<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR33107_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad 2014/0259786</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0009640">Flora- en faunawet, artikel 65, vierde lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005645">Provinciewet, artikel 145</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-09-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-09-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 1 en 3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/0206844</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 10-9-2014</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal blad 2014/0259786</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><structuurtekst><al><vet>§ 1. De Flora- en faunawet </vet></al><al>De Flora- en faunawet <noot id="d15e70"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Wet van 25 mei 1998, houdende
                                    regels ter bescherming van in het wild levende planten- en
                                    diersoorten.]</noot.al></noot>(hierna: de wet) geeft een geïntegreerd stelstel van regels voor
                            de bescherming van in het wild levende planten en dieren. De wens deze
                            flora en fauna in stand te houden, ‘stoelt op de ethische erkenning van
                            het autonome bestaansrecht van in het wild levende planten en dieren,
                            uit het besef dat zij een onvervangbaar onderdeel zijn van het
                            ecosysteem, alsmede uit de wens tot het behoud van de genetische
                            variatie en de diversiteit in de soorten. Dit brengt met zich mee dat
                            niet slechts de dier- en plantensoorten die met uitsterven worden
                            bedreigd dienen te worden beschermd. <noot id="d15e79"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Uit de Memorie van Toelichting
                                    Flora en faunawet.]</noot.al></noot> De wettelijke bescherming van planten en dieren is één van de
                            middelen om de mens aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid met
                            betrekking tot de natuur in het algemeen en de wilde flora en fauna’ in
                            het bijzonder. Andere instrumenten in het natuurbeleid zijn o.a. de
                            Natuurbeschermingswet en het Programma Beheer. </al><al>De beschermende functie van de wet bestaat primair uit een aantal
                            algemene verbodsbepalingen op bepaalde handelingen jegens bij de of
                            krachtens de wet aangewezen beschermde inheemse planten- en diersoorten.
                            Hoofdstuk III van de wet bevat de algemene verbodsbepalingen, waarvan
                            paragraaf 2 met de artikelen 9 tot en met 12 bepalingen geeft
                            betreffende dieren in hun natuurlijke leefomgeving. Op grond hiervan is
                            het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te
                            doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op
                            te sporen, opzettelijk te verontrusten; nesten, holen, of andere
                            voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van de dieren te
                            beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren en
                            de eieren van deze dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te
                            beschadigen of te vernielen. De verbodsbepalingen van de wet gelden in
                            beginsel voor alle diersoorten die in Nederland van nature aanwezig
                            zijn. Voor vogels reikt de bescherming tot het gehele grondgebied van de
                            lidstaten van de Europese Unie. Overtreding van deze verboden levert een
                            economisch delict op en is overeenkomstig de Wet economische delicten
                            strafbaar gesteld. </al><al><vet>§ 2. Beheer en bestrijding van schade</vet></al><al>De algemene beschermingsmaatregelen van de wet kunnen echter niet zover
                            gaan dat ingrijpen nimmer mogelijk zou zijn. Bepaalde maatschappelijke
                            belangen kunnen rechtvaardigen ingrepen voor een redelijk doel toe te
                            staan. De wet kenmerkt als redelijk doel onder meer de bestrijding van
                            planten en dieren ter bescherming van gewassen. Hiertoe is het op grond
                            van artikel 65 van de wet mogelijk de grondgebruiker toe te staan in
                            afwijking van de bepalingen in artikel 9 tot en met 12 van de wet,
                            bepaalde handelingen te verrichten om schade door deze, i.c. diersoorten
                            te (kunnen) voorkomen. Dat houdt in dat de vrijstelling van kracht is op
                            het moment dat er belangrijke schade dreigt of optreedt. Een dergelijke
                            vrijstelling sluit aan bij de in de praktijk bestaande behoefte
                            diersoorten te kunnen bestrijden in verband met schade aan gewassen,
                            vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Daarbij onderscheidt de
                            wet soorten die in het gehele land en soorten die in delen van het land
                            veelvuldig belangrijke schade aanrichten. Deze soorten worden bij
                            algemene maatregel van bestuur aangewezen. </al><al>Met het Besluit beheer en schadebestrijding dieren<noot id="d15e97"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Besluit van 28 november 2000, Stb.
                                    521, houdende regels voor beheer en bestrijding van schade
                                    aangericht door dieren.]</noot.al></noot> (hierna: Besluit) heeft de wetgever de soorten aangewezen die in
                            het gehele land en die in delen van het land veelvuldig belangrijke
                            schade aanrichten. Artikel 2 van het Besluit geeft aan welke soorten in
                            het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten (de landelijke
                            lijst): het betreft Mol (Talpa europaea), Konijn (Oryctolagus cuniculus)
                            en Houtduif (Columba palumbus) die veelvuldig belangrijke schade aan
                            land- en tuinbouwgewassen veroorzaken. Bij artikel 3 van het Besluit
                            zijn de soorten aangewezen die in delen van het land veelvuldig
                            belangrijke schade aanrichten (de provinciale lijst) <noot id="d15e106"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Van een aantal soorten zijn op dit
                                    moment onvoldoende schadereferenties of gegevens anderszins
                                    bekend en/of bestaat onduidelijkheid over de effectiviteit van
                                    een aantal preventieve maatregelen. ]</noot.al></noot>en waarvoor geen landelijke vrijstelling nodig is gevonden: het
                            betreft 21 soorten waaronder een aantal kraaiachtigen en
                            trekvogelsoorten. De schade die deze soorten veroorzaken, varieert naar
                            aard zoals schade aan fruitbomen, vraat, bevuiling van grasland en
                            (winter)graan, als naar geografie; ganzen, smienten, meerkoeten en
                            knobbelzwanen veroorzaken veelvuldig schade in het noorden en zuidwesten
                            van het land. Voor een overzicht van de schade van deze soorten in
                            Overijssel wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van deze
                            verordening. </al><al><vet>§ 3. Vrijstellingen bij het beheer en bestrijding van
                            schade</vet></al><al>De aanwijzing van schadeveroorzakende soorten betekent niet dat hiermee
                            alle verboden handelingen bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 van de
                            wet voor deze soorten zijn toegestaan. Per aangewezen soort moet bij
                            ministeriële regeling <noot id="d15e120"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Regeling van de Staatssecretaris
                                    van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij houdende bepalingen voor
                                    beheer en schadebestrijding aangericht door dieren van 11
                                    december 2001, nr. TRCJZ/2001/15319, Stcrt. Nr. 241 van 12
                                    december 2001 (Regeling beheer en schadebestrijding
                                    dieren).]</noot.al></noot>onderscheidenlijk provinciale verordening worden aangegeven welke
                            van deze handelingen mogen worden verricht. Uitgangspunt hierbij is,
                            overeenkomstig artikel 73 van de wet, dat beschermde, in het wild
                            levende dieren zoveel mogelijk met rust moeten worden gelaten en onnodig
                            lijden wordt voorkomen. Een dergelijke regime is nodig geacht nu
                            vrijstellingen slechts mogen worden verleend voorzover er geen andere
                            bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan
                            een gunstige staat van instandhouding van de soort. </al><al>Met de onderhavige verordening wordt invulling gegeven aan de
                            provinciale vrijstellingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 65, vierde
                            lid van de wet. Hiertoe wordt per soort nauwkeurig aangegeven welke
                            handelingen de grondgebruiker op de door hem gebruikte gronden of in of
                            aan door hem gebruikte opstallen in dit verband mag verrichten en welke
                            middelen hiertoe mogen worden gebruikt om onnodig lijden van dieren te
                            voorkomen. Ingevolge artikel 79 van de wet kunnen hierbij voorschriften
                            worden gesteld en/of kan vrijstelling onder beperkingen worden verleend;
                            het is verboden te handelen in strijd met bij een vrijstelling gestelde
                            voorschriften en beperkingen. De soorten die in Overijssel veelvuldig
                            belangrijke schade aanrichten en derhalve op de provinciale staan zijn
                            vermeld in bijlage 1 van deze verordening. </al><al><vet>§ 4. Grondgebruiker </vet></al><al>De in het kader van het beheer en de bestrijding van schade vrijgestelde
                            handelingen betreffen de grondgebruiker, hetzij als eigenaar, hetzij
                            krachtens een beperkt recht, hetzij krachtens een pachtovereenkomst.
