenen op grond van de
                    Winkeltijdenverordening en een later tijdstip bepalen. De regeling in het tweede
                    lid van artikel 2:29A dient om te voorkomen dat in een dergelijk geval een
                    terras (bij een openbare inrichting in een winkel) automatisch net zo lang
                    geopend mag zijn als die winkel. Het is in dergelijke gevallen aan de
                    burgemeester om in het kader van openbare orde en veiligheid te beoordelen of
                    ook voor het terras ontheffing (krachtens het vierde lid) van de sluitingstijd
                    mogelijk is en verleend wordt.</al><al><vet>Vierde lid (ontheffing)</vet></al><al>De burgemeester kan voor bepaalde tijd (incidenteel) ontheffing verlenen, maar
                    gaat behoudend om met deze bevoegdheid. In de Horecanota wordt het
                    sluitingstijdenbeleid voor terrassen nader uitgewerkt.</al><al>Overigens dient hierbij bedacht te worden dat zogenaamde binnen- en
                    tuinterrassen onder het regime van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde
                    voorschriften valt (zie vijfde lid). De sluitingstijden van binnen- of
                    tuinterrassen (niet openbare weg) kunnen niet worden beperkt door middel van
                    artikel 2:29A van de Apv, maar door maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit
                    indien aangetoond is dat dit nodig is om aan de geluidsnormen te voldoen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook
                    de website van het SIDV www.sidv.nl .</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</vet></al><al><vet>Onder a</vet><vet></vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al><vet>Onder b</vet><vet></vet></al><al>Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de
                    inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting
                    bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel
                    2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de
                    exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Het begrip "openbare inrichting" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. (zie ook onder artikel 2:29) Gelet op
                    artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het
                    college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met
                    die van artikel 174 van de Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al><vet>Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                        drank- en Horecawet</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Deze afdeling bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4,
                    25a van de Drank- en Horecawet (DHW). Zoals bekend bestaat de Apv voor het
                    overgrote deel uit autonome bepalingen. Er is voor gekozen om deze
                    medebewindbepalingen toch in de Apv op te nemen, omdat dit het meest praktisch
                    is. Bepalingen over horeca zijn al in de APV opgenomen
                    (horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke) en op deze manier
                    staan al deze bepalingen bij elkaar in één verordening. </al><al>De regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter
                    voorkoming van oneerlijke mededinging. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2008/09, nr 3, blz. 10) staat dat de regering er van uitgaat
                    dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende
                    paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen
                    zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake
                    is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. Bij de
                    invulling van deze afdeling Apv door de gemeenteraad is uitgangspunt geweest dat
                    er alleen regels worden gesteld als er in de lokale situatie inderdaad sprake is
                    van oneerlijke mededinging. Het is niet mogelijk om beperkingen op te leggen die
                    iedere mededinging met de reguliere horeca tegengaan; dan zou de raad buiten de
                    bevoegdheidsgrondslag van de DHW treden.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34a begripsbepaling</vet></al><al>De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde
                    regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen,
                    waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8a
                    gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen.</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig
                            graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol
                            bestaat.</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf (komt in dit model overigens alleen in een opschrift
                            voor): de activiteit die bestaat uit het bedrijfsmatig of anders dan om
                            niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                            plaatse.</al></li></lijst><al>In afdeling 8 van deze model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de
                    term horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting. Uit de
                    definitie in artikel 2:27 van deze model-APV blijkt dat onder openbare
                    inrichtingen niet alleen horecabedrijven als bedoeld in de DHW vallen, maar ook
                    bedrijven waar alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar voor
                    gebruik ter plaatse wordt versterkt (coffeeshops), of zwak-alcoholhoudende drank
                    om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en dergelijke). Op de horecabedrijven
                    in de zin van de DHW is dus zowel afdeling 8 als afdeling 8a van de Apv van
                    toepassing.</al><lijst><li nr="-"><al>Horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit,
                            onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                            uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van
                            alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.</al></li><li nr="-"><al>Inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het
                            horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor
                            zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van
                            alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al
                            dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte.</al></li><li nr="-"><al>Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een
                            naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                            aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                            sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
                            godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
                            horecabedrijf.</al></li><li nr="-"><al>Sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden
                            Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met
                            uitzondering van wijn.</al></li><li nr="-"><al>Slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders
                            dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik
                            elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig
                            of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
                            zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter
                            plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel
                            van bestuur aangewezen andere handelingen.</al></li><li nr="-"><al>Zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van
                            sterke drank.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:34b eerste lid, schenktijden paracommerciële
                    rechtspersonen</vet></al><al>Volgens artikel 4, derde lid, van de DHW moeten er in elk geval regels worden
                    gesteld voor o.m. schenktijden ter voorkoming van oneerlijke concurrentie. Wat
                    de schenktijden betreft is slechts miniem onderscheid gemaakt tussen 2
                    categorieën: Sportclubs en overige paracommerciële rechtspersonen. Voor de
                    wijziging was het voor alle paracommerciële bedrijven slechts toegestaan zwakke
                    alcohol te schenken vanaf 1 uur vóór- tot 1 uur ná de activiteiten die passen
                    binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële
                    rechtspersoon.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34b tweede lid, sportverenigingen</vet><vet></vet></al><al>Ten aanzien van sportverenigingen is nu de mogelijkheid in het tweede lid
                    gecreëerd om tot 2 uur na de verenigings- of wedstrijdactiviteiten zwakke
                    alcohol te schenken. Dit vanwege de tijd die is gemoeid met cooling down na het
                    sporten en het douchen.</al><al>Uit ABRS 29-10-2003, LJN: AM5479 blijkt dat onder verenigings- of
                    wedstrijdactiviteiten geen bestuursvergaderingen zijn te rekenen. Trainingen en
                    toernooien vallen hier uiteraard wel onder.</al><al></al><al>Voor een sportkantine, schouwburg, etc. met een reguliere drank- en
                    horecavergunning geldt de beperking in artikel 2:34A niet. Door het uitbesteden
                    van de horeca-exploitatie aan een horecaondernemer wordt op gelijke voet aan het
                    economisch verkeer deelgenomen en is er geen sprake van oneerlijke concurrentie.
                    Wel moeten de horeca-activiteiten in overeenstemming met de
                    bestemmingsplanvoorschriften zijn.</al><al>Uit ABRS 29-10-2003, LJN: AM5479 blijkt dat onder verenigings- of
                    wedstrijdactiviteiten geen bestuursvergaderingen zijn te rekenen. Trainingen en
                    toernooien vallen hier uiteraard wel onder.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34b derde lid, bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen
                    </vet></al><al>Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten
                    regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in
                    de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die
                    gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van
                    de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er
                    tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de
                    paracommerciële rechtspersoon.</al><al></al><al>Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op: bijeenkomsten, waarbij
                    meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden
                    met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals
                    bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen,
                    bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke. Voor
                    zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband
                    houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de
                    voorzitter van een vereniging, vallen deze niet onder het bereik van deze
                    bepaling.</al><al>Bij bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij
                    de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn kan worden
                    gedacht aan: activiteiten die niet verenigingsgebonden zijn. Dit doet zich voor
                    als een paracommerciële rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt
                    aan derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging
                    of niet-betrokkenen bij de stichting). Ook komt het nog al eens voor dat
                    theaters en schouwburgen hun accommodatie verhuren voor congressen. Als daarbij
                    alcohol wordt geschonken kan er oneerlijke mededinging ontstaan met de reguliere
                    horeca. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:34c eerste lid, verbod verstrekken van sterke drank</vet></al><al>Uitgangspunt van de Drank- en Horecawet is het verminderen van alcoholgebruik
                    onder jongeren. Om die reden is in de verordening het bestaande verbod uit de
                    Drank en horecaverordening 2004 op het schenken van sterke drank in instellingen
                    waar de jeugd veelvuldig aanwezig kan zijn zoveel mogelijk gehandhaafd.</al><al></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 25a van de wet kan het verstrekken van
                    alcoholhoudende drank in inrichtingen bij gemeentelijke verordening worden
                    verboden of beperkt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan worden bepaald dat
                    dit verbod of deze beperking alleen geldt voor bepaalde categorieën
                    inrichtingen, bepaalde gebiedsdelen of bepaalde tijden. Dit artikel maakt het
                    aldus mogelijk om het verstrekken van sterke drank in bepaalde categorieën van
                    inrichtingen te verbieden.</al><al></al><al>Zoals eerder gesteld was dit in de bestaande Drank en horecaverordening 2004 ook
                    al het geval. Aan vergunningen betreffende inrichtingen die in belangrijke mate
                    door jongeren worden bezocht is in het verleden het voorschrift verbonden dat
                    geen sterke drank mag worden verstrekt. </al><al></al><al>De bestaande regels uit de Drank en horecaverordening zijn met een enkele
                    redactionele aanpassing zoveel mogelijk intact gelaten. Het enige punt waarop is
                    afgeweken, is dat het eerste lid onder g stelt dat dorps- of buurthuizen of
                    wijkgebouwen gedurende de tijd dat deze uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik
                    is bij jeugdorganisaties of instellingen. Zodoende is maatwerk verricht
                    aangaande verenigingen waarvan de leden hoofdzakelijk senioren zijn, te denken
                    aan een bridgeclub, jeu de boules club et cetera.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34c tweede lid, voorschriften</vet><vet></vet></al><al>In het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en
                    onderdeel b, van de DHW de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften
                    aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende
                    drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de
                    zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is.</al><al></al><al><vet>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                        nachtverblijf</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet>Inrichting</vet></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al></al><al>De definitie van “houder” zoals deze werd gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede lid
                    (oud) is geschrapt. Het begrip “houder” is een ouderwets begrip en er wordt
                    slechts in de artikelen 2:36 en 2:38 van gesproken. Op die plaatsen is “houder”
                    vervangen door “exploitant of feitelijk leidinggevende”. Er is geen inhoudelijke
                    wijziging beoogd. Houder (dus exploitant of leidinggevende) kan ook een
                    rechtspersoon zijn, in welk geval moet worden aangenomen dat de
                    registratieplicht de directeur betreft.</al><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie [2.3.2.2]</vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><al></al><al><vet>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al></al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al></al><al><vet>Tweede en derde lid</vet></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al></al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn
                    als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke
                    toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio
                    positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen
                    belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. In artikel 1:10 van deze
                    verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing verklaard. </al><al><vet>Artikel 2:40 Speelautomaten</vet></al><al>Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een
                    wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van
                    een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze
                    horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige
                    betekenis kan worden toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en
                    Horecawet is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel
                    uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in
                    ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik
                    ter plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                    Hierover is veel jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het
                    afhalen van etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren
                    van kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende
                    activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal
                    van geval tot geval moeten worden bekeken, gerelateerd aan de jurisprudentie. In
                    welke omgeving de horecalokaliteit ligt, is, in tegenstelling tot de oude
                    jurisprudentie, niet meer van belang. Ook een horecalokaliteit op een camping of
                    in een sporthal of dorpshuis kan hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot
                    de vreemde consequentie dat bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig
                    wordt aangemerkt en een sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</al><al></al><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen in
                    een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf maakt
                    geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of de
                    horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café voornamelijk
                    gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus het CBB, los
                    van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht wordt door bezoekers
                    beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in de weg dat de lokaliteit
                    niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op bezoekers van boven de 18
                    jaar en dat is het wettelijk criterium.</al><al></al><al><vet>Samengestelde inrichtingen</vet></al><al>Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
                    een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet
                    bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de
                    openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval
                    is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de
                    horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                    kansspelautomaten te plaatsen.</al><al></al><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>a. Bij één afgesloten ruimte.</al><al>1. is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al><al>2. staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al><al>3. zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan
                    18?</al><al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</al><al>b. Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al><al>1. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan wel
                    van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die
                    tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw?</al><al>2. wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de
                    lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen
                    onder A?</al><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting.</al><al>c. Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                    Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al><al>1. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al><al>2. zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>3. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door
                    het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid 4 Wet op de
                    Kansspelen).</al><al>4. zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                    Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</al><al>5. zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet
                    op de Kansspelen.</al><al></al><al><vet>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Het besluit
                    tot sluiting geeft een titel om de desbetreffende ruimte in fysieke zin af te
                    sluiten. In de praktijk zal dit het best kunnen geschieden door de toegang tot
                    de ruimte dicht te timmeren. Bij een woning kunnen zo nodig ook de ramen worden
                    dichtgespijkerd. Tevens kan de woning worden verzegeld. </al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. </al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al></al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al></al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. .</al><al></al><al><cursief>Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>In de voorlaatste wijziging<cursief></cursief>is het verbod van het tweede lid, onder a,
                    in die zin uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze
                    “doen” aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit
                    vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
                    Onder “doen” aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te
                    plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de
                    gemeente dus met succes handhaven.<cursief></cursief></al><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan
                    te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet
                    plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder
                    dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</al><al>Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om
                    bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                    Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                    rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van
                    de burgerlijke rechter.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet voor het
                    aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden
                    en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels.</al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt dat
                    pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden
                    dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met
                    aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van
                    dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een min of meer
                    voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het criterium “dat gebruik
                    van enige betekenis moet overblijven”, ook feitelijk inhoud kan worden gegeven.
                    Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken
                    kan worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                    moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993,
                    534.</al><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al></al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met
                    enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht.</al><al></al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. Bij inbrekerswerktuigen kan worden gedacht aan lopers, valse
                    sleutels,touwladders en lantaarns.</al><al></al><al><vet>Derde en vierde lid: verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van
                        geprepareerde tassen</vet></al><al>De VNG meldt dat zij geregeld vragen krijgt over de mogelijkheid voor het
                    opnemen van een verbodsbepaling in de APV met betrekking tot het vervoeren van
                    geprepareerde tassen in de nabijheid van winkels. </al><al>De VNG stelt zich op het volgende standpunt. Regulerend optreden van de gemeente
                    wordt onder andere beperkt door de particuliere sfeer. Dit houdt in dat een
                    gemeente onbevoegd is zaken te regelen die zodanig de privé-sfeer van burgers
                    raken, dat zij niet meer tot de huishouding van de gemeente gerekend kunnen
                    worden. De vraag rijst of een verbodsbepaling inzake het vervoeren van een tas
                    in de nabijheid van winkels die kennelijk is toegerust om winkeldiefstallen te
                    plegen, inbreuk maakt op de privé-sfeer van burgers. Het antwoord is
                    bevestigend. Immers door het opnemen van een dergelijke bepaling wordt het
                    mogelijk om elke willekeurige burger met een dergelijke tas op straat aan te
                    houden terwijl er nog geen strafbaar feit is gepleegd. Voorts is een winkel een
                    privé-gebied dat wordt opengesteld voor het publiek. De kans is groot dat deze
                    verbodsbepaling door de rechter onverbindend wordt verklaard om bovengenoemde
                    redenen. Het OM is in het algemeen ook niet enthousiast om op grond van een
                    dergelijke APV-bepaling te vervolgen. De VNG heeft om deze reden gemeend een
                    dergelijke verbodsbepaling achterwege te laten. </al><al></al><al>In afwijking van het VNG standpunt heeft onze gemeenteraad op 18 december 2007
                    (raadsbesluit 2007/28078) besloten om niettemin een verbodsbepaling voor het
                    vervoeren van geprepareerde tassen en andere voorwerpen in te voeren
                    (rooftassenverbod). Omdat voor een daadwerkelijke strafrechterlijke handhaving
                    instemming en medewerking van het OM nodig is, is over deze problematiek van
                    tevoren overleg gevoerd met het Openbaar Ministerie in den Haag. De uitkomst van
                    dat overleg is – kort gezegd – dat ook het OM Den Haag weliswaar problemen met
                    de vervolging voorziet, maar desondanks haar steun heeft uitgesproken voor het
                    standpunt van de burgemeester om invoering (en handhaving) van het verbod in de
                    APV te gaan proberen. In het verlengde van deze uitkomst en onder erkenning van
                    de bestaande juridische twijfels heeft het college zich vervolgens op het
                    standpunt gesteld dat zolang er geen rechterlijke uitspraak is gedaan waarin een
                    rooftassenverbod in de APV wordt verboden of ongeldig verklaard, er ruimte
                    bestaat om een dergelijke bepaling in te voeren. De raad heeft dit standpunt
                    overgenomen. </al><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</vet></al><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling
                    ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving,
                    maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van
                    artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het
                    stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze
                    regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet
                    het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien
                    zijn van rubberbanden.</al><al></al><al>De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van
                    rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is
                    opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt
                    hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.</al><al></al><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen).</al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al></al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Met de wijziging van de Drank en Horecawet per 1 januari 2014 is het voor
                    jongeren onder de 18 jaar sowieso verboden om alcoholhoudende drank te nuttigen
                    of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Om te
                    voorkomen dat er een ‘dubbel’ verbod ontstaat, waardoor deze bepaling mogelijk
                    zelfs onverbindend zou kunnen blijken, is in het eerste lid ingevoegd dat het
                    verbod in de APV slechts geldt voor mensen boven de 18.</al><al><vet>Omvang gebied</vet></al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt.</al><al></al><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet
                    namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied
                    aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees
                    bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al
                    aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het
                    stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester
                    zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij
                    een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende
                    personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel
                    en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor
                    een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met
                    enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende
                    bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is
                    ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</al><al></al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn,
                    omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke
                    karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing
                    optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                    aanwijzingsbesluit nemen.</al><al><vet>Verstoring openbare orde</vet></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving
                    daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht.</al><al></al><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al><vet>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In de praktijk blijkt de verstrekking
                    respectievelijk de verlening van (bepaalde) goederen en diensten in de openbare
                    sfeer namelijk nogal eens te worden bemoeilijkt door baldadigheden e.d. </al><al>In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in
                    de APV voorkomende begrip ‘openbare plaats’. Om een indicatie te geven bij het
                    beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de
                    bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet
                    genoemd.</al><al></al><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                    ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel
                    of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al></al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. </al><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al></al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al></al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. Winkelcentra met voetgangersgebieden vallen ook onder de
                    werking van dit artikel. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk.
                    Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de
                    bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het
                    Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als
                    aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van
                    Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op
                    eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te
                    dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</al><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (vervallen)</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. </al><al></al><al>Er is sprake van heimelijk cameratoezicht wanneer beelden van personen worden
                    gemaakt met camera’s die zijn aangebracht om personen herkenbaar in beeld te
                    brengen zonder dat de aanwezigheid ervan duidelijk kenbaar is gemaakt. Heimelijk
                    cameratoezicht was voor de wetswijziging al verboden in winkels of
                    horecagelegenheden (artikel 441b Wetboek van Strafrecht). Dit verbod geldt
                    voortaan ook voor alle andere openbare plaatsen en gebouwen (incl. de openbare
                    weg), zoals banken, stations, casino’s, bussen, musea, uitgaansgebieden of
                    stadions. Het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging is alleen
                    toegestaan als de aanwezigheid van deze camera’s duidelijk is aangegeven
                        (<cursief>kenbaar</cursief>), bijvoorbeeld door de camera’s zichtbaar op te
                    hangen of door middel van een bord met pictogram of mededeling. Daarnaast gelden
                    de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens.</al><al></al><al>De strafbaarstelling van het heimelijk maken van opnamen van personen op
                    besloten plaatsen, dat wil zeggen niet voor het publiek toegankelijke plaatsen,
                    is uitgebreid (artikel 139f Wetboek van Strafrecht). Het was al verboden om
                    mensen in een woning of een ander niet voor publiek toegankelijk gebouw
                    (bijvoorbeeld een kantoor) te filmen als deze personen daarvan niet op de hoogte
                    waren gesteld. Dit verbod geldt voortaan voor alle niet voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen, dus inclusief plaatsen die geen gebouw zijn, zoals
                    afgesloten tuinen, erven, niet voor publiek toegankelijke parken en
                    parkeerterreinen. Het verbod is niet langer beperkt tot afbeeldingen die het
                    rechtmatig belang van de afgebeelde persoon kunnen schaden, bijvoorbeeld
                    afbeeldingen die compromitterend of onwelvoeglijk van aard zijn. Het heimelijk
                    maken van een afbeelding van een persoon wordt nu in principe in alle gevallen
                    verboden. Of de aard van de afbeeldingen zodanig is dat daarmee het rechtmatig
                    belang van de afgebeelde persoon kan worden geschaad, doet niet ter zake.</al><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (vervallen)</vet></al><al>In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in
                    artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen)</vet></al><al>Dit artikel is met de voorlaatste wijziging komen te vervallen. Reden hiervoor
                    is dat toepassing van dit artikel een aanzienlijke financiële en administratieve
                    last voor burgers en bedrijven oplevert. Zo zouden de alarminstallaties ieder
                    jaar gecontroleerd moeten worden. Een andere overweging is dat het risico van
                    afschaffing van deze vergunning in het licht van de Europese dienstenrichtlijn
                    niet houdbaar is. Het ligt niet voor de hand dat er door afschaffing van dit
                    artikel nu ineens een wildgroei aan zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en te
                    onpas afgaande alarminstallaties ontstaat.</al><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op [een] openbare plaats, zonder
                    dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt
                    in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast
                    ten grondslag.</al><al></al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="*"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="*"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="*"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="*"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="*"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen,
                            kippen,watervogels en andere dieren naar het leven staan.</al></li></lijst><al>Artikel 2:57 kende eerst geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een
                    strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere
                    de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze
                    categorie is in het derde lid een voorziening getroffen. </al><al>Daarnaast is het op grond van het tweede lid mogelijk dat het college plaatsen
                    aanwijst waar het verbod omschreven in het eerste lid, onder b, niet van
                    toepassing. Aan dit tweede lid bestaat behoefte, omdat het anders nooit mogelijk
                    is om binnen de bebouwde kom een hond los te laten lopen.</al><al></al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan het Streekdierentehuis
                    Julialaantje. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al></al><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming.</al><al></al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt:</al><al>1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of
                    in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en
                    de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                    politie.</al><al></al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al></al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden
                    dier”.</al><al></al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het
                    geheel niet regelen.</al><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al> Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan
                    staat het probleem al jaren hoog op de ranglijsten van ergernissen. </al><al>Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is
                    daardoor deels preventief. </al><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie. </al><al>Op grond van het derde lid is het mogelijk dat het college plaatsen aanwijst
                    waar het is toegestaan dat een hond zich van uitwerpselen ontdoet. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan de zogenaamde ‘hondentoiletten’. </al><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel schept voor het college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met
                    een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op
                    te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en
                    een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden
                    of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of
                    kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er
                    in de landelijke wetgeving geen definitie van een muilkorf meer gegeven, vandaar
                    dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. </al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                    Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>Onder vee wordt verstaan alle om economische redenen door de mens gehouden
                    dieren, ofwel alle dieren die gehouden worden met het oogmerk hier geld aan te
                    verdienen. De belangrijkste veesoorten die momenteel in Nederland gehouden
                    worden zijn (niet limitatief): runderen, schapen, varkens, geiten, paarden,
                    ezels en pluimvee.</al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al><vet>Artikel 2:63 Duiven</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven
                    te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.
