<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR330505_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onderzoeksrecht 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Koggenland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Koggenland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 4 april 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onderzoeksrecht 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 en 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-04-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onderzoeksrecht 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Instellen van het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad, kan op voorstel van een of meer van zijn leden besluiten tot
                            het instellen van een onderzoek naar het door het college van
                            burgemeester en wethouders of door de burgemeester als eigenstandig
                            bestuursorgaan gevoerde bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan besluiten tot het verrichten van een vooronderzoek naar de
                            zin, passendheid, mogelijke gevolgen en kosten van een mogelijk in te
                            stellen onderzoek naar het door het college van burgemeester en
                            wethouders of burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt hiertoe een
                            voorbereidingscommissie in. Deze commissie bestaat uit tenminste drie
                            leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving
                            van het onderwerp van onderzoek, de onderzoeksvraag, alsmede een
                            toelichting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde omschrijving kan, hangende het onderzoek,
                            al dan niet op verzoek van de in artikel 2 genoemde onderzoekscommissie,
                            door de raad worden gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van het besluit tot het instellen van een onderzoek wordt
                            opgedragen aan een na dit besluit daartoe in te stellen
                            onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie bestaat uit tenminste drie raadsleden. Voor ieder
                            lid kan een plaatsvervanger worden aangewezen. Bij de samenstelling van
                            deze commissie zorgt de raad voor een evenwichtige vertegenwoordiging
                            van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bij deze verordening of Gemeentewet
                            verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien tenminste drie van
                            haar leden of als zodanig optredende plaatsvervangende leden
                            tegenwoordig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie kan de raad nadere regels
                            vaststellen met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie
                            aan de raad. Daarbij wordt aangegeven in hoeverre artikel 6 lid 6 van
                            deze verordening nog van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegdheid en de werkzaamheden van de onderzoekscommissie worden
                            door het aftreden van de raad niet geschorst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekendmaking besluiten</titel></kop><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek, het besluit van
                        samenstelling van de onderzoekscommissie en het besluit zoals bedoeld in
                        artikel 1, vierde lid, wordt op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzitter Z plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en hoorzitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging lidmaatschap onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van haar commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op
                            de plaatsvervangende leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt op de door haar te bepalen dagen en
                            in bijzondere gevallen, indien één lid van de commissie, onder opgaaf
                            van redenen, dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden schriftelijk of per e-mail in vergadering
                            bijeen onder opgaaf van de punten die behandeld zullen worden en zorgt
                            dat stukken die op de agenda betrekking hebben tijdig aan de leden
                            worden toegezonden of tijdig voor de leden ter inzage worden
                            gelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van het bepaalde in de vorige
                            leden afwijken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissiegriffier maakt een beknopt verslag van de vergadering, dat
                            de onderzoekscommissie in de eerstvolgende vergadering ter vaststelling
                            wordt aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan, met in achtneming van het bepaalde in
                            artikel 2 lid 5, bepalen dat uit een beraadslaging geen mededelingen
                            mogen worden gedaan, totdat de onderzoekscommissie een rapport aan de
                            raad presenteert.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in een besloten vergadering, op grond van een
                            belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur,
                            omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent
                            de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd,
                            geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten
                            vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De
                            geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en
                            allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht
                            genomen totdat de commissie haar opheft dan wel totdat de door de
                            commissie ingestelde periode van geheimhouding is geëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ambtelijke ondersteuning en bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle activiteiten van de leden en de aan de onderzoekscommissie
                            toegevoegde medewerkers vallen onder de politieke verantwoordelijkheid
                            van de commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            commissiegriffier en een plaatsvervangend commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De taak van de commissiegriffier is te zorgen voor inhoudelijke en
                            organisatorische ondersteuning van de commissie onder
                            verantwoordelijkheid van de raadsgriffier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissiegriffier is bij iedere vergadering van de
                            onderzoekscommissie aanwezig en bij iedere hoorzitting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde ondersteuning wordt in beginsel gevonden
                            binnen de raadsgriffie en zonodig aangevuld met ondersteuning vanuit het
                            ambtelijk apparaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de onderzoekscommissie besluit de uitvoering van bepaalde delen
                            van het onderzoek neer te leggen bij derden, vindt deze uitvoering
                            plaats onder haar verantwoordelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na instelling van de commissie c.q. vaststelling van