                            Niettemin hoeft het op grond van de wet niet in alle gevallen de
                            grondgebruiker zelf te zijn die het hem toekomende recht uitoefent. Zo
                            kan deze, op grond van artikel 65, vijfde lid van de wet het hem
                            toekomende recht door anderen laten uitoefenen indien hij hiertoe
                            schriftelijke toestemming heeft gegeven. Indien deze toestemming wordt
                            verleend aan een houder van een jacht- of valkeniersakte is deze
                            gerechtigd, behalve de bij wet voorgeschreven middelen, tevens de
                            middelen te gebruiken waarvan hem het gebruik is toegestaan. Op grond
                            van artikel 66 van de wet is het ten aanzien van de grondgebruiker
                            bepaalde van overeenkomstige toepassing voor de gebruiker van opstallen,
                            niet zijnde grondgebruiker, voorzover het de door hem gebruikte
                            opstallen en de daarbij behorende erven betreft. Voorzover er bij of
                            krachtens provinciale verordening regels zijn gesteld, is op grond van
                            artikel 65, zesde lid van de wet nietig elk beding dat de grondgebruiker
                            de uitoefening van dit gebruik belet. </al><al><vet>§ 5. Doden van dieren </vet></al><al>In de toelichting op het Besluit is aangegeven dat het in de rede ligt
                            dat provincies ten aanzien van de op de provinciale lijst aangewezen
                            soorten het de grondgebruiker in beginsel slechts toestaan deze soorten,
                            in afwijking van artikel 10 van de wet, opzettelijk te verontrusten en
                            géén toestemming verlenen voor het vangen en doden van deze dieren of
                            voor het rapen van hun eieren. Een dergelijke terughoudendheid geldt,
                            overeenkomstig het beleid inzake trekkende soorten, in het bijzonder
                            voor ganzen en andere trekkende soorten. Voor verdergaande maatregelen
                            dan opzettelijk verontrusten is primair het instrument van de ontheffing
                            op grond van artikel 68 van de wet bedoeld, om aldus de mogelijkheid op
                            de meest effectieve wijze van schadebestrijding (tijdig) te kunnen
                            beoordelen. Met dit instrument kan een beoordeling op basis van een
                            planmatige aanpak van de schadeproblematiek, en op basis van een bredere
                            belangenafweging, w.o. de voorkoming van schade aan flora en fauna,
                            plaatsvinden. </al><al>Niettemin heeft de praktijk uitgewezen dat voor een aantal soorten die
                            veelvuldig belangrijke schade veroorzaken, opzettelijk verontrusten niet
                            effectief is, d.w.z. dat hier geen schadevoorkomend of beperkend effect
                            van uit gaat, zodat het niet als een bevredigend oplossing kan worden
                            aangemerkt. In dit licht verdient derhalve niet in alle gevallen de
                            verjaging zonder afschot als vorm van schadebestrijding de voorkeur
                            boven het afschieten van dieren. In dergelijke gevallen kan, onder
                            gedegen onderbouwing, worden toegestaan deze soorten, in afwijking van
                            artikel 9 van de wet, te vangen en te doden. Het Faunafonds stemt
                            hiermee in. Voorts constateert het Faunafonds in dit verband dat voor
                            bepaalde diersoorten op voorhand vaststaat dat verdergaande maatregelen
                            dan opzettelijke verontrusting nodig is. In de artikelsgewijze
                            toelichting van deze verordening wordt ingegaan op de wijze waarop met
                            deze verordening in een dergelijke vrijstelling is voorzien. </al><al><vet>§ 6. Gebruikmaking van middelen</vet></al><al>Met artikel 5 van het Besluit worden de middelen aangewezen waarmee op
                            grond van artikel 72, eerste lid van de wet dieren mogen worden gevangen
                            en gedood en stellen de artikelen 6, 7 en 9 van het Besluit regels aan
                            het gebruik van de in artikel 7 van het Besluit genoemde middelen.
                            Indien het de grondgebruiker bij provinciale verordening is toegestaan
                            een of meerdere beschermde diersoorten te doden, kan dit slechts
                            plaatsvinden met de in wet en Besluit aangegeven middelen en met
                            inachtneming van de hierbij aangegeven regels die aan het gebruik van
                            deze middelen zijn gesteld. In de artikelsgewijze toelichting wordt
                            ingegaan op de bestrijdingsmiddelen die ter voorkoming van veelvuldig
                            voorkomende belangrijke schade bij de specifieke handelingen door de
                            grondgebruiker, op grond van deze verordening zijn toegelaten. </al><al><vet>§ 7. Relatie met provinciaal faunabeleid(splan)</vet></al><al>Samenhangend met hun bij wet geattribueerde taken en bevoegdheden,
                            stellen GS een faunabeleidsplan op; i.c. de Provinciale nota
                            beleidsregels faunabeheer (de nota). Met deze verordening wordt GS (ook)
                            een kader geboden waarmee zij de nota nader vorm en inhoud kunnen geven.