                    Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod
                    geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie
                    in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al></al><al><vet>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
                    </vet><vet></vet><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling </vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De misdrijven diefstal en heling hangen nauw met elkaar samen. Diefstal wordt
                    namelijk in vele gevallen vooral door heling aantrekkelijk gemaakt. Uit het
                    oogpunt van diefstalpreventie en van misdaadbestrijding in het algemeen is het
                    aanpakken van heling dan ook een voorname eis. De gemeentelijke wetgever mag
                    geen nadere voorschriften stellen met betrekking tot het inkoopregister. Wel is
                    hij bevoegd regels op te stellen voor het bijhouden van een verkoopregister. De
                    grondslag voor deze bevoegdheid is artikel 149 Gemeentewet. Bij de opstelling
                    voor de regels voor een verkoopregister is aansluiting gezocht bij de
                    terminologie die in de wet en in de Algemene Maatregel van Bestuur voor een
                    inkoopregister wordt gehanteerd.</al><al>Daarnaast is de gemeentelijke wetgever bevoegd om op grond van artikel 149 van
                    de Gemeentewet de handelingen van handelaren aan beperkende bepalingen te
                    onderwerpen, mits die bepalingen niet hetzelfde onderwerp (regeling van de
                    handel in gebruikte en ongeregelde goederen) en hetzelfde doel (tegengaan van
                    helingen) betreffen. </al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. Daarom hebben wij
                    de bepalingen over bestrijding van heling in onze APV opgenomen.</al><al></al><al>Het Wetboek van Strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding
                    van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quater. </al><al>Op grond van artikel 437 WvSr is een Algemene Maatregel van Bestuur vastgesteld
                    . Daarin worden de handelaren genoemd die verplicht zijn een inkoopregister bij
                    te houden. Artikel 437 WvSr. vermeldt duidelijk dat de registerplicht alleen
                    geldt voor gebruikte en ongeregelde goederen. </al><al></al><al>Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt
                    vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van
                    Strafvordering (WvSv).</al><al></al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</al><al></al><al><vet>De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</vet></al><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone
                    opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk
                    6.</al><al></al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al></al><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de
                    verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te
                    melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de
                    huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</al><al></al><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te
                    wijzen ambtenaren.</al><al></al><al>Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                    alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal
                    zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek- ,
                    (brom)fiets -en autohandel).</al><al></al><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                    registratieverplichtingen.</al><al></al><al><vet>Handelaar</vet></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel <vet>(</vet>Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het
                    Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al></al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto, film, radio,
                    en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder
                    “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in
                    antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</al><al></al><al>Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de
                    herziening van de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog
                    terug komt in artikel 2:67. In dit artikel (en de toelichting) staat het nader
                    omschreven.</al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</vet></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al></al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al><al></al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al></al><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al></al><al>In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister
                    bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde
                    goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een
                    vrijstellingsbepaling toegevoegd.</al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                        van Strafrecht</vet></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al>Er zijn in deze nieuwe APV geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht, maar is
                    getracht een overzichtelijker artikel te formuleren, dat kort en bondig is
                    geformuleerd. Het voorheen gehanteerde begrip “lokaliteit” is vervangen door
                    “vestiging”. Daarnaast is het oude artikel 2.5.4 (2:69) in dit artikel
                    geïntegreerd.</al><al><vet>Onder a</vet></al><al><cursief>Ten eerste</cursief></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1<sup>e</sup>, nader uitgewerkt.</al><al></al><al><cursief>Ten tweede en derde</cursief></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden.</al><al></al><al><cursief>Ten vierde</cursief></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al></al><al><vet>Onder b</vet></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al></al><al><vet>Onder d</vet></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen,
                    zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                        (vervallen)</vet></al><al>Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68.</al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al><al></al><al><vet>Afdeling 13 Vuurwerk</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur
                    wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren
                    dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                    en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><al></al><al><vet>Definitie consumentenvuurwerk</vet></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al></al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><al>a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al><al>b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of
                    besteld door een particulier;</al><al>c. het aangetroffen wordt bij een particulier;</al><al>d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt
                    gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen
                    of</al><al>e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="*"><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al></li><li nr="*"><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is;</al></li><li nr="*"><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Fop- en schertsvuurwerk</vet></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al></al><al><vet>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</vet></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><al></al><lijst><li nr="*"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al></li><li nr="*"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr="*"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="*"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="*"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="*"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al></al><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet
                    en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al><vet>Artikel 2:72 Afleveren van vuurwerk</vet></al><al><vet>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</vet></al><al>Op basis van artikel 2:72 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Aan de vergunning
                    kunnen voorwaarden worden verbonden. Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning voor
                    onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij
                    elke vergunning kunnen worden gehanteerd.</al><al></al><al>De verkoopvergunning kan door de gemeente worden gebruikt om, naast het
                    uitsluiten via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een
                    spreidingsbeleid van verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en
                    bijbehorende opslag te reguleren. Daartoe kunnen burgemeester en wethouders
                    beleidsregels vaststellen.</al><al></al><al>De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van algemeen belang,
                    waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende
                    beleidsuitgangspunten worden opgenomen:</al><lijst><li nr="*"><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                            bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over
                            kernen;</al></li><li nr="*"><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                            centrum(gebied);</al></li><li nr="*"><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al></li><li nr="*"><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                            bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels,
                            tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz.</al></li></lijst><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst.</al><al></al><al><vet>Koopzondag</vet></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van vuurwerk</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al></al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al></al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al></al><al><vet>Afdeling 14 Drugsoverlast</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al><vet>Afbakening met de Opiumwet</vet></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument
                    waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op
                    lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt
                    verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af
                    te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet
                    wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat.
                    Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te
                    nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare
                    feiten tot doel heeft.</al><al></al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al></al><al><vet>Afdeling 15 bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                        cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="*"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="*"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="*"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="*"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="*"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="*"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="*"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al></al><al>De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende
                    varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><lijst><li nr="*"><al>De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                            cameratoezicht toe te passen.</al></li><li nr="*"><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag
                            besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen,
                            bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</al></li><li nr="*"><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de
                            bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen.</al></li></lijst><al>In onze gemeente is gekozen voor de tweede variant.</al><al></al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al></al><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van
                    zo’n pand zijn.</al><al></al><al><vet>Doel van het cameratoezicht</vet></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al></al><al><vet>Openbare plaats</vet></al><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen “waar men komt en gaat”. In eerste instantie gaat het hierbij om “de
                    straat” of “de weg” in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder
                    vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het “verlengde” van
                    de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                    vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen
                    en vliegvelden.</al><al></al><al>Artikel 1, eerste lid Wom bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is
                    van een openbare plaats:</al><al>1. Vereist is dat de plaats “openstaat voor het publiek”. Dat wil zeggen volgens
                    de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16) zeggen dat
                    eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het
                    verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden
                    mag zijn (…). Dat de plaats “openstaat” betekent voorts dat geen beletselen in
                    de vorm van een meldingsplicht, de eis van een voorafgaand verlof of de heffing
                    van een toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats. Op grond van het
                    vorenstaande kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen,
                    parkeerterreinen, musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als “openbare
                    plaatsen” worden aangemerkt.</al><al>2. Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast
                    gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de gerechtigde of uit
                    de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de plaats. Een openbare plaats
                    krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt
                    gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke
                    toestand gedoogt, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3,
                    p. 16). Een incidentele openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt
                    de plaats nog niet tot een openbare plaats in de zin van de Wom.</al><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn bestemd
                    voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het begrip
                    openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c Gemeentewet
                    niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in kerken, moskeeën en
                    dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het kader van dit artikel,
                    toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien echter
                    beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of plein) waaraan
                    bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat het exterieur van
                    die kerk in beeld komt.</al><al></al><al><vet>Andere bij verordening aan te wijzen plaatsen</vet></al><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid
                    om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk
                    zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te
                    brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het
                    doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom
                    vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op
                    gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het
                    cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de
                    openbare orde.</al><al></al><al><vet>Particulier eigendom</vet></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen,
                    stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien
                    gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals
                    bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van
                    particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren
                    uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel
                    151c Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Vaste camera’s</vet></al><al>Artikel 151c lid 1 Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen van
                    vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met
                    het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn
                    bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de gevels of dakranden
                    van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het begrip vast (statisch)
                    wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergegeven. Het
                    gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek
                    en de grote van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld (pendelen/in-
                    en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor interactieve toepassingen, zoals
                    het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op
                    hun gedrag toe te spreken.</al><al></al><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend
                    op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door
                    de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig
                    en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige
                    ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding
                    bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van
                    de Politiewet 1993.</al><al></al><al><vet>Proportionaliteit en subsidiariteit</vet></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al></al><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1
                    Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na
                    het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken noodzaak,
                    worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing te
                    koppelen aan een evaluatie.</al><al></al><al><vet>Kenbaarheid</vet></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al></al><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete
                    van € 4.500.</al><al></al><al><vet>Overgangstermijn</vet></al><al>Lopende cameraprojecten moeten worden aangepast aan het nieuwe wettelijke kader.
                    De wetgever heeft voor bestaande projecten een overgangstermijn vastgesteld van
                    één jaar. Deze overgangstermijn gaat lopen op het tijdstip van inwerkingtreding
                    van de wet. Om onder de werking van de overgangstermijn te vallen, dienen de
                    camera’s op het moment van inwerkingtreding van artikel 151c Gemeentewet reeds
                    geplaatst te zijn. Dat heeft consequenties voor:</al><lijst><li nr="*"><al>de uitvoering conform de regeling;</al></li><li nr="*"><al>het formaliseren van de wettelijke grondslag voor cameratoezicht.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>Op grond van artikel 151c lid 8 Gemeentewet worden nadere regels gesteld om de
                    goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze regels hebben
                    betrekking op:</al><lijst><li nr="*"><al>de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het
                            toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze
                            hulpmiddelen worden aangebracht;</al></li><li nr="*"><al>de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering
                            van het toezicht;</al></li><li nr="*"><al>de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht
                            vastgelegde beelden plaatsvindt.</al></li></lijst><al>In het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen wordt een
                    certificatieregeling in het leven geroepen. Het toetsingskader zijn de
                    beoordelingsrichtlijnen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en
                    Veiligheid (CCV). Er bestaat een richtlijn voor het ontwerp van het
                    camerasysteem en een richtlijn voor de toezichtcentrale. Door certificering
                    wordt de kwaliteit, en daarmee de betrouwbaarheid van het cameratoezicht
                    gewaarborgd. De beoordelingsrichtlijnen zijn verkrijgbaar op:
                    www.hetccv.nl.</al><al>Voor nadere informatie over de invoering van cameratoezicht in de zin van
                    artikel 151c Gemeentewet wordt verwezen naar de handreiking cameratoezicht van
                    het CCV. Deze bevat naast een uiteenzetting van het wettelijk kader ook meer
                    praktische informatie om op een zorgvuldige, weloverwogen wijze (al dan niet)
                    over te gaan tot cameratoezicht. De handreiking is eveneens te vinden op
                    www.hetccv.nl</al><al></al><al></al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 3, Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                            e.d.</cursief></vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al></al><al><vet>Verordenende bevoegdheid van gemeenten</vet></al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Landelijke doelstellingen</vet><vet></vet></al><al>Als gevolg van de Wet van 28 oktober 1999 (Stb.1999,464) is per 1 oktober 2000
                    het algemeen bordeelverbod opgeheven. In plaats daarvan zijn in een nieuw
                    wetsartikel (artikel 250 a Wetboek van Strafrecht) vormen van exploitatie van
                    prostitutie waarbij sprake is van geweld, misbruik van overwicht of misleiding,
                    dan wel waarbij minderjarigen zijn betrokken, verzwaard strafbaar gesteld. Op
                    basis van de nieuwe wet is bovendien de klant van een minderjarige prostitué(e)
                    strafbaar. </al><al></al><al>De rechten van de prostitué(e) hebben een belangrijke rol gespeeld in de
                    overweging van de wetgever. Daarnaast was van belang dat gemeenten door het
                    formeel bestaande bordeelverbod onvoldoende regulerend konden optreden tegen
                    prostitutieactiviteiten. Met het opheffen van het algemeen bordeelverbod en het
                    verbod op het souteneurschap heeft de wetgever gemeenten de mogelijkheid geboden
                    een vergunningstelsel voor prostitutie te introduceren en een adequaat,
                    zorgvuldig en effectief prostitutiebeleid te voeren.</al><al></al><al>De wetgever heeft een zestal doelstellingen verbonden aan het opheffen van het
                    algemeen bordeel­verbod:</al><lijst><li nr="-"><al>Het beheersen en reguleren van de exploitatie van prostitutie.</al></li><li nr="-"><al>Het verbeteren van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige
                            prostitutie.</al></li><li nr="-"><al>Het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik.</al></li><li nr="-"><al>Het beschermen van de positie van prostitué(e)s.</al></li><li nr="-"><al>Het ontvlechten van prostitutie en criminele randverschijnselen.</al></li><li nr="-"><al>Het terugdringen van de omvang van prostitutie door illegalen/personen
                            zonder geldige verblijfstitel.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Doelstellingen Gemeente Leidschendam-Voorburg</vet><vet></vet></al><al>Het opheffen van het algemeen bordeelverbod maakt dat de branche in een
                    vergelijkbare relatie tot de gemeente komt te staan als andere bedrijfstakken en
                    branches. Deze relatie dwingt de gemeente tot een vergelijkbare handelwijze als
                    bij andere branches. De traditionele verbondenheid van de branche met criminele
                    randverschijnselen en de bijzondere, veelal niet geaccepteerde positie die de
                    branche nog steeds inneemt bij grote delen van de bevolking, vraagt van de
                    Gemeente Leidschendam-Voorburg maatwerk waar het gaat om de regulering van de
                    prostitutiebranche. Het gemeentelijk prostitutiebeleid kent twee
                    uitgangspunten.</al><al></al><al><vet>1. </vet><vet>De bescherming van de openbare orde en het woon- en
                        leefklimaat</vet><vet></vet></al><al>Legalisering en regulering van de prostitutiebranche mag niet ten koste gaan van
                    de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Integendeel. Uitgangspunt is dat
                    de activiteiten in de branche zo min mogelijk overlast moeten opleveren voor hen
                    die in de omgeving wonen. Het prostitutiebeleid richt zich op de bescherming van
                    de openbare orde in de ruime zin van het woord. Behalve decrimina­lisering
                    beoogt het beleid het voorkomen en bestrijden van overlast en de bescherming van
                    het woon- en leefklimaat. </al><al></al><al>Een vergunning kan worden geweigerd en ingetrokken, of een seksinrichting kan
                    (tijdelijk) worden gesloten indien het woon- en leefklimaat in de directe
                    omgeving wordt aange­tast. Onder meer de ingrijpende impact van open vormen van
                    prostitutie op het woon- en leefklimaat in de gemeente maakt dat zowel raam- als
                    straatprostitutie in Leidschendam-Voorburg niet zijn toegestaan. Het beleid is
                    gericht op de decriminalisering van de prostitutiebranche. Dat gebeurt door
                    exploitanten van seksinrichtingen aan een vergelijkbaar antecedentenonderzoek te
                    onderwerpen als horeca-ex­ploitanten. Bovendien zullen strafbare feiten in het
                    algemeen en mensenhandel in het bijzonder door de politie worden opgespoord en
                    door het Openbaar Ministerie worden vervolgd. Ook zal langs be­stuurlijke weg
                    worden opgetreden. Bestuurlijke maatregelen tegen exploitanten die illegaal in
                    Nederland verblijvende prostitué(e)s tewerkstellen, kunnen wezenlijk bijdragen
                    aan de bestrijding van de mensenhandel. Een (tijdelijke) sluiting of intrekking
                    van de vergunning heeft immers recht­streeks gevolgen voor de ‘afzetmarkt’ voor
                    mensenhandel. </al><al></al><al><vet>2. </vet><vet>De positieverbetering van de prostitué(e)</vet><vet></vet></al><al>Het prostitutiebeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg richt zich ook op de
                    verbetering van de positie van de prostitué(e). De gemeente draagt hieraan bij
                    door een goed beleid te voeren ten aanzien van de bevordering van de gezondheid
                    van de individuele prostitué(e), waarbij tevens het algemeen belang van de
                    volksge­zondheid is gediend. Daarbij kan gedacht worden aan gerichte medische
                    zorg en laagdrempelige voorzieningen voor controle op seksueel overdraagbare
                    aandoeningen. Ook het vergunningstelsel draagt bij aan de positieverbetering van
                    de prostitué(e). Als gevolg van de vergunningplicht worden inrichtings- en
                    bedrijfsvoeringseisen gesteld die al dan niet rechtstreeks van invloed zijn op
                    de positie van de prostitué(e). Voorbeelden daarvan zijn licht, lucht,
                    vloeroppervlakte, etc., maar ook de sluitingstijden die voor seksinrichtingen
                    gaan gelden en de eisen met betrekking tot veilige seks. De positie van de
                    prostitué(e) in de bedrijfsmatige prostitutie wordt in belangrijke mate bepaald
                    door de relatie tussen de exploitant en de prostitué(e). De grootste
                    verantwoordelijkheid voor de verbetering van de positie van de prostitué(e) ligt
                    derhalve bij de exploitant van de inrichting en de prostitué(e) zelf. </al><al></al><al>De verantwoordelijkheid die de Gemeente Leidschendam-Voorburg ervaart voor zowel
                    de leef- en woonomgeving van de inwoners als voor de werkomstandigheden van de
                    prostitué(e) maakt dat in Leidschendam-Voorburg maximaal twee seksinrichtingen
                    worden toegestaan. </al><al></al><al><vet>Gemeentelijk instrumentarium</vet><vet></vet></al><al>Het is in strijd met de Grondwet (artikel 19, vrije keuze van arbeid) om
                    prostitutiebedrijven geheel te weren en dus als gemeente een nulbeleid te
                    voeren. De gemeente heeft echter verordenende bevoegdheid waarmee een gericht
                    beleid gevoerd kan worden ten aanzien van prostitutie. Deze bevoegdheid beperkt
                    zich tot onderwerpen die tot de huishouding van de gemeente worden gerekend:
                    openbare orde en veiligheid, ruimtelijke ordening, leefmilieu en
                    volksgezondheid.</al><al></al><al>Met het opheffen van het bordeelverbod en de toevoeging van artikel 151a aan de
                    Gemeentewet heeft het gemeentebestuur de mogelijkheid gekregen om met een
                    vergunningstelsel de lokale prostitutie te reguleren.</al><al>Artikel 151a Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om voorschriften
                    te stellen met betrekking tot het “bedrijfsmatig gelegenheid geven tot het
                    verrichten van seksuele handelingen”. </al><al></al><al>Deze voorschriften zijn in belangrijke mate vastgelegd in deze APV. In
                    onderhavig hoofdstuk is de vergunningplicht geregeld voor seks­inrichtingen en
                    escortbedrijven. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders bij
                    nadere regels op grond van deze verordening inrichtings-, bedrijfsvoerings- en
                    gezondheidseisen vastgesteld waar een seksinrichting en de exploitant en
                    beheerder van de inrichting aan moeten voldoen, wil men in aanmerking komen voor
                    een vergunning. In beleidsregels (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht) heeft
                    het college de termijn van vergunningverlening en het maximumaantal vergunningen
                    vastgelegd.</al><al></al><al><vet>Diverse vormen van prostitutie</vet><vet></vet></al><al>Prostitutie bestaat in veel vormen en verschijningen. Een onderscheid dat veelal
                    wordt gemaakt, is in gesloten en open vormen van prostitutie. </al><al></al><al>Onder open prostitutie wordt grofweg raamprostitutie en straatprostitutie
                    verstaan. Deze vormen van prostitutie zijn in verband met de invloed op de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving binnen de gemeentegrenzen niet
                    gewenst. Dit gelet op de inbreuk die zij maken op de rust en orde in de
                    gemeente, de aantasting die zij opleveren voor het woon- en leefklimaat en de in
                    de regio aanwezige voorzieningen. Open prostitutie is bovendien traditioneel
                    nauw verbonden met criminaliteit en trekt ongewenste elementen als
                    drugsgebruikers aan. Zowel raam- als straatpros­titutie zijn in de gemeente
                    Leidschendam-Voorburg dan ook verboden.</al><al></al><al>Naast open vormen van prostitutie, manifesteert prostitutie zich in gesloten
                    vormen. Het uitgangspunt ten aanzien van gesloten prostitutie in de Gemeente
                    Leidschendam-Voorburg is dat – onder voorwaarden en met een gesteld maximum -
                    deze vorm van prostitutie wordt toegestaan. </al><al>De gesloten prostitutie kan weer worden onderverdeeld in seksinrichtingen,
                    thuiswerkers en escortbedrijven.</al><al></al><al><vet>Afdeling 1 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</vet></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al></al><al><vet>Seksinrichting (onder c)</vet></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities.
