<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR332631_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels BMWE</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bedum</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Het Hogeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Noorderkrant, 18-6-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels BMWE</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-04-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels BMWE</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><structuurtekst><al>Bij de behandeling van de beleidsregels is de indeling van Grip op WWB
                            (Handboek Schulinck) aangehouden. Hieronder is een overzicht van de
                            beleidsregels weergegeven, daarna volgt de voorgestelde invulling. Bij
                            de W-regels is de feitelijke beleidsregel tussen de lijnen
                            weergegeven.</al><al/><al>W001 - Afspraken met UWV inzake aanbieden voorzieningen aan
                            persone...</al><al>W002 - Procedure aanvraag en toekenning reïntegratievoorzieningen</al><al>W003 - Afspraken met cliënt over de gevolgen van het niet nakomen/
                            ...</al><al>W004 - Overzicht aangeboden reïntegratievoorzieningen (vervallen)</al><al>W005 - Overzicht gemeentelijke reïntegratiepartners</al><al>W006 - Overzicht diagnostische instrumenten</al><al>W007 - Plan van aanpak / Trajectplan</al><al>W008 - Hulpverleningsinstellingen</al><al>W009 - Sociale activering</al><al>W010 - Scholing</al><al>W011 - Loonkostensubsidie</al><al>W012 - Overige voorzieningen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Richtlijnen "Bijstand"</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 - Begrippen</label></kop><structuurtekst><al>B001 - Voorbeelden van inrichtingen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 - Aanvraag</label></kop><structuurtekst><al>B142 - Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand</al><al>B002 - Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag</al><al>B003 - Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag</al><al>B004 - Afhandeling ingetrokken aanvragen</al><al>B005 - Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college</al><al>B006 - Locatie(s) indienen aanvragen</al><al>B007 - Overdrachtstermijn</al><al>B164 - Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 - Recht op bijstand</label></kop><structuurtekst><al>B012 - Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen
                            e...</al><al>B013 - Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde</al><al>B014 - Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde</al><al>B015 - Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen</al><al>B016 - Meldingsplicht studie</al><al>B017 - Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland</al><al>B169 - Het kunnen volgen van onderwijs</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 - Middelentoets</label></kop><structuurtekst><al>B147 - Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating</al><al>B018 - Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers</al><al>B149 - Vermogensvaststelling gedurende de periode van
                            bijstandsverl...</al><al>B019 - Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling</al><al>B020 - Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating</al><al>B021 - Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente</al><al>B022 - Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm</al><al>B023 - Beleid inzake korten voorlopige teruggave</al><al>B024 - Vrijlaten giften</al><al>B025 - Spaarloon (vervallen)</al><al>B026 - Ex-partner betaalt woonkosten</al><al>B027 - Waarde auto bij vermogensvaststelling</al><al>B028 - Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 - Verplichtingen, afstemming en bestuurlijke boete</label></kop><structuurtekst><al>B029 - Inschrijving bij uitzendbureaus</al><al>B163 - Tegenprestatie naar vermogen</al><al>B030 - Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht</al><al>B031 - Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid
                            ...</al><al>B032 - Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken</al><al>B033 - Periode over te leggen bankafschriften</al><al>B034 - Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring</al><al>B136 - ROF of Mutatieformulier</al><al>B035 - Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks
                            ROF/i...</al><al>B036 - Meldingsplicht vrijwilligerswerk</al><al>B037 - Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5
                            lid...</al><al>B038 - Duur hersteltermijn tijdens bijstand</al><al>B039 - Beleidsregels huisbezoek</al><al>B040 - Personen zonder identiteitsbewijs</al><al>B041 - Personen zonder geldig identiteitsbewijs</al><al>B042 - Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 WWB</al><al>B043 - Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging</al><al>B150 - Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of
                            langdurig...</al><al>B044 - Overzicht hoogte verlagingen</al><al>B045 - Hoogte verlaging bij samenloop</al><al>B046 - Recidive</al><al>B047 - Waarschuwing i.p.v. verlaging</al><al>B048 - Ingangsdatum verlaging</al><al>B049 - Termijn heroverweging besluit tot verlaging</al><al>B157 - Afspraken met OM bij fraudebedrag onder €50.000,00</al><al>B166 - Waarschuwing i.p.v. bestuurlijke boete</al><al>B167 - Aanvullende criteria van omstandigheden die leiden tot
                            vermi...</al><al>B170 - Nadere regels bewijsopdracht</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 - Algemene bijstand</label></kop><structuurtekst><al>B144 - Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20
                            j...</al><al>B050 - Toeslagen algemene bijstand voor personen tussen de 21 jaar
                            ...</al><al>B051 - Verlaging algemene bijstand gehuwden</al><al>B052 - Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</al><al>B053 - Verlaging algemene bijstand schoolverlaters</al><al>B054 - Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of
                            ...</al><al>B055 - Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand</al><al>B056 - Ingangsdatum normwijziging bij kind dat 18 jaar wordt</al><al>B057 - Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting</al><al>B058 - Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in
                            in...</al><al>B059 - Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen</al><al>B060 - Berekening hoogte algemene bijstand bij co-ouderschap</al><al>B061 - Vaststelling vermogen bij co-ouderschap</al><al>B161 - Overdracht aan SVB (vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 - Bijzondere bijstand</label></kop><structuurtekst><al>B062 - Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)</al><al>B137 - In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht</al><al>B063 - Draagkrachtpercentages</al><al>B064 - Draagkrachtperiode bijzondere bijstand</al><al>B065 - Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode</al><al>B066 - Drempelbedrag</al><al>B067 - Stappenplan berekening bijzondere bijstand</al><al>B068 - Adresgegevens zorgverzekeraars</al><al>B069 - Waar en wanneer medisch advies vragen</al><al>B070 - Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering</al><al>B072 - Premie particuliere ziektekostenverzekering (vervallen)</al><al>B073 - Brillen en contactlenzen</al><al>B074 - Overig beleid inzake medische kosten</al><al>B075 - Uitvaartkosten</al><al>B076 - Kosten bewindvoering</al><al>B165 - Kosten mentorschap</al><al>B077 - Kosten curatele</al><al>B078 - Kosten rechtsbijstand</al><al>B079 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in
                            inricht...</al><al>B080 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting</al><al>B081 - Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren</al><al>B082 - Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen</al><al>B083 - LBIO-bijdrage residentiële opvang kinderen</al><al>B084 - Baby-uitzet</al><al>B085 - Maaltijdvoorziening</al><al>B086 - Verzorging en hulp</al><al>B087 - Communicatie en signalering</al><al>B088 - Stookkosten</al><al>B089 - Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten)</al><al>B091 - Reiskosten bezoek zieke familieleden</al><al>B092 - Reiskosten bezoek Werkplein</al><al>B093 - Suppletie GKB-lening</al><al>B094 - Kosten schuldhulpverlening</al><al>B095 - Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten</al><al>B096 - Bewassing en kledingslijtage</al><al>B097 - Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders</al><al>B098 - Kosten van scholing en opleiding</al><al>B099 - Verwervingskosten (algemeen)</al><al>B100 - Kosten kinderopvang (verwervingskosten)</al><al>B101 - Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten</al><al>B102 - Verhuiskosten</al><al>B103 - Eerste maand huur en administratiekosten</al><al>B105 - Overbrugging scherpe terugval in inkomen</al><al>B106 - Overige bijzondere kosten</al><al>B138 - Aangewezen groepen voor categoriale bijzondere bijstand</al><al>B145 - Berekening woonkostentoeslag huurders</al><al>B146 - Berekening woonkostentoeslag eigenaren</al><al>B148 - Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen</al><al>B151 - Dieetkosten</al><al>B152 - Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening</al><al>B153 - Tandheelkundige hulp</al><al>B154 - Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg</al><al>B155 - Fysiotherapie en oefentherapie</al><al>B160 - Eigen risico</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 - Langdurigheidstoeslag</label></kop><structuurtekst><al>B107 - Beoordeling arbeidsinspanning voor langdurigheidstoeslag
                            (ve...</al><al>B156 - Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake
                            langdurigheidstoeslag...</al><al>B158 - Beoordeling geringe inkomsten (vervallen)</al><al>B162 - Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake langdurigheidstoeslag</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 - Vormen van bijstand</label></kop><structuurtekst><al>B108 - gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of
                            hypo...</al><al>B109 - Looptijd leenbijstand</al><al>B110 - Hoogte aflossing leenbijstand</al><al>B111 - Matiging en opschorting aflossing leenbijstand</al><al>B112 - Aanpassing aflossing leenbijstand</al><al>B113 - Rente over leenbijstand</al><al>B114 - Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt</al><al>B140 - Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand</al><al>B141 - Herleving geldlening i.v.m. eigen woning na onderbreking
                            bij...</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 10 - Betaling bijstand</label></kop><structuurtekst><al>B115 - Moment uitbetalen vakantietoeslag</al><al>B116 - Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag</al><al>B117 - Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag</al><al>B118 - Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten</al><al>B119 - Adres voorzitter GS</al><al>B120 - Beleidsregels inzake beslag</al><al>B139 - Moment uitbetalen algemene bijstand exclusief vt</al><al>B159 - Overbruggingsuitkeringen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 11 - Herziening, intrekking, terugvordering, invordering en verhaal</label></kop><structuurtekst><al>B121 - Gevallen waarin wordt afgezien van herziening en intrekking</al><al>B122 - Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering</al><al>B123 - Aflossingsregels terugvorderingsschulden (vervallen)</al><al>B124 - Moment van invordering</al><al>B125 - Beleidsregels invordering</al><al>B126 - Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal</al><al>B168 - Gemeentelijke regels inzake verrekening bestuurlijke boete
                            b...</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 12 - Onderzoeken</label></kop><structuurtekst><al>B127 - Frequentie heronderzoeken</al><al>B128 - Procedure heronderzoeken</al><al>B129 - Procedure beëindigingsonderzoek</al><al>B130 - Reactie op weigering mee te werken aan beëindigingsonderzoek</al><al>B131 - Frequentie debiteurenonderzoeken</al><al>B132 - Procedure debiteurenonderzoek</al><al>B135 - Het archiveren en bewaren van dossiers</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Richtlijnen "Algemene aspecten"</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 - Overige onderwerpen Wet werk en bijstand</label></kop><structuurtekst><al>A001 - Mandaat</al><al>A017 - Wijze waarop cliëntenparticipatie concreet vorm is gegeven</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 - Rechtsbescherming en procesrecht</label></kop><structuurtekst><al>A002 - Adres rechtbank, sector bestuursrecht</al><al>A027 - Rechtstreeks beroep bij rechtbank</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Richtlijnen "Voorliggende voorzieningen"</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 - Inkomensregelingen</label></kop><structuurtekst><al>V001 - Duur aanvultermijn zelfstandigen</al><al>V002 - Gegevens Bbz-commissie</al><al>V003 - Bijzondere bijstand specifieke kosten zelfstandigen</al><al>V004 - Marginale zelfstandigen</al><al>V005 - Rapporterende instanties zelfstandigen</al><al>V006 - Beleid startende zelfstandigen</al><al>V007 - Centrumgemeente WWIK (vervallen)</al><al>V008 - Procedure doorverwijzen naar WWIK-centrumgemeente
                            (vervallen...</al><al>V009 - Gemeentelijk genormeerde maatregelen Ioaw (vervallen)</al><al>V010 - Waarschuwing i.p.v. boete bij nul-fraude (vervallen)</al><al>V011 - Uitvoerder boeteprocedure (vervallen)</al><al>V012 - Verhoging boete wegens recidive (vervallen)</al><al>V013 - Terugvordering kruimelbedragen Ioaw (vervallen)</al><al>V014 - Aangewezen gemeente voor bijstandsverlening aan schippers</al><al>V015 - Frequentie heronderzoeken Ioaw en Ioaz (vervallen)</al><al>V016 - Procedure heronderzoeken Ioaw en Ioaz (vervallen)</al><al>V017 - Moment en procedure beëindigingsonderzoek Ioaw en Ioaz
                            (verv...</al><al>V018 - Reactie weigering medewerking aan beëindigingsonderzoek
                            Ioaw...</al><al>V019 - Moment uitbetalen vt bij beëindiging Ioaw- of
                            Ioaz-uitkering...</al><al>V020 - Afzien van debiteurenonderzoek Ioaw en Ioaz (vervallen)</al><al>V021 - Samenvatting beleid inburgering</al><al>V022 - Hoogte bestuurlijke boete Wet inburgering</al><al>V023 - Kinderopvang voor sociaal-medisch geïndiceerden (vervallen)</al><al>V024 - Bestuurlijke boete Wet kinderopvang (vervallen)</al><al>V025 - Waarschuwing IOAW (vervallen)</al><al>V026 - Hoogte maatregel IOAW bij samenloop</al><al>V027 - Duur hersteltermijn tijdens IOAW (vervallen)</al><al>V028 - Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college (vervallen)</al><al>V029 - Toeslagen voor personen van 21 tot en met 26 jaar
                            (vervallen...</al><al>V030 - Moment uitbetalen inkomensvoorziening exclusief vt
                            (vervalle...</al><al>V031 - Overzicht hoogte verlagingen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W001 Afspraken met het UWV</label></kop><structuurtekst><al>Het UWV WERK-bedrijf heeft voor die personen, die een uitkering van het
                            UWV ontvangen, een re-integratieverplichting. Als deze personen voor het
                            verstrijken van de maximale uitkeringstermijn nog niet naar duurzame
                            arbeid zijn uitgestroomd, komen zij mogelijk in aanmerking voor een
                            uitkering op grond van de WWB. In sommige gevallen kan het voortijdig
                            aanbieden van een re-integratievoorziening door het college, instroom in
                            de bijstand voorkomen. </al><al/><al>In de WWB (artikel 7, WWB) is de mogelijkheid opgenomen om cliënten van
                            het UWV reeds een voorziening van het college aan te bieden. Hierover
                            moeten afspraken tussen het UWV en het college worden gemaakt. Omdat het
                            UWV een verplichting tot re-integratie heeft en hiervoor middelen uit
                            het re-integratiefonds kan inzetten, ligt het voor de hand om ook
                            financiële afspraken hierover te maken. De uiteindelijke bijdrage van
                            het UWV is sterk afhankelijk van de mogelijkheden van belanghebbende,
                            reeds ingezette </al><al>re-integratievoorzieningen en de maximale uitkeringsduur. Er zullen
                            daarom op individueel niveau afspraken moeten worden gemaakt. </al><al/><al>W001: Het UWV en het college kunnen beiden klanten van het UWV
                            voordragen voor het overnemen van de re-integratievoorziening door het
                            college. Het UWV neemt (een deel van) de kosten voor de
                            re-integratievoorziening voor haar rekening, afhankelijk van de
                            resterende uitkeringsduur. Met het UWV worden op klantniveau afspraken
                            gemaakt met de </al><al>re-integratiecoach UWV over deze kosten. Doel is proactief de instroom
                            in de WWB te beperken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W002 Procedure aanvraag en toekenning re-integratievoorzieningen</label></kop><structuurtekst><al> Belanghebbenden, die een <onderstreept>uitkering op grond van de WWB,
                                IOAW of IOAZ</onderstreept> ontvangen, worden door het college
                            ondersteund door middel van een re-integratievoorziening. De aangeboden
                            voorziening maakt onderdeel uit van de toekenningsbeschikking. </al><al/><al> Voor diegenen die <onderstreept>geen uitkering</onderstreept> op grond
                            van de WWB, IOAW of IOAZ ontvangen (Niet uitkeringsgerechtigden NUG), is
                            dit niet het geval. Als zij aanspraak willen maken op de ondersteuning
                            van het college inzake re-integratie, zullen zij hiertoe een verzoek
                            moeten indienen. Deze belanghebbenden kunnen zich rechtstreeks bij het
                            Werkplein Noordwest-Groningen melden. Het Werkplein zal belanghebbenden
                            uitnodigen voor een gesprek. </al><al/><al>Toekenning van een re-integratievoorziening voor overige belanghebbenden
                            vindt plaats op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst. In de
                            beschikking of privaatrechtelijke overeenkomst worden de rechten en
                            plichten van de belanghebbende en het college nader uitgewerkt. Het doel
                            is om ook deze doelgroep dezelfde kansen te bieden op economische
                            zelfstandigheid en het behalen van een startkwalificatie. </al><al/><al>Een re-integratietraject is het geheel van re-integratievoorzieningen
                            voor één belanghebbende gedurende de gehele duur van de uitkering,
                            uitgezonderd de loonkostensubsidie en de kosten voor inburgering
                            (taalcomponent).</al><al/><al>De kosten van een re-integratietraject voor WWB-, IOAW, en IOAZ-ers zijn
                            in beginsel begrensd. In individuele gevallen kan hiervan worden
                            afgeweken als deze goed gemotiveerd zijn. Het college zal bij het
                            inzetten van instrumenten altijd de kosten en de verbetering ten
                            opzichte van de arbeidsmarkt, dan wel het bevorderen van de
                            maatschappelijke participatie realistisch afwegen. Ook de kosten van
                            re-integratie voor andere belanghebbenden worden door het college
                            begrensd. Ook hiervoor geldt dat er bij individuele gevallen van kan
                            worden afgeweken als dit goed gemotiveerd is.</al><al/><al>Het maximaal beschikbare bedrag per re-integratietraject bedraagt €
                            1000,- </al><al/><al>Per jaar geldt het voor dat jaar beschikbare Participatiebudget
                            inclusief een mogelijke overheveling in het kader van de
                            reserveringsregeling van het voorgaande kalender jaar als budgetplafond
                            voor de aangeboden voorzieningen.</al><al/><al><cursief>W002: </cursief><cursief>Belanghebbenden zijn personen als
                                genoemd in artikel 2 van de verordening re-integratie</cursief></al><al/><al><cursief>Belanghebbenden </cursief><cursief><onderstreept>met een
                                    uitkering op grond van de WWB, IOAZ of
                                IOAW</onderstreept></cursief></al><al>Belanghebbende, die een bijstanduitkering ontvangt, wordt indien
                            noodzakelijk een voorziening aangeboden gericht op arbeidsinschakeling
                            als bedoeld in de re-integratieverordening. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Andere</onderstreept></cursief><cursief>
                                belanghebbenden </cursief></al><al/><al>Andere belanghebbenden dienen - om in aanmerking te komen voor een
                            voorziening - te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>men mag geen betaalde arbeid verrichten; en</al></li><li nr="-"><al>men moet minimaal 20 uur per week beschikbaar zijn; en</al></li><li nr="-"><al>ingeschreven te staan bij het UWV Werkbedrijf.</al></li></lijst><al>De betrokkenen zoals hierboven beschreven hebben recht op dezelfde
                            voorzieningen als iemand met een WWB uitkering</al><al/><al>Het maximaal beschikbare bedrag per re-integratietraject bedraagt in
                            principe € 1000,-</al><al>Tot dit bedrag kan de werkcoach zelf beslissen, daarboven beslist de
                            leidinggevende.</al><al>Het gaat om kortdurende beroepsgerichte cursussen zoals bijv VCA,
                            opleiding heftruckchauffeur.</al><al/><al>Het budgetplafond van enig jaar is gekoppeld aan de
                            werkpleinbegroting.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W003 Afspraken met client over de gevolgen van het niet nakomen/voortijdig afbreken van een re-integratievoorziening</label></kop><structuurtekst><al>Voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB, IOAZ of IOAW
                            is de re-integratieplicht verbonden aan het recht op de uitkering. Het
                            beleid voor het handelen bij het niet nakomen van de verplichtingen door
                            belanghebbenden met een WWB, IOAW of IOAZ is vastgelegd in de
                            afstemmingsverordening. </al><al/><al>Voor andere belanghebbenden geldt dat deze verplichting niet bij wet is
                            opgelegd, maar dat zij zelfstandig een verzoek doen aan het college voor
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. Ook ontvangen zij geen
                            uitkering waarop afstemming plaats kan vinden. Om ook bij deze groep een
                            “maatregel” te kunnen opleggen en de kosten van de
                            re-integratievoorziening (deels) terug te kunnen vorderen, indien het
                            voortijdig afbreken van het traject aan de belanghebbende kan worden
                            verweten, wordt in het trajectplan een “boetebeding” opgenomen. </al><al/><al><cursief>W003: </cursief><cursief>Belanghebbenden zijn personen als
                                genoemd in artikel 2 van de verordening re-integratie</cursief></al><al/><al><cursief>Belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB, IOAZ of
                                IOAW</cursief></al><al>Belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB , IOAW of IOAZ, is
                            de re-integratieplicht wettelijk opgelegd. Bij niet nakomen van de
                            verplichtingen artikel 9, WWB, artikel 37, IOAW, of artikel 37, IOAZ of
                            het voortijdig afbreken van het traject, vindt er afstemming van de
                            bijstand plaats op grond van artikel 18, WWB, en de
                            afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Andere belanghebbenden </cursief></al><al>Het aanbod van een re-integratievoorziening ten behoeve van andere
                            belanghebbenden geschiedt in de vorm van een trajectplan, waarbij wordt
                            vastgelegd dat belanghebbende de kosten van een re-integratievoorziening
                            geheel zal terugbetalen middels een boetebeding als bedoeld in artikel
                            6:92, BW, ingeval hij voortijdig en verwijtbaar de voorziening afbreekt.
                            De hoogte van de boete wordt gesteld op maximaal 100% van de kosten van
                            de re-integratievoorziening.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W004 Overzicht aangeboden re-integratievoorzieningen (vervallen)</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W005 Overzicht gemeentelijke re-integratiepartners</label></kop><structuurtekst><al>W005: Als college werken wij intensief samen met re-integratie partners.
                            Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er maatwerk geleverd dient
                            te worden aan onze klanten. Dit houdt dan ook in dat we met veel
                            partners samenwerken.</al><al/><al>Voordat er extern gezocht gaat worden, zal eerst gekeken worden of de
                            medewerkers van het Werkplein zelf de re-integratie kunnen ondersteunen
                            en daarna zal Ability als preferred partner optreden (inbesteden). </al><al/><al>Het college beoordeelt het (maatwerk) aanbod van (potentiële)
                            re-integratiepartners op basis van de volgende criteria:</al><lijst><li nr="-"><al>Prijs</al></li><li nr="-"><al>Kwaliteit</al></li><li nr="-"><al>Bereikbaarheid / lokale binding</al></li><li nr="-"><al>Kennis van de doelgroep / regio</al></li><li nr="-"><al>Referenties / ervaring</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W006 Overzicht diagnose-instrumenten</label></kop><structuurtekst><al>Voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB, de IOAW of
                            de IOAZ, is de re-integratieplicht wettelijk opgelegd. Hiervoor koopt
                            het college re-integratievoorzieningen in. Het college gaat uit van het
                            standpunt dat er zoveel mogelijk maatwerk geleverd moet worden. Om die
                            reden moet er een goede diagnose gesteld worden.</al><al/><al>W006: Voor het vaststellen van de diagnose wordt in de volgende volgorde
                            gewerkt</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De klantmanager/werkcoach van de gemeente stelt een diagnose op,
                                    op basis van de door de belanghebbende verstrekte gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Indien de diagnose niet door de klantmanager/werkcoach kan
                                    worden gesteld, wordt bij voorkeur het diagnose instrument
                                    Dariuz ingezet.</al></li><li nr="3."><al>Indien op individuele (medische, psychische of sociale) gronden
                                    een meer gespecialiseerde diagnose dient te worden gesteld,
                                    onderzoekt de klantmanager/werkcoach alternatieve
                                    mogelijkheden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7. Trajectplan</label></kop><structuurtekst><al>De voorzieningen die worden ingezet, worden vastgelegd in een
                            trajectplan. Het trajectplan moet worden opgesteld en getekend, voordat
                            het plan wordt uitgevoerd. </al><al/><al><cursief>W007: </cursief><cursief>Belanghebbenden zijn personen als
                                genoemd in artikel 2 van de verordening re-integratie</cursief></al><al/><al> B<cursief>elanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB, IOAZ of
                                IOAW</cursief></al><al>De voorzieningen die worden ingezet, worden vastgelegd in een
                            trajectplan.</al><al>In het trajectplan worden de volgende zaken genoemd:</al><lijst><li nr="-"><al>er wordt een begin- en einddatum genoemd;</al></li><li nr="-"><al>de ingezette voorzieningen worden benoemd;</al></li><li nr="-"><al>de kosten die zijn verbonden aan het traject;</al></li><li nr="-"><al>de wederzijdse rechten en plichten, waaronder de
                                    inspanningsverplichting en de consequenties van niet nakomen van
                                    de afspraken;</al></li><li nr="-"><al>het trajectplan bevat een realistisch tijdspad;</al></li><li nr="-"><al>het voorgestelde traject moet aansluiten op de situatie van de
                                    persoon en de aangegeven beperkingen en mogelijkheden;</al></li><li nr="-"><al>het doel van het traject moet concreet worden aangegeven. Als
                                    het doel niet toeleiding naar werk is, dan dient dit gemotiveerd
                                    te worden;</al></li><li nr="-"><al>het trajectplan moet ondertekend worden door de consulent en
                                    belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>verzuimbeleid re-integratietrajecten</al></li></lijst><al/><al>N.a.v. het trajectplan wordt In het cliëntvolgsysteem vastgelegd op
                            welke trede van de participatieladder cliënt aan het begin van het
                            traject staat en op welke trede cliënt aan het einde van het traject
                            staat. </al><al>Jaarlijks wordt de trede aan het begin van het jaar en de trede aan het
                            einde van het jaar vastgelegd..</al><al/><al><cursief>Andere belanghebbenden</cursief></al><al>Als het college van oordeel is dat een voorziening noodzakelijk is voor
                            de arbeidsinschakeling van een niet-uitkering gerechtigde of een Anw-er,
                            dan wordt het trajectplan gezien als een privaatrechtelijke
                            overeenkomst, waarin is opgenomen welke voorziening wordt aangeboden en
                            wat daaraan de verbonden verplichtingen zijn. </al><al/><al> De belanghebbende dient deze overeenkomst binnen twee weken na
                            ontvangst ervan ondertekend aan het college te retourneren. Indien de
                            belanghebbende de overeenkomst niet binnen de bedoelde termijn heeft
                            geretourneerd, wordt de belanghebbende geacht het aanbod niet te hebben
                            aanvaard en vervalt het aanbod.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W008 Hulpverleningsinstellingen</label></kop><structuurtekst><al>Belanghebbenden met een uitkering op grond van de WWB, de IOAW of de
                            IOAZ, kunnen problemen hebben waardoor hun re-integratie wordt
                            belemmerd. Hierbij kan gedacht worden aan verslavingsproblematiek, het
                            hebben van schulden en psychische problemen. Ook kunnen meerdere
                            problemen bij één persoon voorkomen. In dit soort gevallen zal het
                            college doorverwijzen naar hulpverleningsinstellingen of voorzieningen
                            in het kader van de AWBZ. Belanghebbenden dienen zich hierbij te houden
                            aan de nadere opgelegde verplichtingen volgens artikel 55, WWB.</al><al/><al>W008: Gemeente kan nadere verplichtingen op grond van artikel 55 WWB
                            opleggen die de arbeidsinschakeling (kunnen) bevorderen, dan wel
                            belemmeringen tot arbeidsinschakeling wegnemen dan wel verminderen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W009 Sociale activering</label></kop><structuurtekst><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                            maatschappelijk nuttige activiteiten als voorbereiding op een traject
                            gericht op werk of gericht op het voorkomen van sociaal isolement. Het
                            is een middel om kansen van belanghebbenden op participatie in de
                            samenleving te bevorderen. Soms kan door middel van sociale activering
                            een eerste voorzichtige stap richting arbeidsmarkt worden gemaakt. Dat
                            hoeft echter niet altijd het primaire doel van sociale activering te
                            zijn. </al><al/><al>Bij sociale activering dient men aan de volgende activiteiten te
                            denken:</al><lijst><li nr="-"><al>activiteiten gericht op het doorbreken of voorkomen van een
                                    sociaal isolement;</al></li><li nr="-"><al>activiteiten gericht op het zetten van een voorlopige stap op
                                    weg naar de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>maatschappelijke activiteiten/zinvolle tijdsbesteding.</al></li></lijst><al/><al>In het kader van sociale activering is het mogelijk te werken met behoud
                            van uitkering. </al><al>Binnen dit kader wordt deze vorm aangeduid met de term
                            participatieplaats.</al><al>Doelgroep zijn klanten die niet (binnen afzienbare tijd) op regulier
                            werk plaatsbaar zijn. Doelstelling is werken op additionele plaatsen
                            (vrijwilligerswerk of maatschappelijke participatie) als
                            maatschappelijke tegenprestatie.</al><al/><al>Ter voorkoming van verdringing van arbeid dient bij plaatsing een toets
                            op additionaliteit plaats te vinden en is de duur van de
                            participatieplaats begrensd tot 36 maanden.</al><al/><al>W009: Sociale activering wordt ingezet voor personen met een zeer grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt. Sociale activering is bedoeld om een
                            (dreigend) sociaal isolement te doorbreken. Sociale activering kan ook
                            een middel zijn om de kansen op werk te verbeteren.</al><al/><al>Participatieplaats : Het – gedurende maximaal 36 maanden - werken met
                            behoud van uitkering op additionele arbeidsplaatsen als maatschappelijke
                            tegenprestatie door personen die niet binnen afzienbare tijd plaatsbaar
                            zijn op de reguliere arbeidsmarkt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W010 Scholing</label></kop><structuurtekst><al>Scholing is van groot belang voor het verkrijgen van een goede
                            (start)kwalificatie op de arbeidsmarkt. Scholing zal daarom in veel
                            re-integratietrajecten terugkomen.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de scholingsbehoefte wordt in overleg met de
                            belanghebbende gekeken naar bestaand opleidingsniveau, huidig
                            arbeidsmarktperspectief, mogelijkheden van belanghebbende en het
                            arbeidsperspectief na de opleiding.</al><al/><al>Voor de inzet van scholing wordt uitgegaan van de kortste weg naar werk.