                            Immers, handelingen ter voorkoming en bestrijding van schade die niet
                            bij verordening zijn vrijgesteld van de verboden bij artikel 9 tot en
                            met 12 van de wet, kunnen naar het oordeel van GS regeling krijgen. Het
                            betreft hierbij het volgende. </al><al>Hoofdstuk IV van de wet geeft bepalingen omtrent de aanwijzing van een
                            beschermde leefomgeving en de gevolgen van die aanwijzing. Artikel 26
                            van de wet regelt een aantal gevolgen van deze aanwijzing. Als één van
                            de gevolgen geldt een verbod op het (doen) verrichten van de in het
                            besluit tot aanwijzing van een beschermde leefomgeving genoemde
                            handelingen. De bij provinciale verordening vrijgestelde handelingen die
                            ook in het besluit tot aanwijzing van een beschermde leefomgeving zijn
                            genoemd, zijn vervolgens ingevolge artikel 26, vijfde lid van de wet,
                            tot de meldingsplicht ex artikel 26, eerste lid van de wet gehouden. Aan
                            het (mogen) verrichten van deze handelingen kunnen GS voorschriften
                            verbinden, welke mede tot compensatie van de schade kunnen strekken.
                            Hiermee geeft de wet voorrang aan het meldingenstelsel ex artikel 26 van
                            de wet boven die aan de bestrijding van schade. Vrijstellingen op grond
                            van de provinciale verordening worden in een beschermde leefomgeving
                            derhalve op andere wijze uitgeoefend. </al><al>Op grond van artikel 67 van de wet kunnen GS bepalen dat de stand van
                            bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten,
                            andere diersoorten of verwilderde diersoorten op andermans gronden kan
                            worden beperkt. Met voornoemde Regeling beheer en schadebestrijding
                            dieren zijn bedoelde diersoorten aangewezen. Naast een aantal exoten en
                            wildsoorten die ook reeds onder de Jachtwet als zodanig waren
                            aangewezen, is ook een aantal andere diersoorten aangewezen zoals de
                            Knobbelzwaan en de Muntjak (Muntiacus reevesi). Dieren behorende tot
                            deze soorten richten over het algemeen grote schade aan. Van belang is
                            dan ook dat ter voorkoming van belangrijke schade de stand van deze
                            soorten kan worden beperkt. Een tweetal van bedoelde diersoorten komt
                            ook voor op de provinciale lijst: Grauwe gans en Knobbelzwaan. In de
                            artikelsgewijze toelichting van deze verordening wordt ingegaan op de
                            wijze waarop vrijstelling voor deze soorten wordt verleend. </al><al>Voorzover geen vrijstelling is verleend, kunnen GS op grond van artikel
                            68 van de wet voor de in dit artikel limitatief aangegeven belangen ten
                            aanzien van beschermde inheemse diersoorten onder voorwaarden en
                            beperkingen ontheffing verlenen aan zgn. faunabeheereenheden (fbe’s) op
                            basis van een zgn. faunabeheerplan. In bepaalde bij wet genoemde
                            situaties kan ook een dergelijke ontheffing worden verleend aan anderen
                            dan een fbe. Eventuele bestrijding van schade veroorzaakt door dieren
                            behorende tot beschermde inheemse diersoorten die niet zijn aangewezen
                            met voornoemd Besluit of de Regeling beheer en schadebestrijding dieren
                            valt ook onder dit ontheffingsinstrument. </al><al><vet>§ 8. Relatie tot de jacht </vet></al><al>Titel II van de wet geeft regeling aan de uitoefening van de jacht. De
                            wet onderscheidt de uitoefening van de jacht nadrukkelijk van die van
                            het beheer en bestrijding van schade. Desondanks ligt hier ingevolge de
                            definitie van jagen in artikel 1 van de wet wel een relatie. Immers,
                            jagen betreft het bemachtigen, doden, of met het oog daarop opsporen van
                            wild, alsmede het doen van pogingen daartoe, ongeacht of dit gebeurd
                            vanuit het oogmerk van jacht of van de bestrijding van schade. </al><al>Voorzover er aldus sprake is van jacht op deze wildsoorten, zijn de in
                            de wet, het Jachtbesluit<noot id="d15e168"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Besluit van 28 november 2000, Stb.
                                    520, houdende regels ten aanzien van de jacht.]</noot.al></noot> en de hierop gebaseerde Jachtregeling<noot id="d15e177"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Jachtregeling van 14 december
                                    2001/TRCJZ/2001/15318, Stcrt. Nr. 244 van 17 december
                                    2001.]</noot.al></noot> neergelegde bepalingen omtrent jagen van toepassing. </al><al>Tot wild behoren de bij artikel 32, eerste lid van de wet bedoelde
                            diersoorten, die in de voor hun aard natuurlijke vrij-heid leven. Een
                            tweetal van de bij artikel 32 van de wet aangewezen diersoorten komt ook
                            voor op de provinciale lijst: Haas en Wilde eend. In de artikelsgewijze
                            toelichting van deze verordening wordt ingegaan op de wijze waarop voor
                            deze soorten vrijstelling wordt verleend. </al><al>De wet geeft met artikel 31 vrijstelling van enkele verbodsbepalingen in
                            verband met de uitoefening van de jacht, voorzover dit in
                            overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 32 tot
                            en met 59 van de wet. Eén van deze vrijstellingen betreft het in
                            afwijking van artikel 9 en 10 van de wet mogen jagen op en het
                            opzettelijk verontrusten van wild. Artikel 53 van de wet stelt in dit
                            verband een aantal verboden betreffende de uitoefening van de jacht,
                            voorzover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is
                            bepaald. Van deze laatstgenoemde mogelijkheid is met het Jachtbesluit
                            gebruik gemaakt in de overweging dat een te strikte toepassing van de
                            regels een adequaat beheer en bestrijding van schade veroorzaakt door
                            betrokken wildsoorten in de weg zou kunnen staan. Artikel 15 van het
                            Jachtbesluit bepaalt hiertoe dat een aantal van de in artikel 53, eerste
                            lid van de wet genoemde jachtverboden niet geldt indien op deze
                            wildsoorten wordt gejaagd ter bestrijding van de door deze soorten
                            veroorzaakte schade. Behalve deze algemene vrijstellingen, kan de
                            minister van LNV op basis van artikel 75, derde lid van de wet ook in
                            individuele gevallen ontheffing verlenen van de jachtverboden. </al><al><vet>§ 9. Vrijstelling voor de vos </vet></al><al>Inmiddels is de Vos geplaatst op de landelijke vrijstellingslijst. Dit
                            betekent dat de Vos, voor het bestrijden van belangrijke landbouwschade
                            of schade aan weidevogels, met wettelijke toegestane middelen mag worden
                            gevangen en gedood. Voor het grbuk van kunstlicht kan de provincie
                            ontheffing verlenen. </al><al><vet>§ 10. Uitzonderingen en overige vrijstellingen </vet></al><al>Op de algemene beschermingsmaatregelen brengt zowel de wet zelf als het
                            op de wet gebaseerde Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora en faunawet<noot id="d15e200"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Besluit aanwijzing dier- en
                                    plantensoorten Flora en faunawet, Stb. 523]</noot.al></noot> voor enkele aangegeven categorieën diersoorten uitzonderingen
                            aan. Eén van deze uitzonderingen betreft bepaalde gedomesticeerde
                            diersoorten: voor aangewezen en door de mens als huisdier of in verband
                            met de productie gehouden soorten, zowel de gefokte exemplaren als de
                            exemplaren die zich in het wild kunnen handhaven, zijn de bepalingen van
                            de wet niet van toepassing. In relatie tot deze verordening zijn vooral
                            de aangemerkte gedomesticeerde vogels relevant; een tweetal hiervan komt
                            ook voor op de provinciale lijst, t.w. Grauwe gans en Wilde eend.