                    “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al></al><al><vet>Escortbedrijf (onder d)</vet></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al></al><al><vet>Sekswinkel (onder e)</vet></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Er is echter voor gekozen om
                    in aanvulling daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving) de exploitatie van sekswinkels te verbieden in aangewezen gebieden
                    of delen van de gemeente. Daartoe is artikel 3:10 opgenomen.</al><al></al><al><vet>Bezoeker (onder h)</vet></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en
                    is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn
                    bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan
                    af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van
                    de burgemeester zelf of van het college is.</al><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al></al><al><vet>Afdeling 2 seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels
                    e.d.</vet><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er hier
                    voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren
                    door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele
                    gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting
                    valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een
                    wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van
                    exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen
                    dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al></al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal
                    niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de
                    exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het denkbaar dat gemeenten
                    voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een meldingsplicht
                    instellen.</al><al></al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al></al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een
                    combinatie.</al><al>Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat
                    deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan
                    de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3:5. De
                    vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit
                    blijkt uit artikel 1:5.</al><al></al><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in
                    het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn
                    om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                    behandelen.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. In artikel 1:10 van deze verordening wordt Paragraaf
                    4.1.3.3. Awb niet van toepassing verklaard. </al><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al></al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens)</al><al></al><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en
                    mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de
                    opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de
                    mensenhandel.</al><al></al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</al><al></al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag.</al><al></al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="*"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                            gestelde; of</al></li><li nr="*"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al></al><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al></al><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3:6, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al></al><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al></al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op
                    de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                    toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.</al><al></al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan
                    tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of
                    een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin
                    bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan
                    strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet
                    slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al></al><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al></al><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                    inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                    verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht
                    dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht
                    bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder
                    verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid
                    geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt
                    bijgehouden.</al><al></al><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                    expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                    exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                    toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang
                    moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of
                    verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig
                    zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een
                    (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. Straatprostitutie heeft een openbaar karakter en daarmee een sterke
                    uitstraling hebben op het dagelijks leven. In steden waar thans
                    straatprostitutie voorkomt, is op de betreffende locaties tevens een sterk
                    verhoogd risico op verstoring van de openbare orde, vanwege een hoge score qua
                    geweldsdelicten, overlast en handel in verdovende middelen. In de Gemeente
                    Leidscendam-Voorburg komt deze vorm van prostitutie - volgens de inventarisatie
                    van de lokale situatie - niet voor. In het licht van de cultuur en van de
                    historie van Leidschendam en Voorburg alsmede van de ernstige risico’s voor de
                    openbare orde en het woon- en leefklimaat, is het wenselijk straatprostitutie te
                    verbieden. De plaatselijke omstandigheden in zowel Leidschendam als Voorburg,
                    gekenmerkt door dichtbevolkte woonwijken en relatief veel scholen, staan
                    straatprostitutie niet toe.</al><al>Bestuurlijk optreden door middel van bestuursdwang tegen overtreding van dit
                    artikel is niet altijd het meest effectieve handhavingsinstrument. Het tweede
                    lid biedt politie en justitie de mogelijkheid om waar nodig onmiddellijk op te
                    treden. </al><al>Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden met de
                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand van de omstandigheden
                    ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van een tippelzone
                    kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en
                    leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of juist niet
                    (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in
                    het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken).</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voorzover in de
                    aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van
                    de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel
                    12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten
                    (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden
                    opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in
                    verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                    subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend
                    middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                    verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                    toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van de
                    maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod individuele
                    uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De beantwoording van
                    deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft betrekking op de
                    eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in het concrete geval
                    moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of werkadres heeft in het
                    desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het verbod te worden
                    uitgezonderd.</al><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al></al><al>Gelet op de eerder genoemde plaatselijke omstandigheden is het (vanuit deze
                    motieven) echter gewenst dat wel in zekere mate kan worden gereguleerd. Daarom
                    is besloten dit artikel op te nemen, op grond waarvan gebieden of delen van de
                    gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen)
                    exploiteren.</al><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al></al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><al>a. aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al><al>b. (algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij het
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en dergelijke
                    als hier bedoeld.</al><al>Zowel “bekendmaking” als bedoeld onder a, als de vaststelling van “regels” als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo’n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al></al><al><vet>Afdeling 3 beslistermijnen; weigeringsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</vet></al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven
                    binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij
                    gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in
                    casu artikel 1:2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan
                    op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen acht weken na
                    de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden
                    verdaagd (tweede lid). </al><al></al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Daarom is gekozen
                    voor een termijn van 12 weken.</al><al></al><al>De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1:2 of artikel 3:12) is een
                    termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te
                    beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve
                    weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel
                    6:2, onder b, van de Awb).</al><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de “huishouding”, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><lijst><li nr="*"><al>bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden
                            vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen);</al></li><li nr="*"><al>nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel
                            3:3);</al></li><li nr="*"><al>beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van
                            de Awb);</al></li><li nr="*"><al>vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                            beperkingen (als bedoeld in artikel 1:4);</al></li><li nr="*"><al>de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in
                            artikel 1:6) of</al></li><li nr="*"><al>vergunning kan worden geweigerd.</al></li></lijst><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder a: levensgedrag</vet></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3:5.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</vet></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal</vet></al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f
                    is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant
                    prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo
                    dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de
                    exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb
                    Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn
                    terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen
                    ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een
                    aantasting van de openbare orde.</al><al></al><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of
                    het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                    weigeren.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Europese Dienstenrichtlijn</vet> De Europese Dienstenrichtlijn is van
                    toepassing op sexinrichtingen. Het drijven van een dergelijke onderneming is
                    immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat
                    een vergunningstelsel a. niet discriminatoir, b. noodzakelijk en c.
                    proportioneel is. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al></al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca wordt er op gewezen dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan ‘het maatpak’ worden geleverd. Dit geldt ook voor de
                    Bibob-toets.</al><al></al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig de
                    rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                    uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                    duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                    onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt
                    gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder a: openbare orde</cursief> De bescherming van de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het
                    aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum
                    te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning
                    voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare
                    orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt
                    verstoord.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan
                    op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou
                    worden beïnvloed. Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in
                    woonbuurten of in de nabije omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (schoolgebouwen,
                    kerkgebouwen e.d.).</al><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en
                    leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met de vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs,
                    bordelen en dergelijke. </al><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens
                    betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het
                    maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</cursief> Bij de
                    exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang
                    de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die
                    zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr="*"><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en </al></li><li nr="*"><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover
                            het gaat om het gebruik van de inrichting. </al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie.</al><al>Deze vormen van prostitutie zijn in de Gemeente Leidschendam-Voorburg niet
                    toegestaan.</al><al>Situaties als deze, parkeeroverlast, moeilijke bereikbaarheid, kunnen zich
                    evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal bordelen in een
                    bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid). De bepaling is daarom gehandhaafd.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid onder f: gezondheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300)
                    en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid
                    (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op
                    voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel
                    overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de
                    opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee,
                    waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de
                    hoofddoelstellingen bestempeld.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder f</cursief>: <cursief>zedelijkheid</cursief></al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten.</al><al></al><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief
                    zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans
                    niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het
                    zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor
                    bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar</al><al></al><al><cursief>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden </cursief></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                    prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging
                    is, onder meer de arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing
                    van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94)
                    van toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van
                    een arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><al></al><al>Het arbeidsomstandighedenbeleid in de onderneming begint met het in kaart
                    brengen van de risico’s. Op basis hiervan wordt een plan van aanpak gemaakt
                    waarin concrete maatregelen worden aangegeven. Uitgangspunt is preventie: het
                    voorkomen van risico’s. Een gecertificeerde Arbodienst moet dit plan van aanpak
                    beoordelen en goedkeuren.</al><al>Zoals gezegd is het uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de Arbowet en het
                    Arbobesluit het bestaan van een (gezags)relatie tussen werkgever en
                    werknemer(s). Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot opheffing van het
                    bordeelverbod is de vraag of de Arbowet ook van toepassing kan zijn op
                    zelfstandige prostituees, de zogeheten freelancers, expliciet aan de orde
                    geweest. In een brief aan de Tweede Kamer (TK 25 437, nr. 19) antwoordt de
                    minister dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid thans geen
                    aanleiding ziet om de werkingssfeer van de Arbowet tot deze groep zelfstandige
                    prostituees uit te breiden. </al><al></al><al>De Arboregelgeving is met andere woorden – ook in de prostitutiebrache – alleen
                    van toepassing voorzover er sprake is van een gezagsrelatie. Ook gemeenten
                    kunnen inzake arbo-aangelegenheden, zo staat in de brief aan de Tweede Kamer,
                    geen eisen stellen aan de zelfstandige prostituee. Enige nuancering is hier
                    echter op zijn plaats: in het kader van de hiervoor genoemde belangen, zoals
                    gezondheid en veiligheid, kunnen gemeenten uiteraard wel eisen stellen aan de
                    seksinrichting die in meer of mindere mate van invloed zijn op de
                    arbeidsomstandigheden. Bovendien is de vraag gerechtvaardigd of gemeente niet op
                    grond van het nieuwe artikel 151a van de Gemeentewet bevoegd zijn om regels te
                    stellen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. In de (summiere)
                    toelichting van dit bij amendement ingevoerde artikel staat
                    arbeidsomstandigheden immers expliciet vermeld als onderwerp waarover in de
                    gemeentelijke verordening regels kunnen worden gesteld.</al><al></al><al>Ondanks het feit dat de Arboregelgeving niet van toepassing is op zelfstandigen,
                    wordt groot belang geacht aan de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Om die
                    reden is dit belang ook in dit artikel opgenomen. Hierdoor kunnen overtredingen
                    van de Arboregelgeving gevolgen hebben voor de vergunningverlening (weigering,
                    wijziging, intrekking van de vergunning of sluiting van de inrichting) en kunnen
                    (overeenkomstig de Arbowet en het Arbobesluit) voorschriften of beperkingen aan
                    de vergunning worden verbonden. Het voordeel hiervan is dat hierdoor de naleving
                    van de Arboregelgeving beter kan worden gehandhaafd.</al><al></al><al>Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Arbowet vastgestelde
                    voorschriften wordt uitgeoefend door de Arbeidsinspectie. Voorzover de gemeente
                    daarentegen haar regelgevende bevoegdheid echter (autonoom) ontleent aan de
                    Gemeentewet, is niet de Arbeidsinspectie toezichthouder maar de daarmee door de
                    gemeente belaste personen (artikel 6.2). Het verdient vanzelfsprekend
                    aanbeveling om, waar nodig, de werkzaamheden van de Arbeidsinspectie en de
                    ‘eigen’ toezichthouders zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.</al><al></al><al><vet>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al><vet>Eerste en tweede lid</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al></al><al><cursief><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></cursief></al><al><vet>Afdeling 1 Geluidhinder en Verlichting</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Inrichtingen</vet></al><al><vet>Besluit</vet></al><al>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een
                    groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een van die AMvB’s is
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Voor de
                    inwerkingtreding van het nieuwe Besluit werd in de APV voor festiviteiten met
                    het begrip “Besluit” verwezen naar het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer en werd voor diverse begrippen (bijvoorbeeld
                    het begrip inrichting) aangesloten bij dit besluit. Het Besluit geeft, evenals
                    het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer,
                    gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening
                    ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en
                    lichthinder.</al><al></al><al>Er zijn ook diverse inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oude besluit.
                    Met de inwerkingtreding van het Besluit wordt het aantal branches en bedrijven
                    dat gebruik kan maken van de regelingen voor collectieve en individuele
                    festiviteiten vergroot. Zo vallen (niet-agrarische) inrichtingen die voorheen
                    onder een van de elf andere AMvB’s vielen nu ook onder het nieuwe besluit. Het
                    gaat om besluiten als bijvoorbeeld Besluit opslag- en transportbedrijven,
                    Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven, Besluit bouw- en houtbedrijven en
                    Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen. Ook diverse soorten inrichtingen die
                    voorheen vergunningplichtig waren, zoals metaalelectrobedrijven, vallen nu onder
                    het Besluit.</al><al></al><al>Een tweede belangrijke wijziging is dat het Besluit de mogelijkheid biedt om in
                    de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter
                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al></al><al><vet>Inrichting</vet></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><al>Een inrichting is volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer “elke
                    door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht.” In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wm zijn de
                    categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen veroorzaken
                    voor het milieu. Deze inrichtingen waren tot 1 januari 2008 in principe
                    vergunningplichtig volgens de Wm. Het uitgangspunt van de Wm was dat een
                    inrichting een milieuvergunning diende te hebben tenzij de inrichting onder een
                    AMvB op basis van artikel 8.40 Wm viel. Met de inwerkingtreding van het Besluit
                    is dit omgedraaid. Een inrichting valt onder het Besluit tenzij de
                    bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval blijft een
                    inrichting vergunningplichtig.</al><al></al><al>In het Besluit wordt gesproken over drie typen inrichtingen. Dit zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>Type A-inrichtingen, deze vallen onder het lichte regime en hoeven geen
                            melding te doen op basis van het Besluit. Ze moeten wel voldoen aan de
                            inrichtinggerelateerde voorschriften uit het Besluit. Type
                            A-inrichtingen zijn bijvoorbeeld kantoren en schoolgebouwen.</al></li><li nr="*"><al>Type B-inrichtingen zijn bedrijven die tot nog toe onder de artikel
                            8.40-AMvB’s vielen en bedrijven uit onder andere de
                            metaalelectro-industrie, tandheelkundige laboratoria, zeefdrukkerijen en
                            een deel van de afvalverwerkende bedrijven en bedrijven die door
                            versoepeling of het vervallen van de uitsluitcriteria of het “in
                            hoofdzaak”-criterium nu wel onder het Besluit vallen. Type
                            B-inrichtingen vallen geheel onder het Besluit en zijn
                            meldingsplichtig.</al></li><li nr="*"><al>Type C-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht
                            blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken
                            krijgen met de voorschriften in hoofdstuk 3 van het Besluit.</al></li></lijst><al></al><al>Voor deze afdeling van de APV zijn met name de bepalingen in de hoofdstukken 2
                    en 4 van het Besluit relevant. De type A- en type B-inrichtingen moeten voldoen
                    aan de in of bij het in hoofdstuk 2 van het Besluit gestelde voorschriften. Voor
                    sommige type B-inrichtingen is daarnaast ook artikel 4.113 (verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht) van belang.</al><al></al><al>In het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer waren
                    de normen voor geluid- en trillingshinder dusdanig laag dat ze bij festiviteiten
                    met levende muziek veelal overtreden zouden worden. Vanwege de maatschappelijke
                    functie van de inrichtingen bood het besluit de mogelijkheid om ontheffing te
                    verlenen van deze voorschriften. In de andere AMvB’s was deze mogelijkheid niet
                    opgenomen. In het nieuwe Besluit wordt deze mogelijkheid voor festiviteiten ook
                    aan de andere inrichtingen geboden, bijvoorbeeld voor een personeelsfeest of een
                    open dag.</al><al></al><al><vet>Geluidsgevoelige gebouwen en terreinen</vet></al><al>Voor deze begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor
                    (geluids)gevoelige gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder.
                    Het begrip onversterkte muziek is niet eerder gedefinieerd.</al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al></al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                    aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke
                    bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het
                    Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing
                    voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een
                    bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het
                    college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit
                    zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de
                    verordening zelf.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier
                    verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke
                    sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende
                    beperkingen niet van toepassing zijn.</al><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve
                    wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande
                    toelichting bij het eerste lid.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het
                    grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient
                    plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb
                    mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt
                    tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
                    De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen.
                    Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de
                    festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid.</al><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen
                    collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 3.148 van het Besluit kennen
                    alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Zesde tot en met het achtste lid</vet></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze
                    bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Hierin wordt wel duidelijk
                    gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor
                    de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Besluit
                    opgenomen.</al><al></al><al>De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau,
                    het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde
                    voorschriften wel of juist niet op te nemen in de APV is afhankelijk van de
                    lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of
                    andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woonwijken
                    liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds
                    kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als
                    onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen
                    voorwaarden in de APV op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de
                    regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor àlle type A- en
                    B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen.</al><al></al><al>Voor de hoogte van het geluidsniveau in het zesde lid wordt bij het Besluit een
                    suggestie gedaan van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm. De
                    geluidsniveau’s genoemd in het zesde lid zijn in onze gemeente 15 dB(A) hoger
                    gekozen dan de normale geluidsniveau’s. Deze verhoging van 15 dB(A) wordt
                    algemeen acceptabel gevonden om overmatige geluidshinder bij het ten gehore
                    brengen van muziek te voorkomen of te beperken.</al><al></al><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het
                    Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke
                    verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen
                    gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van
                    onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek
                    meegenomen in de geluidsnorm.</al><al></al><al>Bij het artikel in de APV is bedoeld om zoveel mogelijk dezelfde systematiek als
                    in het Besluit aan te houden. Het Besluit verwijst voor de bepaling van het
                    langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) naar de Handleiding meten en
                    rekenen industrielawaai (HMRI). In paragraaf 2.3 van module A van deze
                    handleiding staat dat als criterium voor het toekennen van een toeslag voor
                    muziekgeluid geldt dat het muziekkarakter duidelijk hoorbaar moet zijn op het
                    beoordelingspunt. Als er sprake is van muziekgeluid, dient bij het gemeten of
                    berekende langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau vanwege de gehele inrichting 10 dB
                    opgeteld te worden. </al><al>Voor het artikel in de APV betekent dit dat als er geen sprake is van geluid met
                    een duidelijk op het beoordelingspunt waarneembaar muziekkarakter, er gewoon kan
                    worden getoetst aan de norm in artikel 4.3 lid 6. Als er wel sprake is van
                    geluid met een duidelijk op het beoordelingspunt waarneembaar muziekkarakter,
                    moet er bij de geluidswaarde (dit is het equivalent geluidsniveau veroorzaakt
                    door de inrichting zoals genoemd in artikel 4.3 lid 6) een toeslag van 10 dB
                    worden opgeteld. (De manier waarop de toeslag moet worden toegepast wordt verder
                    uitgelegd in paragraaf 7.3.2. van module A en in de voorbeelden in hoofdstuk 3
                    van module D van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.)</al><al></al><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al></al><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                    (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan. De keuze voor 01.00 uur in onze
                    gemeente sluit aan op de (algemene) sluitingstijd zoals die voor horecabedrijven
                    geldt (artikel 2:29). </al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    3.148 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of
                    straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het
                    maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid
                    om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het
                    aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening
                    te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn
                    toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten
                    is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor
                    festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit
                    vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en
                    transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen
                    doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type
                    C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen
                    onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al>In onze gemeente is gekozen voor maximaal zes incidentele festiviteiten per
                    inrichting per jaar. Daarmee is dit maximum hetzelfde als in de vorige APV. </al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen
                    naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al>In aansluiting op het eerste lid is ook voor lichthinder gekozen voor maximaal
                    zes incidentele festiviteiten per inrichting per jaar waarvoor de beperkingen
                    voor de verlichting niet gelden.</al><al></al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte
                    voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al></al><al><vet>Zesde tot en met het negende lid</vet></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt het Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat
                    in het tweede lid van artikel 2.21. Voor de algemene toelichting over de
                    mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij
                    het zesde tot en met het achtste lid wordt kortheidshalve verwezen naar
                    bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, zesde tot en met het achtste lid.
                    Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele
                    festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in plaats
                    van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude
                    besluit.</al><al></al><al>In het achtste en negende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te
                    produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting.
                    Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het
                    buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
                    Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport-
                    en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen,
                    wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de
                    omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor
                    muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij
                    evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>(vervallen)</al><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die
                    bevoegdheid van de burgemeester hoeft in de verordening niet te worden
                    herhaald.</al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17 en 2.18 van het Besluit. Het artikel
                    is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten
                    inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet
                    milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene
                    geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto
                    vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. De gekozen
                    waarden sluiten aan op landelijke richtlijnen.</al><al></al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. De keuze voor 3 uur is afgestemd op de praktijk. In lid 2
                    wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens
                    voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder
                    dat er publiek aanwezig is.</al><al></al><al>De genoemde geluidsniveaus in de tabel onder e zijn niet van toepassing op (zie
                    artikel 2.18, eerste lid, onderdeel c, d en e van het Besluit);</al><al>a. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van
                    deze bijeenkomsten of plechtigheden;</al><al>b. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het
                    hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op
                    militaire inrichtingen;</al><al>c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                    muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee
                    uren per week op militaire inrichtingen.</al><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al></al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.</al><al></al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al></al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="*"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="*"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="*"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="*"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="*"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="*"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="*"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al></al><al>Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens
                    een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond
                    hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren,
                    terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.</al><al></al><al><vet>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de APV. Volgens de VNG zijn er
                    momenteel (2000) veel gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid
                    onderhavige bepaling strikt handhaven.</al><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de (Model-)bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al></al><al><vet>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al></al><al>De kapvoorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout. Op grond van de
                    Boswet is een aantal categorieën van bomen uitgezonderd, o.a. wilgen en
                    populieren langs wegen en landbouw-gronden, bomen van bosbouwondernemingen,
                    fruitbomen, windschermen om boomgaarden. De kapvoorschriften gelden ook niet
                    voor solitairen struiken of heesters.</al><al></al><al>Het doel van de kapvoorschriften is het behoud van waardevolle bomen. Het begrip
                    waardevol is niet te definiëren, maar van belang is de waarde uit een oogpunt
                    van landschapsschoon, natuur-schoon, stads- en dorpsschoon en ook de waarde voor
                    de leefbaarheid van een straat of buurt.</al><al>De kapvoorschriften houden in dat het verboden is waardevolle bomen te vellen
                    zonder vergunning van het college (artikel 4:10 B). Ter bescherming van de
                    zoeven genoemde belangen kan de vergunning worden geweigerd (artikel 4:10 D);
                    weigeren is geen plicht. </al><al></al><al>Het behoud van waardevolle bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen,
                    zoals het belang van degene die tot velling wil overgaan. Worden waardevolle
                    bomen illegaal gekapt of gaan zij door andere oorzaken ten gronde, dan kan een
                    herplantplicht worden opgelegd (artikel 4:10 H). Ook is het mogelijk een
                    onderhoudsplicht op te leggen als waardevolle bomen ernstig in het voortbestaan
                    worden bedreigd. Ook hier moet belangenafweging plaatsvinden.</al><al></al><al>Over die afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het alge-meen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. Bomen blijken wel dikwijls te moeten
                    sneuvelen als er sprake is van ernstig gevaar voor omvallen of van overlast,
                    bijvoorbeeld als gevolg van bladval, verstopping van rioleringen, vermindering
                    bezonning of uitzicht. Bij ver-schillende uitspraken wordt overwogen dat de
                    bomen nog gezond zijn en nog jaren mee kunnen, zodat zij mede om die reden
                    kunnen worden gehandhaafd.</al><al></al><al>Blijkens de jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk
                    optreden nog worden op-gelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er
                    meer bomen of zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in de
                    vorige toestand kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige maatregelen
                    dat de vorige toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en, indien niet an­ders
                    mogelijk, zelfs pas na verloop van tijd.</al><al></al><al>De jurisprudentie over schadevergoeding (artikel 4:10 I) is nog schaars.