                            Met anderewoorden, geen jarenlange opleiding indien er een kortere
                            voorziening naar werk bestaat </al><al/><al>De doelstelling om minimaal een startkwalificatie MBO 2/HAVO te behalen
                            heeft vorm gekregen in het Waddenmodel.</al><al/><al>Uitgangspunt is dat scholing voorafgaat aan of gecombineerd wordt met
                            arbeid. De aansluiting met werk mag niet verloren gaan door alleen
                            scholing aan te bieden. Slechts in individuele gevallen kan hiervan
                            worden afgeweken, bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met zorgtaken
                            voor kinderen. Deze ouders kunnen de zorgtaken combineren met een
                            opleiding. </al><al>Scholing mag in beginsel niet langer duren dan twee jaar. Scholing
                            inzetten ten behoeve van positieverbetering wordt niet toegestaan. </al><al/><al> In het kader van scholing, dan wel het
                                <onderstreept>aanleren</onderstreept> van werknemersvaardigheden en
                            vakcompetenties is het mogelijk een werk/leerstage in te zetten. Met
                            werk/leerstage kan de deelnemer werken met behoud van uitkering bij een
                            (reguliere) werkgever met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt
                            dusdanig te verkleinen, dat aansluitend bemiddeling naar regulier werk
                            tot de mogelijkheden behoort. De duur van een werk/leerstage is begrensd
                            tot maximaal 12 maanden, waarbij de leerdoelstelling gericht dient te
                            zijn op kansrijke sectoren in de arbeidsmarkt. </al><al/><al>Artikel 10a lid 5 WWB Participatieplaats luidt:</al><al>Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel additionele
                            werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een startkwalificatie
                            na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing
                            of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar
                            het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de
                            krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. Geen
                            scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar
                            het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op
                            inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.</al><al/><al>W010:</al><lijst><li nr="-"><al>Voor jongeren onder de 27 geldt ‘school boven uitkering’: Wie
                                    naar school kan, gaat naar school!</al></li><li nr="-"><al>Scholing: We doen alleen wat effect heeft. Deze scholing is
                                    gericht op directe uitstroom middels arbeidsinschakeling van
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="-"><al>Alle in te zetten scholingstrajecten dienen arbeidsmarktrelevant
                                    te zijn en voor belanghebbende de kortste weg naar werk.</al></li><li nr="-"><al>Scholing mag in beginsel niet langer duren dan twee jaar.</al></li><li nr="-"><al>Scholing inzetten ten behoeve van positieverbetering wordt niet
                                    toegestaan. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>De kosten van een re-integratietraject zijn in beginsel begrensd
                                    tot € 1000,00. </al></li><li nr="-"><al>Werk/leerstage : werken met behoud van uitkering ten behoeve van
                                    scholing dan wel vakgerichte vaardigheden of competenties
                                    gedurende maximaal 3 maanden met een eenmalige verlenging van 3
                                    maanden. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W011 Loonkostensubsidie / Werkervaringsplaats / Proefplaatsing</label></kop><structuurtekst><al> W011: <cursief>Loonkostensubsidie</cursief></al><al>De loonkostensubsidie wordt om budgettaire redenen niet verstrekt</al><al/><al><cursief>Proefplaasting</cursief></al><al>Het werken met behoud van uitkering gedurende maximaal 2 maanden op een
                            reguliere arbeidsplaats bij een reguliere werkgever t.b.v. het
                            verkrijgen van een regulier dienstverband bij dezelfde werkgever.</al><al/><al>De periode van proefplaatsing dient – op basis van jurisprudentie- door
                            de werkgever in mindering te worden gebracht op de duur van de
                            proefperiode binnen het aansluitende dienstverband. </al><al/><al><cursief>Werkervaringsplaats</cursief></al><al>Met de werkervaringsplaats wordt de werkervaring van de deelnemer op
                            peil gehouden. Doelstelling van de werkervaringsplaats is het voorkomen
                            van een “gat” in het CV, het opdoen van extra werkervaring en
                            (vak)competenties. </al><al/><al>Doelgroep voor de werkervaringsplaats is groep waar werkervaring het
                            knelpunt is. Van deelnemers wordt verwacht dat zij binnen afzienbare
                            tijd maanden naar regulier werk uit kunnen stromen. De
                            werkervaringsplaats kan daarmee dus volgen op een werk/leerstage,
                            wanneer er (nog) geen geschikte vacature beschikbaar is of gevolgd wordt
                            door een proefplaatsing wanneer zich een geschikte vacature
                            voordoet.</al><al/><al>De maximale duur van een werkervaringsplaats bij één werkgever is 3
                            maanden (met maximaal drie manden verlenging, waarbij nadrukkelijk de
                            mogelijkheid bestaat dat in geval zich een reguliere baan aandient, de
                            werkervaringsplaats per direct moet kunnen worden beëindigd.</al><al/><al><cursief>Werkervaringsplaats</cursief></al><al>Het werken met behoud van uitkering gedurende maximaal 6 maanden bij
                            dezelfde werkgever met als doel werkervaring op te doen, dan wel te
                            behouden om de afstand tot de arbeidsmarkt zo klein mogelijk te
                            houden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>W012 Beleidsregels premies en onkostenvergoedingen</label></kop><structuurtekst><al><cursief>W012:</cursief></al><al><cursief>Premies</cursief></al><al>Het premiebeleid wordt conform de Wet Stimulerings arbeidsparticipatie
                            (STAP) uitgevoerd. </al><al>Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die minimaal 20 uur per
                            week onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten conform artikel
                            10a, zesde lid van de wet een premie van telkens € 300,00 per zes
                            maanden.</al><al/><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                            maanden beoordeeld.</al><al/><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                            belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden
                            verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.</al><al/><al>Per 01-01-2012 vervallen alle overige premies. Als overgangsregeling
                            geldt, dat iedereen die in of voór 01-01-2012 een dienstverband
                            aanvaardt of een participatieplaats vervult in aanmerking komt voor de
                            premies als bedoeld in de beleidsregels voorafgaand aan de vaststelling
                            van de herziene beleidsregels van oktober 2011.</al><al/><al><cursief>Onkostenvergoedingen</cursief></al><al>Het is mogelijk om een vergoeding te verstrekken voor kosten die de
                            persoon moet maken in het kader van een arbeidsmarktgericht
                            re-integratieactiviteit. Hierbij gaat het om de directe en indirecte
                            kosten, die noodzakelijk en aantoonbaar zijn en die, in alle
                            redelijkheid, niet ten laste van de persoon kunnen komen. Ook moet er
                            voor deze kosten geen andere voorliggende voorziening zijn. Voorts moet
                            er sprake zijn van de goedkoopste adequate oplossing. Over de
                            onkostenvergoeding worden in het trajectplan concrete afspraken
                            gemaakt.</al><al/><al>Onkostenvergoedingen</al><al>Een belanghebbende kan, in het kader van het trajectplan, aanspraak
                            maken op een onkostenvergoeding, waaronder reiskosten,
                            kinderopvangkosten en andere te maken kosten, voor zover deze naar het
                            oordeel van het college noodzakelijk zijn . </al><al>Het college betrekt bij zijn oordeel over de noodzaak :</al><lijst><li nr="-"><al>het belang van de te maken kosten in verband met de
                                    re-integratie van de belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>de zienswijze van belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>de beoordeling van de mogelijkheden van de belanghebbende tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de beschikbaarheid van de benodigde voorziening of alternatieven
                                    daarvoor.</al></li></lijst><al/><al>Reiskosten die in het kader van de uitvoering van het trajectplan worden
                            gemaakt, worden geheel vergoed op basis van openbaar vervoer indien de
                            enkele reisafstand groter is dan 10 km (postcode – postcode). Onder de
                            10 km worden geen reiskosten vergoed. Hierbij is aangesloten bij de
                            fiscale wetgeving.</al><al>De 10 kilometer bepaling is niet van toepassing als mensen een
                            aantoonbare lichamelijke beperking ondervinden en niet beschikken over
                            een vervoersvoorziening (fietsvoorzieningen of scootmobielen) in het
                            kader van de Wmo. </al><al>Mocht het openbaar vervoer niet doelmatig worden geacht dan kan een
                            kilometervergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (op basis van de
                            routeplanning) worden verstrekt. Voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling in het kader van overig beleid, zoals bijvoorbeeld
                            deze reiskosten, fiets en dergelijke, dienen net als alle voorzieningen
                            die ingezet worden ten behoeve van re-integratie, gemotiveerd te worden.
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B001 - Voorbeelden van inrichtingen</label></kop><structuurtekst><al>Enkele voorbeelden van inrichtingen</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Hospitium Den Eikelaar (Leek)</al></li><li nr="-"><al>Lentis KKP, locatie Hereweg</al></li><li nr="-"><al>Limor, locatie Hiddemaheerd</al></li><li nr="-"><al>Toevluchtsoord</al></li><li nr="-"><al>VNN, locaties IMC (Eelde), Vondellaan en Haddingestraat</al></li><li nr="-"><al>Vast en Verder</al></li></lijst><al/><al>Enkele voorbeelden van instellingen die geen inrichting zijn</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Blijf van mijn Lijf</al></li><li nr="-"><al>Open Hof, Hoendiepshuis</al></li><li nr="-"><al>Regionale Instellingen voor Beschermde Woonvormen (RIBW)</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B142 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand.</label></kop><structuurtekst><al>Indien belanghebbenden minder dan 30 dagen voor de datum van melding nog
                            recht op bijstand hadden, wordt dit recht niet geacht te zijn geëindigd
                            en hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan. </al><al/><al>Er geldt een vereenvoudigde aanvraagprocedure in het geval dat
                            belanghebbenden binnen drie maanden na datum beëindiging een hernieuwd
                            beroep op bijstand doen. Na melding via werk.nl kan volstaan worden met
                            een check op gewijzigde omstandigheden en actuele
                            vermogensgegevens.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B002 - Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag</label></kop><structuurtekst><al>De belanghebbende wordt verzocht binnen 5 werkdagen of op de geplande
                            afspraak na de datum van melden het (volledig) ingevulde en ondertekende
                            inlichtingenformulier alsmede de gevraagde bewijsstukken bij de gemeente
                            in te leveren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B003 - Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag</label></kop><structuurtekst><al>Een belanghebbende die een uitkering bij een andere sociale
                            zekerheidsinstelling aanvraagt maar daar een afwijzing krijgt, zal zich
                            na ontvangst van de afwijzing kunnen melden bij het Werkplein voor een
                            uitkering op grond van de WWB. Bij toekenning van die uitkering of
                            inkomensvoorziening geldt in beginsel ingangsdatum die bij de andere
                            sociale zekerheidsinstelling zou hebben gegolden. Dit geldt echter
                            alleen als belanghebbende zich binnen vijf werkdagen na ontvangst van de
                            afwijzing bij het Werkplein heeft gemeld. Bij melding na vijf werkdagen
                            maar binnen een maand, wordt de 'schuifregeling' toegepast. Dit betekent
                            dat het aantal kalenderdagen tussen de datum van verwijzing/afwijzing
                            door de sociale zekerheidsinstelling en de datum van melden bij het
                            Werkplein wordt opgeteld bij de dag dat de belanghebbende zich bij de
                            andere sociale zekerheidsinstelling heeft gemeld of de dag dat de
                            voorliggende voorziening zou zijn ingegaan. Bij melding vanaf een maand,
                            wordt deze 'schuifregeling' niet toegepast. De ingangsdatum van de
                            uitkering of inkomensvoorziening is dan de datum dat belanghebbende zich
                            voor een bijstandsuitkering heeft gemeld.</al><al/><al><cursief>Aanwijzingen voor de uitvoering: </cursief>Stel dat
                            belanghebbende zich op 19 april heeft gemeld voor een WW-uitkering.
                            Belanghebbende krijgt echter een afwijzing, gedateerd op 28 mei. Op 8
                            juni meldt hij zich bij het Werkplein voor bijstand. Belanghebbende
                            heeft zich niet binnen vijf werkdagen na de afwijzing gemeld. Hij is 11
                            kalenderdagen te laat (van 29 mei tot en met 8 juni). Deze 11
                            kalenderdagen moeten bij de meldingsdatum voor de WW opgeteld worden.
                            Dus vanaf (inclusief) 19 april 11 kalenderdagen. De ingangsdatum van de
                            bijstandsuitkering wordt 29 april. Als de WW-uitkering van
                            belanghebbende is afgelopen en hij meldt zich te laat bij het Werkplein,
                            dan kan de bijstand pas ingaan op de meldingsdatum. Voorafgaand aan het
                            zogenaamde definitieve 'max-bericht' wordt namelijk ook een voorlopig
                            'max-bericht' verzonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid
                            van belanghebbende om zich tijdig te melden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B004 - Afhandeling ingetrokken aanvragen</label></kop><structuurtekst><al>Het staat belanghebbende vrij de aanvraag om een uitkering mondeling
                            (telefonisch) of schriftelijk in te trekken. Een verzoek tot intrekking
                            dient door het bestuursorgaan schriftelijk te worden bevestigd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B005 - Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college</label></kop><structuurtekst><al> Er wordt niet afgeweken van <onderstreept>artikel 41 lid 2
                                WWB</onderstreept>. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B006 - Locatie(s) indienen aanvragen</label></kop><structuurtekst><al> Voor aanvragen die bij het UWV moeten worden ingediend, moet de
                            aanvrager zich bij het UWV melden via
                                <onderstreept>www.werk.nl</onderstreept>. </al><al/><al>Voor overige aanvragen, die bij het college van B&amp;W moeten worden
                            ingediend, moet de aanvrager zich melden bij: Werkplein Noord-Groningen,
                            Adres: Ubbo J. Mansholtplein 2 Winsum Telefoonnummer: (0595) 750300</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B007 - Overdrachtstermijn</label></kop><structuurtekst><al>Er zijn geen afspraken gemaakt met het UWV WERKbedrijf over de
                            verlenging van de overdrachtstermijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B164 - Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar</label></kop><structuurtekst><al> Na de melding voor een aanvraag WWB krijgen belanghebbenden jonger dan
                            27 jaar van Sociale Zaken en Werk een brief waarin staat wat van hen
                            verwacht wordt tijdens de zoekperiode. Dit wordt hen <vet>ook</vet>
                            tijdens een centrale bijeenkomst of voorlichting naar aanleiding van de
                            melding uitgelegd. </al><al/><al>Met betrekking tot de verplichting er alles aan te doen om werk te
                            vinden, is de belanghebbende verplicht:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Minimaal 3 sollicitaties per week te verrichten</al></li><li nr="-"><al>Zich in te schrijven bij minimaal 5 uitzendbureaus</al></li><li nr="-"><al>Zijn Curriculum Vitae te uploaden bij minimaal 3
                                    vacaturesites</al></li></lijst><al/><al>Belanghebbende moet zijn activiteiten registreren door het volgende bij
                            te houden:
                            Naambedrijf/uitzendbureau/contactpersoon/vestigingsplaats/telefoonnummer/datum/manier
                            van solliciteren/resultaat.</al><al/><al>Met betrekking tot de scholingsmogelijkheden is belanghebbende
                            verplicht:</al><lijst><li nr="-"><al>Te onderzoeken wat zijn mogelijkheden zijn voor een
                                    vervolgstudie en</al></li><li nr="-"><al>Te onderzoeken welke studie hij wil gaan doen (vervolgstudie) en
                                    waar hij die kan volgen</al></li><li nr="-"><al>Te onderzoeken wanneer hij kan beginnen met opleiding of
                                    scholing (wat is het eerstkomende instroommoment)</al></li><li nr="-"><al>Contact op te nemen met DUO over zijn rechten op
                                    studiefinanciering.</al></li></lijst><al/><al>Ook hiervan moet belanghebbende bewijsstukken overleggen, zoals een
                            verklaring van de school, studiebegeleider, scholingsadviseur of
                            trajectbegeleider RMC (vroegtijdige schoolverlaters tot 23).</al><al/><al>Na vier weken nodigt Sociale Zaken en Werk de jongere uit voor een
                            gesprek en onderzoekt Sociale Zaken en Werk of belanghebbende
                            daadwerkelijk voldoende heeft gedaan.</al><al/><al>Belanghebbende is verplicht tijdens dat gesprek bij Sociale Zaken en
                            Werk ook een kopie mee te nemen van diploma’s, cijferlijsten en/of
                            certificaten van door hem gevolgde opleidingen of cursussen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 - Recht op bijstand</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B012 - Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen e...</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Kosten eerste aanvraag verblijfsvergunning</cursief></al><al>Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor
                            legeskosten verbonden aan het voor de eerste keer aanvragen van een
                            verblijfsvergunning. Om recht te hebben op (bijzondere) bijstand moet de
                            belanghebbende Nederlander of een aan een Nederlander gelijkgestelde
                            zijn (artikel 11 WWB). </al><al/><al><cursief> Kosten verlengen of wijzigen
                                verblijfsvergunning</cursief></al><al>In afwijking van het bovenstaande kan voor kosten verbonden aan het
                            verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning bijzondere bijstand
                            worden verstrekt.</al><al/><al><cursief>Vorm van de bijzondere bijstand</cursief></al><al>De bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt. </al><al><cursief>Hoogte van de bijzondere bijstand</cursief>De hoogte
                            van de te verlenen bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk te
                            maken (leges)kosten. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het
                            in aanmerking te nemen inkomen en vermogen B7.2.3 </al><al/><al><cursief> Kosten naturalisatie</cursief></al><al>De kosten van naturalisatie zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van
                            de WWB. Voor deze kosten kan daarom geen bijzondere bijstand worden
                            verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B013 - Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde</label></kop><structuurtekst><al> Er wordt <cursief>geen</cursief> bijzondere bijstand verstrekt voor het
                            aanhouden van de woning tijdens detentie. Eventueel met hulp van de
                            reclassering, zal de gedetineerde zelf zorg moeten dragen voor het
                            (kunnen) aanhouden van de woning door tijdige reservering voor deze
                            kosten, het afsluiten van een lening of het tijdelijk (onder)verhuren
                            van de woning. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B014 - Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker
                            (=belanghebbende) naar inrichting waar de gedetineerde verblijft.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al>Voor zover bekend is er geen voorliggende voorziening.</al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere
                            bijstand</cursief></al><al>De noodzaak voor het bezoeken van een gedetineerde wordt aanwezig geacht
                            indien:</al><lijst><li nr="-"><al> de gedetineerde behoort tot het gezin (zie
                                        <onderstreept>B1.7.2</onderstreept>) van belanghebbende, en;
                                </al></li><li nr="-"><al>de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen
                                    recht op verlof), en; </al></li><li nr="-"><al>de inrichting is gelegen buiten de gemeente (maar binnen
                                    Nederland; zie ook B3.1.2), en; </al></li><li nr="-"><al>de bezoekfrequentie bedraagt maximaal 1 keer per vier weken per
                                    gezin. De noodzaak van meer bezoeken moet door middel van
                                    schriftelijke verklaringen van de inrichting/reclassering worden
                                    gemotiveerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Hoogte van de bijzondere
                                bijstand</cursief>De hoogte van de bijzondere
                            bijstand is gelijk aan goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het
                            betreffende traject. </al><al/><al> Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten moet eerst de
                            draagkracht in inkomen en vermogen (<onderstreept>artikel 35 lid 1
                                WWB</onderstreept>) verbruikt zijn. </al><al/><al><cursief>Vorm van de bijzondere bijstand</cursief></al><al>De bijzondere bijstand wordt verleend om
                            niet. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B015 - Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen</label></kop><structuurtekst><al>Het verrichten van onbetaalde arbeid als alternatieve straf kan niet
                            leiden tot een (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B016 - Meldingsplicht studie</label></kop><structuurtekst><al>Belanghebbende is verplicht vooraf te melden dat hij een studie wil gaan
                            volgen.</al><al/><al>Naar aanleiding van de melding geeft het college middels een beschikking
                            al dan niet toestemming voor het volgen van die studie met behoud van
                            uitkering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B017 - Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland</label></kop><structuurtekst><al> De belanghebbende is verplicht vooraf via het wijzigingsformulier
                            melding te maken van vakantie/verblijf in het
                                <cursief>buitenland</cursief>. De belanghebbende moet melden wanneer
                            en hoe lang hij met vakantie/naar het buitenland gaat. Alleen in die
                            situatie waarin de vorm en of duur van de vakantie gevolgen heeft voor
                            het recht op uitkering volgt een beschikking. </al><al/><al>De reden van de meldingsplicht met betrekking tot het verblijf in het
                            buitenland is gelegen in de bepaling van artikel 13 lid 1 onderdeel e
                            WWB en de vier/dertien-wekentermijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B169 - Het kunnen volgen van onderwijs</label></kop><structuurtekst><al>Indien de jongere over een startkwalificatie beschikt maar het volgen
                            van onderwijs de kansen op de arbeidsmarkt vergroot dan wordt van de
                            jongere gevergd dit onderwijs daadwerkelijk te volgen.</al><al>Voor jongeren zonder startkwalificatie geldt dat ze teruggeleid worden
                            naar regulier onderwijs.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 - Middelentoets</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B147 - Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating</label></kop><structuurtekst><al> Op het moment dat de belanghebbende voor het eerst inkomsten uit arbeid
                            gaat verkrijgen, waarbij er nog wel een beroep gedaan moet worden op een
                            aanvullende uitkering, is er sprake van arbeidsinschakeling. Het is aan
                            de consulent om te bepalen: of deze functie de kansen op <vet>volledige
                            </vet>uitstroom van belanghebbende vergroot. Indien er sprake is van
                            bovengenoemde situatie dan worden de inkomsten uit arbeid conform het
                            wettelijk kader verrekend. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B018 - Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers</label></kop><structuurtekst><al>De schaalvoordelen van belanghebbenden, die hun woning delen op basis
                            van (onder)verhuur of het hebben van een of meer kostgangers, worden
                            geacht te zijn verdisconteerd in de hoogte van de bijstand (inclusief
                            toeslag). Omdat er in dergelijke gevallen hiermee reeds rekening is
                            gehouden met het bepalen van hoogte van de toeslag, worden deze
                            inkomsten niet afzonderlijk tot de in aanmerking te nemen middelen
                            gerekend.</al><al/><al>Zijn er echter in totaal drie of meer kostgangers en/of kamerhuurders
                            dan kan waarschijnlijk worden aangenomen dat er sprake is van
                            bedrijfsmatige activiteiten en dat er geen recht op reguliere bijstand
                            bestaat. Mogelijk komt de betrokkene dan wel in aanmerking voor
                            uitkering op grond van het Bbz 2004. </al><al>NB: ondanks het feit dat er bij drie of meer kamerhuurders of
                            kostgangers in de praktijk van kan worden uitgegaan dat er geen recht op
                            bijstand bestaat wegens bedrijfsmatige activiteiten, moet een en ander
                            wel onderzocht worden. Zie ook V1.2.3.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B149 - Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverl...</label></kop><structuurtekst><al>Vervallen. Geen beleidsvrijheid. Vermogensvaststelling volgt uit de
                            wettelijke bepalingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B019 - Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling</label></kop><structuurtekst><al>Van het positieve saldo op de lopende rekening wordt bij de aanvraag om
                            bijstand een bedrag vrijgelaten ter hoogte van de van toepassing zijnde
                            bijstand (incl. toeslag en VT) in verband met lopende uitgaven. Als het
                            saldo lager is dan de bijstand, dan wordt het resultaat op € 0 gesteld.
