<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR331312_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2014 gemeente Cromstrijen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-06-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP d.d. 27 juni 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2014 gemeente Cromstrijen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-06-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2014 gemeente Cromstrijen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit van gemeenteraad</vet></al><al/><al>Documentnummer 1410041</al><al>Vergaderdatum</al><al>Commissie RBZ</al><al>Raad</al><al/><al>De raad van de gemeente Cromstrijen;</al><al>overwegende dat ; ten behoeve van de bescherming van ons archeologische
                        bodem archief een eenduidige benadering en behandeling moet worden
                        vastgesteld.</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 april
                        2014;</al><al>gelet op de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz);</al><al>besluit:</al><al>de erfgoedverordening 2014 gemeente Cromstrijen vast te stellen.</al><al/><al>Vastgesteld door de raad van gemeente Cromstrijen in
                        zijn openbare vergadering gehouden op 20 mei
                        2014,</al><al>de griffier,</al><al>de voorzitter,</al><al/><al><vet>ERFGOEDVERORDENING 2014</vet></al><al>De raad van de gemeente Cromstrijen</al><al>gezien het voorstel van het college van 10 april 2014;</al><al>gelet <onderstreept>op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen
                        12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2
                        van de wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</onderstreept></al><al>besluit vast te stellen de volgende <vet>Erfgoedverordening 2014
                        gemeente Cromstrijen.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="-"><al>1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn
                                            schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                            cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="-"><al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 1.1 eerste lid, van de Wet Algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht;</onderstreept></al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van <onderstreept>art.15, lid 1
                                        Monumentenwet 1988</onderstreept> ingestelde commissie met
                                    als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                                    adviseren over de toepassing van de <onderstreept>Monumentenwet
                                        1988</onderstreept>, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart:: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied waarop archeologische
                                    monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="o."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 1.1 van de wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht.</onderstreept></al></li><li nr="p."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Cromstrijen</al></li><li nr="q."><al>vergunning: een omgevingsvergunning al bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 2.1 eerste lid, of 2.2 van de Wet
                                        algemene Bepalingen omgevingsrecht.</onderstreept></al></li><li nr="r."><al><onderstreept>Wabo: Wet Algemene Bepalingen
                                        omgevingsrecht.</onderstreept></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>`Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van <onderstreept>artikel 3 van de Monumentenwet 1988</onderstreept>
                                of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                provincie Zuid Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan <onderstreept>artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988</onderstreept> of aan artikel 4 van de
                                monumentenverordening van de provincie Zuid Holland..</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                        onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen
                                        of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="-"><al>b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                        onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                        gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                        in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                litigieuze bestemming geen vergunning als bedoeld in het tweede lid,
                                dan in overeenstemming met de eigenaar indien er voor zover het een
                                vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4 voud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 50 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="-"><al>a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument
                                        of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die
                                        verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 10 ha, of groter dan 10 ha en niet
                                                meer dan 0,5 m diep onder maaiveld, of,</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 500 m2, groter dan 500 m2 en niet
                                                meer dan 0,5 m diep onder maaiveld plaatsvindt,
                                                of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde of aangemerkt als gebied als
                                                historische dorpskern en het verstoren gebied
                                                kleiner is dan 100 m2, groter dan 100 m2 en niet
                                                dieper dan 0,3 m diep onder
                                                maaiveld.plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>b. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="-"><al>c. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriftern zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="-"><al>d. het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke
                                        archeologische waardenkaart of de gemeentelijke
                                        beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de
                                        provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;</al></li><li nr="-"><al>e. een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van
                                        burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld
                                        en waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Cromstrijen onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van <onderstreept>artikel 1 sub h Monumentenwet 1988</onderstreept>,
                                dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="-"><al>a. het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="-"><al>b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                        van aanpak als bedoel in artikel 1 onder l van deze
                                        verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                        overleggen,.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies
                                aan een deskundige, zoals omschreven in de <onderstreept>Wet op de
                                    Archeologische monumentenzorg</onderstreept>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13, en 14 zijn van overeenkomstige van
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16 tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in
                                relatie staat tot:</al><lijst><li nr="-"><al>a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                        in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="-"><al>b. de voorschriften door het college verbonden aan een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="-"><al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                        in artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="-"><al>d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                        in artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="-"><al>e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid,
                                        tweede volzin.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10 en artikel 16 met
                            uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="-"><al>a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1;bij besluit van het college dan
                                        wel de burgemeester aan te wijzen personen:.</al></li><li nr="-"><al>b. Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2;bij besluit van het college dan
                                        wel de burgemeester aan te wijzen personen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Cromstrijen 2010 wordt met ingang van de in
                            artikel 24 genoemde datum ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Cromstrijen 2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2014 Gemeente
                            Cromstrijen </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>A. Algemene toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk monument te kunnen
                            spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                            onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de
                            bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal
                            eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                            gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                            gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel,
                            kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                            omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan
                            gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                            wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van
                            aanvullende regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die
                            als gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen
                            verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter
                            nauwelijks mogelijk.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                            7<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd
                            rijksmonument' in de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen.