                    Wellicht zal dezelfde lijn worden getrokken als bij de jurisprudentie over
                    artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Geen schadevergoeding is
                    toegekend in gevallen waarbij door een kapverbod of een weigering van een
                    kapvergunning de (nog niet verwezenlijkte) mogelijkheid werd ontnomen om een
                    voordeel te behalen (bijvoorbeeld het beter kunnen bewerken van grond of de
                    winst uit verkoop van hout). Ook is geen schadevergoeding toegekend voor schade
                    die voorzienbaar was of die in het kader van een ruilverkaveling is
                    verrekend.</al><al></al><al>Het burenrecht kent de bepaling dat een nabuur verwijdering kan vorderen van
                    bomen, heesters en heggen die te dicht bij de erfgrens staan (artikel 5:42
                    Burgerlijk Wetboek). Op grond van jurisprudentie is voor tussenkomst van de
                    rechter tot handhaving van deze bepaling van het burenrecht slechts plaats
                    indien het kapverbod het gestelde belang niet kan dienen of indien onder de
                    gegeven omstandigheden moet worden aangenomen dat de gemeente bij afweging van
                    het overheidsbelang tegen het particulier belang in redelijkheid niet tot het
                    handhaven van het kapverbod heeft kunnen komen. Het kan immers niet zo zijn dat
                    het kapverbod wel van toepassing is op de eigenaar van een boom, maar niet op de
                    buurman die verwijdering van de boom vordert.</al><al>De strijdigheid tussen artikel 5:42 BW en het kapverbod wordt voorkomen of
                    beperkt door in artikel 4:10 K een kleinere afstand voor bomen, heesters en
                    heggen tot de erfgrens toe te laten dan wordt bepaald in artikel 5:42 BW. Dit is
                    volgens artikel 5:42 BW toegestaan. </al><al></al><al><vet>Bezwaar en beroep</vet><vet></vet></al><al>Tegen het verlenen of weigeren van een kapvergunning kunnen belanghebbenden
                    krachtens de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    bezwaar en beroep instellen. </al><al>Belanghebbenden zijn zij die een rechtstreeks persoonlijk belang hebben bij het
                    besluit (artikel 1:2 Awb). Gedacht kan worden aan de aanvrager van een
                    kapvergunning, de eigenaar van de grond waarin de boom staat en direct
                    omwonenden (zij die vanuit hun woning of tuin de boom zien staan). </al><al>Particulieren kunnen niet opkomen voor uitsluitend immateriële waarden. Belangen
                    die slechts kunnen worden teruggevoerd op een subjectieve beleving val­len
                    buiten de sfeer van de rechtsbescherming. Als er in een park een aantal bomen
                    wordt gekapt, dan zal de kring van belanghebbenden wel iets groter zijn dan bij
                    het rooien van een boom in een particuliere tuin. Niet alleen direct omwonenden,
                    maar ook personen die binnen een redelijke afstand van het park wonen en
                    rechtspersonen die zich, blijkens de statutaire doelomschrijving en hun
                    feitelijke werk­zaamheden, inzetten voor het behoud van waardevolle bomen,
                    natuur-, stads- of dorpsschoon of de leefbaarheid van een straat of buurt,
                    kunnen als belanghebbende worden aangemerkt.</al><al></al><al><vet>Wabo</vet></al><al>De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                    vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of
                    de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun
                    nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij
                    de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De
                    Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft
                    dus een aparte vergunning vereist.</al><al>In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.
                    Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij
                    artikel 1:2 van de APV) zijn er in artikel 7.3 van de Mor nog een aantal
                    speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit
                    artikel 7:3 luidt als volgt:</al><al>1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in
                    artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de
                    aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze
                    regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een
                    nummer.</al><al>2. In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager
                    per genummerde houtopstand:</al><al>a. de soort houtopstand;</al><al>b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf;</al><al>c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld;</al><al>d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een
                    daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden
                    aantal soorten over te gaan.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:10 A (4.5.1 oud) Begripsomschrijvingen</vet><cursief></cursief></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel a. (houtopstand)</vet></al><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf eveneens hanteert.
                    Gesproken wordt van 'bossen en andere houtopstanden'; ook de bossen worden dus
                    tot de houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving
                    gegeven van houtopstand en evenmin van hakhout.</al><al>Ook een houtwal wordt als houtopstand aangemerkt. In het algemeen vallen onder
                    houtwal alle lintvormige begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit
                    bomen of struiken. Het begrip omvat onder andere houtsingels en houtkaden.
                    Houtwallen zijn duidelijk omvangrijker dan heggen of hagen of de in het tweede
                    lid van dit artikel bedoelde wegbeplantingen en eenrijige beplantin­gen langs
                    landbouwgronden. Ook struiken en heesters vallen er onder voorzover zij bestaan
                    uit lintbegroeiing van enige omvang. Volledigheidshalve worden deze nog wel
                    apart genoemd.</al><al>Solitaire struiken of heesters, alsmede heggen en hagen zijn niet onder de
                    verordening begrepen.</al><al>Als struik wordt doorgaans beschouwd iedere houtachtige plant - meer dan 4 m
                    hoog - die zich vlak boven de grond vertakt en daardoor in tegenstelling tot een
                    boom geen echte stam heeft. De term heg of haag heeft in het algemeen betrekking
                    op een omheining van struiken (of soms bo­men) die regelmatig in de gewenste
                    vorm wordt geschoren.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel c. (boom)</vet></al><al>Deze definitie is opgenomen vanwege de discussie over wat wel en geen boom is,
                    vooral bij meer­stammigheid, zeer jonge bomen en boomachtige struiken. Gekozen
                    is voor een precieze definitie met eenvoudig te controleren voorwaarden, opdat
                    zo min mogelijk twijfel kan ontstaan. </al><al></al><al>Een dode boom is in juridische zin soms geen boom (President van de Rechtbank
                    Den Bosch, 15 juni 1992, NJKort 1992, 59). De bepalingen in dit hoofdstuk zijn
                    echter in beginsel ook van toepassing op dode bomen. Een dode boom kan bovendien
                    van grote natuurwetenschappelijke waarde zijn. Anderzijds kan een dode boom
                    juist gevaar opleveren, bijvoorbeeld voor het verkeer.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel d. (dunning)</vet></al><al>Het begrip 'vellen' zelf is niet omschreven. Voor de betekenis ervan kan worden
                    uitgegaan van het normale taalgebruik. Zo zal het omhakken of afzagen van een
                    boom zeker als vellen moeten wor­den beschouwd. </al><al>De omschrijving van 'dunning' houdt in dat vellen waarmee de overblijvende bomen
                    zijn gebaat, krachtens de verordening is toegestaan. Opgroeiende beplantingen
                    worden immers na verloop van tijd vaak zo dicht, dat de bomen elkaar in de weg
                    gaan staan en verstikking dreigt. </al><al>Gaat men ech­ter een bos of een groep bomen zodanig uitdunnen dat het verband of
                    het karakter ervan vergaand en blijvend verloren gaat, dan is er geen sprake van
                    dunnen, maar van verboden vellen. De resterende bomen zullen in zo'n geval
                    immers een grotere kans lopen bij storm om te waaien en voorts kan een
                    aanzienlijke bodemverwildering worden verwacht.</al><al>Ook van een handeling als snoeien (inkorten of wegnemen van takken) kan in het
                    algemeen wor­den gezegd dat deze is toegestaan, wanneer de te snoeien boom
                    daarmee gebaat is. Wordt echter</al><al> - om maar een voorbeeld te noemen - de stam tot op betrekkelijk grote hoogte
                    ontdaan van takken, zodat van de kroon slechts een klein deel overblijft, of
                    wordt de top uit de boom gezaagd, dan kan er sprake zijn van een handeling als
                    bedoeld in het tweede lid.</al><al>Zie voor het begrip 'dunning' HR 18-6-1985, Milieu en Recht 1986/1, blz. 20, NJ
                    1986, 183.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel e. (knotten/kandelaberen)</vet></al><al>Deze begripsomschrijving is bedoeld ter afbakening van illegaal en ondeskundig
                    snoeien of terug-zetten van daarvoor ongeschikte bomen. Deze definitie vult
                    nader de mogelijkheid aan om zonder kapvergunning onderhoud te kunnen plegen aan
                    daarvoor wel geschikte bomen als bepaald in ar­tikel 4.5.2, tweede lid,
                    onderdeel h. van deze verordening. Ook voor de vakkundige begrenzing van het
                    'geknot' als vermeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a. is deze
                    definitie nuttig.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onderdeel g. (boomwaarde)</vet></al><al>Dit onderdeel is overgenomen uit de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam.
                    Het college van Rotterdam heeft de boomwaarde als volgt vastgesteld:</al><al>'De boomwaarde is het product van de volgende factoren, uitgedrukt in
                    euro’s:</al><al>a. eenheidsprijs 3,63 euro per cm² van de dwarsdoorsnede van de stam op 1,30 m
                    hoogte;</al><al>b. standplaatswaarde, onderverdeeld naar:stads(deel-)centrum 100%;stedelijk
                    gebied 90%;halfstedelijk gebied 80%;stadrand 70%;landelijk gebied 60%;</al><al>c. conditiewaarde 100%, 80%, 60%, 40% en 20%;</al><al>d. waarde van de plantwijze, onderverdeeld naar:solitairen 100%;straat- en
                    laanbomen 80%;boomgroepen (2-5 stuks) 60%;grotere boomgroepen 40%;bosbeplanting
                    20%'.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Tweede lid (ernstig beschadigen)</vet></al><al>De omschrijving van 'vellen' omvat ook 'het verrichten van handelingen, zowel
                    boven- als onder-gronds, die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand
                    ten gevolge kunnen hebben'. Deze omschrijving komt overeen met die in de wet
                    (artikel 1, tweede lid). </al><al>De nadere omschrijving heeft alleen betrekking op (actieve) handelingen en niet
                    op het (passieve) nalaten van handelingen. Bijvoorbeeld het nalaten van
                    onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde houtopstand
                    veilig te stellen, het lijdelijk toezien dat houtopstand - al dan niet door het
                    toedoen van anderen - ten gronde gaat. Het leek te ver te gaan om ook een
                    dergelijk 'stilzitten' onder het actieve begrip 'vellen' te brengen.</al><al>Tegen ernstige verwaarlozing kan echter wel worden opgetreden. In dit verband
                    wordt verwezen naar artikel 4:10 H en de toelichting daarop.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:10 B (4.5.2 oud) Kapverbod</vet></al><al>Dit artikel geeft de werkingssfeer van deze afdeling aan. Particulieren en de
                    gemeente (privaat-rechtelijk als eigenaar van bomen) dienen voor bepaalde
                    werkzaamheden een kapvergunning aan te vragen.</al><al></al><al><vet>Eerste lid (kapvergunning)</vet></al><al>Het eerste lid introduceert het vergunningenstelsel. Deze verordening heeft
                    voornamelijk ten doel een bepaalde boom of groep van bomen uit esthetisch
                    oogpunt te sparen. Met een herbeplanting is men zelden gebaat. Het is dus zaak
                    een maximale bescherming te scheppen. Deze geeft het vergunningenstelsel in
                    grotere mate dan het meldingssysteem.</al><al>De controle is bij het vergunningenstelsel eenvoudiger omdat de houteigenaar een
                    vergunning moet kunnen tonen.</al><al></al><al><vet>Tweede lid, onderdelen a. t/m d. (uitzonderingen krachtens de
                    Boswet)</vet></al><al>Het tweede lid geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde
                    verbod. De onder a. t/m d. vervatte uitzonderingen vloeien voort uit artikel 15,
                    tweede lid van de wet waarin de cate-gorieën bomen of houtopstanden worden
                    genoemd, ter bewaring waarvan de gemeentelijke wet-gever geen regels mag
                    stellen.</al><al>Hiertoe behoren o.a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                    landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit populieren of wilgen.</al><al>Bij wet van 8 december 1982, Stb. 706 is echter voor de hier bedoelde wilgen en
                    populieren een uitzondering gemaakt, doordat aan artikel 15, tweede lid, onder
                    a. van de Boswet is toegevoegd 'tenzij deze zijn geknot'.</al><al>De gemeentelijke wetgever heeft daarmee de mogelijkheid gekregen regelen te
                    stellen ter bewaring van knotwilgen en knotpopulieren die deel uitmaken van
                    wegbeplantingen of eenrijige beplan-tingen op of langs landbouwgronden. Het
                    kapverbod geldt wel voor wilgen en populieren, niet zijnde wegbeplantingen of
                    eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, waarbij niet van belang is of
                    deze wel of niet zijn geknot.</al><al>Bij de in onderdeel b. opgenomen uitzondering kan worden vermeld, dat blijkens
                    de memorie van toelichting een notenboom een vruchtboom is. Het begrip
                    'vruchtboom' is niet duidelijk. Bedoeld zal wel niet zijn 'vruchtdragende boom',
                    want anders zouden gemeenten en provincies voor geen enkele boom regels mogen
                    stellen. </al><al>Uit de parlementaire discussie over artikel 15, tweede lid van de Boswet kan
                    worden afgeleid dat is gedacht aan bomen die uit economische motieven worden
                    geteeld, dat wil zeggen bomen zoals die staan in boomgaarden oftewel
                    fruitbomen.</al><al></al><al>Uit KB 24 oktober 1986, nr. 43, Milieu en Recht 1987/8, blz. 297 (Breda) blijkt
                    dat de Kroon, in te­genstelling tot de parlementaire discussie, een solitaire
                    vruchtboom eveneens onder de uitzonde­ring van artikel 1, vierde lid, onder e.
                    van de Boswet brengt. Dit houdt in dat ten behoeve van het kappen van iedere
                    vruchtboom geen vergunning ingevolge deze verordening of de Boswet vereist
                    is.</al><al>Wanneer andere motieven dan die van de Boswet (behoud bosareaal, behoud natuur-
                    of land-schapsschoon) een overwegende rol spelen, is krachtens de APV misschien
                    bescherming mogelijk van de in onderdeel a. bedoelde populieren en wilgen en van
                    de onder b. bedoelde vruchtbomen. Het motief tot bescherming zou dan
                    bijvoorbeeld kunnen zijn behoud van recreatieve waarden of voorkoming van
                    aantasting van de leefbaarheid van een gebied. </al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Tweede lid, onderdeel e. (uitzondering voor dunning)</vet></al><al>Geen vergunning is vereist voor het vellen van houtopstand bij wijze van
                    dunning. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 4:10 A, eerste lid,
                    onderdeel d.</al><al><cursief></cursief></al><al><vet>Tweede lid, onderdeel f (uitzondering voor bosbouwondernemingen)</vet></al><al>Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Boswet is de gemeenteraad niet bevoegd
                    regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden die deel
                    uitmaken van bosbouwondernemingen, die als zodanig bij het Bosschap
                    geregistreerd staan en gelegen zijn buiten de bebouwde kom (tenzij het een
                    zelfstandige eenheid betreft van minder dan 10 are of een zelfstandige
                    rijbeplanting van minder dan 20 bomen).</al><al>Met het oog op het bestaan van verscheidene bebouwde kommen in de gemeente
                    worden - de woorden ‘gelegen buiten een bebouwde kom’ gebruikt. Wanneer
                    gedeputeerde staten ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet ontheffing
                    van de verplichting tot het vaststellen van bebouwde-komgrenzen hebben verleend,
                    kan de zinsnede ‘gelegen buiten een bebouwde kom’ vervallen.</al><al></al><al><vet>Tweede lid, onderdeel g (uitzondering voor o.a.
                    iepziektebestrijding)</vet></al><al>Onderdeel g ziet op het geval dat bomen moeten worden geveld ter bestrijding van
                    de iepziekte of in het kader van een instandhoudingsplicht dan wel krachtens
                    (andere) bepalingen van de model-APV, bijvoorbeeld in verband met de
                    verkeersveiligheid.</al><al></al><al><vet>Tweede lid, onderdeel i (uitzondering voor tuinen en erven met een kleine
                        oppervlakte)</vet><vet></vet></al><al>Als sprake is van kleine tuinen dan zal een kapvergunning niet snel geweigerd
                    worden. Een boom is al snel te groot in verhouding tot de grootte van de tuin of
                    het erf en zal vaak te veel licht wegnemen. Bij de aangegeven oppervlakte is
                    onderscheid gemaakt tussen voortuinen, -erven en achtertuinen,</al><al>-erven. Vrijstelling van de vergunningplicht voor houtopstand aan de voorkant
                    van een woning of pan van een bedrijf wordt minder snel gegeven omdat vaker
                    sprake zal zijn van een ‘beeldbepalende boom’ dan aan de achterzijde.</al><al>De vrijstelling geldt niet als het totaal aaneengesloten tuin- en erfoppervlak
                    meer is dan 125 m2. Dit betekent dat als voor- en achtertuin, -erf met elkaar
                    verbonden zijn door middel van een zijtuin of -erf gekeken moet worden naar de
                    totaaloppervlakte van tuin of erf. </al><al><vet>Derde lid (spoedkap)</vet></al><al>In acute probleemsituaties met betrekking tot houtopstanden moet er meteen
                    gehandeld kunnen worden. Het gaat met name om gevallen waarin sprake is van
                    gevaarzetting voor zaken of personen door instabiliteit van bomen.</al><al><vet>Artikel 4:10 C (4.5.3 oud) Aanvraag vergunning</vet><vet> en
                        procedure</vet></al><al>[vervallen]</al><al></al><al><vet>Artikel 4:10 D (4.5.3a oud) Weigeringsgronden</vet></al><al>Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan,
                    die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer
                    blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals
                    het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. </al><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. In
                    de jurisprudentie worden als toetsingscriteria onder andere aangetroffen:</al><al>- natuurwaarde</al><al>- landschappelijke waarde</al><al>- waarde voor stads- en dorpsschoon</al><al>- beeldbepalende waarde</al><al>- cultuurhistorische waarde</al><al>- waarde voor leefbaarheid</al><al></al><al>Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden
                    met:</al><al>- de recreatieve waarde van een op zichzelf lelijke klimboom, die bij de jeugd
                    als speelobject waardering ondervindt;</al><al>- de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of planologisch
                    oogpunt of wegens ouderdom of situering;</al><al>- de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat
                    daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien, hetzij hogere
                    planten dan wel mossen of korstmossen, de luchtzuiverende kwaliteiten, de
                    invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat en de nestel- of
                    schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.</al><al></al><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)
                    omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de standplaats
                    (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend of langzaam
                    groeiend. </al><al>Deze begrippen zijn niet nauwkeurig te omschrijven. De hier gegeven opsomming is
                    bovendien niet uitputtend. Wel zal elke keer weer een afweging moeten worden
                    gemaakt van alle betrokken belangen.</al><al></al><al>Een kapvergunning zal bijvoorbeeld in het algemeen moeten worden verleend,
                    wanneer:</al><al>- het gaat om het vellen van de houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat deze
                    bij gedeelten periodiek worden ‘afgezet’, dat wil zeggen, geveld om een
                    geleidelijke verjonging mogelijk te maken;</al><al>- het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar vormt
                    voor de openbare veiligheid, bij voorbeeld wegens het risico van omwaaien of het
                    belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;</al><al>- de bezwaren, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het belemmeren
                    van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het verstopt raken van goten,
                    enz., zwaarder wegen dan de waarde van de houtopstand;</al><al></al><al>Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter
                    bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een
                    kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel
                    moeten worden ‘afgeschreven’. Een al te starre toepassing van dit artikel kan
                    fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan
                    te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen ’er voor eeuwig aan vast te
                    zitten’.</al><al><vet>Artikel 4:10 E (4.5.4 oud) Vergunning ex lege</vet></al><al>Dit artikel bevatte de zogenaamde lex silencio positivo. De bepaling is sinds de
                    inwerkingtreding van de Wabo en de Dienstenwet overbodig geworden. Zoals onder
                    Afdeling 3 is vermeld valt deze vergunning onder de Wabo. In artikel 3.9, derde
                    lid van de Wabo is bepaald dat de vergunning van rechtswege is verleend
                    overeenkomstig de aanvraag, als de beslis- en de eventuele verdagingstermijn
                    zijn verstreken zonder besluitvorming.</al><al><vet>Artikel 4:10 F (4.5.4.a oud) Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 1:4, eerste lid, tweede
                    volzin. De voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de
                    belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is
                    gesteld. In dit geval natuur-, milieu-, landschappelijke en cultuur­historische
                    waarden en waarden van stadsschoon, recreatie en leefbaarheid.</al><al></al><al><vet>Gevolgen niet-nakomen voorschriften</vet></al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing of
                    voor toepassing van andere admini-stratieve sancties.</al><al></al><al>In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij
                    niet-nakoming van ver­gunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast,
                    wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van
                    artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt om­schreven als verplichting,
                    wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, welke slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning
                    of ontheffing te vergemakkelijken, doch geen verband houden met de bescherming
                    van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al></al><al>In artikel 6:1 wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening
                    bepaalde met straf be-dreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een
                    vergunning of ontheffing verbonden voor-schriften met straf bedreigd.</al><al><vet>Artikel 4:10 G (4.5.5 oud) Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><al>Dit artikel stelt de mogelijkheid om een herplantplicht aan een vergunning te
                    verbinden, vast. Mede gezien het feit dat dit voorschrift ingrijpend kan zijn,
                    is het wenselijk ter zake een uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze
                    herplantplicht heeft een andere strekking dan de herplantplicht krachtens de
                    Boswet. Daar is zij gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat
                    herplanten elders mogelijk is); bij de gemeente geschiedt een eventuele
                    herbeplanting om redenen van milieu-beheer en zal zij vaak zoveel mogelijk ter
                    plaatse moeten gebeuren. De wet geeft voor herbeplan­ten een termijn van drie
                    jaar. De gemeenten behoeven deze termijn niet aan te houden. Behalve een termijn
                    kan het college ook aanwijzingen geven met betrekking tot de herplantplicht.
