<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR333162_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Boxtel 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-09-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxtel.nl">Brabants Centrum</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Boxtel 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-09-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Boxtel 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>De weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b.
                                            van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende
                                            en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>De – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>De voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, welke
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>Andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. </al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Openbaar water:</al><al>Alle wateren die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="C."><al>Bebouwde kom:</al><al>Het gebied waarvan de grenzen door de raad zijn vastgesteld op basis van
                            artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="D."><al>Rechthebbende:</al><al>Een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="E."><al>Voertuigen:</al><al>Alle rij- en voertuigen, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijk kleine voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="F."><al>Vaartuigen:</al><al>Alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede
                            woonschepen, glijboten en ponten.</al></li><li nr="G."><al>Woonschepen:</al><al>Schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
                            bestemd.</al></li><li nr="H."><al>Bouwwerk:</al><al>Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij
                            direct of indirect steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="I."><al>Gebouw:</al><al>Elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="J."><al>Handelsreclame:</al><al>Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al></li><li nr="K."><al>Bevoegd gezag:</al><al>Bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen twaalf weken na de datum van
                                ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                                acht weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                                3.3.1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
                                4.3.2. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="2."><al>Indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="3."><al>Indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="4."><al>Indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="5."><al>Indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                            bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Lex Silencio Positivo</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
                            voor de volgende artikelen in deze verordening:</al><al>Artikel 2.1.4.1. Ontheffing van het verbod optreden als
                            straatartiest</al><al>Artikel 5.2.6. Vergunning organisatie snuffelmarkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Lex Silencio Positivo – niet van toepassing</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                            toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:</al><al>Artikel 2.2.2. Vergunning evenementen</al><al>Artikel 2.3.1.2. Exploitatievergunning horeca</al><al>Artikel 2.3.3.1. Exploitatievergunning speelgelegenheden</al><al>Artikel 3.2.1. Vergunning seksinrichting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die op de weg aanwezig is bij enige gebeurtenis
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen
                                        te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester zich
                                        te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of
                                        weggedeelten wanneer deze door of vanwege het bevoegde
                                        bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.2</nr><titel>Gebiedsontzeggingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                        voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of
                                        beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de
                                        veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of
                                        zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een
                                        verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in
                                        dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid
                                        waarvan, het feit is gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid
                                        genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als
                                        bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie
                                        wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit
                                        pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat
                                        verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te
                                        bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de
                                        nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden
                                        opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd
                                        binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op
                                        grond van het eerste of tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid
                                        genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke
                                        omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband
                                        met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                        burgemeester opgelegd verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Betogingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze
                                        gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                        terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                        zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt
                                        dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen
                                        dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de termijn
                                        van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving
                                        ontvankelijk verklaren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens
                                        bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met
                                        uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld
                                        in artikel 5, tweede lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de kennisgeving dient opgave te worden gedaan van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging
                                                houdt/organiseert;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling en de verwachtte opkomst;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                bevorderen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.1, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college gedrukte
                                        of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te
                                        verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen
                                        of bekend te maken op of aan door het college aangewezen
                                        wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan
                                        te duiden dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het
                                        huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in
                                        het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester ten
                                        behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf,
                                        tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door
                                        de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan
                                        te duiden dagen en uren.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr></kop><al><vet>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met
                                        de publi</vet><vet>e</vet><vet>ke functie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of weggedeelte anders te
                                            gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie
                                            daarvan, als:</al></li><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke
                                            eisen van welstand.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien
                                            van uitstallingen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen
                                            voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover
                                            dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2,
                                            eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Evenementen als bedoeld in artikel 2.2.2;</al></li><li nr="b."><al>Standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.5;</al></li><li nr="c."><al>Straatartiesten als bedoeld in artikel
                                                  2.1.4.1.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet
                                            voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                            artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal
                                            wegenreglement.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college
                                        een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in
                                        een bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste
                                        uitweg en een foto van de bestaande situatie
                                        overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de
                                        melding weten of het college aan de gewenste uitweg
                                        voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het geheel
                                        niet kan worden gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg
                                        indien door het realiseren ervan: </al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
                                                het wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                                onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden
                                                gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of