                            Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het
                            college van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop
                            van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de
                            Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd
                            orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                            commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die
                            adviseert aan het college. Normaal gesproken zou het dan ook het college
                            zelf zijn, die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                            Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door de raad
                            bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                            college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze
                            wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van
                            een commissie moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen
                            van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                            wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een
                            apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen
                            van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het
                            college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie
                            gebruik te maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze
                            verordening is te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                            www.modelverordeningen.nl.</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de
                            monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                            over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het
                            college, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van
                            de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                            beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens
                            kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                            welstandscommissie.</al><al><cursief>Sub n</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden
                            in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In
                            dat geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden
                            opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch
                            onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden
                            aangetroffen.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere
                            toelichting behoeft zijn een tweetal begripsbepalingen die ten opzichte
                            van de voorgaande versie van de model monumentenverordening zijn
                            geschrapt. Het gaat om de volgende begrippen:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                            deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat
                            het college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een
                            bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot
                            monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een
                            dergelijk onderzoek te verrichten, met name vanwege de kosten. Daarnaast
                            is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om
                            binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk onderzoek
                            gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen is
                            binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die
                            hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een
                            bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt
                            binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt binnengetreden
                            in het kader van toezicht op de naleving van de verordening. Het
                            ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                            aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                            aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente omtrent de
                            afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                            monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                            voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de
                            cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                            aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente
                            bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                            noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                            komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de
                            omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van
                            het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb
                            maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                            bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                            worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                            dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels,
                            maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar
                            instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10
                            vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een
                            monument (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing
                            heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel
                            noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een
                            bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer verplicht
                            stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                            bouwhistorisch onderzoek.</al><al>·Ook het kerkelijk monument keert niet terug in de modelverordening. Dit
                            op grond van het feit dat de wijze van aanwijzing niet wezenlijk anders
                            is dan voor reguliere (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze
                            modelverordening is namelijk dat gemeenten overleg voeren met de
                            eigenaar/gebruiker van het aan te wijzen object. Het bestaande (en
                            wellicht ook toekomstige) gebruik van het object moet daarbij worden
                            meegenomen, zodat op dit punt ook het wezenlijke belang van de
                            godsdienstuitoefening kan worden geborgd. Een speciale regeling voor
                            kerkelijke monumenten is daarmee niet noodzakelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. In
                            toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                            kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze model
                            erfgoedverordening is opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van
                            kerkgenootschappen, namelijk de erediensten, kan daarmee op grond van
                            deze bepaling worden gewaarborgd, zodat ook in die zin geen
                            afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke monumenten
                            noodzakelijk is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat
                            betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                            monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie
                            art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art.
                            10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen bouwvergunning is
                            vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te
                            perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving
                            zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                            monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk
                            deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan
                            zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere
                            onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                            wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                            bouwvergunning.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie
                            reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing
                            als gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in
                            de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken,
                            gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een gemeentelijke
                            monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                            wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                            motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                            consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming
                            dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                            grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel
                            6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                            administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                            staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                            omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving)van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen
                            van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van
                            spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                            monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn
                            gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college
                            van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat
                            monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het
                            geval dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen
                            en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                            registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                            monumentenverordening dit zelf regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te
                            eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag
                            dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de
                            lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en
                            met 21 van de Wet juncto artikel 13 van deze verordening regelen de
                            vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door het
                            college. In dit artikel gaat het derhalve alleen over gemeentelijke
                            monumenten. Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en
                            gemeentelijke monumenten procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op
                            elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager, maar ook voor de
                            behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van praktische
                            betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg worden
                            afgehandeld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke
                            monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende
                            gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                            4:15). In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente
                            aangeven welke gegevens zijn vereist. In dat kader kan (zoals reeds
                            eerder is in de algemene toelichting bij het geschrapte onderdeel van
                            het bouwhistorisch onderzoek) ook het overleggen van een rapportage met
                            betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de
                            vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                            evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in
                            relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten.