                            Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden
                            aangemerkt en telt dus wel mee bij de vaststelling van het vermogen. </al><al>NB: de saldi op spaarrekeningen en overige rekeningen tellen wel
                            volledig mee als vermogen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B020 - Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating</label></kop><structuurtekst><al>Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de
                            bijstand. Als de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure
                            of indien er sprake is van een verlating wordt het vermogen voorlopig
                            vastgesteld in afwachting van de boedelscheiding. Er wordt een
                            heronderzoek opgeboekt om het vermogen definitief vast te stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B021 - Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente</label></kop><structuurtekst><al>Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente dienen het
                            vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw te worden
                            vastgesteld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B022 - Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm</label></kop><structuurtekst><al>Bij een wijziging in de gezinssituatie vindt een nieuwe
                            vermogensbepaling plaats. Bij alleen een wijziging in de leefsituatie
                            (bijvoorbeeld opname in een inrichting) gebeurt dit niet.</al><al/><al>De bezittingen en schulden die aanwezig zijn op het moment van de
                            wijziging worden afgezet tegen de vermogensgrens die van toepassing is
                            in de nieuwe situatie. Op het saldo van de lopende rekening wordt de
                            nieuwe norm (inclusief VT) in mindering gebracht. Als het saldo lager is
                            dan de bijstand, dan wordt het resultaat op € 0 gesteld. Een negatief
                            saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt.</al><al/><al>Nadat het vermogen is vastgesteld, wordt vastgesteld of belanghebbende
                            nog steeds recht heeft op voortzetting van de bijstandsuitkering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B023 - Beleid inzake korten voorlopige teruggave</label></kop><structuurtekst><al> Als vaststaat dat belanghebbende recht heeft/aanspraak kan maken op een
                            bepaalde heffingskorting en deze heffingskorting als middel moet worden
                            aangemerkt, vindt korting op de uitkering plaats.Van
                            belanghebbenden wordt verwacht dat zij er zelf zorg voor dragen dat zij
                            de juiste heffingskortingen aanvragen. Ook moeten zij wijzigingen in hun
                            gezinssituatie tijdig doorgeven aan de Belastingdienst. </al><al/><al>Ouderenkorting:Het recht vangt pas aan na het bereiken van de
                            pensioengerechtigde leeftijd. Het bedrag dat belanghebbende over de
                            periode daarvoor van de belastingdienst ontvangt, heeft betrekking op
                            een periode waarin bijstand is ontvangen. De bijstand ter hoogte van dat
                            bedrag dient te worden teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2
                            onderdeel f sub 1 (later verkregen middelen).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B024 - Vrijlaten giften</label></kop><structuurtekst><al>Giften en charitatieve uitkeringen van instellingen of personen worden
                            slechts als middelen in aanmerking genomen als zij tot een zodanige
                            verbetering van de leefomstandigheden leiden, dat het buiten beschouwing
                            laten ervan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening onaanvaardbaar zou
                            zijn.</al><al/><al>Individuele omstandigheden bepalen of hiervan sprake is:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>van belang hierbij zijn de hoogte van de gift of uitkering, en
                                </al></li><li nr="2."><al>het doel (bestemming) waarvoor de gift of uitkering wordt
                                    gegeven of juist het ontbreken daarvan.</al></li></lijst><al/><al>Als grens wordt een bedrag van € 450,00 op jaarbasis aanvaardbaar
                            geacht. Als het een incidentele gift of uitkering betreft moet worden
                            beoordeeld of deze betrekking heeft op kosten die worden geacht in de
                            algemene bijstand te zijn begrepen. Heeft de gift of uitkering geen
                            specifieke bestemming, dan kan dit aanleiding zijn de gift of uitkering
                            niet (geheel) buiten beschouwing te laten. De gift wordt dan gezien als
                            middel. Is de gift bestemd voor specifieke kosten waarmee de
                            belanghebbende wordt geconfronteerd en die niet worden geacht in de
                            algemene bijstand te zijn begrepen, dan zal er binnen redelijke grenzen
                            geen bezwaar zijn deze buiten beschouwing te laten.</al><al/><al>Bijvoorbeeld de belanghebbende ontvangt € 900,00 voor vervanging van
                            enkele duurzame gebruiksgoederen (koelkast, stofzuiger en wasmachine)
                            van zijn ouders. Het is aanvaardbaar een dergelijke gift niet als
                            middelen in aanmerking te nemen. De belanghebbende is vrij in de
                            besteding van de gift, maar als de belanghebbende vervolgens bijzondere
                            bijstand aanvraagt voor diezelfde gebruiksgoederen, dan kan de aanvraag
                            worden afgewezen.</al><al/><al>Een gift met een specifieke bestemming niet zijnde levensonderhoud
                            wordt, voor zover in aanmerking te nemen beschouwd als vermogen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B025 - Spaarloon (vervallen)</label></kop><structuurtekst><al><vet>Voor Levensloop zie Grip op WWB B 4.1.3 Vrij te laten
                                middelen.</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B026 - Ex-partner betaalt woonkosten</label></kop><structuurtekst><al>Als de ex-partner bijdraagt aan de woonlasten van belanghebbende, wordt
                            daarvan maximaal een bedrag ter hoogte van de basishuur (artikel 16 Wet
                            op de huurtoeslag) als middel voor de bijstand of de inkomensvoorziening
                            aangemerkt. Na een periode van maximaal 6 maanden, wordt het meerdere
                            eveneens in mindering gebracht op de norm. De toeslagenverordening is
                            onverkort van toepassing. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B027 - Waarde auto bij vermogensvaststelling</label></kop><structuurtekst><al>Een auto of motor met een waarde tot maximaal € 4.500,- wordt als
                            algemeen gebruikelijk aangemerkt. Bedraagt de waarde van een auto echter
                            € 4.500,- of meer, dan moet de volledige waarde van de auto worden
                            betrokken bij de vaststelling van het vermogen (CRvB 04-11-2008, nr.
                            07/2108 WWB). De waarde van de auto kan bijvoorbeeld worden vastgesteld
                            aan de hand van gegevens van de ANWB-koerslijsten. Indien de
                            belanghebbende meerdere auto’s en/of motoren op naam heeft, dan wordt de
                            waarde van deze extra voertuigen geheel meegenomen in de
                            vermogensvaststelling. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B028 - Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling</label></kop><structuurtekst><al> Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie wordt geacht
                            algemeen gebruikelijk te zijn. Dit kan zowel een verzekering in natura
                            zijn, een verzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering
                            voor die kosten. De reserveringen, verzekering of anderszins, voor
                            begrafenis of crematie worden in beginsel vrijgelaten. Indien zij niet
                            voldoen aan onderstaande bepalingen worden zij, voor zover als zij te
                            gelde gemaakt kunnen worden, op grond van <onderstreept>artikel 31 lid 1
                                WWB</onderstreept> als middel in aanmerking genomen. </al><al/><lijst><li nr="-"><al>Uitvaartverzekering welke in natura uitkeert, wordt altijd
                                    vrijgelaten </al></li><li nr="-"><al>Uitvaartverzekering welke contanten uitkeert kan worden
                                    vrijgelaten indien: </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> de waarde mag niet bovenmatig hoog zijn (richtbedrag per
                                    persoon = totaal aan begrafeniskosten volgens
                                        <onderstreept>Prijzengids NIBUD</onderstreept>*); </al></li><li nr="-"><al>het tegoed wordt bij overlijden uitgekeerd en anderszins niet
                                    tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar dan wel slechts
                                    opvraagbaar of afkoopbaar tegen zeer ongunstige
                                    voorwaarden.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="-"><al>Eigen reservering in contanten voor begrafeniskosten wordt
                                    alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen
                                    aangemerkt: </al></li><li nr="-"><al>het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart
                                    en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte,
                                    geblokkeerde, rekening); </al></li><li nr="-"><al>het tegoed kan alleen bij overlijden worden opgenomen
                                    (tussentijds mag de blokkering niet worden opgeheven), en; </al></li><li nr="-"><al> de waarde is niet bovenmatig hoog (richtbedrag per persoon =
                                    totaal aan begrafeniskosten volgens <onderstreept>Prijzengids
                                        NIBUD</onderstreept></al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 - Verplichtingen, afstemming en bestuurlijke boete</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B029 - Inschrijving bij uitzendbureaus</label></kop><structuurtekst><al>Het college stemt de arbeidsplicht na een individuele afweging af op de
                            mogelijkheden en beperkingen van belanghebbende. De verplichtingen
                            worden middels beschikking of trajectplan opgelegd. In de beschikking of
                            het trajectplan kan als onderdeel van de arbeidsplicht de verplichting
                            worden opgenomen dat belanghebbende zich bij een x-aantal uitzendbureaus
                            in dient te schrijven. Het aantal is afhankelijk van de individuele
                            omstandigheden van de belanghebbende en ter beoordeling van de consulent
                            doelmatigheid.</al><al/><al>Bij het in individuele gevallen ontbreken van deze verplichting, is het
                            niet nodig belanghebbenden daarvan te ontheffen op grond van artikel 9
                            lid 2 WWB</al><al/><al>Inschrijving als werkzoekende bij het UWV werkbedrijf volgt rechtstreeks
                            uit artikel 9 lid 1 aanhef en onder sub a WWB. Deze verplichting wordt
                            middels de beschikking opgelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B163 - Tegenprestatie naar vermogen</label></kop><structuurtekst><al>In afwachting van de wettelijke verplichting wordt er nog geen invulling
                            gegeven aan deze beleidsregels. Op dit moment is er nog te veel
                            onduidelijkheid om dit op constructieve wijze in te vullen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B030 - Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht</label></kop><structuurtekst><al>De ontheffing van de arbeidsplicht is altijd tijdelijk en is in duur
                            afgestemd op de individuele omstandigheden van belanghebbende.
                            Ontheffing van de arbeidsverplichting leidt niet vanzelfsprekend tot
                            ontheffing van de re-integratieverplichting.</al><al/><al>Als er geen ontheffing van de arbeidsplicht is, gaat (tijdelijk) werk
                            voor de re-integratieplicht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B031 - Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid ...</label></kop><structuurtekst><al>Iedere belanghebbende ontvangt vooraf een overzicht met daarop de
                            maandelijkse inleverdata voor wijzigingen.</al><al/><al>Het college verstaat onder 'onverwijld uit eigen beweging', dat
                            belanghebbende de bedoelde inlichtingen zo spoedig mogelijk, echter niet
                            later dan de eerstvolgende inleverdatum, gerekend vanaf het moment
                            waarop het te melden feit zich heeft voorgedaan, dan wel kenbaar werd
                            voor belanghebbende, aan het college mededeelt.</al><al/><al>Het uitgangspunt is dat van belanghebbende(n) mag worden verwacht dat
                            zij alles binnen hun mogelijkheden doen om die inlichtingen te
                            verstrekken welke van invloed zijn op het recht op een uitkering. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B032 - Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken</label></kop><structuurtekst><al> Wanneer de belanghebbende niet meer beschikt over bepaalde
                            bewijsstukken dan zal hij eerst voor eigen rekening (<onderstreept>zie
                                CRvB
                                06</onderstreept><onderstreept>-07</onderstreept><onderstreept>-1999,
                                nr. 97/12345 ABW</onderstreept>) moeten proberen om nieuwe
                            exemplaren hiervan te verkrijgen </al><al/><al>Belanghebbende treft geen verwijt ten aanzien van het niet, niet tijdig
                            of onvolledig verstrekken van de gevorderde bewijsstukken indien het
                            recht op bijstand ondanks het ontbreken van het bewijsstuk nog kan
                            worden vastgesteld.</al><al/><al>Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van gevorderde
                            bewijsstukken leidt alleen in het geval het recht op een uitkering niet
                            meer kan worden vastgesteld tot:</al><al/><lijst><li nr="-"><al> het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in
                                    achtneming van <onderstreept>artikel 4:5 Awb</onderstreept> of,
                                </al></li><li nr="-"><al> het opschorten van het recht op de bijstand op grond van
                                        <onderstreept>artikel 54 WWB</onderstreept> of, </al></li><li nr="-"><al> het intrekken van het recht op de bijstand op grond van
                                        <onderstreept>artikel 54 WWB</onderstreept></al></li></lijst><al/><al>Het college beoordeelt het recht van de bijstand op basis van de
                            beschikbare informatie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B033 - Periode over te leggen bankafschriften</label></kop><structuurtekst><al>Bij aanvraag en heronderzoek/themacontrole is de belanghebbende
                            verplicht van alle bank-, giro-, krediet-, creditcard-, spaar- en
                            effectenrekeningen (van alle gezinsleden) alle afschriften te overleggen
                            die betrekking hebben op de periode van drie maanden voorafgaande aan de
                            datum van de aanvraag of het heronderzoek.</al><al/><al>Indien daartoe aanleiding is kan zowel bij aanvragen als heronderzoeken
                            door het college worden verlangd dat belanghebbende over een afwijkende
                            periode afschriften dient te overleggen.</al><al/><al>In verband met het controleproces (toetsing/interne controle) dienen
                            afschriften te worden gekopieerd, tenzij de belanghebbende hiertegen
                            bezwaren tegen heeft. In die situatie wordt alleen het eerste en het
                            laatste afschrift over de betreffende periode toegevoegd aan het
                            dossier. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B034 - Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Voorlichting</cursief></al><al>Bij het behandelen van een aanvraag voor levensonderhoud wordt
                            belanghebbende op de hoogte gesteld van de regels met betrekking tot het
                            gebruik van de wijzigingsformulieren. </al><al/><al><cursief>Moment inleveren</cursief></al><al>Er is een vast moment waarop wijzigingsformulieren moeten zijn
                            ingeleverd. Uitgangspunt is dat iemand relevante informatie onverwijld
                            doorgeeft. Onder onverwijld wordt verstaan <vet>uiterlijk</vet> de
                            eerstvolgende inleverdatum. Betrokkenen ontvangen een schema van
                            inlevering bij wijziging. Dit geldt voor mensen die een aanvraag voor
                            levensonderhoud ingediend hebben alsook mensen met een lopende
                            uitkering. </al><al/><al>Het wijzigingsformulier dient ondertekend en voorzien van de relevante
                            bewijsstukken ingeleverd te worden</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B136 - ROF of Mutatieformulier</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft gekozen voor een wijzigingsformulier. Elke wijziging
                            die van invloed is op het recht dan wel de hoogte van de uitkering dient
                            via een wijzigingsformulier te worden doorgegeven. </al><al/><al>Dus in gevallen waarin sprake is van inkomsten of zich wijzigingen in de
                            situatie voordoen, moet door belanghebbende een formulier worden
                            ingeleverd. Bij inkomsten wordt onderscheid gemaakt tussen vaste en
                            wisselende inkomsten.</al><al/><al><cursief>Bij wisselende inkomsten</cursief></al><al>Belanghebbenden met wisselende inkomsten dienen
                            maandelijks het wijzigingsformulier in te leveren. Dit moet (zo
                            mogelijk) samen met een kopie van de inkomensspecificatie worden
                            ingeleverd. </al><al/><al><cursief>Bij vaste inkomsten en overige veranderingen</cursief></al><al>Veranderingen in het vaste inkomen en in de situatie van belanghebbende
                            moeten eveneens worden doorgegeven met het wijzigingsformulier. Ook als
                            er voor het eerst inkomsten zijn. Dit formulier wordt als bijlage met
                            iedere toekennings- en wijzigingsbeschikking verstuurd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B035 - Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/i...</label></kop><structuurtekst><al>Er worden geen categoriale ontheffingen verleend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B036 - Meldingsplicht vrijwilligerswerk</label></kop><structuurtekst><al>Alle belanghebbenden moeten via het wijzigingsformulier schriftelijk
                            melden als zij vrijwilligerswerk gaan doen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B037 - Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid...</label></kop><structuurtekst><al> De aanvultermijn krachtens <onderstreept>artikel 4:5 lid 1
                                Awb</onderstreept> bedraagt, indien de gevraagde informatie voor
                            belanghebbende direct beschikbaar of voorhanden is, in beginsel 5
                            werkdagen. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer of minder tijd
                            nodig heeft kan deze termijn langer of korter worden vastgesteld. De
                            termijn wordt afgestemd op de gevraagde informatie en kan dus per geval
                            verschillen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B038 - Duur hersteltermijn tijdens bijstand</label></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>Duur hersteltermijn</cursief></vet></al><al>In het opschortingsbesluit wordt
                            belanghebbende verzocht om het verzuim binnen vijf werkdagen (te rekenen
                            vanaf de dag na het verzenden van de beschikking) te herstellen. De
                            termijn kan worden verlengd als belanghebbende aannemelijk kan maken dat
                            hij meer tijd nodig heeft. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B039 - Beleidsregels huisbezoek</label></kop><structuurtekst><al>In het Protocol Huisbezoeken is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met
                            huisbezoeken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B040 - Personen zonder identiteitsbewijs</label></kop><structuurtekst><al> De belanghebbende die bij de aanvraag van bijstand niet beschikt over
                            een (geldig) identiteitsbewijs zal zelf en voor eigen rekening een
                            dergelijk document opnieuw moeten aanvragen. Met inachtneming van
                                <onderstreept>artikel 4:5 lid 1 Awb</onderstreept> wordt een
                            aanvultermijn (zie ook B5.4) gegeven waarbinnen hij alsnog een
                            identiteitsbewijs kan overleggen. </al><al/><al>Indien inzage in het identiteitsbewijs niet kan plaatsvinden voldoet
                            cliënt niet aan de inlichtingenverplichting van artikel 17 WWB en kan de
                            aanvraag op die grond worden afgewezen dan wel buiten behandeling worden
                            gesteld op grond van artikel 4:5 Awb. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B041 - Personen zonder geldig identiteitsbewijs</label></kop><structuurtekst><al> Algemene bijstandBij iedere aanvraag om algemene
                            bijstand moet een B5.6.2 worden getoond. In het dossier van
                            belanghebbende wordt een kopie van het document opgenomen. </al><al/><al>Het is niet nodig om bij tussentijds contact met belanghebbende naar een
                            geldig identiteitsbewijs te vragen. Dit is wel nodig als er reden is tot
                            twijfel met betrekking tot identiteit, nationaliteit en/of
                            verblijfsrecht.</al><al/><al><cursief> Bijzondere bijstand</cursief></al><al>Vraagt iemand met een bijstandsuitkering bijzondere bijstand aan, dan
                            hoeft geen geldig identiteitsbewijs te worden getoond. Aan iemand zonder
                            bijstandsuitkering die bijzondere bijstand aanvraagt wordt in beginsel
                            altijd om legitimatie gevraagd. Een uitzondering kan worden gemaakt voor
                            een belanghebbende die eerder bijzondere bijstand heeft aangevraagd en
                            van wie een kopie van het legitimatiebewijs van de eerdere aanvraag nog
                            beschikbaar is. Is er geen reden tot twijfel met betrekking tot
                            identiteit, nationaliteit en/of verblijfsrecht, dan hoeft niet om een
                            geldig identiteitsbewijs te worden gevraagd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B042 - Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 WWB</label></kop><structuurtekst><al>Als en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
                            belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde
                            besteding van zijn bestaansmiddelen, verbindt het college aan de
                            verstrekking van bijstand de volgende voorwaarde:</al><al/><al>Belanghebbende dient eraan mee te werken dat het college in naam van
                            belanghebbende noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand
                            verricht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B043 - Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging</label></kop><structuurtekst><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden. (…)</al></li></lijst><al/><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van
                            het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de
                            belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al><al/><al> Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden
                            volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing (zie richtlijn
                                <onderstreept>b047</onderstreept> in
                                <onderstreept>B5.10.9</onderstreept>), tenzij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
                            van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                            belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al><al/><al>(…)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B150 - Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurig...</label></kop><structuurtekst><al>(is al ingevuld met onderstaande tekst)</al><al/><al>Uitgangspunt is dat de maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. In
                            afwijking hiervan kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere
                            bijstand indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> aan belanghebbende (van 18 tot 21 jaar) bijzondere bijstand
                                    wordt verleend met toepassing van <onderstreept>artikel 12
                                        WWB</onderstreept>; of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><al/><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al> het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de
                                    uitkeringsnorm en, indien van toepassing,</al></li><li nr="e."><al>de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B044 - Overzicht hoogte verlagingen</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B045 - Hoogte verlaging bij samenloop</label></kop><structuurtekst><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                            inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al><al/><al><cursief>Toelichting </cursief></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van belanghebbende die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                            gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                            meebrengt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B046 - Recidive</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B047 - Waarschuwing i.p.v. verlaging</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B048 - Ingangsdatum verlaging</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B049 - Termijn heroverweging besluit tot verlaging</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B157 - Afspraken met OM bij fraudebedrag onder €50.000,00</label></kop><structuurtekst><al>Er zijn geen afspraken gemaakt. De grens van € 50.000,00 wordt
                            gehanteerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B166 - Waarschuwing i.p.v. bestuurlijke boete</label></kop><structuurtekst><al>Zie verordening(en)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B167 - Aanvullende criteria van omstandigheden die leiden tot vermi...</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente hanteert de factoren conform het Boetebesluit
                            socialezekerheidswetten. Zie hiervoor artikel 2a Boetebesluit
                            socialezekerheidswetten. Hieraan ligt ten grondslag dat deze factoren
                            afdoende zijn en de individuele (dringende) omstandigheden maatgevend
                            zijn om de verminderde verwijtbaarheid vast te stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B170 - Nadere regels bewijsopdracht</label></kop><structuurtekst><al>Geen nadere regels, situatie is bepalend voor de
                            invulling/uitvoering.</al><al>Hoofdstuk 6 - Algemene bijstand</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B144 - Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 j...</label></kop><structuurtekst><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening WWB gelden niet voor personen
                            van 18 t/m 20 jaar. In individuele gevallen kan het college de bijstand
                            lager vaststellen op grond van artikel 18 lid 1 WWB. In de praktijk zal
                            dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet veelvuldig
                            voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een
                            kind in een kraakpand wonen. In dergelijke uitzonderlijke situaties moet
                            het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                            individualiseren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B050 - Toeslagen algemene bijstand voor personen tussen de 21 jaar ...</label></kop><structuurtekst><al> Op grond van artikel 3 van de <onderstreept>Toeslagenverordening
                                WWB</onderstreept> worden de volgende toeslagen toegekend: </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Categorie</cursief></al></entry><entry><al><vet><cursief>Toeslag</cursief></vet></al></entry></row><row><entry><al>alleenstaande (ouder) in wiens woning geen ander
                                                zijn hoofdverblijf heeft</al></entry><entry><al>20% van de gehuwdennorm</al></entry></row><row><entry><al>alleenstaande (ouder) in wiens woning één of meer
                                                anderen hun hoofdverblijf hebben</al></entry><entry><al>10% van de gehuwdennorm</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Hierbij worden inwonende niet ten laste komende kinderen met een inkomen
                            van ten hoogste 50 % van de gehuwdennorm niet in aanmerking
                            genomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B051 - Verlaging algemene bijstand gehuwden</label></kop><structuurtekst><al> Op grond van artikel 5 van de <onderstreept>Toeslagenverordening
                                WWB</onderstreept> worden de volgende verlagingen toegepast: </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet><cursief>Categorie</cursief></vet></al></entry><entry><al><vet><cursief>Verlaging</cursief></vet></al></entry></row><row><entry><al>Gehuwden in wiens woning geen ander zijn
                                                hoofdverblijf heeft</al></entry><entry><al>0%</al></entry></row><row><entry><al>Gehuwden in wiens woning één of meer anderen hun
                                                hoofdverblijf hebben</al></entry><entry><al>10% van de gehuwdennorm</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Hierbij worden inwonende niet ten laste komende kinderen met een inkomen
                            van ten hoogste 50 % van de gehuwdennorm niet in aanmerking
                            genomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B052 - Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</label></kop><structuurtekst><al> De verlaging van de norm of de toeslag als bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 27 WWB</onderstreept> bedraagt: </al><al/><lijst><li nr="a."><al> 15 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende <cursief>geen
                                        hypotheeklasten</cursief> verbonden zijn; </al></li><li nr="b."><al> 20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende <cursief>geen kosten van
                                        huur</cursief> verbonden zijn; </al></li><li nr="c."><al> 20 procent van de gehuwdennorm indien <cursief>geen woning
                                        bewoond</cursief> wordt. </al></li></lijst><al/><al>Onder kosten van huur wordt tevens kostgeld verstaan. Een reële prijs
                            voor kostgangerschap is gesteld op minimaal 36% van het normbedrag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B053 - Verlaging algemene bijstand schoolverlaters</label></kop><structuurtekst><al> De norm als bedoeld in <onderstreept>artikel 28 WWB</onderstreept>
                            wordt gedurende zes maanden na h </al><al>et tijdstip van beëindiging onderwijs of beroepsopleiding vastgesteld
                            op:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> het bedrag zoals genoemd in <onderstreept>artikel 33, lid
                                        2</onderstreept><onderstreept> WWB</onderstreept> voor de
                                    thuiswonende schoolverlater; </al></li><li nr="b."><al> het bedrag zoals genoemd in <onderstreept>artikel 33, lid
                                        2</onderstreept><onderstreept> WWB</onderstreept> voor de
                                    uitwonende schoolverlater. </al></li></lijst><al/><al>Als de schoolverlatersverlaging van toepassing is vindt verder geen
                            verhoging of verlaging plaats op basis van de toeslagenverordening.</al><al/><al>Verordening Aanpassen verwijzing naar WWB klopt niet</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B054 - Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of ...</label></kop><structuurtekst><al> De toeslag als bedoeld in <onderstreept>artikel 29 WWB</onderstreept>
                            bedraagt: </al><al/><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van
                                    21 of 22 jaar betreft in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van
                                    21 of 22 jaar betreft in wiens woning één of meer anderen hun
                                    hoofdverblijf hebben.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B055 - Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand</label></kop><structuurtekst><al>Een combinatie van een verhoging of verlaging van de norm geschiedt
                            zodanig dat een belanghebbende tenminste beschikt over:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>45 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B056 - Ingangsdatum normwijziging bij kind dat 18 jaar wordt</label></kop><structuurtekst><al>De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de dag
                            dat het laatste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt
                            of niet meer door belanghebbende verzorgd wordt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B057 - Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting</label></kop><structuurtekst><al>De ingangsdatum van de norm bij verblijf in een inrichting is
                            afhankelijk van de omstandigheid of belanghebbende vóór de opname al of
                            niet een bijstandsuitkering ontving. Beschikte de belanghebbende direct
                            voorafgaande aan de opname niet over een bijstandsuitkering, dan wordt
                            de uitkering vanaf de datum opname berekend naar de norm bij verblijf in
                            een inrichting. Genoot de belanghebbende wel een bijstandsuitkering, dan
                            blijft de geldende norm nog van toepassing gedurende de maand van opname
                            en de daarop volgende maand. Daarna wordt de uitkering gewijzigd in norm
                            bij verblijf in een inrichting.</al><al/><al><cursief>Artikel 23 lid 2 WWB</cursief></al><al>Een uitzondering vormen in dit geval de gehuwden (of partners van een
                            gezamenlijke huishouding) met kinderen. Wanneer één van de partners in
                            een inrichting wordt opgenomen, dient de uitkering altijd per datum
                            opname aangepast te worden aan de nieuwe situatie</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B058 - Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in in...</label></kop><structuurtekst><al>Voor de doorlopende verschuldigde woonlasten (huur, gas/licht en water)
                            kan bijzondere bijstand worden verstrekt, voor zover het aanhouden van
                            de woning noodzakelijk is. Na een verblijf van 6 maanden in de richting
                            is het aanhouden van de woning niet meer noodzakelijk. Na 3 maanden na
                            opname dient een nader onderzoek plaats te vinden naar de noodzaak van
                            het aanhouden van de woning.</al><al/><al>Wanneer bij het begin van de opname duidelijk is dat belanghebbende
                            langer dan 6 maanden wordt opgenomen wordt de noodzaak van het aanhouden
                            van de woonruimte in principe niet aanwezig geacht. De domicilie wijzigt
                            dan meteen in die van de gemeente van verblijf. In dat geval kan er
                            eventueel bijzondere bijstand worden verleend voor de opslag van de
                            inboedel.</al><al/><al>Worden er rechtstreeks voorschotnota's gas en licht vanuit de uitkering
                            betaalt dan dient zo spoedig mogelijk bij het nutsbedrijf te worden
                            bewerkstelligd dat het voorschot bedrag wordt geminimaliseerd.</al><al/><al>In afwijking op de hoofdregel wordt op de hoogte van de voor bijstand in
                            aanmerking komende kosten een draagkracht van 100% in mindering
                            gebracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B059 - Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen</label></kop><structuurtekst><al>Deze ruimte is gereserveerd voor centrumgemeenten. Zij kunnen hier hun
                            eigen beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen opnemen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B060 - Berekening hoogte algemene bijstand bij co-ouderschap</label></kop><structuurtekst><al>Er is sprake van co-ouderschap als er sprake is van een feitelijke
                            zorgverdeling per week die verder gaat dan een bezoekregeling. De vorm
                            en inhoud van de omgangsregeling dient door beide
                            ouders/vertegenwoordigers schriftelijk te worden bekrachtigd. Het is
                            niet noodzakelijk, dat de afspraken tussen de ouders over het verblijf
                            van de kinderen zijn vastgelegd in een formele, in rechte af te dwingen
                            regeling. Wie de kinderbijslag ontvangt is ook niet van belang. </al><al/><al>Een co-ouder krijgt bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder
                            voor de dagen dat het kind bij hem verblijft, en bijstand naar de norm
                            van een alleenstaande voor de overige dagen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B061 - Vaststelling vermogen bij co-ouderschap</label></kop><structuurtekst><al>Wanneer de feitelijke verzorging van het kind voor ten minste de helft
                            van de tijd bij de ouder ligt, dan kan voor de vermogensgrens (artikel
                            34 lid 3 WWB) aansluiting gezocht worden bij de vermogensgrens voor een
                            alleenstaande ouder.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B161 - Overdracht aan SVB (vervallen)</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 - Bijzondere bijstand</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B062 Moment van aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht)</label></kop><structuurtekst><al>De bijzondere bijstand kan met terugwerkende kracht worden verleend. De
                            bijstand moet wel worden aangevraagd in het lopende kalenderjaar waarin
                            de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, of uiterlijk voor 1 februari van
                            het jaar opvolgend. Er moet een bewijsstuk van de gemaakte kosten worden
                            overgelegd.</al><al/><al>Bijstandsverlening met terugwerkende kracht kan niet-gebruik van de
                            bijzondere bijstand verminderen. Maar het voorkomt ook het onnodig
                            meerdere malen aanvragen voor kleine bedragen: de klant kan nota's
                            opsparen (zie voor het indienen van aanvragen voor kosten &lt;€ 50,
                            richtlijn B066 in B7.2.5).</al><al/><al>Wel vooraf aanvragen </al><al>Uitzondering op deze beleidslijn is de verlening van bijzondere bijstand
                            voor verhuis- en inrichtingskosten (inclusief kosten van duurzame
                            gebruiksgoederen). Hiervoor moet de klant wel vooraf een aanvraag
                            indienen. De reden hiervoor is dat het niet mogelijk is achteraf de
                            noodzaak van de kosten vast te stellen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B137 In aanmerking te nemen inkomen</label></kop><structuurtekst><al> Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in
                                <onderstreept>artikel 31 lid 2 WWB</onderstreept> en artikel 33 lid
                            5 WWB (pensioenvrijlating) niet tot het draagkrachtinkomen van
                            belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemde artikelen
                            worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. (Het inkomen
                            wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.) </al><al/><al>Bij de vaststelling van de draagkracht wordt rekening gehouden met:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het deel van het vermogen (ook vermogen dat is gespaard van de
                                    uitkering), dat hoger is dan het vermogen dat kan worden
                                    vrijgelaten</al></li><li nr="-"><al>de ruimte in het inkomen (boven 120% van de van toepassing
                                    zijnde bijstandsnorm per jaar)</al></li></lijst><al/><al>De langdurigheidstoeslag wordt ook als middel in aanmerking genomen bij
                            de beoordeling of iemand kan reserveren. Voor de aanschaf en/of
                            vervanging van duurzame gebruiksgoederen wordt tevens rekening gehouden
                            met het vrij te laten bescheiden vermogen. </al><al/><al> Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen
                                (<onderstreept>artikel 31 lid 2 onderdeel h WWB</onderstreept>)
                            worden alleen vrijgelaten, als het bijzondere bijstand betreft voor een
                            ander in de bijstand begrepen persoon dan dat minderjarige kind. Betreft
                            het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf, dan moeten deze
                            inkomsten wel worden meegenomen. </al><al/><al><cursief>Overige vergoedingen</cursief></al><al/><al>Indien belanghebbende uit een andere regeling een vergoeding ontvangt
                            voor de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd, wordt
                            deze vergoeding volledig in aanmerking genomen. De bijzondere bijstand
                            heeft dan een complementair karakter.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B063 Draagkrachtpercentages</label></kop><structuurtekst><al>Bij het verlenen van bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de
                            eventueel aanwezige draagkracht. Er wordt gekeken naar:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>het deel van het vermogen, dat hoger is dan het vrij te laten
                                    bescheiden vermogen </al></li><li nr="•"><al>de ruimte in het inkomen boven 120% van de van toepassing zijnde
                                    norm</al></li><li nr="•"><al>spaargelden, die tijdens de bijstandsperiode zijn opgebouwd,
                                    voor zover deze meer bedragen dan het vrij te laten bescheiden
                                    vermogen</al></li></lijst><al/><al>Bij het vaststellen van de reserveringsruimte en draagkracht wordt
                            uitgegaan van het feitelijke inkomen. Het resterende inkomen na
                            beslaglegging wordt eveneens gezien als feitelijk inkomen. Als er sprake
                            is van een WSNP-traject of een minnelijke regeling in het kader van
                            schuldhulpverlening, wordt er van uit gegaan dat er geen draagkracht is.