                                                dreigt te worden geschaad.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college weigert de aanleg van de uitweg als de gewenste
                                        situaties voor het verkeer, het gebruik of de kwaliteit van
                                        de openbare ruimte zoals bedoeld onder lid 5 onvoldoende
                                        door voorschriften zijn te waarborgen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college stelt de indiener van de melding binnen zes
                                        weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de
                                        voorschriften als bedoeld in het vierde lid of weigering van
                                        de aanleg als bedoeld in het zesde lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                        Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                        veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als de omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                        activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan of
                                        voorbereidingsbesluit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>door het college in overige gevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij
                                        het uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek
                                        van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                        Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de
                                        Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden
                                        dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig
                                        meter daarvan gedurende de door het college aangewezen
                                        periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel
                                        in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter
                                        daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of
                                        smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te
                                        laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder
                                        3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte, erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                        openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld
                                        in het eerste lid, hun besluit bekend over te gaan tot het
                                        doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of
                                        voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Verplichtingen plantgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die een recht van beplanting op een weg heeft is
                                        verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>van zijn voornemen tot het planten, vellen of rooien van
                                        beplanting op de weg ten minste dertig dagen van tevoren
                                        schriftelijk kennis te geven aan het college;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich bij dat planten, vellen of rooien te gedragen
                                        overeenkomstig de voorschriften, die hem door het college
                                        gegeven zijn in het belang van de veiligheid van het
                                        wegverkeer;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gevolg te geven aan de schriftelijke lastgeving van het
                                        college binnen de bij die last te bepalen termijn de bomen,
                                        struiken, takken of wortels, die voor het gebruik van de weg
                                        gevaarlijk zijn, te verwijderen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bomen of struiken die dood, omgewaaid of afgebroken zijn,
                                        onverwijld te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor gevallen
                                        waarin het Provinciaal Wegenreglement Noord-Brabant van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen; </al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5.2.6 van deze
                                            verordening; </al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen; </al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.1 en 2.3.3.1
                                            van deze verordening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een al dan niet besloten feest of al dan niet besloten wedstrijd
                                    op of aan de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                    artikel 2.1.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast; </al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen; </al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede
                                    lid, onder c, van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
                                    juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een vergunning wordt verleend, heeft de houder van de
                                    evenementenvergunning voor de activiteiten die op grond van deze
                                    of enige andere gemeentelijke verordening vergunningsplichtig
                                    zijn of waarvoor een ontheffing of vrijstelling nodig is, geen
                                    vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig voor de
                                    activiteiten die in de vergunning zijn vermeld en die
                                    plaatsvinden in of op de evenementenlocatie zoals aangegeven in
                                    de vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Vergunningsvrije evenementen</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr=""><al>1.Voor de volgende evenementen is geen vergunning
                                            vereist:</al></li><li nr="a."><al>kleinschalige evenementen waaronder wordt verstaan op
                                            en/of aan de openbare weg gehouden voor een beperkt
                                            publiek bedoelde evenementen, zoals buurtbarbeques,
                                            buurtfeesten, straatspeeldagen en andere kleinschalige
                                            (straat)feesten;</al></li><li nr="b."><al>eendaagse evenementen mits het bezoekersaantal niet meer
                                            bedraagt dan 100 personen, gehouden wordt tussen 9.00 en
                                            22.00 uur en het evenement niet plaatsvindt op de
                                            rijbaan van een doorgaande weg;</al></li><li nr="c."><al>beurzen, tentoonstellingen, markten en/of
                                            sportwedstrijden gehouden in gebouwen;</al></li><li nr="d."><al>een optocht.</al><lijst><li nr="2."><al>De evenementen genoemd in lid 1 dienen tenminste
                                                  drie weken voor het tijdstip waarop het evenement
                                                  plaatsvindt schriftelijk bij de burgemeester te
                                                  worden gemeld. De burgemeester kan in bijzondere
                                                  omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                                  termijn verkorten en/of een mondelinge melding
                                                  ontvankelijk verklaren.</al></li><li nr="3."><al>Bij de melding dient opgave te worden gedaan
                                                  van:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de naam en adres van degene/organisatie die het
                                            evenement organiseert;</al></li><li nr="b."><al>het doel van het evenement;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het evenement wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats c.q. de route waar het evenement wordt
                                            gehouden;</al></li><li nr="e."><al>de maatregelen die de organisator zal treffen om een
                                            regelmatig verloop te bevorderen;</al></li><li nr="f."><al>de overige gegevens die van belang kunnen zijn voor een
                                            concrete beoordeling van de melding;</al></li><li nr="g."><al>de activiteiten die zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="h."><al>maatregelen die degene/organisatie die het evenement
                                            organiseert, zal treffen om een regelmatig verloop te
                                            bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor activiteiten die op de melding zijn vermeld en waarvoor op
                                    grond van deze of enige andere gemeentelijke verordening,
                                    vergunningsplichtig zijn of waarvoor een ontheffing of
                                    vrijstelling nodig is, heeft de degene/organisatie die het
                                    evenement organiseert geen vergunning, ontheffing of
                                    vrijstelling nodig mits die activiteiten plaatsvinden in of op
                                    de evenementenlocatie zoals aangegeven in de melding en niet
                                    door de burgemeester zijn verboden .</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan het evenement verbieden in het belang
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid en/of veiligheid van personen en/of
                                    goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid en/of gezondheid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd in verband met de belangen genoemd in
                                    lid 5 nadere voorschriften te stellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het is verboden het evenement te laten plaatsvinden, feitelijk
                                    te leiden of daaraan deel te nemen indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van
                                    dit artikel is gedaan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding
                                    zijn verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gehandeld wordt is strijd met de nadere voorschriften zoals
                                    bedoeld in lid 6;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de burgemeester het evenement op grond van lid 5 heeft
                                    verboden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf
                                            verstaan:</al></li></lijst><al>de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen
                                    voor directe consumptie <cursief>ter plaatse</cursief> worden
                                    bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder
                                    geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                    snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder gemeenschapshuis en sportkantine wordt verstaan
                                            hetgeen wat de Drank &amp; Horecawet in deze onder
