<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR331587_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Leerlingenvervoer 2014 gemeente Beuningen.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-05-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.overheid.nl">Elektronisch Gemeenteblad, 21 juli 2016, nr. 100021</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Leerlingenvervoer 2014 gemeente Beuningen.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=4">Wet op het primair onderwijs, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003549&amp;artikel=4">Wet op de Expertisecentra, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=4">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuw artikel 19a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW14.00412; BW16.00231</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Leerlingenvervoer 2014 gemeente Beuningen.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Beuningen,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27
                        mei 2014,</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, 4 van de Wet op
                        de expertisecentra en 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de <vet>Ve</vet><vet>rordening Leerlingenvervoer
                            2014</vet><vet> gemeente Beuningen</vet>.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al/><al><cursief>aangepast vervoer</cursief>: vervoer per besloten
                            (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi;</al><al><cursief>afstand</cursief>: afstand tussen de woning en de school,
                            gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                            veilige weg</al><al><cursief>begeleider</cursief>: ouder of persoon die door de ouders wordt
                            ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;</al><al><cursief>commissie van onderzoek</cursief>: commissie als bedoeld in
                            artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;</al><al><cursief>commissie voor de begeleiding</cursief>: commissie als bedoeld
                            in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra;</al><al><cursief>eigen vervoer</cursief>: vervoer per eigen motorvoertuig of
                            fiets;</al><al><cursief>inkomen</cursief>: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21,
                            aanhef onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het
                            peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs</al><al><cursief>leerling</cursief>: leerling van een school als bedoeld in dit
                            artikel;</al><al><cursief>ondersteuningsplan</cursief>:</al><al>voor het primair onderwijs; ondersteuningsplan als bedoeld in artikel
                            18a, zevende tot en met het tiende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs; of</al><al>voor het voorgezet onderwijs; ondersteuningsplan als bedoeld in artikel
                            `17a, zevende lid tot en met het tiende lid, van wet op het voortgezet
                            onderwijs.</al><al><cursief>opdc</cursief>: orthopedagogisch en -didactisch centrum als
                            bedoeld in artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al><cursief>openbaar vervoer</cursief>: voor een ieder openstaand
                            personenvervoer per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto;</al><al><cursief>opstapplaats</cursief>: plaats aangewezen door het college,
                            vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al><al><cursief>ouders</cursief>: ouders, voogden of verzorgers van de
                            leerling;</al><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10 g
                            van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al><cursief>reistijd</cursief>: totale tijdsduur die ligt tussen het
                            verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de
                            schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien en voor zover de leerling
                            het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan
                            de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het
                            einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de
                            woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of
                            maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer.</al><al>samenwerkingsverband:</al><al>voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel
                            18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
                            of</al><al>voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in
                            artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al><cursief>school</cursief>:</al><al>basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet
                            op het primair onderwijs;</al><al>school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra;</al><al>school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al><cursief>stage</cursief>: praktische leertijd bij de
                            beroepsopleiding;</al><al>toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de
                            verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de
                            openbare school;</al><al><cursief>vervoer</cursief>: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen
                            vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                            plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag
                            volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een
                            leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;</al><al><cursief>vervoersvoorziening</cursief>:</al><al>bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor
                            de leerling en zo nodig diens begeleider;</al><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen; ofgehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                            noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens
                            begeleider;</al><al><cursief>woning</cursief>: plaats waar de leerling structureel en
                            feitelijk verblijft;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening</titel></kop><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in
                            de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening
                            toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.</al><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van
                            de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                            vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het
                            bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten
                            bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in
                            de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de
                            aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.</al><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid
                            van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.</al><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                            vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><al>Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling
                            toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school
                            voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met
                            het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.</al><al>Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van
                            een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een
                            andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op
                            een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders
                            schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen
                            het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van
                            alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen,
                            die dichterbij de woning zijn gelegen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de
                            wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling,
                            alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening
                            bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend
                            formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.</al><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is,
                            kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                            verstrekken.</al><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
                            alle benodigde gegevens.</al><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste
                            vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in
                            kennis.</al><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:</al><al>wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders
                            verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum
                            van ontvangst van de aanvraag;</al><al>wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een
                            datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte
                            datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de
                            toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van
                            wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college.</al><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende
                            vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al
                            dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.</al><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het
                            college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor
                            blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de
                            aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan
                            niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt zijn besluit
                            schriftelijk mee aan de ouders.</al><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                            teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                            verstrekte vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 11
                            is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar
                            waarop de voorziening betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling
                            betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering
                            gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2:</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school:</al><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de
                            Wet op het primair onderwijs; of</al><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra.</al><al>Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen voor
                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet onderwijs
                            volgen.</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een
                            vervoervoorziening verstrekt van de kosten over de afstand tussen de
                            woning dan wel de opstapplaats en:</al><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor
                            basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                            leerling afkomstig is, of</al><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde
                            samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de
                            gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.</al><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                            leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor
                            de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals
                            bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van
                            het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de
                            dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school zes kilometer of meer
                            bedraagt.</al><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid
                            en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                            begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het
                            college de ouders bekostiging op basis van het vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals
                            bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van
                            het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een
                            begeleider indien:</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 10 en de
                            leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het
                            college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken,
                            of</al><al>de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of
                            zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de
                            fiets gebruik kan maken.</al><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen
                            slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor
                            bekostiging in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder
                            artikel 9 bezoekt, indien:</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11
                            en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                            terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast
                            vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                            worden teruggebracht;</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11
                            en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                            het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                            vervoer per fiets;</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11 en door de
                            ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat
                            begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan
                            wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere
                            oplossing niet mogelijk is; of</al><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele
                            lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of ernstige
                            gedragsstoornis niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van
                            openbaar vervoer gebruik te maken.</al><al>Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het
                            college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn
                            aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de
                            ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of
                            te laten vervoeren.</al><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
                            bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan
                            wel laten vervoeren:</al><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
                            aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het
                            openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid
                            van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op
                            bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde
                            in het vierde lid.</al><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
                            bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk
                            zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een
                            kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling
                            binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                            ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen
                            bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt
                            door het college geen bekostiging verstrekt.</al><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college
                            desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan
                            maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een
                            bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van
                            de Reisregeling binnenland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een
                            speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het
                            primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan
                            € 24.300,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van
                            het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de
                            in artikel 10 bepaalde afstand te boven gaan.</al><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het
                            vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een
                            leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                            basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage
                            die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel
                            10 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan
                            € 24.300,- .</al><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid,
                            betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de
                            OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende</al><al> OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand
                            redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van
                            openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van
                            de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling
                            binnen het systeem kunnen gelden.</al><al>Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met
                            ingang van 1 januari 2014 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de
                            stijging van het indexcijfer van de Cao-lonen, volgens de in artikel 4,
                            zevende lid van de Wet op het primair onderwijs bepaalde systematiek.