                            De reserveringsruimte blijft echter van kracht. Voor de duur van het
                            WSNP traject is de reserveringsruimte 5% van de van toepassing zijnde
                            bijstandsnorm in plaats van de gebruikelijke 6%.</al><al/><al>De vastgestelde draagkracht moet men volledig aanwenden, om te voorzien
                            in de bijzondere kosten. Eventueel kunnen in de draagkrachtperiode
                            gemaakte kosten of te maken kosten, waarvoor bijzondere bijstand
                            mogelijk is, in mindering worden gebracht op de draagkracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B064 - Draagkrachtperiode bijzondere bijstand</label></kop><structuurtekst><al>De drachtkrachtperiode wordt vastgesteld per kalenderjaar (1 januari t/m
                            31 december) en heeft betrekking op de periode waarin de kosten gemaakt
                            zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B065 – Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode</label></kop><structuurtekst><al>In het belang van de rechtszekerheid en de uitvoeringspraktijk geldt als
                            uitgangspunt dat de draagkracht binnen de vastgestelde
                            draagkrachtperiode in beginsel voor die periode definitief is. Met
                            andere woorden: een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel
                            niet meer aangepast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B066 - Drempelbedrag</label></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 35 lid 2 WWB kan de gemeente een drempelbedrag
                            hanteren. </al><al>De uitvoeringskosten voor een aanvraag bijzondere
                            bijstand/minimaregelingen zijn relatief hoog. Daarom hanteert de
                            gemeente een drempelbedrag van € 50. Belanghebbenden dienen dus nota's
                            op te sparen tot ze een bedrag van € 50 aan kosten hebben gemaakt. </al><al>Als een klant in een kalenderjaar wel kosten heeft gemaakt, maar niet
                            aan een bedrag van </al><al>€ 50 komt, kunnen deze kosten in november of december worden aangevraagd
                            voor het lagere bedrag.</al><al/><al>Het drempelbedrag heeft geen betrekking op periodieke betalingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B067 Stappenplan berekening bijzondere bijstand</label></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bepaal de hoogte van de voor bijzondere bijstandsverlening in
                                    aanmerking komende kosten (zie B7.2.6);</al></li><li nr="2."><al>Bepaal de draagkrachtperiode (zie B7.2.4);</al></li><li nr="3."><al>Bepaal het in aanmerking te nemen inkomen over de in stap 2
                                    bepaalde draagkrachtperiode (zie B7.2.2.3);</al></li><li nr="4."><al>Bepaal het in aanmerking te nemen vermogen over de in stap 2
                                    bepaalde draagkrachtperiode (zie B7.2.2.3);</al></li><li nr="5."><al>Bereken op grond van stap 3 en het (de) geldende
                                    draagkrachtpercentage(s) de draagkracht uit inkomen voor de
                                    draagkrachtperiode (zie B7.2.3);</al></li><li nr="6."><al>Bereken op grond van stap 4 en het (de) geldende
                                    draagkrachtpercentage(s) de draagkracht uit vermogen voor de
                                    draagkrachtperiode (zie B7.2.3);</al></li><li nr="7."><al>Bereken de totale draagkracht, te weten de som van stap 5 en
                                    6;</al></li><li nr="8."><al>Bereken het verschil tussen stap 1 en 7.</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>Indien een negatief bedrag resteert, wordt deze rest in
                                    mindering gebracht op de voor bijstand in aanmerking komende
                                    kosten van de volgende aanvraag in dezelfde draagkrachtperiode,
                                    totdat een positief bedrag resteert.</al></li><li nr="b."><al>Resteert er een positief bedrag, dan wordt dit uitgekeerd als
                                    bijzondere bijstand. Indien de aard van de kosten daartoe
                                    aanleiding geeft kan de bijstand gespreid over de
                                    draagkrachtperiode worden betaald (periodieke bijzondere
                                    bijstand). De voor bijstand in aanmerking komende kosten van de
                                    volgende aanvraag in dezelfde draagkrachtperiode komen dan in
                                    hun geheel voor bijstandsverlening in aanmerking.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B068 – Adresgegevens zorgverzekeraars</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft een collectieve zorgverzekering afgesloten met
                            Menzis.</al><al> Voor contactgegevens, zie http://www.menzis.nl/.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B069 - Waar en wanneer medisch advies vragen</label></kop><structuurtekst><al>Aanvraag medisch advies</al><al>Bij de beoordeling van verzoeken om bijzondere bijstand voor medische
                            kosten, kan het noodzakelijk zijn om een medisch advies op te
                            vragen.</al><al/><al>Aanvragen voor medische advisering in het kader van aanvragen bijzondere
                            bijstand worden verzonden naar SCIO-consult. </al><al/><al>Aanvragen worden door de consulent per e-mail gestuurd naar:</al><al/><al>SCIOconsult : aanvragen.noord-oost@scioconsult.nl</al><al/><al>De consulent is verantwoordelijk voor de juiste informatieverstrekking
                            aan de cliënt, als het gaat om de regelgeving en de uitvoering van het
                            beleid van de gemeente. Van de medisch adviseur wordt verwacht dat hij
                            hierin een ondersteunende rol speelt. Ook tijdens het traject van
                            medische advisering blijft de consulent de regie voeren over het totaal
                            van de aanvraag.</al><al/><al>Dossieronderzoek</al><al>Het dossier van de gemeente kan door de medisch adviseur van
                            SCIO-consult worden ingezien. Het is wel nodig hier van tevoren een
                            afspraak voor te maken met de consulent. Hij/zij zorgt dan dat het
                            dossier aanwezig is. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B070 - Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering</label></kop><structuurtekst><al>De BMWE-gemeenten hebben voor hun minima een collectieve zorgverzekering
                            (CZV) afgesloten bij Menzis. De gemeenten bieden met de CZV aan inwoners
                            met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm, inclusief
                            toeslag een adequate voorziening voor het bestrijden van medische
                            kosten. </al><al/><al>Naast de van overheidswege gecreëerde voorzieningen waar de burger een
                            beroep op kan doen, heeft deze de mogelijkheid zich te verzekeren tegen
                            het risico van (hoge) kosten. Het afsluiten van een aanvullende
                            zorgverzekering past hierin. Naast het begrip voorliggende voorziening
                            kent de WWB dan ook het begrip: tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid'. De wetgever gaat ervan uit dat de burger van
                            eigen verantwoordelijkheid blijk geeft door zich te verzekeren tegen
                            normaal gangbare risico's. Het afsluiten van een aanvullende
                            zorgverzekering, in dit geval minimaal AV1 / TV2 (of vergelijkbaar)
                            wordt gezien als een daad van genoegzaam besef. Voor Eemsmond geldt als
                            minimale aanvulling AV2 en TV2. Als de klant daarin tekort schiet, heeft
                            dit gevolgen voor het recht op bijzondere bijstand. </al><al/><al>De kosten die in de CZV/aanvullende verzekeringen zijn opgenomen zijn
                            strikt juridisch gezien niet als noodzakelijk medische kosten aan te
                            merken. Vanuit die optiek ligt het dan ook niet op de weg van de
                            gemeente aanvullende bijzondere bijstand te verstrekken, wanneer de
                            vergoedingen in het aanvullende pakket de gemaakte kosten niet volledig
                            dekken.</al><al/><al><cursief>Niet-Menzis-verzekerden </cursief></al><al>Belanghebbenden zijn niet verplicht om zich bij Menzis te verzekeren.
                            Voor de vaststelling van de hoogte van eventuele vergoeding, wordt wel
                            aansluiting gezocht bij de aanvullende pakketten zoals die gelden voor
                            Menzis verzekerden. Dit om rechtsongelijkheid te voorkomen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B073 Brillen en contactlenzen</label></kop><structuurtekst><al>De kosten van brilglazen, brilmonturen en contactlenzen.</al><al/><al><cursief><vet>Voorliggende voorzieningen</vet></cursief></al><al>De Zvw is een voorliggende voorziening. De kosten van optische
                            hulpmiddelen vallen niet onder het basispakket van de Zorgverzekering.
                            Om voor een vergoeding van de kosten in aanmerking te komen dienen
                            belanghebbenden dan ook een aanvullende verzekering af te sluiten.</al><al/><al><vet><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></vet></al><al><cursief><vet>Bijzondere omstandigheden</vet></cursief></al><al>Soms is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor belanghebbende
                            geen beroep (meer) kan doen op de aanvullende verzekering, of waardoor
                            de vergoeding van Menzis onvoldoende is. Gedacht kan worden aan de
                            meerkosten van bijzondere glazen of contactlenzen. Om voor vergoeding in
                            aanmerking te kunnen komen, dan moet er voor de niet vergoede kosten wel
                            een medische noodzaak aanwezig zijn.</al><al/><al><cursief><vet>Vorm van de bijstand</vet></cursief></al><al>De bijstand wordt om niet verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B074 - Overig beleid inzake medische kosten</label></kop><structuurtekst><al>De wetgever heeft bepaald dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            (AWBZ), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet Maatschappelijke
                            Ondersteuning voorliggende voorzieningen zijn die naar aard en doel
                            passend en toereikend zijn. Alleen de in de AWBZ, de Zvw en de Wmo
                            opgenomen verstrekkingen en voorzieningen worden als noodzakelijk
                            gezien. Verder wordt iemand die van een inkomen gelijk aan het
                            bijstandsniveau leeft, in staat geacht de noodzakelijke kosten die niet
                            of slechts gedeeltelijk vanuit deze wetten worden vergoed, uit het
                            inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering te kunnen bestrijden.</al><al/><al>Voor kosten die onder de werkingssfeer van de genoemde wetten vallen
                            wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Slechts als er sprake is van
                            zeer dringende redenen kan hiervan afgeweken worden.</al><al/><al><vet><cursief>Toelichting op het besluit van het
                            college</cursief></vet></al><al/><al>In de Wet werk en bijstand (WWB) gelden ten aanzien van het verlenen van
                            (bijzondere) bijstand de volgende uitgangspunten:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>De WWB geeft een vergoeding voor de noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan (artikel 11 WWB). Dit geldt zowel voor de algemene
                                    bijstand (bijstand voor de kosten van levensonderhoud) als voor
                                    de bijzondere bijstand. </al></li><li nr="-"><al>De WWB geeft alleen een vergoeding voor noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan als voor deze kosten geen beroep gedaan kan worden
                                    op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel
                                    geacht wordt toereikend en passend te zijn (artikel 15 WWB).
                                    Artikel 15 WWB bepaalt verder dat als kosten buiten de
                                    voorliggende voorziening zijn gehouden, omdat deze kosten als
                                    niet noodzakelijk worden beschouwd, deze kosten eveneens niet
                                    voor (bijzondere) bijstandsverlening in aanmerking komen. </al></li><li nr="-"><al>De WWB geeft ook aan dat als er geen recht op (bijzondere)
                                    bijstand is hiervan afgeweken kan worden als er sprake is van
                                    zeer dringende redenen (artikel 16 WWB). </al></li><li nr="-"><al>Verder bepaalt de WWB dat kosten van medische handelingen en
                                    verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de
                                    ontwikkelingsgeneeskunde niet tot de noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan behoren (artikel 14 WWB).</al></li><li nr="-"><al>In artikel 35 WWB worden nadere bepalingen gegeven voor het
                                    verlenen van bijzondere bijstand. Er bestaat recht op bijzondere
                                    bijstand als het gaat om noodzakelijke kosten die naar het
                                    oordeel van de het college van burgemeester en wethouders (de
                                    gemeente) het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden en deze
                                    kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en
                                    wethouders (de gemeente) niet uit een inkomen ter hoogte van de
                                    bijstandsnorm, het vermogen en de langdurigheidstoeslag voldaan
                                    kunnen worden.</al></li></lijst><al/><al>De kosten voor noodzakelijke medische behandelingen of medische
                            voorzieningen worden vergoed of geregeld vanuit de AWBZ, de Zvw en de
                            Wmo. Deze wetten geven de omvang van de "gegarandeerde medische zorg en
                            medische voorzieningen" aan.</al><al/><al>Voor de bijstandsverlening gelden de AWBZ, Zvw en Wmo als toereikende en
                            passende voorzieningen. Kosten die onder de werkingssfeer van deze
                            wetten vallen maar waarvoor geen vergoeding vanuit deze wetten wordt
                            gegeven, worden niet noodzakelijk geacht en komen niet voor vergoeding
                            via de bijzondere bijstand in aanmerking.</al><al/><al>Het komt voor dat medische zorg of een medische voorziening gedeeltelijk
                            wordt vergoed via de AWBZ, Zvw en of Wmo. Men is voor het ontbrekende
                            deel dan een eigen bijdrage verschuldigd. Soms wordt een
                            inkomensafhankelijke eigen bijdrage gevraagd, soms geldt een vaste eigen
                            bijdrage. Aangezien voor deze kosten een vergoeding via de AWBZ, Zvw en
                            of Wmo wordt verstrekt kunnen de kosten in beginsel als noodzakelijk
                            worden beschouwd. Het college van burgemeester en wethouders heeft
                            echter bepaald dat voor eigen bijdragen geen bijzondere bijstand wordt
                            verstrekt. Het college is van mening dat ongeacht de hoogte van de eigen
                            bijdrage, deze bijdrage uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm,
                            het vermogen en de langdurigheidstoeslag betaald kan worden. Hierbij is
                            meegewogen dat als de wetgever van mening was dat mensen met een laag
                            inkomen deze bijdrage niet zouden kunnen betalen, men hiervoor een
                            wettelijke regeling had getroffen.</al><al/><al>Soms gaat men uit van een maximaal te vergoeden bedrag of een maximum
                            aantal behandelingen. In een dergelijke situatie is er sprake van een
                            toereikende en passende voorziening, zodat bijzondere bijstand voor
                            hogere kosten of meerdere behandelingen niet mogelijk is. Ook komt het
                            voor dat men er vanuit gaat dat er als gevolg van de verstrekking
                            besparingen ontstaan, die het redelijk maken om niet tot volledige
                            vergoeding over te gaan (bijvoorbeeld bij orthopedische schoenen). </al><al/><al><cursief>Welke medische kosten komen niet voor vergoeding via de
                                bijzondere bijstand in aanmerking?</cursief></al><al/><al>Bij een aanvraag voor kosten van medische aard moet er in eerste
                            instantie beoordeeld worden of er sprake is van een voorliggende
                            voorziening. Als dit het geval is, is er geen bijzondere bijstand
                            mogelijk. Dit geldt ook voor kosten die onder de werkingssfeer van de
                            voorliggende voorziening behoren, maar waarvoor besloten is deze kosten
                            niet vanuit de voorliggende voorziening te vergoeden. Ook de eventueel
                            verschuldigde eigen bijdragen komen niet in aanmerking voor vergoeding. </al><al/><al>Kosten die onder de werkingssfeer van de AWBZ, Zvw en Wmo behoren, komen
                            niet voor vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking.</al><al/><al>In afwijking van bovenstaande kan in individuele gevallen bijzondere
                            bijstand worden verstrekt indien er sprake is van een dusdanige
                            structurele samenloop van eigen bijdragen, die er toe leidt dat de
                            kosten niet langer in verhouding staan tot het inkomen van de
                            belanghebbende. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B075 - Uitvaartkosten</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De noodzakelijk te achten kosten van de lijkbezorging behoren voor de
                            nabestaanden van de overledene tot de algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan. De kosten dienen bestreden te worden uit de voorliggende
                            voorzieningen. Wanneer de kosten van lijkbezorging hieruit niet
                            bestreden kunnen worden, komen deze kosten voor rekening van degene die
                            opdracht geeft tot begrafenis/crematie. In de regel behoren de kosten
                            van een standaardbegrafenis of crematie voor de nabestaanden tot de
                            bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit geldt ook voor
                            degenen die opgenomen zijn in een zorgcentrum voor ouderen.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al/><al>Begrafenis- of crematiekostenverzekering, nalatenschap,
                            overlijdensuitkering op grond van een sociale zekerheidswet (inclusief
                            WWB).</al><al/><al><cursief>Bijstand aan de nabestaanden</cursief></al><al/><al>In beginsel dienen de nabestaanden (echtgenote, ouders, meerderjarige
                            kinderen) de kosten van de lijkbezorging van de overledene voor hun
                            rekening te nemen. Ontbreken de middelen hiervoor dan kan een ieder voor
                            zijn eigen evenredige aandeel bijzondere bijstand aanvragen. Hierbij
                            wordt rekening gehouden met de vermogenssituatie/draagkracht.</al><al/><al>Toevoeging: Er kan slechts bijstand worden verleend aan diegenen die als
                            nabestaanden gerechtigd zijn tot de nalatenschap of hun deel van de
                            nalatenschap. De bijstand kan slechts worden verleend als de aanvrager
                            onvoldoende draagkracht heeft en als de kosten niet uit de nalatenschap
                            kunnen worden voldaan en/of niet gedekt zijn door een verzekering.</al><al/><al><cursief>Wet op de lijkbezorging</cursief></al><al/><al>Wanneer er geen nabestaanden zijn of wanneer deze weigeren de begrafenis
                            of crematie te verzorgen, dan is op grond van de Wet op de lijkbezorging
                            de gemeente verplicht te zorgen voor de lijkbezorging. </al><al/><al>Als de Wet op de lijkbezorging reeds is toegepast, dan is bijstand voor
                            deze kosten niet meer mogelijk. Er is dan reeds in de kosten voorzien.
                            De Wet op de lijkbezorging kent zelf de mogelijkheid om het bedrag op de
                            nabestaanden te verhalen.</al><al/><al><cursief>Hoogte van de bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>De kosten van een standaardbegrafenis of crematie dienen sober te zijn.
                            Het maximaal te verstrekken bedrag is € 3.000.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B076 - Kosten bewindvoering</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>De kosten van beschermingsbewind.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorzieningen</cursief></al><al>Voor deze kosten is geen voorliggende voorziening. </al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al>De kosten van zowel de aanvraag en de intake als
                            van het beschermingsbewind zelf komen voor bijzondere bijstand in
                            aanmerking als het bewind door de Kantonrechter is ingesteld. Tevens
                            moet de bewindvoerder van de Kantonrechter toestemming (stempel met
                            'akkoord') hebben om de betreffende kosten bij de onderbewindgestelde in
                            rekening te brengen. </al><al/><al>Het recht op bijzondere bijstand wordt voor het beschermingsbewind per
                            jaar vastgesteld. Latere nota’s, maar binnen het jaar, kunnen zonder
                            nieuwe aanvraag worden uitbetaald als de nodige bewijsstukken zijn
                            ingediend. </al><al/><al><cursief>Hoogte bijzondere bijstand</cursief></al><al>Er kan, na akkoord van de Kantonrechter, worden
                            aangesloten bij het bedrag genoemd in de nota van de bewindvoerder. </al><al/><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de bijstand dient jaarlijks de
                            draagkracht te worden vastgesteld.</al><al/><al><cursief> Vorm bijzondere bijstand</cursief></al><al>Bijstand om niet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B0165 Kosten Mentorschap</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>De beschikking van de kantonrechter kan worden gevolgd. Daarmee is de
                            noodzaak voor de kosten van mentorschap aangetoond. Bovendien kan voor
                            deze kosten geen beroep worden gedaan op een voorliggende regeling. Voor
                            de bepaling van de hoogte van de bijstand kan de beschikking van de
                            kantonrechter worden gevolgd.</al><al/><al>De aanvrager moet een kopie van de beschikking over het mentorschap
                            inleveren. Degene waarvoor het mentorschap wordt uitgevoerd, moet aan
                            een aantal voorwaarden voldoen om recht te hebben op bijzondere
                            bijstand, zoals:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Inkomen op normniveau; van het inkomen boven 120% van de van
                                    toepassing zijnde bijstandsnorm wordt 100% als draagkracht
                                    aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>Vermogen binnen de vrijstellingsgrens van de bijzondere
                                    bijstand; boven de vrijstelling wordt 100% meegenomen als
                                    draagkracht;</al></li><li nr="-"><al>Nederlander of hiermee gelijkgesteld;</al></li></lijst><al/><al>Na aanvraag wordt onderzocht of aan alle voorwaarden is voldaan. De
                            periode waarover bijstand kan worden verleend, vangt in het algemeen aan
                            op het moment, waarop de aanvraag is gedaan, tenzij de bijstand wordt
                            gevraagd per ingangsdatum van de beschikking van de kantonrechter.</al><al/><al>Als bijstand wordt gevraagd met terugwerkende kracht, kan deze worden
                            verleend:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>vanaf de dag waarop een verzoekschrift tot het mentorschap bij
                                    de rechtbank is ingediend;</al></li><li nr="-"><al>als de aanvraag binnen 3 maanden na afgifte van de beschikking
                                    door de kantonrechter is gedaan.</al></li></lijst><al/><al>Bovenstaande betekent niet dat in alle gevallen bijstand moet worden
                            verleend met terugwerkende kracht tot datum indiening van het verzoek om
                            mentorschap bij de rechtbank. Als bijstand wordt gevraagd vanaf datum
                            uitspraak kantonrechter, kan niet op eigen initiatief met verdere
                            terugwerkende kracht bijstand worden verleend.</al><al/><al><cursief>Hoogte van de bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van mentorschap
                            overeenkomstig de beloningsafspraken van het Landelijk Overleg
                            Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B077 - Kosten curatele</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>De kosten van de door de kantonrechter uitgesproken curatele.</al><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief>Er
                            bestaat geen voorliggende voorziening voor de kosten van curatele. </al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al>Als de kantonrechter iemand onder
                            curatele stelt, staat de noodzaak vast. Er kan dan voor de kosten van
                            beloning voor de curator bijzondere bijstand worden verstrekt. De kosten
                            worden beoordeeld en vastgesteld door de kantonrechter. De goedkeuring
                            van de kantonrechter blijkt uit de stempel op de nota of declaratie.