                                            dergelijkeparacommerciële rechtsperso(o)n(en)
                                            verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt
                                            mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de
                                            andere aanhorigheden.</al></li><li nr="4."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                            besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                            horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en
                                            waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
                                            en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                            bereid en/of verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene
                                            die een horecabedrijf exploiteert op grond van het
                                            bepaalde in artikel 2.3.1.2.</al></li></lijst><al> 6. In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al><al>a. de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
                                    bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                    zijlijn tot en met de derde graad;</al><al>b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                    artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatie horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                        vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid, indien de vestiging of exploitatie van het
                                        horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                        oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie
                                        in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde
                                        op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf dat zich
                                        bevindt in:</al><lijst><li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het
                                                horecabedrijf een nevenactiviteit vormen van de
                                                winkelactiviteit;</al></li><li nr="b."><al>een zorginstelling;</al></li><li nr="c."><al>een museum; of</al></li><li nr="d."><al>een bedrijfskantine of -restaurant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in lid 3 genoemde weigeringsgrond
                                        houdt de burgemeester rekening met het karakter van de
                                        straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal
                                        zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning
                                        waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot
                                        zal komen te staan door de exploitatie van het
                                        horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden,
                                        tevens over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van
                                        het terras.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vijfde lid kan de
                                        burgemeester de in het zesde lid bedoelde ingebruikneming
                                        van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf
                                        behorende terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                                van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan vormen voor
                                                het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het zesde en zevende lid geldt niet voor
                                        zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                        Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van toepassing
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid, indien de houder geen verklaring omtrent gedrag
                                        overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de
                                        vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven op alle dagen van de week tussen
                                        02.00 uur en 06.00 uur, uitgezonderd 1 januari.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gemeenschapshuis dient op alle dagen van de week
                                        uiterlijk om 01:00 uur gesloten te zijn.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een sportkantine dient op alle dagen van de week uiterlijk
                                        om 00:00 uur gesloten te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een horecabedrijf in of bij een sportaccommodatie dient op
                                        alle dagen van de week, gezien de ondergeschikte functie, om
                                        00:00 gesloten te zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een horecabedrijf in of bij een sociaal-cultureel centrum
                                        dient op alle dagen van de week, gezien de ondergeschikte
                                        functie, om 01:00 uur gesloten te zijn. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan, eventueel onder het stellen van nadere
                                        regels, straten, gebieden of horecabedrijven aanwijzen waar
                                        of waarvoor het verbod van lid 1 niet geldt voor de nacht
                                        van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag voor de
                                        tijd tussen 02.00 uur en 03.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een
                                        vergunningsvoorschrift ander sluitingstijden vaststellen
                                        voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                        sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het gestelde in lid 1 tot en met 3 geldt niet voorzover in
                                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                        milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.3 geldende sluitingsuren vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel
                                        13b Opiumwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                        tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.3 of ingevolge
                                        een op grond van artikel 2.3.1.4 genomen besluit gesloten
                                        dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een horecabedrijf:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>orde te verstoren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens het eerste lid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen
                                        die geen gebruik maken van zitplaatsen die aanwezig zijn op
                                        het terras.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Toegang ambtenaren belast met toezicht</titel></kop><al>De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen,
                                    dat ambtenaren van de politie, dan wel andere door het college
                                    of de burgemeester aangewezen personen die belast zijn met het
                                    toezicht op naleving van het bepaalde of krachtens deze
                                    verordening, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang
                                    hebben tot zijn bedrijf:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend
                                            is; dan wel</al></li><li nr="b."><al>gedurende de tijd dat een bedrijf gesloten dient te zijn
                                            en indien die ambtenaren van politie, dan wel andere
                                            door het college of de burgemeester aangewezen personen,
                                            die belast zijn met het toezicht op naleving van het
                                            bepaalde of krachtens deze verordening, hun vermoeden
                                            uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.4.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                            mogelijkheid van nacht verblijf of gelegenheid tot
                                            kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon
                                    is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het
                                    Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens
                                    het door de burgemeester vastgestelde model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
                                        Onder speelgelegenheid wordt niet verstaan een
                                        speelautomatenhal als bedoeld in artikel 30c, eerste lid.,
                                        onder b, van de Wet op de Kansspelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de Minister van Justitie of de
                                        Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de mogelijkheid wordt geboden om
                                        het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op
                                        de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten
                                        als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                        handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op
                                        de kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                        en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of
                                        de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                        beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is
                                        met een geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al>Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr=""><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                            a van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>Opstelplaatsenbeleid:</al></li><li nr="a."><al>in hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, waarvan maximaal twee
                                            kansspelautomaten;</al></li></lijst><al>b in laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                    geheel niet zijn toegestaan.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Overlast</titel></kop><al>Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat een ander
                                onaanvaardbare overlast wordt bezorgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet
                                    voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten
                                    woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij
                                    die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
                                    toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid en tweede lid bedoelde verbod geldt niet
                                    voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal
                                    wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3.</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een