                            Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het
                            laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening
                            opgenomen hoeft te worden.</al><al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers
                            dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                            mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen
                            worden beperkt tot 1 exemplaar en kunnen bouw- en monumentenvergunning
                            ook op dit punt (indieningsvereisten) worden gecombineerd. Omdat een
                            monumentenvergunning verleend moet zijn voordat een bouwvergunning kan
                            worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door, gelijktijdig met het
                            noodzakelijke adviseringstraject van de monumentencommissie en RACM, ook
                            het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te starten.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college
                            om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van
                            het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid.
                            Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke
                            monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere
                            onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                            niet voor relatief eenvoudige wijzigen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                            kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden
                            geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen
                            dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                            vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                            toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                            monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden
                            opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                            geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen)
                            kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het
                            kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de
                            bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te
                            staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg staat centraal bij dit
                            artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                            medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met
                            de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van
                            toepassing op de verlening van de monumentenvergunning voor
                            rijksmonumenten op grond van de Aanpassingswet uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005, 282. Complicerend is dat
                            voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In deze verordening
                            is ervoor gekozen om deze procedure ook van toepassing te verklaren voor
                            de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke monumenten.
                            Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar een
                            ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                            aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal
                            zaken moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten
                            slotte zes weken ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als
                            er zienswijzen binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de
                            gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen
                            (Awb artikel 3:15, derde lid). De verwerking van de zienswijzen in het
                            definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de
                            vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen zijn
                            binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken van de
                            termijn voor de ter inzagelegging gepubliceerd worden en neemt het
                            dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier weken na het einde
                            van deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde lid).</al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke
                            termijn kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn
                            gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of
                            omstreden onderwerp betreft én de aanvrager in de gelegenheid gesteld is
                            hierover zijn zienswijze kenbaar te maken (Awb artikel 3:18, tweede
                            lid).</al><al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op
                            basis van een schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag
                            wordt ingediend.</al><al>De ter inzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar
                            tegen het definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter inzage leggen
                            van een ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht.
                            Omdat de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit
                            in te dienen, is tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep
                            mogelijk. Een volgende beperking is dat alleen de aanvrager en
                            belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht
                            (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die een goede reden hebben geen
                            zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13) beroep kunnen
                            instellen.</al><al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de
                            bouwvergunning. Het vereist (en het niet verleend) zijn van een
                            gemeentelijke monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de
                            bouwvergunning (art 44 sub e Woningwet). Wanneer een
                            monumentenvergunning is aangevraagd en daarop niet is beslist (of deze
                            is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig geweigerd moeten worden.
                            Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de Woningwet alleen een
                            aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten is opgenomen
                            (artikel 54 Woningwet). Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure
                            de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de monumenten-
                            en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                            indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de
                            bouwvergunning verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege
                            verleend, omdat de Woningwet boven de monumentenverordening gaat. Er mag
                            echter pas gebruik gemaakt worden van de bouwvergunning als ook de
                            monumentenvergunning is verleend.</al><al>In het vierde lid wordt bij niet tijdige besluitvorming door het college
                            de vergunning geacht te zijn verleend. Indien het behoud van monumenten
                            een van de meest wezenlijke speerpunten van een gemeente is en men dus
                            niet van rechtswege vergunningen wil verlenen, kan in het artikel
                            ‘verleend’ worden vervangen door ‘geweigerd’. Let wel, indien voor deze
                            benadering wordt gekozen, wordt het belang van het behoud van het
                            monument duidelijk geplaatst boven het belang van de burger om het
                            object te wijzigen. Dit geeft het college meer lucht bij de
                            besluitvorming, maar is voor de aanvrager erg frustrerend en verhoogd de
                            administratieve lasten.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd
                            en opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt
                            opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is
                            ingesteld, op het beroep is beslist. Titel 8.3 van de Awb is van
                            overeenkomstige toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben
                            om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                            rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet
                            1988 en afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor Archeologie
                            Cultuurhistorisch landschap en Monumenten (hierna: RACM) en, buiten de
                            bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee
                            maanden na verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet
                            1988, artikel 16.2). Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na
                            ontvangst van het laatste van de adviezen van RDMZ en GS plaatsvinden
                            (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan nog
                            slechts door een beperkt groep van belanghebbende beroep worden
                            ingesteld (zie de toelichting bij artikel 11).</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de
                            rijksdienst zal ingaande 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn.