                    Denkbaar is dat een andere boomsoort wordt voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen
                    die beter bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een grote boom kan
                    worden gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare grootte of
                    aanplant van meer dan één boompje. Uiteraard dient herplant bosbouwkundig
                    verantwoord te zijn. </al><al></al><al>Het tweede lid zou, strikt genomen, kunnen worden gemist. Immers, mislukt een
                    beplanting, aan-gebracht krachtens het eerste lid, dan is er sprake van het
                    teniet gaan van beplanting. Ingevolge artikel 12, eerste lid, Boswet kan dan een
                    verplichting tot herbeplanting worden opgelegd. </al><al>Het kan echter gewenst zijn ter versnelling van het herstel de eventuele
                    vervangingsverplichting gelijktijdig met de herplantplicht op te leggen.</al><al></al><al> Dit derde lid van dit artikel beoogt te voorkomen dat een boom al feitelijk
                    gekapt is voordat derden kennis hebben kunnen nemen van de kapvergunning. De
                    vergunning wordt eerst van kracht zes weken na de dag van de bekendmaking. </al><al>Dit betekent niet dat de bezwaartermijn van zes weken, zoals geregeld in de
                    Algemene wet bestuursrecht, in dit geval niet geldt. Belanghebbenden hebben 6
                    weken de tijd om bezwaar te maken tegen de verleende kapvergunning. Het indienen
                    van bezwaar heeft echter geen schorsende werking. Op grond van het derde lid mag
                    de vergunninghouder 6 weken na de dag van bekendmaking gebruik maken van zijn
                    vergunning. De enige manier waarop het feitelijk kappen van de boom voorkomen
                    kan worden is door het indienen van een voorlopige voorziening bij de president
                    van de rechtbank. </al><al></al><al>Het vierde lid bepaalt dat een vergunning vervalt indien daarvan niet binnen één
                    jaar na het onherroepelijk worden, volledig gebruik is gemaakt. In gevallen dat
                    houtopstand verplant moet worden, is het vaker niet mogelijk om bomen binnen een
                    periode van een jaar te verplanten in verband met de voorbereiding daarop. In
                    het belang van het behoud van de houtopstand kan het college voor die gevallen
                    een langere periode bepalen.</al><al></al><al>In artikel 1:6 worden de gronden genoemd waarop een vergunning of ontheffing kan
                    worden inge­trokken respectievelijk waarop de daaraan verbonden voorschriften
                    kunnen worden gewijzigd.</al><al>Voor vergunningen vormt dit artikel een nadere uitwerking van het bepaalde onder
                    artikel 1.6, sub d: een krachtens deze afdeling afgegeven vergunning vervalt van
                    rechtswege indien hiervan bin­nen één jaar, na het onherroepelijk worden van de
                    beschikking, geen gebruik is gemaakt.</al><al><vet>Artikel 4:10 H (4.5.6 oud) Herplant-/instandhoudingsplicht</vet></al><al><vet>Eerste lid (zelfstandige herplantplicht)</vet></al><al>Wanneer een herplantplicht alleen maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen
                    worden gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                    herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen.</al><al>De in dit lid, opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een
                    zelfstandige herplant-verplichting te scheppen.</al><al>In het eerste lid is toegevoegd 'dan wel op andere wijze is teniet gegaan'. Het
                    college kan dus ook een verplichting tot herplantplicht opleggen, als
                    houtopstand is teniet gegaan door verwaarlozing of door een calamiteit.
                    Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar als houtopstand is
                    teniet gegaan door een velling ingevolge de Plantenziektewet of een velling in
                    het kader van een instandhoudingsplicht krachtens het derde lid van dit artikel,
                    dan wel op grond van artikel 2:15 van deze verordening, in verband met de
                    verkeersveiligheid.</al><al></al><al>Gebleken is dat voor het uitvoeren van de herplantplicht soms ook de medewerking
                    van anderen dan de zakelijk gerechtigde noodzakelijk is. Daarom is bepaald dat
                    aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de eigenaar of tot degene die uit
                    andere hoofde tot het treffen van voorzieningen be-voegd is. De herplantplicht
                    kan dan worden opgelegd aan degene die 'krachtens enig duurzaam persoonlijk
                    recht' tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.</al><al>Ook in de Boswet komt een herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht
                    de eigenaar van grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning
                    is geveld of op andere wijze te­niet gegaan, tot herbeplanting. Het Koninklijk
                    Besluit van 20 juni 1962, Stb. 220, geeft daarvoor nadere regels.</al><al></al><al>De herplantplicht die in dit artikel is neergelegd, verschilt van de
                    herplantplicht van de Boswet. De herplantplicht geldt niet zonder meer, maar pas
                    wanneer het college daartoe besluit. De herplantplicht van de Boswet bestaat uit
                    kracht van de Boswet zelf. De herplantplicht heeft in deze verordening bovendien
                    een andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij ge­richt op het behoud
                    van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is), terwijl
                    her­beplanting krachtens de verordening geschiedt om redenen van milieubeheer en
                    daardoor vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt dat een
                    herplantplicht slechts opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel van
                    geschonden milieuwaarden kan voortkomen.</al><al></al><al><vet>Derde lid (instandhoudingsplicht)</vet></al><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd teniet zal
                    gaan.</al><al>De gemeente zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet
                    is gegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid een herplantplicht op te
                    leggen. </al><al>Het kan echter voorkomen dat de strekking van de verordening beter gediend is
                    met het behoud van bestaande bomen dan met de vervanging daarvan. </al><al>Met name valt hierbij te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of
                    slechts met grote kos­ten te vervangen en wat bijvoorbeeld schoonheid,
                    luchtzuiverende kwaliteit, nestelgelegenheid be­treft, wegen zij op tegen een
                    veelheid van jonge boompjes.</al><al></al><al>Krachtens het derde lid kan de zakelijk gerechtigde worden verplicht tot het
                    instandhouden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het ongedaan
                    maken of voorkomen, voorzover mogelijk, van (dreigende) ernstige beschadiging of
                    aantasting ten gevolge van weersomstandig-heden, ziekten, verwaarlozing, vraat
                    door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloop-werkzaamheden, het
                    aanleggen van terreinverhardingen, het storten van afval, enz.</al><al></al><al>Op bouwterreinen is bijvoorbeeld het volgende van belang:</al><al>1. Verkeer, machines, keten, materiaalopslag en het verbranden van afval onder
                    de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar brengen.</al><al>2. Een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van beschadiging
                    onder de kroon van-daan. Het hek moet ongeveer even ruim om de boom staan als de
                    kroon breed is.</al><al>3. Het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen.</al><al>4. Afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het meeste
                    voedsel en ook een groot deel van de fijne wortels.</al><al>5. Ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken.</al><al>6. Bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en vocht,
                    vooral bij gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden gewerkt met de
                    minder schadelijke 'groensteen'.</al><al>7. Een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het vastspijkeren
                    van latten geven grote wonden.</al><al>8. Beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting wordt
                    voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te bedekken.</al><al></al><al>De verplichting tot instandhouding behoeft niet te betekenen dat van een
                    boomgroep alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met ziekten te
                    voorkomen, kan zo nodig de verplichting worden opgelegd bepaalde bomen te kappen
                    en van het terrein te verwijderen. Bij een sterk ver-ouderd bomenbestand kan het
                    aanbeveling verdienen het bestand te kappen onder het opleggen van een
                    herplantplicht.</al><al>De instandhoudingsverplichting krachtens dit artikel mag uiteraard niet leiden
                    tot strijd met ver-plichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bijvoorbeeld
                    de Plantenziektewet.</al><al>Overigens kunnen ook verwaarloosde bomen uit een oogpunt van milieubeheer van
                    belang zijn. Zo kunnen vermolmde bomen bijvoorbeeld nestplaats bieden aan
                    zeldzame soorten vleermuizen. Een 'opknapbeurt' in een dergelijk geval zou
                    uiteraard minder gewenst kunnen zijn.</al><al><vet>Artikel 4:10 I (4.5.7 oud) Schadevergoeding</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 van de Boswet dat voorschrijft dat de
                    gemeentelijke verordening een orgaan aanwijst, dat beslist op verzoeken om
                    schadevergoeding.</al><al>De jurisprudentie over schadevergoeding is nog schaars. Geen schadevergoeding is
                    toegekend in gevallen waarbij door een kapverbod of een weigering van een
                    kapvergunning de (nog niet verwezenlijkte) mogelijkheid werd ontnomen, om een
                    voordeel te behalen (bijvoorbeeld de winst uit verkoop van hout).</al><al></al><al>Van geval tot geval zal moeten worden nagegaan of, en zo ja in hoeverre:</al><al>- er sprake is van schade;</al><al>- deze schade al dan niet ten laste van betrokkene moet blijven;</al><al>- een billijke schadevergoeding moet worden betaald.</al><al>Een concrete, gedetailleerde regeling die alle gevallen dekt, is niet
                    mogelijk.</al><al><vet>Artikel 4:10 J (4.5.8 oud) Bestrijding iepziekte</vet></al><al>Op 1 januari 1991 verviel de door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en
                    Visserij gecoör-dineerde iepziektebestrijding. Het ministerie acht de ziekte
                    beheersbaar, omdat, ten gevolge van de aanpak, de infectiedruk op een laag
                    niveau is gebracht.</al><al>De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de houtvaten, de stam en de takken
                    verstopt. Hier­door wordt de sapstroom tussen de wortels en de boom verstoord en
                    krijgen de bladeren geen voedingsstoffen en water meer. De boom is dan ten dode
                    opgeschreven. Dit proces kan zich bin­nen enkele weken voltrekken. De schimmel
                    wordt overgebracht door de iepenspintkever. De kevers leggen hun eitjes onder de
                    bast van zieke of dode iepen. De jonge kevers vliegen naar ge­zonde bomen in de
                    buurt, die zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels, zonder
                    tus­senkomst van de kever, de schimmel aan elkaar over.</al><al>Verspreiding van de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood iepenhout
                    in de periode mei tot en met augustus binnen één maand te vernietigen. Iepenhout
                    afkomstig van najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn vernietigd. </al><al>Om de ziekte tegen te gaan, is het noodzakelijk alle iepen, zowel op
                    particuliere terreinen als op publiekrechtelijk beheerde terreinen tweemaal per
                    groeiseizoen te controleren op de aanwezigheid van de ziekte.</al><al>In artikel 4:10 B, tweede lid, onder g. is de opheffing van het kapverbod
                    geregeld indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van een
                    boom.</al><al><vet>Artikel 4:10 K (4.5.9 oud) Afstand van de erfgrenslijn</vet></al><al>Artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek bevat bepalingen met betrekking tot het bekende
                    rooirecht voor bomen binnen twee meter en heesters en hagen binnen een halve
                    meter van de erfgrenslijn. Het artikel biedt de mogelijkheid bij plaatselijke
                    verordening hiervan af te wijken.</al><al>Met de opneming van dit artikel wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De
                    in het Burgerlijk Wetboek gehanteerde maten gaven in het verleden soms
                    aanleiding tot geschillen tussen buren.</al><al>Met ‘nihil’ voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke manier van
                    erfbegrenzing te beschermen en tot een normale standaard te maken. Vele bomen en
                    heesters zullen door deze afstandsverkleining beter beschermd, misschien wel
                    gespaard worden. </al><al>De kans op juridische verwikkelingen in dit opzicht lijkt hiermee aanzienlijk
                    teruggedrongen. </al><al><vet>Artikel 4:11</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet>Artikel 4:12</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al><vet>Afdeling</vet><vet> 4 Maatregelen tegen ontsiering en
                    stankoverlast</vet><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al></al><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al></al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het derde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                    (vervallen)</vet></al><al>Vanuit dereguleringsoogpunt is dit artikel in 2009 geschrapt. Via de
                    Messtoffenwet wordt veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest
                    wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al
                    emissie-arm aangewend, dus dan geldt het artikel niet.</al><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is het oude artikel 4.7.2 ingrijpend herzien. Dat houdt
                    in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene
                    regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te
                    brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</al><al></al><al>De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                    doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden
                    getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast
                    wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk
                    valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle
                    reclames in stand te houden.</al><al></al><al><vet>Wabo</vet></al><al>Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de
                    Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de APV geschrapt is, is
                    daarvoor geen regeling opgenomen.</al><al></al><al>Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de
                    model-APV zijn in mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7
                    bepaalt dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de
                    algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd
                    tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie
                    de toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al></al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de APV
                    als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                    beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het
                    artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met
                    de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de
                    grond zijn verenigd.</al><al></al><al><vet>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</vet></al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:15 gaat om
                    niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie
                    ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder g (handelsreclame). Volgens
                    vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot
                    het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet.</al><al></al><al>Artikel 4:15 is daarom niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel
                    7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van
                    de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al></al><al>De volgende vraag is of artikel 4:15 ook in overeenstemming is met de artikelen
                    10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije meningsuiting strekt
                    zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan bevestigend worden
                    beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet
                    op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin
                    gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof
                    heeft zich hierover nog niet eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24
                    februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het Europese
                    Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van commerciële reclame
                    minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de
                    strekking van het verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle
                    handelsreclame onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen
                    mogelijk zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen
                    worden hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de
                    beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter
                    bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde belangen.
                    Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden en de
                    bescherming van rechten van derden.</al><al></al><al>De rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december
                    1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd
                    dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de
                    verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om
                    reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in
                    een uitspraak van de Hoge Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke
                    toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel
                    10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in
                    een democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter
                    bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457).</al><al></al><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                    beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor
                    de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige
                    betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, beperkingen mogelijk
                    blijven.</al><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</vet></al><al>(vervallen)</al><al>In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een
                    zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken.
                    Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen.</al><al></al><al><vet>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2008 is de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR)
                    afgeschaft. Ter voorkoming van ongewenste situaties door kamperen buiten
                    kampeerterreinen zijn op advies van de VNG de volgende drie artikelen
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen en</vet><vet>
                        Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet><vet></vet></al><al>Er kunnen drie vormen van kamperen buiten kampeerterreinen worden
                    onderscheiden.</al><al>1. kamperen in het kader van het bijwonen van een evenement;</al><al>2. kamperen door groepen in besloten kring;</al><al>3. kamperen in individueel verband.</al><al></al><al>Ad 1. Kamperen in het kader van het bijwonen van een evenement</al><al>Bij bepaalde grootschalige meerdaagse evenementen biedt de organisator de
                    bezoekers de mogelijkheid om te overnachten in een tent. Het gaat bijvoorbeeld
                    om popconcerten of sportevenementen. Het bijwonen van het evenement is het doel
                    van het verblijf. Het kamperen kan worden beschouwd als een onderdeel van het
                    evenement.</al><al>Vrijwel alle gemeenten kennen, in navolging van de model APV, een
                    vergunningplicht voor het houden van een evenement. De burgemeester is het
                    vergunningverlenend orgaan. Als de organisator van het evenement ook
                    kampeerplaatsen wil aanbieden aan de bezoekers, zal hij naast de
                    evenementenvergunning ook een ontheffing voor het plaatsen van kampeermiddelen
                    moeten aanvragen. De evenementenvergunning wordt door de burgemeester verleend
                    en de ontheffing door het college. Het ligt voor de hand dat bij de ontheffing
                    voorschriften worden gesteld in verband met de (brand)veiligheid.</al><al></al><al>Ad 2. Kamperen door groepen in besloten kring</al><al>Bij deze vorm van kamperen gaat het om verenigingen (bijvoorbeeld een
                    sportvereniging of een scoutingclub) die met hun eigen leden op incidentele
                    basis en voor korte perioden buiten een kampeerterrein in tenten willen
                    overnachten. Ze zullen daarvoor allereerst toestemming nodig hebben van de
                    eigenaar of beheerder van het terrein. Als het gaat om openbaar groen of een
                    sportpark, is de gemeente de eigenaar en zal de gemeente uit dien hoofde
                    toestemming moeten geven.</al><al>Ook als de gemeente géén eigenaar van de grond is, verdient het aanbeveling dat
                    de gemeente regels stelt. Dit kan in de vorm van een stelsel van ontheffingen
                    waaraan voorschriften kunnen worden verbonden. Hiermee kan de gemeente bepalen
                    of de locatie geschikt is om te kamperen, gelet op bijvoorbeeld de aanwezige
                    natuurwaarden in het gebied of eventuele overlast voor omwonenden. Gelet op het
                    besloten karakter van deze vorm van kamperen, ligt het niet voor de hand dat de
                    gemeente voorschriften stelt in verband met de veiligheid of hygiëne. Dergelijke
                    onderwerpen zijn de primaire verantwoordelijkheid van de organisator.</al><al></al><al>Ad 3. Kamperen in individueel verband</al><al>Hieronder wordt een aantal vormen van kamperen buiten kampeerterreinen
                    beschreven die in individueel verband plaatsvinden. Als een gemeente een of meer
                    dergelijke vormen van vrij kamperen wil toestaan binnen haar gemeente, is het
                    aanwijzen van locaties waarop kamperen wel is toegestaan, het aangewezen middel.
                    De APV moet dan de bevoegdheid scheppen voor het college om dergelijke plaatsen
                    aan te wijzen. Het college kan dan ook voorschriften opstellen voor die
                    aangewezen locaties. Hierna worden als voorbeeld drie vormen van vrij kamperen
                    genoemd waarvoor het college gebieden zou kunnen aanwijzen om deze mogelijk te
                    maken.</al><al></al><al><cursief>Paalkamperen</cursief></al><al>Staatsbosbeheer beheert op dit moment ongeveer 25 zogeheten
                    “paalkampeerterreinen”. Deze terreinen zijn in feite niet meer dan plekjes in
                    een natuurlijke omgeving, waar het is toegestaan gedurende een beperkte periode
                    te verblijven. De terreinen zijn zodanig gesitueerd dat ze alleen lopend (soms
                    fietsend) te bereiken zijn. Ze zijn niet bereikbaar voor auto’s, caravans en
                    kampeerauto’s.</al><al>De enige voorziening is een aanduiding of markering van de plaats met een bordje
                    waarop een aantal gedragsregels staan. Vaak is er ook een pomp aanwezig. De
                    paalkampeerplaatsen van Staatsbosbeheer bieden ruimte aan maximaal drie
                    kampeermiddelen. De maximaal toegestane verblijftijd is drie etmalen. Er wordt
                    niet betaald en er is vrijwel geen toezicht. Omdat er nauwelijks toezicht wordt
                    gehouden bestaat er ook geen nauwkeurig beeld van de omvang van de
                    gebruikersgroep. Een ruwe schatting van het aantal kampeerders bedraagt circa
                    duizend. Staatsbosbeheer streeft naar uitbreiding van dit soort terreintjes,
                    maar is afhankelijk van de medewerking van gemeenten.</al><al>Op grond van artikel 4:19, eerste lid, zou het college plekken kunnen aanwijzen
                    waar het paalkamperen is toegestaan.</al><al></al><al><cursief>Kampeerauto’s</cursief></al><al>Mensen met kampeerauto’s zijn minder afhankelijk van de voorzieningen op
                    kampeerterreinen dan kampeerders met een tent, vouwwagen of caravan. De
                    verblijfsduur van veel kampeerautobezitters op een kampeerterrein is vaak ook
                    kort. Het doel van het verblijf is overnachten en in veel mindere mate
                    recreëren. Uit onderzoek is gebleken dat een deel van de kampeerautobezitters
                    (bij voorkeur) niet kiest voor een verblijf op een kampeerterrein. Om
                    kampeerautobezitters ten dienste te zijn, kunnen gemeenten gereguleerde
                    overnachtingsplaatsen (GOP’s) voor kampeerauto’s toestaan of zelf gaan
                    inrichten. Deze GOP’s hebben een beperkt aantal voorzieningen (servicepunt) die
                    voor kampeerders met een kampeerauto van belang zijn.</al><al>Het overnachten in kampeerauto’s moet als kamperen worden opgevat. Artikel 4:19,
                    eerste lid, maakt het mogelijk voor het college om GOP’s aan te wijzen als
                    kampeerplaatsen (waarop het kampeerverbod niet van toepassing is). De
                    Nederlandse Kampeerauto Club (NKC) heeft richtlijnen ontwikkeld voor het
                    inrichten van GOP’s.</al><al></al><al><cursief>Nachtvissen</cursief></al><al>Vanaf 1985 is het mogelijk om in de maanden juni, juli en augustus ’s nachts te
                    vissen. Daarnaast zijn er veel hengelsportverenigingen die voor hun water
                    toestemming hebben gekregen om het gehele jaar te mogen nachtvissen.</al><al>De afgelopen jaren is het nachtvissen steeds populairder geworden en is ook de
                    wens van vissers om een langere tijd aan het water te verblijven, gegroeid. Zo’n
                    langer verblijf vergt een aangepaste uitrusting. Bijvoorbeeld een tent om in te
                    kunnen slapen en kookgerei voor het bereiden van een eenvoudige maaltijd. Het
                    vissen wordt op deze wijze gecombineerd met kamperen. Om deze vorm van kamperen
                    mogelijk te maken, zouden gemeenten gebieden kunnen aanwijzen waarvoor het
                    verbod op kamperen niet geldt.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. In artikel 1:10 van deze
                    verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing verklaard. </al><al><vet>Afdeling 6 Bescherming cultureel erfgoed</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:20 Detectorverbod</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen voor de bescherming van cultuurhistorisch erfgoed
                    binnen de gemeente. Concreet gaat het om het verbieden van metaaldetectoren en
                    het gebruik ervan door onbevoegden, in bepaalde door het college aangewezen
                    gebieden. Het gebruik van metaaldetectoren kan leiden tot het doelgericht graven
                    naar oudheidkundige bodemvondsten, zonder dat men daartoe een vergunning heeft
                    van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). De vondsten
                    blijven dan veelal buiten wetenschappelijk onderzoek en museale tentoonstelling,
                    waardoor veel cultuurhistorische informatie verloren gaat. In aanvulling op de
                    landelijke regelgeving, de Monumentenwet 1988, kan men zo (middels dit artikel
                    in de APV) de bescherming van archeologische monumenten verbeteren.</al><al></al><al></al><al><cursief><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</vet></cursief></al><al><cursief><vet></vet></cursief><vet>Afdeling 1 parkeerexcessen</vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</vet></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994).</al><al></al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt:</al><al></al><al>“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze
                    wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich
                    daar niet toe lenen.”</al><al></al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>2. Begrip “parkeerexces”</vet></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip
                    “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><al>a. zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling
                    van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om
                    te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan
                    worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling). In deze omschrijving ligt
                    besloten, dat het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet
                    ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het
                    parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een
                    te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van
                    anderen;</al><al>b. alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                    motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid
                    en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van
                    uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</al><al></al><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad.</al><al></al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden.</al><al></al><al><vet>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</vet></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Er bestaat
                    geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een
                    parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening.</al><al></al><al>Het verdient aanbeveling de thans voorgestelde modelbepalingen in hun geheel
                    onder te brengen in de algemene plaatselijke verordening, en wel in een
                    hoofdstuk “Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente”.