                                                  onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, te
                                                  bekrassen of te bekladden of te doen bekrassen of
                                                  bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming
                                                  van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte
                                                  van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar
                                                  is:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding, aan te plakken of te doen plakken of op
                                            andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing,
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    dienst eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of
                                    openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                    aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of
                                    verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing,
                                    indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet
                                    zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden
                                    in artikel 2.4.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben
                                    lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander
                                    gereedschap, voorwerp of middel, dat er toe kan dienen zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of
                                    middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                            beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ieder die door gedrag of handeling zich gedraagt of handelt
                                    in strijd met het bepaalde in het voorgaande lid is verplicht op
                                    een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voorpersonen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                    artikel 2.3.1.1, eerste lid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tegen de wil van de bewoner, eigenaar of de
                                    gebruiker van een gebouw zich te bevinden op een stoep of
                                    vensterbank of te leunen tegen een deur of raam dan wel op
                                    andere, voor de bewoner of gebruiker storende wijze gebruik te
                                    maken van een gebouw of een gedeelte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ieder die door gedrag of handeling zich gedraagt of handelt
                                    in strijd met het bepaalde in het voorgaande lid is verplicht op
                                    een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                    hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                    toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                    vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze
                                    te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan
                                    waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die door gedrag of handeling zich gedraagt of handelt
                                    in strijd met het bepaalde in het voorgaande lid is verplicht op
                                    een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Overlast fietsen, bromfietsen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets of
                                    een soortgelijk voertuig te plaatsen of te laten staan tegen een
                                    raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel
                                    in de ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                            de gebruiker van dat gebouw of die portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of soortgelijk voertuig
                                    op zodanige wijze op een voetpad of trottoir te plaatsen of te
                                    laten staan dat de doorgang daardoor wordt belemmerd of overlast
                                    ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, achter te laten of te laten staan in de voor stalling
                                    van fietsen of bromfietsen bestemde ruimten of op de daarvoor
                                    bestemde plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden op de door het college of op de door de
                                    burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of
                                    bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, kermis,
                                    uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke
                                    publiek trekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van
                                    een gebouw of woonwagen op te houden met de kennelijke bedoeling
                                    deze persoon dan wel een zich in dit gebouw of deze woonwagen
                                    bevindende persoon, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw of woonwagen
                                    bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                            duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan wegen of terreinen aanwijzen waarvoor de in het
                                    eerste lid gestelde verboden niet of niet geheel gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat geleiden en de hond als
                                    zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                                    houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet binnen de
                                    bebouwde kom:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid,
                                    sub a gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of
                                    houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                    onmiddellijk worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan wegen aanwijzen, waar het verbod onder lid 1,
                                    sub a niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene, die zich met een hond op of aan de weg bevindt, is
                                    verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben, dat
                                    geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan kunnen eisen stellen waaraan het in het vierde
                                    lid bedoelde hulpmiddel minimaal moet voldoen om doeltreffend te
                                    zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de
                                            eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die
                                            hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een
                                            aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                            noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
                                            nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                            bekendgemaakt, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                            acht en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met
                                            het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2.4.12, eerste lid onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn
                                    voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand, dat de
                                    eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                            d, van de Reling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de
                                    Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen
                                    aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast
                                    of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                    aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel </al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van
                                            schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan
                                            wel </al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                    aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is
                                    aangegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerend goed, gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente, ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Loslopend vee en pluimvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden
                                door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                            gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen
                                    of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Vernietiging van rupsen en -nesten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, hetzij bij openbare kennisgeving ten aanzien
                                    van het gehele gebied van de gemeente of van bepaalde delen
                                    daarvan, hetzij bij persoonlijke kennisgeving aan de
                                    rechthebbende van een of meer bepaalde percelen mededelen, dat
                                    zij het noodzakelijk acht dat aldaar in bomen of ander houtgewas
                                    voorkomende rupsen en rupsennesten verwijderd en vernietigd
                                    worden voor een bij die kennisgeving bepaalde datum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op percelen binnen het bij die openbare
                                    kennisgeving aangewezen gebied of van de in de persoonlijke
                                    kennisgeving aangeduide percelen is verplicht vóór de door het
                                    college bepaalde datum te zorgen, dat de in bomen of ander
                                    houtgewas op zijn perceel voorkomende rupsen en rupsennesten
                                    verwijderd en vernietigd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Messen, katapulten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg voorwerpen bij zich te hebben
                                    dan wel te verkopen of te koop aan te bieden die het college in
                                    het belang van de openbare orde of veiligheid heeft aangewezen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het vorige lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    wapens en munitie van toepassing is. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover
                                    dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester
                                        of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                                        maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn
                                        woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door
                                        hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a.