                            Gedomesticeerde dieren behorende tot voornoemde soorten vallen aldus
                            niet onder de bescherming van de wet. Ook de gedomesticeerde vorm van de
                            Rotsduif (Columba livia), de verwilderde duif (stads- of postduif)
                            behoort hiertoe. </al><al>Naast bijzondere vrijstellingen en ontheffingen voor o.a. het beheer en
                            bestrijding van schade, geeft de wet met artikel 75 de mogelijkheid
                            vrijstelling of ontheffing te verlenen indien hierin niet op basis van
                            een ander artikel van de wet kan worden voorzien. Met het voornoemd
                            Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten is op deze grond
                            een aantal vrijstellingen gegeven. Relevant in dit kader is de
                            vrijstelling voor gehouden dieren op grond van artikel 4, eerste lid van
                            dit besluit; voor gefokte dieren behorende tot een beschermde inheemse
                            diersoort, genoemd in dit besluit, alsmede de producten van deze dieren,
                            wordt vrijstelling verleend van o.a. de verboden bedoeld in artikel 9
                            tot en met 11 van de wet voorzover de houder kan aantonen dat de dieren
                            zijn gefokt ofwel dat de betrokken producten van gefokte dieren
                            afkomstig zijn. </al><al>Aangezien niet is gebleken dat het houden van deze gefokte dieren leidt
                            tot een slechtere staat van instandhouding van de soort waartoe ze
                            behoren, is vrijstelling getroffen om het bestaande beleid in dezen te
                            kunnen voortzetten. Een aantal van deze dieren komt ook voor op de
                            provinciale lijst: Bosmuis, Haas en Veldmuis. Een dergelijke
                            vrijstelling laat onverlet dat op het houden van dieren andere regels,
                            zoals die van bv. de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, van
                            toepassing (kunnen) zijn.</al><al><vet>§ 11. Overig </vet></al><al>Overeenkomstig artikel 65, lid 10 van de wet is het Faunafonds in de
                            gelegenheid gesteld over het ontwerp van deze verordening zijn oordeel
                            te geven; dit oordeel is bij deze verordening gevoegd. Op grond van
                            artikel 71 van de wet verschaffen GS de Minister van Landbouw,
                            Natuurbeheer en Voedselkwaliteit desgevraagd alle inlichtingen met
                            betrekking tot het bepaalde in deze verordening. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>inhoud</titel></kop><paragraaf><kop><titel>ALGEMENE BEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d15e234"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel bevat enkele
                                            begripsomschrijvingen. De omschrijvingen zijn ontleend
                                            aan de definities van de wet. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H53906_0_1_1_1_"> In deze verordening wordt verstaan
                                    onder:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_1_"> de wet: de Flora- en
                                            faunawet;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_2_"> beschermde inheemse
                                            diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4, lid 1 van
                                            de wet of aangewezen krachtens artikel 4, lid 2 of 3,
                                            van de wet;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_3_"> grondgebruiker: degene die
                                            gerechtigd is de grond te gebruiken, hetzij als
                                            eigenaar, hetzij krachtens een beperkt recht, hetzij
                                            krachtens een pachtovereenkomst;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_4_"> faunabeheereenheid:
                                            overeenkomstig artikel 29 van de wet erkend
                                            samenwerkingsverband van jachthouders.</al></li><li nr="e."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_5_"> [vervallen];</al></li><li nr="f."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_6_"> [vervallen];</al></li><li nr="g."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_7_"> [vervallen];</al></li><li nr="h."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_8_"> [vervallen];</al></li><li nr="i."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_9_"> significante verstoring:
                                            significante gevolgen zoals bedoeld in artikel 6, derde
                                            lid van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese
                                            Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding
                                            van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
                                            (PbEG L 206).</al></li><li nr="j."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_10_"> wildbeheereenheid (wbe):
                                            samenwerkingsverband van jachtaktehouders;</al></li><li nr="k."><al id="anker-H53906_0_1_1_1_11_"> roekenkolonie: de
                                            locatie, waar roeken gedurende de periode 1 december tot
                                            1 juni nestelen, broeden en de hulpbehoevende jongen
                                            verzorgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H53906_0_1_1_2_"> In deze verordening wordt mede
                                    verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H53906_0_1_1_2_12_"> eieren: schalen van
                                            eieren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H53906_0_1_1_2_13_"> gronden: wateren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 </titel></kop><lid><lidnr/><al>Van deze verordening maken de volgende bijlagen deel uit:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H53906_0_1_2_3_"> beschermde inheemse diersoorten
                                    waarvoor het in afwijking van artikel 10 van de wet is
                                    toegestaan dieren opzettelijk te verontrusten;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H53906_0_1_2_4_"> beschermde inheemse diersoorten
                                    waarvoor het in afwijking van artikel 9 van de wet is toegestaan
