<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>333147_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-28</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 02-02-2016, 2016 11117</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet.</dcterms:source><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2016-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>2e wijziging (art. 2:10, 5:15 en 6:2)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SV193</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Aanwijzingsbesluiten en beleidsregels:</al><al>Aanwijzingsbesluit art. 5:12, lid 1 APV stationsomgeving Maarssen (aanwijzen
                    gebied waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de
                    openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan). </al><al>Besluit college d.d. 25-10-2011</al><al>Aanwijzingsbesluit art. 5:12, lid 1 APV stationsomgeving Breukelen (aanwijzen
                    gebied waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de
                    openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan).</al><al>Besluit college d.d. 22-11-2011</al><al>Hondenbeleid en Aanwijzingsbesluit losloopgebied voor honden nabij Goudestein,
                    art. 2:57 en 2:58 APV, Besluit college d.d. 11-09-2012 (voor Breukelen en Loenen
                    aan de Vecht vervallen)</al><al>Aanwijzingsbesluit hondenspeelplaatsen in Breukelen en Loenen aan de Vecht, art.
                    2:57 APV, besluit college 10 juni 2014. </al><al>Aanwijzingsbesluit hondenspeelplaatsen in Kockengen, Vreeland en Nigtevecht,
                    art. 2:57 APV, besluit college d.d. 7-10-2014</al><al>Aanwijzingsbesluit inzake verbod om consumentenvuurwerk te bezigen Algemene
                    Plaatselijke Verordening Gemeente Stichtse Vecht 2014 , besluit college d.d.
                    15-12-2015</al><al>Aanwijzingsbesluit inzake verbod om consumentenvuurwerk te bezigen Algemene
                    Plaatselijke Verordening Gemeente Stichtse Vecht 2014 , besluit college d.d.
                    6-12-2016</al><al>Aanwijzingsbesluit aanpassen contouren van bestaande hondenspeelplaats en nieuwe
                    hondenspeelplaats Zebraspoor Maarssenbroek, besluit college d.d. 14-2-2017 </al><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2014.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Stichtse Vecht,</al><al></al><al>Gelet op: </al><lijst><li nr="-"><al>de bepalingen van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 mei 2014;</al></li><li nr="-"><al>de besprekingen in de werksessie van 3 juni 2014;</al></li></lijst><al></al><al>Besluit</al><al></al><al>Vast te stellen de </al><al><vet>Algemene Plaatselijke Verordening 2014</vet></al><al></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>bebouwde kom : het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op
                            grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>bevoegd gezag : bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een
                            besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
                            2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een
                            al verleende omgevingsvergunning;</al><al>bouwwerk : hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt
                            verstaan;</al><al>college : het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gebouw : hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet
                            daaronder wordt verstaan;</al><al>handelsreclame : iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al><al>openbaar water : wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn;</al><al>openbare plaats : hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
                            daaronder wordt verstaan;</al><al>rechthebbende : degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht;</al><al>weg : hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet
                            daaronder wordt verstaan;</al><al>terras : een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting
                            liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en
                            waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                            directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                    vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van
                                    ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                    verdagen.</al></li></lijst><al>3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                            aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, of
                            een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.</al><al>4.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                            verlengd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan vier weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan en/of
                            bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                            verlengd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                            worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot
                            bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                            vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht
                            de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al>a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al><al>b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                            opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking
                            of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter
                            bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een
                            gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of</al><al>e.indien de houder dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><al>a.de openbare orde;</al><al>b.de openbare veiligheid;</al><al>c.de volksgezondheid;</al><al>d.de bescherming van het milieu.</al><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan voorts
                            worden geweigerd indien een aanvraag is ingediend na het tijdstip als
                            bedoeld in artikel 1:3.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                aanleiding te geven tot ongeregeldheden of te vechten.</al><al>2.Degene die op een openbare plaats</al><al>a.aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                dreigen te ontstaan;</al><al>b.aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop
                                van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te
                                ontstaan; of</al><al>c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;</al><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                verwijderen.</al><al>3.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                ongeregeldheden zijn afgezet.</al><al>4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al><al>5.Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel
                                3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór
                                de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging
                                wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><al>2.De kennisgeving bevat:</al><al>a.naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b.het doel van de betoging;</al><al>c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                aanvang en van beëindiging;</al><al>d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                                beëindiging;</al><al>e.voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al><al>f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                regelmatig verloop te bevorderen.</al><al>3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al><al>4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een
                                vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de
                                werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00
                                uur.</al><al>5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><al>1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te
                                bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al><al>2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al><al>3.Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden
                                of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                afbeeldingen.</al><al>4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                lid.</al><al>5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare
                                veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare
                                plaatsen.</al><al>2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                bepaalde dagen en uren.</al><al>3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen op of aan de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                                overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:</al><al>a.het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de
                                bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een
                                belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de
                                weg; of</al><al>b.het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.</al><al>2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen,
                                uitstallingen en reclame-uitingen.</al><al>3.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod
                                in het eerste lid.</al><al>4.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in
                                het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit
                                betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k.