                            Het inkomensbedrag van € 24.300,- voor het schooljaar 2013-2014 zal het
                            uitgangspunt vormen voor de toekomstige indexeringen. Het bedrag wordt
                            afgerond op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun
                            structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of
                            ernstige gedragsstoornis op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                            aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap of ernstige
                            gedragsstoornis niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                            maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair
                            onderwijs)20 kilometer of meer bedraagt, wordt de vastgestelde
                            bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de
                            ouders afhankelijk bedrag.</al><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het
                            vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de
                            woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs
                            20 kilometer of meer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële
                            draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de
                            kosten van het vervoer.</al><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage
                            als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn
                            afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders.</al><al> Zij bedragen:</al><al>Inkomen in euro’s</al><al>Eigen bijdragen in euro’s</al><al>0-32.500 </al><al>Nihil</al><al>500-39.000</al><al>130</al><al>000-45.000</al><al>545</al><al>000-51.000</al><al>1015</al><al>000-58.000</al><al>1485</al><al>000-64.000</al><al>1955</al><al>000 en verder</al><al>Voor elke extra € 5.000: </al><al>€ 480 erbij</al><al/><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1
                            januari 2014jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                            indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                            ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                            rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al><al/><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met
                            ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                            consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het
                            onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari
                            van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €
                            5,-.</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun
                            structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of
                            ernstige gedragsstoornis op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                            aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap of ernstige
                            gedragsstoornis niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                            maken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3:</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder school: a. een school voor
                            voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
                            of</al><al>een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school
                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra.</al><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                            leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor
                            de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals
                            bedoeld onder artikel 16 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van
                            het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de
                            leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of
                            zintuiglijke handicap of door een ernstige gedragsstoornis niet
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen
                            slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor
                            bekostiging in aanmerking.</al><al>In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar
                            vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de
                            ouders een bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets,
                            indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding
                            gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder
                            artikel 16 bezoekt, indien;</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en de
                            leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug,
                            meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer
                            tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                            teruggebracht;</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en openbaar
                            vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college
                            onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en door de
                            ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat
                            begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan
                            wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere
                            oplossing niet mogelijk is; of</al><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele
                            lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of door een
                            ernstige gedragsstoornis niet in staat is – ook niet onder begeleiding
                            –van openbaar vervoer gebruik te maken.</al><al>Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het
                            college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn
                            aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de
                            ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of
                            te laten vervoeren.</al><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
                            bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan
                            wel laten vervoeren:</al><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
                            aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het
                            openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid
                            van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op
                            bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde
                            in het vierde lid.</al><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
                            bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk
                            zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een
                            kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling
                            Binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                            ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen
                            bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt
                            door het college geen bekostiging verstrekt.</al><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college
                            desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan
                            maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een
                            bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van
                            de Reisregeling binnenland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer naar scholen voor
                                VSO</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school
                            bezoekt als in artikel 16 lid b, bekostiging op basis van de kosten van
                            openbaar vervoer als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                            voor hem toegankelijke school zes kilometer of meer bedraagt en de
                            ouders ten behoeve van het college voldoende kunnen aantonen dat de
                            leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of
                            zintuigelijke handicap niet in staat is zelfstandig van de fiets gebruik
                            te maken.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4:</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde/ en vakantie aan de in de gemeente</titel></kop><al><vet>wonende ouders</vet></al><al>Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in
                            de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                            volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een
                            internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze
                            paragraaf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                            weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                            gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                            verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                            weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                            schoolvakanties.</al><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                            vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van
                            twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin
                            waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor
                            zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de
                            leerling bezoekt.</al><al>Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                            toepassing, met uitzondering van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder
                            a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in gevallen waarin de toepassing van de bepalingen als
                            kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt ten gunste van de ouders
                            afwijken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Intrekking oude regeling(en)</titel></kop><al>De Verordening leerlingenvervoer gemeente Beuningen 2008 wordt
                            ingetrokken met ingang van datum inwerkingtreding van de Verordening
                            leerlingenvervoer 2014 gemeente Beuningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25:</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs
                            die in het schooljaar 2001- 2002 een vervoersvoorziening kreeg naar een
                            school voor speciaal voortgezet onderwijs, leerwegondersteunend
                            onderwijs, praktijkonderwijs of een opdc, blijft aanspraak bestaan op
                            een vervoersvoorziening van en naar de school of opdc die de leerling in
                            het schooljaar 2001-2002 bezocht indien de afstand van de woning naar de
                            school 6 kilometer of meer bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al>Voor de leerling die in het schooljaar 2013/2014 al een
                            vervoersvoorziening kreeg naar een school voor Voortgezet Speciaal
                            Onderwijs in de vorm van aangepast vervoer (lees taxivervoer), blijft
                            aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en naar de school die
                            de leerling in het schooljaar 2013/2014 bezocht indien de afstand van de
                            woning naar de school 6 kilometer of meer bedraagt.</al><al>De leerling die in het schooljaar 2013/2014 al een vervoersvoorziening
                            kreeg naar een school voor Voortgezet Speciaal Onderwijs in de vorm van
                            bekostiging van openbaar vervoer, fiets of autovergoeding, wordt voor
                            het schooljaar 2014-2015 beoordeeld op basis van de Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Beuningen 2008.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26:</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 augustus 2014.</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer 2014 gemeente Beuningen.</al><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de
                            afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele
                            handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen
                            op de verordening leerlingenvervoer.</al><al><cursief>Wettelijke plicht</cursief></al><al>De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen
                            voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het
                            primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op
                            het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de
                            Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de
                            door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van
                            het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor
                            basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs
                            en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij
                            samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om
                            instellingen voor cluster 1 en cluster 2.</al><al>De verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de
                            gemeentebesturen.</al><al><cursief>Inhoud en indeling verordening</cursief></al><al>Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen
                            indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders
                            aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij
                            is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij
                            de ouders blijft.</al><al>De verordening volgt de indeling van de samenwerkingsverbanden passend
                            onderwijs: primair onderwijs en voortgezet onderwijs.</al><al><cursief>Vervoersvoorziening</cursief></al><al>In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat
                            houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling.