                            de onderzoeksopdracht stelt de commissievoorzitter, in overleg met de
                            griffier en gemeentesecretaris, voor zover een beroep wordt gedaan op
                            het ambtelijk apparaat, een concept plan van aanpak op waarin zij in
                            ieder geval aandacht besteden aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitvoering van de onderzoeksopdracht;</al></li><li nr="-"><al>de eerste planning van de uit te voeren taken;</al></li><li nr="-"><al>de taakverdeling;</al></li><li nr="-"><al>de taak en rol van de voorzitter;</al></li><li nr="-"><al>de nadere invulling van de wenselijke ondersteuning</al></li><li nr="-"><al>de plaats en de omvang van de werkruimten;</al></li><li nr="-"><al>de noodzaak van een informatieprotocol;</al></li><li nr="-"><al>de archivering en classificering;</al></li><li nr="-"><al>de geheimhoudings- en beveiligingsaspecten, met name ten aanzien
                                    van de (on) toegankelijkheid van de digitaal opgeslagen
                                    stukken;</al></li><li nr="-"><al>de vertrouwelijkheid van de informatie in de verschillende fasen
                                    van het onderzoek;</al></li><li nr="-"><al>de contacten met de pers.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De commissie stelt het plan van aanpak vast en brengt deze vervolgens
                            ter kennis van de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichte medewerking aan onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van de inwerkingtreding van de besluiten tot instelling van
                            een onderzoek en tot instelling van de onderzoekscommissie zijn leden en
                            gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters,
                            wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de
                            rekenkamercommissie, leden en gewezen leden van een door de raad, het
                            college van burgemeester en wethouders of de burgemeester ingestelde
                            commissie, ambtenaren of gewezen ambtenaren, door of vanwege het
                            gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, verplichtte voldoen
                            aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van
                            inzage in, het geven van afschrift van of het anderszins laten
                            kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar
                            het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of
                            kennisneming anderszins voor het doen van onderzoek als bedoeld in
                            artikel 1 nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
                            bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of
                            van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                            onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                            schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door de
                            onderzoekscommissie gevorderde medewerking als bedoeld in het eerste lid
                            te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vrijwillige medewerking aan onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 8, eerste lid, genoemde
                            personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het onderzoek te
                            verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt op vrijwillige
                            basis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die over informatie denkt te beschikken die van belang kan
                            zijn voor het onderzoek kan zich uit eigener beweging melden of wordt
                            uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter van de onderzoekscommissie.
                            De commissie kan een dergelijke uitnodiging publiceren met een
                            omschrijving van het onderwerp van het onderzoek. De commissie besluit
                            of van deze informatie gebruik wordt gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verplichtingen getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, zijn verplicht te voldoen
                            aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige
                            te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord
                            is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                            weten als zodanig te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                            verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de
                            vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de
                            eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid
                            zullen zeggen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om
                            gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder
                            bijstand wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een deskundige kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan, indien de
                            onderzoekscommissie daarmee instemt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen,
                            behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van
                            Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Openbare hoorzitting getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verhoren van getuigen en deskundigen worden door de
                            onderzoekscommissie in het openbaar gehouden op een plaats waar zij dit
                            het meest wenselijk oordeelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter van de onderzoekscommissie bepaalt plaats en tijdstip van
                            de zitting en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De schriftelijke aantekening van de afgelegde verklaringen of gegeven
                            berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen of ter inzage
                            verstrekt en door dezen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie kan ter voorbereiding op de openbare verhoren informatieve
                            gesprekken voeren in beslotenheid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor
                            of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en
                            plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding over
                            hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Oproeping getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen schriftelijk op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De getuigen of deskundigen dienen de oproeping tenminste twee weken voor
                            de dag van het verhoor te ontvangen. De brief, houdende de oproeping,
                            wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs
                            uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                            hoewel opgeroepen in overeenstemming met het tweede lid, niet zijn
                            verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun
                            verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of
                            deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de in het tweede lid
                            bepaalde wijze. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen
                            de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan
                            zijn verplichting te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op een beschikking als bedoeld in het tweede en vijfde lid is artikel
                            7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet verschijnen getuige of deskundige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de behoorlijk opgeroepen getuige of deskundige niet verschijnt,
                            ook niet na toepassing van artikel 12, vijfde lid, wordt van het niet
                            verschijnen een procesverbaal opgemaakt, hetwelk een nauwkeurige
                            omschrijving van de oproeping geeft en door de aanwezige leden van de
                            onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de onderzoekscommissie, wanneer zij het
                            nodig acht, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de
                            rechtbank van het arrondissement waarin de in gebreke gebleven getuige
                            of deskundige woont.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Weigering getuige of deskundige</titel></kop><al>Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de oproeping
                        verschenen of door de openbare macht gebracht zijnde, weigert te antwoorden
                        of de eed of belofte af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt,
                        hetwelk de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt en door
                        de aanwezige leden van de onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verschoningsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te
                            openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                            toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel
                            aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij
                            werkzaam is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding
                            verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch
                            uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als
                            zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming
                            anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun
                            plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen in verband met de
                            bescherming van de in artikel 8, eerste lid genoemde personen of van een
                            belang, bedoeld in artikel 17, besluiten aan haar overgelegde bescheiden
                            of gedeelten daarvan niet openbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie bewaren geheimhouding omtrent de
                            inhoud van de bescheiden of gedeelten daarvan, die ingevolge een
                            besluit, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de in het tweede lid bedoelde bescheiden deel uitmaken van
                            het onderzoeksverslag van de onderzoekscommissie, worden deze ter inzage
                            of anderszins ter kennisneming gelegd van de leden van de gemeenteraad.
                            De leden bewaren omtrent de inhoud van zodanige bescheiden
                            geheimhouding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strijd met openbaar belang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
                            burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden
                            van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie,
                            ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het college aangesteld
                            of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 8, eerste en
                            derde lid en artikel 10, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken
                            van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het
                            eerste lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het
                            college van burgemeester en wethouders, of, voor zover de inlichtingen
                            betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde bestuur, door de
                            burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verslaglegging hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                                zitting.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid
                                voor zover van belang.</al></li><li nr="3."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden en
                                feitenbeschrijvingen, die aan het verslag kunnen worden
                                gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Voorafgaande aan vaststelling wordt het verslag in concept
                                voorgelegd aan betrokkenen, als wederhoor.</al></li><li nr="6."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                commissiegriffier.</al></li></lijst><al><vet>Artikel21 Rapportage aan de raad</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen
                                een door haar te stellen termijn, die tenminste twee weken bedraagt,
                                hun zienswijze op het concept onderzoeksrapport aan de
                                onderzoekscommissie kenbaar te maken. Betrokkenen zijn in elk geval
                                degenen wier taakuitvoering (mede) voorwerp van onderzoek is of is
                                geweest. De onderzoekscommissie bepaalt wie verder als betrokkenen
                                worden aangemerkt.</al></li><li nr="2."><al>Na vaststelling door de onderzoekscommissie worden het
                                onderzoeksrapport, de conclusies en aanbevelingen, de verslagen van
                                de openbare hoorzittingen en de zienswijze van betrokkenen op het
                                rapport zo spoedig mogelijk, onder toezending van een afschrift aan
                                het college van burgemeester en wethouders, aan de raad
                                aangeboden.</al></li><li nr="3."><al>Het rapport wordt besproken in de raad op een door de raad te
                                bepalen tijdstip.</al></li></lijst><al><vet>Artikel22 Kosten onderzoek</vet></al><al>De raad stelt een raming vast van de kosten die naar zijn oordeel voor een
                        bepaald onderzoek vereist zijn. Deze kosten worden geboekt ten laste van de
                        post onvoorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Archivering onderzoeksbescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde commissie
                            besluit de raad, dat de processen-verbaal en de overige bescheiden van
                            het onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende een door hem te
                            bepalen periode worden bewaard in het gemeentearchief.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de
                            onderzoekscommissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen deel
                            uit van dit archief.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie bepaalt waar de in het tweede lid genoemde
                            bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim
                            zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onderzoeksrecht
                        2014". </al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>