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>horecabedrijf: het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1,
                                    eerste en tweede lid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college waar het
                                    bedrijf is of zal worden gevestigd in de uitoefening van een
                                    bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te
                                    stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te
                                    houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang
                                    van het voorkomen of beperken van overlast en wordt geweigerd
                                    indien de aanvraag betrekking heeft op de aflevering van
                                    vuurwerk rond de jaarwisseling en voor die periode reeds 7
                                    vergunningen verleend zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Het schieten van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met
                                    vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden
                                    zodanig dat gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden
                                    veroorzaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    Milieubeheer, Wet wapens en munitie, Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Ter beschikking stellen van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf carbid ter beschikking te stellen dan wel voor het
                                    ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een
                                    vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is
                                    of zal worden gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang
                                    van het voorkomen of beperken van overlast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt ook voor het particulier
                                    ter beschikking stellen dan wel voor het ter beschikking stellen
                                    aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en derde lid geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet
                                    milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of
                                    het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het
                                bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.5.1, 2.1.6.2, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8,
                                2.4.9, 2.6.3 en/of 5.5.1 van deze verordening groepsgewijs niet
                                naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>9.2 Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet Openbare
                                    Manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid, eveneens ten aanzien van de navolgende voor eenieder
                                    toegankelijke plaatsen: parkeergarages en parkeerterreinen in de
                                    openlucht</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- &amp; horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Begripsbepaling voor Bijzondere bepalingen over
                                    horecabedrijven als bedoeld in de Drank &amp; Horecawet</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting,
                                paracommerciële rechtsperso(o)n(en), sterke drank, slijtersbedrijf
                                en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in
                                de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Schenktijden paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten
                                    van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank
                                    op maandag tot en met zondag vanaf 12.00 uur tot 00.00 uur, of
                                    indien er sprake is van een ontheffing zoals bedoeld in artikel
                                    2.3.1.3. lid 8 van deze verordening, tot aan de sluitingstijd
                                    zoals bepaald in de ontheffing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op
                                    sociaal-culturele, recreatieve, educatieve of
                                    levensbeschouwelijke / godsdienstige activiteiten schenken
                                    uitsluitend alcoholhoudende drank op maandag tot en met zondag
                                    vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur, of indien er sprake is van een
                                    ontheffing zoals bedoeld in artikel 2.3.1.3. lid 8 van deze
                                    verordening, tot aan de sluitingstijd zoals bepaald in de
                                    ontheffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1b</nr><titel>Schenktijden horecabedrijven bij sportaccommodaties en
                                    sociaal-culturele centra.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Inrichtingen waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend,
                                        niet zijnde een paracommerciële inrichting, welke deel
                                        uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in hoofdzaak in
                                        gebruik is bij één of meer sportorganisaties of
                                        –instellingen, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank
                                        op maandag tot en met zondag vanaf 12.00 uur tot 00.00 uur,
                                        of indien er sprake is van een ontheffing zoals bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.3 lid 8 van deze verordening, tot aan de
                                        sluitingstijd zoals bepaald in de ontheffing. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Inrichtingen waarin het horecabedrijf wordt
                                        uitgeoefend, niet zijnde een paracommerciële inrichting,
                                        welke deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in
                                        hoofdzaak in gebruik is bij één of instellingen die zich
                                        richten op sociaal-culturele, recreatieve, educatieve of
                                        levensbeschouwelijke / godsdienstige activiteiten,
                                        verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op maandag tot
                                        en met zondag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur, of indien er
                                        sprake is van een ontheffing zoals bedoeld in artikel
                                        2.3.1.3 lid 8 van deze verordening, tot aan de sluitingstijd
                                        zoals bepaald in de ontheffing. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.2</nr><titel>Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke
                                    mededinging. Voor vrijwilligers kan maximaal vijf keer per jaar
                                    een feest worden georganiseerd, ongeacht of het 1, meerdere, dan
                                    wel alle vrijwilligers betreft, het feest moet wel in relatie
                                    staan met de werkzaamheden van de vrijwilliger(s) in de
                                    paracommerciële instelling en mag geen bijeenkomst van
                                    persoonlijke aard betreffen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden,
                                        met uitzondering van raamprostitutie. Onder een
                                        seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch
                                        pornografische aard aan particulieren plegen te worden
                                        verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>raamprostitutiebedrijf: een inrichting met één of meer ramen
                                        van waarachter de prostituee tracht de aandacht van
                                        passanten op zich te vestigen;</al></li><li nr="g."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="h."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een
                                        seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="i."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2
                                        van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk
                                nadere regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="c."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="d."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="e."><al>het aantal werkzame prostituees;</al></li><li nr="f."><al>plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting
                                            door middel van een situatietekening met een schaal van
                                            tenminste 1:1000;</al></li><li nr="g."><al>de plattegrond van de seksinrichting door middel van een
                                            tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al></li><li nr="h."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                            Kamer van Koophandel; en</al></li><li nr="i."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                            tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                            seksinrichting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag handelt om een exploitatievergunning voor een
                                    escortbedrijf, kan volstaan worden met het overleggen van de
                                    gegevens zoals vermeldt onder lid 2 sub a, b en c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder;</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in
                                    een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door
                                    een rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan
                                    wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                    Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                    artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                    toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 Euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 273a,250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis,
                                    426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    gelijkgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor tenminste één maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.2.1, eerste lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    op alle dagen van de week tussen 02.00 uur en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 van deze verordening, voor een
                                    afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                    toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                        belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                        dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht, maakt het</al></li></lijst><al>bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit
                                openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                    seksinrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),XIII