                            Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de
                            gemeente verzorgt of doet verzorgen. </al><al>Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het
                            vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. </al><al>Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer.
                            Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in
                            aanmerking voor aangepast vervoer.</al><al>Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor
                            toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is
                            vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in
                            aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de
                            kosten.</al><al><cursief>Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage
                            </cursief></al><al>De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor
                            basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een
                            drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij
                            gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil
                            zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan
                            bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens
                            vastgesteld op zes kilometer of meer. De ouderlijke bijdrage is dan
                            gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het
                            drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht.</al><al>Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen
                            die een school voor basisonderwijs bezoeken die 20 kilometer of meer van
                            de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en
                            wordt per gezin geheven.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al><vet>§ </vet><vet>1</vet><vet>:</vet><vet> Algemene bepalingen
                                </vet></al><al><vet>Artikel 1:</vet><vet> Begripsomschrijving</vet></al><al><cursief>afstand</cursief></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke
                                afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Het
                                verdient aanbeveling de ouders bij de aanvraag te informeren over de
                                wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al> De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn
                                voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling
                                Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni
                                1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand –
                                op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een
                                uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309). </al><al><cursief>- inkomen</cursief></al><al>Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4,
                                zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand
                                aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van
                                de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.</al><al><cursief>- leerling</cursief></al><al>Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat
                                kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als
                                leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO).
                                In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen
                                vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen
                                (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen
                                zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders
                                kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat
                                ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak
                                kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de
                                voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer. De
                                leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen
                                bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van
                                circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO).
                                Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen
                                aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor
                                noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het
                                schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van
                                die scholen.</al><al><cursief>- opdc</cursief></al><al>Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als
                                ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</al><al><cursief>- openbaar vervoer</cursief></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten
                                bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van
                                de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede
                                ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi
                                desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. In de
                                verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met
                                ‘veerdienst’.</al><al><cursief>- opstapplaats</cursief></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor
                                goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale
                                opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden
                                vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis
                                voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder
                                begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                                aangewezen opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van
                                dertig minuten achtte deABRvS alleszins redelijk (26
                                februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).</al><al><cursief>- ouders</cursief></al><al>De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de
                                WEC.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee
                                onder het begrip ‘ouders’.</al><al><cursief>- reistijd</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd
                                die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen
                                vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met
                                aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer
                                de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking
                                voor aangepast vervoer (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a,
                                en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a).</al><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de
                                afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang
                                van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand
                                deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd
                                voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel
                                meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt
                                vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus)
                                te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (vijf
                                minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. </al><al><cursief>- samenwerkingsverband</cursief></al><al><cursief>Onder 1</cursief>: Een samenwerkingsverband primair
                                onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een
                                bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen,
                                speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal
                                onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs,
                                voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot
                                cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van
                                scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk
                                samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en
                                voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4,
                                die geen vestigingen hebben in het gebied van het
                                samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot
                                het samenwerkingsverband.</al><al><cursief>Onder 2</cursief>: Een samenwerkingsverband voortgezet
                                onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een
                                bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor
                                voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en
                                scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover
                                daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot
                                cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van
                                scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk
                                samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal
                                en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster
                                4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het
                                samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit
                                samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot
                                het samenwerkingsverband.</al><al><cursief>- school</cursief></al><al><cursief>Speciaal onderwijs:</cursief> In de WEC gaat het om
                                onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met
                                ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen,
                                lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer
                                moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen,
                                meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden
                                aan pedologische instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                                meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2:
                                onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met
                                ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte
                                kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan
                                langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk
                                gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel
                                meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en
                                Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                                lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen
                                in scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al>Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in
                                instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip
                                ‘school’.</al><al><cursief>Voortgezet onderwijs:</cursief> In de WVO gaat het om
                                scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo),
                                hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend
                                middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs
                                (hierna: pro). </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar
                                betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</al><al><cursief>- stage</cursief></al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen
                                voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                                arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                                onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                                hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid,
                                van de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan
                                te merken als ‘school’.</al><al><cursief>- toegankelijke school</cursief></al><al>Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke
                                toestand zijn aangewezen op een bepaalde school.</al><al>In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs
                                beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school
                                voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal
                                onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de
                                WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door
                                deskundigen.</al><al>De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband
                                voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot
                                het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de
                                WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat
                                adviseren door deskundigen.</al><al>Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de
                                toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO)
                                en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is
                                aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015
                                wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in
                                het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het
                                samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het
                                praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend
                                onderwijs. </al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende
                                procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek
                                beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op
                                de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de
                                leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41,
                                tweede lid, van de WEC).</al><al><cursief>- vervoer</cursief></al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, is dit in de verordening
                                opgenomen. Zie ook de toelichting op artikel 1 onder
                                ‘opstapplaats’.</al><al>Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de
                                schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de
                                leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een
                                deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend
                                geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden,
                                lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen
                                grond voor het vervoer tijdens schooltijd.</al><al>Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet
                                onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De
                                vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met
                                leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en
                                -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een
                                bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</al><al><cursief>- vervoersvoorziening</cursief></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen,
                                dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’
                                is dit nader uitgewerkt.</al><al><cursief>woning</cursief></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de
                                leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet
                                relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan
                                ingeschreven.</al><al>Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft,
                                bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag
                                voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden.