                    Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander
                    hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag
                    liggen.</al><al></al><al>Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de
                    modelbepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven
                    niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de
                    toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een
                    van de voordelen van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging
                    verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen
                    worden samengebracht.</al><al></al><al>In afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, welke
                    niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden
                    ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te
                    regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van
                    groenvoorzieningen”.</al><al></al><al><vet>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</vet></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de APV ingevolge artikel 1:1 hetzelfde
                    als de WVW 1994 daaronder verstaat.</al><al></al><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    de artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al></al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8,tweede lid.</al><al></al><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg,
                    kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden
                    opgetreden. Zie bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1 (oud).</al><al></al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><al></al><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid,
                    en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al></al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al></al><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990.</al><al></al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5:8.</al><al></al><al><vet>Onder a</vet></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn:<cursief> fietsen,
                        bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en
                        wagens.</cursief> In tegenstelling tot artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de
                    omschrijving positief geformuleerd en wordt direct aangesloten bij het RVV 1990.
                    Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een
                    uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking
                    zouden krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al></al><al><vet>Onder b</vet></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                        <cursief>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende
                        de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                        uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van
                        goederen.</cursief></al><al></al><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan
                    van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al></al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al></al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het artikel bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al></al><al>De in het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant.</al><al></al><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2
                    mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in
                    de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten -
                    garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook
                    impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig
                    enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is
                    aangewezen dezelfde blijft.</al><al></al><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</al><al></al><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een
                    “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling.</al><al></al><al><vet>Derde lid, onder a</vet></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al></al><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of
                    zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie
                    of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het tweede lid, onder b).</al><al></al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al></al><al><vet>Derde lid, onder b</vet></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al></al><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al></al><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen.</al><al></al><al>Met de hierbedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><al></al><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet
                    echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte
                    auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al></al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al></al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is.</al><al></al><al>Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het het
                    verbod activeren.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hierbedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al>Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op
                    het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden.</al><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.</al><al></al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken.</al><al></al><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”.</al><al></al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al><vet>Eerste lid, onder a</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al></al><al><vet>Eerste lid, onder b</vet><vet></vet></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al></al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al></al><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze model-APV.</al><al></al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                    4:15.</al><al></al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet><vet></vet></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan.</al><al></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al></al><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft
                    aangewezen.</al><al></al><al>Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college
                    in zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeenten waarop de
                    plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd.</al><al></al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al></al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al></al><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente.</al><al></al><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al></al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al></al><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon.</al><al></al><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.</al><al></al><al>Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de
                    aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de
                    in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij
                    langs de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                    kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren
                    van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al></al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun.</al><al></al><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een
                    verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld
                    door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar
                    niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan
                    de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel
                    denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen
                    liggen.</al><al></al><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                    toelichting op eerste lid.</al><al></al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet><vet></vet></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al></al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet><vet></vet></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al></al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al></al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al></al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al></al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De woorden “op hinderlijk wijze” in het eerste lid beschrijven een vage norm.
                    Interpretaties en oordelen bij dergelijke vage normen zijn nogal subjectief en
                    kunnen daardoor gemakkelijk verschillen.</al><al>Behalve in evidente gevallen (dus bij ernstige uitzichthinder voor bewoners) is
                    de handhaafbaarheid van de bepaling in de praktijk gering gebleken.</al><al>Als oplossing en in aanvulling op de vage norm met algemene werking van het
                    eerste lid, bevat het derde lid een regeling waarbij een nader oordeel van het
                    college maatgevend en bepalend is voor de vraag of in een bepaalde situatie
                    sprake is van uitzichthinder voor bewoners of weggebruikers. Op basis van het
                    derde lid kan het college een of meer wegen of weggedeelten aanwijzen waar een
                    parkeerverbod voor hoge voertuigen geldt.</al><al>Aan de bepaling van onderdeel a ligt hetzelfde motief ten grondslag als in het
                    eerste lid, namelijk de bescherming van het uitzicht van bewoners en het
                    voorkomen of beperken van andere vormen van overlast of hinder (met name
                    belemmering van de lichtval) voor bewoners.</al><al>Het beschermen van het belang van de verkeersveiligheid (uitzicht van
                    weggebruikers) ligt als motief aan de bepaling van onderdeel b ten grondslag. Of
                    er voor een bepaalde weg of weggedeelte sprake is van een verkeersonveilige
                    situatie door geparkeerde grote voertuigen is afhankelijk van de omstandigheden
                    ter plaatse. Het antwoord zal onder meer afhangen van: </al><lijst><li nr="-"><al>de parkeersituatie (haaks- of langsparkeren);</al></li><li nr="-"><al>de inrichting van de weg (o.a. breedte, aanwezigheid van drempels,
                            uitzicht van voetgangers en van naderende automobilisten /
                            (brom)fietsen);</al></li><li nr="-"><al>wegcategorisering/wegcategorie (woonerf, 30 of 50 km) in verband met de
                            menging van verkeersdeelnemers;</al></li><li nr="-"><al>de mate waarin verkeersdeelnemers zich aan de maximale snelheid
                            houden;</al></li><li nr="-"><al>eerdere verkeersongevallen waarbij de oorzaak (mede) ligt bij het
                            parkeren van voertuigen (statistische gegevens doden, gewonden).</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                        (vervallen)</vet></al><al>Het oude artikel 5.1.9 is geschrapt. In de Wet milieubeheer zijn tegenwoordig
                    dermate uitvoerige eisen aan voertuigen voor het uitrijden en verspreiden van
                    mest e.d. opgenomen, dat de toegevoegde waarde van dit artikel gering is.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al></al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al></al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al></al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al></al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al></al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al></al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al></al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al><vet></vet><vet>Eerste lid</vet></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al></al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al></al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al></al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Op grond van het derde lid is het verboden (brom)fietswrakken op een openbare
                    plaats te laten staan. Zowel in de stallingsruimten voor (brom)fietsen als
                    overigens op een openbare plaats kunnen deze (brom)fietswrakken veel overlast,
                    ontsiering van de gemeente of schade aan de openbare gezondheid
                    veroorzaken.</al><al>Het gaat hierbij om (brom)fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                    onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren. Deze wrakken die
                    doorgaans aan niemand meer toebehoren, kunnen op grond van het derde lid van dit
                    artikel worden opgehaald en als grof vuil worden afgevoerd.</al><al></al><al><vet>Afdeling 2 Collecteren</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al></al><al><vet>Huidige ontwikkelingen</vet></al><al>De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een
                    beschermende overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide
                    instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het
                    voorkomen van overlast voor burgers.</al><al></al><al>Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang
                    was de huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden
                    mensen via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct
                    dialogue), door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of
                    indirect aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of
                    mondeling is - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever
                    (die op een relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</al><al></al><al>Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs).</al><al></al><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                    uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                    inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al></al><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven.</al><al></al><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    de reden dat er voor is gekozen om de inzamelingsvergunning niet te schrappen
                    uit de APV.</al><al></al><al><vet>Aanpassingen herziening model-APV mei 2007</vet></al><al>Bij de dereguleringsactie heeft de VNG enkele voor de gehele APV geldende
                    wijzigingen doorgevoerd. In artikel 1:7 van de APV is het uitgangspunt van een
                    vergunning voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of
                    ontheffing anders is bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een
                    doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster.</al><al></al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode.</al><al></al><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen
                        <cursief>weigeringsgronden</cursief>. Gezien de ontwikkelingen op het gebied
                    van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor inzamelen op straat, waarbij je
                    een maximumstelsel wilt hanteren) is het gewenst om weigeringgronden te kunnen
                    hanteren. Door een andere inrichting van de APV zijn de weigeringgronden nu niet
                    meer per artikel opgenomen, maar in hoofdstuk 1 benoemd. De weigeringgronden van
                    artikel 1:8 APV zijn dus ook van toepassing op de inzamelingsvergunning.</al><al></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningsplichtig
                    is, wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot
                    klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster
                    geleid.</al><al></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al></al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds.
                    Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR heeft de
                    verbindendheid van een dergelijke bepaling niet aangetast.</al><al></al><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al></al><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                        gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er sprake van een collecte.
                    De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                    uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden, anders dan in besloten kring, wordt
                    verboden. De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt een
                    nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten
                    aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet
                    het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt
                    gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een
                    vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke
                    gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke
                    vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><al></al><al><cursief>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al></al><al><vet>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van
                        collectevergunningen</vet></al><al>De enkele omstandigheid dat een (niet op het landelijk collecteplan voorkomende)
                    organisatie als betrouwbaar is aan te merken, behoeft niet automatisch te
                    betekenen dat een verzoek om collectevergunning dient te worden ingewilligd. Dat
                    zou tot overlast voor het publiek en ‘oververzadiging’ van de markt kunnen
                    leiden. Een zekere ordening van het collecteren binnen een gemeente is daarom
                    wel gewenst.</al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van collectevergunningen is er op
                    gericht:</al><lijst><li nr="-"><al>enerzijds dat de inzamelingen geschieden door bonafide te achten in
                            stellingen, en</al></li><li nr="-"><al>anderzijds dat het aantal collecten beperkt wordt gehouden en gelijk
                            matig over het jaar wordt verdeeld.</al></li></lijst><al>Daartoe wordt allereerst plaats ingeruimd voor de collecten van landelijke
                    instellingen, voorkomende op het collecteplan. Instellingen die niet op dit
                    collecteplan voorkomen zijn doorgaans aangewezen op de in dit plan voorkomende
                    vrije perioden.</al><al></al><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. In de algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen
                    van de bepaling van de APV is met deze methode geen rekening gehouden. Deze zag
                    immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen huis-aan-huis.</al><al></al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al></al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al></al><al><vet>Afdeling 3 Venten</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Bij de herziening van 2007 is omschreven wat onder venten wordt verstaan. Dit is
                    een verbetering omdat het uitoefenen van de ambulante handel (het venten)
                    onderscheiden moet worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de
                    standplaatsvergunning. Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de
                    uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of diensten aan willekeurige
                    voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van
                    goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is.
                    De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het
                    tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239.</al><al></al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al></al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al>Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als
                    met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. In navolging van
                    de VNG is in 2007 gekozen voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden
                    te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de
                    Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in
                    de meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de toelichting
                    onder artikel 1:8. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel is besloten,
                    omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van
                    vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent onder
                    dezelfde voorwaarden. Er is dan geen goede reden waarom een vergunningstelsel
                    nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook achteraf worden
                    aangepakt. Wij achten het risico van achteraf controleren niet veel groter dan
                    van het vooraf vaststellen van de voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de
                    Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle
                    achteraf onvoldoende is.</al><al></al><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag gelden
                    overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen. Volgens
                    het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van
                    venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Het Hof van
                    Justitie heeft op 23 februari 2006 betreffende een verzoek om een prejudiciële
                    beslissing betreffende de uitleg van de artikelen 28 en 30 EG, ingediend door
                    het Landesgericht Klagenfurt (Oostenrijk), uitspraak gedaan in een zaak waarin
                    de Duitse onderneming X zich bezighield met het venten van sieraden op het
                    grondgebied van de Europese Unie, waarbij zij particulieren in particuliere
                    woningen bezocht. Daar bood zij zilveren sieraden te koop aan en vergaarde zij
                    bestellingen met betrekking tot dergelijke sieraden. De nationale, Oostenrijkse
                    bepaling verbood deze handelingen. Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de
                    regel niet discriminatoir mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder
                    dat moet worden nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door een
                    doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het Hof aan
                    dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde doelstellingen, en
                    of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling.</al><al></al><al>Op grond van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden gesteld
                    aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten aanbieden het belang
                    van de openbare orde, openbare veiligheid. Zie voor de argumentatie waarom
                    gekozen is voor deze regeling de toelichting bij artikel 1:8. </al><al></al><al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen
                    sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke
                    beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan
                    criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn
                    vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke
                    verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de
                    wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al></al><al><vet>Derde lid</vet><vet></vet></al><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al></al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Op basis van dit lid kan het college gebieden aanwijzen waar het verboden is te
                    venten. Over de toelaatbaarheid van een dergelijk verbod kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><al></al><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een gebied aanwijzen
                    waar het verboden is te venten, dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van
                    de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel
                    in gevaar komt als door een venter dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al><vet>Artikel 5:16 Venten met gedrukte of geschreven stukken</vet></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><al></al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al></al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al></al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</al><al></al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al></al><al><vet>Daklozenkrant</vet></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen
                    dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al></al><al><vet>Afdeling 4 Standplaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve lasten,
                    maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In het kader van de
                    deregulering in 2007 is daarom het oude artikel 5.2.3 opgedeeld in vijf
                    artikelen en is de tekst verduidelijkt. In 2009 zijn de artikelen hernummerd.
                    Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet><vet></vet></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel
                    gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt
                    is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen
                    worden ingenomen in de open lucht.</al><al></al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In navolging van de VNG wordt een vergunning voor het hebben van een
                    standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig geacht. De vergunning
                    dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt
                    tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast,
                    stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is
                    persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al></al><al><vet>Vergunning voor onbepaalde tijd</vet></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7).
                    Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen
                    aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit
                    noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de
                    verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen
                    1:7.</al><al></al><al><vet>Vrijheid van meningsuiting</vet></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><al></al><al><vet>Tweede lid Bestemmingsplan</vet></al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren.
                    Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening,
                    zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat
                    bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                    standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                    bestemmingsplan voortvloeien.</al><al></al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk
                    uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen
                    gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het
                    bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens
                    jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen
                    zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al></al><al><vet>Derde lid Weigeringsgronden</vet> De generieke weigeringsgronden worden
                    genoemd in artikel 1:8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij
                    dat artikel. <cursief></cursief></al><al><vet></vet></al><al><vet>Derde lid, onder a</vet><cursief></cursief><vet>Redelijke eisen van
                    welstand</vet></al><al>Bij de herziening van 2007 is de weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de
                    omgeving” vervangen door “redelijke eisen van welstand” vanwege het streven om
                    de terminologie in de APV zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit het
                    aan bij de terminologie van de Woningwet. Wij gaan ervan uit dat “uiterlijk
                    aanzien” en “redelijke eisen van welstand” inhoudelijk dezelfde betekenis
                    hebben.</al><al></al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden
                    ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
                    Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden
                    tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of
                    stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de
                    inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig
                    om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</vet></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al></al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. </al><al></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al></al><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                    beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen
                    moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen
                    standplaatsen tezamen levert het maximum aantal af te geven
                    standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport met
                    betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op de
                    verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden
                    aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                    verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde. Het innemen van een
                    standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan te wijzen wanneer
                    een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen van de week en
                    eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het maximum aantal
                    standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de gehele gemeente
                    als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht zijn. Een
                    verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden
                    bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per
                    branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald.
                    Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts
                    door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het
                    totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. Indien voor een branche niet
                    het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak
                    tot handhaving van dit stelsel aanwezig. Bij het vaststellen van een maximum
                    aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche,
                    moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen.
                    Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                    aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst
                    opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst.
                    Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te
                    zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst toegekend
                    worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van
                    een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in de
                    APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand hiervan geformuleerde
                    beleid moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning
                    verstrekt kan worden. Men houde ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen
                    dat een wachtlijst noch direct noch indirect discriminatoir mag zijn.</al><al></al><al><vet>Beleidsregels</vet></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat het te
                    voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde
                    vergunning die niet kan worden herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van
                    algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu.</al><al></al><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
                    Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><al></al><al><vet>Inhoud standplaatsenbeleid</vet></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze
                    APV-bepalingen overschrijden.</al><al></al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                    betreffen:</al><lijst><li nr="*"><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen;</al></li><li nr="*"><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche;</al></li><li nr="*"><al>de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                            ingenomen;</al></li><li nr="*"><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen.</al></li></lijst><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op
                    welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de
                    hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum
                    aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief
                    afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al></al><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                    vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                    gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                    betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al></al><al><vet>Vergunningsvoorschriften</vet> Aan de standplaatsvergunning kunnen
                    voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat
                    vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de
                    bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze
                    uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een
                    dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen
                    belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt;
                    transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit
                    artikel. </al><al></al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><lijst><li nr="*"><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                            geen standplaats is ingenomen;</al></li><li nr="*"><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet
                            men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen
                            goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen
                            zijn;</al></li><li nr="*"><al>de grootte van de standplaats;</al></li><li nr="*"><al>de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al></li><li nr="*"><al>het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al></li><li nr="*"><al>tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al></li><li nr="*"><al>eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al></li><li nr="*"><al>opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Overige regelgeving</vet></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV
                    van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de
                    straathandel</al><al></al><al><vet>Wet op de Ruimtelijke ordening</vet></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens de APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het
                    geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht.</al><al>Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten
                    als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het
                    bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee
                    afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in
                    te dienen.</al><al></al><al><vet>Winkeltijdenwet</vet></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.
                    Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de Economische Controledienst.</al><al></al><al><vet>Warenwet</vet></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing.</al><al></al><al>De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften
                    die door het college gesteld kunnen worden op basis van een
                    standplaatsvergunning.</al><al></al><al><vet>Wet milieubeheer</vet></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de
                    Afvalstoffenverordening.</al><al></al><al><vet>Gebruik van de openbare weg</vet></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst.</al><al></al><al>In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de locatie van
                    de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld.</al><al></al><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369 .</al><al></al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al></al><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                    onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:18 A Meldingsplicht incidentele standplaats</vet></al><al>Voor ideële organisaties die een maatschappelijke campagne voeren of aan
                    verkiezingen deelnemen, en die daartoe incidenteel een standplaats willen
                    innemen, is uit oogpunt van lastenvermindering en een snellere behandeling het
                    vereiste van vergunning afgeschaft. Daarvoor in de plaats hoeft de organisatie
                    alleen nog een melding te doen en te voldoen aan de nadere regels die door het
                    college kunnen worden gesteld. </al><al>Wat onder een “incidentele standplaats” wordt verstaan is opgenomen bij de
                    begripsbepalingen in artikel 5:17. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. In het eerste lid vindt
                    afbakening plaats met de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal
                    wegenreglement, het tweede lid ziet op afbakening met de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Afdeling 5 Snuffelmarkten</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling </vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij de algehele herziening van 2009 is het oude artikel 5.2.4 in twee artikelen
                    opgesplitst en tevens hernummerd. Artikel 5:24 geeft een begripsbepaling,
                    terwijl artikel 5:25 de vergunningplicht en de weigeringsgronden
                    beschrijft.</al><al></al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Evenals bij venten (artikel 5:14 e.v.) en standplaatsen (artikel 5:17 e.v.)
                    wordt in deze afdeling begonnen met een begripsbepaling van de snuffelmarkt in
                    artikel 5:24. Het is niet de bedoeling geweest daaraan een andere inhoud te
                    geven dan aan het oude begrip in artikel 5.2.4 (oud). </al><al></al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="*"><al>Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de
                            regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil
                            zeggen: geen tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie
                            van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de
                            karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden volstaan met
                            het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college een
                            besluit te nemen over het instellen van een markt. De weekmarkt wordt in
                            de meeste gemeenten gereguleerd door een marktverordening. De VNG heeft
                            een model marktverordening uitgebracht;</al></li></lijst><lijst><li nr="*"><al>de jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                            van de Gemeentewet. Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader
                            gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij een jaarmarkt moet gedacht worden
                            aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo wordt in sommige gemeenten
                            al sinds jaar en dag een veemarkt op een vast tijdstip, bijvoorbeeld op
                            tweede paasdag, gehouden. Het college dient voor dit type markt een
                            instellingsbesluit te nemen. Verder zal de raad voor een dergelijke
                            markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die eventueel
                            geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening;</al></li><li nr="*"><al>evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of
                            plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of
                            vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van
                            toepassing, maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet
                            vergunningplichtig is op grond van artikel 2:25.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is.</al><al>Als een snuffelmarkt incidenteel in een gemeente gehouden wordt, kan volgens de
                    VNG met een meldingsplicht-stelsel worden volstaan. Als het echter gaat, zoals
                    in onze gemeente, om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met
                    gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de gemeente er
                    verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben, zo adviseert de VNG. Er is
                    dan voldaan aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. In het belang van
                    deze motieven is de vergunningplicht daarom gehandhaafd.</al><al></al><al>Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden
                    beperkt.</al><al></al><al><vet>De Europese Dienstenrichtlijn</vet></al><al>De richtlijn is van toepassing op zowel het vergunningstelsel als het
                    meldingsstelsel voor een snuffelmarkt. Het artikel richt zich immers tot de
                    organisator en deze is een dienstverlener in de zin van de richtlijn.Voorts komt
                    het voor dat er diensten worden aangeboden op de standplaatsen, bijvoorbeeld
                    schoenpoetsers, nagelverzorging, kappers e.d. </al><al></al><al><vet>Weigeringsgronden </vet></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al></al><al><vet>Bestemmingsplan</vet></al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met het
                    geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de snuffelmarkt
                    incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet verboden op deze
                    grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw
                    een agrarische of industriebestemming heeft. </al><al></al><al><vet>Winkeltijdenwet</vet></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Een snuffelmarkt is een markt, niet in de open lucht, waarbij hoofdzakelijk
                    tweedehands of incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                    aangeboden vanaf een standplaats (begripsbepaling uit artikel 5:22 APV). De
                    vergunningsplicht is in de APV gehandhaafd, met name omdat een snuffelmarkt voor
                    overlast kan zorgen in de omgeving (bijvoorbeeld door extra verkeer en
                    parkeerdrukte). Nu aan de verlening of weigering van de vergunning een relatief
                    eenvoudige afweging ten grondslag ligt en de gevolgen van een snuffelmarkt
                    doorgaans beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende redenen van algemeen
                    belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. In artikel 1:9 van
                    deze verordening wordt Paragraaf 4.1.3.3. Awb op het artikel van toepassing
                    verklaard. </al><al></al><al><vet>Afdeling 6 Openbaar water</vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De gemeente
                    Leidschendam-Voorburg heeft geen doorgaande vaarwegen in beheer. De Zuidvliet
                    (Rijn-Schie-kanaal) en de Haagse Vliet (Trekvaart) vallen onder de competentie
                    van de provincie.</al><al></al><al>De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse
                    regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen
                    die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde
                    vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren
                    gelden.</al><al></al><al><vet>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</vet></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan
                    hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag
                    ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al></al><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden.</al><al></al><al>Deze provinciale waterstaatsverordeningen bevatten veelal bepalingen inzake het
                    beheer, het onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren.