                            Ontbreekt de goedkeuring, dan is er geen noodzaak en is er daarom ook
                            geen bijzondere bijstand mogelijk. </al><al/><al><cursief>Hoogte bijzondere bijstand</cursief></al><al> Er dient, in overeenstemming met het bepaalde in
                                <onderstreept>B7.2</onderstreept>, rekening gehouden te worden met
                            eventuele draagkracht. </al><al/><al><cursief>Vorm bijzondere bijstand</cursief></al><al>De bijzondere bijstand voor de kosten van curatele wordt in beginsel om
                            niet verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B078 - Kosten rechtsbijstand</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De eigen bijdrage in de kosten van
                            rechtshulp en de bijkomende griffierechten worden tot de bijzondere
                            noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Bijstandsverlening is
                            mogelijk. Kosten die samenhangen met een veroordeling van de
                            bijstandsaanvrager in de proceskosten van de tegenpartij, komen niet
                            voor bijstandsverlening in aanmerking. </al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al>Vanaf 1 juli 2011 is toetsing door het
                            Juridisch Loket een voorliggende voorziening, aangezien men dan een
                            lagere eigen bijdrage krijgt. Als een klant geen gerechtvaardigde reden
                            heeft om het Juridisch Loket over te slaan, dient het meerdere als
                            leenbijstand te worden verstrekt (<onderstreept>artikel 48, lid 2 sub b
                                WWB</onderstreept>). </al><al/><al><cursief>Civiele zaken en bezwaar en beroep</cursief></al><al>Als op grond van een toevoeging door de
                            Raad voor Rechtsbijstand rechtshulp is verleend, kan de noodzaak voor
                            het verlenen van rechtshulp worden aangenomen. Dit heeft tot gevolg dat
                            voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtshulp en de bijkomende
                            griffierechten etc. bijstand kan worden verleend, zowel in bezwaar- als
                            beroepsprocedures. Of het een zaak tegen de gemeente betreft is niet van
                            belang. </al><al/><al><cursief>Strafzaken</cursief></al><al>Voor kosten van rechtshulp in
                            strafrechtelijke procedures kan ook bijstand worden verleend, als er een
                            toevoeging door de Raad van Rechtsbijstand is verleend. Het betreft
                            noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van de WWB. </al><al/><al><cursief>Terugvordering</cursief></al><al>Kosten van rechtshulp waarvoor bijstand
                            is verleend en die vervolgens via de gerechtelijke procedure aan de
                            belanghebbende worden vergoed, dienen aan de sociale dienst te worden
                            terugbetaald (terugvordering op grond van <onderstreept>artikel 58 lid 1
                                onderdeel f sub 2 WWB</onderstreept>, zie
                                <onderstreept>B11.2.3.8</onderstreept>) </al><al/><al><cursief>Kosten dagvaarding</cursief></al><al>De meeste procedures voor een rechter worden gestart
                            door middel van een dagvaarding. Een deurwaarder is nodig voor het
                            uitbrengen van deze dagvaarding bij de gedaagde. Aan het uitbrengen van
                            een dagvaarding zijn kosten verbonden hetgeen per geval kan verschillen.
                            De kosten hangen onder andere af van bijvoorbeeld het aantal gedaagden
                            of de plaats waar de dagvaarding moet worden uitgebracht. De eisende
                            partij dient altijd een voorschotbedrag voor het voeren van een
                            gerechtelijke procedure te voldoen bij zowel de sector kanton als de
                            arrondissementsrechtbank. Het betreft dan de kosten van dagvaarding en
                            griffiekosten. Belanghebbende kan alleen dan voor deze kosten bijzondere
                            bijstand ontvangen indien het dagvaarden strekt tot het verkrijgen van
                            (achterstallig) loon of anderszins daarmee de bijstandsafhankelijkheid
                            wordt verminderd. Indien deze belanghebbende bij uitspraak in het gelijk
                            wordt gesteld, zal, indien gevorderd, de wederpartij worden veroordeeld
                            tot vergoeding van de door eiser gemaakte procedurekosten. Het is daarom
                            van belang dat belanghebbende mededeling doet van de uitspraak.
                            Belanghebbende zal namelijk de verstrekte bijstand dienen terug te
                            betalen (zie hierboven terugvordering) bij veroordeling van de
                            tegenpartij. Overigens geldt hetzelfde indien er sprake is van een
                            incasso kort geding. </al><al/><al><cursief>Proceskostenveroordeling
                                gemeente</cursief>Indien de gemeente in een
                            uitspraak van een gerechtelijke instantie is veroordeeld tot het betalen
                            van het griffierecht en eventueel de proceskosten, dan wordt het
                            vergoeden van deze kosten door de afdeling Juridische Zaken afgehandeld. </al><al>B084 Baby uitzet</al><al>Belanghebbende wordt geacht te kunnen reserveren voor een baby-uitzet
                            vanaf de vierde maand van de zwangerschap. Er wordt dan ook geen
                            bijzondere bijstand verleend voor deze kosten. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B087 Communicatie en signalering</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>Het hebben van een telefoon wordt als algemeen gebruikelijk gezien.
                            Abonnementskosten behoren dan ook tot de algemeen noodzakelijke kosten
                            van het bestaan, waarvoor geen bijstand wordt gegeven. Dit geldt ook
                            voor aanschaf- en aansluitingskosten.</al><al/><al><cursief>Personenalarmering</cursief></al><al><cursief>Voorliggende voorzieningen </cursief></al><al>De Regeling zorgverzekering is een voorliggende voorziening. De
                            verzekeraar moet vooraf toestemming verlenen.</al><al/><al>Personenalarmering is soms opgenomen in een aanvullende verzekering. De
                            vergoeding is dan bestemd voor belanghebbenden die niet voldoen aan de
                            voorwaarden genoemd in de Regeling zorgverzekering.</al><al/><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief></al><al>Bijzondere bijstand voor deze kosten is niet mogelijk omdat er
                            een voorliggende voorziening is die geacht wordt passend en toereikend
                            te zijn. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B089 Reiskosten woon-werkverkeer</label></kop><structuurtekst><al>Kosten in verband met het verwerven van inkomsten uit arbeid, waaronder
                            begrepen reiskosten, behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke
                            bestaanskosten die uit de bijstandsnorm of een daarmee vergelijkbaar
                            inkomen bekostigd dienen te worden. Afzonderlijke bijzondere
                            bijstandsverlening in bovenmatige verwervingskosten is slechts mogelijk
                            wanneer in een individuele situatie ten gevolge van bijzondere
                            omstandigheden de werkelijke vervoerskosten in verband met het verwerven
                            van inkomsten uit arbeid de gebruikelijke vervoerskosten te boven
                            gaan.</al><al/><al>In het kader van de bijzondere bijstandsverlening kunnen de reiskosten
                            in verband met het verwerven van (parttime) inkomsten uit
                            dienstbetrekking als bijzonder aangemerkt voorzover geen aanspraak op
                            een reiskostenvergoeding van de werkgever bestaat en de afstand tussen
                            woonplaats en werkplek méér bedraagt dan 10 km enkele reis. In dat geval
                            kunnen de meerkosten in hun geheel als bijzonder worden aangemerkt. Er
                            dient voor minst kostbare wijze van vervoer te worden gekozen en de
                            werkelijke kosten van reizen worden vergoed tot maximaal € 0,19 per
                            kilometer. Hierbij wordt aangesloten bij de vergoeding door de
                            belastingdienst. De vervoerskosten tot 10 kilometer van het openbaar
                            vervoer kunnen als normale verwervingskosten worden aangemerkt. Indien
                            de reisafstand woon-werkverkeer meer dan 10 kilometer bedraagt, wordt
                            dit als bijzondere verwervingskosten aangemerkt en kan bijzondere
                            bijstand worden verstrekt voor de meerkosten. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B089 - Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten) </label></kop><structuurtekst><al>Het recht op bijzondere bijstand voor de reiskosten woon-werkverkeer is
                            gelegen in artikel 35 lid 1 WWB.</al><al/><al>Reiskosten in verband met een participatietraject moeten, behoudens
                            bijzondere omstandigheden, worden bestreden uit de algemene bijstand,
                            ook als aan belanghebbende de verplichting is opgelegd om aan het
                            traject deel te nemen. Een relatief korte afstand vormt geen bijzondere
                            omstandigheid op grond waarvan bijzondere bijstand moet worden verstrekt
                            voor deze reiskosten, ook als het een participatietraject betreft
                            waaraan de belanghebbende verplicht deelneemt (zie CRvB 11-05-2010, nr.
                            09/4429 WWB).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B091 - Reiskosten bezoek zieke familieleden</label></kop><structuurtekst><al>Als gezinsleden in een ziekenhuis of een andere inrichting buiten de
                            regionale ziekenhuizen worden verpleegd, is er bijstand mogelijk voor de
                            reiskosten. Er wordt uiteraard wel rekening gehouden met een mogelijke
                            vergoeding vanuit de zorgverzekering. Het gaat hier om reiskosten in
                            verband met het bezoek aan de partner van belanghebbende en de ten laste
                            van belanghebbende of diens partner komend (pleeg)kind en
                            (pleeg)kinderen. Ten aanzien van het aantal noodzakelijk geachte
                            bezoeken geldt de volgende regel:</al><al/><al>• Bij terminale ziekte, verpleging op een intensive care en bij zieke
                            kinderen, elke dag voor maximaal twee personen die direct tot het gezin
                            behoren.</al><al>• Bij overige ziekenhuisopnames, tweemaal per week voor twee personen
                            die direct tot het gezin behoren. </al><al/><al>Wegens sociale en/of medische redenen kan van deze aantallen worden
                            afgeweken.</al><al/><al>Bij zieke kinderen is het verblijf in een Ronald McDonald huis vaak
                            goedkoper dan de reiskosten die gemaakt moeten worden. Vergoeding van
                            deze kosten via de zorgverzekering is soms mogelijk. De goedkoopste
                            oplossing verdient de voorkeur.</al><al/><al>Wijze van vergoeden</al><al/><al>Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand wordt uitgegaan van een
                            reis per openbaar vervoer (2e klas). Soms is het gebruik van een auto
                            wegens het ontbreken van goed openbaar vervoer echter toch noodzakelijk.
                            In dat geval wordt uitgegaan van een kilometervergoeding van € 0,19. </al><al/><al>Bijstand wordt bij periodieke kosten voor maximaal 12 maanden toegekend.
                            Bijstand wordt op declaratiebasis uitbetaald. Belanghebbende dient de
                            declaraties tenminste 12 maanden gerekend vanaf de maand waarin de
                            bijzondere bijstand is uitbetaald te bewaren en op verzoek van het
                            college te tonen.</al><al/><al>In geval van vervoer per auto wordt een afsprakenkaart of verklaring van
                            de instelling die is bezocht ingeleverd ter verificatie van de
                            kosten.</al><al>Als de bijstand niet of niet volledig is aangewend voor het doel
                            waarvoor de bijzondere bijstand is verstrekt, vordert het college de
                            verstrekte bijstand terug.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B092 Reiskosten Bezoek Werkplein</label></kop><structuurtekst><al>Reiskosten die worden gemaakt voor het bezoek aan Werkplein Noord
                            -Groningen worden in beginsel gerekend tot de algemeen voorkomende
                            noodzakelijke kosten van het bestaan. Aangezien de algemene bijstand dan
                            wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in
                            beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B096 Bewassing en kledingslijtage</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Kosten van aanschaf, vervanging, reiniging en
                            onderhoud van kleding, beddengoed en schoeisel behoren in het algemeen
                            tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Er zijn echter
                            situaties denkbaar, die deze kosten voor de betrokkene bijzonder maken.
                            Te denken valt aan extra kosten voor kleding als gevolg van een handicap
                            aan het bewegingsapparaat en/of extra kosten omdat kleding vaker
                            gewassen moet worden, de bewassingskosten. </al><al/><al><cursief>Noodzaa</cursief><cursief>k</cursief></al><al>Als de noodzaak niet kan worden vastgesteld op
                            grond van het dossier of gegevens van de specialist, of als of er
                            anderszins twijfels bestaan over de noodzaak, wordt een attest
                            opgevraagd. </al><al/><al><cursief>Hoogte van de bijstand</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de mate van extra kosten
                            van kleding, schoeisel en beddengoed als gevolg van bewassingskosten of
                            van kledingslijtage ten gevolge van een voortbewegingshandicap wordt
                            verwezen naar de geïndexeerde GMD-lijst. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B101 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten</label></kop><structuurtekst><al>- Geen aparte regeling Duurzame gebruiksgoederen</al><al>*Kosten van aanschaf, vervanging en/of reparatie van duurzame
                            gebruiksgoederen worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemene
                            kosten van het bestaan en dienen primair uit eigen middelen, inkomen,
                            langdurigheidstoeslag, vermogen, reservering vooraf dan wel betaling
                            achteraf, te worden voldaan.</al><al>*Bijzondere bijstand in de kosten van noodzakelijke duurzame
                            gebruiksgoederen kan in bijzondere omstandigheden worden verleend in de
                            vorm van borgtocht of anders de vorm van geldlening. Gaat altijd om de
                            goedkoopste adequate oplossing</al><al>•Duurzame gebruiksgoederen</al><al>•Overige inrichtingskosten</al><al>•Aanvullende beleidsregel complete woninginrichting</al><al/><al>DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN</al><al/><al>Algemeen</al><al>Uitgangspunt van de WWB is dat de bijstandsnorm toereikend is dat de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan moet worden betaald uit de
                            eigen middelen (inkomen / vermogen). Dit geldt ook voor de noodzakelijke
                            duurzame gebruiksgoederen, zoals wasmachine, meubels, inrichtingskosten,
                            babyuitzet e.d.</al><al/><al>Voorliggende voorzieningen</al><al>Men wordt geacht voor deze kosten te reserveren dan wel deze te
                            financieren via gespreide betaling achteraf. (...)</al><al/><al>Mogelijke bijstand</al><al>Omdat de duurzame gebruiksgoederen tot de algemeen noodzakelijke kosten
                            van het bestaan behoren, waarvoor belanghebbende behoort te reserveren,
                            wordt bij de bepaling van de hoogte van de te verlenen bijstand de
                            liquide (te maken) middelen in de beoordeling betrokken (bijv. aandelen,
                            waardepapieren, roerende zaken). De mogelijkheid van een lening van de
                            (Volks)kredietbank zo nodig met behulp van een borgstelling in het kader
                            van de WWB zal eveneens onderzocht moeten worden. Als dit niet tot de
                            mogelijkheden behoort, komt pas een lening van de gemeente en eventueel
                            bijstandsverlening om niet in aanmerking. </al><al/><al>Verwijzing (Volks)kredietbank</al><al>Wanneer bijstand wordt gevraagd voor duurzame gebruiksgoederen zal eerst
                            een doorverwijzing naar de kredietbank moeten plaatsvinden voor het
                            aanvragen van een lening. Bij de verwijzing moet eventueel aan de cliënt
                            een uitkeringsspecificatie worden meegegeven. Verwijzing hoeft niet
                            plaats te vinden, als vooraf al duidelijk is dat de kredietbank geen
                            lening zal verstrekken.</al><al/><al>Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen</al><al>Bijstand in de vorm van een renteloze geldlening voor noodzakelijke
                            duurzame gebruiksgoederen is mogelijk als de kredietbank niet in een
                            lening kan voorzien. Dit moet blijken uit een brief van de kredietbank,
                            waarin de reden van afwijzing staat vermeld c.q. omschreven.</al><al/><al>Onderzoek gemeente bij geldlening</al><al>Bij verzoeken om een geldlening moet worden onderzocht:</al><al/><al>•of de kosten van het duurzame gebruiksgoed behoren tot de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan;</al><al>•of de aanschaf van het goed noodzakelijk is;</al><al>•de hoogte van het benodigde bedrag;</al><al>•de voorzienbaarheid van de uitgave en daarmee samenhangend de
                            reserveringsmogelijkheden;</al><al>•het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de eigen
                            bestaansvoorziening.</al><al>Voor de maximale hoogte van de noodzakelijke kosten van de aanschaf van
                            duurzame gebruiksgoederen wordt uitgegaan van de richtlijnen ingevolge
                            de NIBUD-normen. Bij een onvoorzienbare noodzaak bij aanschaf of bij
                            duurzame gebruiksgoederen, die niet tot de algemeen gebruikelijke
                            behoren, is bijzondere bijstand om niet mogelijk.</al><al/><al>(…)</al><al/><al>Looptijd geldlening</al><al>De looptijd van de geldlening is maximaal 36 maanden. In de situatie dat
                            men heeft nagelaten geheel of gedeeltelijk te reserveren of een niet
                            noodzakelijke lening heeft afgesloten kan, afhankelijk van de mate van
                            ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid, de aflossingstermijn
                            maximaal op 48 maanden worden gesteld. Na 3 jaar of in het laatst
                            genoemd geval 4 jaar regelmatige en volledige aflossing wordt het
                            restant van de lening kwijtgescholden.</al><al/><al>Aflossing</al><al>De hoogte van de aflossingsbedragen wordt voor personen met een inkomen
                            ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit
                            inkomen) vastgesteld op tenminste 6% van de som van de van toepassing
                            zijnde theoretische bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.</al><al/><al>Premies op grond van het premiebeleid en arbeidskostenvergoedingen
                            worden niet als inkomen meegerekend en tellen derhalve niet mee. De
                            aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld als een inkomen boven de
                            norm wordt ontvangen. De totaal door belanghebbende te betalen bedragen
                            worden zo vastgesteld dat hij tenminste blijft beschikken over
                            beslagvrije voet.</al><al/><al>Op grond van artikel 51, 2e lid WWB kunnen de aflossingsbedragen en/of
                            de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de
                            omstandigheden van persoon en gezin.</al><al/><al>Matiging</al><al>Indien er sprake is van noodzakelijk te achten extra financiële lasten
                            kan de hoogte van het aflossingsbedrag worden gematigd.</al><al/><al>OVERIGE INRICHTINGSKOSTEN</al><al>Algemeen</al><al>De kosten van woninginrichting die verband houden met een noodzakelijke
                            verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan. Deze kosten dienen te worden bestreden uit het
                            inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm via reservering of gespreide
                            betaling achteraf. Wanneer de belanghebbende niet in staat is door
                            individueel bepaalde bijzondere omstandigheden in de kosten van
                            woninginrichting te voorzien, vindt eventueel bijstandsverlening plaats
                            in de vorm van een geldlening.</al><al/><al>Voorliggende voorziening</al><al>De mogelijkheden van kredietverlening door de (Volks)kredietbank dienen
                            te worden benut.</al><al/><al>Noodzakelijkheid</al><al>Indien er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en er onvoldoende
                            of geen reserveringsmogelijkheden zijn geweest, kan er voor de kosten
                            van woninginrichting afzonderlijke bijstand worden verstrekt. Een
                            verhuizing is noodzakelijk wanneer daaraan een medische- of sociale
                            indicatie aan ten grondslag ligt. De voorgaande bijzondere
                            omstandigheden maken dat de eventueel te verstrekken bijstand in de vorm
                            van een geldlening wordt verstrekt als bijzondere bijstand. Jonggehuwden
                            en alleenstaanden worden geacht de kosten van eerste woninginrichting
                            zelf te dragen.</al><al/><al>Vorm van bijstand (artikel 51 WWB)</al><al/><al>Bijzondere bijstand in de kosten van woning(her)inrichting (duurzame
                            gebruiksgoederen) wordt verstrekt als geldlening of in de vorm van
                            borgtocht. In bijzondere gevallen wordt de bijstand om niet verstrekt.
                            Bovendien bestaat nog de mogelijkheid om aanvullende bijstand te
                            verstrekken in de kosten van periodiek verschuldigde rente- en
                            aflossingsbedragen van geldleningen voorzover de te betalen bedragen de
                            genormeerde aflossingsbedragen terzake van geldlening overtreffen. </al><al/><al>Aflossing</al><al>De hoogte van de aflossingsbedragen wordt door personen met een inkomen
                            ter hoogte van bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van het inkomen)
                            vastgesteld op ten minste 6% van de som van de van toepassing zijnde
                            theoretische bijstandsnorm.</al><al>Premies op grond van het premiebeleid en arbeidskostenvergoedingen
                            worden niet als inkomen beschouwd en tellen daarom niet mee. De
                            aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld als een inkomen boven de
                            norm wordt ontvangen. De totaal door belanghebbende te betalen bedragen
                            worden zo vastgesteld dat hij tenminste blijft beschikken over
                            beslagvrije voet.</al><al/><al>Op grond van artikel 51, 2e lid WWB kunnen de aflossingsbedragen en/of
                            de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de
                            omstandigheden van persoon en gezin.</al><al/><al>Hoogte bijstand</al><al>Uitgegaan moet worden van de noodzakelijk te achten woninginrichting.
                            Voor de richtprijzen gelden als uitgangspunt de referentienormen van het
                            NIBUD. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand moet het bedrag dat
                            men redelijkerwijs had kunnen reserveren (voorzienbaarheid van de
                            verhuizing) in mindering worden gebracht. </al><al/><al>Aanvullende beleidsregel complete woninginrichting</al><al>Voor de vaststelling van kosten van een complete woninginrichting
                            (bijvoorbeeld bij het betrekken van een woning door een statushouder)
                            wordt op grond van de uitgegaan van 50% van het hiervoor in de
                            NIBUD-prijzengids opgenomen bedrag. Dit bedrag wordt aan de doelgroep
                            statushouders verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B151 Dieetkosten</label></kop><structuurtekst><al> Algemeen</al><al>Dieetkosten behoren, voorzover de kosten van het normale voedingspakket
                            wordt overschreden, tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het
                            bestaan mits het volgen van een dieet medisch noodzakelijk is.</al><al/><al>Voorliggende voorzieningen</al><al>Er zijn 2 soorten dieetkosten, te weten kosten voor dieetpreparaten en
                            kosten voor dieetproducten.</al><al>Dieetpreparaten zijn preparaten die ten opzichte van normale voeding
                            zowel een gewijzigde chemische samenstelling als een gewijzigde fysische
                            vorm hebben. Er bestaat alleen aanspraak in geval van een ernstige
                            slikstoornis, passagestoornis, voedselallergie of
                            stofwisselingsstoornis. Deze preparaten worden door de basisverzekering
                            van de zorgverzekering 100% vergoed.</al><al/><al>Dieetproducten zijn alleen wat betreft chemische samenstelling
                            gewijzigd, bijvoorbeeld een zoutarm dieet. De meerkosten van
                            dieetproducten ten opzichte van een normaal eetpatroon worden vergoed
                            via de bijzondere bijstand.</al><al/><al>Indicatiestelling</al><al>Voor de bepaling van de medische noodzaak van dieetproducten is een
                            medisch attest vereist. Voor de meerkosten van dieetvoeding wordt
                            aansluiting gezocht bij de bedragen in de Nibud prijzengids.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B160 Eigen risico</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft geen afwijkend/specifiek beleid over dit onderwerp. Er
                            is aangesloten bij de juridische afwegingen in het handboek.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B079 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen niet in een inrichting verblijvend.</label></kop><structuurtekst><al>Bij thuiswonende jongeren wordt in beginsel de basisnorm geacht
                            toereikend zijn.</al><al/><al>Voor noodzakelijk uitwonende jongeren geldt het volgende: Als aanvullend
                            op de lage norm algemene bijstand bijzondere bijstand noodzakelijk is
                            voor levensonderhoud dan wordt de hoogte hiervan al individueel
                            vastgesteld. Daarbij geldt dat de hoogte van de totale uitkering (norm
                            algemene bijstand + toeslag bijzondere bijstand) nooit meer kan bedragen
                            dan de uitkering die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor
                            personen van 21 jaar.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B080 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen in een inrichting verblijvend.</label></kop><structuurtekst><al> De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de norm voor een
                            belanghebbende van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijft.
                            Eventuele inkomsten moeten op de bijzondere bijstand in mindering worden
                            gebracht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B081 Procedure Verhaal bijzondere bijstand jongeren</label></kop><structuurtekst><al>Bij een aanvraag bijzondere bijstand voor levensonderhoud door iemand in
                            de leeftijd van 18 t/m 20 jaar worden direct de ouders/verzorgers
                            aangeschreven voor verhaal. Bij minderjarige kinderen jonger dan 17 jaar
                            dient ook de Raad voor de Kinderbescherming in kennis te worden gesteld.