                                Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor
                                noodzakelijke opvang van de leerling elders.</al><al>Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na
                                afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang)
                                valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</al><al><vet>Artikel 2:</vet><vet> De door het college noodzakelijk te
                                    achten vervoersvoorziening</vet></al><al>Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan
                                het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor
                                het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid). De hoogte
                                van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
                                leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                                basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de
                                ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school (zie
                                artikelen 14 en 15 ). Indien de ouders weigeren de bijdrage te
                                betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de
                                aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt
                                van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. </al><al>In het tweede lid van artikel 2 komt ook tot uitdrukking dat het
                                drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger
                                kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de
                                Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde
                                lid van artikel 2 is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                                vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                                overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de
                                gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de
                                ouders.</al><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat een leerling die
                                meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor
                                leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders/verzorgers. </al><al><vet>Artikel 3:</vet><vet> Vervoersvoorziening naar de
                                    dichtstbijzijnde toegankelijke school</vet></al><al>In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de
                                gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op
                                godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een
                                school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen
                                bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen
                                openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan
                                te merken de school van de verlangde godsdienstige of
                                levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt
                                een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de
                                leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke
                                toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in
                                artikel 3.</al><al>Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar
                                afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de
                                leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van
                                de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor
                                de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich
                                brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen
                                dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare
                                school geldt hetzelfde. </al><al><cursief>RICHTING </cursief></al><al>Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het
                                (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs
                                (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de
                                Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het
                                evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox)
                                islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het
                                algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs
                                op antroposofische grondslag (vrijescholen).</al><al>Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip
                                ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                                Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc.</al><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief> Op grond van artikel 3,
                                tweede lid, dienen ouders van een leerling die een school bezoekt
                                die op grote afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook
                                voor de leerling passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een
                                vervoersvoorziening schriftelijk te verklaren dat zij overwegende
                                bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                                richting van de dichterbij gelegen bijzondere scholen. Deze
                                verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van
                                het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs, en
                                niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd
                                wordt. Het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen
                                een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. </al><al><cursief>Zorg voor jeugd</cursief> De decentralisatie in het
                                jeugddomein vindt plaats op 1 januari 2015. In de concept wettekst
                                is, spiegelbeeldig aan de betreffende tekst in de onderwijswetten,
                                opgenomen dat gemeenten verplicht worden om OOGO te voeren met het
                                samenwerkingsverband over het beleidsplan van de gemeenten - voor
                                zover het de aansluiting en samenwerking met het onderwijs betreft.
                                Ook bij dit overleg is het vervoer van leerlingen een thema dat ter
                                sprake kan komen. </al><al><cursief>Instellingen voor cluster 1 en cluster 2</cursief> Voor
                                instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: De
                                instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of
                                staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan
                                bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de
                                hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de
                                instelling of op begeleiding vanuit de instelling. Als de leerling
                                niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind
                                inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij
                                een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen
                                zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de
                                commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie
                                dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere
                                school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de
                                instelling.</al><al><cursief>De school is vol</cursief> Het spreekt voor zich dat op een
                                voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet
                                zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die
                                vol is, heeft geen zorgplicht voor de leerling. Indien de
                                dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat
                                de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de
                                eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak
                                op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan,
                                zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Als de
                                wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de
                                dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar de duur van de
                                wachtlijst te informeren - kan de vervoersvoorziening beperkt worden
                                tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk
                                is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment
                                ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders
                                zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan,
                                maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een
                                vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school
                                te worden verstrekt.</al><al><cursief>Dislocaties en nevenvestigingen</cursief> Als een school
                                die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag
                                of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als
                                school in de zin van de verordening moeten worden beschouwd.
                                Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele
                                instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling
                                wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. </al><al><cursief>Stage </cursief></al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen
                                voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                                arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                                onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                                hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid,
                                van de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan
                                te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een
                                vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan
                                bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het
                                stageadres.</al><al>De gemeente kan tijdens het overleg scholen er op attenderen dat
                                stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten.
                                Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek te
                                zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het
                                leerlingenvervoer. </al><al><cursief>Symbiose</cursief></al><al>Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt
                                op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een
                                school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel
                                24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC).
                                Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn.
                                De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende
                                locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een
                                vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan
                                bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de
                                school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover
                                deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat
                                dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de
                                schooldag.</al><al><vet>Artikel 4:</vet><vet> Toekenning
                                vervoersvoorziening</vet>Om enige beleidsruimte te creëren is
                                in artikel 4 bepaald, dat het college bij de toekenning van de
                                vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt.
                                In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De
                                gekozen formulering van artikel 4 geeft de ruimte om per geval de
                                termijn te bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op het
                                standpunt dat de vervoersvoorziening te allen tijde tot het einde
                                van het aangevraagde schooljaar dient te lopen, verdient het
                                aanbeveling om de verordening in die zin aan te passen. Tevens dient
                                het college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de wijze en het
                                tijdstip van uitbetaling te bepalen. Zo zal moeten worden bepaald
                                of:</al><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                                declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf
                                geschiedt.</al><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het
                                tijdstip van betalen veel verschillende varianten laat zien, is in
                                de verordening geen expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de
                                lokale gewoonte of de lokale wensen kan hieraan invulling worden
                                gegeven. </al><al>De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient
                                de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen.
                                Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de toegekende
                                vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het is
                                raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op het feit dat ten
                                onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel kan
                                worden verrekend (zie ook artikel 6).</al><al><vet>Artikel 5:</vet><vet> Aanvraagprocedure</vet></al><al>Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in
                                aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De
                                gemeente stelt hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar. Het is
                                wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. Hierbij kan
                                worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld
                                aanvraagformulier waarbij gebruik kan worden gemaakt van gegevens,
                                die reeds bekend zijn bij de gemeente. <cursief>Overleggen gegevens
                                    ten behoeve van de aanvraag</cursief> Onder gegevens moet ook
                                worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
                                (bewijsstukken), bijv. een medische verklaring,
                                werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                                belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Ouders zijn op
                                grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
                                Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn
                                voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en
                                volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk
                                het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of
                                gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het
                                aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld
                                om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen
                                termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren.
                                Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de
                                afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen
                                (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5,
                                vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de
                                aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in
                                behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten
                                zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op
                                een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat
                                zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke
                                bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de
                                voorafgaande jaren gebleken is. Zie hiervoor een uitspraak van de
                                ABRvS (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535). Artikel 4:15 van de
                                Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop
                                de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                                gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 5, derde lid,
                                is daarom bepaald dat het college binnen acht weken <cursief>na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens</cursief> een beslissing
                                neemt. <cursief>Beslistermijn</cursief> Artikel 4:13 van de Awb
                                bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient
                                te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college
                                binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de
                                aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor de
                                verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn
                                van acht weken. <cursief>Verdaging</cursief> Het kan voorkomen dat
                                de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente.
                                Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel
                                van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                                situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor
                                ten hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vierde lid). Uiterlijk
                                een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een
                                beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn
                                gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is,
                                bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van
                                deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven. Een
                                beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt
                                (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 zijn
                                opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een
                                genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken.
                                    <cursief>Bezwaar en beroep</cursief> Als bovenstaande termijnen
                                (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden
                                worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb
                                daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In dit geval is het
                                bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12,
                                eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt
                                niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend
                                (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).