                                van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>5.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:</al><al>a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al>b.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; en</al><al>c.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een
                                vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.</al><al>6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale
                                wegenverordening.</al><al>7.Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
                                aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al><al>2.De vergunning wordt verleend:</al><al>a.als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
                                of</al><al>b.door het college in de overige gevallen.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken
                                worden verricht.</al><al>4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
                                waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.</al><al>5.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
                                bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><al>1.Het is onverminderd het bepaalde in de Wabo verboden zonder
                                vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of
                                verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al><al>2.Het college weigert de vergunning indien:</al><al>a.daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;</al><al>b.dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare
                                parkeerplaats;</al><al>c.het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt
                                aangetast; of</al><al>d.er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere
                                uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten
                                koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar
                                groen.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                                Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                verplicht deze</al><al>a.te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                herkenningsteken, en</al><al>b.terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van
                                dat bedrijf.</al><al>2.Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                openbare plaats achter te laten.</al><al>3.Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</label></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:</al><al>a.Te roken gedurende een door het college aangewezen periode;</al><al>b.Voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.</al><lijst><li nr="2."><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                        onder 3, van het wetboek van strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het
                                        roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al><al></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lijst><li nr="3."><al></al></li></lijst><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer, veiligheid en verlichting</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op
                                of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve
                                van het verkeer, de veiligheid of de openbare verlichting worden
                                aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al><al>2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in
                                het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen
                                aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als
                                bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</label></kop><al>1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee
                                meter te plaatsen of te hebben, tenzij de rechthebbende dit
                                toestaat.</al><al>2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                toelaat.</al><al>3.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken
                                van de hoogspanningslijn.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</label></kop><al>1.Het is verboden: </al><al>a.Voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere
                                wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al><al>b.Bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te
                                nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan
                                te verijdelen of te belemmeren.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het wetboek van strafrecht of de provinciale
                                vaarwegenverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><al>a.bioscoopvoorstellingen;</al><al>b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al>c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d.het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                gelegenheid geven tot dansen;</al><al>e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties;</al><al>f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                verordening.</al><al>2.Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al>a.een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b.een braderie;</al><al>c.een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                van deze verordening, op de weg;</al><al>d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;</al><al>e.een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                evenement).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:25 Evenement</label></kop><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                burgemeester een evenement te organiseren.</al><al>2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te
                                wijzen categorieën.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door
                                artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>openbare inrichting: </al><al>a.een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                discotheek, buurthuis of clubhuis;</al><al>b.elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies
                                wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen
                                voor directe consumptie worden verstrekt of bereid.</al><al>2.Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar
                                sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie
                                kunnen worden bereid of verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</label></kop><al>1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                vergunning van de burgemeester.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                de vergunning:</al><al>a.indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met
                                een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al><al>b.indien de houder geen verklaring omtrent het gedrag overlegt die
                                uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is
                                ingediend, is afgegeven.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar
                                zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in
                                de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al><al>4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                bevindt in</al><al>a.een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit
                                vormen van de winkelactiviteit;</al><al>b.een zorginstelling;</al><al>c.een museum; of</al><al>d.een bedrijfskantine of – restaurant.</al><al>5.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod in het
                                eerste lid voor bepaalde categorieën inrichtingen en/of
                                gebieden.</al><al>6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de
                                vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:29 Sluitingstijd</label></kop><al>1.Openbare inrichtingen, </al><al>a.zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 03.00 uur en
                                07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur
                                (sluitingstijd), met dien verstande dat vanaf 02.00 uur geen
                                bezoekers meer mogen worden toegelaten en aanwezige bezoekers de
                                inrichting om 03.00uur respectievelijk 04.00 uur moeten hebben
                                verlaten;</al><al>b.In afwijking van het bepaalde onder a. is het verboden een bij een
                                inrichting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben en
                                aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 en
                                07.00 uur.</al><al>2.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                sluitingstijd.</al><al>3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
                                Tevens kan hij door middel van een vergunningvoorschrift andere
                                sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare
                                inrichting of een daartoe behorend terras.</al><al>4.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde
                                lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                winkel.</al><al>5.Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties
                                waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                                voor een of meer openbare inrichtingen, al dan niet tijdelijk,
                                andere sluitingstijden vaststellen of, al dan niet tijdelijk,
                                sluiting bevelen.</al><al>2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel
                                13b van de Opiumwet voorziet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</label></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><al>a.de orde te verstoren;</al><al>b.zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens
                                artikel 2:30, eerste lid;</al><al>c.op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die
                                geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het
                                terras.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</label></kop><al>1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het wetboek van strafrecht.</al><al>2.De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                overdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</label></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>t/m 2:38</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al>1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het
                                publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al><al>2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod
                                is niet van toepassing op:</al><al>a.speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                verleend;</al><al>b.speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer
                                van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en</al><al>c.speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine
                                kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
                                beoefenen, of de handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op
                                de kansspelen te verrichten.</al><al>3.De burgemeester weigert de vergunning:</al><al>a.indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare
                                orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                exploitatie van de speelgelegenheid; of</al><al>b.indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een
                                geldend bestemmingsplan.</al><al>4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</label></kop><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a.Wet: de wet op de kansspelen;</al><al>b.Kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van
                                de wet;</al><al>c.Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de wet;</al><al>d.Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de wet.</al><al>2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                kansspelautomaten toegestaan.</al><al>3.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                toegestaan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk
                                lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:42 Plakken en kladden</label></kop><al>1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te
                                bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te
                                doen aanbrengen;</al><al>b.met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.</al><al>3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen
                                van handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                inzage af te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</label></kop><al>1.Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</label></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak
                                te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</label></kop><al>1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is
                                uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                vergemakkelijken.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</label></kop><al>2.[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</label></kop><al>2.[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</label></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats:</al><al>a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek,
                                omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet
                                bestemd straatmeubilair;</al><al>b.zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan
                                bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig
                                overlast of hinder berokkent.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door artikel 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</label></kop><al>1.Het is voor<vet></vet>personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op:</al><al>a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al><al>b.een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en
                                Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</label></kop><al>1.Het is verboden:</al><al>a.zich zonder redelijk doel in een portiek of poort of soortgelijk
                                op te houden;</al><al>b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
                                van een gebouw of soortgelijk te zitten of te liggen.</al><al>2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,
                                appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een
                                gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van dat gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</label></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages,
                                overkappingen, schoolpleinen, tunnels, viaducten en
                                fietsenstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                winkelcentrum of terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
                                bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits
                                dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het winkelcentrum of
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen:</al><al>a.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere
                                door het college aangewezen plaats;</al><al>b.binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond
                                aangelijnd is;</al><al>c.buiten de bebouwde kom op een sportpark of recreatieterrein in
                                gemeentelijk beheer zonder dat de hond aangelijnd is;</al><al>d.op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                kennen.</al><al>2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al><al>3.De verboden in het eerste lid aanhef en onder a, b en c zijn niet
                                van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al><al>a.die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
                                hulphond laat begeleiden;</al><al>of</al><al>b.die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond
                                of sociale hulphond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</label></kop><al>1.Degene die zich met een hond binnen de bebouwde kom op een
                                openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de
                                uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.</al><al>2.Degene die zich met een hond buiten de bebouwde kom begeeft, is
                                verplicht er voor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond op een
                                gedeelte van de weg (met uitzondering van de berm) dat bestemd is of
                                mede bestemd is voor voetgangers of een sportpark of
                                recreatieterrein in gemeentelijk beheer, onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al><al>3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
                                door het college aangewezen plaatsen.</al><al>4.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
                                de eigenaar of houder van een hond</al><al>a.die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
                                hulphond laat begeleiden;</al><al>of</al><al>b.die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond
                                of sociale hulphond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</label></kop><al>1.Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk
                                of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een
                                aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover
                                die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein
                                van een ander.</al><al>2.Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten
                                van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al><al>3.Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><al>a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide
                                stoffen;</al><al>b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                mogelijk is; en</al><al>c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder b,
                                dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van
                                een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                chipreader afleesbaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</label></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend (pluim)vee</titel></kop><al>De rechthebbende op pluimvee en herkauwende en eenhoevige dieren of
                                varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat
                                niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het wetboek van
                                    strafrecht</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (toezicht op openbare
                                inrichtingen) onder artikel 2:32]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (vuurwerkbesluit).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><al>1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al><al>2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</label></kop><al>1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al><al>2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al><al>3.De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                aanhef en onder 1, van het wetboek van strafrecht.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 14 Drugsoverlast</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Verblijfsontzegging, bestuurlijke ophouding,
                                veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare
                                plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><al>1.De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een
                                verblijfsontzegging kan opleggen.</al><al>2.De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als
                                bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van
                                ernstige verstoring van de openbare orde.</al><al>3.De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen
                                die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:</al><al>a.handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2,
                                2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2:29, 2:45 artikel 3:17,
                                eerste, tweede of negende lid van deze verordening;</al><al>b.het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden
                                middelen;</al><al>c.het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek-
                                of slagwapen kunnen worden gebruikt;</al><al>d.diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten
                                of</al><al>e.geweldpleging of bedreiging.</al><al>4.De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn
                                waarvoor deze geldt.</al><al>5.De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar
                                belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de
                                verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.</al><al>6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75a</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in artikel</al><al>2:1 samenscholing en ongeregeldheden;</al><al>2:10 voorwerpen op of aan de weg;</al><al>2:11 aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg;</al><al>2:47 hinderlijk gedrag op openbare plaatsen;</al><al>2:48 verboden drankgebruik;</al><al>2:49 verboden gedrag bij of in gebouwen;</al><al>2:50 hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten;</al><al>2:73 bezigen van consumentenvuurwerk;</al><al>5:34 verbod vuur te stoken.</al><al>Van deze verordening groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                Gemeentewet te besluiten tot gebruikmaking van camera’s voor een
                                bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                plaats.</al><al>2.De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van
                                andere openbare plaatsen:</al><al>a.Parkeerterreinen;</al><al>b.Parkeergarages;</al><al>c.Binnenplaatsen.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.prostitutie : het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b.prostituee : degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c.seksinrichting : de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d.escortbedrijf : de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e.sekswinkel : de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al>f.exploitant : de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van
                                die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al><al>g.beheerder : de natuurlijke persoon of personen die de
                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in
                                een seksinrichting of escortbedrijf;</al><al>h.bezoeker : degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al>1.de exploitant;</al><al>2.de beheerder;</al><al>3.de prostituee;</al><al>4.het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>5.toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van
                                deze verordening;</al><al>6.andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met
                                betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><al>a.De persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b.De persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al>c.De aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><al>3.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</label></kop><al>1.De exploitant en de beheerder:</al><al>a.staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                macht of de voogdij;</al><al>b.zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al>c.hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                de beheerder niet:</al><al>a.met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in
                                een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel
                                37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, inclusief de drie bijzondere gemeenten
                                Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, alsmede de landen Aruba, Curaçao en
                                Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                                waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering
                                is toegelaten;</al><al>c.binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al>-bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>-de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                                252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>-de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel
                                8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>-de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                                Kansspelen;</al><al>-de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>-de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al>3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al><al>a.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al>b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                straf.</al><al>4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van deze vergunning.</al><al>5.De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                                hem ter zake geen verwijt treft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:6 Sluitingstijden</label></kop><al>1.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als
                                bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                sluitingstijden vaststellen.</al><al>2.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid,
                                gesloten dient te zijn.</al><al>3.Het eerste tot en met tweede lid zijn niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de op de wet milieubeheer
                                gebaseerde voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</label></kop><al>1.Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><al>a.tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede
                                lid, geldende sluitingstijden vaststellen;</al><al>b.van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld
                                in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42, tweede
                                lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</label></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel
                                3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is.</al><al>2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                seksinrichting:</al><al>a.Geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten genoemd in de titels xiv (misdrijven tegen de zeden), xviii
                                (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), xx (mishandeling), xxii
                                (diefstal) en xxx (heling) van het tweede boek van het Wetboek van
                                strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;</al><al>en</al><al>b.Geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de wet arbeid vreemdelingen of de vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:9 Straatprostitutie</label></kop><al>1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten
                                van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken.</al><al>2.Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste
                                lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>3.Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich
                                bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in
                                het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                                bepaalde richting te verwijderen.</al><al>4.De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen
                                genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste
                                eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden
                                zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel
                                van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de
                                tijden bedoeld in het eerste lid onder b.</al><al>5.De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                betrokkene noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:10 Sekswinkels</label></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al>a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al>b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2.Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het
                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen,
                                die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist
                                het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in
                                artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al><al>2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</label></kop><al>1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd
                                indien:</al><al>a.de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                                gestelde eisen;</al><al>b.de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al><al>c.er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van
                                het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>2.Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld
                                in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing
                                of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege
                                gelaten, in het belang van:</al><al>a.het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b.het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                leefklimaat;</al><al>c.de veiligheid van personen of goederen;</al><al>d.de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al>e.de gezondheid of zedelijkheid; of</al><al>f.de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</label></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het
                                beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef
                                en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment
                                waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid
                                heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer; </al><al>b.inrichting: inrichting type A of Type B als bedoeld in het
                                Besluit; </al><al>c.houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al>d.collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al><al>e.incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal inrichtingen;</al><al>f.geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                bij de betreffende inrichting;</al><al>g.geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                                terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de
                                betreffende inrichting;</al><al>h.onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al>1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor
                                door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al><al>2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de
                                daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het
                                college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden
                                van de gemeente. </al><al>4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                begin van een nieuw kalenderjaar bekend. </al><al>5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, festiviteiten terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al><al>6.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale
                                geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A)
                                hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van
                                toepassing is conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de
                                Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. </al><al>7.Burgemeester en wethouders kunnen geluidsnormen stellen die
                                afwijken van de in lid 6 genoemde waarden.</al><al>8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                brengen van een hoger geluidsniveau zoals genoemd in het zesde en
                                zevende lid, uiterlijk te worden beëindigd op een door het college
                                vast te stellen tijdstip.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal acht incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen
                                als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en
                                van artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits
                                de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang
                                van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal acht
                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan
                                te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148,
                                eerste lid van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van
                                de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>3.In plaats van het bepaalde in het eerste en tweede lid, is het de
                                inrichting Recreatiecentrum de Maarsseveense Plassen toegestaan
                                maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te
                                houden.</al><al>4.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                kennisgeving.</al><al>5.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                                volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de
                                plaats die op dat formulier staat vermeld.</al><al>6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                toestaat.</al><al>7.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale
                                geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A)
                                hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van
                                toepassing is conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de
                                Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. </al><al>8.Burgemeester en wethouders kunnen geluidsnormen stellen die
                                afwijken van de in lid 7 genoemde waarden. </al><al>9.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                brengen van een hoger geluidsniveau zoals genoemd in het zevende lid
                                of het achtste lid, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd in de nacht van
                                zondag op maandag, van maandag op dinsdag, van dinsdag op woensdag,
                                van woensdag op donderdag of van donderdag op vrijdag en om 01.00
                                uur in de nacht van vrijdag op zaterdag of van zaterdag op
                                zondag.</al><al>10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                personen of goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>1.Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 lid 1f en
                                artikel 2.18 lid 5 van het Besluit, bedragen de waarden voor het
                                langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT op de gevel van
                                gevoelige gebouwen niet meer dan 55 dB(A), 50 dB(A) en 40 dB(A)
                                tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en
                                23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de
                                Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De
                                bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.</al><al>2.Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 lid 1f en
                                artikel 2.18 lid 5 van het Besluit, bedragen de waarden voor het
                                langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT in geluidsgevoelige
                                ruimten niet meer dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 25 dB(A) tussen
                                respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur.