                                    dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met
                                    het oog daarop op te sporen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>VRIJSTELLINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H53906_0_2_3_5_"> Het is de grondgebruiker op de door
                                    hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen,
                                    in afwijking van artikel 10 van de wet toegestaan dieren
                                    behorende tot de in bijlage 1 genoemde beschermde inheemse
                                    diersoorten opzettelijk te verontrusten. <noot id="d15e324"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel bevat de
                                            vrijstelling voor het in afwijking van artikel 10 van de
                                            wet opzettelijk verontrusten van beschermde inheemse
                                            diersoorten die in delen van het land veelvuldig
                                            belangrijke schade aanrichten. In de belangenafweging
                                            tussen landbouw en het belang van de betrokken
                                            diersoorten, is met de aanwijzing van soorten op de
                                            provinciale lijst, het uitgangspunt geformaliseerd dat
                                            met een hoge mate van waarschijnlijkheid te verwachten
                                            is dat deze diersoorten meer dan normale schade zullen
                                            toebrengen aan gewassen. Hierin is de algemene erkenning
                                            vervat dat aan het voorkomen van belangrijke schade aan
                                            i.c. landbouwgewassen een belangrijk gewicht toekomt. </noot.al><noot.al>Niet alle van de op de provinciale lijst aanwezen
                                            soorten komen in gelijke mate voor in de provincie. Van
                                            het voorkomen van bepaalde soorten, zoals Brandgans of
                                            Rotgans, is in Overijssel vaak in het geheel geen
                                            sprake. Ook veroorzaakt de ene diersoort meer schade aan
                                            landbouwgewassen dan de ander. Dit laat onverlet dat de
                                            mogelijkheid hiertoe bestaat en dat plaatsing op de
                                            provinciale lijst voldoende aanleiding is
                                            schadebestrijding ten aanzien van deze soorten in
                                            voorkomende gevallen mogelijk te maken. In navolgend
                                            overzicht, gebaseerd op gegevens van het voormalig
                                            Jachtfonds en de voormalige Wildschadecommissie, staat
                                            aangegeven welk schade jaarlijks gemiddeld per soort in
                                            Overijssel wordt uitgekeerd. Met dit financiële
                                            overzicht wordt aldus een indicatie van de
                                            schadereferentie per aanwezen diersoort verkregen.
                                            ]</noot.al></noot></al><al><noot id="d15e335"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[Toelichting: Overzicht schade in Overijssel per
                                            jaar</noot.al><noot.al><vet> Nederlandse naam </vet>; <vet> Wetenschap-
                                                pelijke naam </vet>; <vet> Omschrijving uitgekeerde
                                                schade (in Overijssel/jaar) </vet>; </noot.al><noot.al>Brandgans; Branta leucopsis; € 11.222 - € 42.858; </noot.al><noot.al>Ekster; Pica pica; Geen; </noot.al><noot.al>Fazant; Phasianus colchicus; Geen; </noot.al><noot.al>Grauwe gans; Anser anser; € 205.825 - € 305.099,
                                            vaak in combinatie met andere overwinterende
                                            ganzensoorten.; </noot.al><noot.al>Haas; Lepus europaeus; Geen; </noot.al><noot.al>Holenduif ; Columba oenas; Incidenteel, vaak in
                                            combinatie met andere soorten. Jaarlijkse schade in
                                            gehele provincie minder dan € 1.000.; </noot.al><noot.al>Huismus; Passer domesticus; Geen; </noot.al><noot.al>Kleine rietgans; Anser brachyrhynchus; Geen; </noot.al><noot.al>Knobbel- zwaan; Cygnus olor; € 6.000 - € 14.000, de
                                            meeste schade veroorzaakt door overwinteraars, vaak in
                                            combinatie met andere soorten.; </noot.al><noot.al>Kolgans; Anser albifrons; € 236.577 - € 278.960,
                                            vaak in combinatie met andere overwinterende soorten,
                                            schade geheel in de winterperiode.; </noot.al><noot.al>Meerkoet; Fulica atra; Incidenteel, maximale schade
                                            circa € 2.500.; </noot.al><noot.al>Rietgans; Anser fabalis; Sterk variërend, altijd in
                                            groepen met andere overwinterende soorten; deze groepen
                                            veroorzaken schade variërend van (€ 14.921 - € 38.994),
                                            schade geheel in de winterperiode.; </noot.al><noot.al>Ringmus; Passer montanus; Geen; </noot.al><noot.al>Roek; Corvus frugilegus; € 1.000 - € 5.000,
                                            regelmatig in combinatie met andere kraaiachtigen.; </noot.al><noot.al>Rotgans; Branta bernicla; Geen; </noot.al><noot.al>Smient; Anas penelope; € 4.000 - € 18.000 vaak in
                                            combinatie met andere overwinterende soorten.; </noot.al><noot.al>Spreeuw; Sturnus vulgaris; Geen; </noot.al><noot.al>Wilde eend; Anas platyrhyn- chos; Variërend van €
                                            680 - € 7.000.; </noot.al><noot.al>Woelrat; Arvicola terrestris; Geen; </noot.al><noot.al>Bij dreigende schade moet onmiddellijk kunnen
                                            worden ingegrepen om het ontstaan van deze schade te
                                            voorkomen. Het stelsel van ontheffingverlening is hierop
                                            niet het juridische antwoord, ook niet omdat toezicht op
                                            de naleving van een op een dergelijk stelsel gebaseerd
                                            handelen zich nauwelijks/onmogelijk laat organiseren.