                                    <cursief>Ingangsdatum</cursief> Een toegekende
                                vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders,
                                óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                                verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje). In het
                                geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging
                                in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte
                                datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de
                                aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 5, vijfde lid,
                                aanhef en onder a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende
                                kracht plaats. Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt
                                aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van
                                ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte
                                datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag
                                door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden
                                gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een
                                vervoerder enige tijd kan kosten (artikel 5, vijfde lid, aanhef en
                                onder b). <cursief>Datum van aanvraag voor het nieuwe
                                    schooljaar</cursief> In de verordening wordt geen datum genoemd
                                waarvoor een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet
                                zijn ingediend. Het vaststellen van een datum zou er toe kunnen
                                leiden dat aanvragen die later worden ingediend als onrechtmatig
                                worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde
                                redenen zijn voor het laat indienen van een aanvraag, bijvoorbeeld
                                wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op een bepaalde
                                school wordt toegelaten. </al><al>De gemeente kan bij de voorlichting de ouders uiteraard wijzen op
                                het belang van het indienen van een aanvraag zodra bekend is welke
                                school de leerling gaat bezoeken. </al><al><vet>Artikel 6:</vet><vet> Doorgeven van
                                wijzigingen</vet>Ouders zijn verplicht wijzigingen die van
                                directe invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te
                                geven aan het college. Ouders dienen dit zo snel mogelijk te doen.
                                Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:</al><al>wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door
                                verhuizing;</al><al>verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                                voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>wijziging van het adres van de school;</al><al>wijziging van de schooltijden;</al><al>verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het
                                openbaar vervoer;</al><al>wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet
                                kunnen begeleiden van leerlingen.</al><al>Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het
                                college de verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al
                                dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 6, tweede
                                lid). Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs
                                of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde
                                gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd;
                                zie artikelen 14 en 15. Deze bijdrage kan worden verrekend met de
                                eventuele bekostiging. Een wijziging in het inkomen van deze ouders
                                heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de
                                vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien echter sprake is van een
                                structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college,
                                vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging aanpassen.
                                Het college kan, zonder dat ouders iets hebben doorgegeven, zelf
                                wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de
                                vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ouders ten onrechte
                                bekostiging (hebben) ontvangen. Artikel 6, vierde lid, biedt in
                                dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde
                                bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij
                                eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. </al><al><vet>Artikel 7:</vet><vet> Peildatum leeftijd
                                    leerling</vet>In artikel 11 is het
                                leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de – wettelijk
                                toegestane – volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in
                                aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Dan verdient het
                                aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen.
                                Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die
                                geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke
                                start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen. De
                                bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een
                                bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening
                                het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt
                                de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook
                                maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.
                                Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot
                                een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school
                                volstaat. </al><al><vet>Artikel 8:</vet><vet> Andere
                                    vergoedingen</vet>Als kan worden aangetoond
                                dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg
                                (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten
                                van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding
                                aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op
                                basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze
                                vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om
                                aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.
                                Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op
                                aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet
                                onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming
                                onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit
                                verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet
                                uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding
                                niet verrekend met de vervoersvoorziening. </al><al/><al><vet>§ </vet><vet>2: </vet><vet>Bepalingen omtrent het vervoer van
                                    leerlingen van scholen voor primair onderwijs</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9:</vet><vet>Algemene bepalingen omtrent het
                                    vervoer van leerlingen van scholen voor
                                    primair</vet><vet>onderwijs</vet></al><al>Paragraaf 2 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij
                                een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van
                                instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs
                                volgen. <cursief>Dichtstbijzijnde speciale school voor
                                    basisonderwijs in het samenwerkingsverband
                                </cursief>Het derde lid van artikel 9 is een aanvulling op
                                artikel 3. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van
                                artikel 3, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar
                                de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens
                                artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat om
                                speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de
                                dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden
                                bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale
                                school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar
                                dichterbij de woning is gelegen. Na invoering van het passend
                                onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen
                                toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor
                                basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid,
                                aanhef en onder c, van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’
                                voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het
                                samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat
                                samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een
                                ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger
                                of lager niveau van basis-ondersteuningsvoorzieningen, die op elke
                                school aanwezig zijn. In het derde lid van artikel 9 wordt gesproken
                                van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond
                                van artikel 3 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In dat
                                geval is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt, als gevolg van
                                de verwijzing naar artikel 3, bij toepassing van artikel 9, derde
                                lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke
                                instemming van de ouders. <cursief>Adviezen van
                                    deskundigen</cursief>Om te kunnen beoordelen of een
                                leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en, als dat
                                het geval is, voor welk type voorziening de leerling dan in
                                aanmerking komt, is in een aantal gevallen advies van deskundigen
                                ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling
                                door zijn handicap of ernstige gedragsproblemen in het geheel niet
                                van openbaar vervoer gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding
                                daarvan gebruik kan maken, of wellicht – al dan niet onder
                                begeleiding – naar school kan fietsen. Adviezen kunnen worden
                                gegeven door: - de commissie voor de begeleiding, door een of meer
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en 4; -
                                de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen
                                van cluster 1 en cluster 2; - de ambulante begeleider van de
                                leerling; - de directeur van de school; - het samenwerkingsverband.
                                Deze instanties staan immers, na de ouders, het dichtst bij de
                                leerling. Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het
                                van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden
                                te motiveren. Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De
                                kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente. </al><al><vet>Artike</vet><vet>l 10:</vet><vet> Bekostiging van de kosten van
                                    openbaar vervoer en vervoer per fiets</vet></al><al>In artikel 10 zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd waaronder ouders
                                van leerlingen die scholen bezoeken die onder paragraaf 2 vallen,
                                aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij
                                geldt als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar
                                vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets.
                                    <cursief>Afstandscriterium</cursief> Artikel 4, achtste lid, van
                                de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de
                                gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging
                                bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van de WPO
                                stelt een afstand van zes kilometer of meer als bovengrens. Deze
                                afstand wordt in de verordening als criterium aangehouden. De
                                afstand moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg,
                                worden bepaald. Een combinatie van afstandscriterium en
                                leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4,
                                achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste
                                lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend
                                onderscheid in afstand tussen jongere en oudere kinderen is niet
                                toegestaan. <cursief>Kosten openbaar vervoer</cursief> De gemeente
                                bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het
                                gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een
                                andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid)
                                worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling
                                binnen het systeem kunnen gelden. <cursief>Fietsvergoeding</cursief>
                                Het tweede lid van artikel 10 bepaalt dat een fietsvergoeding kan
                                worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de
                                leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het
                                vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd,
                                eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in
                                overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de
                                zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor
                                de overige maanden toe te kennen. </al><al><vet>Artikel 11:</vet><vet> Bekostiging van de kosten van openbaar
                                    vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een
                                    begeleider</vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet
                                mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.