                                    (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling),
                                    XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het
                                    Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                    munitie; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straat- en raamprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, door handelingen, houding,
                                    woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te
                                    bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een raamprostitutiebedrijf te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de
                                    gemeente<cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><vet>goederen, </vet><vet>afbeeldingen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid
                                        van de Grondwet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn en weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid binnen zestien
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    zestien weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3.2.2 gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>door inwilliging van de aanvraag het aantal verleende
                                    vergunningen ex artikel 3.2.1, eerste lid, meer zal bedragen dan
                                    twee.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                    het woon- en leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostituee.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>ndien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder
                                b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het
                                bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien de exploitant het bestuursorgaan hiervan vooraf in
                                kennis heeft gesteld onder vermelding van de persoonsgegevens als
                                bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, en het bevoegde
                                bestuursorgaan na toetsing van de melding aan het gestelde in
                                artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a de melding heeft
                                aanvaard, dan wel na de melding 12 weken zijn verstreken.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals
                                        Koninginnedag, carnaval, kermis, etc.;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door de burgemeester per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beperking met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening op sportterreinen als bedoeld in artikel 4.113
                                    van het Besluit, geldt niet voor door de burgemeester per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid,
                                    kan de burgemeester bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
                                    één of meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
                                    het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                    inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit de burgemeester daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beperking met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening op sportterreinen als bedoeld in artikel 4.113
                                    van het Besluit, geldt niet voor de in het eerste lid bedoelde
                                    incidentele festiviteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Incidentele festiviteiten zijn alleen mogelijk op vrijdag en
                                    zaterdag en daarnaast op zondag tot uiterlijk 23.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester wijst een festiviteit niet aan als incidentele
                                    festiviteit indien aan de inrichting ten tijde van de
                                    kennisgeving een last onder dwangsom dan wel onder bestuursdwang
                                    is opgelegd met betrekking tot overtreding van
                                    geluidsvoorschriften.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de
                                    kennisgeving als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer
                                    het in het vijfde lid bedoelde formulier, volledig en naar
                                    waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat
                                    formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer de
                                    burgemeester op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluid- of lichthinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college buiten een
                                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of
                                    geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten op een zodanig wijze dat voor een omwonende of
                                    overigens voor de omgeving geluid- of lichthinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Diegene die buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover de Wet geluidhinder, de
                                    Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het reglement Verkeersregels en
                                    Verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing is.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en putten buiten</titel></kop><al><vet>gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen, een
                                    grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een
                                    beplanting van bosplantsoen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>hakhout: één of meer bomen of boomvormers die na te zijn geveld
                                    opnieuw op de stronk uitlopen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwars doorsnede
                                    van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,30 meter hoogte
                                    boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de
                                    dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant
                                    of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld worden
                                    voor plant materiaal kleiner dan 10 centimeter dwars doorsnede
                                    op 1,30 meter boven maaiveld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>knotten/kandelaberen: het tot de oude snoeiplaats verwijderen
                                    van uitgelopen takken bij knotbomen, gekandelaberde bomen of
                                    leibomen als periodiek onderhoud;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>boomwaarde: het bedrag dat gevonden wordt door het product van
                                    de volgende factoren:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de oppervlakte in cm² van de dwarsdoorsnede op 1,30 meter boven
                                    het maaiveld;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de geïndexeerde eenheidsprijs per cm²;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de standplaatswaarde;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de conditiewaarde;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de waarde van de plantwijze;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (synCerato cystisulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytuscolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede verrichten van handelingen,
                                    zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige
                                    beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen
                                    hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                        houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs
                                        landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                        niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="b."><al>fruitbomen, tenzij als hoogstamboomgaarden van meer dan 4
                                        exemplaren en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te
                                        dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor bestemde
                                        terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                        geveld;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                        buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                        zelfstandige eenheid vormt die:</al></li><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                        gerekend over het totale aantal</al></li></lijst><al> rijen;</al><lijst><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of op last
                                        van het college dan wel het bevoegd gezag;</al></li><li nr="h."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                        reguliere onderhoud;</al></li><li nr="i."><al>het periodiek knotten en kandelaberen als cultuurmaatregel
                                        bij daarvoor geschikte bomen en boomsoorten;</al></li><li nr="j."><al>het vellen van houtopstanden in achtertuinen waarvan de
                                        oppervlakte niet groter is dan 60 m² en/of de diepte niet
                                        groter is dan 10 meter;</al></li><li nr="k."><al>het vellen van de soorten berk, acacia, populier en wilg in
                                        voor- of zijtuinen die, gemeten vanaf de gevel, niet dieper
                                        zijn dan 4 meter;</al></li><li nr="l."><al>hagen in en om tuinen;</al></li><li nr="m."><al>alle schubconiferen;</al></li><li nr="n."><al>houtopstanden voor het vellen waarvan uit andere hoofde een
                                        vergunning is vereist;</al></li><li nr="o."><al>houtopstanden waarvan het bevoegd gezag in het kader van
                                        voorzieningen van openbaar nut, waaronder wegen en
                                        reconstructies van wegen begrepen, hebben aangegeven dat
                                        deze voor de uitvoering daarvan kunnen worden geveld.</al></li><li nr="p."><al>houtopstanden die in het kader van het Groenconvenant zijn
                                        aangelegd, mits een voorgenomen kap tenminste twee weken van
                                        tevoren schriftelijk is gemeld aan het bevoegd gezag en
                                        tevens is aangeduid dat de houtopstanden op grond van dit
                                        convenant zijn aangelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de team-manager van de Landelijke Service bij Regelingen
                                    (LASER) aan het bevoegd gezag een afschrift heeft toegezonden
                                    van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de
                                    Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een
                                    vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder
                                    voorschriften verlenen in het belang van onder meer:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften
                                    verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering
                                    hanteren. De motivering verwijst zoveel mogelijk naar
                                    gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of
                                    landschapsplannen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Openbaarmaking</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken
                                indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na afgifte volledig
                                gebruik is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                                    voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                    door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen, moet worden
                                    herplant, alsmede financiële voorwaarden zoals jaarlijks
                                    vastgelegd in de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van
                                    Bomentaxateurs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                    aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand
                                    voorkomende flora en fauna.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.8</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is
                                    gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                    grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die
                                    uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is,
                                    de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door
                                    hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                    in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                    overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor deze
                                    bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede of derde lid is opgelegd alsmede diens rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.9</nr><titel>Afstand van de erfgrenslijn</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek
                                wordt vastgesteld op 2 meter voor bomen en nihil voor hagen en
                                heesters.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.10</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers,
                                    is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor zover de Natuurbeschermingswet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in
                                    voorraad te hebben of te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout
                                    en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het onder lid 1a
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering</titel></kop><structuurtekst><al>.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Handelsreclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling worden onder kampeermiddel verstaan:</al><al>Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning in de
                                zin van artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college ten behoeve
                                    van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of
                                    geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in
                                    het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd
                                    in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4.5.2 eerste lid, niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4.5.2 derde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                        rolstoelen.</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van voertuigen anders dan
                                        gedurende de tijd dit nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden zonder
                                    ontheffing van het college:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25
                                    meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college op door het
                                college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren
                                met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                verhandelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereen volgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Het is verboden zonder ontheffing van het college een
                                    woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen,
                                    keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan
                                    wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                                    verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                    hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar hun
                                    oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                    beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het
                                    Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant of de
                                    Landschapsverordening Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college een voertuig dat
                                is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te
                                parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te
                                maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Grote en uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college een voertuig
                                    dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
                                    meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:</al><lijst><li nr="a."><al>op een door het college aangewezen weg, waar dit naar
                                            hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                            de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen weg, waar dit
                                            parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op
                                            de verdeling van beschikbare parkeerruimte;</al></li><li nr="c."><al>op de weg bij een voor bewoning of ander voor dagelijks
                                            gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                            het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat
                                            gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid verbod geldt niet gedurende de tijd die
                                    nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden
                                    waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid onder b gestelde verbod geldt niet op
                                    werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00
                                    uur tot 18.00 uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                    parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college met een
                                    voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen als bedoeld in artikel 5.1.1, onder a.;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                    van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                    bestemd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, verkoop van goederen aan huis, standplaatsen en
                                snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of
                                    gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan onder door hen te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                    instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Verkoop van goederen aan huis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                    uitoefening van handel aan huis goederen te koop aan te bieden,
                                    te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aan zien
                                    van het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                    die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Winkeltijdenwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en op maandag t/m zaterdag
                                    tussen een uur na zonsondergang tot een uur voor
                                    zonsopgang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan voor de periode maart tot en met september
                                    aan een ijscoventer een ontheffing verlenen van het in lid 2
                                    gestelde verbod. Hierop zijn van toepassing de in lid 2 genoemde
                                    tijden aangevuld met zondagen na 13.00 uur tot een uur voor
                                    zonsondergang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.3 geldt niet voor venten met gedrukte
                                    of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                                    geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                            daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de
                                    weg of aan een openbaar water dan wel op een andere – al dan
                                    niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke en in de
                                    open lucht gelegen plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                    standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening
                                    van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om
                                    deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan
                                    publiek;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>tijdens de maandelijkse kleindierenmarkt goederen te koop te
                                    vragen, te kopen en te betrekken in de daarvoor door het college
                                    aan te wijzen wegen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan,
                                    dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt
                                    of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten
                                    aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                    stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt
                                    ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op
                                    de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks
                                    gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een
                                    evenement als bedoeld in artikel 2.2.2, of voor het organiseren
                                    van een markt als bedoeld in artikel 5.2.6.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer, de Woningwet, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement
                                    Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat
                                    door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                    komt;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                    standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een