                                            Gelet op het voorgaande, is het gewenst ter voorkoming
                                            van veelvuldig belangrijke schade voor alle soorten op
                                            de provinciale lijst vrijstelling te verlenen voor het
                                            opzettelijk verontrusten van dieren behorende tot deze
                                            diersoorten. De wet geeft geen eisen voor de wijze
                                            waarop dit moet geschieden, maar gesteld kan worden dat
                                            gebruik wordt gemaakt van in de landbouw gangbare,
                                            geoorloofde methoden voor verstoring die gelet op de
                                            aard van de bestrijding proportioneel zijn en/of die
                                            niet anderszins zijn verboden. Vogelverschrikkers als
                                            vlaggen en linten zijn over het algemeen bevredigende
                                            oplossingen voor schadebestrijding. Overeenkomstig
                                            artikel 73 van de wet wordt in ieder geval geen gebruik
                                            gemaakt van middelen die onnodig lijden van dieren
                                            betekent. </noot.al><noot.al>De afgelopen jaren heeft zich een sterke groei van
                                            de populatie ganzen voorgedaan. Deze groei betreft zowel
                                            de stand (jaarrondverblijvende)- als de trekganzen. Als
                                            direct gevolg hiervan heeft ook de schade aan de
                                            landbouw een sterke groei laten zien. Met name de hoogte
                                            van tegemoetkomingen in schade aan de landbouw zijn de
                                            afgelopen jaren sterk gestegen en laten een exponentiële
                                            groei zien.</noot.al><noot.al>Om de steeds hoger wordende tegemoetkomingen in
                                            schade te temperen is het noodzakelijk vergaande
                                            populatiebeheermaatregelen mogelijk te maken om de
                                            schade veroorzaakt door met name jaarrond verblijvende
                                            ganzen te kunnen terugbrengen.</noot.al><noot.al>Over de oplossing van dit probleem hebben betrokken
                                            (landelijke) partijen en IPO gepoogd een akkoord te
                                            sluiten. Dit zogeheten Ganzenakkoord is uiteindelijk
                                            eind 2013 niet tot stand gekomen, omdat partijen het op
                                            het laatste moment niet eens konden worden. </noot.al><noot.al>De provincies hebben gezamenlijk afgesproken zelf
                                            met partijen afspraken te maken en daarbij zo dicht
                                            mogelijk bij het Ganzenakkoord te blijven, met ruimte
                                            voor maatwerk per provincie. Dit nieuwe beleid houdt het
                                            volgende in:</noot.al><noot.al>1 De populatie standganzen in Overijssel
                                                  wordt teruggebracht naar de aantallen in 2005.
                                                </noot.al><noot.al>2 Provinciale vrijstelling voor het
                                                  opzettelijk verontrusten van Grauwe gans en
                                                  Kolgans jaarrond. (geen vrijstelling voor
                                                  verstoren van nesten en doden van dieren)
                                                </noot.al><noot.al>3 Voor doden van Grauwe gans, Kolgans,
                                                  Brandgans en Rietgans is ontheffing mogelijk op
                                                  grond van het Faunabeheerplan</noot.al><noot.al>4 ‘Hand aan de kraan' principe, waarbij
                                                  nauwlettend (jaarlijks) de populatie ganzen, de
                                                  schade en afschot gemonitord wordt, zodat
                                                  maatregelen aangepast kunnen worden wanneer de
                                                  schade is teruggebracht naar een aanvaardbaar
                                                  niveau of de instandhoudingsdoelen voor de
                                                  trekganzen in de voor hen aangewezen
                                                  Natura2000-gebieden in gevaar komen. </noot.al><noot.al>5 Voor exoten wordt een nulstand nagestreefd
                                                  zoals in huidig beleid.</noot.al><noot.al>Als gevolg van dit beleid is de beperking voor
                                            verontrusten van de ganzensoorten in de
                                            foerageergebieden en de voor deze ganzensoorten en voor
                                            andere soorten aangewezen Natura2000-gebieden
                                            geschrapt.</noot.al><noot.al>In het kader van de Natuurbeschermingswet zal de
                                            grondgebruiker, die in of nabij een Natura2000-gebied
                                            deze handelingen wil verrichten - ter voorkoming van
                                            significante verstoring van aangewezen soorten - een
                                            voortoets moeten uitvoeren en kan eventueel een
                                            Natuurbeschermingswetvergunning nodig zijn.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H53906_0_2_3_6_"> [vervallen]</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d15e427"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Als bevredigende oplossing
                                            moeten worden beschouwd, handelingen die wettelijk
                                            t.a.v. een aantal soorten zijn toegestaan en die een
                                            schadebeperkend effect hebben. Als methoden niet
                                            effectief zijn, d.w.z. geen schadevoorkomend of
                                            -beperkend effect uitgaat, kan een dergelijke methode
                                            niet als bevredigend worden aangemerkt. Vaak kunnen ook
                                            niet alle middelen worden toegepast. Zo staan bepaalde
                                            Algemene Politieverordeningen (APV’s) in een aantal
                                            gevallen het gebruik van knalapparaten niet toe en is
                                            het gebruik van netten en afdekzeilen voor grote
                                            oppervlakten gewassen praktisch niet uitvoerbaar. Ook is
                                            het feitelijk niet mogelijk de effectiviteit van andere
                                            middelen in alle gevallen zodanig vast te stellen dat
                                            zij als andere bevredigende oplossing kunnen worden
                                            aangemerkt. In dit licht is het ook niet mogelijk van de
                                            grondgebruiker te verlangen dat alternatieve middelen
                                            moeten worden toegepast waarvan de werking niet of
                                            nauwelijks is bewezen. In dergelijke situaties zijn
                                            verdergaande maatregelen gevraagd. </noot.al><noot.al>Dit artikel voorziet in verdergaande maatregelen
                                            dan het opzettelijk verontrusten zoals bedoeld in
                                            artikel 3 van deze verordening. Concreet is bepaald dat
                                            in afwijking van artikel 9 van de wet het is toegestaan
                                            een drietal diersoorten van de provinciale lijst te
                                            doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met
                                            het oog daarop op te sporen voorzover hierbij gebruik
                                            wordt gemaakt van het geweer. Niet is opgenomen de
                                            vrijstellingsbevoegdheid voor het in afwijking van
                                            artikel 11 en 12 van de wet, verstoren van nesten of het
                                            zoeken en rapen van eieren. Na het evaluatie- en
                                            monitoringsmoment zoals bedoeld in artikel 13, tweede
                                            lid van het Besluit, kan na twee jaar een dergelijke
                                            vrijstelling mogelijk wel worden getroffen; op dit
                                            moment is niet of onvoldoende te onderbouwen dat voor
                                            een dergelijke maatregel uit het oogpunt van
                                            schadebestrijding een algehele vrijstelling kan worden
                                            verleend. Mocht in voorkomende gevallen toch een
                                            dergelijke handeling gewenst zijn, geeft het
                                            ontheffinginstrument hiertoe de mogelijkheid.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H53906_0_2_4_7_"> Het is de grondgebruiker op de door
                                    hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen,
                                    in afwijking van artikel 9 van de wet toegestaan dieren
                                    behorende tot de in bijlage 2 genoemde beschermde inheemse
                                    diersoorten te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of
                                    met het oog daarop op te sporen. Dit geldt uitsluitend voor
                                    percelen waarop schade optreedt of dreigt. <noot id="d15e442"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Zoals in de algemene
                                            toelichting is aangegeven, heeft de wetgever in het
                                            Besluit beheer en schadebestrijding de provincies
                                            opgeroepen terughoudendheid te betrachten ten aanzien
                                            van het in afwijking van artikel van de wet toestemming
                                            verlenen tot het vangen en doden van beschermde inheemse
                                            dieren. Indien uit het oogpunt van schadebestrijding een
                                            dergelijke inbreuk op de wettelijke bescherming
                                            noodzakelijk wordt geacht, is het instrument van de
                                            ontheffing de aangewezen manier deze beoordeling te
                                            maken. Niettemin kan uit het overzicht onder de
                                            toelichting op artikel 3 van deze verordening worden
                                            opgemaakt, dat enkele soorten voor aanzienlijke bedragen
                                            schade aan landbouwgewassen (o.m. ingezaaid grasland en
                                            graangewassen) in Overijssel veroorzaken, individueel of
                                            in groepen, t.w.: Grauwe gans, Kauw, Knobbelzwaan,
                                            Kolgans, Rietgans, Roek en Zwarte kraai. </noot.al><noot.al>Schade veroorzaakt door de Grauwe gans, Rietgans en
                                            de Knobbelzwaan kan het gevolg zijn van zowel in de
                                            provincie broedende vogels als van overwinterende
                                            vogels. Schade veroorzaakt door de Kol- en de Rietgans
                                            is vrijwel altijd het gevolg van overwinterende vogels.