                                    <cursief>Leerling is jonger dan negen jaar</cursief>In
                                artikel 10 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair
                                onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de
                                vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school zes
                                kilometer of meer is. Als daarbij de leerling jonger dan negen jaar
                                is, en de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen
                                aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar
                                vervoer gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de
                                bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan
                                men denken aan de volgende situaties: - de leerling moet een of
                                meerdere malen overstappen; - de route van het uitstappunt van de
                                bus naar de school kent gevaarlijke punten. In dit verband is
                                artikel 7 van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het
                                schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de
                                leerling als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in
                                de loop van het schooljaar negen jaar. De grens van negen jaar is
                                gebaseerd op onderzoek (2001). Over het algemeen, zo bleek, kan een
                                kind van negen jaar zonder begeleiding alleen met de fiets over
                                straat. <cursief>Structurele handicap</cursief><cursief> of ernstige
                                    gedragsstoornis</cursief> Ouders van leerlingen die door hun
                                structurele handicap of door hun ernstige gedragsstoornis niet
                                zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in
                                aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling
                                én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.
                                De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt (of een
                                ernstige gedragsstoornis heeft) valt aan te merken is hierbij niet
                                van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap
                                of door zijn ernstige gedragsstoornis, al dan niet zelfstandig van
                                het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zo zijn er situaties
                                denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap
                                of en ernstige gedragsstoornis wel degelijk zelfstandig met het
                                openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal
                                noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg
                                te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke.
                                Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te
                                overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke
                                deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op artikel 9. Wanneer er
                                sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken
                                been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid
                                van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van
                                het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een
                                operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar
                                vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een
                                vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van drie
                                maanden worden aangehouden.
                                    <cursief>Begeleiding</cursief> Begeleiding in het
                                vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat
                                zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te
                                zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de
                                buren, een ouder van een andere leerling of een klassen assistent de
                                leerling begeleiden. Met de begeleiding van een jongere leerling
                                door een oudere leerling moet uiteraard heel omzichtig worden
                                omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als leeftijd,
                                verkeerssituaties en dergelijke. Wie de leerling ook begeleidt, de
                                bekostiging vindt plaats aan de ouders van de leerling. Als een
                                begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de
                                begeleider slechts één maal bekostigd. </al><al><vet>Artikel 12:</vet><vet> Vervoersvoorziening in de vorm van
                                    aangepast vervoer</vet></al><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in
                                principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze
                                uitzonderingen zijn in artikel 12 vastgelegd. <cursief>Eerste lid,
                                    onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                                    uur en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder worden
                                    teruggebracht</cursief> Bij een reisduur tot anderhalf uur met
                                het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een
                                bepaalde school te kiezen niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS.
                                Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook
                                de toelichting op artikel 1. De praktijk leert dat leerlingen,
                                ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen,
                                vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt
                                voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele
                                wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag
                                wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer
                                wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de
                                taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige
                                tijd op te tellen bij de berekende duur van de rit. Het kan
                                voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van
                                anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl
                                dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een
                                dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer
                                toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar
                                vervoer. Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het criterium
                                reistijd aanspraak op aangepast vervoer maken, niet van het college
                                eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder
                                wordt teruggebracht.<cursief> Eerste lid, onderdeel b:
                                    Openbaar vervoer ontbreekt</cursief> In een aantal gemeenten
                                ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent dat
                                leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van
                                de woning naar de school of terug. Overigens biedt artikel 12, het
                                eerste lid, aanhef en onderdeel b, het college de mogelijkheid om te
                                beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets
                                naar school te gaan; zie ook de toelichting op artikel 10.
                                    <cursief>Eerste lid, onderdeel c: Begeleiding van de leerling in
                                    het openbaar vervoer is niet mogelijk</cursief>De
                                ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te
                                tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te
                                begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het
                                gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst
                                zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun
                                kinderen, wanneer dit nodig is. Zie ook de toelichting op artikel
                                11, onder het kopje ‘Begeleiding’. <cursief>Eerste lid, onderdeel d:
                                    Leerling kan door zijn handicap</cursief><cursief> of door
                                    zij</cursief><cursief>n</cursief><cursief> ernstige
                                    gedragsstoornis</cursief><cursief> niet van het openbaar vervoer
                                    gebruik maken </cursief></al><al>Als de leerling door zijn structurele handicap of door zijn ernstige
                                gedragsstoornis niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van
                                het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een
                                voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een
                                leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij
                                niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn
                                handicap of door zijn ernstige gedragsstoornis, al dan niet
                                zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder
                                de toelichting op artikel 11, onder het kopje ‘Structurele handicap
                                of ernstige gedragsstoornis’. <cursief>Tweede lid: Kosten van de
                                    begeleiding</cursief> Soms is begeleiding in het aangepast
                                vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging
                                nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag
                                vertoont. In dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die
                                aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een
                                plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten
                                worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer
                                is de gemeente niet verantwoordelijk.</al><al><vet>Artikel 13:</vet><vet> Bekostiging op basis van de kosten van
                                    eigen vervoer</vet></al><al>Artikel 13 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen
                                vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar
                                school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel
                                (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling gebruikmaakt van de
                                fiets. Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is
                                toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf
                                voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de
                                ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen
                                sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de
                                vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al
                                rijdt. De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de
                                voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in
                                de verordening voor in aanmerking komen: <cursief>a. Openbaar
                                    vervoer</cursief> Als ouders aanspraak maken op bekostiging op
                                basis van de kosten van openbaar vervoer en zij de leerling, met
                                toestemming van het college, zelf vervoeren, dan keert het college
                                bekostiging uit op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het
                                college gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou
                                moeten worden, wanneer de leerling gebruik zou maken van het
                                openbaar vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als
                                uitgangspunt genomen. <cursief>b. Aangepast vervoer</cursief> Als
                                ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm
                                van aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de
                                leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer
                                verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding is afgeleid van de
                                Reisregeling binnenland. Het volledige bedrag wordt uitgekeerd voor
                                de kilometers die de leerling aflegt. Voor 2014 geldt op grond van
                                deze regeling voor de eigen auto een bedrag van € 0,37 per
                                kilometer.</al><al>Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de
                                middag wordt vervoerd. <cursief>Ouders vervoeren meer dan één
                                    leerling</cursief>Artikel 13, derde lid, bepaalt dat
                                ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een
                                kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer
                                dan één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in
                                principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de
                                kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de
                                auto, en wordt niet per leerling verstrekt. Wanneer ouders
                                toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te
                                vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op grond van
                                artikel 23 (de zogenaamde hardheidsclausule) een andere bekostiging
                                vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer
                                per leerling. <cursief>Vervoer per fiets</cursief> Ouders van een
                                leerling kunnen het wenselijk vinden dat hun kind gebruik maakt van
                                de fiets, bijvoorbeeld ter bevordering van de zelfredzaamheid.