                                De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en
                                rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op
                                onversterkte muziek toegepast.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen geluidsnormen stellen die
                                afwijken van de in lid 1 en 2 genoemde waarden. </al><al>4.De in lid 1 aangegeven waarden gelden ook bij geluidgevoelige
                                terreinen op de grens van het terrein.</al><al>5.Het eerste lid en het tweede lid is niet van toepassing op
                                collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4.2
                                en 4.3.</al><al>6Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                                elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek
                                en is het Besluit van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of
                                geluidsapparaten in werking te hebben, of handelingen te verrichten
                                dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt. </al><al>2.Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de
                                geluidsnormen conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit. De beoordeling vindt verder plaats aan de hand van de
                                Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. </al><al>3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen</al><al>4.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                milieuverordening.</al><al>5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6a Gebruik aggregaten en verlichting op schepen in het Amsterdam Rijnkanaal</label></kop><al>1.Het is verboden een schip af te meren in het Amsterdam Rijnkanaal
                                aan de afmeerplaats in Breukelen indien voor de stroomvoorziening
                                gebruikgemaakt wordt van een aggregaat.</al><al>2.Het is verboden een schip af te meren en daarbij zodanige
                                verlichting te voeren die voor de omgeving hinder oplevert.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4:7 Straatvegen</label></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats
                                zijn/haar natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde
                                plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden. Deze afdeling geldt alleen voor
                                het grondgebied van de voormalige gemeenten Loenen en Breukelen.
                                (Ingetrokken)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11a</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11b</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11c</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11d</nr><titel>Herplant-/ instandhoudingsplicht</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11e</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:11fBestrijding iepziekte</label></kop><al>Ingetrokken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>Ingetrokken</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al><al>2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is
                                bestemd of mede bestemd.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al><al>3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in
                                het eerste lid.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. Kan de ontheffing worden
                                geweigerd in het belang van:</al><al>a.de bescherming van natuur en landschap;</al><al>of</al><al>b.de bescherming van een stadsgezicht.</al><al>5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</label></kop><al>1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op
                                door het college aangewezen plaatsen.</al><al>2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van
                                de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.voertuigen : voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van
                                het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en
                                rolstoelen;</al><al>b.parkeren : parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al>1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                verstaan:</al><al>a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al><al>b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                tegen betaling.</al><al>2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                gerekend:</al><al>a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al><al>b.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                bedoelde persoon.</al><al>3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen,
                                te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al>a drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter
                                met als middelpunt een van deze voertuigen;</al><al>b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al>4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</label></kop><al>1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                bieden of te verhandelen.</al><al>2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al><al>3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</label></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                                van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert op de weg te parkeren.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door de wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. </label></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><al>a.langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                hebben op een weg binnen de bebouwde kom.</al><al>b.langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn
                                oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente;</al><al>c.op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente.</al><al>2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                lid, aanhef en onder a.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen plaatsen als bedoeld in artikel 4:19 alsmede op
                                situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement
                                of de Provinciale landschapsverordening.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</label></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al><al>2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</label></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
                                dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                de gemeente.</al><al>2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het
                                college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al><al>3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen
                                van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                uur.</al><al>4.Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze
                                voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg
                                worden geplaatst of gehouden.</al><al>5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                verboden ontheffing verlenen.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</label></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al><al>2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing:</al><al>a.op de weg;</al><al>b.op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                vanwege de overheid; en</al><al>c.op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, plaatsen
                                    aanwijzen waar het verboden is fietsen of bromfietsen, al dan
                                    niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, langer dan veertien
                                    dagen aaneengesloten te plaatsen. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen
                                wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of
                                ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al><al>3.Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                gehouden wordt.</al><al>4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of
                                afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de
                                open lucht gelegen plaats of aan huis.</al><al>2.Onder venten wordt niet verstaan:</al><al>a.het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al><al>b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel
                                5:22;</al><al>c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel
                                5:17.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:15 Ventverbod</label></kop><al>1.Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                komt.</al><al>2. - Venten is op maandag t/m zaterdag toegestaan tussen 8.00 uur
                                en</al><al> 22.00 uur in de periode van 1 maart tot 1 oktober</al><al>- Venten is op maandag t/m zaterdag toegestaan tussen 8.00 uur en
                                19.00 uur in de periode van 1 oktober tot 1 maart</al><al>- Venten is op zondag toegestaan vanaf 12.00 uur. De eindtijd is
                                gekoppeld aan genoemde periodes.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>1.Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin
                                gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, van de Grondwet.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van