                    Een aantal heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart.</al><al></al><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater.</al><al></al><al>De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de mogelijkheid
                    verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben op de
                    doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde openbare
                    wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds bedacht worden
                    dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In grote lijnen
                    betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten
                    aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij dient echter
                    nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al></al><al><vet>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</vet></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet.</al><al></al><al>Met de Scheepvaartverkeerswet (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken.
                    Artikel 43 SVW bepaalt dat krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels
                    worden geacht te zijn gesteld krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De
                    verkeersreglementering is te vinden in het Binnenvaartpolitiereglement
                    (BPR).</al><al></al><al>Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten,
                    waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van
                    onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn
                    met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.</al><al></al><al><vet>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</vet></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. De artikelen 5.25 en 5.26 van de APV kennen dan
                    ook een ander motief.</al><al><vet>Artikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                        water</vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al>In de ‘Algemene politieverordening Leidschendam 1986’was het gebruik van
                    vistuigen waarmee de binnenvisserij wordt uitgeoefend, uitgezonderd van de
                    vergunningsplicht. Deze bepaling is steeds gehandhaafd in de APV’s, omdat
                    bijvoorbeeld op de recreatieplassen van het recreatiegebied Vlietland sinds jaar
                    en dag met fuiken wordt gevist. Overigens regelen de Visserijwet en het
                    Reglement voor de binnenvisserij 1985 respectievelijk een vergunningplicht om te
                    mogen vissen en de typen vistuigen waarmee binnenvisserij mag worden
                    uitgeoefend.</al><al></al><al>In de model-APV is bij dit artikel een vergunning vervangen door een
                    meldingsplicht. In onze waterrijke gemeente, waar een vergunningsplicht
                    gebruikelijk is, en aan de vergunning omwille van het onderhoud van de vaarwegen
                    een zekere uniformering noodzakelijk, vonden wij het een gerechtvaardigde keuze
                    zijn om een vergunningplicht te handhaven. Ook voor de vergunninghouder schept
                    dat een duidelijke situatie: De aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te
                    maken, maar ontvangt een vergunning voorzien van een set voorschriften, en weet
                    dan waar hij of zij aan toe is.</al><al><vet>Artikel 5.24 A. Het openbaar water als werkplaats.</vet></al><al>Dit artikel komt niet voor in de model-APV, maar wel in de vorige APV. Aan een
                    dergelijk artikel is in de praktijk wel behoefte. </al><al>Aan dit artikel liggen motieven van openbare orde, overlast, vervuiling en
                    uiterlijk aanzien van de gemeente ten grondslag</al><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al><vet>Algemeen verbod is niet toegestaan</vet></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de
                    gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die
                    woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie
                    bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn
                    om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op
                    Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in
                    de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels
                    stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van
                    een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met
                    bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is
                    wel toegestaan.</al><al></al><al><vet>Mogelijk vergunningenstelsel</vet></al><al>Indien men ook op de aangewezen gedeelten van het openbaar water het innemen,
                    hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats mogelijk wil maken kan hiervoor
                    het vergunningsvereiste gesteld worden.</al><al></al><al>Het eerste lid zou dan als volgt kunnen luiden:</al><al><cursief>1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig
                        een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een
                        vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van
                        openbaar water.</cursief></al><al></al><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al></al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    aansluitplicht voor riolering, drinkwater, elektriciteit e.d. in het Bouwbesluit
                    2012. Dit verplicht namelijk dat bouwwerken met een woonfunctie over een
                    deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Schepen zijn doorgaans geen
                    bouwwerken in de zin van de Woningwet en vallen daarom niet onder de werking van
                    het Bouwbesluit. Ook kunnen krachtens dit lid “welstandseisen” aan woonschepen
                    worden gesteld.</al><al></al><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al></al><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk
                    dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                    verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                    ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie van die
                    ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur en verhuur.
                    De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente Eindhoven als
                    eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan worden ontzegd
                    privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig gebruik van haar
                    eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat overeenstemt met of
                    voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het
                    innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                    gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al></al><al><vet>Pleziervaartuigen</vet></al><al>Uit artikel 5:26 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al></al><al><vet>Woonschepenverordening</vet></al><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening (de APV of een
                    specifieke woonschepenverordening) een basis gecreëerd wordt. De APV is een
                    geschikt middel om een algemene regeling in op te nemen. Een aparte
                    woonschepenverordening ligt meer voor de hand naarmate het aantal woonschepen
                    binnen de gemeente groter is. Een woonschepenverordening is duidelijker voor de
                    betrokken bewoners dan een globale regeling in de APV. De losbladige bundel
                    “Volkshuisvesting, stadsvernieuwing en monumenten” van de VNG bevat een
                    model-Woonschepenverordening. Daarbij is veel informatie over het woonschip
                    opgenomen. Gemeenten die een dergelijke, specifieke woonschepenverordening
                    willen gebruiken, dienen in de artikel 5:26 en 5:27 aan te geven deze artikelen
                    niet gelden voor de schepen waarop de woonschepenverordening van toepassing
                    is.</al><al></al><al>Uitgangspunt van artikel 5:26 is dat het in beginsel is toegestaan met een
                    vaartuig, dus ook een woonschip, een ligplaats in te nemen, te hebben of
                    beschikbaar te stellen binnen de gemeente.</al><al></al><al><vet>Provinciale Landschapsverordening, Wet milieubeheer</vet></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele Provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de
                    Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunning-plichtige
                    inrichting.</al><al></al><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Provinciale landschaps- of
                    woonschepenverordening of de Wet milieubeheer.</al><al></al><al>Daar waar een Provinciale verordening van kracht is, kan het motief
                    landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan
                    de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van
                    nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede
                    lid.</al><al></al><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al></al><al>Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan
                    een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden.
                    Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer.</al><al></al><al><vet>Huisvestingswet</vet></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al></al><al><vet>Binnenvaartpolitiereglement</vet></al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al></al><al><vet>Specifieke regelgeving voor de grote rivieren</vet></al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de
                    model-APV.</al><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al>De APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al><vet>Artikel 5:30 A Gezonken vaartuigen</vet><vet></vet></al><al>Artikel 1.18 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) regelt de verplichting
                    voor de schipper dat hij het vaarwater zo spoedig mogelijk dient vrij te maken
                    indien een schip of drijvend voorwerp is vastgevaren of gezonken. Het
                    achterliggende motief van de BPR is de veiligheid van het scheepvaartverkeer.
                    Het vaarwater in de zin van de BPR is dat gedeelte van een vaarweg dat feitelijk
                    door de scheepvaart kan worden gebruikt. </al><al>Openbaar water in de zin van de APV behelst alle wateren die – al dan niet met
                    enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
                    Deze APV bepaling vormt een oneigenlijke aanvulling op het BPR in die zin dat de
                    gemeente moet kunnen optreden indien een gezonken vaartuig zich bevindt in een
                    gedeelte van het openbaar water dat niet feitelijk door scheepvaart kan worden
                    gebruikt, of indien een vaartuig gezonken is op een relatief diep gedeelte van
                    het openbaar water, waarbij het scheepvaartverkeer niet direct gehinderd wordt. </al><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 5:31 A Grote vaartuigen op de tot het recreatiegebied Vlietland
                        behorende plassen</vet><vet></vet></al><al>De Algemene Politieverordening Leidschendam 1986 voorzag reeds in een bepaling
                    om grote vaartuigen te weren van de plassen in Vlietland. Het ligt voor de hand
                    om deze bepaling ook in de APV Leidschendam-Voorburg op te nemen. Aan de
                    bepaling liggen diverse motieven ten grondslag zoals het beschermen van de
                    recreatie op het water en deze in goede banen te leiden, de veiligheid van de
                    recreanten, het uiterlijk aanzien van de gemeente en de bescherming van de
                    oevers. </al><al>In het derde lid zijn een aantal uitzonderingen op het verbod opgenomen. Sub a
                    en b spreken voor zich. Sub c zondert die vaartuigen uit die een vaarvergunning
                    hebben van het Hoogheemraadschap van Rijnland. </al><al>Het Hoogheemraadschap kent een vergunningstelsel voor een aantal kwetsbare
                    wateren (de zogenaamde ’gele wateren’ op de ANWB waterkaarten) waarbij het varen
                    met een boot die mechanisch wordt voortbewogen alleen is toegestaan met een
                    Algemene Vaarvergunning.</al><al></al><al><vet>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al></al><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al></al><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al></al><al><vet>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</vet></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers.</al><al></al><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag
                    wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 1:1 van de model-APV. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg
                    feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is.</al><al></al><al><vet>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de weg
                        in de zin van de WVW 1994</vet></al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. In de toelichting op artikel 2:25. van de model-APV
                    inzake het houden van een feest of wedstrijd, wordt nader op het regime van de
                    WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de weg ingegaan.</al><al></al><al><vet>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op andere
                        wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994</vet></al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32
                    ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een
                    wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend
                    voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen,
                    medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al></al><al>Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2:25. niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:25.</al><al></al><al><vet>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg</vet></al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de
                    model-APV van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van
                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven
                    omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden.
                    Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die
                    geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al></al><al><vet>2. Wet milieubeheer en APV</vet></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en
                    5:33 van deze model-APV.</al><al></al><al><vet>Wet milieubeheer</vet></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al></al><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al></al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al></al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).</al><al></al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al></al><al>Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al><al></al><al><vet>APV</vet></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al></al><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al></al><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><al></al><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al></al><al><vet>3. Zondagswet</vet></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen.</al><al></al><al>De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek
                    toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als
                    bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al></al><al><vet>4. Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</vet></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch gebied” of
                    “natuurgebied”.</al><al></al><al>De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende terrein als
                    motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het gebruikvoorschrift.
                    Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten behoeve van het
                    motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit
                    terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al></al><al><vet>5. Privaatrechtelijk optreden</vet></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken.</al><al></al><al>Indien van gemeentewege een terrein ter beschikking wordt gesteld voor het
                    crossen, rijst de vraag naar de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid
                    van de gemeente voor ongevallen en andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat
                    het crossterrein niet een weg is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is
                    daarvan wèl sprake, dan is het - behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en
                    148 WVW 1994 - eenvoudigweg verboden aldaar te “crossen”.</al><al></al><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient.</al><al></al><al>In het kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede
                    lid van artikel 5:32 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting van
                    aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel mogelijk
                    beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van het terrein
                    waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein gebruik mag
                    worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit
                    voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid
                    afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                    van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente gevrijwaard is
                    van aansprakelijkheid.</al><al></al><al>Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan
                    haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks-
                    of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                    wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                    wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die vereniging.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al><vet>1. Inleiding</vet></al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</al><al></al><al>Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en
                    fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en
                    fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden
                    verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent
                    vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al></al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen.</al><al></al><al>Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:33 van de model-APV van
                    toepassing.</al><al></al><al>De redactie van artikel 5:33 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om
                    zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te
                    bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar
                    dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al></al><al><vet>2. Maatregelen</vet></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het
                    milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of
                    fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</al><al></al><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al></al><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</al><al></al><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al></al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</al><al></al><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een “natuurgebied” als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend.</al><al></al><al><vet>2.1 Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting
                        krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</vet></al><al>- Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het
                    weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden.</al><al></al><al>In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                    draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De eigenaar
                    van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige maatregelen niet kunnen
                    ontzeggen.</al><al></al><al>Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een openbare weg in de zin
                    der Wegenwet? Hiervoor zijn wij ingegaan op de beperkingen in het gebruik van
                    een openbare weg als gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg.
                    Openbare wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van
                    de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een
                    zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze
                    openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door
                    het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d. bij de toegangen tot die wegen
                    en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze
                    handelwijze kleeft een aantal bezwaren.</al><al></al><al>Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van openbare
                    wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het
                    bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en
                    de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Wij
                    tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor
                    gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet
                    mogelijk is (Kb 26 september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk).</al><al></al><al>Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                    onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                    voorbeeld voetgangers en fietsers (Kb 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt. J.R.
                    Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit
                    worden genomen, zoals hiervoor is beschreven.</al><al></al><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                    gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name
                    landbouwers.</al><al></al><al>Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten van wegen door middel van hekjes
                    en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid van bos- en natuurgebieden voor de
                    brandweer en in verband met onderhoudswerkzaamheden zal verslechteren. Bovendien
                    zullen slagbomen gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten slotte is het plaatsen
                    van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid.</al><al></al><al>- Men zou - in de tweede plaats - kunnen denken aan het plaatsen bij de
                    toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang
                    voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van
                    het Wetboek van Strafrecht wordt verboden: “Verboden toegang voor....; art. 461
                    Wetboek van Strafrecht”.</al><al></al><al>Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen
                    in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt. W.F. Prins,
                    OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432, Verkeersrecht
                    1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek), en HR 23 december
                    1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981, 237, NG 1981, blz. S63,
                    m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al></al><al>- Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van
                    gemotoriseerd verkeer uit natuurgebieden overwogen:</al><al>a. onttrekking van de openbare wegen (“openbaar” in de zin van de Wegenwet) aan
                    het openbaar verkeer volgens de daartoe in de artikelen 9 e.v. van de Wegenwet
                    voorgeschreven procedure; en aansluitend daaraan:</al><al>b. geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in dat gebied
                    voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk door het plaatsen van borden
                    “Verboden toegang voor...., art. 461 Wetboek van Strafrecht”.</al><al></al><al>Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</al><lijst><li nr="*"><al>De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het
                            verkeer openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan
                            verkeersbelangen bij verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten
                            zouden worden. Of deze opvatting juist is, is de vraag.</al></li><li nr="*"><al>Artikel 461 WvSr. is niet op openbare wegen van toepassing.</al></li></lijst><al>Ook de hier bedoelde aanpak stuit overigens op bezwaren, met name in die
                    gevallen dat de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan
                    immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de
                    geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de
                    toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd,
                    indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De
                    particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor
                    voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen
                    machtsmiddelen daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten
                    aanzien van wegen die - zij het ook beperkt - voor het openbaar verkeer
                    toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.</al><al></al><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S
                    145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982, Gst.
                    1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!)
                    de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar
                    van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze
                    plicht wordt verzaakt.</al><al></al><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al></al><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al></al><al><vet>3. Verordening stiltegebieden</vet></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze
                    verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de
                    oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al></al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al></al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van
                    de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al></al><al><vet>4. Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot artikel
                        1 van de Grondwet</vet></al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod “... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten.”</al><al></al><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                    voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                    belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier van
                    justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van motorrijders
                    en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan noodzakelijk voor
                    het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt.</al><al></al><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><al></al><al><vet>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</vet></al><al>Op 23 mei 2003 is artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer in werking
                    getreden. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een ontheffing te
                    verlenen voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Voorheen werd
                    de ontheffing volledig geregeld in artikel 5.5.1 van APV. Nu heeft artikel 5:34
                    (oud 5.5.1) van de APV een aanvullende werking op artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer en biedt de mogelijkheid om een aanvullende ontheffing te verlenen
                    uit oogpunt van openbare orde.</al><al></al><al><vet>Reikwijdte van het verbrandingsverbod en ontheffingsmogelijkheid in de
                        Wm</vet><vet></vet></al><al>Artikel 10.2, eerste lid, van de Wm bepaalt: “Het is verboden zich van
                    afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een
                    inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te
                    verbranden.”. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wm geeft de
                    ontheffingsmogelijkheid:</al><al>“Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de bescherming van het
                    milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2,
                    eerste lid, van de Wm gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door
                    deze buiten een inrichting te verbranden, voorzover het geen gevaarlijke
                    afvalstoffen betreft.”.</al><al>Uit de toelichting en behandeling van de wetswijziging blijkt dat onder het
                    verbrandingsverbod in ieder geval vallen:</al><al>- vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren;</al><al>- het verbranden van snoeihout in het kader van klein landschapsbeheer.</al><al>Meer algemeen gaf de minister bij de behandeling van het nieuwe
                    verbrandingsverbod aan dat snoeihout, fruitsnoeihout en aardappelloof onder de
                    ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn algemeenheid over hout dat
                    men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan
                    ook te bevorderen. Volgens de VNG betekent dit dat bijvoorbeeld ook riet
                    hieronder kan vallen. Voor welke gevallen er nog meer een onheffing kan worden
                    gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, van de Wm is het in ieder geval verboden ontheffing
                    te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Ook is het
                    meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie)
                    uiteraard verboden.</al><al>De minister gaat ervan uit dat gemeenten terughoudend zullen omgaan met de
                    wettelijke ontheffingsbevoegdheid.</al><al></al><al><vet>Voorschriften bij een 10.63 Wm-ontheffing</vet><vet></vet></al><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat:</al><al>- het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving;</al><al>- de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse
                    aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur,
                    zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt;</al><al>- de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en
                    zonsopgang;</al><al>- verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand
                    tot bouwwerken;</al><al>- van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken of zijn
                    plaats-vervanger of de alarmcentrale van de regionale brandweer, ten minste één
                    uur voor de verbranding telefonisch moet worden geïnformeerd.</al><al>Verder dient in de ontheffing te worden verwezen naar artikel 13 Wet
                    Bodembescherming, waarin een algemene zorgplicht voor de bodem is opgenomen, die
                    voor een ieder geldt. Dit houdt in dat de verbranding geen bodemverontreiniging
                    mag veroorzaken. Onder verwijzing naar artikel 13 Wet</al><al>bodembescherming kan een bodembeschermende voorziening worden geëist, zoals
                    bijvoorbeeld een betonplaat of zandbed.</al><al></al><al><vet>Procedure Wet milieubeheer</vet><vet></vet></al><al>In de Wet milieubeheer is geregeld dat de voor de voorbereiding van een
                    Wm-ontheffing in beginsel de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) doorlopen moet worden. Dit is voor een ontheffing als
                    hier aan de orde een zeer omslachtige en tijdrovende procedure. Vandaar dat deze
                    procedure voor ontheffingen op grond van 10.63, tweede lid, van de Wm niet van
                    toepassing is verklaard. Voor deze gevallen wordt teruggevallen op de minimale
                    procedurele eisen van de Awb.</al><al></al><al><vet>Aanvullende werking APV</vet><vet></vet></al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn naast milieuhygiënische argumenten vaak
                    ook openbare orde- en veiligheidsaspecten aan de orde. Artikel 10.63, tweede
                    lid, van de Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en de veiligheid in het geding zijn. Bovendien kunnen de
                    voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing ook alleen dienen ter
                    bescherming van het belang van de bescherming van het milieu. Voor wat openbare
                    orde en veiligheidsaspecten betreft, vult artikel 5:34 daarom de Wet
                    milieubeheer aan.</al><al>Voor het nieuwe artikel 5:34 APV betekent dit concreet het volgende. Lid 3 biedt
                    de mogelijkheid, om naast de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer, een
                    ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid
                    worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan
                    de Wet milieubeheer. De weigeringsgronden worden genoemd in lid 4. Tevens wordt
                    het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te
                    verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te
                    beschermen.</al><al>Daarnaast is er in lid 2 een uitzondering opgenomen op het verbod van lid 1.