                                Wanneer de ouders op basis van de bepalingen in de verordening voor
                                een vervoersvoorziening in aanmerking komen, kan het college – na
                                toestemming te hebben gegeven – een kilometervergoeding voor de
                                fiets toekennen. De hoogte van deze kilometervergoeding is afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland. </al><al><vet>Artikel 14: Drempelbedrag</vet></al><al>Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid
                                een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de
                                verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft
                                bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald
                                deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de
                                zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening
                                gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar
                                een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag
                                naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer
                                alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt
                                toegekend, of voor enkele dagen per week. </al><al><cursief>Kilometergrens</cursief> Bij het drempelbedrag is de
                                ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde
                                kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de
                                school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening.
                                Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het
                                openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de
                                ouders komen. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand
                                van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de
                                verordening aangehouden. <cursief>Doelgroep</cursief> Doelgroep voor
                                het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor
                                basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een
                                gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een
                                uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele
                                handicap of ernstige gedragsstoornis op ander vervoer dan openbaar
                                vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet
                                zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun
                                ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al>Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde
                                voor een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen
                                drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid
                                niet biedt. <cursief>Inkomen</cursief> Onder inkomen moet worden
                                verstaan: het inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef
                                en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het
                                peiljaar. Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede
                                kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar
                                waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint
                                (zie artikel 1). Het drempelbedrag wordt met ingang van 1 januari
                                2014 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de stijging van het
                                indexcijfer van de Cao-lonen, volgens de in artikel 4, zevende lid
                                van de Wet op het primair onderwijs bepaalde systematiek. Het
                                inkomensbedrag van € 24.300,- voor het schooljaar 2013-2014 zal het
                                uitgangspunt vormen voor de toekomstige indexeringen. Het bedrag
                                wordt afgerond op een veelvoud van € 450,-. </al><al>In de verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor
                                het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2014-2015 (dus
                                voor het peiljaar 2012) vastgesteld op € 24.300,-. </al><al><cursief>Hoogte drempelbedrag</cursief>Als een
                                drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van
                                de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt
                                met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar
                                vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de
                                gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van
                                het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of
                                eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende
                                betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met
                                kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen
                                gelden.</al><al>De bedragen voor berekening van het drempelbedrag worden jaarlijks
                                kenbaar gemaakt via een ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse
                                Gemeenten.</al><al> Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet
                                van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het
                                openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast
                                vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de
                                ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de
                                door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat
                                geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling
                                toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen
                                het betreffende vervoersgebied. </al><al><cursief>Aantonen van het inkomen</cursief> Als de gemeente zelf
                                geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers
                                een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te
                                tonen. Ouders kunnen ook een IB 60-formulier opvragen bij de
                                belastingdienst. Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie
                                over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van
                                de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met
                                de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde
                                termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het
                                college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De
                                aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Zie ook
                                de toelichting op artikel 5, onder het kopje ‘Overleggen gegevens
                                ten behoeve van de aanvraag’. Als het gezamenlijk inkomen van het
                                peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                                desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden
                                gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar
                                wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. </al><al><cursief>Structurele daling van inkomen</cursief> Wanneer het
                                inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                                peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een
                                structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van
                                de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                                afwijkingsmogelijkheid van artikel 23. Om te bepalen in welk geval
                                het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van
                                de Wet studiefinanciering als richtsnoer dienen.
                                    <cursief>Pleegouders</cursief>Pleegouders kunnen als
                                ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de
                                toelichting op artikel 1). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de
                                voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening.
                                Volgens een uitspraak van de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93.
                                1702 en R03.93.1773) is het redelijk dat als de verzorgers
                                pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in rekening gebracht kan
                                worden. <cursief>Invordering
                                drempelbedrag</cursief>Artikel 2 geeft de regels voor de
                                invordering van het drempelbedrag. Wanneer het college zelf het
                                vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in
                                aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken.
                                Wanneer de ouders in gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt
                                het vervoer stopgezet.</al><al><vet>Artikel 15</vet><vet>: Financiële draagkracht</vet></al><al>Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de
                                mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer,
                                wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school 20
                                kilometer of meer is. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd
                                wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De
                                bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.
                                Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die
                                wegens hun structurele handicap of ernstige gedragsstoornis op ander
                                vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een
                                zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik
                                kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin
                                geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in
                                rekening wordt gebracht. De eigen bijdrage zijn geïndexeerd aan de
                                hand van het consumentenprijsindexcijfer (CPI) vervoersdiensten. De
                                geïndexeerde eigen bijdrage zijn vervolgens afgerond op een veelvoud
                                van € 5,00. In artikel 15 is gekozen voor een systeem waarin met een
                                aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf
                                vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is
                                gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de
                                verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze
                                die aansluit bij artikel 4 van de WPO. Voor het aantonen van het
                                inkomen, hoe om te gaan met een structurele daling van het inkomen,
                                een aanvraag door pleegouders en de invordering wordt verwezen naar
                                de betreffende kopjes van de toelichting op artikel 20. </al><al/><al><vet>§ </vet><vet>3: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN
                                    VAN SCHOLEN VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS</vet></al><al/><al><vet>Artikel 16</vet><vet>:</vet><vet> Algemene bepalingen omtrent
                                    het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet
                                    onderwijs</vet>Paragraaf 3 betreft leerlingen van scholen
                                die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband voortgezet
                                onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster
                                2 die voortgezet onderwijs volgen. Volgens artikel 4, het vierde
                                lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen
                                leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als
                                zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn
                                aangewezen, dan wel vanwege hun handicap of hun ernstige
                                gedragsstoornis niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen
                                maken. <cursief>Adviezen van deskundigen</cursief>Artikel
                                16 , tweede lid,is identiek aan artikel 9, vierde lid. Zie voor een
                                toelichting daarom de toelichting op artikel 9 onder het kopje
                                ‘Adviezen van deskundigen’.</al><al><vet>Artikel 17:</vet><vet> Bekostiging van de kosten van
                                    openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets
                                </vet>Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap
                                of hun ernstige gedragsstoornis niet zelfstandig met het openbaar
                                vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de
                                vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de
                                afstand van de woning naar de school. </al><al><cursief>Structurele handicap</cursief><cursief> of ernstige
                                    gedragsstoornis</cursief> De vraag of een leerling al dan niet
                                als gehandicapt (of een ernstige gedragsstoornis) valt aan te merken
                                is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling,
                                door zijn handicap of door zijn ernstige gedragsstoornis, al dan
                                niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie
                                voor verdere toelichting de toelichting op artikel 11 onder het
                                kopje ‘Structurele handicapof ernstige gedragsstoornis’.