                            Afgesproken is dat de Raad nadere gegevens kan verkrijgen om zelf een
                            onderzoek in te stellen. Dit kan ook als het iemand is van 17 jaar of
                            ouder.</al><al/><al>Moet het adres van de jongeren geheim blijven wegens gevaar of dreiging
                            daarvan, dan dient in ieder geval de betreffende ambtenaar op de hoogte
                            te zijn van de verblijfplaats.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B082 Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen.</label></kop><structuurtekst><al>Indirecte studiekosten van ten laste komende schoolgaande kinderen komen
                            in beginsel niet voor de verlening van bijzondere bijstand in
                            aanmerking. Deze kosten worden geacht voldaan te kunnen worden uit een
                            inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm voor het gezin (= de
                            alleenstaande ouder of de gehuwden). Zie ook eventueel minimabeleid van
                            de gemeente.</al><al><vet>(…)</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B083 LBIO Residentiele opvang kinderen.</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten </cursief></al><al/><al>De door het LBIO bepaalde ouderbijdrage voor uit huis geplaatste
                            kinderen. De LBIO int deze bijdrage ook.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening </cursief></al><al/><al>De kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) moet
                            worden aangemerkt als een passende en toereikende voorziening in de zin
                            van de WWB. (Rb Leeuwarden, 17-03-1999, nr 97/1019, JABW
                            9-1999-nr.81)</al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand </cursief></al><al/><al>De wijze waarop de ouderbijdrage wordt vastgesteld leidt ertoe dat de
                            ouder de ouderbijdrage in principe dient te bekostigen uit eigen
                            middelen (bv. AKW). Echter, omdat de onderhoudskosten in het betreffende
                            kwartaal betaald moeten zijn om aanspraak te kunnen maken op
                            kinderbijslag, kan in voorkomende gevallen eenmalig bijzondere bijstand
                            worden verleend voor (de eigen bijdrage in) de onderhoudskosten van uit
                            huis geplaatste kinderen. Dit zal zich alleen voordoen bij gehuwden met
                            een of meer kinderen of bij een alleenstaande ouder die naast de een of
                            meer uit huis geplaatste kinderen nog de volledige zorg heeft over een
                            andere ten laste komend kind. De als alleenstaande aan te merken ouder
                            is namelijk vrijgesteld van de betaling van de ouderbijdrage.</al><al/><al><cursief>Hoogte van de bijzondere bijstand </cursief></al><al/><al>De hoogte van de eenmalige bijzondere bijstand wordt afgestemd op (de
                            eigen bijdrage in) de te maken onderhoudskosten voor het uit huis
                            geplaatste kind in het lopende kwartaal.</al><al/><al><cursief>Vorm van de bijstand </cursief></al><al/><al>De eenmalige bijzondere bijstand voor (de eigen bijdrage in) de
                            onderhoudskosten van uit huis geplaatste kinderen wordt verstrekt in de
                            vorm van een geldlening. </al><al><cursief>Aan de bijstand te verbinden verplichtingen</cursief></al><al/><al>De beschikking moet vermelden dat de belanghebbende verplicht is
                            om:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de bijstand te besteden aan het voldoen van (de eigen bijdrage
                                    in) de onderhoudskosten van het uit huis geplaatste kind
                                    (bestedingsverplichting); </al></li><li nr="-"><al>(indien van toepassing) ook de overige onderhoudskosten die niet
                                    voor bijstandsverlening in aanmerking kwamen, te voldoen;</al></li><li nr="-"><al>achteraf bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat de eigen
                                    bijdrage in de onderhoudskosten is voldaan
                                    (inlichtingenplicht);</al></li><li nr="-"><al>de bijstand terug te betalen zodra de laatste dubbele
                                    kinderbijslag is ontvangen (zie ook paragraaf 3.3 onderdeel
                                    7);</al></li><li nr="-"><al>geen nieuwe schulden te maken gedurende de periode dat de
                                    leenbijstand nog niet is terugbetaald (zie ook paragraaf 3.3
                                    onderdeel 7).</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B085 Maaltijdvoorziening </label></kop><structuurtekst><al>Omschrijving van de kosten</al><al>Wanneer iemand vanwege medische en/of sociale redenen niet zelf kan
                            koken en/of niet in staat is zelf boodschappen te doen en er is geen
                            partner of een ander die dat wel kan doen, dan kan bijzondere bijstand
                            worden verstrekt voor de kosten van maaltijdvoorziening.</al><al/><al>Omdat voeding behoort tot de algemene kosten van het bestaan waarin een
                            inkomen op bijstandsniveau voorziet zullen alleen de meerkosten voor
                            bijstandsverlening in aanmerking behoren te komen. Voor het bedrag dat
                            aan voeding in de norm begrepen is aansluiting worden gezocht bij:</al><lijst><li nr="-"><al>de NIBUD-Prijzengids die voor een warme maaltijd voor 65+-ers
                                    een bedrag van € 2,03 hanteert. Genoemd bedrag geldt per
                                    2012.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B086 Verzorging en hulp</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Eigen bijdrage Thuiszorg</cursief></al><al>De eigen bijdrage die wordt geheven voor Thuiszorg en voor overige Wmo
                            en AWBZ voorzieningen is inkomensgerelateerd. Deze kosten worden dan ook
                            geacht uit eigen middelen bestreden te kunnen worden</al><al/><al><cursief>Eigen bijdrage PGB</cursief></al><al/><al>De eigen bijdrage die wordt geheven voor Thuiszorg en voor overige Wmo
                            en AWBZ voorzieningen is inkomensgerelateerd. Deze kosten worden dan ook
                            geacht uit eigen middelen bestreden te kunnen worden</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B093 Suppletie lening kredietbank</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al/><al>De kosten die verbonden zijn aan een lening bij een kredietverlenende
                            instelling die uitgaan boven het van toepassing zijnde aflossingsbedrag
                            dan wel de borgstelling die nodig is om een geldlening bij de
                            kredietverlenende instelling af te sluiten.</al><al/><al>De kredietbank beoordeelt de aanvraag om een geldlening op grond van een
                            aantal criteria zoals: leeftijd, (resterende) aflossingscapaciteit en
                            kredietwaardigheid. Op grond daarvan kan de bank besluiten tot:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het toekennen van de geldlening zonder bijzondere
                                    voorwaarden;</al></li><li nr="-"><al>het toekennen van de geldlening onder de voorwaarde van een
                                    borgstelling;</al></li><li nr="-"><al>het toekennen van de geldlening onder de voorwaarde dat
                                    suppletie wordt verstrekt</al></li><li nr="-"><al>het afwijzen van de geldlening.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al/><al>Er is geen voorliggende voorziening.</al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>Borgstelling is mogelijk bij uitzichtloze huur- en nutsschulden.</al><al>Suppletie is mogelijk voor geldleningen bij de kredietbank voor
                            bijzondere noodzakelijke kosten waarvoor geen reserveringsmogelijkheid
                            was (niet voor schulden in verband met huur of nutsvoorzieningen)
                            waarvan de maandelijkse termijnbetalingen (aflossing plus rente) hoger
                            zijn dan de voor beslag vatbare ruimte (ongeveer 10% van de
                            bijstandsnorm) waarbij wordt uitgegaan van een aflossingsduur van 3
                            jaar. </al><al/><al><cursief>Hoogte van de bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>De hoogte van de bijzondere bijstand voor suppletie is gelijk aan het
                            verschil tussen maandelijkse termijnbetalingen (aflossing plus rente) en
                            6% van de vantoepassing zijnde norm. Tussentijdse wijziging in de hoogte
                            van de suppletie is mogelijk.</al><al/><al> Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel)
                            aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde
                            drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in
                                <onderstreept>paragraaf B7.3</onderstreept>, in mindering gebracht. </al><al/><al><cursief>Vorm van de bijstand</cursief></al><al/><al>De bijstand wordt om niet verleend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B094 Kosten schuldhulpverlening</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de
                                kosten</cursief></al><al>De kosten die verbonden zijn aan het oplossen van een
                            schuldenprobleem.</al><al/><al> Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden
                            gedaan op een voorliggende voorziening (<onderstreept>artikel 15 lid 1
                                WWB</onderstreept>; zie <onderstreept>B3.4</onderstreept>). Denk in
                            dit geval aan: </al><al/><al><cursief>Limitatieve </cursief><cursief>Voorliggende
                                voorziening</cursief></al><al/><lijst><li nr="-"><al>de schuldhulpverlening door de gemeentelijke kredietbank. </al></li><li nr="-"><al>de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor de schuldhulpverlening
                            of schuldsanering, omdat de voorliggende voorziening als passend en
                            toereikend wordt beschouwd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B095 Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten</label></kop><structuurtekst><al>Afhankelijk van invulling Minimaregelingen!! Ambtelijk voorstel of
                            politiek in laten vullen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B097 Bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders</label></kop><structuurtekst><al>Het college verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijke)
                            compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig
                            alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt toereikend geacht voor de
                            voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. In de
                            bijstandsnorm (norm + toeslag - verlaging, zie artikel 5 onderdeel c
                            WWB) is reeds rekening gehouden met het feit dat het kind met een laag
                            inkomen niet (optimaal) kan bijdragen aan de algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan (zie paragraaf B6.7).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B098 Kosten van scholing en opleiding</label></kop><structuurtekst><al>Voor de kosten van noodzakelijk geachte scholing wordt geen bijzondere
                            bijstand verleend. Indien nodig kan het college re-integratiemiddelen
                            inzetten ter dekking van deze kosten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B099 Verwervingkosten</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Zie ook W012</cursief></al><al/><al>Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is er bij
                            de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor
                            verrekening van verwervingskosten. Voor verwervingskosten moet volgens
                            de Centrale Raad van Beroep de weg van de bijzondere bijstand worden
                            gevolgd. Ook bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid verwervingskosten
                            als voorziening aan te merken (als genoemd in de
                            re-integratieverordening van artikel 8 WWB) en te betalen uit het
                            participatiebudget.</al><al/><al><cursief>Onkostenvergoedingen</cursief></al><al/><al>Het is mogelijk om een vergoeding te verstrekken voor kosten die de
                            persoon moet maken in het kader van een arbeidsmarktgericht
                            re-integratieactiviteit. Hierbij gaat het om de directe en indirecte
                            kosten, die noodzakelijk en aantoonbaar zijn en die, in alle
                            redelijkheid, niet ten laste van de persoon kunnen komen. Ook moet er
                            voor deze kosten geen andere voorliggende voorziening zijn. Voorts moet
                            er sprake zijn van de goedkoopste adequate oplossing. Over de
                            onkostenvergoeding worden in het trajectplan concrete afspraken
                            gemaakt.</al><al/><al>Een belanghebbende kan, in het kader van het trajectplan, aanspraak
                            maken op een onkostenvergoeding, waaronder reiskosten en andere te maken
                            kosten, voor zover deze naar het oordeel van het college noodzakelijk
                            zijn . Het college betrekt bij zijn oordeel over de noodzaak:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>het belang van de te maken kosten in verband met de
                                    re-integratie van de belanghebbende;</al></li><li nr="2."><al>de zienswijze van belanghebbende;</al></li><li nr="3."><al>de beoordeling van de mogelijkheden van de belanghebbende tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="4."><al>de beschikbaarheid van de benodigde voorziening of alternatieven
                                    daarvoor.</al></li></lijst><al/><al>Reiskosten die in het kader van de uitvoering van het trajectplan worden
                            gemaakt, worden geheel vergoed op basis van openbaar vervoer indien de
                            enkele reisafstand groter is dan 10 km (postcode – postcode). Mocht het
                            openbaar vervoer niet doelmatig worden geacht dan kan een
                            kilometervergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (op basis van de
                            routeplanning) worden verstrekt. Voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling in het kader van overig beleid, zoals bijvoorbeeld
                            deze reiskosten, fiets en dergelijke, dienen net als alle voorzieningen
                            die ingezet worden ten behoeve van re-integratie, gemotiveerd te
                            worden</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B100 Kosten kinderopvang (verwervingskosten)</label></kop><structuurtekst><al>Bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang kan in bijzondere
                            gevallen worden verleend voor de kosten van: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>tussenschoolse opvang; </al></li><li nr="2."><al>kinderopvang die niet door de reguliere kinderopvang kan worden
                                    geregeld; </al></li><li nr="3."><al>kinderopvang als de ouder deze direct nodig heeft terwijl de
                                    kinderopvanginstellingen niet per direct een plaats beschikbaar
                                    hebben; </al></li><li nr="4."><al>kinderopvang voor belanghebbenden die een inburgeringstraject
                                    zonder re-integratiecomponent volgen.</al></li></lijst><al/><al> NB: als de kosten vergoed worden in verband met een traject, dient
                            vergoeding plaats te vinden uit het participatiebudget (flankerende
                            kosten), zie <onderstreept>W1.2.5.</onderstreept></al><al/><al>Als uitgangspunt voor de hoogte van de bijzondere bijstand bij
                            particuliere opvang, gelden de maximale uurprijzen uit de Wet
                            kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wk). Voor
                            belanghebbenden onder 4 geldt dat bij het vaststellen van de draagkracht
                            geen rekening wordt gehouden met draagkracht uit vermogen.</al><al/><al><cursief>Aanwijzingen voor de uitvoering:</cursief> Voor kinderopvang op
                            grond van een sociaal-medische indicatie (SMI), zie
                                <onderstreept>B7.18.2</onderstreept> en
                                <onderstreept>B7.4.5</onderstreept>. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B102 Verhuiskosten</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al>De kosten van een medisch- of sociaal geïndiceerde verhuizing behoren in
                            beginsel tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten
                            van het bestaan waarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, geen
                            afzonderlijke bijstand wordt verstrekt. Men wordt geacht voor dergelijke
                            kosten te reserveren dan wel een betalingsregeling te treffen. Wanneer
                            er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan bijstand worden
                            verleend. De te verlenen bijstand krijgt daardoor het karakter van
                            bijzondere bijstand.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al/><al>Met betrekking tot medisch geïndiceerde verhuizingen geldt de Wmo als
                            voorliggende voorziening.</al><al/><al><cursief>Noodzakelijke verhuizing</cursief></al><al/><al>Indien er sprake van een noodzakelijke verhuizing is geweest en er
                            onvoldoende reserveringsmogelijkheden zijn geweest, wordt bijzondere
                            bijstand voor deze kosten verstrekt. Van een noodzakelijke verhuizing is
                            sprake indien daaraan een medische- of sociale indicatie ten grondslag
                            ligt.</al><al/><al><cursief>Om niet</cursief></al><al/><al>Bijzondere bijstand voor de verhuiskosten wordt om niet verstrekt en
                            moet worden aangevraagd in de gemeente van vertrek. Hierbij dient
                            rekening te worden gehouden met de aanwezige draagkracht. De
                            noodzakelijke kosten die rechtstreeks verband houden met de verhuizing
                            (zoals het huren van een transportauto) kunnen worden vergoed.</al><al/><al><cursief>Verhuizing uit woning boven grens huurtoeslag</cursief></al><al/><al>Wanneer belanghebbende verhuist van een woning boven het maximum van de
                            huurtoeslaggrens naar een woning die voor huurtoeslag in aanmerking
                            komt, dan wordt de bijstand om niet verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B103 Eerste maand huur en administratiekosten</label></kop><structuurtekst><al>Onderstaande richtlijn geeft het gemeentelijk beleid ten aanzien van het
                            verstrekken van bijzondere bijstand voor eerste maand huur en
                            administratiekosten. </al><al/><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>De kosten, die verband houden met een eerste maand huur,
                            administratiekosten en waarborgsom worden geacht te behoren tot de
                            algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, welke uit het beschikbare
                            inkomen moeten worden bestreden. Er kunnen echter omstandigheden zijn,
                            waardoor deze kosten voor belanghebbende als bijzonder zijn aan te
                            merken.</al><al/><al>Onder dergelijke kosten wordt verstaan de kosten die gemaakt moeten
                            worden om de huur en eventuele bijkomende kosten op voorhand te betalen,
                            zonder dat het inkomen over de betreffende maand beschikbaar is.
                            Bijzondere bijstand voor deze kosten wordt in principe om niet verleend. </al><al/><al><cursief>Vaststelling noodzaak</cursief></al><al>De consulent maakt een beoordeling van de noodzaak, de voorzienbaarheid
                            en de reserveringsmogelijkheden.</al><al/><al><cursief>Aan de bijstand verbonden verplichtingen</cursief></al><al>De noodzakelijke kosten kunnen worden vergoed. De kosten dienen te
                            worden aangetoond door middel van nota’s.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B105 Overbrugging scherpe terugval in inkomen</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>Bij onvoorzienbare terugval in inkomen naar
                            bijstandsniveau (bijvoorbeeld ten gevolge van overlijden van de partner
                            of verlating) kunnen zich zodanige aanpassingsmoeilijkheden voordoen dat
                            het economisch evenwicht in het gezin wordt verstoord. Gedacht kan
                            bijvoorbeeld worden aan contractuele verplichtingen (abonnementen,
                            jaarcontracten) waarvan de betalingsverplichtingen nog enige tijd
                            doorlopen na de inkomensterugval. </al><al>Aan bijstandsgerechtigden, die voorheen een hogere levensstandaard
                            voerden, kan maximaal 3 maanden (met een eenmalige verlenging van drie
                            maanden) een toeslag in de vorm van bijzondere bijstand worden verleend.
                            Er dient dan sprake te zijn van een ernstige terugval in inkomen.</al><al/><al>Voor bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste huur, zie
                            B7.16.3.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al>Overlijdensuitkering, levensverzekering of
                            arbeidsongeschiktheids-risicoverzekering, voor zover deze qua hoogte en
                            dekking in de kosten voorziet. </al><al/><al><cursief> Hoogte van de bijzondere bijstand</cursief></al><al>De hoogte van de overbrugging wordt bepaald door de feitelijke hoogte
                            van de kosten.</al><al/><al><cursief>Vorm van de bijstand</cursief></al><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet.
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B106 Overige bijzondere kosten</label></kop><structuurtekst><al>Mocht zich in de praktijk situaties voordoen die om invulling middels
                            een beleidsregel vragen kan dit op deze plek worden ingevuld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B138 Aangewezen groepen voor categoriale bijzondere bijstand.</label></kop><structuurtekst><al>De mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verlenen blijft
                            beperkt tot </al><lijst><li nr="-"><al>chronisch zieken of gehandicapten voor kosten in verband met
                                    chronische ziekte of handicap, en;</al></li><li nr="-"><al>personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt,
                                    en;</al></li><li nr="-"><al> huishoudens met ten laste komende kinderen die onderwijs of een
                                    beroepsopleiding volgen (<onderstreept>artikel 35 lid 5
                                        WWB</onderstreept>; deze doelgroep bestaat vanaf
                                    01-01-2009). </al></li></lijst><al/><al> De <cursief>doelgroep</cursief> is limitatief en laat geen ruimte voor
                            eigen gemeentelijk beleid (zie <onderstreept>TK 2002-2003, 28 870, nr.
                                3, p. 64-65</onderstreept>). Binnen deze doelgroep kan het college
                            categorieën aanwijzen. </al><al/><al>De invulling hiervan is dus afhankelijk van het minimabeleid. Zie
                            hiervoor het huidige minimabeleid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B145 Berekening woonkostentoeslag huurders</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Berekening woonkostentoeslag algemeen</cursief></al><al>Voor de berekening van de woonkostentoeslag wordt
                            aangesloten bij de systematiek van de Wet op de Huurtoeslag en gebruik
                            wordt gemaakt van het "berekeningsformulier huurders". Er wordt geen
                            woonkostentoeslag verstrekt wanneer deze minder bedraagt dan het bedrag
                            genoemd in artikel 14 lid 4 AWIR. </al><al/><al>Woonkostentoeslag kan in principe worden verstrekt voor huurwoningen. In
                            dit geval dient rekening te worden gehouden met de voorliggende
                            voorzieningen huurtoeslag.</al><al/><al>Woonkostentoeslag kan worden verstrekt als: </al><lijst><li nr="1."><al>er (nog) geen recht bestaat op (maximale) huurtoeslag </al></li><li nr="2."><al>de huur boven de subsidiegrens ligt </al></li><li nr="3."><al>er sprake is van een zeer hoge huur</al></li></lijst><al/><al>1. (Nog) geen recht op (maximale) huurtoeslag Woonkostentoeslag is
                            mogelijk indien op de peildatum geen recht bestaat op (maximale)
                            huurtoeslag, en wel tot het begin van het nieuwe subsidiejaar (1 januari
                            van enig jaar).</al><al/><al>2.Huur boven subsidiegrens </al><al>Onder voorwaarden kan in deze situatie bijzondere bijstand worden
                            verleend, bijvoorbeeld na een echtscheiding of verbreking van een
                            relatie. Bijzondere bijstand is in deze situatie altijd tijdelijk (in
                            principe 12 maanden) en gekoppeld aan een verhuisplicht.</al><al/><al> Een woonkostentoeslag is in principe <cursief>niet mogelijk,</cursief>
                            wanneer de huurtoeslag is afgewezen of ingaat op een later tijdstip,
                            omdat: </al><al/><lijst><li nr="-."><al>het verzoek niet tijdig is ingediend;</al></li><li nr="-"><al>niet tijdig eventuele aanvullende gegevens werden
                                    verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager met zijn eventuele medebewoner(s) en/of
                                    onderhuurder(s) niet (tijdig) op het adres waarvoor men
                                    huursubsidie vraagt ingeschreven stond in de Gemeentelijke
                                    Bevolkingsadministratie (GBA).</al></li></lijst><al/><al> In deze situaties kan geen bijstand worden verleend wegens het mislopen