                                gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                                geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de grondwet
                                verboden:</al><al>a.op door het college aangewezen openbare plaatsen;</al><al>of</al><al>b.op door het college aangewezen dagen en uren.</al><al>3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                lid.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te
                                koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten,
                                gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of
                                een tafel.</al><al>2.Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>a.een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel
                                160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                2:24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</label></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats
                                in te nemen of te hebben.</al><al>2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al><al>3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd:</al><al>a.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><lijst><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor
                                        een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                        verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                        komt.</al><lijst><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                                Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                                beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                                toepassing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe
                                                te staan dat daarop zonder vergunning van het
                                                college standplaats wordt of is ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de wet milieubeheer, de wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal
                                wegenreglement.</al><al>2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                van toepassing op bouwwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</label></kop><al>2.[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:22 Begripsbepaling</label></kop><al>1.In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                worden aangeboden vanaf een standplaats.</al><al>2.Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al>a.een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b.een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</label></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                snuffelmarkt te organiseren.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin
                                van de Winkeltijdenwet.</al><al>3.De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al><al>4.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al><al>5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al>1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
                                water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn
                                omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al><al>2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water
                                te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding
                                aan het college.</al><al>3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                voorwerp.</al><al>4.Het verbod in het eerste lid geldt is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door het wetboek van strafrecht, de
                                scheepvaartverkeerswet, het binnenvaartpolitiereglement, de
                                waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, de
                                telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde algemene verordening
                                ondergrondse infrastructuren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</label></kop><al>1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                water.</al><al>2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het
                                eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:</al><al>a.nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                gemeente;</al><al>b.beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale
                                vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</label></kop><al>1.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al><al>2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al><al>3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale
                                landschapsverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</label></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd verkeer en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>-motorvoertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                1990;</al><al>-bromfiets : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste
                                lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:32 Crossterreinen</label></kop><al>1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                aanwezig te hebben.</al><al>2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels
                                stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><al>a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                geluidproductie sportmotoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</label></kop><al>1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen
                                te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets,
                                een fiets of een paard.</al><al>2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels
                                stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><al>a.het voorkomen van overlast;</al><al>b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al><al>c.de veiligheid van het publiek.</al><al>3.Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op
                                motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:</al><al>a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening
                                en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister
                                aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                                voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al>d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                bedoeld;</al><al>e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                de onder d bedoelde personen.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                toepassing:</al><al>a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde
                                gebieden of terreinen;</al><al>b.binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van
                                motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen
                                als 'toestel'.</al><al>5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</label></kop><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de wet milieubeheer of anderszins vuur
                                aan te leggen, te stoken of te hebben.</al><al>2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al><al>a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al>b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                afvalstoffen worden verbrand;</al><al>c.vuur voor koken, bakken en braden.</al><al>3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al><al>5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het wetboek
                                van strafrecht of de provinciale milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:35 Begripsbepaling</label></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><al>1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><al>a.verharde delen van de weg;</al><al>b.gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al><al>2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere
                                plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                plaatsvindt.</al><al>3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor
                                de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen
                                van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5:37 Hinder of overlast</label></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordeningzijn belast de opsporingsambtenaren zoals bedoeld in artikel
                            141 sub b Wetboek van Strafvordering, alsmede medewerkers van de
                            Omgevingsdienst regio Utrecht die belast zijn met toezichthoudende
                            taken.</al><al>2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met
                            dit toezicht belasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</label></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene Plaatselijke Verordening 2011, vastgesteld door de raad op 3
                            januari 2011 en zoals sindsdien gewijzigd, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die
                            golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en
                            waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als
                            besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al><vet>1 juli 2014</vet></al><al></al><al><vet>Griffier, Voorzitter,</vet></al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>