                                    <cursief>Begeleiding</cursief> Begeleiding in het vervoer is
                                primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind
                                te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen Zo kan
                                ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een
                                ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling
                                begeleiden. Zie voor verdere toelichting de toelichting op artikel
                                11 onder het kopje ‘Begeleiding’. </al><al/><al><vet>Artikel 18</vet><vet>:</vet><vet> Vervoersvoorziening in de
                                    vorm van aangepast vervoer</vet></al><al>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in
                                principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze
                                uitzonderingen zijn in artikel 18 vastgelegd. Artikel 18 is identiek
                                aan artikel 12, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair
                                onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 18 daarom de
                                toelichting op artikel 12. Wanneer daar ‘artikel 12’ staat dient er
                                in dit geval ‘artikel 18’ te worden gelezen. </al><al/><al><vet>Artikel 19</vet><vet>:</vet><vet> Bekostiging op basis van de
                                    kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Artikel 19 is identiek aan artikel 13, dat geldt voor leerlingen van
                                scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel
                                19 daarom de toelichting op artikel 13. Wanneer daar ‘artikel 13’
                                staat dient er in dit geval ‘artikel 19’ te worden gelezen.
                                </al><al/><al><vet><vet>Artikel 19a: Bekostiging van de kosten van openbaar
                                        vervoer naar scholen voor VSO</vet></vet></al><al/><al>Wanneer een leerling geen aanspraak kan maken op een
                                vervoervoorziening in de vorm van aangepast vervoer dan kan soms een
                                vergoeding voor openbaar vervoer worden toegekend.</al><al>Dat is het geval wanneer de afstand tussen de woning en de school
                                meer dan zes kilometer bedraagt en de leerling door zijn beperking
                                niet in staat is om alleen naar school te fietsen, maar hij wel in
                                staat is om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.</al><al/><al><vet>§</vet><vet> 4: </vet><vet>Bepalingen omtrent weekeinde- en
                                    vakantievervoer</vet></al><al/><al><vet>Artikel 20:</vet><vet> Toekenning vervoersvoorziening voor het
                                    weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende
                                ouders</vet></al><al>Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening
                                bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In
                                paragraaf 4 van de modelverordening wordt hier invulling aan
                                gegeven. Artikel 20 bevat twee belangrijke componenten: 1. Een
                                vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen
                                verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een
                                pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend
                                (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC.
                                Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een
                                internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een
                                school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het
                                college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school
                                die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis
                                bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening
                                van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling
                                om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin
                                verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient
                                na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een
                                pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en
                                speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs
                                komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het
                                weekeinde of de vakantie. 2. Het college van de gemeente waar de
                                ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en
                                vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is
                                het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente waar de leerling
                                in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. </al><al> Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van
                                het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het
                                college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het
                                pleeggezin verblijft deze voorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 21</vet><vet>:</vet><vet> Vervoersvoorziening voor
                                    weekeinde en vakantie</vet>Artikel 21 bepaalt dat een
                                vervoersvoorziening kan worden toegekend voor de reizen van het
                                internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in het
                                weekeinde en in de vakanties. Het college van de gemeente waar de
                                ouders wonen bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend.
                                Artikel 21, derde lid, geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 2
                                en 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op de
                                toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                                vakantie, op enkele uitzonderingen na. Dit houdt het volgende in: -
                                Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in
                                aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                                vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan
                                openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer gebruik kunnen maken. - Voor de toekenning is
                                bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. -
                                Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor
                                een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of
                                leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer
                                gebruik te maken. Zie artikelen 11 en 17. - Het college verstrekt
                                een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:</al><al>openbaar vervoer ontbreekt;</al><al>begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;</al><al>de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is - ook
                                niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te
                                maken.</al><al>Zie artikelen 12 en 18.</al><al>Nota bene: Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer
                                wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking
                                van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is. - Het
                                college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of
                                laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de
                                vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. Zie
                                artikelen 13 en 19. De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de
                                modelverordening zijn uiteraard ook van toepassing, evenals de
                                slotbepalingen van paragraaf 5. </al><al/><al><vet>§</vet><vet>5</vet><vet>:</vet><vet>
                                Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22:</vet><vet> Beslissing college in gevallen waarin de
                                    regeling niet voorziet</vet></al><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de bekostiging van het
                                leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete
                                gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te denken
                                valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten,
                                combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in
                                het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 22 bepaalt dat het
                                college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het
                                uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en
                                de modelverordening gehandeld te worden. </al><al/><al><vet>Artikel 23:</vet><vet> Afwijken van bepalingen</vet></al><al>Artikel 23 stelt dat het college slechts in voor ouders
                                voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling
                                wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel
                                4, tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende lid, van de WVO. Van
                                een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake
                                zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een
                                begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is
                                georganiseerd door de ouders, of toekenning van een
                                vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De ouders
                                dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere
                                situatie.</al><al>Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek
                                ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van
                                een medische behandeling bijvoorbeeld.</al><al>De ABRvS heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor de
                                toepassing van de hardheidsclausule:</al><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende
                                aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing
                                van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen.
                                De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle
                                feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals
                                bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (12 mei
                                1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41). - Door middel van toepassing van
                                de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening
                                worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (2
                                april 1990 R03.87.7147/58-43). <cursief>Precedentwerking</cursief>
                                Ter voorkoming van - ongewenste - precedentwerking moet de
                                toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten
                                die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de
                                leerling betrekking hebben. </al><al/><al><vet>Artikel 24:</vet><vet> Intrekking oude regeling</vet>In
                                artikel 24 wordt het tijdstip vermeld waarop de oude verordening
                                wordt ingetrokken. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>