                    Hierbij zijn twee punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door
                    middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven of vuur
                    voor koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet
                    milieubeheer. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. In geval van vuurkorven en terrashaarden wordt aangenomen
                    dat hoofdzakelijk gebruik</al><al>wordt gemaakt van houtblokken of briketten, die kant en klaar kunnen worden
                    gekocht, om het vuur te stoken.</al><al>Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van lid
                    2 sub c biedt een handvat om handhavend op te treden.</al><al>De uitzondering in lid 2 betreft een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1
                    regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al></al><al><vet>Afdeling 9 Verstrooing van as</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Bij de algehele herziening van de model-APV in 2002 is deze afdeling hernummerd
                    van 5.8 in 5.6 (nieuw). Reden hiervoor was de al eerdere vervallenverklaring van
                    afdeling 5.6 (oud) over Straatnaamborden, huisnummer e.d. Bij ledenbrief van 25
                    maart 1995, lbr. nr. 95/35, heeft de VNG een modelverordening straatnaamgeving
                    en huisnummering uitgebracht. De oude afdeling 5.7 ging over Gevonden voorwerpen
                    en is vervallen door de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek
                    (artikel 5:5 B.W en volgende) in 1992. Overigens is afdeling 5.6 (nieuw) in 2002
                    slechts beperkt herzien door aanpassingen aan de Wet dualisering gemeentebestuur
                    en de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving</vet></al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie
                    verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al></al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al></al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al></al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al></al><al>Als variant voor het opgenomen artikel in de model-APV kan gekozen worden voor
                    een bepaling waarbij juist wordt aangegeven waar het verstrooien van as is
                    toegestaan. Vanzelfsprekend vraagt de invulling van dit alternatief op een
                    zelfde zorgvuldige benadering als het hierboven genoemde artikel.</al><al><cursief>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</cursief></al><al><cursief>1. Incidentele asverstrooiing is verboden op andere plaatsen dan
                        op:</cursief></al><al><cursief> ...</cursief></al><al><cursief> ...</cursief></al><al><cursief> ...</cursief></al><al><cursief>2. Het college kan een besluit nemen waarin de plaatsen genoemd in het
                        eerste lid voor een bepaalde termijn worden onttrokken aan de mogelijkheid
                        voor asverstrooiing.</cursief></al><al><cursief>3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de
                        asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                        verbod voor het verstrooien op andere plaatsen dan op de plaatsen genoemd in
                        het eerste lid.</cursief></al><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al></al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al></al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al></al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al></al><al><vet>Afdeling 10 Naturisme</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5.7.1. Naaktrecreatie</vet><vet></vet></al><al>Sinds 1986 was een artikel van eenzelfde strekking opgenomen in de Algemene
                    Politieverordening Leidschendam 1986. Met de opname van het artikel en de
                    invoering van artikel 430a in het Wetboek van strafrecht is indertijd een reeds
                    langer bestaande praktijk in het recreatiegebied Vlietland gelegaliseerd.</al><al>Artikel 430a van het Wetboek van strafrecht regelt dat het verboden is om zich
                    ongekleed te bevinden buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor
                    ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats. Hieruit blijkt dat de raad het
                    bevoegde orgaan is om een gebied aan te wijzen voor ongeklede openbare
                    recreatie.</al><al></al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</cursief></vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</vet></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften en de
                    vraag van gemeenten naar meer informatie op dit punt, heeft de VNG hier een
                    algemene introductie opgenomen over bestuurlijk toezicht, bestuursrechtelijke en
                    strafrechtelijke handhaving. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Handhaving algemeen</vet></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort:</al><al></al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de
                    kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de
                    gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                    goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid,
                    betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en
                    maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al></al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><al></al><al><vet>Toezicht</vet></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb.
                    In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen worden aangebracht op de in de
                    algemene regels gegeven bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de
                    Wet wapens en munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al></al><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al></al><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken over
                    de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak medewerking
                    benodigd van de onder toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid, van de Awb
                    is de verplichting van eenieder opgenomen om aan een toezichthouder alle
                    medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening
                    van zijn bevoegdheden. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de
                    medewerkingsplicht. In het tweede lid van artikel 5:20 is opgenomen dat
                    geheimhouders, zoals de arts en de advocaat, niet hoeven mee te werken. Maar ook
                    de verdachte hoeft niet mee te werken. Volgens de regering geldt de plicht
                    namelijk niet na het moment waarop de overheid jegens de betrokkene een
                    handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft
                    kunnen verbinden dat tegen hem strafvervolging wordt ingesteld. “Vanaf dat
                    moment is er sprake van “criminal charge” in de zin van artikel 6 Europees
                    Verdrag van de Rechten van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het
                    zwijgrecht.”</al><al></al><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor dat er
                    toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die onder toezicht staat
                    moet dus goed weten welke “pet” de ambtenaar opheeft. In het geval van toezicht
                    moet een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van opsporing, kan er een
                    beroep op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om
                    aan zijn eigen veroordeling mee te werken.</al><al></al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel 100
                    Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als toezichthouders
                    op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten zij niet alleen
                    toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook
                    op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                    bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                    bouwvergunning.</al><al></al><al><vet>Strafrechtelijke handhaving</vet></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al></al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al></al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al></al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al></al><al><vet>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</vet></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang.</al><al></al><al>In artikel 5:21 van de Awb is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door
                    feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in
                    strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen
                    is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.</al><al></al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere
                    nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al></al><al>Het uitoefenen van bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in
                    overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een
                    onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom
                    “reparatoire sanctie”.</al><al></al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen van
                    voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld
                    geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al></al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te leggen. Het
                    opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van
                    een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna
                    vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is om aan
                    de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom niet mag worden opgelegd
                    zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is
                    ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last
                    dwangsom is niet mogelijk.</al><al></al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk
                    dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien.
                    Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al></al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet
                    . Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden
                    worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid
                    aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving
                    van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van
                    regels.</al><al></al><al><vet>Kabinetsstandpunt “Naar een veilige samenleving”</vet></al><al>In oktober 2002 is door de ministers van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties en Justitie het programma “Naar een veilige samenleving”
                    naar de Tweede Kamer gezonden [Kamerstukken II, 2002-2003, 28 684, nr 1.]. In
                    dit programma wordt aangegeven welke concrete doelstellingen op het gebied van
                    de veiligheid van het publieke domein het kabinet voor 2006 nastreeft en hoe het
                    kabinet die doelstellingen wil bereiken.</al><al></al><al>In het programma wordt door het kabinet een lans gebroken voor versterking van
                    de bestuurlijke handhaving met betrekking tot de kleine ergernissen in het
                    publieke domein. “Naar een veilige samenleving” stelt dat gemeenten een
                    “bijzondere verantwoordelijkheid en een zelfstandige rol” hebben “bij het
                    verbeteren van de veiligheidssituatie die gestalte krijgt op lokaal en
                    wijkniveau, in de woon en leefomgeving van de burgers”. Gemeenten zijn
                    verantwoordelijk voor en worden aangesproken op het organiseren van integraal
                    veiligheidsbeleid, maar beschikken over onvoldoende bestuursrechtelijke
                    instrumenten om dat beleid integraal te handhaven. Vooral de gemeente (en niet
                    zozeer de politie) wordt door de burger aangesproken op overlast en verloedering
                    van het straatbeeld (kleine ergernissen). Verloedering scoort hoog als oorzaak
                    van gevoelens van onveiligheid bij burgers. Het kabinet wil hier iets aan doen
                    door het bestuurlijke toezicht en de handhaving in het publieke domein te
                    versterken middels de invoering van de bestuurlijke boete voor kleine
                    ergernissen.</al><al></al><al><vet>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</vet></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving reeds een aantal
                    bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke
                    instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een scheiding in sancties die
                    erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen
                    (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te
                    treden (punitieve sancties). Bij de herstelsancties gaat het om bestuursdwang
                    [is voor gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet]<vet></vet>en dwangsom
                    [gemeentelijke bevoegdheid op grond van artikel 136 Gemeentewet.]. Deze sancties
                    kunnen alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk
                    is, zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat.</al><al>Het intrekken van een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie)
                    [Onderscheid kan worden gemaakt tussen het intrekken van een begunstigend
                    besluit als sanctie en anderszins, bijvoorbeeld wegens gewijzigde
                    beleidsinzichten of veranderende omstandigheden.] is een voorbeeld van de tweede
                    categorie. De meeste normen die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens
                    van burgers moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of
                    bestuursdwang. Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan
                    geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren
                    problemen op (denk aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig
                    plaatsen van vuilniszakken op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten
                    worden).</al><al></al><al>In mei 2004 heeft de VNG het concept wetsvoorstel bestuurlijke boete kleine
                    ergernissen ontvangen van de ministers van BZK en Justitie met het verzoek
                    hierop te reageren. In het concept wetsvoorstel wordt een stelsel voorgesteld
                    waarin het mogelijk wordt gemaakt dat het gemeentebestuur desgewenst bevoegd
                    wordt tot het opleggen van een bestuurlijke boete in reactie op overtreding van
                    specifieke bij of krachtens formele wet als beboetbare feiten aangewezen
                    APV-normen. Er is dus sprake van een keuze tussen invoering en geen invoering
                    van de bestuurlijke boete.</al><al></al><al>Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen tijde
                    besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van de raad tot
                    intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete treedt echter
                    niet eerder in werking dan na negen maanden na de bekendmaking van het
                    intrekkingsbesluit. Bij het opstellen van de feitenlijst die onder de reikwijdte
                    van de bestuurlijke boete worden gebracht is vooralsnog de model-APV van de VNG
                    als uitgangspunt genomen. Verkeersdelicten, met uitzondering van fout-parkeren,
                    zullen volgens dit voorstel niet onder de bestuurlijke handhaving worden
                    gebracht. Zoals gezegd wordt de lijst met beboetbare feiten door de formele
                    wetgever vastgesteld (bij algemene maatregel van bestuur). Gemeenten kunnen de
                    lijst dus niet aanpassen aan de lokale situatie.</al><al></al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend
                    door het college. Deze bevoegdheid wordt evenwel uitgeoefend door de
                    burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van
                    regels welke hij uitvoert.</al><al></al><al>Tegen de boete-oplegging staat de rechtsgang van de Algemene wet bestuursrecht
                    open. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in dienst van de
                    gemeente, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, te worden opgelegd.
                    Mandateren van deze bevoegdheid aan particuliere toezichthouders is niet
                    toegestaan. De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten
                    zijn zelf verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde
                    boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen, zoals bijvoorbeeld het Centraal
                    Justitieel Incassobureau, inschakelen).</al><al></al><al>In de Memorie van Toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt inzicht gegeven
                    in de financiële implicaties van de introductie van het handhavingsinstrument.
                    De cijfers die hierin worden genoemd geven aan dat tegenover iedere euro aan
                    opbrengsten er 2,5 euro aan investeringen staat. In een reactie op het
                    wetsvoorstel heeft de VNG aangegeven dat dit naar haar mening niet acceptabel
                    is. Om de verhouding tussen investering en opbrengst rechter te trekken heeft de
                    VNG er voor gepleit om ook bepaalde verkeersdelicten (waaronder
                    snelheidsovertredingen) onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete te
                    brengen.</al><al></al><al>Voor wat betreft de verkeershandhaving is er een wetsvoorstel in voorbereiding
                    voor het introduceren van de bestuurlijke boete voor fout parkeren en stilstaan.
                    Hierin wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend om een bestuurlijke boete op
                    te leggen voor “fout parkeren” en “stilstaan”. Deze twee overtredingen, die
                    thans in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
                    (Wahv), oftewel de Wet Mulder, zijn opgenomen, kunnen worden gekenschetst als
                    zogenaamde neutrale ordeningsfeiten. Voor de lokale overheden betekent de
                    bevoegdheid bij deze feiten in punitieve zin op te treden evenwel een belangrijk
                    instrument voor de handhaving van het eigen parkeerbeleid.</al><al>Dit sluit aan bij de brief die op 15 november 2001 door de ministers van BZK,
                    Justitie en V&amp;W aan de Tweede Kamer is gezonden. Hierin is geconcludeerd dat
                    een bestuurlijke boete voor verkeersovertredingen die wordt opgelegd door het
                    lokale bestuur, beperkt dient te blijven tot normatief neutrale ordeningsfeiten.
                    Ernstige verkeersfeiten (waaronder snelheidsovertredingen) dienen daarom te
                    worden uitgesloten. Deze conclusie komt overeen met het standpunt Handhaven op
                    Niveau [Kamerstukken II 1999/2000, 26800 VI, nr. 67.], waarin het kabinet heeft
                    aangegeven dat invoering van de bestuurlijke boete aan de rand van de harde kern
                    van het strafrecht onder omstandigheden een gewenste aanvulling kan zijn op de
                    handhavingbevoegdheden. Op basis hiervan heeft het kabinet geconcludeerd dat de
                    invoering van een door het lokale bestuur op te leggen bestuurlijke boete
                    gewenst is voor een tweetal verkeersovertredingen te weten: “fout parkeren” en
                    “stilstaan”.</al><al></al><al>Ten aanzien van de overige verkeersfeiten wijst de regering er op dat hiervoor
                    reeds een uiterst effectief functionerend systeem van bestuurlijke handhaving is
                    neergelegd in de Wet Mulder. In tegenstelling tot parkeren, dat vaak al door
                    gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren wordt gehandhaafd, verwacht het
                    kabinet geen verbetering van de handhaving van de overige verkeersfeiten als die
                    worden overgebracht naar het lokale niveau. Uitgangspunt van dit systeem is dat
                    de verkeershandhaving eenduidig herkenbaar is voor de weggebruikers. Indien per
                    gemeente verschillende prioriteiten worden gehanteerd, vermindert de
                    effectiviteit van de handhavende overheid. Politie en OM kunnen de benodigde
                    eenduidigheid bevorderen. Versnippering van de handhaving over de
                    gemeentebesturen betekent dat deskundigheid verloren gaat en duur moet worden
                    binnengehaald. Het risico is groot dat dit ten koste gaat van de handhaving van
                    de lastig handhaafbare normen. Politie en Justitie zullen hun invloed op de
                    prioritering van de te handhaven normen moeten inleveren. Bovendien zullen
                    gemeenten bij de verwerking van de boeten geen gebruik kunnen maken van de
                    schaalvoordelen die gelden indien deze verkeersfeiten landelijk uniform worden
                    afgedaan. De doelmatigheid van de verkeershandhaving zal dan verloren gaan. De
                    politie moet actief blijven op de weg, zowel met het oog op verkeersveiligheid
                    als met het oog op andere politietaken. Voor effectieve en efficiënte handhaving
                    rond ernstige verkeersmisdrijven als grove snelheidsovertredingen en agressief
                    rijgedrag is een speciaal toegeruste en niet aan een bepaald gemeentelijk
                    territoir gevonden handhavingorganisatie onontbeerlijk.</al><al></al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het
                    primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie
                    hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke
                    beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine
                    ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke
                    toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen. Veel
                    overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door daders van wie de
                    identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen voor deze zogenaamde
                    “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting bij het wetsvoorstel
                    Wet op de uitgebreide identificatieplicht: toezichthouders in het publiek domein
                    krijgen de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis
                    dat de toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert
                    het geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet
                    voldaan worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in
                    het identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet
                    mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door
                    een maximumboete van euro 1000,00 te stellen.</al><al>In artikel 6:1 heeft Leidschendam-Voorburg de keuze gemaakt voor een enkele
                    strafmaat. Daarmee wordt het advies van Politie en OM gevolgd om in het district
                    van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Zoetermeer en
                    Wassenaar te komen tot het hanteren van dezelfde strafbepaling in artikel 6:1
                    van de APV. De andere districtsgemeenten hadden deze keuze al eerder gemaakt.
                    Argumenten voor deze keuze zijn dat het voor Politie en OM makkelijker werken is
                    met één (maximale) strafmaat en dat de vroegere indeling van artikelen in de ene
                    of de andere categorie vaak niet goed uit te leggen was waardoor de indeling op
                    onderdelen arbitrair oogde. Bij de eis zal het OM altijd rekening houden met
                    alle omstandigheden van het geval (ernst van de overtreding, eerste overtreding
                    of recidive, etc). Ook de rechter zal bij de straf oplegging altijd maatwerk
                    leveren. </al><al><vet>Strafbaarheid rechtspersonen</vet><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 7
                    600).</al><al><vet>Medebewindvoorschriften</vet><vet></vet></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Dat betreft</al><al>• artikel 2:68; overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in
                    artikel 437 en 437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde
                    categorie) en</al><al>• de voorschriften uit afdeling 8a van de APV. Zie daarvoor het algemene
                    gedeelte van de toelichting bij die afdeling.</al><al><vet>Hechtenis?</vet><vet></vet></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzondering)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al><vet>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften</vet><vet></vet></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1:4 van de APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning
                    of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1:4,
                    tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens
                    de APV een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan
                    verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al><vet>Wabo</vet><vet></vet></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11), voor
                    het maken of veranderen van een uitweg (2:12) en voor het vellen van
                    houtopstanden (artikel 4:10 B) vallen bij inwerkingtreding van de Wabo onder de
                    Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d, e en onder g van de Wabo. Het
                    plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10 A) kan neerkomen op het
                    opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j en k van de Wabo,
                    bijvoorbeeld als het gaat om de opslag van puin of bouwmaterialen in containers.
                    Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wabo en wordt aangemerkt als een
                    omgevingsvergunning.</al><al>Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van
                    een omgevingsvergunning op grond van artikel 2:10 A, 2:11, 2:12 of 4:10 B APV.
                    Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                    de Wet economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met
                    deze vier vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van
                    toepassing.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. NB: Dit artikel is in 2002 hernummerd
                    van 6.1a in 6.2. Het oude artikel 6.2 (opsporingsambtenaren) is bij lbr. 98/192
                    vervallen verklaard. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing
                    aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de APV
                    niet (meer) nodig. De aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag
                    voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het
                    kopje Opsporingsambtenaren.</al><al></al><al><vet>Aanwijzen toezichthouders</vet></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al></al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voorzover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al></al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al></al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al></al><al><vet>Het evenredigheidsbeginsel</vet></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al></al><al><vet>Bevoegdheden toezichthouder</vet></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al></al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering
                    maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit
                    voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van
                    gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming
                    van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                    artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het
                    gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften
                    die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                    van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 van de APV wordt
                    deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden
                    van een woning in acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3
                    van de APV zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al></al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al></al><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al></al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                    en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al></al><al><vet>Bijzondere wetten</vet></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt.</al><al></al><al>Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                    bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt.</al><al></al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                    toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners.</al><al></al><al>In bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo
                    hebben toezichthouders in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op
                    grond van artikel 69 van deze wet slechts toegang tot terreinen tussen
                    zonsopgang en zonsondergang. “Terreinen” is daarbij een beperkter begrip dan
                    “plaatsen” van artikel 5:15 Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook
                    bedrijfsgebouwen - hier buiten.</al><al></al><al><vet>Toezicht en opsporing</vet></al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het toepassen
                    van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en strafrechtelijk.
                    Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al></al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al></al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al></al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><lijst><li nr="*"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr="*"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in
                            het WvSv.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Opsporingsambtenaren</vet></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al></al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr="*"><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr="*"><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voorzover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd.</al></li></lijst><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al></al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><al>1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                    betrouwbaarheid;</al><al>2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal (volgens
                    art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al></al><al><vet>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</vet></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al></al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                    medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen
                    437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De in de artikelen 551
                    en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen reeds
                    toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien
                    de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al></al><al><vet>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</vet></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6.2,
                    eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien
                    namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al></al><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6:2 is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners.</al><al></al><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie
                    elementen:</al><al>1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet
                    te worden aangewezen;</al><al>3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                    personen die belast zijn met een opsporings- of toezichthoudende taak in het
                    kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor
                    de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van
                    bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de
                    volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al></al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al></al><al>Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft de volgende artikelen.</al><al>a. artikel 2:3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet openbare
                    manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot het
                    binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld.</al><al>b. de artikelen 2:67 tot en met 2:69, de op de artikelen 437 en 437ter van het
                    WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv
                    bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren (dus niet de
                    buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats hebben waarvan
                    redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de daar genoemde
                    ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht als opsporing.</al><al></al><al><vet>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</vet></al><al><vet>a. Vormvoorschriften</vet></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><lijst><li nr="*"><al>zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al></li><li nr="*"><al>mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1
                            Awbi);</al></li><li nr="*"><al>te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al></li><li nr="*"><al>verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al></li></lijst><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al></al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te
                    beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning
                    binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een
                    machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal
                    drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De minister van
                    Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de
                    circulaire van het Ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294).</al><al></al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij
                    woningontruimingen).</al><al></al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in
                    de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil
                    uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.</al><al></al><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10
                    Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van
                    Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><al></al><al><vet>b. Bevoegdheden</vet></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voorzover dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al></al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                    werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                    uitgevoerd.</al><al></al><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit
                    geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil
                    verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke
                    arm inroepen.</al><al></al><al><vet>c. Het begrip “woning”</vet></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al></al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet. kunnen hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al></al><al><vet>d. Spoedeisende situaties</vet></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming en zonder machtiging
                    gerechtvaardigd.</al><al></al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                    spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op
                    het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan
                    worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al></al><al><vet>e. Mandaat is niet geoorloofd</vet></al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                    gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                    toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de grondwettelijke
                    vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb is
                    mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald
                    of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gezien de zwaarte van deze
                    inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen
                    mandaatverlening verzet (zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al></al><al><vet>f. De strafrechtelijke sanctie</vet></al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><al></al><al><vet>Eerste lid</vet><vet></vet></al><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening
                    vervalt.</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen.</al><al></al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval:</al><al><cursief>“Deze verordening treedt in werking op een door het college nader te
                        bepalen tijdstip.”</cursief></al><al></al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet.</al><al></al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al></al><al>De overgangsbepaling zoals deze nu luidt, is een verregaande vereenvoudiging van
                    de oude regeling. Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de
                    verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, dus de oude verordening. De
                    besluiten waar het om gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het oude eerste
                    lid), voorschriften en beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel
                    1:4 (het oude tweede lid), nadere regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten
                    (het oude zevende lid). </al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc). </al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al></al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al></al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In artikel 2.1.5.1 (voorwerpen op, aan of boven de weg) van de oude APV zijn in
                    het derde lid onder d tot en met h voorwerpen aangewezen waarvoor geen
                    vergunningsplicht geldt. Deze worden na vaststelling van deze nieuwe verordening
                    aangewezen in het “Besluit vergunningsvrije voorwerpen op of aan de weg ex
                    artikel 2:10 D APV”. Het eerste lid in combinatie met het tweede lid regelt het
                    overgangsrecht totdat dit aanwijzingsbesluit inwerking is getreden.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde lid,
                    van de Adr.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>