                            van de toereikende voorliggende voorziening (zie <onderstreept>artikel
                                15 WWB</onderstreept>; <onderstreept>paragraaf B3.3</onderstreept>).
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B146 Berekening woonkostentoeslag eigenaren</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Berekening woonkostentoeslag algemeen</cursief></al><al>Voor de berekening van de woonkostentoeslag eigenaren wordt aangesloten
                            bij de systematiek van de Wet op de Huurtoeslag en wordt gebruik gemaakt
                            van het berekeningsformulier eigenaren.</al><al>Er wordt geen woonkostentoeslag verstrekt wanneer deze minder bedraagt
                            dan het bedrag genoemd in artikel 14 lid 4 AWIR.</al><al/><al><cursief>Berekening woonkosten</cursief></al><al>In de regel wordt woonkostentoeslag verstrekt over het
                            lopende jaar. Er kan in dat geval worden uitgegaan van het bedrag op de
                            meest recente jaaropgaaf van de hypotheekverstrekker. De toekenning van
                            de woonkostentoeslag is dan voorlopig. In het besluit wordt opgenomen
                            dat belanghebbende de jaaropgaaf van het jaar waarover de
                            woonkostentoeslag is verstrekt, moet inleveren zodra hij deze heeft
                            ontvangen. Mogelijk wordt de woonkostentoeslag dan herzien. </al><al/><al>Als voorwaarde bij de toekenning van een woonkostentoeslag geldt, dat de
                            bewoner bij de belastingdienst een verzoek om voorlopige teruggaaf moet
                            indienen of een teruggave 'Inkomstenbelasting' en/of 'Premies
                            volksverzekeringen' moet aanvragen. Dit in verband met de fiscale
                            aftrekbaarheid van te betalen of betaalde hypotheekrente.</al><al/><al>De voorlopige teruggave wegens hypotheekrente (als die volledig
                            betrekking heeft op het bijstandstijdvak) moet volledig in mindering
                            worden gebracht op de woonkostentoeslag. Aan de woonkostentoeslag wordt
                            daarom de verplichting verbonden dat belanghebbende aangifte doet en de
                            aanslag inlevert bij de dienst. Eventueel wordt het besluit dan
                            gewijzigd. Deze voorwaarde wordt nadrukkelijk opgenomen in het
                            besluit</al><al/><al>De woonkosten worden op jaarbasis vastgesteld en dan omgerekend naar de
                            maand. Voor het berekenen van de woonkosten gaat het om de volgende
                            woonkosten (op jaarbasis): </al><al/><al><cursief>Rente die verband houdt met de woning </cursief></al><al>a. Hypotheekrente Het gaat hier uitsluitend om de rente die verband
                            houdt met de woning. Het is niet van belang of de eigenaar de
                            hypotheekrente ook daadwerkelijk betaalt. Verder geldt dat jaarlijks te
                            ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde
                            hypotheekrente hierop in mindering moet worden gebracht. Hypotheekrente
                            voor leningen anders dan voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of
                            caravan, mogen niet worden meegeteld. De aflossing van de hypotheek telt
                            niet mee, dit geldt dus ook voor de premies van zogenaamde
                            spaarhypotheken. De hypotheekrente is te vinden op de jaaropgaaf van de
                            hypotheekverstrekker.</al><al/><al><cursief>Zakelijke lasten in verband met het hebben van
                                eigendom</cursief></al><al>b. Eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (OZB) </al><al>Het gebruikersdeel (dat huurders ook moeten betalen) hoort niet tot de
                            woonlasten. De OZB is te vinden op de aanslag gemeentebelasting.</al><al/><al>c. Premie brand- en opstalverzekering </al><al>Dit betreft uitsluitend de verzekering voor het herbouwen of herstellen
                            van de woning.</al><al/><al>d. Waterschapslasten </al><al>Hierbij gaat het om de waterschapsomslag, waarvan belanghebbende
                            jaarlijks een aanslagbiljet krijgt van het waterschap. Het gaat dus niet
                            om ingezetenenomslag, die ook door huurders moet worden betaald.</al><al/><al>e. Rioolrechten </al><al>Het jaarlijkse bedrag is te vinden op de aanslag gemeentebelasting.</al><al/><al>f. Erfpachtcanons </al><al>Er is sprake van erfpacht als de grond waarop de woning is gebouwd geen
                            eigendom is van belanghebbende maar van de gemeente. Belanghebbende
                            betaalt hiervoor aan de gemeente een pachtsom.</al><al/><al><cursief>Een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot
                                onderhoud </cursief></al><al>g. Voor de hoogte van de mee te nemen onderhoudsbedragen wordt verwezen
                            naar het actuele overzicht van normen en bedragen. Het gaat om de
                            volgende posten:</al><al> • Groot onderhoud </al><al>• Onderhoud centrale verwarming </al><al>• Liftinstallatie </al><al>• Algemeen beheer en administratie (bij flatgebouw en
                            appartementen).</al><al/><al><cursief>Premies/subsidies aankoop eigen woning</cursief></al><al>De door het rijk verstrekte premies op de aankoop van een woning zijn
                            bedoeld als een tegemoetkoming in de verschuldigde bedragen voor rente
                            en aflossing. Deze premies dienen voor zover ze moeten worden
                            toegerekend aan de verschuldigde rentelasten, op het bedrag van de
                            woonkosten en niet op de woonkostentoeslag in mindering te worden
                            gebracht. De toerekening dient plaats te vinden aan de hand van de
                            verhouding van de voor een bepaald jaar verschuldigde bedragen voor
                            rente en aflossing. Met de premies/subsidies wordt rekening gehouden als
                            ze betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening.</al><al/><al><cursief>Vorm van bijstand</cursief></al><al>Woonkostentoeslag wordt in beginsel om niet verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B148 Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen</label></kop><structuurtekst><al>Voor de hogere algemene kosten van het bestaan als gevolg van ziekte,
                            handicap of ouderdom verstrekt het college categoriale bijzondere
                            bijstand (zie B7.3).</al><al/><al>Afhankelijk van de invulling van het minimabeleid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B152 Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening</label></kop><structuurtekst><al>Bijzondere bijstand voor zelfzorgmiddelen is in beginsel niet mogelijk,
                            behalve indien er sprake is van een zeer dringende reden die
                            bijstandsverlening noodzakelijk maakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B153 Tandheelkundige hulp</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Medisch geïndiceerde kosten van tandheelkundige
                            hulp behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. </al><al/><al><cursief> Voorliggende voorzieningen</cursief></al><al>De zorgverzekering is een voorliggende voorziening. Van iedere
                            belanghebbende wordt verwacht dat hij zich tegen tandheelkundige kosten
                            bijverzekert via de aanvullende verzekering. We gaan ervan uit dat
                            belanghebbenden minimaal eenmaal per jaar hun gebit laten
                            controleren.</al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>Eigen bijdragen voor tandheelkundige hulp komen voor vergoeding in
                            aanmerking.(…) Een uitzondering geldt voor eigen bijdragen in verband
                            met kronen, inlays, stifttanden en bruggen, ook al is er voor deze
                            kosten een gedeeltelijke vergoeding vanuit de TV2 of TV3. Voor deze
                            verrichtingen zijn goedkopere alternatieven (plaatje, gebitsprothese)
                            voorhanden. Bijzondere bijstand is daarom niet mogelijk. Een
                            uitzondering geldt ook voor eigen bijdragen parodontologie. De wetgever
                            heeft de kosten van parodontologie namelijk als niet-noodzakelijk
                            aangemerkt, waardoor er geen recht is op bijzondere bijstand.</al><al/><al>Een beroep op zeer dringende redenen (artikel 16 WWB) kan alleen worden
                            gedaan als er sprake is van een (acute) noodsituatie waarbij de bijstand
                            als laatste redmiddel fungeert. Een advies van een tandarts geeft niet
                            meer aan dan de wenselijkheid of de medische noodzaak. Medische noodzaak
                            betekent niet zonder meer dat er ook sprake is van zeer dringende
                            redenen.</al><al/><al><cursief> Hoogte van de bijstand</cursief></al><al>De hoogte van de bijstand is gelijk aan de feitelijke noodzakelijke
                            kosten.</al><al/><al><cursief> Vorm van de bijstand</cursief></al><al>Bijstand om niet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B154 Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg</label></kop><structuurtekst><al><cursief> Algemeen</cursief></al><al>Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als er een beroep kan
                            worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 WWB). Kosten
                            van psychotherapeutische behandelingen die in de voorliggende
                            voorzieningen niet als noodzakelijk worden aangemerkt, worden in het
                            algemeen niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorzieningen</cursief></al><al>Zorgverzekeringswet (Zvw) en AWBZ De Zvw is de voorliggende voorziening
                            voor specialistische geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Het gaat dan om
                            zorg zonder opname en zorg bij een opname tot één jaar. In de BMWE
                            gemeenten wordt de GGZ uitgevoerd door Lentis. De Zvw is ook de
                            voorliggende voorziening voor eerstelijns psychologische hulp. Vanuit de
                            basisverzekering worden acht sessies vergoed. De kosten bij een opname
                            in een GGZ-instelling van langer dan één jaar vallen onder de AWBZ.</al><al/><al>De eigen bijdrage GGZ wordt niet vergoed.</al><al/><al>Voor eerstelijns psychologische hulp geldt dat in de basisverzekering
                            een beperkt aantal sessies wordt vergoed. Is het maximaal aantal sessies
                            bereikt dan kan geen bijstand worden verstrekt voor een eventuele
                            voortzetting van de hulp. In het karakter van de eerstelijns psychologie
                            ligt besloten dat de sessies tot een bepaald aantal beperkt kunnen
                            blijven. Wordt er niets meer vergoed vanuit de basisverzekering dan
                            dient er vanuit de eerstelijnshulp doorverwezen te worden naar een
                            andere therapievorm (b.v. GGZ). De eigen bijdrage voor eerstelijns
                            psychologische hulp wordt niet vergoed vanuit de bijzondere
                            bijstand.</al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al>Voor kosten van psychologische hulp die niet door
                            de voorliggende voorzieningen worden vergoed, kan in beginsel geen
                            bijstand worden verstrekt. </al><al/><al>Soms worden de kosten van een dergelijke therapie vergoed door de
                            zorgverzekeraar vanuit een uitgebreider aanvullend pakket. Het gaat dan
                            om bijvoorbeeld hapto-, gestalt-, psychosynthese-, biodynamics-,
                            creatieve- of postural integrationtherapie. Voor eventuele eigen
                            bijdragen (per zitting) of eigen kosten (als de therapie nog doorloopt
                            na de maximale vergoeding) kan geen bijstand worden verleend. Dit geldt
                            ook als wordt aangevoerd dat de therapie succes heeft en er een
                            vertrouwensband met de behandelaar is ontstaan. Een attest is niet
                            nodig.</al><al/><al>In zeer uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat de GGZ-instelling
                            verwijst naar een alternatieve therapie die niet onder de Zvw valt,
                            omdat de GGZ-instelling zelf de noodzakelijk hulp niet kan bieden. In
                            deze gevallen kan bijstand worden verstrekt, nadat de verwijzing is
                            gecontroleerd (bijvoorbeeld door middel van een attest). Het gaat hier
                            om een uitzonderingssituatie die zelden voorkomt. Uitgangspunt is
                            namelijk dat de GGZ-instellingen in staat zijn om alle noodzakelijke
                            hulp te bieden.</al><al/><al><cursief>Zeer dringende redenen</cursief></al><al>Als er, gelet op het voorgaande, geen bijstand kan
                            worden verstrekt, dan kan in geval van zeer dringende redenen toch
                            bijstand worden verstrekt. De vraag of het (medisch) verantwoord is om
                            een therapie af te breken levert niet een zeer dringende reden op. Het
                            moet gaan om een acute medische of psychische noodsituatie (artikel 16
                            WWB). </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B155 Fysiotherapie en oefentherapie</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Omschrijving van de kosten</cursief></al><al>De kosten van fysiotherapie en van oefentherapie.
                            Oefentherapie is een therapie gericht op de verbetering van de houding
                            en manier van bewegen van mensen met lichamelijke klachten. Voor meer
                            informatie zie de polisvoorwaarden van Menzis. </al><al/><al><cursief> Voorliggende voorzieningen</cursief></al><al>Voor belanghebbenden met een chronische aandoening vormen de
                            basisverzekering en de aanvullende verzekering een voorliggende
                            voorziening. Overige belanghebbenden kunnen een beroep doen op de
                            aanvullende verzekering voor de eerste 9 of 12 behandelingen. Er bestaat
                            in beginsel geen recht op bijzondere bijstand. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B160 Eigen Risico</label></kop><structuurtekst><al><vet>Voorliggende voorziening</vet></al><al/><al>Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden
                            gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB; zie B3.2).
                            Beantwoording van de vraag of onder een eigen risico voor de
                            Zorgverzekeringswet (Zvw) vallende kosten voor bijstandsverlening in
                            aanmerking komen, is enigszins complex. </al><al/><al>Allereerst dient bedacht te worden dat de Zvw zowel een verplicht eigen
                            risico voor iedere verzekerde van 18 jaar of ouder (artikel 18a lid 1
                            Zvw), als een vrijwillig (hoger) eigen risico (artikel 19 lid 2 Zvw)
                            kent. De onder een vrijwillig gekozen (hoger) eigen risico vallende
                            kosten zijn niet af te wentelen op de WWB in de zin dat het als
                            noodzakelijk te beschouwen kosten zou betreffen en komen derhalve niet
                            voor bijstandsverlening in aanmerking. De onder het verplicht eigen
                            risico vallende kosten daarentegen vormen wel noodzakelijke kosten van
                            het bestaan. Hierbij is extra complicerend het feit dat: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>de gemiddeld onder het verplicht eigen risico vallende
                                    zorgkosten (kosten tot een bedrag van € 103,00 per kalenderjaar)
                                    geacht worden redelijkerwijs voldaan te kunnen worden uit een
                                    inkomen op minimumniveau (met andere woorden: in het
                                    desbetreffende deel is al voorzien); en, </al></li><li nr="-"><al>dat de Zvw voor chronisch zieken en gehandicapten in een -
                                    passend en toereikend geachte - voorliggende voorziening ten
                                    aanzien van de bovengemiddelde onder het eigen risico vallende
                                    kosten voorziet: structurele compensatie via het CAK.</al></li></lijst><al/><al>Het bovenstaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="*"/><colspec colname="col1" colnum="3" colwidth="*"/><colspec colname="col2" colnum="4" colwidth="*"/><tbody><row><entry><al/><al/></entry><entry><al>Verplicht eigen risico</al></entry><entry><al>Vrijwillig (hoger) eigen risico</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>de gemiddeld onder het verplichteigen risico
                                                vallende kosten</al></entry><entry><al>de bovengemiddeld onder het verplichteigen risico
                                                vallende kosten</al></entry></row><row><entry><al>Chronisch zieken en gehandicapten </al></entry><entry><al>reeds in voorzien middelsinkomen op minimumniveau
                                            </al></entry><entry><al>voorliggende voorziening middelsstructurele
                                                CAK-compensatie </al></entry><entry><al>niet af te wentelen op de WWBals noodzakelijke
                                                kosten</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Overige belanghebbenden</al></entry><entry><al>reeds in voorzien middelsinkomen op
                                                minimumniveau</al></entry><entry><al>geen (vergelijkbare) voorliggendevoorziening</al></entry><entry><al>niet af te wentelen op de WWBals noodzakelijke
                                                kosten</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Chronisch zieken en gehandicapten</cursief></al><al/><al>Dientengevolge hebben chronisch zieken en gehandicapten op grond van
                            artikel 15 lid 1 WWB in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor
                            onder het verplicht eigen risico vallende kosten. Zie hierover B7.4.3.1. </al><al/><al><cursief>Overige belanghebbenden </cursief></al><al>Voor overige belanghebbenden, die evenmin recht hebben op bijzondere
                            bijstand voor de eerste € 103,00 van het verplicht eigen risico, bestaat
                            daarentegen geen (vergelijkbare) voorliggende voorziening voor de
                            bovengemiddelde onder het verplicht eigen risico vallende kosten (de
                            kosten boven € 103,00). </al><al/><al><cursief>Recht op bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>Tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de
                            onder het verplicht eigen risico van de Zvw vallende kosten. Tot het
                            bedrag van de gemiddeld onder het verplicht eigen risico vallende kosten
                            (een bedrag van € 103,00) voorziet de algemene bijstand dan wel een
                            inkomen op bijstandsniveau in deze kosten en kan er in beginsel geen
                            bijzondere bijstand voor deze kosten verleend worden. </al><al>Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het
                            individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen
                            voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien er ten aanzien
                            van de bovengemiddeld onder het verplicht eigen risico vallende kosten
                            geen (vergelijkbare) voorliggende voorziening openstaat, zoals chronisch
                            zieken en gehandicapten die kennen (artikel 118 a Zvw). </al><al/><al><cursief>Hoogte bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>De hoogte van de toe te kennen bijzondere bijstand voor bovengemiddeld,
                            onder het verplicht eigen risico vallende kosten, bedraagt thans
                            maximaal een bedrag van € 47,00 per kalenderjaar.</al><al>Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel)
                            aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde
                            drempelbedrag, overeenkomstig de regels opgenomen in B7.2, in mindering
                            gebracht.</al><al/><al><cursief>Vorm van de bijzondere bijstand</cursief></al><al/><al>De bijzondere bijstand wordt verleend om niet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 - Langdurigheidstoeslag</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B107 - Beoordeling arbeidsinspanning voor langdurigheidstoeslag (ve...</label></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B156 - Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake langdurigheidstoeslag...</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B158 - Beoordeling geringe inkomsten (vervallen)</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B162 - Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake langdurigheidstoeslag</label></kop><structuurtekst><al><vet>Gemeente Eemsmond</vet><vet> en Bedum</vet></al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>1. Aan de in <onderstreept>artikel 36, eerste lid, WWB</onderstreept>
                            gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is
                            voldaan als de belanghebbende gedurende de referteperiode het gemiddelde
                            inkomen per maand niet uitkomt boven 104% of 105% van de van toepassing
                            zijnde bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als
                            bedoeld in <onderstreept>artikel 34 WWB</onderstreept>. </al><al>2. Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is
                            uitgesloten van het recht op bijstand worden zij voor de toepassing van
                            het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100
                            procent van de gehuwdennorm, waarbij voor ‘bijstandsnorm’ gelezen moet
                            worden ‘gehuwdennorm’.</al><al>3. De belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan
                            wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000 komt niet in aanmerking
                            voor de langdurigheidstoeslag.</al><al/><al><cursief>Hoogte van de toeslag</cursief></al><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>voor gehuwden: 40% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="-"><al>voor alleenstaande ouders: 35% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="-"><al>voor alleenstaanden 30% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Gemeenten Winsum en De Marne</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Langdurig, laag inkomen</cursief></al><al/><al>1. Aan de in <onderstreept>artikel 36, eerste lid, WWB</onderstreept>
                            gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is
                            voldaan als gedurende de referteperiode het gemiddeld inkomen per maand
                            niet uitkomt boven 105 procent van de van toepassing zijnde
                            bijstandsnorm. </al><al>2. Ten aanzien van perioden waarin een belanghebbende is uitgesloten van
                            het recht op bijstand wordt een belanghebbende voor de toepassing van
                            het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 100
                            procent van de bijstandsnorm.</al><al>3. Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is
                            uitgesloten van het recht op bijstand worden zij voor de toepassing van
                            het gestelde onder 1geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte
                            van 100 procent van de gehuwdennorm,</al><al/><al><cursief>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</cursief></al><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>voor gehuwden 40% van de gehuwdennorm,</al></li><li nr="-"><al>voor een alleenstaande ouder 35% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="-"><al>voor een alleenstaande 30 % van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al/><al>De situatie op de peildatum bepalend.</al><al/><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht
                            op langdurigheidstoeslag ingevolge <onderstreept>artikel 11
                                WWB</onderstreept> of <onderstreept>artikel 13 lid 1
                                WWB</onderstreept> komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking
                            voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al><al/><al>De bedragen worden elk jaar per 1 januari aangepast aan de hand van de
                            op die datum geldende gehuwdennorm.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 - Vormen van bijstand</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B108 - gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of hypo...</label></kop><structuurtekst><al>Het college verleent bijstand als geldlening onder verband van pand of
                            hypotheek als de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde eigen woning
                            met bijbehorend erf een (over)waarde heeft van meer dan het in artikel
                            34 lid 2 onderdeel d WWB genoemde bedrag en er (naar verwachting) meer
                            bijstand verleend wordt op jaarbasis dan het wettelijk netto minimumloon
                            op maandbasis.</al><al/><al>Daarbij worden voor de berekening van de waarde van de woning de daarop
                            rustende schulden in mindering gebracht.</al><al/><al>Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde
                            woonschepen)</al><al/><al>Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en
                            niet-geregistreerde woonschepen).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B109 - Looptijd leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>De looptijd van de aflossingsverplichtingen van de bijstand in de vorm
                            van een geldlening is in beginsel 3 jaar of, bij niet volledige
                            voldoening aan de aflossingsplicht, zoveel langer als nodig is voor de
                            terugbetaling van 36 volledige maanden. Wanneer er na de aflossing van
                            36 volledig betaalde maandelijkse aflossingsbedragen nog een restant
                            bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Afhankelijk van het
                            maandelijkse aflossingsbedrag kan de looptijd korter zijn dan 3
                            jaar.</al><al/><al><cursief>Bijstand voor levensonderhoud in de vorm van een
                                geldlening</cursief></al><al/><al>Wanneer de belanghebbende onvoldoende betoond besef van
                            verantwoordelijkheid kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan
                            of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in
                            de vorm van een geldlening noopt (artikel 48 lid 2b WWB ) gaat de
                            aflossingsverplichting in op het moment dat de bijstandsverlening
                            eindigt en dient de lening in beginsel in een keer te worden afgelost.
                            Er is geen sprake van kwijtschelding van de lening van de restschuld na
                            drie jaar.</al><al/><al><cursief>Bijstand in afwachting van te ontvangen middelen</cursief></al><al/><al>Indien de periode is te overzien, kort en vermoedelijk geen recht:
                            leenbijstand van max drie maanden.</al><al>Anders vermogen voorlopig vaststellen en eventueel terugvorderen.</al><al/><al>Indien de bijstand in de vorm van een geldlening op grond van artikel 48
                            lid 2a WWB is verstrekt, dient de aflossing ineens te geschieden op het
                            moment dat de middelen worden ontvangen.</al><al/><al><cursief>Fraude</cursief></al><al/><al>In principe wordt het fraude bedrag in zijn geheel teruggevorderd. Er is </al><al>derhalve geen sprake van kwijtschelding van de restschuld na drie jaar.
                            Hiervan kan in bijzondere omstandigheden van worden afgeweken.</al><al/><al><cursief>Bbz-leningen.</cursief></al><al/><al>Voor Bbz-leningen gelden aparte bepalingen, die in een aparte
                            overeenkomst worden vastgelegd.</al><al/><al><cursief>Geldlening onder verband van krediethypotheek</cursief></al><al/><al>De aflossing op een geldlening onder verband van hypotheek was tot 1
                            januari 2004 geregeld in het "Besluit krediethypotheek bijstand". Het
                            vermogen in de eigen woning is thans geregeld in de artikelen 34 lid 2
                            sub d en 50 WWB. Soortgelijke bepalingen die stonden vermeld in het
                            Besluit krediethypotheek ontbreken. Dit is overgelaten aan de
                            gemeentelijke beleidsvrijheid. Er is voor gekozen om de bepalingen uit
                            het Besluit krediethypotheek per 1 januari 2004 als gemeentelijk beleid
                            voort te zetten.</al><al/><al>De aflossingstermijn bedraagt maximaal 120 maanden en vangt aan op het
                            moment dat de bijstandsuitkering wordt beëindigd. Bij een inkomen gelijk
                            aan de bijstandsuitkering (landelijke norm en gemeentelijke toeslag)
                            wordt geen aflossing gevraagd. Bij een inkomen hoger dan de
                            bijstandsnorm wordt de aflossing bepaald op 50% van het inkomen, voor
                            zover dat de bijstandsnorm (inclusief gemeentelijke toeslag en
                            vakantietoeslag) overschrijdt.</al><al/><al>Wanneer na 10 jaar niet het volledig geleende bedrag is terugbetaald,
                            vervalt de periodieke aflossingsverplichting. De vordering blijft
                            openstaan en vanaf dat moment wordt er wettelijke rente in rekening
                            gebracht. Het restant van de lening en de rente wordt vervolgens
                            afgerekend bij de verkoop of vererving van de woning. Hoewel er geen
                            aflossingsverplichting bestaat zal de gemeente jaarlijks de betrokkene
                            op die mogelijkheid wijzen. Bij krediethypotheken die zijn afgesloten
                            voor de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet (1 januari
                            1996) zullen de aflossingsbedragen worden vastgesteld overeenkomstig de
                            oude regels. De debiteur dient dan als aflossing 4% van de hoofdsom per
                            jaar gedurende een termijn van 25 jaar alsmede de verschuldigde rente te
                            betalen. Bij gebrek aan draagkracht kan uitstel van betaling van rente
                            en aflossing verleend worden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B110 - Hoogte aflossing leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>Indien en voor zover betaling ineens van de terugvorderingschuld niet
                            mogelijk is wordt de aflossing vastgesteld op een bedrag per maand van
                            6% inclusief VT van het inkomen tot aan het toepasselijke
                            bijstandsniveau plus 50% van het inkomen voor zover dit meer bedraagt
                            dan de toepasselijke bijstandsnorm. Ingeval -door samenloop met
                            vorderingen van hogere preferentie- belanghebbende door toepassing van
                            deze regel over een inkomen van minder dan de beslagvrije voet zou komen
                            te beschikken wordt het aflossingsbedrag naar beneden bijgesteld tot een
                            bedrag waarbij belanghebbende wel over een inkomen ter hoogte van de
                            beslagvrije voet kan beschikken.</al><al/><al>(…)</al><al/><al>De maximale aflossingsduur is in beginsel maximaal 36 maanden.</al><al/><al>Heeft belanghebbende nog recht op vakantietoeslag, dan wordt deze niet
                            uitbetaald, maar verrekend met de terugvorderingsschuld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B111 - Matiging en opschorting aflossing leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>In beginsel wordt een eenmaal vastgesteld aflossingsbedrag en duur
                            daarvan niet meer gewijzigd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B112 - Aanpassing aflossing leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>In beginsel wordt een vastgesteld aflossingsbedrag en duur daarvan niet
                            meer gewijzigd.</al><al/><al>Een tussentijdse aanpassing van het aflossingsbedrag is wel mogelijk
                            indien er sprake is van een verandering van persoonlijke en financiële
                            omstandigheden zoals wijziging van inkomsten, gezinssamenstelling,
                            etc.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B113 - Rente over leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>Wanneer bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt is
                            daarover (…) geen rente verschuldigd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B114 - Gevallen waarin bijstand in natura wordt verstrekt</label></kop><structuurtekst><al>Er wordt geen bijstand in natura verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B140 - Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand</label></kop><structuurtekst><al>Bij verkoop of vererving van de woning moeten het restant van de
                            hoofdsom alsmede de eventueel bijgeschreven rentevorderingen in één keer
                            worden terugbetaald. Dit geldt ook wanneer de verkoop geschiedt in het
                            kader van een om dringende redenen noodzakelijke verhuizing.</al><al/><al>Wanneer de woning wordt verkocht wegens bijzondere omstandigheden van
                            medische of sociale aard of wegens werkaanvaarding elders kan tot
                            maximaal het (in het kader van de verkoop verplicht) afgeloste deel een
                            nieuwe lening (onder verband van hypotheek of pand) worden verstrekt. De
                            hypotheek- of pandovereenkomst kan dan als het ware worden meegenomen
                            naar de nieuwe woning. Voorwaarde hiervoor is dat de belanghebbende het
                            na afrekening vrijgekomen vermogen (inclusief het op grond van artikel
                            34 lid 2 onderdeel b WWB niet in aanmerking genomen vermogen) binnen
                            dertig dagen volledig inzet voor de aankoop van de nieuwe woning.</al><al/><al>Bij verkoop van de woning tegen de waarde in het economisch verkeer
                            komt, voorzover de opbrengst daartoe toereikend is, aan de
                            belanghebbende in ieder geval een bedrag toe ter hoogte van het in
                            artikel 34 lid 2 onderdeel d WWB genoemde bedrag.</al><al/><al>Indien bij verkoop van de woning tegen de marktwaarde het voor
                            afrekening beschikbare bedrag (dus na aftrek van het in artikel 34 lid 2
                            onderdeel d WWB genoemde bedrag) lager is dan de resterende vordering,
                            wordt het verschil kwijtgescholden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B141 - Herleving geldlening i.v.m. eigen woning na onderbreking bij...</label></kop><structuurtekst><al>Wanneer binnen twee jaar na beëindiging van de bijstand die is verleend
                            in de vorm van een geldlening in verband met vermogen gebonden in de
                            woning opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met
                            toepassing van de laatste geldlening. De geldlening herleeft als het
                            ware. Een reeds afgelost deel kan dan opnieuw als lening verstrekt
                            worden.</al><al/><al>Voor de toepassing van bovenstaande is het moment bepalend waarop de
                            bijstand in de vorm van een geldlening (artikel 50 lid 2 WWB) eindigt.
                            Dit kan een moment zijn waarop er in het geheel geen recht meer bestaat
                            op bijstand (bijvoorbeeld wegens werkaanvaarding of de ontvangst van
                            vermogen), maar ook het moment waarop de bijstand in de vorm van de
                            geldlening wordt omgezet in bijstand om niet, omdat het plafond van de
                            geldlening bereikt is.</al><al/><al>Duurt de onderbreking van de bijstand in de vorm van een geldlening
                            langer dan twee jaar dan zal opnieuw de hoogte van de geldlening
                            vastgesteld moeten worden. Daarbij moet de woning opnieuw worden
                            getaxeerd en mag niet worden uitgegaan van de waarde van de woning in
                            verband met een vorige periode van bijstandsverlening in de vorm van een
                            geldlening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 10 - Betaling bijstand</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B115 - Moment uitbetalen vakantietoeslag</label></kop><structuurtekst><al>De vakantietoeslag wordt in de maand juni uitbetaald. Bij beëindigen van
                            de bijstand wordt de vakantietoeslag zo snel mogelijk uitbetaald, doch
                            uiterlijk binnen een termijn van 3 maanden na einddatum.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B116 - Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag</label></kop><structuurtekst><al>In de praktijk is hier sprake van twee vormen van voorschot. Het
                            voorschot op grond van de specifieke wettelijke verplichting volgens
                            artikel 52 lid 1 en 2 WWB en het voorschot wegens de zogenoemde
                            broodnood (waarbij doorgaans wordt verwezen naar artikel 52 WWB).</al><al/><al>Het voorschot op grond van de wettelijke verplichting zoals bedoeld in
                            artikel 52 lid 1 en 2 WWB verplicht het college tot het verstrekken van
                            een voorschot van 90% van de van toepassing zijnde norm als niet binnen
                            vier weken op de aanvraag is beslist , terwijl dat niet aan
                            belanghebbende kan worden verweten. </al><al/><al>Voor wat betreft het voorschot wegens broodnood; van zo' n situatie kan
                            bijvoorbeeld sprake zijn in geval van een afgewezen WW-aanvraag, waarna
                            alsnog bijstand moet worden aangevraagd. De periode van de WW-aanvraag,
                            aangevuld met de intake en afhandeling van de aanvraag WWB, kan zodanig
                            lang zijn dat belanghebbende in het geheel niet meer over middelen
                            beschikt om de periode tot de beslissing te overbruggen en broodnood
                            ontstaat of problemen met betalingsverplichtingen in verband met
                            huishuur of anderszins. </al><al/><al>Uitgangspunt is dat er spaarzaam met het verstrekken van voorschotten
                            wegens broodnood wordt omgegaan. Er dient te worden nagegaan of er nog
                            geld op een of meer bankrekeningen (inclusief gewone spaarrekeningen)
                            staat of dat belanghebbende mogelijk kan lenen (ook bij familie) of een
                            betaalregeling kan treffen. In dat geval wordt geen voorschot
                            verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B117 - Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag</label></kop><structuurtekst><al>De hoogte van het voorschot is na vier weken tenminste 90% van het
                            relevant sociaal minimum, althans als de langere afhandeltijd niet aan
                            belanghebbende te wijten is. Het voorschot in situaties die doorgaans
                            met broodnood wordt aangeduid hangt af van de gezinssituatie en de
                            persoonlijke omstandigheden. Uitgangspunt is dat het een overbrugging is
                            tot de rest van de bijstand wordt uitbetaald (wanneer aanvraag
                            afgehandeld is of uitkering hersteld is). Zie ook beleidswijzer
                            B116.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B118 - Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten</label></kop><structuurtekst><al> In beginsel wordt toegekende bijstand over een periode waarin
                            belanghebbende op grond van artikel 52 WWB een voorschot is verstrekt,
                            verrekend met dit voorschot.</al><al/><al>Ingeval belanghebbende hierdoor in ernstige financiële problemen zou
                            geraken, kan het college met belanghebbende een gespreide terugbetaling
                            van het voorschot overeenkomen. Zo mogelijk geschiedt dit door een
                            maandelijkse inhouding op de uitkering van belanghebbende.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B119 - Adres voorzitter GS</label></kop><structuurtekst><al>Voorzitter van Gedeputeerde Staten van Groningen </al><al>postbus 610 </al><al>9700 AP Groningen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B120 - Beleidsregels inzake beslag</label></kop><structuurtekst><al>In het kader van de bijstandsverlening kan het college op twee manieren
                            in aanraking komen met het leggen van beslag. Aan de ene kant als
                            derde-beslagene bij beslag op de door het college verstrekte uitkering
                            (zie B10.5.2 e.v.) en aan de andere kant als beslaglegger bij de
                            invordering van schulden in verband met terugvordering of verhaal (zie
                            B10.5.10 e.v.). Indien verrekening of rechtstreeks derdenbeslag niet
                            mogelijk is wordt de vordering overgedragen aan een deurwaarder.