                                            De veroorzaakte schade bestaat uit vraatschade,
                                            voornamelijk aan (pas ingezaaid) grasland, vertrapping
                                            en vervuiling hiervan, met als gevolg verslemping van de
                                            bodem. De genoemde soorten laten zich over het algemeen
                                            moeilijk verjagen bij/van voor deze soorten
                                            aantrekkelijke gewassen. Het opzettelijk verstoren
                                            volstaat hierbij in veel gevallen niet. </noot.al><noot.al>Per 11 september 1999 is besloten , vooruitlopend
                                            op inwerkingtreding van de wet en mede op grond van
                                            advies van het Faunafonds, de jacht te sluiten op
                                            ganzen; voor zover afschot van deze dieren werd
                                            aangevraagd, werd vergoeding van schade beschouwd als
                                            een bevredigend alternatief voor afschot en kon derhalve
                                            de vergoeding als afwijzingsgrond hiertoe gelden. Vanaf
                                            2004 is deze situatie gewijzigd. </noot.al><noot.al>Voor overwinterende ganzen (Grauwe gans, Kolgans)
                                            en Smient (en de mengsoorten Brandgans en Kleine
                                            Rietgans) zijn met ingang van 2004 foerageergebieden
                                            aangewezen. Binnen deze gebieden en in
                                            Vogelrichtlijngebieden die voor deze soorten zijn
                                            aangewezen, wordt in de periode 1 oktober tot 1 april
                                            verontrusting en afschot niet toegestaan. Buiten deze
                                            periode en buiten deze gebieden ( grenzend aan de
                                            aangewezen foerageergebieden) is verjaging met
                                            ondersteunend afschot op basis van een ontheffing
                                            mogelijk conform afspraken zoals beschreven in de
                                            “Uitvoering Beleidskader Faunabeheer in verband met
                                            overwinterende ganzen en smienten, vanaf 1 oktober 2004. </noot.al><noot.al>Voor overzomerende ganzen is het beleid gericht op
                                            het zodanig beperkt houden van populaties dat
                                            belangrijke landbouwschade wordt voorkomen;
                                            doelstellingen en maatregelen hiertoe wordt in
                                            beheerplannen neergelegd. Een planmatige aanpak is
                                            tevens van toepassing op de Knobbelzwaan: op grond van
                                            de Vogelwet 1936 zijn in Overijssel enkele
                                            vergunninghouders bevoegd tot afschot van
                                            schadeveroorzakende knobbelzwanen, welk beleid goed via
                                            het faunabeheerplan kan worden gecontinueerd. </noot.al><noot.al>Voor bestrijdingshandelingen buiten voornoemd
                                            beheerplan om wordt in beginsel geen toestemming
                                            verleend. Een provinciale vrijstelling voor deze soorten
                                            zou met zowel dit beleid als met de doelstelling van de
                                            wet(gever) in strijd zijn. </noot.al><noot.al>Kraaiachtigen als Kauw, Roek en Zwarte kraai
                                            veroorzaken in combinatie aanzienlijke schade. Deze
                                            schade bestaat uit veelal schade aan granen, maïs,
                                            vollegrondsgroente, aardappelen, peulvruchten, pit- en
                                            steenvruchten en boomkwekerijen in het kader van
                                            fruitteelt. Om veelvuldige en belangrijke schade aan
                                            gewassen te voorkomen, wordt het toegestaan deze soorten
                                            te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met
                                            het oog daarop op te sporen, mits opzettelijke
                                            verontrusting zoals bedoeld in artikel 3 van deze
                                            verordening niet effectief is gebleken. Tot het doden
                                            wordt dan ook niet eerder overgegaan dan nadat door of
                                            namens de grondgebruiker getroffen maatregelen gericht
                                            op de voorkoming van schade, geen effect hebben gehad.
                                            Deze maatregelen betreffen in ieder geval de plaatsing
                                            van vlaggen en linten op het perceel waar schade wordt
                                            geleden. </noot.al><noot.al>De wildsoorten van de provinciale lijst – Fazant,
                                            Haas en Wilde eend – veroorzaken in Overijssel niet
                                            dermate veel schade dat uit het oogpunt van
                                            schadebestrijding het doden van dergelijke dieren
                                            noodzakelijk is; met de bejaging van deze soorten kan
                                            vooralsnog worden volstaan. Mocht in voorkomende
                                            gevallen schade bestreden worden, ook eventueel buiten
                                            het jachtseizoen, kan hierin met artikel 67 of 68 van de
                                            wet worden voorzien, nu artikel 15 Jachtbesluit hiertoe
                                            mogelijkheid biedt. </noot.al><noot.al>Voor het bestrijden van belangrijke lokale schade
                                            door een van de overige soorten van de provinciale lijst
                                            kan de provincie ontheffing verlenen, bijvoorbeeld voor
                                            het bestrijden van woelrattenschade in boomgaarden met
                                            behulp van de rodenator. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H53906_0_2_4_8_"> Lid 1 is slechts van toepassing
                                    voorzover hiertoe gebruik wordt gemaakt van het geweer. <noot id="d15e471"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Met dit artikelonderdeel
                                            is een bijzondere regeling getroffen ten aanzien van
                                            gebruik van middelen. Doden is enkel toegestaan met
                                            gebruikmaking van een geweer. De overweging hiertoe is
                                            het belang dat de toegepaste middelen ook het meest
                                            effectief zijn om de schade te bestrijden, waarbij
                                            sprake is van zo weinig mogelijk invloed hebben op de
                                            populaties van de betrokken soorten. Veelal geldt dat
                                            gebruikmaken van het geweer naast het directe effect
                                            (het doden van dieren die schade veroorzaken) ook een
                                            indirect effect heeft, namelijk het verjagen van dieren.