                                    Wet-milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen
                                    toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag
                                    waarop de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag
                                    is genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.6</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>in of op een – al dan niet met enige beperking – voor
                                            het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te
                                            organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige
                                            goederen worden verhandeld; </al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                            geven, dat in of op een – al dan niet met enige
                                            beperking – voor publiek toegankelijk gebouw of plaats
                                            met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel
                                            standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                            publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor door verenigingen, scholen, buurthuizen en dergelijke niet
                                    commerciële organisaties, georganiseerde rommelmarkten waarvan
                                    de opbrengst uit verkoop uitsluitend bestemd is voor het doel
                                    van de eigen organisatie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van een krachtens de Gemeentewet
                                            ingestelde markt.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Gebruik van openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te
                                    plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de verordening op de
                                    waterhuishouding Noord-Brabant 1997, het Reglement voor politie
                                    voor het Beatrix-kanaal of de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieu-hygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de verordening op de
                                    waterhuishouding Noord-Brabant 1997 of de Landschapsverordening
                                    Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de verordening op de waterhuishouding
                                    Noord-Brabant of de Landschapsverordening Noord-Brabant van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede
                                lid en 5.3.3 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de verordening op de
                                    waterhuishouding Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of de verordening op de
                                    waterhuishouding Noord-Brabant van toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                    parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare
                                    terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het
                                    rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z,
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of met
                                    een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of met een
                                    fiets of een paard, aldaar overlast kan veroorzaken of schade
                                    kan berokkenen aan milieuwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college op krachtens
                                    het eerste lid aangewezen plaatsen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het
                                    vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan
                                    wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets
                                    of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid
                                    tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers
                                    of berijders van paarden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de
                                    minister van verkeer en waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van
                                    percelen, die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste
                                    lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d. bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de provinciale milieuverordening
                                    aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die
                                    bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                                    "toestel".</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college in de open
                                    lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichting in de zin van
                                    de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken
                                    of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ontheffing bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde en veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als
                                        bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de
                                        overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                        permanent daartoe bestemd terrein.</al></li><li nr="b."><al>weg: weg in de zin van artikel 1.1 sub a, behoudens bossen
                                        en andere natuurterreinen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Plaatsen waar incidentele asverstrooiing verboden is</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in deze afdeling bepaalde geldt niet voor zover de Beheers
                                    verordening gemeentelijke begraafplaatsen van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast voor derden</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen en
                            het niet opvolgen van een bevel gegeven op grond van één of meer van de
                            artikelen 2.1 (samenscholing), 2.4.6 (hinderlijk gedrag op of aan de
                            weg), 2.4.8 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen) en 2.4.9 (gedrag in
                            voor publiek toegankelijke ruimten) wordt, voor zover niet reeds bij of
                            krachtens de wet strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de ambtenaren die krachtens de Wet milieubeheer belast zijn met het
                                toezicht op de naleving van voorschriften gegeven krachtens artikel
                                10.10 van die wet;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de ambtenaren die krachtens de Woningwet belast zijn met het
                                toezicht op de naleving van de bij of krachtens die wet gegeven
                                voorschriften;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de ambtenaren die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn
                                aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de in artikel 141 en artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering
                                genoemde ambtenaren specifiek voor toezicht in het kader van
                                hoofdstuk 3 (seksinrichtingen);</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de
                                burgemeester aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.De gewijzigde Algemene plaatselijke verordening Boxtel 2012 treedt in
                            werking op de achtste dag na die waarop zij bekend is gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens
                                de verordening, voor de wijziging ervan, – indien en voor zover het
                                gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft
                                ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn
                                vervallen of ingetrokken – van kracht tot de termijn waarvoor zij
                                werden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening, voor
                                de wijziging ervan, blijven – indien en voor zover de bepalingen in
                                gevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook
                                zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn
                                vervallen of ingetrokken – van kracht tot de termijn waarvoor zij
                                zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en
                                verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht
                                vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze
                                verordening te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – op
                                grond van de verordening, voor de wijziging ervan, is ingediend en
                                voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet
                                op die aanvraag is beslist, is daarop het geldend recht ten tijde
                                van de aanvraag van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip van wijziging van verordening, eerste lid, is ingekomen
                                binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                toepassing van het geldend recht ten tijde van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – van kracht totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de
                                verordening voor de wijziging ervan, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gedurende 26 weken na het in werking treden van deze
                                verordening;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                vergunning of ontheffing nodig heeft binnen deze termijn een
                                aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is
                                beslist.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De wijzigingsverklaring als bedoeld in artikel 6.4, heeft geen
                                gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen
                                nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de
                                rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat
                                is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen
                                of ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Ten aanzien van verloven voor het bedrijfsmatig verstrekken van
                                alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse, verleend op grond van
                                de bij besluit van 24 september 1992 ingetrokken Drank- en
                                Horecaverordening voor de gemeente Boxtel, is het bepaalde in de
                                voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene
                            plaatselijke verordening Boxtel 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare</ondertekening><ondertekening>vergadering van 25 juni 2013</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de Griffier, de Voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>