                            Daarom wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van
                            de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning’ los
                            gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en
                            herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht van toepassing
                            blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de
                            rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009 een monumentencommissie
                            moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het
                            overgangsartikel 64 in de monumentenwet, waarin de rijksdienst bij
                            afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, wordt
                            ingetrokken. Indien het monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                            college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te
                            zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht
                            invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee
                            maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand kenbaar
                            maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst
                            ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te
                            voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies
                            van de monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de
                            vergunning, is in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt
                            te hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde
                            adviestermijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006
                            verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als
                            bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te
                            houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
                            Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta)
                            en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                            waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                            bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                            overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´
                            is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 14 de nodige
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van
                            artikel 14 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan …
                            cm de bodem te verstoren. In de bepaling is nadrukkelijk geen standaard
                            diepte opgenomen, aangezien de lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In
                            het buitengebied kan mogelijk volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij
                            nog steeds voldoende bescherming kan worden geboden, terwijl een
                            dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern mogelijk al
                            bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende te
                            beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf een invulling aan geven.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 14 worden een vijftal
                            uitzonderingsmogelijkheden geven op het eerste lid. In onderdeel a kan
                            van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken indien de verstoring
                            plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als
                            aangegeven op de landelijk of een provinciale archeologische
                            waardekaart. Een gemeente kan van deze kaarten gebruik maken indien het
                            zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke archeologische
                            waardekaart. Deze waardekaarten hanteren over het algemeen een
                            driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem
                            kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden is
                            vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied.
                            Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2
                            kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge
                            verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag
                            plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze
                            grenzen dient voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er
                            binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden
                            aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte
                            dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de
                            aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te
                            treffen archeologische sporen. Om dezelfde reden als in het eerste lid
                            zijn ook in dit onderdeel geen standaardwaarden opgenomen, zodat de
                            lokale situatie hieraan een invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date
                            is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat
                            geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende
                            archeologische waardekaart, voldoende bescherming aan de in de bodem
                            aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een drietal vrijstellingsmogelijkheden genoemd uit
                            de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand
                            komen doordat bij de aanvraag tot vrijstelling voorschriften kunnen
                            worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied
                            waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de
                            voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de
                            archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                            vastgesteld. Een dergelijke uitzondering wordt feitelijk ook in
                            onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de aanvraag
                            van een vrijstelling. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d.
                            worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid
                            2, van de Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van
                            het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van
                            dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen
                            aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                            archeologische monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                            ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                            aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                            archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden
                            worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten
                            omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een en
                            ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                            functioneren indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in
                            haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide
                            regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst,
                            dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog
                            steeds voldoende bescherming bij opgravingen aangezien al in de
                            Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat
                            een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een
                            rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                            terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de
                            eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                            geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                            programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder
                            a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van
                            aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven
                            in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op
                            grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld
                            met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en
                            de beoordeling van het plan van aanpak.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig
                            is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle in het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m
                            e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                            ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor een
                            gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen
                            zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                            schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de
                            raad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere
                            of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
                            de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                            geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                            feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de
                            tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente
                            niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                            categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel
                            11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te
                            breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,-
                            (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte
                            van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                            werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie
                            of een hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5,
                            waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                            handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                            voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                            zijnde personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn
                            met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                            toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan
                            plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen
                            (niet-woningen).Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond
                            van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in
                            artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                            doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt
                            dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening,
                            zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp
                            regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet
                            achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een
                            vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening
                            (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om vergunning voor
                            gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening
                            is allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (lid 1) en daarna
                            voor rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139
                            van de Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen
                            geregeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen
                            van de oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in
                            de verordening, is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term
                            ‘erfgoed’.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>