                            Gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten worden verhaald.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B139 - Moment uitbetalen algemene bijstand exclusief vt</label></kop><structuurtekst><al>Betaling vindt plaats volgens het schema dat vooraf gaande aan het
                            kalenderjaar wordt verstrekt. De betaling vindt achteraf plaats, in de
                            laatste week van de maand.</al><al/><al>Zie actielijst</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B159 - Overbruggingsuitkeringen</label></kop><structuurtekst><al>Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende
                            van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn.
                            Indien een belanghebbende gesteld wordt voor noodzakelijke kosten die
                            voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor
                            liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan omdat hij deze niet uit de eigen
                            middelen kan voldoen kan voor deze kosten bijzondere bijstand worden
                            verstrekt (zie B7.1 ).</al><al/><al>In het geval dat, ondanks het bovenstaande beleidsuitgangspunt, op grond
                            van bijzondere omstandigheden aan belanghebbende toch een
                            overbruggingsuitkering voor algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan wordt verstrekt, wordt de bijstand verstrekt als algemene
                            bijstand om niet. Het college maakt, gezien de bijzondere situatie ten
                            gevolge waarvan de noodzaak van een overbruggingsuitkering is ontstaan,
                            geen gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering ervan na beëindiging
                            van de bijstand.</al><al/><al>N.B.: in overbrugging tijdens de bijstandsaanvraag is voorzien door het
                            verplichte voorschot; zie B10.3.2.2.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 11 - Herziening, intrekking, terugvordering, invordering en verhaal</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B121 - Gevallen waarin wordt afgezien van herziening en intrekking</label></kop><structuurtekst><al>In gevallen waarin de bijstand herzien of ingetrokken kan worden, zal
                            hier in beginsel uitvoering aan gegeven worden. Ingeval er toch wordt
                            afgezien van herziening/intrekking wordt dit beargumenteerd aangetekend
                            in het dossier.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B122 - Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering</label></kop><structuurtekst><al>In beginsel ziet het college niet af van terugvordering van de kosten
                            van bijstand in gevallen waarin op grond van artikel 58 lid 2 WWB een
                            bevoegdheid tot terugvordering bestaat.</al><al/><al>Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van terugvordering van de
                            kosten van bijstand in gevallen waarin op grond van artikel 58 lid 2 WWB
                            een bevoegdheid tot terugvordering bestaat, indien:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare financiële of
                                    sociale consequenties bij belanghebbende of diens gezin;</al></li><li nr="-"><al>(…)</al></li><li nr="-"><al>door de terugvordering een schuldsaneringsregeling niet tot
                                    stand kan komen of beëindigd zal worden, voorzover de
                                    terugvorderingsschuld niet het gevolg is van frauduleuze
                                    handelingen van belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>op de terugvorderingsschuld reeds gedurende drie jaar is
                                    afgelost en belanghebbende (mede) tengevolge van deze aflossing
                                    gedurende deze drie jaar over een inkomen heeft beschikt dat de
                                    beslagvrije voet niet te boven is gegaan;</al></li><li nr="-"><al>belanghebbende reeds gedurende drie jaar heeft beschikt over een
                                    inkomen dat de beslagvrije voet niet te boven is gegaan, tenzij
                                    de terugvorderingsschuld het gevolg is van frauduleuze
                                    handelingen van belanghebbende.</al></li></lijst><al/><al>Terugvorderingsschulden en verhaalschulden welke niet effectief kunnen
                            worden ingevorderd worden na verloop van drie jaar afgeboekt.
                            Terugvorderingsschulden naar aanleiding van frauduleuze handelingen
                            worden niet na drie jaar afgeboekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B123 - Aflossingsregels terugvorderingsschulden (vervallen)</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B124 - Moment van invordering</label></kop><structuurtekst><al>In beginsel zal direct na het nemen van een besluit tot terugvordering
                            tot invordering worden overgaan. De beslissing in bezwaar of beroep kan
                            echter eerst worden afgewacht indien de onmiddellijke invordering
                            onevenredig belastend is voor belanghebbende, de schuld niet het gevolg
                            is van fraude en er voorts geen reden is om aan te nemen dat door het
                            latere moment van invordering de inbaarheid van de schuld
                            vermindert.</al><al/><al>Indien de schuld verrekend kan worden met een lopende uitkering of
                            vakantietoeslag (…), wordt deze wijze van invordering in elk geval niet
                            als onevenredig belastend voor belanghebbende gezien.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B125 - Beleidsregels invordering</label></kop><structuurtekst><al> Het college vordert terugvorderingsschulden in volgens onderstaand
                            stappenplan:</al><al/><al>1) In de terugvorderingsbeschikking wordt belanghebbende 6 weken
                            (artikel 4:87 lid 1 Awb) de tijd gegeven om ofwel de gehele schuld
                            ineens te voldoen ofwel een minnelijke betalingsregeling voor te
                            stellen. </al><al/><al>2) Daarna gaat het college over tot invordering van de
                            terugvorderingsschuld overeenkomstig hoofdstuk B11.3.5. </al><al/><al>3) Is belanghebbende nog cliënt dan worden de aflossingsbedragen
                            verrekend met de lopende uitkering, vakantietoeslag (artikel 60 lid 3
                            WWB).</al><al/><al>4a) Is belanghebbende geen cliënt meer, dan wordt hem schriftelijk
                            bericht welke aflossingverplichting hij heeft ten aanzien van de
                            terugvorderingsverplichting. Wanneer niet aan de aflosverplichting
                            voldaan wordt, wordt een aanmaning verstuurd waarbij een termijn van
                            twee weken wordt geboden om alsnog te betalen.</al><al/><al>4b) Bij niet voldoen aan deze verplichting zal het college overgaan tot
                            executie middels een dwangbevel (vereenvoudigd derdenbeslag) om zo
                            mogelijk beslag te leggen op zijn inkomen uit uitkering of loon of
                            daarmee overeenkomende periodieke betalingen of op zijn bezittingen. De
                            vordering wordt verhoogd met invorderingskosten ter hoogte van 10% van
                            de hoofdsom met een minimum van 50,- euro. </al><al/><al>4c) Is vereenvoudigd derdenbeslag niet mogelijk dan zal de vordering ter
                            incasso in handen gesteld zal worden van een gerechtsdeurwaarder,
                            waarbij de incasso kosten voor belanghebbende komen. Bekendmaking van
                            het dwangbevel geschied dan door een deurwaarder.</al><al/><al>De belanghebbende die na aanvankelijk voldaan te hebben aan zijn
                            betalingsverplichtingen, wordt aangeschreven met de mededeling dat hij
                            zijn aflossingsverplichting niet nakomt en 14 dagen de tijd heeft om
                            deze alsnog na te komen. Blijft hij in verzuim dan wordt de restschuld
                            ingevorderd met toepassing van stap 3 en 4.</al><al/><al>Indien en voor zover er zekerheden als pand en hypotheek gesteld zijn,
                            worden deze uitgewonnen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B126 - Gevallen waarin wordt afgezien van verhaal</label></kop><structuurtekst><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten
                            van bijstand/inkomensvoorziening:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van
                                    gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of
                                    minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het
                                    minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders
                                    niet of niet behoorlijk nakomt;</al></li><li nr="b."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na
                                    echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van
                                    tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;</al></li><li nr="c."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht op
                                    grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
                                    niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn minderjarig kind aan
                                    wie bijzondere bijstand is verleend;</al></li><li nr="d."><al>op degene aan wie de persoon die bijstand/inkomensvoorziening
                                    ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor
                                    zover bij het besluit op de aanvraag van
                                    bijstand/inkomensvoorziening met de geschonken middelen rekening
                                    zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden,
                                    tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de
                                    schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van verlening
                                    van bijstand/inkomensvoorziening redelijkerwijs niet heeft
                                    kunnen voorzien;</al></li><li nr="5."><al>op de nalatenschap van de persoon indien: </al><al>1° aan die persoon ten onrechte bijstand/inkomensvoorziening is
                                    verleend indien sprake is van een situatie als beschreven in de
                                    beleidsregels terugvordering 4 onder a en e en voorzover voor
                                    het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; </al><al>2° bijstand/inkomensvoorziening is verleend in de vorm van
                                    geldlening of als gevolg van borgtocht.</al></li></lijst><al/><al>Buiten bovenstaande gevallen vindt geen verhaal plaats.</al><al/><al><cursief>Afzien van het nemen van een verhaalsbesluit</cursief></al><al/><al>Indien van toepassing ziet het college af van het nemen van een
                            verhaalsbesluit indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,- per
                                    maand;</al></li><li nr="b."><al>daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal
                                    wordt gezocht of degene die de bijstand/inkomensvoorziening
                                    ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig
                                    zijn.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</cursief></al><al/><al>Het college kan indien van toepassing op verzoek van degene op wie
                            verhaald wordt, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal
                            van kosten van bijstand/inkomensvoorziening voor zover het betreft
                            verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit
                            opeisbaar zijn, indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald
                                    niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
                                    en</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
                                    betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers
                                    zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en</al></li><li nr="c."><al>de vordering van het college wegens verhaal van
                                    bijstand/inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar
                                    evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke
                                    rang.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens
                                schuldenproblematiek</cursief></al><al/><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in
                            werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.</al><al/><al><cursief>Intrekking van het besluit tot afzien van verhaal wegens
                                schuldenproblematiek</cursief></al><al/><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of
                            ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt,
                                    een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen
                                    bedoeld in bovengenoemde voorwaarden a, b en c;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                    overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of</al></li><li nr="3."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B168 - Gemeentelijke regels inzake verrekening bestuurlijke boete b...</label></kop><structuurtekst><al>Deze richtlijn is gebaseerd op de Verordening verrekening boete bij
                            recidive.</al><al/><al>Checken met de verordening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>BESCHERMING BESLAGVRIJE VOET BIJ VERREKENING WEGENS RECIDIVE</label></kop><structuurtekst><al><vet>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</vet></al><al/><al>Onder bezit wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover
                            belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                            met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
                            vermogen, bedoeld in artikel 50 lid 1 WWB.</al><al/><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                            recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al><al/><al>Deze verrekening geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf
                            het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al><al/><al><vet>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</vet></al><al/><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                            recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                            voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening
                            waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al><al/><al>Aansluitend op verrekening verrekent het college de recidiveboete in de
                            daaropvolgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende
                            blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                            toepasselijke bijstandsnorm.</al><al/><al>Tot het inkomen worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31
                            lid 2 onderdelen n en r WWB.</al><al/><al><vet>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</vet></al><al/><al>In afwijking van het voorgaande kan het college de recidiveboete met
                            inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</vet></al><al/><al>Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de verrekening van
                            de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 18a lid 1 WWB, indien en voor
                            zover deze boete nog niet is betaald op hetmoment van verrekening van de
                            recidiveboete.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 12 - Onderzoeken</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B127 - Frequentie heronderzoeken</label></kop><structuurtekst><al>Er worden geen periodieke heronderzoeken uitgevoerd. Heronderzoeken
                            vinden plaats door middel van themacontroles.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B128 - Procedure heronderzoeken</label></kop><structuurtekst><al>Voor de werkwijze en werkafspraken wordt aangesloten bij het vigerende
                            Handhavingsbeleidsplan dan wel het van toepassing zijnde jaarplan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B129 - Procedure beëindigingsonderzoek</label></kop><structuurtekst><al>a. blokkeren van de betaling</al><al/><al>Indien het college de bijstand van een belanghebbende wil beëindigen,
                            wordt de betaling van de bijstand geblokkeerd met onmiddellijke ingang
                            of met ingang van de vermoedelijke beëindigingsdatum indien deze nog in
                            de toekomst ligt.</al><al/><al>b. Onderzoek</al><al/><al>De consulent doet onderzoek en rapporteert zodat de uitkering beëindigd
                            kan worden.</al><al/><al>c. afgeven beschikking</al><al/><al>Een beëindigingsbeschikking wordt afgegeven zo spoedig mogelijk nadat de
                            beslissing tot beëindiging is genomen (Indien binnen 30 dgn. wel een
                            nieuwe aanvraag wordt gedaan: zie paragraaf B12.3 onderdeel 5).</al><al/><al>d. nabetalen of terugvorderen</al><al/><al>Volgt uit het beëindingsonderzoek dat belanghebbende nog recht heeft op
                            nabetaling algemene bijstand of vakantietoeslag dan worden deze aan
                            belanghebbende betaald. Eventueel teveel betaalde bijstand wordt van
                            belanghebbende teruggevorderd. Zo mogelijk vindt er verrekening
                            plaats.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B130 - Reactie op weigering mee te werken aan beëindigingsonderzoek</label></kop><structuurtekst><al>Indien belanghebbende geen gehoor geeft aan het verzoek om inlichtingen
                            te verstrekken ten behoeve van het beëindigingsonderzoek wordt er in
                            beginsel uitbetaald tot de laatste maand waarover het recht kan worden
                            vastgesteld, met uitzondering van de gereserveerde vakantietoeslag. </al><al/><al>Indien belanghebbende niet tijdig de gevraagde gegevens overlegt, wordt
                            het recht op bijstand opgeschort, waarbij aan belanghebbende een
                            hersteltermijn wordt gegeven om alsnog de inlichtingen de te
                            verstrekken. (procedure artikel 54 lid 1 WWB)</al><al/><al>Indien belanghebbende alsnog de gevraagde inlichtingen verstrekt en er
                            nog een recht op bijstand kan worden vastgesteld wordt dit verlaagd
                            overeenkomstig de maatregelverordening (zie paragraaf B5.10). </al><al/><al>Indien ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht (…) het
                            recht op bijstand niet kan worden vastgesteld of anderszins wordt
                            herzien of ingetrokken, wordt teveel betaalde bijstand teruggevorderd en
                            voor zover mogelijk verrekend met gereserveerde vakantietoeslag.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B131 - Frequentie debiteurenonderzoeken</label></kop><structuurtekst><al>1. Is de debiteur nog cliënt dan vindt geen afzonderlijk
                            debiteurenonderzoek plaats.</al><al/><al>2. Een debiteurenonderzoek vindt niet plaats, indien de
                            aflossingsbedragen zo zijn vastgesteld dat binnen drie jaar de gehele
                            schuld is terugbetaald en belanghebbende zijn betalingsverplichting
                            steeds is nagekomen.</al><al/><al>3. Is de debiteur geen cliënt (meer) dan vindt het debiteurenonderzoek
                            eenmaal per drie jaar plaats.</al><al/><al>Inzake verhaal geldt dat er eenmaal in de drie jaar een onderzoek
                            plaatsvindt naar de (wijziging in de) draagkracht van een
                            onderhoudsplichtige.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B132 - Procedure debiteurenonderzoek</label></kop><structuurtekst><al>Toezending vragenformulier</al><al/><al>Aan de debiteur wordt een vragenformulier gezonden dat hij met de
                            gevraagde bewijsstukken binnen tien werkdagen dient terug te zenden. Op
                            dit vragenformulier dient de debiteur gegevens over zijn leefsituatie,
                            inkomen, woonlasten, ziektekosten, schulden, verwervingskosten,
                            alimentatie- en omgangsregelingkosten en overige bijzondere kosten te
                            verstrekken, en deze aan te tonen door middel van bewijsstukken. Daarbij
                            wordt gewezen op de bijzondere inlichtingenplicht inzake terugvordering
                            (artikel 60 lid 2 WWB) c.q. verhaal (<onderstreept>artikel 62i WWB
                                Schakelbepaling)</onderstreept>. </al><al/><al><cursief>Inwinnen inlichtingen bij derden</cursief></al><al/><al>Worden de gevraagde inlichtingen niet verstrekt of bestaat er twijfel
                            omtrent de juistheid ervan, dan vraagt het college inlichtingen aan de
                            (ex-)werkgever en/of één of meer van de in artikel 64 lid 1 WWB genoemde
                            instanties. Ingeval van een vermoeden van fraude wordt bezien of er
                            aangifte bij het OM gedaan moet worden.</al><al/><al><cursief>Bepaling draagkracht</cursief></al><al/><al>Conform de regels van de beslagwetgeving wordt aan de hand van
                            verstrekte gegevens de draagkracht van de debiteur bepaald. Hierbij
                            houdt de debiteur ten minste de beschikking over een inkomen dat gelijk
                            is aan 90% van de van </al><al>toepassing zijnde bijstandsnorm.</al><al/><al><cursief>Nieuw besluit</cursief></al><al/><al>Bij een wijziging van 10% of meer ten opzichte van de vorige
                            draagkrachtberekening wordt een nieuw besluit genomen inzake de
                            betalingsverplichtingen van de debiteur.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>B135 - Het archiveren en bewaren van dossiers</label></kop><structuurtekst><al>Vernietiging van archiefbescheiden vindt plaats volgens de landelijke
                            ‘Selectielijst voor archiefbescheiden van gemeentelijke en
                            intergemeentelijke organen opgemaakt of ontvangen vanaf 1 januari 1996’.
                            In deze lijst staan de voorgeschreven vernietigingstermijnen waaraan
                            alle gemeenten zich dienen te houden. </al><al/><al>Volgens categorie 3.14.1 (Welzijn en sociale zorg; Bijstandsverlening)
                            geldt voor bijstandsdossiers een bewaartermijn van 20 jaar na einde
                            uitkering. Voorbeeld: indien de uitkering van een klant in 2000 is
                            beëindigd mag het dossier in 2021 worden vernietigd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Richtlijnen "Algemene aspecten"</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 - Overige onderwerpen Wet werk en bijstand</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>A001 - Mandaat</label></kop><structuurtekst><al>Zie hiervoor het mandaatbesluit.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>A017 - Wijze waarop cliëntenparticipatie concreet vorm is gegeven</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft invulling gegeven aan de clientenparticipatie middels
                            de Clientenraad. De regels hieromtrent zijn vastgelegd in de verordening
                            clientenparticipatie. Deze is opgenomen in Gripopwwb. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 - Rechtsbescherming en procesrecht</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>A002 - Adres rechtbank, sector bestuursrecht</label></kop><structuurtekst><al>Rechtbank Groningen </al><al>Guyotplein 1 </al><al>9712 NX GRONINGEN tel.: 050-3166166</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>A027 - Rechtstreeks beroep bij rechtbank</label></kop><structuurtekst><al>Het college acht de bezwaarfase vanwege de volledige bestuurlijke
                            heroverweging in beginsel onmisbaar. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Richtlijnen "Voorliggende voorzieningen"</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 - Inkomensregelingen</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V001 - Duur aanvultermijn zelfstandigen</label></kop><structuurtekst><al>Er is geen vaste termijn waarbinnen informatie door de aanvrager
                            aangevuld moet worden. De tijd die betrokkene wordt gegund, hangt af van
                            het soort gegevens dat aangevuld moet worden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V002 - Gegevens Bbz-commissie</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente maakt geen gebruik van een adviescommissie. Het Bbz 2004
                            wordt uitgevoerd door SoZaWe in samenwerking met de gemeente Groningen.
                            Door Eemsmond wordt het Bbz 2004 zelfstandig uitgevoerd. Voor het
                            beoordelen van de levensvatbaarheid van een bedrijf bij een aanvraag om
                            een krediet wordt gebruikgemaakt van het advies van deskundige
                            instanties als IMK, Advisor en Laser.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V003 - Bijzondere bijstand specifieke kosten zelfstandigen</label></kop><structuurtekst><al> Bijzondere bijstand kan worden verleend voor alle noodzakelijke kosten
                            die niet uit de reguliere middelen kunnen worden bestreden en waarvoor
                            ook geen andere voorziening kan worden aangesproken. Van de zelfstandige
                            kan worden gevraagd dat hij zich naar behoren verzekerd tegen
                            voorkomende bedrijfsrisico’s, zodat bijzondere bijstand in dergelijke
                            kosten <cursief>niet</cursief> is aangewezen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V004 - Marginale zelfstandigen</label></kop><structuurtekst><al>We sluiten aan bij de omschrijving zoals die wordt gegeven in de
                            Verzamelbrief van 18 februari 2003. Om te bepalen of de inkomsten kunnen
                            worden aangemerkt als ‘bescheiden’ geldt als richtlijn dat de netto
                            inkomsten duurzaam per maand niet hoger zijn dan 40% van de
                            toepasselijke bijstandsnorm inclusief toeslag en vakantiegeld.</al><al/><al>Het college beoordeelt jaarlijks of belanghebbende nog steeds als
                            marginale zelfstandige kan worden aangemerkt.</al><al/><al>Daarnaast dient beoordeeld te worden of er geen concurrentievervalsing
                            optreedt door het bieden van een inkomensgarantie in de vorm van een
                            aanvullende bijstandsuitkering. Hiervan is sprake als er concurrenten
                            zijn die voor de voorziening in het bestaan volledig zijn aangewezen op
                            inkomsten uit dezelfde soort activiteiten. Daarnaast mogen de
                            gehanteerde prijzen of tarieven niet lager zijn dan de in de betreffende
                            markt of branche gebruikelijke. Het slechts tijdelijk toestaan van de
                            activiteiten is ook een mogelijkheid om concurrentievervalsing te
                            voorkomen. Uit oogpunt van sociale activering kan het de marginale
                            zelfstandige worden toegestaan om onder bovenstaande voorwaarden de
                            activiteiten op bescheiden schaal voort te zetten met behoud van
                            uitkering. De activiteiten mogen in elk geval niet meer dan gemiddeld 12
                            uur per week bedragen. De bruto-opbrengst uit de zelfstandige
                            activiteiten dient volledig te worden gekort.</al><al>Voor verwervingskosten kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. De
                            kosten dienen in verhouding te staan tot de opbrengst.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V005 - Rapporterende instanties zelfstandigen</label></kop><structuurtekst><al>Per individueel geval wordt bekeken welk adviesbureau het meest geschikt
                            is om bij een kredietaanvraag de levensvatbaarheid van een bedrijf te
                            onderzoeken. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met de
                            branche.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V006 - Beleid startende zelfstandigen</label></kop><structuurtekst><al>Bij (pre-)startende ondernemers vindt een toets plaats op
                            ondernemingsvaardigheden. Deze toets is medebepalend voor het geven van
                            toestemming. Verder wordt geen specifiek beleid gevoerd anders dan de
                            wettelijke verplichtingen.</al><al/><al><onderstreept>V007 - Centrumgemeente WWIK
                            (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V008 - Procedure doorverwijzen naar WWIK-centrumgemeente
                                (vervallen...</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V009 - Gemeentelijk genormeerde maatregelen Ioaw
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V010 - Waarschuwing i.p.v. boete bij nul-fraude
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V011 - Uitvoerder boeteprocedure
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V012 - Verhoging boete wegens recidive
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V013 - Terugvordering kruimelbedragen Ioaw
                                (vervallen)</onderstreept></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V014 - Aangewezen gemeente voor bijstandsverlening aan schippers</label></kop><structuurtekst><al>De bijstand aan een ondernemer in de binnenvaart wordt verleend door de
                            centrumgemeente als bedoeld in artikel 36 Bbz 2004. Schippers die
                            verblijven op het grondgebied van de provincies Groningen, Friesland en
                            Drenthe dienen zich voor bijstand te wenden tot de gemeente
                            Groningen.</al><al/><al><onderstreept>V015 - Frequentie heronderzoeken Ioaw en Ioaz
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V016 - Procedure heronderzoeken Ioaw en Ioaz
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V017 - Moment en procedure beëindigingsonderzoek Ioaw en
                                Ioaz (verv...</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V018 - Reactie weigering medewerking aan
                                beëindigingsonderzoek Ioaw...</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V019 - Moment uitbetalen vt bij beëindiging Ioaw- of
                                Ioaz-uitkering...</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V020 - Afzien van debiteurenonderzoek Ioaw en Ioaz
                                (vervallen)</onderstreept></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V021 - Samenvatting beleid inburgering</label></kop><structuurtekst><al>Voor beleid inzake inburgering wordt verwezen naar de Verordening wet
                            inburgering 2013.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V022 - Hoogte bestuurlijke boete Wet inburgering</label></kop><structuurtekst><al>Voor de hoogte van de bestuurlijke boete, zie hoofdstuk 4 van de
                            Verordening Wet inburgering 2013.</al><al/><al><onderstreept>V023 - Kinderopvang voor sociaal-medisch geïndiceerden
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V024 - Bestuurlijke boete Wet kinderopvang
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V025 - Waarschuwing IOAW (vervallen)</onderstreept></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V026 - Hoogte maatregel IOAW bij samenloop</label></kop><structuurtekst><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Maatregelverordening IOAW en
                            IOAZ inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                            maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is
                            gesteld (artikel 8 Maatregelverordening IOAW en IOAZ.</al><al/><al>Checken of dit klopt</al><al/><al><onderstreept>V027 - Duur hersteltermijn tijdens IOAW
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V028 - Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college
                                (vervallen)</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V029 - Toeslagen voor personen van 21 tot en met 26 jaar
                                (vervallen...</onderstreept></al><al/><al><onderstreept>V030 - Moment uitbetalen inkomensvoorziening exclusief vt
                                (vervalle...</onderstreept></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V031 - Overzicht hoogte verlagingen</label></kop><structuurtekst><al>Voor de hoogte van de verlagingen wordt verwezen naar de
                            verordening.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>