                                            In veel gevallen is dit het meest effectief: met het
                                            doden van een (relatief) gering aantal dieren treden
                                            verjagingseffecten op, waarbij de betrokken diersoort
                                            niet meer op het betreffende perceel komt. </noot.al><noot.al>Daarnaast kent de wet en het Besluit diverse
                                            waarborgen die aan het gebruik van het geweer worden
                                            gesteld. Zo zijn de ingevolge artikel 72, zesde lid van
                                            de wet de waarborgen ex artikel 54 en 55 van de wet
                                            omtrent de verzekeringsplicht van toepassing. Ook zijn
                                            de verboden ex artikel 74 van de wet en de regels ex
                                            artikel 7 van het Besluit omtrent het gebruikmaking van
                                            het geweer van toepassing. Zo bepaalt artikel 7, tweede
                                            lid van het Besluit dat een geweer slechts wordt
                                            gebruikt door personen die in het bezit zijn van een
                                            geldige jachtakte. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H53906_0_2_4_9_"> Voor de roek (Corvus frugilegus) is
                                    lid 2 slechts van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H53906_0_2_4_9_14_"> indien de roek zich
                                            buiten het gebied in een straal van 500 meter van een
                                            aanwezige roekenkolonie bevindt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H53906_0_2_4_9_15_"> indien er niet meer dan
                                            maximaal 5 dieren per dag per schadeperceel worden
                                            gevangen en gedood. <noot id="d15e493"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Met dit
                                                  artikelonderdeel is een bijzondere regeling
                                                  getroffen ten aanzien van de Roek. Hoewel moeilijk
                                                  per onderscheiden diersoort aan te tonen, is
                                                  schade veroorzaakt door de roek in het algemeen
                                                  het gevolg van in de provincie broedende vogels.
                                                  De Roek is daarbij kwetsbaar omdat deze soort in
                                                  kolonies broedt. Het doden van dergelijke
                                                  kolonie-broeders kan tot gevolg hebben dat de
                                                  gunstige staat van instandhouding van de soort
                                                  wordt aangetast. Om niet in strijd te komen met
                                                  deze wettelijke voorwaarde, zijn door middel van
                                                  voorwaarden beperkingen aan de uitoefening van
                                                  deze vrijstelling gesteld. Het betreft waarborgen
                                                  omtrent de in acht te nemen afstand rond
                                                  roekenpopulaties en het maximaal aantal af te
                                                  schieten of te vangen dieren per dag.]</noot.al></noot></al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>SLOTBEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening beheer en
                                schadebestrijding dieren in Overijssel’.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. </titel></kop><al>Deze verordening treedt niet eerder in werking dan zes weken na
                                bekendmaking van het besluit. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 1. </titel></kop><al><vet>Bijlage bij de Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel
                    </vet></al><al>Beschermde inheemse diersoorten waarvoor het in afwijking van artikel 10 van de
                    wet is toegestaan dieren opzettelijk te verontrusten </al><al>Overzicht van beschermde inheemse diersoorten, waarvoor bij artikel 3 van deze
                    verordening de grondgebruiker inzake het door hem te verrichten beheer en de
                    bestrijding van schade vrijstelling wordt verleend de bij artikel 10 van de wet
                    verboden handelingen te verrichten </al><table><title>Overzicht van beschermde inheemse diersoorten</title><tgroup cols="2"><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Nederlandse naam </al></entry><entry><al><cursief>Wetenschappelijke naam </cursief></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Brandgans</al></entry><entry><al><cursief>Branta leucopsis</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Ekster</al></entry><entry><al><cursief>Pica pica</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Fazant</al></entry><entry><al><cursief>Phasianus colchicus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Grauwe gans</al></entry><entry><al><cursief>Anser anser</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Haas</al></entry><entry><al><cursief>Lepus europaeus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Holenduif </al></entry><entry><al><cursief>Columba oenas</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Huismus</al></entry><entry><al><cursief>Passer domesticus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Kleine rietgans</al></entry><entry><al><cursief>Anser brachyrhynchus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Knobbelzwaan</al></entry><entry><al><cursief>Cygnus olor</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Kolgans</al></entry><entry><al><cursief>Anser albifrons</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Meerkoet</al></entry><entry><al><cursief>Fulica atra</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Rietgans</al></entry><entry><al><cursief>Anser fabalis</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Ringmus</al></entry><entry><al><cursief>Passer montanus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Roek</al></entry><entry><al><cursief>Corvus frugilegus</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Rotgans</al></entry><entry><al><cursief>Branta bernicla</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Smient</al></entry><entry><al><cursief>Anas penelope</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Spreeuw</al></entry><entry><al><cursief>Sturnus vulgaris</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Wilde eend</al></entry><entry><al><cursief>Anas platyrhynchos</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Woelrat </al></entry><entry><al><cursief>Arvicola terrestris</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2. </titel></kop><al><vet>Bijlage bij de Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel
                    </vet></al><al>Beschermde inheemse diersoorten waarvoor het in afwijking van artikel 9 van de
                    wet is toegestaan dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of
                    met het oog daarop op te sporen. </al><al>Overzicht van beschermde inheemse diersoorten, waarvoor bij artikel 4 van deze
                    verordening de grondgebruiker inzake het door hem te verrichten beheer en de
                    bestrijding van schade vrijstelling wordt verleend de bij artikel 9 van de wet
                    verboden handelingen te verrichten. </al><table><title>Bijlage</title><tgroup cols="2"><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Nederlandsenaam </al></entry><entry><al><cursief>Wetenschappelijkenaam</cursief></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Roek</al></entry><entry><al>Corvus frugilegus</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>